[T25.06692] Omgevingsplanwijziging Lange Vaart
Tekst van het document
Onnatuurlijke stoffen hoeven niet af te breken en het vraagt minder van de natuur om te herstellen. Subparagraaf 6.4.3 Conclusie Het plan houdt op diverse manieren rekening met de duurzaamheidsambities. Het plan is meer dan gemiddeld voorbereid op ten aanzien van hittestress, droogte, energie en klimaat. Er is daarom op het gebied van duurzaamheid geen sprake van belemmeringen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.5 Externe veiligheid Subparagraaf 6.5.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Het doel van die instructieregels is dat het omgevingsplan rekening houdt met risico's van branden, rampen en crises. Ook moet rekening worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de zelfredzaamheid van personen en met mogelijkheden tot hulpverlening (zoals bereikbaarheid voor hulpdiensten). Deze risico's worden gevormd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportassen - wegen en spoorwegen maar bijvoorbeeld ook buisleidingen. Daarnaast worden risico's gevormd door verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico's zoals het opslaan van gevaarlijke stoffen. De risicobenadering van externe veiligheid gaat uit van twee sporen: het beschermen van individuen (plaatsgebonden risico of PR) en het beschermen van groepen (groepsrisico of GR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. Het
48
groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden. Plaatsgebonden risico Voor wat betreft het Plaatsgebonden Risico (PR) bevat het Bkl grens- en standaardwaarden, die ruimtelijk worden vertaald in afstanden van risicobronnen tot gebouwen en locaties. Deze PR-contour is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl stelt instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet het omgevingsplan de grenswaarde uit het Bkl in acht nemen. Binnen de PRcontour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het omgevingsplan rekening houden met de standaardwaarde voor het PR die het Bkl stelt. Groepsrisico - aandachtsgebieden Naast het PR, wordt onder de Ow het GroepsRisico (GR) ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden. Bij risicovolle activiteiten (uit het Bal) wijst het Bkl deze aandachtsgebieden aan. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen.
Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen de risico's van warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden: ^ brandaandachtsgebied; • explosieaandachtsgebied; • gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met externe veiligheidsrisico's, en gelden zodra de activiteit wordt verricht. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de risicobron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere type aandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet de het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (5.15 Bkl). Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten. Het Bkl biedt wel enige afwegingsruimte ('rekening houden met'), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten.
In het omgevingsplan moet dan gewaarborgd zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor bestaande, legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen. De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen (5.14 Bkl). Het is dus ook mogelijk om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen. Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende eisen staan in het Bbl (artikel 4.90 t/m 4.96), en hebben 49
tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie. De bouweisen zijn aanvullend op de generieke bouweisen uit het Bbl en de beschermende maatregelen die binnen het hele aandachtsgebied worden getroffen (5.15 Bkl). Voor bestaande gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet.
Afbeelding 6.4: Infographic aandachtsgebieden externe veiligheid (bron: Iplo).
Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.2. van de provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregels gaan over het opnemen en waarborgen van risicogebieden en groepsrisico's in het omgevingsplan. Het gaat om de volgende instructies; 1. Opname van risicogebieden: Specifieke risicogebieden voor externe veiligheid, zoals BotlekVondelingenplaat, Europoort en Maasvlakte, worden opgenomen in het omgevingsplan. 2. Waarborgen van ruimte: Bij besluitvorming over ruimte voor activiteiten in de buurt van deze risicogebieden moet rekening worden gehouden met de activiteiten waarvoor het risicogebied is gereserveerd. 3. Groepsrisicobenadering: Voor gebieden met een verhoogd groepsrisico moeten in het omgevingsplan overwegingen worden betrokken, zoals mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling buiten het gebied, alternatieven met minder risico, bestaande beschermingsmaatregelen, aanvullende beschermingsopties, maatregelen aan de bron van het risico en advies van de veiligheidsregio. 4. Niet-Basisnet transportroutes: Langs deze routes moeten ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen door effectgebieden te beperken en maatregelen te treffen voor bescherming van personen en gebouwen binnen deze zones.
Subparagraaf 6.5.2 Toetsing Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van nieuwe kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt. Door KuiperCompagnons is onderzocht in hoeverre het aspect externe veiligheid een belemmering vormt voor de ontwikkeling van woningen op de planlocatie. Externe veiligheid gaat over 50
de invloed van het transport of opslag van gevaarlijke stoffen op de omgeving. Het rapport, Onderzoek omgevingsveiligheid woningbouwlocatie De Lange Vaart (10 september 2024) is te raadplegen in bijlage 10. In de omgeving van de locatie zijn verschillende risicobronnen aanwezig. Het betreft de risicobronnen: - Vervoer gevaarlijke stoffen over de N209; - Vervoer gevaarlijke stoffen over de rijksweg A12; Op de onderstaande afbeelding 6.5 is de ligging van het plangebied op de EV-signaleringskaart weergegeven.
Kruisweg
Moerkapelle
BAG basisnet (rev) EAG basisnet (rev) Bleiswijk
GAG basisnet (rev)
Afbeelding 6.5: Uitsnede EV-signaleringskaart met globale ligging plangebied (zwarte ovaal).
Rijksweg A12 Het plangebied is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied (BAG), explosieaandachtsgebied (EAG), en gifwolkaandachtsgebied (GAG) van de Rijksweg A12, waardoor deze weg geen invloed heeft op het plan. De aandachtsgebieden zijn aangegeven op bovenstaande afbeelding. Provinciale weg N209 De N209 ligt op circa 270 meter ten westen van het plangebied en is aangewezen als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Op de EV signaleringskaart is de weg niet opgenomen en zijn er geen brand en explosieaandachtsgebieden berekend. Het plangebied is echter wel gelegen binnen het effectgebied van een BLEVE na een ongeval met LPG, waardoor de N209 aanvullend is beschouwd. De gedetailleerde instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn niet van toepassing op de route. PR contour De N209 heeft geen PR 10-6 contour. 51
Groepsrisico Vanwege de afstand van meer dan 200 meter van het plangebied tot de risicobron heeft de ontwikkeling geen invloed op het groepsrisico. Een berekening van het groepsrisico is dan ook niet benodigd. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Toepassing op het plangebied In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals ouderen of gehandicapten. Ook zijn er voldoende vluchtmogelijkheden. De N209 bevindt zich aan de westelijke richting van het projectgebied, waardoor de aanwezigen in het geval van een incident via de nieuwe weg kunnen vluchten in oostelijke richting die uitkomt op de Korenmolenweg en Edisonlaan. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding van rampen Ten slotte dient er bij het stedenbouwkundig ontwerp en de indeling van de openbare ruimte rekening gehouden te worden met de bereikbaarheid en keermogelijkheden van hulpverleningsdiensten en opstelplaatsen in relatie tot ingangen van de gebouwen.
De wegenstructuur in het plangebied dient te voldoen aan de door de brandweer gestelde minimumeisen betreffende uitvoering en inrichting. De aanwezigheid van effectieve bluswatervoorziening is tevens een belangrijk aandachtspunt. Brandkranen dienen nabij de entrees van gebouwen en de opstelplaatsen gerealiseerd te worden. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem en de NL-Alert wordt ingezet. Ook is risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Subparagraaf 6.5.3 Conclusie In de nabijheid van het plangebied bevinden zich de transportroutes voor gevaarlijke stoffen de N209 en de rijksweg A12. Deze risicobronnen vormen geen belemmering voor het realiseren van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. In het kader van vooroverleg dient bij de uiteindelijke vergunningverlening dient formeel advies te worden gevraagd aan de Veiligheidsregio Rotterdam Rijnmond.
Paragraaf 6.6 Geluid door activiteiten Subparagraaf 6.6.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels opgenomen die toezien op het beheersen van geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien.
52
Geluid door andere dan specifieke activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het omgevingsplan voorziet in ieder geval in een aanvaardbare situatie als de standaardwaarde wordt opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast dient de grenswaarde te worden opgenomen voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen inen aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Subparagraaf 6.6.2 Toetsing Met het plan voor Lange Vaart is geen sprake van geluid door specifieke activiteiten zoals aangewezen in de instructieregels van het Bkl. De normen uit de bruidsschat blijven van toepassing. Wel dient rekening gehouden te worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Beoordeeld moet worden welke milieubelasting aanvaardbaar is. Dit is afhankelijk van het gebiedstype dat wordt benoemd in het omgevingsplan voor de projectlocatie. In de omgeving van het plangebied bevinden zich meerdere bedrijven. Het plangebied kan daarom worden aangemerkt als gemengd gebied.
Dit houdt in dat naast de functie wonen ook verschillende andere functies toegelaten worden, zoals agrarische functies of bedrijfsfuncties. Hierbij dienen contactgeluid, geurdoorslag en trillingen in voldoende mate te worden voorkomen. Agrarische bedrijvigheid Ten westen van het plangebied zijn kassen aanwezig, die zijn bestemd als 'Agrarisch - Glastuinbouw'. Deze bedrijvigheid wordt aangemerkt als categorie 2, waarvoor een afstand van 10 meter in gemengd gebied wordt aangehouden. Daarmee kan worden aangenomen dat op een afstand van 10 meter van de agrarische bestemming, het geluid op de gevel van een gebouw lager is dan 50 dB(a). Deze geluidwaarden worden acceptabel geacht. De richtafstand ligt deels over de geprojecteerde woonpercelen in het plangebied (afbeelding 6.6). In de regels van deze omgevingsplanwijziging zijn binnen deze contour van 10 meter gevoelige objecten uitgesloten. In de stedenbouwkundige uitwerking van het plangebied dient bij de inpassing van woonfuncties rekening te worden gehouden met deze contour. Daarmee zal geen onevenredige hinder optreden nabij de nieuwe woningen en wordt de bedrijfsvoering op het agrarische perceel niet belemmerd.
53
Afbeelding 6.6: uitsnede plankaart Lange Vaart met in rood richtafstand van 10 meter ten opzichte van naastgelegen agrarisch perceel.
Lint Hoefweg Aan de westzijde van het plangebied liggen enkele bedrijfspercelen die op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "De Hoefslag 2012" de maximale milieucategorie 3.1 hebben. Voor deze bedrijven geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van gemengd gebied. De afstand van deze percelen tot de woongebieden in de Lange Vaart wordt gerespecteerd, waardoor geen onevenredige hinder zal optreden nabij de nieuwe woningen en de bedrijfsvoering niet worden belemmerd. Bedrijventerrein Hoefslag Het plangebied voor de Lange Vaart ligt op korte afstand van bedrijventerrein Hoefslag. Op het bedrijventerrein bevinden zich over het algemeen bedrijven uit lichte milieucategorieën (tot en met categorie 3.1). Hiernaast zijn er enkele bedrijven uit categorie 3.2 gevestigd op het bedrijventerrein. Deze zijn specifiek bestemd. De bedrijven uit categorie 3.1 hebben een richtafstand van 50 meter ten opzichte van een rustige woonwijk en 30 meter ten opzichte van gemengd gebied. Langs de Korenmolenweg (tussen het bedrijventerrein en de planlocatie) is al een lint met woningen gesitueerd. Desondanks zijn er bedrijven op het terrein gevestigd met een milieucirkel die tot het plangebied reikt. Die bestaande woningen langs de Korenmolenweg zijn gezien hun ligging bepalend voor de planologische milieuruimte van de bedrijven ten zuiden van deze weg.
Daarmee leveren deze bedrijven geen significante milieubelasting voor de woningen in het plangebied Lange Vaart en worden deze bedrijven door de nieuwe woningen niet extra belemmerd. Cumulatieve geur- of geluidimpact Het bedrijventerrein aan de Hoefslag is inwaarts gezoneerd, om de hinder van deze bedrijven tot nabijgelegen woningen te beperken. Daarmee is er vanuit dit bedrijventerrein al rekening gehouden met cumulatie richting de omgeving. Er is ten aanzien van dit bedrijventerrein ook geen bekende
54
milieuoverlast aan de orde. Voor de overige activiteiten rond het plangebied kan worden gesteld dat deze activiteiten dusdanig uit elkaar liggen dat er geen sprake zal zijn van relevante cumulatie. Subparagraaf 6.6.3 Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmeringen voor het realiseren van de voorgenomen woningbouwontwikkeling. Met het aanhouden van de voorgenoemde richtafstanden is er voor het aspect geluid door activiteiten sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Subparagraaf 6.7.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden berekend. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen.
Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: 1. aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: 1. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt;
55
Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: 1. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 2. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Tevens dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie, waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde, worden voorzien in een aanvaardbare situatie. Subparagraaf 6.7.2 Toetsing Deze voorgenomen wijziging van het omgevingsplan voorziet in een planologisch-juridische regeling voor een nieuw te ontwikkelen woongebied aan de Lange Vaart. In het kader van deze ruimtelijke procedure is dit akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 12). Omdat deze nieuwe woningen zijn gelegen binnen het aandachtsgebied van de Edisonlaan/Heulslootweg/Groendalseweg, de Hoefweg en de omliggende 30 km/uur wegen moet onderzoek worden uitgevoerd naar het aspect wegverkeerslawaai. Het plangebied ligt buiten het aandachtsgebied van de provinciale weg N209, maar in het kader van een goede ruimtelijke ordening is deze weg aanvullend beschouwd.
Ook de indirecte akoestische effecten van het plan noodzaken tot de uitvoering van het onderzoek. Een zone rond een industrieterrein of langs een spoorlijn is niet aan de orde zodat de geluidsaspecten industrie- en spoorweglawaai buiten beschouwing zijn gelaten. Uitgangspunten Door Antea zijn de verkeerskundige effecten van de ontwikkeling Lange Vaart in beeld gebracht en verschillende verkeersscenario's onderzocht. Voor het akoestisch onderzoek zijn onderstaande scenario's gebruikt: ^
2040 Autonoom: in de toekomstige situatie worden alle vastgestelde ontwikkelingen in en rondom Bleiswijk meegenomen, maar zonder de ontwikkeling van het plan Lange Vaart. In het plangebied Lange Vaart zijn de bestaande functies gehandhaafd.
^
2040 Plan: in de toekomstige situatie worden alle vastgestelde ontwikkelingen in en rondom Bleiswijk meegenomen, inclusief de ontwikkeling van het plan Lange Vaart.
Naast de verkeersintensiteit in een gemiddelde weekdag hebben de verkeersgegevens betrekking op de verdeling van het verkeer in de dag-, avond- en nachtperiode en de verdeling van het verkeer in de verschillende voertuigcategorieën en de wettelijk toegestane rijsnelheid. Akoestische gevolgen aanleg nieuwe weg In het plangebied wordt een nieuwe weg aangelegd die aantakt op de Korenmolenweg ter hoogte van de bestaande woning Korenmolenweg 41. In de nabijheid van deze nieuwe weg zijn bestaande woningen gelegen. Ter plaatse van deze woningen is de geluidsbelasting bepaald, waaruit is gebleken dat de geluidsbelasting op de voorgevel van de woning Korenmolenweg 41 maximaal 47 dB bedraagt. De standaardwaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Omdat de geluidsbelasting lager is dan de standaardwaarde van 53 dB veroorzaakt het geluid van deze weg niet tot belemmeringen.
56
Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden Om de geluidsituatie in het plan te beoordelen is allereerst een berekening uitgevoerd op de functiegrens uit het omgevingsplan. Dit is de uiterste grens waarop woningbouw kan plaatsvinden. Uit deze resultaten blijkt dat voor de gemeentewegen een maximale geluidsbelasting aan de orde is van 60 dB aan de noordzijde van het plan. Dit betekent dat de standaardwaarde wordt overschreden, maar dat wordt voldaan aan de grenswaarde. Op de oost- en westgevels aan de noordzijde vindt ook een overschrijding plaats van de standaardwaarde. Aan de overige zijden van het plan wordt wel voldaan aan de standaardwaarde. De provinciale weg N209 geeft een maximale geluidbelasting van 48 dB1, waardoor voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Deze weg vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Verkavelin gsplan Omdat op basis van deze berekening het woon- en leefklimaat niet kan worden beoordeeld is ook een berekening uitgevoerd op basis van het verkavelingsplan. Op basis van deze berekening, met een realistische bebouwingsafstand tot de weg en een realistische afscherming van de nieuwbouw, kan de akoestische situatie het best worden beoordeeld.
Uit de resultaten van deze berekening blijkt dat het verkeer op de gemeentewegen een geluidsbelasting veroorzaakt van maximaal 60 dB op zowel de grondgebonden als de gestapelde woningen aan de noordzijde van het plan, waardoor de standaardwaarde wordt overschreden. De grenswaarde wordt niet overschreden. De overschrijding van de standaardwaarde op de grondgebonden woningen vindt vrijwel uitsluitend plaats op de kopgevel van de rij die is gericht op de Heulslootweg. De geluidsbelasting op de voor- en achtergevel van deze woningen voldoet op de begane grond en de eerste verdieping op alle woningen aan de standaardwaarde. Ook de vrijstaande woningen in het westelijk deel van het plan hebben alleen een overschrijding op de gevel die gericht is naar de Heulslootweg. De overige gevels voldoen wel aan de standaardwaarde op de begane grond en de eerste verdieping. Op de appartementengebouwen vindt ook een overschrijding plaats van de standaardwaarde. Het westelijke appartementengebouw heeft een overschrijding van de standaardwaarde op de eerste en/of de tweede verdieping op de noord-, oost- en westgevel. Het oostelijke appartementengebouw heeft een overschrijding op de tweede verdieping op de noord-, oost en een deel van de westgevel. Op de eerste verdieping wordt de standaardwaarde overschreden op de noordgevel en een deel van de oostgevel.
Als het verlagen van de rijsnelheid of andere geluidsreducerende maatregelen zoals de aanleg van een geluidreducerend wegdek of het plaatsen van geluidsschermen om financiële, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische redenen niet mogelijk zijn, kunnen op plaatsen waar de standaardwaarde wordt overschreden aanvullende bouwkundige maatregelen worden getroffen.
11 Incl. reductie ex art. 110g Wgh 57
Maatregelen en toetsing geluidbeleid Op een aantal woningen in het plangebied vindt een overschrijding plaats van de standaardwaarde. Omdat de grenswaarde van 70 dB voor gemeentewegen niet wordt overschreden, is de toepassing van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen niet noodzakelijk. Omdat de standaardwaarde wel wordt overschreden, is onderzoek naar geluidsreducerende maatregelen wel noodzakelijk. Maatregel snelheidsverlaging Heulslootweg De overschrijding van de standaardwaarde op het noordelijk deel van het plangebied wordt voornamelijk veroorzaakt door het verkeer op de Heulslootweg en het noordelijkste stukje van de Edisonlaan. De Heulslootweg heeft in de huidige situatie een wettelijke maximale rijsnelheid van 80 km/uur tot circa 100 meter voor de bocht in het oosten, waarna hij overgaat in de Edisonlaan. Een verlaging van de rijsnelheid op de Heulslootweg van het 80 km/uur gedeelte naar 50 km/uur leidt er toe dat de geluidsbelasting van maximaal 60 dB wordt gereduceerd tot maximaal 55 dB op de meest westelijk gelegen vrijstaande woning en op het oostelijke appartementengebouw. Op de overige vrijstaande woningen, het westelijk gelegen appartementengebouw en de kopgevels van de rijwoningen is de geluidbelasting maximaal 54 dB op de tweede verdieping.
In de 50 km-situatie op de Heulslootweg wordt de standaardwaarde van 53 dB op bijna alle noordelijk gelegen woningen alleen op de tweede verdieping (beoordelingshoogte 8 m) met maximaal 1 of 2 dB overschreden op de grondgebonden en de gestapelde woningen. De snelheidsverlaging heeft geen effect op de oostgevel van het oostelijk gelegen appartementengebouw, omdat de maatgevende wegdelen voor deze gevel in de huidige situatie al een wettelijke maximale rijsnelheid hebben van 50 km/uur. Toetsing aan gemeentelijk milieubeleid Regelgeving ten aanzien van geluidluwe gevels en buitenruimten is niet in het Bkl opgenomen en dient door de gemeente Lansingerland ingevuld te worden. In het geluidbeleid van de gemeente Lansingerland is aangegeven dat iedere woning dient te beschikken over een geluidluwe gevel met een geluidbelasting van maximaal 53 dB voor wegverkeer. Indien de woning beschikt over een buitenruimte, dan is deze bij voorkeur gelegen aan de geluidluwe zijde. De geluidbelasting mag in principe niet meer dan 5 dB hoger zijn dan bij de geluidluwe gevel, wat betekent dat een geluidluwe buitenruimte gerealiseerd kan worden zonder maatregelen op een gevel met een geluidbelasting tot en met 58 dB.
Alle grondgebonden woningen hebben door de verlaging van de rijsnelheid op de Heulslootweg een geluidsluwe gevel en buitenruimte omdat de overschrijding van de standaardwaarde alleen plaatsvindt op de kopgevels gericht op de Heulslootweg. Met de geluidsreducerende maatregel van de snelheidsverlaging zijn nog enkele aandachtspunten aan de orde ter plaatse van de appartementengebouwen op de hierboven beschreven gevels waar een overschrijding van de standaardwaarde plaatsvindt. Het westelijk gelegen appartementengebouw heeft een geluidluw binnengebied, maar de noordelijke hoekappartementen hebben geen gevel grenzend aan dit binnengebied. Beide gevels van drie hoekappartementen zijn aan de buitenzijde gesitueerd en hebben een gevel met overschrijding van de standaardwaarde. De geluidsluwe gevel en buitenruimte dient in dat geval te worden gerealiseerd door aanvullende bouwkundige maatregelen. Dit kan bijvoorbeeld zijn een buitenruimte met een
58
verhoogde borstwering of een afsluitbare buitenruimte. Voor buitenruimtes bij de appartementen die aan de gevel gerealiseerd worden met een geluidbelasting van meer dan 58 dB geldt dit ook. Cumulatieve geluidbelasting en gezamenlijke geluidbelasting Omdat in dit plan het geluid alleen wordt bepaald door wegverkeer is de waarde van de gezamenlijke geluidsbelasting gelijk aan de waarde van de cumulatieve geluidsbelasting. De gezamenlijke geluidsbelasting moet als uitgangspunt worden aangehouden bij het beoordelen van de karakteristieke geluidwering van de gevels. Voor de waarde van de cumulatieve en de gezamenlijke geluidsbelasting ten aanzien van de verkaveling dienen de berekende waarden van de gemeentewegen gebruikt te worden. Indirecte akoestische effecten De realisatie van de nieuwbouw in het plan veroorzaakt een toename van het verkeer op bestaande wegen, waardoor de geluidsbelasting bij bestaande woningen verandert. Ook de nieuwe bebouwing zelf kan een verandering van de geluidsbelasting veroorzaken bij de bestaande woningen door de reflectie in deze bebouwing. Deze beide effecten zijn in het rapport beoordeeld door de geluidsbelasting bij bestaande woningen te berekenen. De planeffecten zijn beoordeeld op plaatsen waar een significante toename van de geluidsbelasting wordt verwacht.
Dat is op plaatsen waar het verkeer toeneemt en op plaatsen waar door een extra reflectiebijdrage een verandering van de geluidsbelasting wordt verwacht. Uit de resultaten blijkt dat de maximale toename van de geluidbelasting 1,14 dB bedraagt en betreft zowel het effect door de toename van het verkeer als de toename door een geluidsreflectie. Omdat de toename minder is dan 1,5 dB wordt voldaan aan de wettelijke norm. Op grotere afstand van het plan is geen sprake meer van een significante toename van de geluidsbelasting. De toename van het verkeer is op die wegen beperkt tot minder dan 20%, wat inhoudt dat de verandering van de geluidsbelasting aanmerkelijk lager is dan 1 dB en daarom niet hoorbaar is voor het menselijk oor. Aanvaardbaarheid geluidsoverschrijding Op enkele plekken vindt na de snelheidsverlaging nog een overschrijding van de standaardwaarde plaats met maximaal 2 dB. Bij de grondgebonden woningen vindt deze overschrijding plaats op slechts één van de gevels. Daarmee is er altijd een geluidsluwe gevel en een geluidsluwe buitenruimte aanwezig die aan de standaardwaarde voldoet. De overschrijding op één gevel is daarom aanvaardbaar. Voor de appartementen is niet altijd een geluidsluwe gevel van toepassing.
Om dit te compenseren wordt in de regels opgenomen dat bij de appartementen ankerloze spouwmuren toegepast moeten worden om het geluid intern zoveel mogelijk te beperken. Verder geldt op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dat de binnenwaarde voor geluid niet hoger mag zijn dan 33 db. Voor een geluidsluwe buitenruimte geldt volgens het gemeentelijk beleid dat deze 5 db hoger mag zijn dan de voorkeurswaarde (is huidige standaardwaarde), dus 58 db. Op basis van de methode Miedema (zie tevens het akoestisch onderzoek in bijlage 12) is er dan sprake van een matig akoestisch klimaat. Aangezien de berekeningen laten zien dat de geluidsbelasting op de buitenruimtes bij appartementen maximaal 55 db is, is er sprake van een redelijk akoestisch klimaat volgens de methode Miedema. Om deze redenen zijn de overschrijdingen aanvaardbaar en zijn aanvullende bouwkundige maatregelen niet nodig. 59
Indien de snelheidsverlaging op de Heulslootweg van 80 naar 50 km/h niet plaatsvindt dan dienen alsnog bouwkundige maatregelen te worden genomen om de geluidsbelasting van buitenruimtes (bij alle woningen) tot maximaal 55 dB terug te brengen en tevens mogen er bij de grondgebonden woningen waarbij geen sprake is van een geluidsluwe gevel geen verblijfsruimten worden gerealiseerd op de tweede verdieping, omdat hier de standaardwaarde wordt overschreden. Dit zal ook opgenomen worden in de regels. Subparagraaf 6.7.3 Conclusie Bij het verlagen van de rijsnelheid van de Heulslootweg geldt dat voor nieuwe en bestaande woningen in en rondom het plangebied geen sprake is van een (hoorbare) geluidsbelasting door een toename aan verkeer op bestaande wegen of reflectie van bebouwing. Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft dan ook geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Vanuit dit aspect is er daarom sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.8 Geur Subparagraaf 6.8.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.6) bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten. Voor elk van deze verschillende categorieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn. Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, horecaactiviteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend.
In de instructieregels in het Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur. Binnen deze gebieden wordt de emissie van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het emitteren uitstoten van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die, volgens het bevoegd gezag, beschermd dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen.
60
Subparagraaf 6.8.2 Toetsing Het project omvat de realisatie van geurgevoelige bebouwing. Uit de kaart 'Geurhinder Lansingerland' (Bleiswijk) van de DCMR blijkt dat het projectgebied in een gebied ligt waar geen geurhinder wordt verwacht. Het projectgebied ligt in een zone waar sprake is van minder dan 0.5 Odour units (zie afbeelding 6.7). Er zijn daarom vanwege geur geen negatieve effecten op het welzijn en de gezondheid van mensen te verwachten. Met de woningbouwontwikkeling worden geen activiteiten toegestaan die geurhinder veroorzaken. Ook worden in de directe nabijheid van het plangebied geen lokale activiteiten verricht die geurhinder veroorzaken en mogelijk schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen of van negatieve invloed zijn op een prettig woon- en leefklimaat.
Afbeelding 6.7: kaart geurhinder DCMR (plangebied is rood omkaderd).
Subparagraaf 6.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'geur' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.9 Gezondheid Subparagraaf 6.9.1 Kaders Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot één van de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving: ^ In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als 61
^
^
^
prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden. In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. In artikel 3.3 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. Daarbij dienen milieuaantastingen bij voorrang aan de bron te worden bestreden en is het beginsel dat de vervuiler betaalt. In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.
Subparagraaf 6.9.2 Toetsing Bij planontwikkeling is het van belang dat er sprake is van een gezonde fysieke leefomgeving. Voor de ontwikkeling Lange Vaart is de ambitie een gezond leefklimaat te creëren, waarin energiezuinig en duurzaam wordt gebouwd met respect voor kringlopen en zoveel mogelijk hergebruik. Dit landt in het plan door op gebiedsniveau de openbare ruimte groen in te richten. Dit is essentieel voor de toekomstbestendigheid van het gebied, draagt bij aan de biodiversiteit en heeft daarmee positief effect op het woonplezier en de gezondheid. Daarnaast draagt het inrichten van een groene openbare ruimte bij aan het beperken van de gevolgen van hittestress. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen bronnen die significante effecten hebben op de gezondheid van mensen. In de voorgaande paragrafen 6.6, 6.7 en 6.8 is dit reeds onderbouwd. Subparagraaf 6.9.3 Conclusie Een groene openbare ruimte draagt bij aan de gezondheid van mensen en de biodiversiteit. Door dit op te nemen in het inrichtingsplan draagt dit bij aan het creëren van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.10 Kabels en leidingen Subparagraaf 6.10.1 Kaders Elektriciteitswet, Besluit kwaliteit leefomgeving en Besluit activiteiten leefomgeving Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als particuliere gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant: ^ hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998); ^ buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal); ^ buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal); 62
^ ^
buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl); buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal).2
Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.24 is een instructieregel met betrekking tot beschermingszones voor de drinkwatervoorziening opgenomen. In deze instructieregels is aangegeven dat een omgevingsplan, waarin een leiding behorende tot de vitale infrastructuur voor de openbare drinkwatervoorziening is opgenomen, een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aanwijst als 'beschermingszone drinkwatervoorziening'. Daarnaast is bepaald dat het omgevingsplan nieuwe ontwikkelingen binnen deze beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toelaat zover daarbij geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening. Voor de beoordeling of hier sprake van is, wordt tijdig advies ingewonnen bij het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding. Subparagraaf 6.10.2 Toetsing In de omgeving en in het plangebied zijn geen ruimtelijk relevante kabels, leidingen of straalpaden gelegen. In deze wijziging van het omgevingsplan zijn dan ook geen regels opgenomen ter bescherming van deze kabels en leidingen. Er is ook geen vitale infrastructuur voor de openbare drinkwatervoorziening aan de orde. Voorafgaand aan graafwerkzaamheden wordt een KLIC-melding gedaan.
Subparagraaf 6.10.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'kabels en leidingen' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Voor dit aspect is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.11 Klimaatadaptatie Subparagraaf 6.11.1 Kaders Nationaal klimaatbeleid De afgelopen jaren heeft de nationale overheid haar duurzaamheidsdoelen en de benodigde acties in verschillende documenten en afspraken vastgelegd. In 2013 zijn er afspraken gemaakt met het bedrijfsleven over onder andere besparing en meer duurzame opwekking in het Energieakkoord. In 2015 is er tijdens een VN-klimaattop in Parijs een nieuw internationaal klimaatakkoord opgesteld. Het doel hiervan is om de opwarming van de aarde te beperken tot ruim onder de 2 graden Celsius en minimaal 1,5 graden. In 2016 heeft de overheid vervolgens in de Energie-agenda vastgelegd hoe een CÜ2-arme energievoorziening in 2050 gerealiseerd kan worden. In 2018 zijn deze afspraken verder uitgebreid met een nationale Klimaatwet. Deze stelt dat in 2030 een CÜ2-reductie van 49^! ten opzichte van 1990 gerealiseerd moet zijn. In 2050 moet dit minimaal 95^! zijn. In een nationaal klimaatakkoord 2 Ünder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen. 63
worden afspraken gemaakt hoe deze doelen gehaald gaan worden. Op 28 juni 2019 heeft het kabinet het klimaatakkoord gepubliceerd. Provinciaal beleid De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit bij bouwopgaven. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.6a Artikel 7.41a van de omgevingsverordening geeft de provincie instructieregels die gaan over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen. Hierin staat dat in een omgevingsplan rekening gehouden moet worden met de risico's van klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van: ^ wateroverlast door overvloedige neerslag; ^ overstroming; • hitte; • droogte; • de gevolgen op het risico van bodemdaling. Als dergelijke risico's aan de orde zijn, wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk voorkomen en beperken via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico's.
In Artikel 7.41aa is opgenomen dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen met 12 woningen of meer de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrokken dienen te worden. Daarbij gaat het over de volgende aspecten die betrekking hebben op duurzaamheid en klimaatadaptatiede risico's van klimaatverandering: ^ de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie; ^ de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; ^ de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; ^ het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; ^ het versterken van de biodiversiteit; en ^ het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. Gemeentelijk beleid In Lansingerland wordt al jaren gewerkt aan de verankering van klimaatadaptatie in het beleid, processen en programma's. De gemeente heeft het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend en neemt klimaatadaptatie mee in de omgevingsvisie en andere beleidsstukken, zoals het Gemeentelijk Rioleringsplan en instrumenten als de Duurzame Inrichting Openbare Ruimte. Op regionale en landelijke schaal heeft de gemeente samenwerkingen binnen het Convenant Klimaatadaptief Bouwen en binding met het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.
In de Ruimtelijke adaptatie strategie Lansingerland is een visie opgenomen waarin de gemeente zich voorbereid op klimaatverandering. De doelstelling om in 2050 zo klimaatbestendig mogelijk ingericht te zijn, wordt bereikt door in te zetten op twee subdoelstellingen: 64
1.
Een groene gemeente: aanleggen van veerkrachtige natuurlijke systemen (ecologie) ter voorkoming van hittestress en wateroverlast. Met als bijkomend voordeel dat de kwaliteit van de buitenruimte wordt verhoogd waardoor een gezondere omgeving wordt gecreëerd. Met het effect op ons gedrag om meer te bewegen, maar ook het effect dat de luchtkwaliteit verbetert. Een ander bijkomend voordeel is dat de biodiversiteit wordt verhoogd bij het aanleggen van deze natuurlijke systemen (ecologie). 2. Een robuust watersysteem: overstromingen, wateroverlast en droogte waar mogelijk voorkomen. Een watersysteem dat water opslaat, vasthoudt en weer beschikbaar stelt bij droogte. Subparagraaf 6.11.2 Toetsing In de Nota van Uitgangspunten voor de Lange Vaart zijn per duurzaamheidsthema doelstellingen en uitgangspunten geformuleerd voor de verdere gebiedsontwikkeling. Deze uitgangspunten zijn verder geconcretiseerd in het Masterplan en het Duurzaam programma van eisen openbare ruimte en gebouwen (bijlage bij contract met ontwikkelaars). In de nota zijn de volgende uitgangspunten op het gebied van klimaatadaptatie opgenomen: ^
Zoveel mogelijk voorkomen van hittestress door een slim stedenbouwkundig ontwerp en de inrichting van de openbare ruimte, met veel groen en water. ^ Tegengaan wateroverlast en droogte. ^ Versterken van de biodiversiteit. De inrichting van de wijk maakt oplossingen voor klimaat zichtbaar. Groen en water in de wijk dragen niet alleen bij aan een aantrekkelijk straatbeeld, maar ook aan het tijdelijk vasthouden van regenwater in het gebied, het tegengaan van hittestress en het verhogen van de biodiversiteit. De groene ruimtes hebben zowel een sociale als een klimaatadaptieve functie. Een wadi kan worden gecombineerd met speel- en ontmoetingsruimtes, waardoor het groen een bijdrage levert aan zowel de verblijfskwaliteit als de biodiversiteit. Het stedenbouwkundig plan voor de locatie biedt voldoende ruimte om hieraan te voldoen. In een latere fase (bij de concrete bouwaanvraag) zal, mede aan de hand van de indicatoren uit het convenant Klimaatadaptief bouwen, worden bekeken hoe aan deze maatregelen invulling wordt gegeven. Subparagraaf 6.11.3 Conclusie Het inrichtingsplan van de woningbouwontwikkeling Lange Vaart zal voldoen aan de wettelijke eisen en kaders omtrent klimaatadaptatie. In combinatie met de ruimtelijke toepassingen die worden opgenomen in het omgevingsplan is het aspect klimaatadaptatie voldoende geborgd.
Dit aspect vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.12 Ladder voor duurzame verstedelijking Subparagraaf 6.12.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het 65
belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.
Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 5.161c van het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan regels over te realiseren categorieën woningen kunnen worden opgenomen. Dan moet het gaan over bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Ow kosten moeten worden verhaald. Daarbij is aangegeven voor welke categorie woningen regels kunnen worden gesteld en onder welke voorwaarden. Provinciale omgevingsverordening In Ş 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45 wordt verwezen naar artikel 5.129g van het Bkl. Daarnaast is aangegeven dat wanneer regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling, de motivering van de behoefte kan bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Subparagraaf 6.12.2 Toetsing Uit jurisprudentie volgt dat het toevoegen van meer dan 11 woningen wordt gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
De ontwikkeling voorziet in maximaal 125 woningen, en is daarmee ladderplichtig.
66
Onderbouwing locatiekeuze en behoefte Zoals blijkt uit de Woonvisie 2021-2025 heeft Bleiswijk met name een kwalitatieve woningvraag die zich vooral richt op senioren en starters in de vorm van gelijkvloerse woningen en betaalbare woningen. Naast het tegemoetkomen aan de behoefte van de eigen (oudere) inwoners, is er behoefte aan 'jonge' aanwas om het krachtige verenigingsleven en sterke sociale structuur in stand te houden. De locaties Lange Vaart en Merenweg zijn aangewezen als enige uitbreidingslocaties: in Bleiswijk vinden verder geen grootschalige ontwikkelingen plaats om zo de openheid en dorpse schaal te bewaken. Ook in het Regioakkoord Rotterdam is voor Bleiswijk opgenomen om tot aan 2030 900 woningen te bouwen. Voor het bouwen van de woningen in Bleiswijk is onderzoek gedaan naar geschikte locaties binnen stedelijk gebied. Echter is het niet mogelijk om binnenstedelijk met deze forse woningaantallen de verdichten. Hierom heeft de gemeente Lansingerland gekozen voor ontwikkellocaties aan de rand van het bebouwd gebied. Dit geldt voor zowel de Lange Vaart als de Merenweg. Door op deze locaties te ontwikkelen wordt het bestaande bebouwde gebied uitgebreid, maar met een passende overgang. Op de locatie Lange Vaart wordt ingezet op een woonmilieu met een passende mix (starters en toekomstbestendig) waar de koppeling met relevante voorzieningen (o.a.
zorg voor ouderen en verbinding richting centrum) sterk moet zijn. Daarom wordt met dit plan ingezet op een passende mix voor jong en oud. Circa 40% van de woningen zal gelijkvloers zijn. Voorgenomen ontwikkeling draagt hierdoor bij aan het oplossen van het tekort aan woningen en de ambitie om woningen te bouwen. Met de in het Regioakkoord Rotterdam 2022 (PZH-2022-820598472) gemaakte afspraken over Lange Vaart, is voldaan aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Subparagraaf 6.12.3 Conclusie Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en de provinciale verordening.
Paragraaf 6.13 Licht Subparagraaf 6.13.1 Kaders Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Wel maakt het onderdeel uit van een 'evenwichtige toedeling van functies en locaties' en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Subparagraaf 6.13.2 Toetsing De Omgevingsvisie Lansingerland beschrijft dat grote bronnen van normoverschrijdende lichtbelasting aangepakt moeten worden, omdat lichthinder van glastuinbouw leidt tot gezondheidsrisico's. Om dit te beperken wordt samen met de glastuinbouwsector onderzocht welke mogelijkheden doelmatig zijn om emissies terug te dringen. De woningbouwontwikkeling aan de Lange Vaart wordt niet in de 67
nabijheid van actieve glastuinbouw gerealiseerd. Er wordt daarom geen normoverschrijdende lichtbelasting op de woningen verwacht. Om binnen het projectgebied lichthinder op straat en de woningen te beperken is het advies om bij de stedenbouwkundige uitwerking rekening te houden met het plaatsen en de armaturen van lantaarnpalen. Subparagraaf 6.13.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'licht' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Voor het aspect 'licht' is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.14 Luchtkwaliteit Subparagraaf 6.14.1 Kaders Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is, dient in het kader hiervan beschouwd te worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Besluit kwaliteit leefomgeving In subparagraaf 5.1.4.1 Bkl zijn instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Het Bkl bevat instructieregels voor specifieke situaties. Op grond van deze regels zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis wordt toegelaten. Verder gelden er instructieregels voor gemeenten die in de in het Bkl aangewezen aandachtsgebieden liggen.
Voor activiteiten die leiden tot een verhoging van de concentratie (van onder andere fijnstof) in de buitenlucht in een aangegeven aandachtsgebied, moeten ook de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht genomen worden. Uitgezonderd zijn activiteiten die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl enkele standaardgevallen aangewezen. Subparagraaf 6.14.2 Toetsing Het projectgebied is niet gelegen binnen een van de aangewezen aandachtsgebieden voor luchtkwaliteit. De voorgenomen ontwikkeling gaat om de realisatie van maximaal 125 woningen. Het behoort hierdoor tot een standaardgeval dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verhoging van de concentratie van stikstofdioxide en fijnstof. Van deze standaardgevallen staat vast dat de verhoging maximaal 1,2 ^g/m3 bedraagt. De realisatie van het project is daarom nauwelijks van invloed op de kwaliteit van de buitenlucht. Een aparte toetsing aan de luchtkwaliteitsnormen is niet nodig. Uit de kaart van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) blijkt dat de waarden van NO2, PM10 en PM2,5 ruim onder de omgevingswaarden blijven zoals benoemd in artikel 2.4 en artikel 2.5 uit het Bkl. Op afbeelding 6.8 is een uitsnede weergegeven van de kaart van het CIMLK voor de concentratie NO2 in de omgeving van het plangebied.
68
Afbeelding 6.8: NO2 concentratie projectlocatie 2023 (het projectgebied is rood omkaderd).
Volgens de kaarten van het RIVM in de Atlas leefomgeving (zie afbeeldingen 6.9 en 6.10) bedragen de concentratie PM10 ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving minder dan 18 ^g/m3 en de concentratie PM2,5 minder dan 10 ng/m3 per jaar (2021). Dit ligt onder de wettelijke grenswaarden van 25 ^g/m3 per jaar. Het effect op de luchtkwaliteit wordt daarbij beschouwd als 'niet in betekende mate'. Er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde.
69
Subparagraaf 6.14.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect 'luchtkwaliteit' geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect heeft geen negatieve invloed op het waarborgen van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 6.15 Mobiliteit Subparagraaf 6.15.1 Kaders Omgevingswet Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.7.6 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over Landelijke fiets- en wandelroutes. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die de aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, dient het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes te worden betrokken. In paragraaf 5.1.8 van het Bkl is een instructieregel opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, dient rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn verschillende instructieregels opgenomen over mobiliteitsonderwerpen. In Ş 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45c uit deze paragraaf wordt de instructie meegegeven dat bij een nieuwe 70