[T25.06692] Omgevingsplanwijziging Lange Vaart
Tekst van het document
ruimtelijke ontwikkeling rekening wordt gehouden met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Naast de bereikbaarheid gaan de artikelen 7.45f en 7.45fa in op parkeernormen voor sociale huur en grote buitenstedelijke bouwlocaties voor woningbouw. De provincie hanteert een maximale parkeernorm van 0,7 parkeerplaatsen per sociale woning en gemiddeld 1,3 per woning bij de ontwikkeling van een nieuwe grote buitenstedelijke bouwlocatie. Hiervan kan onderbouwd worden afgeweken. In Ş 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het recreatietoevaartnet opgenomen. Een omgevingsplan voor het recreatietoevaartnet dient rekening te houden met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bereikbaarheid van de vaarweg. Waar mogelijk is het omgevingsplan gericht op de verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg. In Ş 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het hoofdfietsnetwerk en lange afstandswandelpaden opgenomen. In deze instructieregels is aangegeven dat een omgevingsplan, dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, rekening houdt met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstandswandelpaden.
Subparagraaf 6.15.2 Toetsing Verkeersstructuur en ontsluiting In het plangebied van de voorgenomen ontwikkeling wordt een ontsluitingsweg toegevoegd. Deze 30 km per uur-weg wordt ontsloten op de Korenmolenweg ten zuiden van het plangebied. De Korenmolenweg blijft behouden in de huidige vorm en zal ter ontsluiting blijven dienen van de bestaande woningen. De nieuwe weg sluit aan op de Korenmolenweg, die weer aansluit op de Edisonlaan richting de Heulslootweg die naar het kruispunt bij de N209 leidt. Dit kruispunt is ook in westelijke richting van de Korenmolenweg en Hoefweg (30 km per uur) bereikbaar. De N209 gaat in noordelijke richting naar de A12 richting Den Haag en Gouda. In zuidelijke richting gaat de weg naar de A16-Rotterdam en de A13 en A20. De Lange Vaart (weg) zal uit een fietspad(-straat) bestaan en alleen toegankelijk zijn voor de ontsluiting van de reeds bestaande woningen. Er wordt een beperkt aantal nieuwe woningen ontsloten op de Lange Vaart (zie afbeelding 6.11).
Afbeelding 6.11: Ontsluitingswegen projectgebied Lange Vaart.
71
Fietsstructuur Via de aanwezige (en te vernieuwen) bruggen is het mogelijk om vanuit het plangebied op de Korenmolenweg te komen. Deze bruggen hebben primair een recreatief doel voor het maken van een ommetje, te voet of met de fiets. Wandelen Via de bruggen ontstaat ook voor voetgangers een verbinding met de Korenmolenweg. Vanuit het nieuwe woongebied wordt ook de dijk bereikbaar gemaakt voor voetgangers. In het plangebied maken trottoirs langs de woningen het wandelen comfortabel. Verkeersgeneratie Ten behoeve van de eventuele verkeerstoename is in december 2021 verkeersonderzoek uitgevoerd door Goudappel. Voor het bepalen van de verkeerseffecten is gebruik gemaakt van het Verkeersmodel Metropoolregio Rotterdam Den Haag (VMRDH2.8) voor prognosejaar2030 Hoog Referentie. In dit onderzoek zijn meerdere ontsluitingsvarianten getoetst, waarbij is uitgegaan van 200 woningen op de locatie Lange Vaart. Middels modelberekeningen is inzicht gegeven in de verkeerstoe- en afnames op de omliggende wegen en de kruispuntbelasting. In alle varianten blijft de intensiteit onder de acceptabele grens van erftoegangswegen ^4.000 mvt/etm). De berekeningen zijn te raadplegen in bijlage 13. De bestaande wijkontsluitingsstructuur zoals opgenomen in het vastgestelde masterplan blijft gehandhaafd.
Verder krijgt de woningbouwlocatie één centrale weg (erftoegangsweg, 30 km/uur) in oost-westelijke richting, evenwijdig aan de Korenmolenweg en de Lange Vaart. Deze weg sluit aan de oostzijde aan op de Edisonlaan. De Korenmolenweg blijft behouden in de huidige vorm en zal ter ontsluiting blijven dienen van de bestaande woningen. Uit het verkeersonderzoek volgt dat de N209 ter hoogte van de Heulslootweg in staat is om het extra verkeer af te wikkelen. In juli 2025 heeft Antea een actualisatie van het verkeersonderzoek uitgevoerd. De resultaten zijn opgenomen in een aparte memo 'Actualisatie verkeersonderzoek woningbouwontwikkeling Lange Vaart', opgenomen als bijlage 23. In het stuk zijn actuele uitgangspunten gehanteerd voor de verkeersberekeningen, waaronder het actuele stedenbouwkundig plan (125 woningen met een verdeling van 25% sociaal, 25% midden en 50% duur) en de CROW-publicatie 744. Voor de autonome situatie is het verkeersmodel van de Metropoolregio Rotterdam Den Haag aangehouden (V-MRDH 3.0.21) voor prognosejaar 2040 Hoog. De conclusie van het onderzoek is dat de verkeersveiligheid op de Heulslootweg en aansluiting daarvan op de N209 niet verslechtert door de ontwikkeling van de Lange Vaart.
Op basis van het 'multimodaal mobiliteitsonderzoek N209 Lansingerland', uit mei 2024 en uitgevoerd door Royal Haskoning DHV (bijlage 20) heeft de gemeenteraad in december 2024 besloten maatregelen te nemen ter verbetering van de doorstroom en veiligheid op de gehele N209. Parkeren Op basis van de gemeentelijke parkeernota dient het totale aantal te realiseren parkeerplaatsen te worden bepaald. Als basis voor haar autoparkeernormen kiest de gemeente Lansingerland voor de parkeerkencijfers van het CROW. Uit de nota parkeernormen van de gemeente blijkt dat Lansingerland 72
valt onder de stedelijkheidsgraad 'matig stedelijk'. De parkeernormen zijn gebaseerd op de CROWkencijfers 'rest bebouwde kom'. Het aantal parkeerplaatsen per woning is afhankelijk van de woningcategorie. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning dient te worden aangetoond dat aan de gestelde parkeernormen van de gemeente Lansingerland wordt voldaan. Om dit te borgen worden regels opgenomen in de wijziging van het omgevingsplan. De gemeente hanteert onderbouwd afwijkende parkeernormen ten opzichte van de provinciale omgevingsverordening. Voor sociale huurwoningen beschikt de gemeente over een recent onderzoek van Goudappel in opdracht van de woningbouwcorporatie. Hieruit volgt voor deze omgevingsplanwijziging een parkeernorm van 0,6 inclusief bezoekers voor appartementen c75 m2 gbo en respectievelijk 1,0 bij appartementen van ^5 m2 gbo. Daarnaast geldt een parkeernorm van 1,3 inclusief bezoekers voor grondgebonden woningen. Dit is een aanzienlijke aanscherping ten opzichte van het vastgestelde gemeentelijk parkeerbeleid voor sociale woningen. Voor de overige woningen blijft het gemeentelijk parkeerbeleid van toepassing. Het toepassen van een maximale parkeernorm van gemiddeld 1,3 per woning inclusief bezoekersaandeel (Lange Vaart is een nieuwe grote buitenstedelijke bouwlocatie), leidt namelijk tot een aantasting van het woon- en leefklimaat.
Het aanleggen van minder parkeerplaatsen dan benodigd leidt tot parkeeroverlast in de wijk, zeker omdat er in de directe nabijheid van deze locatie geen uitwijkmogelijkheden zijn. Subparagraaf 6.15.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'mobiliteit' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.16 Natuur en ecologie Subparagraaf 6.16.1 Kaders Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer. Onderzoek naar stikstofdepositie is noodzakelijk om aan te tonen dat een project of plan niet leidt tot negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof een probleem met de realisatie 73
van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe projecten of plannen kunnen uitsluitend doorgang vinden indien significante effecten op voorhand kunnen worden uitgesloten, of wanneer na het nemen van mitigerende maatregelen uit een passende beoordeling kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling niet leidt tot negatieve effecten. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan.
Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels neerleggen bij gemeenten. Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn diverse bepalingen opgenomen die gericht zijn op het beschermen van natuur en kansen voor de biodiversiteit. In Ş 7.3.7 over ruimtelijke kwaliteit worden gebieden met beschermingscategorieën aangewezen. Onder deze gebieden valt het Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogel gebied en de groene buffer. De bepalingen in deze paragraaf beschermen de aangewezen gebieden en laten ontwikkelingen slechts beperkt toe of onder de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft. In Ş 7.3.16 over het Natuurnetwerk Nederland is bepaald dat een omgevingsplan, voor het natuurnetwerk Nederland, daarbinnen geen activiteiten toelaat die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperkt.
Daarnaast mogen ontwikkelingen ook niet leiden tot significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. In artikel 7.41aa is een instructieregel opgenomen die voorschrijft dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, met 12 woningen of meer, de mogelijkheden de mogelijkheden tot het versterken van de biodiversiteit dienen te worden betrokken. In artikel 7.45ca wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit betrekt.
74
Subparagraaf 6.16.2 Toetsing Soortenbescherming Op basis van het bureau- en veldonderzoek Flora- en faunaonderzoek Lange Vaart te Bleiswijk (29 februari 2024) kan geconcludeerd worden dat er geen beschermde soorten en/of vaste rust- en verblijfsplaatsen in het projectgebied zijn aangetroffen die kunnen worden aangetast naar aanleiding van de toekomstige woningbouwplannen. Hierom kunnen nadelige effecten op in de Omgevingswet beschermde soorten worden uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Wel dient er - onder voorbehoud - rekening gehouden te worden met verlichting tijdens de werkzaamheden voor de beoogde planontwikkeling op en nabij de Lange Vaart en de bomenrij daarnaast. Indien dit niet mogelijk is, is onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk omdat de bomen in de bomenrij mogelijk kunnen dienen als vaste rust- en verblijfsplaatsen voor vleermuizen. De algehele specifieke zorgplicht van de Omgevingswet blijft van toepassing. Het totale onderzoeksrapport is te raadplegen in bijlage 14. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het dichtstbijzijnde NNNgebied ligt op 1,0 kilometer van het plangebied. Het plangebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied, zoals Natura 2000 of belangrijk weidevogelgebied. Binnen een straal van 10 kilometer liggen geen Natura 2000-gebieden.
Stikstof Binnen het wettelijk vastgestelde kader omtrent stikstofdepositie liggen binnen 25 kilometer afstand verschillende Natura 2000-gebieden die enkele stikstofgevoelige habitattypen bevatten. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn 'Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Meijendel & Berkheide, gelegen op circa 17 kilometer van voorliggend plangebied. Door KuiperCompagnons is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om te beschouwen hoeveel stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase van voorgenomen ontwikkeling wordt verwacht. Het onderzoek met de resultaten van de berekeningen zijn toegevoegd als bijlage 15 bij deze motivering. Aanlegfase De aanlegfase voor het realiseren van de voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het slopen van bestaande opstallen, bouwrijp maken, de bouw van de woningen en het woonrijp maken van de locatie. In de aanlegfase wordt de stikstofemissie voornamelijk gegenereerd door de (mobiele)werktuigen op de bouwplaats en de verkeersbewegingen van en naar de bouwplaats. Er is berekend of er een toename van stikstofdepositie is op Natura 2000-gebieden die in de nabijheid van het projectgebied zijn gelegen. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Nieuwkoopse Plassen & De Haeck en Meijendel & Berkheide op een afstand van circa 17 km.
Het natuurgebied Westduinpark & Wapendal is op een afstand van circa 20 km van het genoemde plangebied gelegen. Alle andere stikstofgevoelige natuurgebieden zijn op een afstand van meer dan 25 km afstand van de planlocatie gelegen. Voor de stikstofberekening is uitgegaan van de bouw van maximaal 125 woningen. Uit de resultaten van deze berekening blijkt dat er in de aanlegfase geen toename van de stikstofdepositie plaatsvindt binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Om de gevoeligheid van deze berekening te toetsen is eveneens een berekening uitgevoerd met een twee maal zo hoge stikstofemissie, om uit te sluiten dat dat wanneer er strenge regels voor stikstof worden vastgesteld, de depositie ook niet leidt tot significante effecten op de nabije Natura 2000-gebieden.
75
Ook is uit deze berekening (bijlage 15) gebleken dat er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000- gebieden. Gebruiksfase De gebruiksfase is aan de orde nadat de nieuwe woningen zijn opgeleverd. Omdat de nieuwe woningen duurzaam en aardgasvrij zijn, veroorzaken deze zelf geen emissie tijdens het gebruik. De emissie wordt bepaald door de verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Ook in de gebruiksfase is geen sprake van een toename van de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden. Omdat de jaarlijkse stikstofemissie in de gebruiksfase veel lager is dan in de aanlegfase en de emissie elk jaar verder zal afnemen zal in de gebruiksfase van deze woningen ook in latere jaren geen sprake zijn van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden. Subparagraaf 6.16.3 Conclusie Ten aanzien van soortenbescherming kunnen nadelige effecten op in de Omgevingswet beschermde soorten worden uitgesloten. Ten aanzien van gebiedsbescherming maakt het plangebied geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Geconcludeerd kan worden dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat het aspect stikstofdepositie niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.
Er is voor het aspect 'natuur' sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.17 Omgevingsveiligheid Subparagraaf 6.17.1 Kaders De Omgevingsvisie Lansingerland beschrijft het belang van het bewaken van de sociale veiligheid in de gemeente. Betrokkenheid bij de buurt, veilige routes naar voorzieningen en fysieke veiligheid zoals veilige fietsroutes, veilige speelplekken, voldoende aandacht voor kinderwagens en rollators op stoepen dragen hier allemaal aan bij. Ook is het van belang dan de openbare ruimte voor mensen die minder mobiel zijn goed en toegankelijk is. Als er op dit vlak belemmeringen zijn, dienen deze te worden weggehaald. Bij nieuwe ontwikkelingen dient er aandacht te zijn voor de sociale veiligheid van mensen. Inwoners moeten zich veilig voelen en veilig kunnen bewegen. De omgeving en openbare ruimte dient daarop te worden ingericht, door te zorgen voor voldoende licht en levendigheid (ogen op straat). Gemeentewet De aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) kan de openbare orde en veiligheid in gevaar brengen. Op basis van de Gemeentewet (artikelen 172, 175, 176) is de burgemeester verantwoordelijk voor het handhaven van de openbare orde en veiligheid en is deze bevoegd hier handelend op te treden.
Met het opleveren van een risicokaart voldoet de gemeente in dit kader aan haar verantwoordelijkheid om belanghebbenden zo volledig en tijdig mogelijk te informeren en adviseren over de mogelijke risico's en de te nemen maatregelen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is ook het gebied van de gemeente Lansingerland doelwit geweest van bombardementen. Het kan zijn dat explosieven die niet tot explosie kwamen in de grond zijn blijven liggen. In het kader van het omgevingsplan moet worden vastgesteld of in het onderzoeksgebied rekening gehouden moet worden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven in de bodem. Deze NGE vormen een risico op het moment dat in de nabijheid van deze explosieven activiteiten in de bodem worden uitgevoerd. 76
Subparagraaf 6.17.2 Toetsing Sociale veiligheid Nieuwe woningbouw leidt tot meer ogen op straat. De openbare ruimte zoals het park en de wegen worden voorzien van verlichting. Het is van belang dat er geen onnodige verlichting wordt geplaatst, maar wel voldoende om een sociaal veilig gevoel te creëren. Het uiteindelijke inrichtingsplan zal hierin voorzien. Niet gesprongen explosieven (NGE) Om een overzicht te hebben over de gebieden in Lansingerland waar mogelijk NGE liggen, is in 2011 een risicokaart Conventionele Explosieven voor de gemeente gemaakt (zie de uitsnede in afbeelding 6.12. De risicokaart is samengesteld op basis van onderzoek door een gespecialiseerd bedrijf. De kaart biedt inzicht waar mogelijk sprake is van een verdacht gebied. Als een gebied verdacht is van explosieven dient er een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd door een gecertificeerd explosieven opsporingsbedrijf. Zoals uit de explosievenkaart van de gemeente Lansingerland blijkt, is de projectlocatie Lange Vaart geen verdachte locatie ten aanzien van explosieven in de bodem. De mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven in de bodem van het plangebied vormt derhalve geen belemmering voor woningbouw op de locatie. Legenda Onderzoeksgebied Verdacht gebied Geheel vrijgegeven Beperkt vrijgegeven, tot bekende diepte Beperkt vrijgegeven, tot onbekende diepte
Bleiswijk
Afbeelding 6.12: Uitsnede NGE risicokaart.
Subparagraaf 6.17.3 Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid leidt niet tot negatieve gevolgen die effect hebben op het creëren van een veilige fysieke leefomgeving.
Paragraaf 6.18 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit Subparagraaf 6.18.1 Kaders Omgevingswet Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de 77
gemeentelijke omgevingsvisie. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.7 geeft de provincie instructieregels die gaan over ruimtelijke kwaliteit. In deze paragraaf worden gebieden aangewezen met verschillende beschermingscategorieën. Daarnaast wordt ingegaan op ruimtelijke ontwikkelingen en wordt aangegeven wanneer sprake is van inpassen, aanpassen of transformeren. Daarbij wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan een ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In de paragraaf wordt vervolgens nog ingegaan op het borgen van de ruimtelijke kwaliteit, de randvoorwaarden bij ontwikkeling en de motivering van de locatiekeuze. Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol. In Ş 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45b is voorgeschreven dat een omgevingsplan, die voorziet in een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen, rekening houdt met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en dat bijgedragen wordt aan een goede woon- en leefomgeving. Daarnaast worden in het omgevingsplan de mogelijkheden betrokken voor gevarieerde woningtypen.
Subparagraaf 6.18.2 Toetsing Ruimtelijke kwaliteit Het plangebied is gelegen aan de dorpsrand van de kern Bleiswijk. Op deze locatie komen de genoegens van stedelijk en buiten wonen bij elkaar; de nabijheid van voorzieningen gecombineerd met het vrije zicht en het directe contact met het buitengebied. De bestaande agrarische percelen vormen op dit moment een harde overgang naar de omgeving. Met de transformatie naar woonwijk wordt de ruimtelijke kwaliteit verhoogd. De ontwikkeling sluit aan bij de gebiedsidentiteit als dorpsrand, waarbij door een stedenbouwkundige ontwerpoptimalisatie de relatie tussen dorpsrand en landschap wordt verbeterd. Zo wordt het recreatief netwerk geoptimaliseerd en worden de doorzichten naar het landschap toegevoegd, evenals een robuust groenblauw raamwerk. Met deze ruimtelijke maatregelen worden de landschappelijke structuren in het gebied versterkt. De groene ruimten in het plangebied worden geborgd in de regels van de omgevingsplanwijziging. Daarmee blijft de ruimtelijke kwaliteit ook in de toekomst gewaarborgd. In paragraaf 2.2 is uitgebreid ingegaan op de toekomstige situatie van het plangebied op het gebied van stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit. Woningdichtheid Het eigen karakter van Bleiswijk is een belangrijk vertrekpunt voor nieuwe ontwikkelingen.
Het woongebied Lange Vaart krijgt een ruime, groene en dorpse uitstraling, die past bij de identiteit van het bestaande dorp Bleiswijk en haar inwoners. Er wordt uitgegaan van een woningdichtheid van 25 30 woningen per hectare, met binnen het woongebied ten minste 20^ groen en 10^ water. Op die manier is een balans gezocht tussen optimalisatie van de woningdichtheid en de ruimtelijke kwaliteit in het gebied. Om te zorgen voor het behoud van het dorpse karakter, heeft de gemeenteraad, mede op basis van een intensief participatieproces, bij het vaststellen van het masterplan in februari 2022 besloten tot een maximale bouwhoogte van drie bouwlagen. Hiermee is een weloverwogen besluit genomen over de woningdichtheid op deze locatie.
78
Om een passend en gedifferentieerd woningaanbod te realiseren dat inspeelt op zowel huidige als nieuwe inwoners, bestaat het plan uit een mix van woningtypen: 25^! sociaal, 25^! bereikbaar en 50^ hoog segment. Daarnaast dient circa 40^ van de woningen gelijkvloers te zijn. Subparagraaf 6.18.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit' een positieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.19 Trillingen Subparagraaf 6.19.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere waarde bevatten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift reeds een hogere waarde gold. Deze waarde is niet hoger dan de grenswaarde. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevingsplan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. De maximale waarde is de grenswaarde vermenigvuldigd met de factor 1,8. Subparagraaf 6.19.2 Toetsing Trillingen door activiteiten Met de wijziging van het omgevingsplan worden verschillende mogelijk trillingenveroorzakende activiteiten toegestaan.
Door de verkeersbewegingen binnen het projectgebied, bouw- en sloopactiviteiten, aanlegactiviteiten, beheer en onderhoud kunnen trillingen worden veroorzaakt. De activiteiten die met het omgevingsplan zijn toegestaan, zullen echter bij een gebruikelijke manier van uitoefenen aan de standaardwaarden kunnen voldoen. Er worden geen trillingveroorzakende activiteiten toegestaan, waardoor er geen sprake is van een toename van trillinghinder. In hoofdstuk 22 van het omgevingsplan staan instructieregels die zijn opgenomen in het omgevingsplan voor wat betreft trillingen door activiteiten. Trillingen door (spoor)wegverkeer Binnen het projectgebied geldt een maximale snelheid van 30 km per uur. Hierdoor zullen geen trillingsniveaus optreden die de standaardwaarden overschrijden. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen spoorwegen die trillinghinder kunnen veroorzaken. Wel is het mogelijk dat trillingen door (vracht)verkeer op de N209 de standaardwaarden overschrijden, echter is het 79
projectgebied gelegen op meer dan 200 meter afstand van de N209 waardoor trillinghinder op de nieuwbouwwoningen kan worden uitgesloten. Dit geldt ook voor trillingen door (vracht)verkeer op de Heulslootweg die op 40 meter afstand van de projectlocatie is gelegen. Daarnaast hebben beide wegen vrijwel geen wegobstakels zoals drempels die trilling veroorzaken en worden de nieuwbouwwoningen goed gefundeerd. De andere activiteiten in het omgevingsplan zullen bij een gebruikelijke manier van uitoefenen naar verwachting ook aan de standaardwaarden voldoen. Daarmee is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft het thema trillinghinder. Subparagraaf 6.19.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'trillingen' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.20 Water Subparagraaf 6.20.1 Kaders Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende 'water' gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken getoond tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.
80
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 mYjaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een "goede ecologische toestand" (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een "goed ecologisch potentieel" (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben.
Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd.
Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerbrief d.d. 25 november 2022, kenmerk IENW/BSK-2022/283041). Daarom zijn er diverse structurerende
81
keuzes gemaakt. Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterschap Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft op 26 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema's uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten.
In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Waterschapsverordening en legger In de waterschapsverordening staan regels over activiteiten op of bij dijken, sloten, grondwater en wegen binnen het beheersgebied van een waterschap. De regels zijn bedoeld om het watersysteembeheer goed te kunnen uitvoeren. Daarnaast heeft het waterschap een leggerkaart, waarop de afmetingen en de vorm van sloten en dijken staan. Op de kaart staat ook wie er verantwoordelijk is voor het onderhoud. Schieland en de Krimpenerwaard heeft afzonderlijke leggers voor sloten en dijken. Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 27 juni 2012 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen.
Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: ^ Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m2 ^ Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m2 en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak ^ Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak
82
Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. De gestandaardiseerde berekeningsmethode levert een compensatie-eis op uitgedrukt in kubieke meter (m3), een te realiseren wateroppervlak (m2) of als percentage van de verhardingstoename ^). Als gevolg van de omgevingsfactoren (mogelijke waterpeilstijging, bodemtype, bestaande gebiedsfuncties, etc.) en de planeigenschappen (verhardingstoename) verschilt de compensatie-eis van (peil)gebied tot (peil)gebied. Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Daarbij worden de waterhuishouding en de verschillende aspecten van het watersysteem in het gebied apart beschouwd.
Strategische Samenwerkingsagenda Water Het waterplan is overgegaan in de Strategische Samenwerkingsagenda Water (SSAW) welke op 7 juli 2021 is vastgesteld door de gemeente en op 29 juni 2021 door het hoogheemraadschap. De SSAW beoogd een goede samenwerking dat helpt om te komen tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland. Gemeentelijk beleid Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De belangen van de waterbeheerder worden bij het omgevingsplan betrokken (vergelijkbaar met de 'watertoets' in bestemmingsplannen). Daarnaast bevat het Bkl instructieregels voor primaire waterkeringen, grote rivieren en specifieke gebieden zoals het IJsselmeergebied.
Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.4 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels voor waterkeringen die gericht zijn op het waarborgen van de veiligheid en functie van regionale waterkeringen. Om te beginnen moeten omgevingsplannen de functie "regionale waterkering" toekennen aan regionale waterkeringen en "beperkingengebied met betrekking tot een waterkering" aan de locaties van beperkingengebieden ter bescherming van deze waterkeringen. De legger van de beheerder van de waterkering en de aangewezen beperkingengebieden zijn daarbij leidend. 83
Voor activiteiten in het omgevingsplan die invloed hebben op regionale waterkeringen moet worden gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor instandhouding, onderhoud of versterking van deze waterkeringen. Advies van de beheerder van de waterkering is hierbij vereist. Daarnaast moet het omgevingsplan het profiel van vrije ruimte voor toekomstige versterking of uitbreiding van waterkeringen in acht nemen. Dit profiel wordt vastgesteld in een waterschapsverordening. Subparagraaf 6.20.2 Toetsing Bestaande situatie oppervlaktewatersysteem Het projectgebied bestaat in de huidige situatie grotendeels uit onverhard agrarisch grasland. Ten noorden van het plangebied ligt de dijk en watergang de Lange Vaart. Het plangebied overlapt aan de noordzijde met de kernzone van deze dijk. Ten zuiden van het projectgebied ligt een hoofdwatergang langs de Korenmolenweg. Ook bevindt zich een secundaire watergang in het midden van het plangebied (van west naar oost). Deze watergang wordt gedempt. In het projectgebied bevinden zich geen kunstwerken (zie afbeelding 6.13)
Afbeelding 6.13: Uitsnede kaart dijken Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard.
84
Afbeelding 6.14: Uitsnede leggerkaart oppervlaktewater Hoogheemraadschap Schieland en Krimpenerwaard.
Toekomstige situatie oppervlaktewatersysteem Het plangebied is gelegen tussen twee primaire watergangen: de Lange Vaart aan de noordzijde en de watergang langs de Korenmolenweg aan de zuidzijde. De watergang Lange Vaart wijzigt niet. De watergang langs de Korenmolenweg wordt verbreed. De verbrede watergang met deels daarlangs de nieuwe ontsluitingsweg en een nieuwe bomenrij zorgt voor een afstand tussen de bestaande en de nieuwe woningen en vormt tevens de begrenzing van het woongebied (afbeelding 6.15). In het oostelijk deel worden groene eilandjes in het water aangelegd. Hiermee worden de achterkanten van de nieuwe woningen afgeschermd van de bestaande woningen aan de Korenmolenweg en er ontstaat een mooie groene bebouwingsovergang langs het water. Deze groene eilandjes zorgen tevens voor een hoge biodiversiteit en geven een groene impuls aan het gebied. Ten zuidoosten van het plangebied wordt een waterpartij aangelegd.
Afbeelding 6.15: Uitsnede stedenbouwkundig plan Lange Vaart.
85
Watertoets Watercompensatie Het Hoogheemraadschap hanteert een percentage van 10^ watercompensatie. Dit oppervlak moet als waterberging worden gerealiseerd om bij een ruimtelijke ontwikkeling de effecten op het watersysteem te compenseren. Ontwikkelingen waarbij het verhard oppervlak toeneemt, zorgen immers voor een snellere afstroming van hemelwater naar het oppervlaktewater. Dit kan leiden tot wateroverlast en moet worden gecompenseerd door extra waterberging aan te leggen. In het plangebied wordt dit met de verbreding van de bestaande watergang langs de Korenmolenweg gerealiseerd. Grondwatersysteem In de nadere uitwerking van de waterhuishouding en hydrologie van het gebied dient rekening gehouden te worden met de huidige situatie van het oppervlaktewaterpeil en de grondwaterstand ter plaatse, en de wijzigingen die het nieuwbouwplan tot gevolg heeft. In het plangebied wordt rekening gehouden met de nodige drooglegging. Hemelwaterafvoer In het gebied wordt een gescheiden rioolstelsel aangelegd. Bij gescheiden rioolstelsels moet rekening worden gehouden met de materiaalkeuze voor dakbedekking en hemelwaterafvoeren (geen uitlogende materialen). Het hemelwater wordt vertraagd afgevoerd naar de watergangen via een bovengronds systeem of oppervlakte, of via (infiltratie)riolen. Bij (piek)buien wordt het hemelwater in de openbare ruimte waar mogelijk bovengronds afgevoerd.
In het ontwerp van het watersysteem is rekening gehouden met deze maximale peilstijging. Regenwater Er wordt een combinatie gezocht van rechtstreekse afvoer, wadi's en greppels. Dit wordt uitgewerkt in een inrichtingsplan voor het hele plangebied. De prestatie-eisen van het convenant klimaatadaptief bouwen zijn hierbij het uitgangspunt. Uitlogende materialen mogen niet in contact komen met hemelwater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico's van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Voor de nieuwbouw van woningen gaan het Hoogheemraadschap en de gemeente uit van een gescheiden rioleringsstelsel. Het tegengaan van riooloverstorten door de afkoppeling van hemelwater van de DWA komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Het ontstaan van (nieuwe) vervuilingsbronnen dient zoveel mogelijk te worden voorkomen om vervuiling van grond- en oppervlaktewater te beletten. Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen bij de toekomstige ontwikkeling voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild.
In verband hiermee dienen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink of teerhoudende dakbedekking te worden gebruikt op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Voorliggend plan heeft geen effect op de waterkwaliteit omdat door middel van het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen, voorkomen wordt dat het hemelwater wordt vervuild.
86
Veiligheid en wateroverlast Het projectgebied ligt aan de noordkant binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. De gronden aangewezen met deze dubbelbestemming zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een waterkering of waterhuishouding. Op deze gronden geldt dat er uitsluitend bouwwerken ten behoeve van de andere bestemming mogen worden gebouwd met een maximale hoogte van 1 meter. Bij verlening van een omgevingsvergunning mag hiervan worden afgeweken, indien de waterstaatsbelangen dit gedogen. Alvorens toepassing dient hier advies te worden ingewonnen bij de waterbeheerder (Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard). Zonering Dijk Lange Vaart Voor het bouwen binnen de zonering van de waterkering langs de Lange Vaart gelden specifieke regels voor funderingen. Binnen deze zonering ligt een theoretisch profiel met de minimale afmeting van de dijk. Dat profiel ziet er als volgt uit:
De aangegeven dijktafelhoogte (DTH) is NAP -1,80 m. Er mogen geen bouwwerken geplaatst worden binnen dit profiel: onder de oranje lijn mag geen horizontale fundering van bebouwing komen. Heipalen zijn wel mogelijk. Voor het bouwen binnen de kernzone is een vergunning nodig. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente tot aan het eindgemaal dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het beheer en onderhoud van primaire watergangen ligt bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het beheer en onderhoud van de hoofdwatergang langs de Korenmolenweg ligt bij het Hoogheemraadschap en gebeurt vanaf de Korenmolenweg. Het beheer en onderhoud van het overig water ligt bij de gemeente. Dit vindt vanaf de kant of varend plaats. Grondwater en (zoet)watertekort Aan grondwater en zoetwater wordt geen wijziging verwacht. De grondwaterstand verandert met de beoogde bebouwing niet. Eventuele ondergrondse constructies worden waterdicht gemaakt.
Subparagraaf 6.20.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt met deze omgevingsplanwijziging geen negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding. In het kader van het vooroverleg wordt een concept van deze omgevingsplanwijziging aan het Hoogheemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard voorgelegd.
87
Paragraaf 6.21 Aanwijzing woningbouwcategorieën Subparagraaf 6.21.1 Kaders In artikel 5.161c van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat een omgevingsplan dat bouwactiviteiten toelaat waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid, van de Omgevingswet kosten moeten worden verhaald, regels kan bevatten over te realiseren categorieën woningen, voor zover het gaat om sociale huur- en koopwoningen, middenhuurwoningen en/of particulier opdrachtgeverschap. In een omgevingsplan dat dergelijke regels bevat, moet tevens worden bepaald dat het gebruik van de bedoelde woningen in stand blijft voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn. Daarbij geldt voor sociale huurwoningen een termijn van ten minste tien jaar na ingebruikname. In artikel 7.47a van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is bepaald dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met 12 woningen of meer woningen mogelijk maakt, voorziet in voldoende sociale huurwoningen, zijnde huurwoningen met een aanvangsprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag, die minimaal 25 jaar in stand worden gehouden en via een woonruimteverdeelsysteem worden verhuurd.
Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 1/3 sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening. In artikel 7.47b van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening is verder bepaald dat een omgevingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen mogelijk maakt, voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbare woningbouw of wat hierover is vastgelegd in de afgestemde regionale behoefte als bedoeld in artikel 7.44 van de ZuidHollandse Omgevingsverordening. Subparagraaf 6.21.2 Toetsing In het omgevingsplan zijn regels over de woningbouwcategorie 'sociale huurwoningen' opgenomen. Sociale huurwoningen zijn op grond van het Bkl gedefinieerd als huurwoningen met een aanvangshuurprijs onder de grens, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a, van de Wet op de huurtoeslag. Tevens is voor deze categorie conform de verplichting in het Besluit kwaliteit leefomgeving, bepaald dat deze woningen gedurende een bepaalde termijn in stand moeten blijven voor een in het omgevingsplan omschreven doelgroep gedurende een in het omgevingsplan bepaalde termijn. Daarbij geldt dat hiervoor in het omgevingsplan is bepaald dat er voor sociale huurwoningen een instandhoudingsverplichting voor minimaal 25 jaar geldt.
Het plan voor Lange Vaart voorziet in een aandeel van 50% betaalbare woningen, waarvan 25% aan sociale huurwoningen. Dit wijkt af van de normen in de provinciale verordening, waarbij wordt uitgegaan van ten minste 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop). Ten minste 1/3 van de woningen moet in het bezit zijn van woningbouwcorporaties (sociale huur). Hierover zijn afspraken gemaakt in het Regioakkoord. De gemeente werkt momenteel aan het realiseren van een hoger aandeel sociale huur binnen Lansingerland, in lijn met de provinciale verordening. Voor locatie Lange Vaart houdt de gemeente vast aan de in Regioakkoord Rotterdam 2022 (PZH-2022-820598472) overeengekomen percentages van 50% betaalbaar en 25% sociale huur. Het voldoen aan regionale woningbouwafspraken wordt in de provinciale omgevingsverordening aangemerkt als het voorzien in voldoende betaalbare (artikel 7.47b lid 2 sub b) en sociale huurwoningen (artikel 7.47a lid 2 sub b). De 88
planvorming en overeenkomsten met de grondeigenaren zijn hierop gebaseerd. Aanpassing hiervan gaat ten koste van de haalbaarheid en voortgang van woningbouw op deze locatie. Subparagraaf 6.21.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de instructieregels inzake het aanwijzen van woningbouwcategorieën.
Paragraaf 6.22 Toegankelijkheid van de openbare buitenruimte Subparagraaf 6.22.1 Kaders In artikel 5.162 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald dat voor zover een omgevingsplan voorziet in nieuwe ontwikkelingen met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, in het omgevingsplan rekening gehouden wordt met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Subparagraaf 6.22.2 Toetsing Bij de inrichting van de openbare buitenruimte in het plangebied wordt rekening gehouden met de toegankelijkheid voor personen met een functiebeperking, zoals kinderen met een handicap. Met kleine ingrepen kan de bespeelbaarheid van de speelvoorziening voor kinderen met een handicap worden verbeterd. Daarnaast wordt rekening gehouden met het beperken van hoogteverschillen en de aanleg van paden. Subparagraaf 6.22.3 Conclusie Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat wordt voldaan aan de instructieregel inzake de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte.
89
Hoofdstuk 7 Systematiek omgevingsplan ļ planbeschrijving Paragraaf 7.1 Inleiding Het omgevingsplan is wezenlijk anders dan het bestemmingsplan. Dit is allereerst het gevolg van de bredere reikwijdte, maar ook de ruimere afwegingsruimte bij het stellen van regels, het ontbreken van de (uitdrukkelijke) eis van uitvoerbaarheid en het loslaten van het limitatief-imperatieve stelsel van vergunningverlening. Dit maakt ook dat er niet meer met een gedetailleerde verbeelding gewerkt hoeft te worden. Wat centraal staat bij het omgevingsplan, en een belangrijk verschil met de manier waarop we voorheen naar ruimtelijke plannen keken, is het stellen van regels over activiteiten in plaats van het toekennen van bestemmingen aan gronden. Wanneer iemand een activiteit in de fysieke leefomgeving wil ondernemen, wordt deze getoetst aan de regels van het omgevingsplan. Dit kan een toetsing aan open (kwalitatieve) dan wel gesloten (kwantitatieve) normen zijn, maar bijvoorbeeld ook een algemene regel over de toelaatbaarheid van de activiteit. Deze regels zijn gekoppeld aan een werkingsgebied, en daarmee aan de plaats waar de activiteit plaatsvindt. Dat kan de hele gemeente zijn, maar ook alleen een specifieke locatie.
Paragraaf 7.2 Wijziging van het omgevingsplan Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet (Ow) hebben gemeenten een omgevingsplan van rechtswege. Dit bestaat uit de bestaande bestemmingsplannen en de bruidsschat. Als er nieuwe initiatieven zijn waarvoor het omgevingsplan moet worden aangepast, wordt er dus niet een nieuw omgevingsplan gemaakt, maar wordt er een deel van het omgevingsplan gewijzigd. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland is bedoeld om de ontwikkeling van maximaal 125 woningen mogelijk te maken. Deze ontwikkeling wordt Lange Vaart genoemd. TAM-IMRO Deze wijziging van het omgevingsplan is voorbereid met de TAM-IMRO systematiek. De Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) biedt de mogelijkheid om via de IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen het omgevingsplan te wijzigen voor urgente gebiedsontwikkelingen. Dit TAM-omgevingsplan zal uiteindelijk als een nieuw hoofdstuk opgenomen worden in het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland. Dit hoofdstuk is digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven afdelingen vormen de inhoudelijke regels voor dit werkingsgebied, binnen het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland.
Paragraaf 7.3 Omgevingsplan gemeente Lansingerland Met de regels is zoveel mogelijk aangesloten op het in opbouw zijnde (definitieve) omgevingsplan voor Lansingerland. Het deel voor bestaande woonwijken, genaamd 'Bouwsteen 1' is vastgesteld op 17 juli 2025 door de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland. Hierin is een structuur van de regels opgebouwd die ook van toepassing is op voorliggende ontwikkeling. In het omgevingsplan gaat de 90
gemeente uit van de activiteitgerichte benadering. Dit houdt in dat de regels zijn ingedeeld in de soort activiteiten die het betreft, zoals gebruiksactiviteiten, bouwactiviteiten, sloopactiviteiten en milieubelastende activiteiten. Gedurende de procedure zal ook het gemeentebrede omgevingsplan verder worden doorontwikkeld en mogelijk worden ondertussen ook andere wijzigingen van het omgevingsplan voorbereid. Uiteindelijk komen al deze wijzigingen samen in één omgevingsplan Lansingerland dat verder wordt uitgerold over het gemeentelijk grondgebied.
91
Hoofdstuk 8 Haalbaarheid Paragraaf 8.1 Financieel economische uitvoerbaarheid Het verhaal van de gemaakte kosten is aan de orde indien de wijziging van het omgevingsplan een nieuwe (gebieds)ontwikkeling mogelijk maakt met daarin kostenverhaalplichtige activiteiten. Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige 'financiële bijdrage gebiedsontwikkeling' worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.
Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Meestal regelt de gemeente het kostenverhaal. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. In het wijzigingsbesluit van het omgevingsplan moet de keuze voor een van de opties voor het kostenverhaal gemotiveerd worden (in de motivering). Als er gekozen wordt voor het opnemen van regels kostenverhaal, dienen deze op maat te worden gemaakt voor elke ontwikkeling met kostenverhaalplichtige activiteiten.
Paragraaf 8.2 Kostenverhaal Toelichting op kostenverhaal in het plan De ontwikkeling is voor rekening en risico van de initiatiefnemers. De kosten voor de gemeente worden op de initiatiefnemers verhaald via anterieure overeenkomsten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Los van het kostenverhaal zijn initiatiefnemers leges verschuldigd voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
92
Paragraaf 8.3 Nadeelcompensatie Als een besluit van de overheid (zoals een omgevingsplanwijziging) schade veroorzaakt voor een individu of onderneming (bijvoorbeeld waardedaling van onroerend goed of omzetverlies), kan diegene aanspraak maken op nadeelcompensatie. Dit is geregeld in titel 15.1 (artikel 15.1 t/m 15.5) van de Omgevingswet. De basis voor nadeelcompensatie is dat schade alleen wordt vergoed als deze onevenredig is in vergelijking met de lasten die anderen in een vergelijkbare situatie moeten dragen. Daarnaast geldt dat het verzoek om nadeelcompensatie binnen vijf jaar na het schadeveroorzakende besluit moet worden ingediend. Toelichting op nadeelcompensatie in het plan In de anterieure overeenkomsten is ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden doorgelegd aan de initiatiefnemers. Hierdoor wordt voorkomen dat de financiële gevolgen van de ontwikkeling op de publieke middelen drukken en wordt het risico gelegd bij de partijen die direct profijt hebben van het initiatief.
93
Hoofdstuk 9 Maatschappelijke belangenafweging Paragraaf 9.1 Participatie In oktober 2022 is een participatieplan (zie bijlage 16) vastgesteld door de gemeenteraad voor de fase van masterplan naar startnotitie voor deze omgevingsplanwijziging. In de startnotitie zijn de uitgangspunten voor deze omgevingsplanwijziging vastgesteld door raad. Het doorlopen participatieproces is beschreven in een verantwoordingsdocument (zie bijlage 17). In het kader van deze omgevingsplanwijziging heeft opnieuw participatie plaatsgevonden met dezelfde stakeholders die zijn betrokken in het voortraject. Er is op 17 juni 2024 een inloopavond georganiseerd over het concept stedenbouwkundig plan. Op 14 mei 2025 is een inloopavond georganiseerd over het definitieve stedenbouwkundig plan, het beeldkwaliteitsplan en het ontwerp van deze omgevingsplanwijziging. Daarnaast vinden overleggen plaats met de initiatiefnemers, de woningbouwcorporatie en andere belanghebbenden. In oktober en december 2024 heeft bijvoorbeeld afstemming plaatsgevonden met een aantal bewoners van de Korenmolenweg over de situering van de ontsluitingsweg, hetgeen vertaald is in het stedenbouwkundig plan. Verder heeft het plan een wettelijke procedure doorlopen met de mogelijkheid tot het indienen van zienswijzen. Hier wordt in paragraaf 9.3 nader op ingegaan.