CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.04908] Motivering BOPA 1e fase Noordeinde 1

Commissie Ruimte 9 september 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verzoek bindend adviesrecht aanvraag en gedeeltelijke ontheffing bindend adviesaanvragen Ruimte-voor-Ruimte woningen Groenzoom30.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Buisleiding van Ocap Trading en afstand tot het projectgebied (Bron: risicokaart.nl, bewerking SAB)

Transport over spoor In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen relevante risicobronnen in de vorm van spoortrajecten. Een nadere beschouwing naar spoortrajecten is

4

SAB, Quick scan externe veiligheid Pastoor Verburghweg 12a te Berkel en Rodenrijs, 4 april 2022.

57

dan ook niet noodzakelijk. Dit type risicobron vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transport over water In de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen relevante risicobronnen in de vorm van watertrajecten. Een nadere beschouwing naar watertrajecten is dan ook niet noodzakelijk. Dit type risicobron vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Transport over weg In de omgeving van het projectgebied bevinden zich een aantal wegtrajecten. Raadpleging van de risicokaart wijst uit dat het projectgebied binnen het invloedsgebied van wegtraject N470 ligt. Echter, het projectgebied valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico, de 200 meter zone. Hierdoor volstaat het opstellen van een beperkte verantwoording van het groepsrisico. De projectlocatie valt tevens ruim buiten het invloedsgebied van de overige wegtrajecten, een nadere beschouwing van deze wegtrajecten is daarom niet noodzakelijk. Samenvatting risicobronnen Uit het voorgaande blijkt dat de projectlocatie niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron ligt. Wel ligt het projectgebied binnen het invloedsgebied voor groepsrisico. Het gaat om de volgende risicobron: wegtraject N470.

Echter, gezien het projectgebied zich ten aanzien van deze risicobron buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone) ligt, volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Er moet worden ingegaan op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Ook moet de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld worden om een advies hierover uit te brengen. Beperkte verantwoording Door het voorliggende plan zal het gemiddeld aantal aanwezigen in het projectgebied wijzigen. In de huidige situatie betreft het projectgebied een onbebouwd perceel. In de toekomstige situatie zullen vijf woningen gerealiseerd worden, waardoor het aantal aanwezigen gemiddeld met twaalf (5 keer 2,4) personen zal toenemen. Vanwege de ligging van de planlocatie in het invloedsgebied van een risicobron waarvan BLEVE en een toxische wolk de maatgevende scenario's zijn, dient een beperkte verantwoording van het groepsrisico plaats te vinden. Hierbij is de Veiligheidsregio om advies gevraagd. Scenario('s) De relevante scenario's voor het projectgebied in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen zijn het ontstaan van BLEVE met daarbij warmtestraling en overdruk en/of het overdrijven van een toxische wolk. Door bijvoorbeeld een incident met externe beschadiging aan de tank ontstaat een gat, waardoor in korte tijd een

58

groot deel van de stof vrijkomt en bijvoorbeeld als toxische wolk met de wind mee wordt verspreidt. De kans op een dergelijk ongeval is bijzonder klein. De gevolgen voor personen zijn afhankelijk van de concentratie en blootstellingstijd aan de stof. Mogelijkheden tot bestrijdbaarheid van een calamiteit Bij beide scenario's zal de brandweer proberen de brandoorzaak in eerste instantie te bestrijden en niet de effecten op afstand, van in dit geval 240 meter, waarbij voor een toxische wolk sprake is van een snelle verspreiding. De bestrijdbaarheid wordt om deze reden als matig beoordeeld. De mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar. Het zelfredzame vermogen van personen is een belangrijke voorwaarde om grote aantallen slachtoffers bij een incident te voorkomen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen binnen bebouwing en ontvluchten van het projectgebied. Mogelijkheden zelfredzaamheid De nieuwbouw richt zich niet op personen die minder zelfredzaam zijn. De personen in het projectgebied zijn, mits tijdig gewaarschuwd, in staat zichzelf in veiligheid te brengen ten opzichte van de potentiële risicobron. Waarschuwing zal plaatsvinden via NL-Alert.

Is het gebied voldoende ingericht om de zelfredzaamheid te kunnen faciliteren? Naast de vraag of zelfredding mogelijk is, zijn de fysieke eigenschappen van gebouwen en omgeving van invloed op de vraag of die zelfredding optimaal kan plaatsvinden. Vanuit de hierboven geschetste mogelijkheden is het dus van belang dat het projectgebied:  goed te alarmeren is;  goede schuilmogelijkheden biedt;  goed te ontvluchten is. Alarmering In geval van een calamiteit zal NL-Alert, een aanvullend alarmmiddel van de overheid voor de mobiele telefoon, worden ingezet. Met NL-Alert kan de overheid mensen in de directe omgeving van een noodsituatie met een tekstbericht informeren. In het bericht staat specifiek wat er aan de hand is en wat op dat moment het beste gedaan kan worden.

59

Schuilmogelijkheden Schuilen in afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit met het scenario toxische wolk te overleven. Schuilen voor een toxische wolk is mogelijk binnen de bebouwing op de planlocatie. Om dit mogelijk te maken dient de bebouwing aan bepaalde veiligheidseisen te voldoen. Als gevolg van energieprestatie-eisen zijn nieuwe woningen goed geïsoleerd en bieden daarom een goede bescherming. Eventuele aanwezige ventilatieopeningen moeten afgesloten kunnen worden. Vluchtmogelijkheden Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het mogelijk om vanuit het projectgebied naar meerdere richtingen te vluchten. Ontvluchten kan in alle gevallen van de risicobron af, richting de Noordeindseweg. Luchthaven Rotterdam The Hague Airport Het projectgebied ligt niet onder een aanvliegroute van de luchthaven waardoor er geen veiligheidsrisico bestaat ten gevolge van de luchthaven. 6.5.3

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het project.

6.6

Geluid door activiteiten

6.6.1

Kaders Beleidskaders Er zijn geen relevante beleidskaders voor dit aspect voor deze ontwikkeling. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels opgenomen die toezien op het beheersen van geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien. Geluid door andere dan specifieke activiteiten Bij een ontwikkeling moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Daarbij moet erin voorzien worden dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Er wordt in ieder geval in een aanvaardbare situatie voorzien als de standaardwaarde wordt gehaald voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw.

60

Daarnaast dient de grenswaarde te worden verankerd voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. De standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen kan, op een aangewezen bedrijventerrein, verhoogd worden met 5 dB(A). Ook kan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, in een aangewezen agrarisch gebied, verlaagd worden met 5 dB(A). Gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie kan afgeweken worden van de standaardwaarde. Een hogere waarde kan alleen worden opgenomen als dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is het stellen van een hogere waarde een mogelijkheid als sprake is van een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op basis waarvan reeds een hogere waarde gold. Daarnaast bepaalt het Bkl onder meer dat het omgevingsplan waarden voor een maximaal geluidniveau in de dagperiode kan bevatten, kan afwijken van waarden bij festiviteiten of waar waarden gelden, geen waarden bevatten of andere regels dan waarden stellen. 6.6.2

Toetsing In het kader van de beoogde ontwikkeling heeft SAB een quick scan milieubelastende activiteiten5 opgesteld. Situatie ontwikkellocatie De ontwikkellocatie bevindt zich ten noorden van de kern Berkel en Rodenrijs en bestaat uit weidegrond. In de directe omgeving van de ontwikkellocatie is zowel juridisch-planologisch als feitelijk gezien sprake van een afwisseling van functies. Zo bevinden zich hier bijvoorbeeld woningen, agrarische functies en bedrijven. De omgeving is dan ook een gebied met een matige tot sterke functiemenging en kan daarom getypeerd worden als een 'gemengd gebied'. Eens temeer, aangezien de Noordersingel is te karakteriseren als een agrarisch lint in het buitengebied, wat volgens de VNG-publicatie per definitie kan worden gezien als een gemengd gebied. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect 'bedrijven en milieuzonering' de richtafstanden uit de VNG-publicatie met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect 'gevaar'). Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling De beoogde ontwikkeling maakt woningen mogelijk. Er is met deze functie sprake van hindergevoeligheid. Dit is echter geen hinderveroorzakende functie. Het feit dat het plan hinder zou veroorzaken door nieuwe functies is hier dus niet van toepassing. Hinder van bestaande bedrijvigheid op de ontwikkeling 5

SAB, Quick scan milieubelastende activiteiten ontwikkeling Noordeinde 1, 2 juli 2025.

61

Naast de hinder die een ontwikkeling zelf kan veroorzaken, dient ook onderzocht te worden of de beoogde ontwikkeling zelf hinder kan ondervinden van hinderveroorzakende functies uit de omgeving. Woningen moeten worden aangeduid als milieuhindergevoelig. In de omgeving van het projectgebied zijn op grond van het bestemmingsplan diverse hinderveroorzakende functies mogelijk en feitelijke aanwezig. Deze zijn geïnventariseerd. De onderstaande afbeelding geeft de omliggende locaties met hinderveroorzakende functies globaal weer, waarna de verschillende locaties nader worden beschreven en getoetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie. De omliggende woonfuncties zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Woningen betreffen immers geen hinderveroorzakende functie.

Ligging hinderveroorzakende percelen en bestemmingen in de omgeving van het projectgebied, (zwart gearceerd) (bron: PDOK, bewerking: SAB).

De gemeten afstand van de volgende paragrafen is telkens vanaf de dichtstbijzijnde woning tot aan de hinderveroorzakende functie gemeten. Er gelden vijf bestemmingsplannen binnen het omgevingsplan in de buurt van het projectgebied die van belang zijn. Ze worden op de kaart met een donkerrode lijn globaal begrensd en met een letter aangeduid:  Ten zuidwesten van het projectgebied geldt het bestemmingsplan "OostlandBerkel" (A);  Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het projectgebied is "Groenzoom" (B);  Ten oosten van de Noordersingel geldt "Lint Noord" tot aan de glastuinbouw (C);  Ten oosten van het bestemmingsplan "Lint Noord" geldt "Noordpolder 2013" (D);  Ten zuiden van het projectgebied geldt het bestemmingsplan "Boven Berkel I, 4de herziening bestemmingsplan Groenzone, Berkel Pijnacker hersteld" (E).

62

Bestemmingsplan (A)

Bestemming

Maximaal toegestane milieucategorie

Kassen met gasver- Milieucategorie 2

Richtafstand- gemengd gebied (in m)

Gemeten afstand (in m)

10

Circa 150

warming (B)

Bedrijf (opslag-1)

Milieucategorie 2

10

Circa 260

(B)

Bedrijf (opslag-2)

Milieucategorie 2

10

Circa 195

(C)

Bedrijf

Milieucategorie 2

10

Circa 65

(C)

Fokken en houden

Milieucategorie 3.2

50

Circa 80

Milieucategorie 3.2

50

150

Milieucategorie 2

10

Circa 185

van rundvee (C)

Fokken en houden van rundvee

(D)

Glastuinbouw, kassen met kasverwarming

(E)

Recreatie

Geen vaste richtafstand

Ten aanzien van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er aan de richtafstanden voor gemengd gebied uit de VNG-brochure kan worden voldaan dan wel dat er afdoende maatregelen zijn getroffen. Hierdoor is ter plaatse van het besluitgebied een goed woon- en leefklimaat gewaarborgd. Tevens worden de omliggende bedrijven niet geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden 6.6.3

Conclusie Het aspect geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.7

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

6.7.1

Kaders Beleidskaders In het lokaal geldende omgevingsplan kan nader worden ingegaan op geluid door wegen, spoorwegen en/of industrieterreinen. Gemeente Lansingerland heeft op het moment van schrijven nog geen lokaal beleid geluid onder de Omgevingswet gepubliceerd, dus in voorliggend onderzoek wordt uitgegaan van het huidig geldende lokaal beleid (Beleidsnota hogere waarden, Lansingerland, d.d. 3 april 2009). Hieraan zal worden getoetst bij eventuele overschrijdingen van de huidige standaardwaarde. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omge-

63

vingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden berekend. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen. Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: 1. aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3.

en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: 1. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: 1. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 2. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde.

64

Tevens dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie, waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde, worden voorzien in een aanvaardbare situatie. 6.7.2

Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe geluidsgevoelige functie. Er bevinden zich diverse geluidbronnen in de omgeving Geluid door wegen

Het projectgebied bevindt zich aan de 30 km/uur wegen Middelweg en Noordersingel. Daarnaast ligt in de directe omgeving ook de 50 km/uur weg Noordeindseweg, en het 60 km/uur wegvak van de Middelweg. Daarom heeft SAB een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai6 uitgevoerd. De N470 is op circa 700 meter afstand gelegen van het projectgebied en hoeft daarom conform artikel 17.5 uit de Omgevingsregeling niet meegenomen te worden in het onderzoek. Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Gemeente- en waterschapswegen Als gevolg van de omliggende gemeente- en waterschapswegen tezamen wordt de standaardwaarde in zijn geheel niet overschreden. Er wordt voldaan aan het Bkl. Het aspect geluid door wegverkeer vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Geluid door spoorwegen

Er bevinden zich geen trein-, tram- of metrosporen in de omgevingen van het projectgebied die een mogelijke bron van geluidshinder kunnen vormen. Geluid door industrieterreinen

Er bevinden zich geen industrieterreinen in de omgevingen van het projectgebied die een mogelijke bron van geluidshinder kunnen vormen. Geluid door Rotterdam The Hague Airport

Raadpleging van het Omgevingsloket leert dat het projectgebied buiten de geluidscontour van het vliegveld ligt. Er valt geen geluidshinder te verwachten. Gecumuleerd geluid en gezamenlijk geluid

Het gecumuleerd geluid op de gevel is het geluid van verschillende geluidbronnen tezamen, waarbij rekening wordt gehouden met verschillen in hinderlijkheid tussen verschillende soorten van geluid. Het gezamenlijk geluid is het geluid van de verschillende soorten geluid zonder rekening te houden met hinderlijkheid. In het akoestisch onderzoek wordt aandacht besteed aan zowel gecumuleerd geluid als gezamenlijk geluid. Er wordt in beide gevallen geen overschrijding van de standaardwaarden waargenomen. 6

SAB, Akoestisch onderzoek geluid wegverkeer , Noordeinde 1, Berkel en Rodenrijs, 2 juli 2025.

65

6.7.3

Conclusie Het aspect geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.8

Geur

6.8.1

Kaders Beleidskaders De gemeente Lansingerland heeft één plaatsgebonden verordening opgesteld ten aanzien van geurhinder. Het betreft een locatie aan de Noordeindseweg 11 te Berkel en Rodenrijs. Dit is op 1,1 kilometer afstand van het projectgebied en is dus niet relevant. Er is in het projectgebied geen sprake van een verhoogde geurbelasting. Toetsing aan kaders die de omgang met ontwikkelingen op dergelijke locaties voorschrijven is daarom niet nodig. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.6) bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen. Het gaat hier om het exploiteren van zuiveringstechnische werken (rwzi’s), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf en andere agrarische activiteiten. Voor elk van deze verschillende categorieën wordt in het Bkl aangegeven op welke manier in een omgevingsplan in ieder geval sprake is van een aanvaardbare situatie. Voor andere geurveroorzakende activiteiten moet de gemeente zelf bepalen en verantwoorden of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn.

Het gaat dan bijvoorbeeld om industrie, horeca-activiteiten, dierenpensions en -klinieken, maneges en het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend. In de instructieregels in het Bkl is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. De formulering van de instructieregel geeft aan dat voor dit aspect ruimte bestaat om op lokaal niveau een afweging te maken. De belangrijkste afweging die het bevoegd gezag op het gebied van geur dient te maken is het aanwijzen van de bebouwingscontour(en) geur. Binnen deze gebieden wordt de emissie van geur minder snel aanvaardbaar geacht omdat andere kwaliteiten en functies in deze gebieden een hogere prioriteit hebben dan het belang van het emitteren van geur als gevolg van activiteiten. Gebieden die, volgens het bevoegd gezag, beschermd

66

dienen te worden tegen geuroverlast kunnen met behulp van een contour worden aangewezen.

6.8.2

Toetsing Zoals in de paragraaf 6.6 reeds aangegeven, is in het kader van de beoogde ontwikkeling een quick scan milieubelastende activiteiten uitgevoerd. Hieruit volgt dat er voldaan wordt aan de richtafstanden voor het aspect geur.

6.8.3

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.9

Gezondheid

6.9.1

Kaders Beleidskaders Omgevingsvisie Lansingerland: Vindingrijk en gezond

Gezondheid is een belangrijk thema in de omgevingsvisie, dit blijkt al uit de titel. Aandacht voor gezondheid is er vooral binnen de pijler "Gezond samen leven". De visie erkent de relatie tussen de (natuurlijke) leefomgeving en de gezondheid van de inwoners. De gemeente ambieert een gezonde en veilige samenleving te creeren door een gezonde leefstijl te stimuleren en bronnen van gezondheidsproblemen aan te pakken. De Omgevingsvisie benoemt een aantal acties om de genoemde ambities te realiseren:  Integreren van klimaatadaptatie in gemeentelijk beleid  Inzetten op natuurinclusief bouwen  Stimuleren van groene, gezonde en (sociaal) duurzame leefomgevingen  Verbeteren van de bereikbaarheid van voorzieningen  Samenwerken met scholen en sportverenigingen  Samenwerken met partners in de regio Juridische kaders Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin.

Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken.

67

In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving:  In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.  In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.  In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. Daarbij dienen milieuaantastingen bij voorrang aan de bron te worden bestreden en is het beginsel dat de vervuiler betaalt.  In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid. 6.9.2

Toetsing In de paragrafen in dit hoofdstuk met betrekking tot de aspecten luchtkwaliteit, geur, trillingen en geluid is geconcludeerd dat in het projectgebied sprake is van een gezonde leefomgeving:  De bodemkwaliteit in het gebied volstaat voor het beoogde gebruik (wonen);  In het projectgebied is geen geluidhinder te verwachten;  In het projectgebied is geen trillinghinder te verwachten;  In het projectgebied wordt ruim voldaan aan grenswaarden voor concentraties verontreinigende stoffen in de lucht, waardoor sprake is van een goede luchtkwaliteit;  In het projectgebied is geen geurhinder te verwachten.

6.9.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect gezondheid.

6.10

Kabels en leidingen

6.10.1

Kaders Juridische kaders Elektriciteitswet, Besluit kwaliteit leefomgeving en Besluit activiteiten leefomgeving Kabels en leidingen vervullen verschillende functies. De omvang en inhoud, en daarmee het risico bij beschadiging, verschilt hierdoor ook. Daarnaast kunnen kabels en leidingen in zowel openbare als particuliere gronden gelegen zijn, waardoor verschillende belangen geraakt worden. In het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn de bestaande regels met betrekking tot de bescherming van kabels

68

en leidingen opgenomen. Dit bestaat uit de ruimtelijke regels (beheersverordeningen en bestemmingsplannen) en de bruidsschat. De hierna volgende leidingen zijn planologisch relevant:  hoogspanningsverbindingen van 50 kV en hoger (art. 22a Elektriciteitswet 1998);  buisleidingen voor transport van aardgas met een uitwendige diameter van meer dan 50 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 5.18 en 5.135 Bkl, tevens art. 3.101 Bal);  buisleidingen voor transport van aardolieproducten met een uitwendige diameter van meer dan 70 mm en een druk van meer dan 16 bar (art. 3.101 Bal);  buisleidingen met een diameter van 400 mm of meer buiten de bebouwde kom (art. 3.135 en art. 3.101 Bkl);  buisleidingen voor transport van andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten, die risico's met zich meebrengen voor mens en/of leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken (art. 3.101 Bal).7 Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.24 van de ZHOV is een instructieregel met betrekking tot beschermingszones voor de drinkwatervoorziening opgenomen. In deze instructieregels is aangegeven dat een omgevingsplan, waarin een leiding behorende tot de vitale infrastructuur voor de openbare drinkwatervoorziening is opgenomen, een zone van minimaal vijf meter aan weerszijden van de leiding aanwijst als ‘beschermingszone drinkwatervoorziening’.

Daarnaast is bepaald dat het omgevingsplan nieuwe ontwikkelingen binnen deze beschermingszone drinkwatervoorziening slechts toelaat zover daarbij geen belemmeringen kunnen ontstaan voor het functioneren, het onderhoud en de veiligheid van de drinkwatervoorziening. Voor de beoordeling of hier sprake van is, wordt tijdig advies ingewonnen bij het drinkwaterbedrijf dat beheerder is van de leiding. 6.10.2

Toetsing Ter plaatse van het projectgebied bevinden zich geen kabels of leidingen die een planologische bescherming genieten. Ook bevinden zich in de omgeving van het plan geen telecommunicatie-installaties.

6.10.3

Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

7

Onder zgn. 'leidingen voor andere stoffen dan aardgas en aardolieproducten' worden in ieder geval leidingen verstaan voor transport van nafta, waterstof, koolstofdioxide, stikstof, zuurstof, ethyleen en propyleen.

69

6.11

Klimaatadaptatie

6.11.1

Kaders Beleidskaders De gemeente Lansingerland heeft in meerdere beleidsstukken aandacht voor klimaatadaptatie. Het belangrijkste document is de Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland. De Adaptatiestrategie Lansingerland is een plan om de gemeente beter bestand te maken tegen de effecten van klimaatverandering. De strategie is gebaseerd op de Nationale Adaptatiestrategie (NAS) en het Deltaprogramma en richt zich op vier klimaateffecten: wateroverlast, hitte, droogte en overstroming. De strategie heeft als doel om Lansingerland in 2050 klimaatbestendig te maken. De gemeente Lansingerland heeft de laatste 30 jaar meer neerslag en heftigere buien gekend, evenals meer hittegolven en langere periodes van droogte. Deze klimaateffecten hebben diverse gevolgen en raken meerdere sectoren. Wateroverlast kan leiden tot overbelaste riolering, overstromingen, schade aan gebouwen en infrastructuur. Hitte kan leiden tot gezondheidsproblemen, extra sterfte onder kwetsbare groepen zoals ouderen en jonge kinderen, verminderde arbeidsproductiviteit en een hogere energievraag. Droogte kan leiden tot schade aan de natuur, landbouw, en infrastructuur door bodemdaling en paalrot. Overstroming kan leiden tot slachtoffers, uitval van vitale voorzieningen, en economische schade.

Om Lansingerland klimaatbestendig te maken, zet de strategie in op twee subdoelstellingen: een groene gemeente en een robuust watersysteem. Meer groen moet zorgen voor minder wateroverlast en hitte en het moet de biodiversiteit verhogen. Het verbeteren van het watersysteem moet ervoor zorgen dat water kan worden opgeslagen, vastgehouden en beschikbaar gesteld tijdens periodes van droogte. Juridische kaders In § 7.3.6a van de omgevingsverordening geeft de provincie instructieregels die gaan over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen met 12 woningen of meer dienen de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrokken te worden. Daarbij gaat het over de volgende aspecten die betrekking hebben op duurzaamheid en klimaatadaptatie:  de risico’s van klimaatverandering;  de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;  de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;  de mogelijkheden om de emissies van NO x en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase;  het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen.

In deze paragraaf is ook een instructieregel opgenomen waarin staat dat rekening wordt gehouden met de risico’s voor klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:  wateroverlast door overvloedige neerslag;  overstroming;

70

 hitte;  droogte;  de gevolgen op het risico van bodemdaling. Als dergelijke risico’s aan de orde zijn, wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk voorkomen en beperken via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s. 6.11.2

Toetsing Met voorliggende ontwikkeling worden vijf woningen aan het projectgebied toegevoegd. Om te toetsen in welke mate rekening wordt gehouden met de gevolgen van klimaatverandering is het project getoetst aan de verschillende deelonderwerpen van klimaatadaptatie die in de provinciale omgevingsverordening worden besproken en de maatregelen die daarbij horen. Uit de toetsing blijkt dat er in het project met allerlei onderwerpen rekening wordt gehouden:  Wateroverlast door overvloedige neerslag: Het verhardingspercentage wordt zo laag mogelijk gehouden door een zo groen mogelijke invulling van het projectgebied. Dat er sloten worden gegraven draagt bij aan de afwatering.  Overstroming: Raadpleging van de Klimaateffectatlas leert dat er geen groot risico is op overstromingen.  Hitte: De nieuw te bouwen woningen wordt goed geïsoleerd waardoor ook bij hitte een prettig woon- en leefklimaat gegarandeerd kan worden. Hierdoor wordt hittestress tegengegaan.  Droogte: Raadpleging van de Klimaateffectatlas leert dat er in een gemiddeld jaar geen kans is op verzilting ten gevolge van verdroging van het oppervlaktewater. Bovendien worden er in het projectgebied sloten gegraven waardoor er ruimte ontstaat voor wateropslag in de bodem. Aangezien er in de omgeving sprake is van slecht of niet onderheide woningen zal hier in de uitvoeringsfase extra aandacht voor gevraagd worden.

6.11.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect klimaatadaptatie.

6.12

Ladder voor duurzame verstedelijking

6.12.1

Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven:

71

1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan (of en BOPA) voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4.

Als een ontwikkeling voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 5.161c van het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan regels over te realiseren categorieën woningen kunnen worden opgenomen. Dan moet het gaan over bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Ow kosten moeten worden verhaald. Daarbij is aangegeven voor welke categorie woningen regels kunnen worden gesteld en onder welke voorwaarden. Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.44 uit deze paragraaf wordt voorgeschreven dat een BOPA, die voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren, rekening houdt met de regionale afgestemde behoefte aan de ontwikkeling. In artikel 7.45 wordt verwezen naar artikel 5.129g van het Bkl.

Daarnaast is aangegeven dat wanneer regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling, de motivering van de behoefte kan bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Daarnaast moet aandacht besteed worden aan artikel 7.45h waarin een instructieregel is opgenomen met betrekking tot meervoudig ruimtegebruik.

72

6.12.2

Toetsing In de ontwikkeling worden vijf woningen toegestaan in het projectgebied. In lijn met jurisprudentie is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft de Ladder voor duurzame verstedelijking niet doorlopen te worden voor dit project.

6.12.3

Conclusie Het aspect Ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.13

Licht

6.13.1

Kaders Beleidskaders Er zijn geen relevante beleidskaders voor dit aspect voor deze ontwikkeling. Juridische kaders Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Wel maakt het onderdeel uit van een ‘evenwichtige toedeling van functies en locaties’ en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen.

6.13.2

Toetsing Men voorliggende ontwikkeling worden vijf woningen toegestaan in het projectgebied. Wonen is geen lichthinder veroorzakende functie. Lichthinder door activiteiten in het projectgebied, hinder langs wegen, verstoring van de natuur of horizonvervuiling zijn daardoor op voorhand uit te sluiten. Woningen zijn wel gevoelig voor lichthinder. In het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied bevinden zich geen bronnen van lichthinder. De meest nabijgelegen bron van lichthinder is een kas aan de Middelweg. Deze kas ligt op 200 meter afstand. Lichthinder is op deze afstand uitgesloten. Het project veroorzaakt geen vergroting van lichthinder voor de mens of voor de natuur. Er kan een lichthindervrije leefomgeving geboden worden aan toekomstige bewoners.

6.13.3

Conclusie Het aspect licht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

73

6.14

Luchtkwaliteit

6.14.1

Kaders Beleidskaders Schone Lucht Akkoord De gemeente Lansingerland is ondertekenaar van het Schone Lucht Akkoord (SLA). Het doel van het SLA is om de luchtkwaliteit in Nederland permanent te verbeteren. Het is een akkoord tussen Rijk, provincies en een groot aantal gemeenten. Samen streven de deelnemende partijen naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016. Voor woningbouwprojecten betekent dit dat de gemeente streeft naar vermindering van houtstook en het verminderen van emissies van machines en logistiek Juridische kaders Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan beschouwd worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken. Besluit kwaliteit leefomgeving In subparagraaf 5.1.4.1 Bkl zijn instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Het Bkl bevat instructieregels voor specifieke situaties.

Op grond van deze regels zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis wordt toegelaten. Verder gelden er instructieregels voor gemeenten die in de in het Bkl aangewezen aandachtsgebieden liggen. Voor activiteiten die leiden tot een verhoging van de concentratie (van onder andere fijnstof) in de buitenlucht in een aangegeven aandachtsgebied, moeten ook de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht genomen worden. Uitgezonderd zijn activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl enkele standaardgevallen aangewezen.

6.14.2

Toetsing De toevoeging van vijf woningen veroorzaakt mogelijk een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens van wat wordt beschouwd als ‘Niet In Betekenende Mate’ is gelegd bij 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg. Dit voornemen blijft ruimschoots onder deze grens. Derhalve kan op voorhand geconcludeerd worden dat het plan NIBM is. Een berekening is volledigheidshalve uitgevoerd. Hiervoor is gebruikgemaakt van de NIBM-rekentool (versie 2022) zoals voor eenieder beschikbaar is gesteld op de website van Infomil.

74

Berekening NIBM-tool (Bron: Infomil/RIVM)

Het verkeer zal toenemen met maximaal 43 extra motorvoertuigen. Zie voor een nadere toelichting paragraaf 6.15 'mobiliteit'. Uit de NIBM-berekening (het resultaat is weergegeven in bovenstaande afbeelding) volgt dat de bijdrage NO 2 en PM10 van het plan onder de NIBM-grens ligt (respectievelijk 0,06 µg/m 3 en 0,01 µg/m3). Dit betekent dat het initiatief niet in betekende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit in deze omgeving. Bestaande Luchtkwaliteit

In het kader van voorliggende ontwikkeling is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en fijnstof (PM2.5 en PM10) in het projectgebied voor 2022 (de meest actuele cijfers). Daaruit volgt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de EU 6.14.3

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.15

Mobiliteit

6.15.1

Kaders Beleidskaders Mobiliteitsvisie 2040 De Mobiliteitsvisie Lansingerland 2040, getiteld "Een nieuw Elan", schetst de ambitie van de gemeente voor een duurzame en efficiënte mobiliteit in 2040, rekening 75

houdend met de verwachte veranderingen en trends. Het document dient als basis voor het Mobiliteitsplan, waarin concrete acties en projecten voor de komende 5 tot 10 jaar worden uitgewerkt. De visie is opgebouwd rond vier strategische doelen: 1 Nul verkeersslachtoffers door vermijdbare oorzaken. 2 Meegroeien met de toenemende mobiliteitsbehoefte. 3 Duurzame en gezonde mobiliteit. 4 Ontwikkeling van moderne vervoersoplossingen. De gemeente hanteert een gebiedsgerichte aanpak, waarbij per gebiedstype (woonwijken, bedrijventerreinen, recreatiegebieden, winkelcentra) een prioriteitenladder voor de verschillende vervoerwijzen wordt opgesteld. Deze ladder bepaalt de investeringskeuzes en de inrichting van de openbare ruimte. In de visie zijn een aantal thema’s waarop de gemeente extra ambitieus is. Enkele belangrijke aspecten uit de visie zijn:  Lopen krijgt een prominentere plaats,  De fiets wordt gezien als dé drager van het mobiliteitssysteem, samen met het HOV  Het OV-netwerk wordt versterkt, met focus op de E-lijn en de ZoRo-buslijn.  De auto wordt gefaciliteerd op wegen die daarvoor bedoeld zijn.  De logistieke sector krijgt de ruimte om zich te ontwikkelen, met aandacht voor duurzaamheid en efficiëntie.  De gemeente stimuleert deelmobiliteit en ketenmobiliteit. De Mobiliteitsvisie Lansingerland 2040 zet een koers uit voor de toekomst.

De uitwerking van de visie in concrete acties en projecten zal de komende jaren vorm krijgen in het Mobiliteitsplan en het bijbehorende uitvoeringsprogramma. Nota parkeernormen De gemeentelijke parkeernormen zijn vastgelegd in een gemeentelijke ‘nota parkeernormen’ uit 2014. Aan de hand van deze parkeernomen is de parkeerbehoefte voor een vrijstaande koopwoning buiten de bebouwde kom van Lansingerland 2,4 parkeerplaatsen per woning. Dit is inclusief 0,3 parkeerplaatsen voor bezoekers. Juridische kaders Omgevingswet Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.7.6 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over Landelijke fietsen wandelroutes. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die de aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, dient het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes te worden betrokken.

76

In paragraaf 5.1.8 van het Bkl is een instructieregel opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn verschillende instructieregels opgenomen over mobiliteitsonderwerpen. In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45c uit deze paragraaf wordt de instructie meegegeven dat een omgevingsplan voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Naast de bereikbaarheid gaan de artikelen 7.45d, 7.45e en 7.45 f in op parkeernormen voor stationsomgevingen en de parkeernorm voor sociale huur. In § 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het recreatietoervaartnet opgenomen. Bij een BOPA voor het recreatietoervaartnet dient rekening te worden gehouden met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bereikbaarheid van de vaarweg.

Waar mogelijk is het omgevingsplan gericht op de verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg. In § 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het hoofdfietsnetwerk en lange afstands wandelpaden opgenomen. In deze instructieregels is aangegeven dat een BOPA, die voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, rekening houdt met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstands wandelpaden. 6.15.2

Toetsing Verkeersgeneratie

Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 8 kencijfers voor wat betreft parkeren en verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan: 'de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt'. Onderhavige ontwikkeling richt zich op het bouwen van vijf woningen. De verkeersaantrekkende werking is berekend aan de hand van kencijfers van CROW. De gemeente Lansingerland is een 'matig stedelijk gebied' 9. Uitgegaan wordt van een realisatie van vijf vrijstaande woningen. Volgens de publicatie genereert het type 'Koop, vrijstaand' minimaal 7,8 aantal motorvoertuigbewegingen per woning per weekdagetmaal en maximaal 8,6. Per

8 9

CROW, parkeerkencijfers 2024, Basis voor parkeernormering, 2024. http://statline.cbs.nl/Statweb/publication/?DM=SLNL&PA=83287ned&D1=4950&D2=a&HDR=T&STB=G1&VW=T.

77

woning zal er sprake zijn van een verkeerstoename van 7,8 tot 8,6 motorvoertuigbewegingen voor het gebied per weekdagetmaal. Voor de vijf beoogde woningen komt dit neer op 39 tot 43 extra motorbewegingen. Dit extra verkeer is dusdanig beperkt dat het kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld van de Middelweg en de Noordersingel. Parkeren

De gemeente Lansingerland heeft een Nota Parkeernormen. Aan de hand van deze parkeernomen is de parkeerbehoefte voor een vrijstaande koopwoning buiten de bebouwde kom van Lansingerland 2,4 parkeerplaatsen per woning. Hiervan moeten er 2 per woning op het eigen terrein worden aangelegd en in stand gehouden. In hoofdstuk 7 van deze motivering en in de omgevingsvergunning(en) (BOPA 1e en 2e fase) wordt deze eis als voorschrift opgenomen. Daarnaast worden er 11 parkeerplaatsen gerealiseerd in het openbare gebied voor de bestaande woningen aan de Noordersingel en bezoekers voor de nieuwe woningen. Ontsluiting en verkeersveiligheid

In het voornemen is rekening gehouden met een goede en veilige ontsluiting. Het pad dat de vijf kavels zal ontsluiten wordt door middel van een gelijkwaardige splitsing aangesloten op de Middelweg. Op de Middelweg geldt een maximale snelheid van 30 kilometer per uur, hierdoor kan er veilig ingevoegd worden. Landelijke fiets- en wandelroutes

Er lopen geen landelijke fiets- en wandelroutes door het projectgebied. De nieuw aan te leggen toegangsweg is een doodlopende straat zonder enig doorgaand verkeer. Verstoring van fietsers en wandelaars op landelijke routes is uitgesloten. Toegankelijkheid van de openbare ruimte door personen

Het pad dat de vijf kavels zal ontsluiten zal openbaar toegankelijk zijn. Het is daarmee toegankelijk voor voetgangers. Het projectgebied is geheel vlak, het zal goed toegankelijk zijn voor mindervalide personen. Duurzame mobiliteit

Het projectgebied zal te voet en met de fiets goed bereikbaar zijn. Tevens ligt er een bushalte nabij. Aan de Planetenweg, die op circa 1 kilometer loopafstand ligt, vertrekken bussen naar station Delft en station Rotterdam Noord. Indien toekomstige bewoners gebruik willen maken van elektrische auto’s kunnen ze daarvoor op eigen terrein voorzieningen aanleggen. 6.15.3

Conclusie Het aspect mobiliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

78

6.16

Natuur en ecologie

6.16.1

Kaders Beleidskaders Groenstructuur Lansingerland 2016-2026 De "Groenstructuur Lansingerland 2016-2026" is een document dat dient als kompas voor de inrichting, renovatie en beheer van groenstructuren in de gemeente Lansingerland. Het document is opgebouwd uit twee modules: Module A behandelt de introductie en groenstructuren, en Module B focust op de bomenstructuur. Omdat er in het projectgebied geen bomen aanwezig zijn wordt dit in dit beleidskader niet behandeld. Het doel van de groenstructuur is drieledig:  Het vastleggen van de belangrijkste structuren om de huidige kwaliteiten van het groen te behouden en te versterken.  Het ontwikkelen van een duurzaam groenbeleid met behoud van bestaand groen, ontwikkeling van een duurzaam bomenbestand, versterking van ecologische waarden en biodiversiteit.  Het creëren van een aantrekkelijke groene gemeente om in te wonen, werken en recreëren. Om op alle schaalniveau een relevante groenstructuur te hebben is de groenstructuur opgebouwd uit drie ruimtelijke niveaus: De hoofdstructuur, de dorpsstructuur en de wijkstructuur. Er zijn verschillende uitgangpunten gedefinieerd om de bescherming van de structuur op verschillende niveaus te waarborgen:  Focus op hoofdstructuren: De belangrijkste en gezichtsbepalende groenstructuren worden beleidsmatig versterkt.

 Cultuurhistorie en kenmerkende structuren: Behoud en versterking van de leesbaarheid van de ontstaansgeschiedenis van het landschap, met name de herkenbaarheid van watergangen.  Samenhang en herkenbaarheid: Het creëren van een samenhangende en herkenbare groenstructuur die past bij de diverse functies van de openbare ruimte.10  Duurzaamheid: Het ontwikkelen van een duurzaam groenbeleid met aandacht voor behoud, ontwikkeling en beheer.  Versterking ecologie: Het creëren van kansen voor een verdere ontwikkeling van de ecologie in de doorlopende groenstructuren en grotere groenplekken.11  Koppeling water en recreatief gebruik: De groenstructuur is gekoppeld aan de waterstructuur en doet uitspraken over watergangen, oevers, taluds en bijbehorende groenstroken, evenals de koppeling met recreatie.12  Beschermen en ontwikkelen boomstructuren: De bomenstructuur, is een belangrijk onderdeel van de groenstructuur. De bovenstaande uitgangspunten zijn geformuleerd in navolging van de visie op de groenstructuur. De gemeente Lansingerland streeft naar een robuuste, samenhangende en herkenbare groenstructuur die de identiteit van de gemeente ver-

79

sterkt. Belangrijke elementen daarin zijn het Behoud en versterking van de herkenbaarheid van het landschap en de cultuurhistorie, de versterking van de recreatieve en ecologische kwaliteit van de groenstructuren, het creëren van eenheid en samenhang in de groenstructuur, de verbetering van de zichtbaarheid van het water, het bevorderen van een eigen identiteit per wijk, het behouden en ontwikkelen van groenplekken als sociale ontmoetingsfunctie en het behouden en versterken van groene verbindingen tussen gebieden. Juridische kaders Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorg dragen voor de bescherming van natuurwaarden. Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden.

Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten. Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten.

Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructieregels neerleggen bij gemeenten.

80

Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn diverse bepalingen opgenomen die gericht zijn op het beschermen van natuur en kansen voor de biodiversiteit. In § 7.3.7 over ruimtelijke kwaliteit worden gebieden met beschermingscategorieën aangewezen. Onder deze gebieden valt het Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogel gebied en de groene buffer. De bepalingen in deze paragraaf beschermen de aangewezen gebieden en laten ontwikkelingen slechts beperkt toe of onder de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft. In § 7.3.16 over het Natuurnetwerk Nederland is bepaald dat een BOPA, voor het natuurnetwerk Nederland, daarbinnen geen activiteiten toelaat die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperkt. Daarnaast mogen ontwikkelingen ook niet leiden tot significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. In artikel 7.41aa is een instructieregel opgenomen die voorschrijft dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, met 12 woningen of meer, de mogelijkheden de mogelijkheden tot het versterken van de biodiversiteit dienen te worden betrokken. In artikel 7.45ca wordt voorgeschreven dat een BOPA, die een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit betrekt. 6.16.2

Toetsing In het kader van voorliggend project is een quick scan natuur10 uitgevoerd. In deze quick scan is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het besluitgebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het besluitgebied. De bevindingen uit deze quick scan worden navolgend uiteengezet. Beschermde gebieden Natura 2000-gebieden

Natura 2000-gebieden liggen in de omgeving van het besluitgebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze gebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het besluitgebied niet uit te sluiten. Voor andere storingsfactoren is dat wel uit te sluiten. Nader onderzoek naar stikstofdepositie in de vorm van een AERIUS-berekening is daarom uitgevoerd11. Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van dit project. Er is daarom geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit benodigd.

10 11

SAB (2025) Quick scan natuur Berkel en Rodenrijs, Groenzoom, Noordeinde 1, 2 juli. SAB (2025) Onderzoek stikstofdepositie Berkel en Rodenrijs, Noordeinde 1, 2 juli.

81

Natuurnetwerk Nederland

Verder blijkt uit de quick scan dat het besluitgebied geen onderdeel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland of ander provinciaal beschermd natuurgebied aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk. Beschermde soorten Streng beschermingsregime

Uit de quick scan blijkt dat de volgende vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied potentieel voor kunnen komen en kunnen nestelen:  huismus  boomvalk Verblijfplaatsen of andere essentiële elementen van habitatrichtlijnsoorten en niet vrijgestelde soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’, en jaarrond beschermde nesten van vogelrichtlijnsoorten zijn niet aanwezig in het besluitgebied of de directe omgeving ervan. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling daarom niet in de weg. De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied, maar kan bouwterreinen wel makkelijk koloniseren. Daarom dienen maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.8.1 van de quick scan, getroffen te worden om vestiging van deze soort te voorkomen. Uit de quick scan blijkt dat vogelsoorten waarvan het nest niet jaarrond is beschermd in of in de directe omgeving van het besluitgebied tot broeden kunnen komen. Derhalve dienen preventieve maatregelen, zoals beschreven in paragraaf 3.3.3.2 van de quick scan, getroffen te worden om een schadelijke handeling onder de Omgevingswet te voorkomen. Specifieke zorgplicht

Uit de quick scan blijkt dat soorten voor kunnen komen die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Deze vallen binnen de volgende soortgroepen:  Amfibieën  Vogels  Landgebonden zoogdieren Hiervoor dienen maatregelen getroffen te worden, zoals opgesomd in paragraaf 3.12 van de quick scan. Indien het uitvoeren van deze maatregelen (deels) niet mogelijk is, dient afstemming plaats te vinden met een deskundig ecoloog.

82

Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van het Bal, de provinciale Omgevingsverordening of de gemeentelijk Bomenverordening van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. 6.16.3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b9178f24-1938-42f9-ba90-552cac1ccafe