[T26.01633] Wijziging omgevingsplan 'Molenweg 59' TAM-IMRO te Berkel en Rodenrijs.
Tekst van het document
c.
voor een ander bouwwerk: de hoogte van de weg waaraan het bouwwerk is gelegen of, als het bouwwerk niet direct aan de weg is gelegen, de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein;
d.
als wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in de gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m, geldt: 1.
voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg, waarbij dit peil zich uitstrekt tot een zone van ten
pagina 8 van 19
10
hoogste 4 m achter de achtergevelrooilijn van een op bedoeld perceel aangegeven hoofdgebouw, mits het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan het hoofdgebouw betreft; 2.
voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: het peil wordt bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein;
3.
voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken wordt het peil bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein.
2.3 Aanvraagvereisten De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.
2.4 Normadressaat Aan dit hoofdstuk wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij in de regels van dit plan anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.
2.5 Algemeen gebruiksverbod Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.
pagina 9 van 19
2 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving Artikel 3 Gebieden 3.1 Tuin 3.1.1 Aanwijzing Er is een gebiedstype 'Tuin'.
3.1.2 Geometrische begrenzing gebiedstype De regels van dit artikel gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'Tuin'.
3.1.3 Doelen De regels voor dit gebiedstype zijn gesteld met het oog op: a.
het realiseren, in stand houden en gebruiken van tuinen bij nieuwe woningen;
b.
het komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht;
c.
het bewerkstellingen van een goed woon- en leefklimaat voor nieuwe woningen.
3.1.4 Gebruiksactiviteiten Functioneel ondersteunende voorzieningen bij woongebruik, zoals tuinen, erven, voetpaden, voorzieningen van algemeen
nut,
speelvoorzieningen,
overige
verhardingen, ontsluitingswegen,
in-
en
uitritten
en
parkeervoorzieningen. 3.1.5 Bouw- en sloopactiviteiten Het verrichten van bouw- en sloopactiviteiten is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in Bouwactiviteiten.
3.2 Woongebied
3.2.1 Aanwijzing Er is een gebiedstype 'Woongebied'.
3.2.2 Geometrische begrenzing gebiedstype De regels van dit artikel gelden ter plaatse van het werkingsgebied 'Woongebied'.
3.2.3 Doelen De regels voor dit gebiedstype zijn gesteld met het oog op:
pagina 10 van 19
a.
het ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften;
b.
het komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht;
c.
het bewerkstellingen van een goed woon- en leefklimaat voor nieuwe woningen;
d.
het bewaken van de gebruiksmogelijkheden van de naastgelegen bedrijvigheid.
3.2.4 Gebruiksactiviteiten Alleen de volgende gebruiksactiviteiten zijn toegestaan: a.
Wonen zoals bedoeld in subparagraaf 3.2.1 Wonen, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19.
b.
Het exploiteren van een bed&breakfast, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 4;
c.
Het uitoefenen van een beroep aan huis, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 2;
d.
Het exploiteren van een bedrijf aan huis, zoals bedoeld in Artikel 3.2.19, mits wordt voldaan aan de regels van Artikel 3.2.19 lid 3;
Functioneel ondersteunende voorzieningen, zoals tuinen, erven, woonstraten, woonerven, pleinen, fietspaden en/of -stroken
en
voetpaden,
voorzieningen
van
algemeen
nut,
speelplaatsen,
speelvoorzieningen,
ontsluitingswegen, in- en uitritten en parkeervoorzieningen.
De volgende activiteiten worden niet verricht: a.
het gebruik van gebouwen en andere bouwwerken als seksinrichting;
b.
het gebruik maken voor kamergewijze verhuur van kamers in geval van woningen en/of bijbehorende bouwwerken;
c.
permanente bewoning van vrijstaande bijbehorende bouwwerken bij een woning of bedrijfswoning;
d.
het opslaan van vuurwerk;
e.
prostitutie;
f.
het plaatsen of geplaatst houden van onderkomens voor de voorgevel van een hoofdgebouw en in het openbaar gebied.
3.2.5 Bouw- en sloopactiviteiten Het verrichten van bouw- en sloopactiviteiten is toegestaan, mits wordt voldaan aan de regels in Bouwactiviteiten.
pagina 11 van 19
3 Activiteiten Artikel 4 Algemene bepalingen 4.1 Algemeen 4.1.1 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a.
de bewoonbaarheid van het land en de bescherming van het leefmilieu;
b.
het beschermen van het milieu;
c.
het beschermen van de gezondheid;
d.
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; en
e.
het waarborgen van de veiligheid.
Artikel 5 Gebruiksactiviteiten 5.1 Wonen 5.1.1 Aanwijzing activiteiten 5.1.1.1 Als activiteit 'wonen' wordt aangewezen het bewonen van een woonruimte.
5.1.1.2 Als activiteit 'beroep aan huis' wordt aangewezen het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, cosmetisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, waaronder gastouderopvang, of daarmee gelijk te stellen gebied.
5.1.1.3 Als activiteit 'bedrijf aan huis' wordt aangewezen het voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten.
5.1.1.4 Als activiteit 'bed&breakfast' wordt aangewezen een aan een woning ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, niet zijnde een zelfstandige wooneenheid, gericht op het bieden van een mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, voor een kortdurend verblijf (waaronder ook zakelijk toerisme). Onder deze aanwijzing wordt niet verstaan: overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.
5.1.2 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op:
pagina 12 van 19
a.
een goed woon- en leefklimaat;
b.
het beschermen van het milieu;
c.
een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
d.
het ontwikkelen van een duurzame woningvoorraad; en
e.
het beschermen van de gezondheid.
5.1.3 Algemene regels voor het uitoefenen van een woonactiviteit 5.1.3.1 In één woning woont slechts één huishouden. Onder één huishouden wordt ook verstaan: één huishouden dat mantelzorg ontvangt of verleent, waarbij de ontvanger of verlener van mantelzorg in de woning woont.
5.1.3.2 Bij het uitoefenen van een woonactiviteit geldt dat wonen slechts is toegestaan in een vrijstaande woning.
5.1.3.3 Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners wordt een woning niet bewoond door meer dan één persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte.
5.1.4 Specifieke regels voor het uitoefenen van een beroep aan huis Bij het verrichten van de in Artikel 3.2.19 lid 2 aangewezen activiteit gelden de volgende regels: a.
de beroepsmatige activiteiten worden uitgeoefend door degene die op het perceel woonachtig is;
b.
de totale bedrijfsvloeroppervlakte per perceel bedraagt niet meer dan 250Zo met een maximum van 50 m2;
c.
er vinden geen detailhandelsactiviteiten plaats, tenzij:
d.
1.
er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
2.
de detailhandel functioneel ondersteunend is aan het beroep aan huis;
er op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte in aanvulling op het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dat is gerealiseerd ten behoeve van de woonfunctie.
5.1.5 Specifieke regels voor het uitoefenen van een bedrijf aan huis 5.1.5.1 Het is verboden om de activiteit bedoeld in Artikel 3.2.19 lid 3 te verrichten zonder omgevingsvergunning.
5.1.5.2 De omgevingsvergunning, bedoeld in Artikel 3.2.23 lid 1, wordt alleen verleend als: a.
het bedrijf aan huis ondergeschikt is aan de woonfunctie;
b.
de exploitatie van het bedrijf aan huis plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is;
c.
de totale vloeroppervlakte waarop het bedrijf aan huis wordt geëxploiteerd niet meer bedraagt dan 250Zo van het woonoppervlak met een maximum van 50 m2;
d.
er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
e.
er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, tenzij: 1.
pagina 13 van 19
sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd;
2.
detailhandel functioneel ondersteunend is aan het bedrijf aan huis; en
3.
detailhandel geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente;
f.
op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte in aanvulling op het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein dat is gerealiseerd ten behoeve van de woonfunctie. Bij de beoordeling hiervan neemt het college de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolgers in acht.
5.1.6 Specifieke regels voor het uitoefenen van een bed&breakfast 5.1.6.1 Het is verboden om de activiteit bedoeld in Artikel 3.2.19 lid 4 te verrichten zonder omgevingsvergunning.
5.1.6.2 De omgevingsvergunning bedoeld als in het eerste lid, wordt alleen verleend als: a.
de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;
b.
de exploitatie plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is;
c.
de totale vloeroppervlakte aan gastenkamers niet meer bedraagt dan 250Zo van het woonoppervlak met een
d.
maximum van 75 m2;
e.
er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving;
f.
het aantal gastenkamers niet meer bedraagt dan vier per woning;
g.
in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting zal optreden; en
h.
op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte naast het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor de woonfunctie. Bij de beoordeling hiervan neemt het college de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolgers in acht.
Artikel 6 Bouwactiviteiten 6.1 Algemene bepalingen over bouwactiviteiten
6.1.1 Aanwijzing activiteiten Als activiteit wordt aangewezen het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
6.1.2 Toepassingsbereik Deze paragraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken.
6.1.3 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a.
de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu;
pagina 14 van 19
ŵ
b.
het gebruik van bouwwerken; en
c.
een goede omgevingskwaliteit.
6.2 Bouwregels tuin 6.2.1 Toepassingsbereik De regels in deze subparagraaf zijn van toepassing op bouwactiviteiten binnen het werkingsgebied 'Tuin'.
6.2.2 Oogmerken De regels in deze subparagraaf zijn gesteld met het oog op: a.
het beschermen van het woon- en leefklimaat;
b.
het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit.
6.2.3 Bouwregels overige bouwwerken Binnen het werkingsgebied 'Tuin' mogen uitsluitend paden, waterhuishoudkundige voorzieningen, in- en uitritten, speelvoorzieningen en erf- en terreinafscheidingen worden gebouwd, met de volgende bouwhoogtes: a.
erf- en terreinafscheidingen: niet meer dan 1 m;
b.
overige bouwwerken: niet meer dan 3 m.
6.3 Bouwregels woongebied 6.3.1 Toepassingsbereik Deze subparagraaf is van toepassing op het bouwen en in stand houden van bouwwerken binnen het werkingsgebied 'Woongebied'.
6.3.2 Oogmerken De regels in deze paragraaf zijn gesteld met het oog op: a.
het beschermen van het woon- en leefklimaat;
b.
het gebruik van bouwwerken; en
c.
het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit.
6.3.3 Aanvullende beoordelingsregels hoofdgebouwen 6.3.3.1 Voor het bouwen van
een
omgevingsvergunning
bedoeld
als
hoofdgebouw binnen in
het werkingsgebied "Woongebied"
artikel 22.26 van
het omgevingsplan
- in
geldt dat een
aanvulling
op de
beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan - slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: a.
de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
b.
het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
pagina 15 van 19
c.
de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
d.
de verkeersveiligheid;
e.
de sociale veiligheid;
f.
de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.3.2 In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
6.3.3.3 In aanvulling op lid 1 en 2 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien is voorzien in 41 m2 aan nieuw wateroppervlakte of 8,1 m3 aan waterberging. Bij wijzigingen in de oppervlakte aan verhard oppervlak kan de benodigde waterberging opnieuw worden bepaald met het Convenant Klimaatadaptief Bouwen of diens rechtsopvolger. 6.3.4 Aanvullende beoordelingsregels bijbehorende bouwwerken 6.3.4.1 Voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat een omgevingsvergunning
als
bedoeld
in
artikel 22.26 van
het omgevingsplan
- in
aanvulling
op de
beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan - slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: a.
de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
b.
het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;
c.
de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;
d.
de verkeersveiligheid;
e.
de sociale veiligheid;
f.
de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.4.2 In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
pagina 16 van 19
6.3.5 Aanvullende beoordelingsregels overige bouwwerken 6.3.5.1 Voor het bouwen van overige bouwwerken, niet zijnde hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken, binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan - in aanvulling op de beoordelingsregels genoemd in artikel 22.29 van het omgevingsplan slechts wordt verleend als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op: a.
de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;
b.
de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; en
c.
de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen.
6.3.5.2 In aanvulling op lid 1 geldt dat een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 22.26 van het omgevingsplan slechts wordt verleend indien wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor auto en fiets op eigen terrein. Bij het bepalen van de benodigde parkeergelegenheid wordt rekening gehouden met de 'Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland' en 'Nota Parkeren Lansingerland' of diens rechtsopvolger.
6.3.6 Bouwregels hoofdgebouwen Binnen het werkingsgebied "Woongebied" geldt dat: a.
er enkel een vrijstaande woning mag worden gebouwd;
b.
het hoofdgebouw binnen het werkingsgebied 'bouwvlak' dient te worden gebouwd;
c.
de goothoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde in Artikel 3.3.30 lid 1, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 5 m;
d.
de bouwhoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde in Artikel 3.3.30 lid 1, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 9 m;
e.
het bouwvolume van een hoofdgebouw niet meer bedraagt dan 750 m3;
f.
de afstand van het hoofdgebouw tot een van de zijdelingse perceelsgrenzen niet minder mag bedragen dan 3 m.
6.3.7 Maximum aantal wooneenheden Binnen het werkingsgebied 'Woongebied' wordt maximaal één vrijstaande woning gebouwd.
pagina 17 van 19
4 Overgangsrecht Artikel 7 Overgangsrecht 7.1 Overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken 7.1.1 Het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond op het tijdstip waarop deze wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, en dat als gevolg van die wijziging in strijd is met de regels over gebruik in Gebruiksactiviteiten mag worden voortgezet.
7.1.2 Lid 1 is niet van toepassing op het gebruik dat voorafgaand aan wijziging van dit omgevingsplan reeds in strijd was met de voorheen geldende regels over gebruik in dit omgevingsplan,
daaronder begrepen de
overgangsbepalingen daarvan.
7.1.3 Het is verboden het strijdige gebruik, bedoeld in lid 1, te veranderen in een ander met het omgevingsplan strijdig gebruik.
7.1.4 Indien het strijdig gebruik, bedoeld in lid 1, na inwerkingtreding van de in lid 1 bedoelde wijziging voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
7.2 Overgangsrecht met betrekking tot bouwwerken 7.2.1 Een bouwwerk waarop het overgangsrecht voor bestaande bouwwerken in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet, van toepassing is, mag in stand worden gehouden.
7.2.2 Een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is en afwijkt van het omgevingsplan na wijziging, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: a.
in stand worden gehouden, gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden;
b.
na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd en in vernieuwde of veranderde staat in stand worden gehouden, mits de aanvraag van de
pagina 18 van 19
omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 7.2.3 Onder een bouwwerk dat op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden aanwezig is, wordt in dit artikel tevens verstaan een bouwwerk dat in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen.
7.2.4 Lid 1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip dat een wijziging van dit omgevingsplan in werking is getreden, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met de voorheen geldende regels over bouwwerken in dit omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen daarvan.
pagina 19 van 19
Legenda Plangebied \ \ ļ Plangrens Werkingsgebieden Tuin Woongebied bouwvlak
TAM-omgevingsplan Molenweg 59, Berkel en Rodenrijs gemeente Lansingerland schaal: datum: projectnr.: formaat: aantal bladen: bladnummer: identificatienr.
1:500 07 juli 2025 SR240397 A4
vorige versie: voorontwerp: ontwerp: vaststelling:
20 juni 2025 -
1
BURO
SRO
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Quickscan Natuur Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
blomecologie.nl
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2025-0767
Datum:
23 mei 2025
Samensteller: Collegiale toets: Opdrachtgever:
Buro SRO B.V.
Contactpersoon:
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schríftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
BLOM
ri ECOLOGIE
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
5
1.1
Planlocatie
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Specifieke zorgplicht Soorten
14
3.3
Gebiedsbescherming
15
3.4
Houtopstanden
18
3.5
Natuurinclusiviteit
18
4 Conclusie en vervolg
19
4.1
Conclusie
19
4.2
Effecten
19
4.3
Vervolgstappen
19
4.4
Maatregelen
19
BLOM ri ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Samenvatting Aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs is een voormalig woonperceel met woning en aanbouw gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning op de planlocatie te slopen en het bestaande bouwvlak te verplaatsen ten behoeve van een nieuwe woning. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep
Bescherming
Planten
Mogelijke functie
Grondgebonden zoogdieren
Nee Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (jaarrond beschermd) Vogels (cat. 5 en algemene broedvogels)
Nee
Vervolgstap (H4.3)
Nee Nee Nee
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Vervolgstap (H4.3)
Natura 2000 Kaderrichtlijn water Natuurnetwerk Nederland Groene buffer Belangrijk weidevogelgebied
17 km 7,9 km 195 m 0m 420 m
Geen Geen Geen Geen Geen
n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Houtopstanden
Onderdeel
Uitzondering
Vervolgstap (H4.3)
Eenheid van ^1000 m2 Bomenrij van ^0 bomen
Afwezig Afwezig
n.v.t. n.v.t.
n.v.t. n.v.t.
Zorgplicht
Effecten
Maatregel (H4.4)
Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja Ja n.v.t. n.v.t.
Algemene maatregelen Specifieke maatregelen n.v.t. n.v.t.
4
BLOM r~ì ECOLOGIE
1 Inleiding Aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs is een voormalig woonperceel met woning en aanbouw gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande woning op de planlocatie te slopen en het bestaande bouwvlak te verplaatsen ten behoeve van een nieuwe woning. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro SRO B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen ^ Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art.
4.2)? ^ Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? ^ Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs.
5
BLOM r~ì ECOLOGIE
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs (figuur 1.2). De planlocatie betreft een voormalig woonperceel met woning en aanbouw. De woning is opgebouwd uit gemetselde muren met luchtspouw. De tweede verdieping is afgewerkt met kunststof wandplaten. Het zadeldak beschikt over stormpannen met een houten dakoverstek en houten windveren op de kopgevels. De aanbouw is eveneens opgebouwd uit gemetselde muren met luchtspouw en beschikt over een plat bitumen dak. Naast de aanbouw is een deel met houten muren en een golfplaten dak zonder dakbeschot aanwezig. Het perceel beschikt verder over een recent gemaaid grasveld. Er is sprake van een zomereik en conifeer op de planlocatie. Aan de noordzijde is een laurierhaag aanwezig. Op de planlocatie is geen sprake van oppervlaktewater. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn enkele foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het agrarisch buitengebied van Berkel en Rodenrijs. De planlocatie ligt op circa 3,6 km afstand van het centrum van Berkel en Rodenrijs. Direct ten noorden, oosten en zuiden van de planlocatie is industrieterrein aanwezig. Op een afstand van circa 130 m ligt de Bovenvaart. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 630 m van de Ackerdijkse Plassen. De dichtstbijzijnde provinciale weg (N471) is gelegen op een afstand van circa 1 km ten oosten van de planlocatie.
6
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 1.3
1.2
Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe woning, waarbij de huidige woning wordt gesloopt. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. De huidige planning van de (start van de) werkzaamheden is momenteel onbekend. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ ^ ^ ^ ^
slopen van woning met aanbouw: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouwwoning: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
7
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 1.4
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Houweling Architecten).
8
BLOM r~ì ECOLOGIE
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en regelgeving. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit verkennende onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 6 mei 2025 en is uitgevoerd door De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 3/8 bewolkt, 100 Celsius en windkracht 3 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, boven op het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d. 15 mei 2025.
In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2
Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de voorgenomen ingreep zoals deze door de initiatiefnemer is geformuleerd en de actuele wetgeving en provinciale verordening. Dit rapport mag alleen gebruikt worden voor deze vooraf gedefinieerde werkzaamheden. Andere werkzaamheden kunnen resulteren in schadelijke handelingen op beschermde natuurwaarden die niet binnen de effectbeoordeling van dit verkennend onderzoek vallen. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van drie jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen (Omgevingsregeling artikel 7.197j lid 2b).
9
BLOM fì ECOLOGIE
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2020-2025). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante soorten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: akkerkool, boterbloem spec., gewone vlier, grote brandnetel, grote ereprijs, hondsdraf, klimop, schijnaardbei, schijnpapaver en witte krodde. Op de planlocatie is geen verharding aanwezig. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. De planlocatie beschikt over enkele bomen zoals een conifeer, zomereik en zwarte els. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: boommarter, bosmuis, bruine rat, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2020-2025). Voor de boommarter geldt dat deze beschermd is en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De boommarter komt voor in bosgebieden met de aanwezigheid van voldoende oude bomen welke als vaste rust- en voortplantingsplaats gebruikt kunnen worden. De planlocatie betreft een voormalig woonperceel welke vooral bestaat uit bebouwing en een onderhouden grasveld. Er zijn enkele bomen aanwezig, maar deze beschikken niet over boomholtes. De aanwezigheid van vaste rust- en voortplantingsplaatsen kan derhalve uitgesloten worden. Gezien de planlocatie in beperkt dekkings- en foerageermogelijkheden voorziet, is op de planlocatie geen sprake van essentieel leefgebied van de boommarter.
Negatieve effecten ten aanzien van de boommarter kan derhalve uitgesloten worden. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
10
BLOM r~ì ECOLOGIE
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2020-2025). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de specifieke zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Tijdens het veldbezoek d.d. 6 mei 2025 is de te slopen bebouwing nauwkeurig geïnspecteerd op de aandan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.
Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. De woning is opgebouwd uit gemetselde muren met luchtspouw. De tweede verdieping heeft een kunststof platen afwerking. Het zadeldak beschikt over stormpannen met een houten dakoverstek en houten windveren op de kopgevels. De aanbouw is ook opgebouwd uit gemetselde muren met luchtspouw en beschikt over een plat bitumen dak. Naast de aanbouw is een deel met houten muren en een golfplaten dak zonder dakbeschot aanwezig. Voor vleermuizen zijn geen openingen aanwezig om de bebouwing te kunnen betreden. De kunststofplaten afwerking is goed aangesloten op de gemetselde muren, onder het dakoverstek zijn geen openingen aanwezig en de kunststof zorgt voor een te gladde ondergrond voor vleermuizen (figuur 3.1). Er zijn verder geen andere mogelijkheden aanwezig voor vleermuizen om de bebouwing te betreden, waardoor de aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de woning uitgesloten kan worden. De aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen in de bebouwing kan derhalve uitgesloten worden. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het aantasten van vleermuisverblijfplaatsen.
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de planlocatie zijn geen grote groenstructuren of lijnvormige structuren aanwezig welke voor vleermuizen gebruikt kunnen worden als essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute. Op de planlocatie zij bomen aanwezig en de planlocatie is gelegen langs een vaart, welke door vleermuizen gebruikt kunnen worden tijdens vliegbewegingen. Om negatieve effecten op foeragerende of overvliegende vleermuizen te voorkomen, dienen maatregelen getroffen te worden (zie H4.4).
11
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 3.1
De kunststof platen afwerking op de woning sluit goed aan op de muren en is een te gladde ondergrond voor vleermuizen om de bebouwing te betreden.
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker (NDFF 2020-2025). Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven zowel in een aquatische als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig en gezien het onderhoudsbeeld zijn geen overwinteringsstructuren of andere dekkende vegetatie aanwezig waar amfibieën in kunnen schuilen. De aanwezigheid van beschermde amfibieën kan derhalve uitgesloten worden. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2020-2025). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie wordt goed onderhouden en kent geen verruigd karakter. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten.
Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2020 2025). Mogelijk leiden de beoogde werkzaamheden (tijdelijk) tot verstoringen (geluid/trillingen), echter zijn er in de watergangen voldoende uitwijkmogelijkheden voorhanden buiten de verstoringszone. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
12
BLOM r~ì ECOLOGIE
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de platte schijfhoren (NDFF 2020-2025). De platte schijfhoren komt voor in voedselrijke, ondiepe en stromingsluwe wateren met een sterke aanwezigheid van watervegetatie. De planlocatie bevat geen oppervlaktewater en in de beoogde ontwikkeling wordt oppervlaktewater niet aangetast. Negatieve effecten ten aanzien van de platte schijfhoren kunnen derhalve uitgesloten worden. Op de planlocatie zijn verder geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is wegens het onderhoudsbeeld geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, kauw, koolmees, pimpelmees, scholekster en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn geen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Wel zijn in naburige paardenstal boerenzwaluwnesten aangetroffen.
Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2020-2025). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 Kennisdocument Huismus, 2023). De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 Kennisdocument Gierzwaluw, 2023). De bebouwing beschikt over verschillende daken. De woning beschikt over een zadeldak met stormpannen en kunststof windveren. De aanbouw beschikt over een plat bitumen dak, en de overkapping beschikt over een golfplaten dak zonder dakbeschot.
Voor de huismus en gierzwaluw zijn geen geschikte dakruimtes aanwezig om in te broeden. Stormpannen zijn strak op het dakbeschot gevestigd en het platte dak en golfplaten dak beschikken niet over een dakruimte. Daarnaast is wegens het onderhoudsbeeld en de ligging van de planlocatie op industrieterrein geen sprake van mogelijk leefgebied van de huismus, zoals heggen of jaarrond groene heesters. Op de planlocatie kan de aanwezigheid van huismus- en gierzwaluwnesten derhalve uitgesloten worden. De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen, zoals kerkuil en steenuil. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten wegens de aanwezigheid van beter alternatief leefgebied ten westen van de planlocatie. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen.
Vogels - Algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen Ten tijde van het veldbezoek zijn nesten van de boerenzwaluw aangetroffen in een naburige paardenstal. De boerenzwaluw is een typische boerenlandvogel. De soort foerageert boven weilanden, waterlichamen en landschapselementen, vaak in de nabijheid van vee omdat deze veel insecten
13
BLOM r~ì ECOLOGIE
aantrekken. Het nestelen gebeurt in (oude) veestallen, schuren, overkappingen en dergelijke bebouwing. Hier bouwt de boerenzwaluw zelf een halfopen nestkom van modder die hij in de directe omgeving vindt. Op de planlocatie zijn geen nestkommen aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van nesten van de boerenzwaluw uitgesloten kan worden. De boerenzwaluw is weinig gevoelig voor verstoring en nestelt regelmatig in druk gebruikte stallen met vee of in schuren. De nestlocatie is op een afstand van circa 10 m van de planlocatie gelegen, wat buiten de verstoringsafstand van deze soort van (Krijgsveld, et al., 2008). De boerenzwaluw heeft zijn nest in een gebruikte paardenstal gelegen op industrieterrein, waar dagelijks ook verstoringen plaatsvinden. Gezien nesten niet direct worden aangetast en de ontwikkeling buiten de verstoringsafstand is gesitueerd, zijn negatieve effecten op de boerenzwaluwnesten uitgesloten. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Voor de boerenzwaluw geldt dat het broedseizoen loopt van mei - augustus. Ten aanzien van de boerenzwaluw, andere algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kap- en sloopwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2020-2025) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.
3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn waarnemingen bekend van de volgende Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, blauwe kiekendief, grutto en steenuil (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze nog niet in de soortenbescherming (H3.1) beoordeeld zijn: blauwe kiekendief en grutto. Voor alle activiteiten die uitgevoerd worden en mogelijk negatieve gevolgen kunnen hebben, moeten deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt worden. De blauwe kiekendief leeft in open, vochtige gebieden zoals duin, moeras, akkers en grasvelden. De soort broedt in deze gebieden op de grond, in hoge heide, in droog rietland, tussen lage wilgen of graanvelden. De grutto komt voor in gebieden met ondiepe plassen en plas-dras weilanden. Dit betreffen vochtige, kruidenrijke graslanden met voldoende bodemleven met genoeg insecten. De soort broedt hier tussen het gras in de nabijheid van ruige delen in het veld. Het plangebied bestaat uit een voormalig woonperceel met goed onderhouden tuin. De planlocatie kent geen geschikt leefgebied voor de blauwe kiekendief en grutto wegens de afwezigheid van voldoende verruiging en biotoop.
De planlocatie is tevens gelegen naast industrieterrein, waardoor er geschikt habitat ontbreekt en er sprake is van veel menselijke verstoringen. De aanwezigheid van nesten van de blauwe kiekendief en grutto worden derhalve niet verwacht. Negatieve effecten op de staat van instandhouding van de blauwe kiekendief en grutto zijn derhalve uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn individuen van de boerenzwaluw aangetroffen, maar deze zijn reeds behandeld in H3.1. Er is wat betreft de bovenstaande soorten geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
14
BLOM r~ì ECOLOGIE
3.3
Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 17 km ligt het Natura 2000-gebied 'Solleveld & Kapittelduinen' (figuur 3.2).
Figuur 3.2
De planlocatie ligt op een afstand van circa 17 km tot het Natura 2000-gebied 'Solleveld å Kapittelduinen'(bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een nieuwe woning waarbij de huidige bebouwing wordt gesloopt. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden en haar instandhoudingsdoelstellingen per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (17 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden.
Een stikstofonderzoek middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Kaderrichtlijn water De planlocatie ligt niet in een Kaderrichtlijn water-lichaam. KRW-toetsing is niet van toepassing. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende beschermingscategorie 1 (Natuurnetwerk Nederland en beschermd grasland in de Bollenstreek) of beschermingscategorie 2 (Belangrijk weidevogelgebied). Op een afstand van circa 195 m ligt het Natuurnetwerk Nederland (figuur 3.3). De planlocatie is niet gelegen in de (buurt van de) Bollenstreek. Op een afstand van circa 420 m ligt Belangrijk weidevogelgebied (figuur 3.4). De planlocatie is gelegen binnen de Groene buffer (figuur 3.5).
15
BLOM r~ì ECOLOGIE
Er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig op de planlocatie die weggenomen worden ten gevolge van de beoogde ingreep. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een ontwikkeling binnen de Groene buffer kan plaatsvinden voor als dit geen grootschalige ontwikkeling betreft en de bufferfunctie niet wordt verstoord (Omgevingsplannen Art. 7.43k, omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl). De groene buffer fungeert als tegenhanger van de stedelijke dynamiek en verdichting. Binnen de ontwikkeling wordt de huidige bebouwing gesloopt ten behoeve van de realisatie van een nieuwe woning. Hierbij wordt het bouwvlak van de woning verplaats. Er vindt geen grootschalige ontwikkeling plaats en de beoogde situatie komt op hoofdlijnen overeen met de huidige situatie. Derhalve is er geen sprake van aantasting van de kwaliteit van de Groene buffer. Een toetsing aan het provinciaal beleid is derhalve niet benodigd.
Figuur 3.2
De planlocatie ligt op een afstand van circa 195 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl).
16
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 3.4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 420 m tot het Belangrijk weidevogelgebied (bron: omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl).
Figuur 3.5
De planlocatie ligt binnen de Groene buffer (bron: omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl).
17
BLOM r~ì ECOLOGIE
3.4
Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Daarbij hebben de kapwerkzaamheden geen nadelige gevolgen voor de oogmerken voor regels voor deze activiteit. Een meld- en herplantplicht bij bevoegd gezag of verplichting om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken is niet noodzakelijk. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
3.5
Natuurinclusiviteit Natuurinclusief bouwen speelt een steeds grotere rol bij het versterken van robuuste natuur in de bebouwde omgeving. Dit draagt niet alleen bij aan biodiversiteit, maar ook aan een aangename en klimaatadaptieve leefomgeving voor de mens. Maatregelen kunnen bijvoorbeeld direct of indirect bijdragen aan het verminderen van hittestress en wateroverlast. Initiatiefnemers kunnen hieraan bijdragen door natuurinclusieve maatregelen te treffen. Momenteel zijn er geen wettelijke verplichtingen opgenomen in het landelijke Besluit bouwwerken leefomgeving. De provincie Zuid-Holland stelt in Artikel 7.45ca van haar provinciale omgevingsverordening dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de mogelijkheden voor het bevorderen van de biodiversiteit betrokken moet worden. Daarnaast is er sprake binnen de gemeente van een eigen beleid omtrent natuurinclusief ontwikkelen. Binnen de beoogde ontwikkeling is er ruimte om natuur te bevorderen. Voor dit project worden de volgende maatregelen als meest effectief beschouwd: 1. Behoud en aanplant van inheems groen; 2. Plaatsen van insectenhotels; 3. Behouden of creëren van toegang tot gebouwen voor dieren, zoals vleermuizen en vogels; 4. Ophangen van nestkasten; 5. Aanleggen van onverharde of halfverharde paden; 6. Verbeteren of toevoegen van oppervlaktewater; en/of 7. Creëren van structuren en schuilplaatsen voor dieren.
Een verdere uitwerking van deze maatregelen is te vinden in Bijlage 3.
18
BLOM r~ì ECOLOGIE
4 Conclusie en vervolg 4.1
Conclusie In de beoogde realisatie van een woning waarbij de huidige bebouwing wordt gesloopt aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4.2
Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
4.3
Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
4.4
Maatregelen Algemene zorgplicht Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht ^
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
^
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten.
^
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
^
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
^
De kap- en sloopwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
19
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bronvermelding Krijgsveld, K.L., Smits, R.R. Ã van der Winden, J., 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels. Update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Buro Waalburg, Culemborg. Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus)(2024) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus)(2023) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii)(2024) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl omgevingsdocumenten.zuid-holland.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wetten.overheid.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
Bijlage 2
Juridisch kader
Bijlage 3
Natuurinclusiviteit
20
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Molenweg 59 te Berkel en Rodenrijs en bestaat uit een voormalig woonperceel met woning, aanbouw en onderhouden tuin. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de sloop van de bebouwing ten behoeve van een nieuwbouwwoning.
Figuur 2
De tuin bestaat vooral uit een onderhouden grasveld met een zomereik en conifeer. Naastgelegen percelen betreffen industrieterrein.
21
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplichten zijn in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht. Hierbij kan de specifieke zorgplicht verder opgedeeld worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor iedereen geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht, waarin wordt voorgeschreven dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (Ow art. 1.6). De Omgevingswet heeft als oogmerk bescherming en verbetering van het leefmilieu (Ow art. 1.3). Hiertoe worden de volgende onderdelen nagestreefd: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij activiteiten met nadelige gevolgen moeten maatregelen genomen worden om die gevolgen te voorkomen, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of de activiteit heroverwegen (Ow art. 1.7).
Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -