CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.04908] Motivering BOPA 1e fase Noordeinde 1

Commissie Ruimte 9 september 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Verzoek bindend adviesrecht aanvraag en gedeeltelijke ontheffing bindend adviesaanvragen Ruimte-voor-Ruimte woningen Groenzoom30.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

 Slimme verduurzaming: aanjagen van de energietransitie en circulaire economie via elektriciteitsopwekking, duurzame warmte en nieuwe materiaalstromen  Lokaal en regionaal werken en ondernemen: bevorderen van een goed vestigings- en ondernemersklimaat, werkgelegenheid en een gezonde middenstand.  Gezond samen leven:  Sterke samenleving met oog voor mensen: realiseren van een gelukkige en samenleving waar iedereen mee doet.  Ontwikkelen met karakter: ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften.  Gezonde levensstijl in een passende omgeving: stimuleren van sociale en maatschappelijke veiligheid, positieve gezondheid en het beperken van gezondheidsrisico’s Relatie tot de ontwikkeling De ontwikkeling bevindt zich in het gebied 'De Groene Flanken'. Centraal in dit gebied staat het versterken van de groenstructuur, het vergroten van de biodiversiteit, het toekomstbestendig maken van het buitengebied en het verbeteren van de recreatieve routes en activiteiten voor fietsers en wandelaars. Daarnaast valt het projectgebied onder 'versterken groenblauwnetwerk'. Met de ontwikkeling wordt de groenstructuur versterkt en door de aanleg van extra kavelsloten ten behoeve van de watercompensatie wordt de biodiversiteit vergroot. Het plan past daarmee binnen de omgevingsvisie.

31

4.3.2

Programma’s De gemeente Lansingerland is gestart met het werken met opgavegerichte programma’s. Dit is nog in ontwikkeling. Op dit moment bestaan er daarom nog geen programma’s.

4.3.3

Woonvisie 2021 - 2025 gemeente Lansingerland De gemeente Lansingerland wil met de Woonvisie 2021 - 2025 (vastgesteld in juli 2021) haar visie en beleid uitdragen op het vlak van woningen, woonomgeving, woningbouw en doelgroepen van woonbeleid. Sinds de jaren '90 van de vorige eeuw heeft de gemeente Lansingerland te maken met een aanzienlijke opdracht in de regionale verstedelijkingsopgave. In de woonvisie zijn drie beleidsdoelen opgenomen: 1 Een plek voor iedereen. 2 Fijn en toekomstbestendig wonen. 3 Wonen in verbondenheid. Ad 1. Een plek voor iedereen Aandacht voor het behouden en/of vergroten van een gevarieerd aanbod staat ten dienste van deze doelstelling. Daarbij is extra aandacht nodig voor betaalbaarheid en voor de toegenomen vraag naar huurwoningen. Naast het sterke accent dat Lansingerland heeft op het faciliteren van gezinnen, wil de gemeente ook aantrekkelijk zijn voor ouderen en voor jongeren die anders als starter tijdelijk of permanent naar andere gemeenten vertrekken. Ook wil de gemeente inspelen op de toekomstige woonwensen van bijzondere doelgroepen zoals statushouders of woonwagenbewoners. Ad 2. Fijn en toekomstbestendig wonen Variatie van woonmilieus speelt ook in op het beschikbaar kunnen stellen van een passende woning/woonomgeving voor iedereen.

Lansingerland wil daarbij blijven uitblinken in het aanbod van woonmilieus met een dorps en landelijk karakter. Prettig wonen wordt daarbij extra gediend door een veilige omgeving. De sociale verbondenheid speelt hier ook een rol in. Daarnaast wil de gemeente hoge duurzaamheidsstandaarden hanteren in het bouwen van nieuwe woningen. De bewonerstevredenheid blijft de grootste drijfveer van het beleid. Ad 3. Wonen in verbondenheid De gemeente besteedt bewust aandacht aan het samenbrengen van verschillende organisaties en bewoners zodat de woningbouw een gemeenschappelijke opgave wordt. Wonen is een van de thema's die (nog) in de toekomst belangrijk zal zijn. Dat moet overwogen worden in samenhang met duurzaamheid, economie of andere opgaven van de fysieke leefomgeving. Relatie tot de ontwikkeling Met het project worden vijf woningen toegevoegd in het projectgebied. Het plan maakt deel uit van de Ruimte-voor-Ruimte-regeling en is dus weloverwogen met

32

andere belangen. De ontwikkeling voorziet hiermee in beleidsdoelen 1 en 3. Het plan ziet tevens toe op het behoud van het landelijke karakter van de omgeving door de groene inrichting (beleidsdoel 2). Op basis van het voorgaande kan gesteld worden dat onderhavige ontwikkeling goed past binnen de Woonvisie van de gemeente Lansingerland.

4.3.4

Uitvoeringsagenda Woonvisie 2021-2025 De Uitvoeringsagenda Woonvisie 2021-2025 van Lansingerland beschrijft de concrete stappen die de gemeente in de periode 2021 tot en met 2025 gaat nemen om haar woonambities te realiseren. De agenda is opgebouwd rond vijf belangrijke thema's: woningbouwontwikkeling, doorstroming, betaalbaarheid, kwalitatieve woonmilieus en wonen in verbondenheid.  Woningbouwontwikkeling: De focus ligt op het bouwen van betaalbare, gelijkvloerse woningen, met name voor starters, senioren en mensen met lage en middeninkomens. De gemeente wil in grote nieuwbouwprojecten 50% betaalbare woningen realiseren, waarvan minimaal 25-30% sociale huur. Ook wordt gestreefd naar 40% gelijkvloerse woningen in deze projecten. Voor kleinere projecten wordt maatwerk toegepast.  Doorstroming: Om de doorstroming op de woningmarkt te bevorderen, worden diverse maatregelen genomen, zoals het toewijzen van sociale huurwoningen volgens de Verordening Woonruimtebemiddeling en de doelstellingen van het Regioakkoord. Ook worden er toewijzingsregels opgesteld voor woonwagenbewoners en worden 18-jarigen geïnformeerd over Woonnet-Rijnmond.

 Betaalbaarheid: De gemeente wil de betaalbaarheid van woningen waarborgen door onder andere een Doelgroepenverordening in te voeren, het grondbeleid te actualiseren (met aandacht voor antispeculatiebeding, zelfbewoningsplicht en erfpachtconstructies) en een starterslening (opnieuw) in te voeren. Ook wordt gekeken naar de mogelijkheden van een compensatiefonds voor betaalbare woningbouw.  Kwalitatieve woonmilieus: Lansingerland wil de hoge kwaliteit van de woonomgeving behouden en verbeteren. Bij nieuwbouwprojecten wordt rekening gehouden met de bestaande woonkwaliteit en worden hoge eisen gesteld aan energieprestaties, materiaalgebruik en klimaatbestendigheid. Ook wordt ingezet op het verduurzamen van bestaande woningen.  Wonen in verbondenheid: De gemeente werkt samen met diverse partners, zoals woningcorporaties, huurdersverenigingen en andere stakeholders, om de woonopgave te realiseren. De woonvisie is onderdeel van de Omgevingsvisie en wordt op regionaal niveau afgestemd met andere gemeenten. Relatie tot de ontwikkeling Met voorliggend project worden vijf woningen toegevoegd aan de woningvoorraad van de gemeente Lansingerland. Daarmee levert het een bijdrage aan de woningbouwontwikkeling binnen de gemeente.

De ontwikkeling van vrijstaande woningen draagt bij aan doorstroming, aangezien toekomstige bewoners afkomstig zullen zijn uit andere huizen die daardoor vrijkomen voor nieuwe bewoners. Ook draagt

33

de ontwikkeling bij aan een kwalitatief woonmilieu. De woningen worden ingepast volgens het stedenbouwkundige raamwerk, waardoor een hoge kwaliteit is gewaarborgd. Het voornemen is daarmee passend binnen de uitvoeringsagenda.

4.4

Conclusie Met het project worden vijf woningen toegevoegd aan het projectgebied. De vijf woningen zijn passend binnen de beleidskaders en dragen bij aan verschillende ambities en uitgangspunten:  De ontwikkeling is in lijn met de NOVI, aangezien het zorgt voor de ontwikkeling van een sterke en gezonde regio door te voorzien in woningvraag, waarbij rekening wordt gehouden met de identiteit en kenmerken van het gebied.  Voorliggend project past binnen de uitgangspunten van de POVI, aangezien het passend is binnen de daarin opgenomen hoofdstructuur.  Met de ontwikkeling wordt de groenstructuur uit de gemeentelijke Omgevingsvisie versterkt en door de aanleg van extra kavelsloten ten behoeve van de watercompensatie wordt de biodiversiteit vergroot.  Het project draagt bij aan de doelen uit de woonvisie. Het gaat dan met name om ‘Fijn en toekomstbestendig wonen’. De woningen dragen bij aan een plek voor iedereen, er zal voorzien worden in fijn en toekomstbestendig wonen en er is plek voor wonen in verbondenheid.  Het project draagt bij aan de doelen uit de Uitvoeringsagenda Woonvisie. Het project veroorzaakt doorstroming en er wordt een hoogwaardig woonmilieu gerealiseerd.

34

5 Juridische kaders In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische kaders die een rol spelen bij een BOPA. Op grond van de Omgevingswet (artikel 1.2) heeft de BOPA betrekking op:  de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: bouwwerken, infrastructuur, water en watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel en werelderfgoed);  activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt en het nalaten van activiteiten; als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze worden of kunnen worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving). De BOPA heeft hiermee een brede reikwijdte, maar deze reikwijdte is dus beperkt tot de fysieke leefomgeving (en activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving). De bestuurlijke afwegingsruimte die de gemeente heeft, wordt daarnaast beperkt door kaders die door andere bestuursorganen zijn gegeven.

5.1

Juridische kaders Rijk

5.1.1

Omgevingswet De Omgevingswet is de grondslag voor het aanvragen van een BOPA. De wet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Omgevingswet (Ow) werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: 

Besluit activiteiten leefomgeving (Bal);

Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl);

Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl);

Omgevingsbesluit.

De Ow bepaalt (artikel 2.28 e.v.) dat het Rijk instructieregels stelt over de beoordeling van bepaalde onderwerpen bij een aanvraag van een BOPA. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Bkl. Deze instructieregels zijn opgenomen in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 8 staan nog aanvullende instructies voor omgevingsvergunningen. Hoe de beoordeling in zijn werk gaat wordt in het vervolg van deze paragraaf beschreven. Naast de instructieregels gelden op rijksniveau ook algemene regels voor de fysieke leefomgeving, die worden hierna ook kort besproken. In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit

35

bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor deze ontwikkeling en welke daarvan betrokken moeten worden bij de aanvraag. 5.1.2

Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, die gelden voor burgers, bedrijven en overheden. Deze regels gelden naast het omgevingsplan en moeten altijd in acht worden genomen op het moment dat bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving worden uitgevoerd. Bij een aanvraag voor een BOPA dient hier dan ook rekening mee gehouden te worden. De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AmvB’s en wetten (o.a. het voormalige Activiteitenbesluit). Het Rijk stelt deze regels vanwege de aan haar toebedeelde taken (bijvoorbeeld met betrekking tot watersystemen en bepaalde infrastructuur), met het oog op een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau (bijvoorbeeld bij bepaalde milieubelastende activiteiten), of in verband met internationaalrechtelijke verplichtingen (bijvoorbeeld bij werelderfgoed en Natura2000 activiteiten). Het Bal bevat regels waaraan (met name de zwaardere milieubelastende) activiteiten moeten voldoen, en bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).

5.1.3

Besluit bouwwerken leefomgeving De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende regels, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, en regels over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat indien over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen. Met de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor bouwen in een ‘technisch’ en ‘ruimtelijk’ deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De technische bouwactiviteit

Deze activiteit gaat over de toets van een aanvraag aan de regels voor de technische bouwkwaliteit uit het Bbl, denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl. 36

De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk

Deze activiteit gaat over de toets van het bouwen van een bouwwerk voor het ruimtelijk bouwen, het in stand houden en het gebruiken van een bouwwerk aan het omgevingsplan. Deze omgevingsplanactiviteit bestaat dus uit het juridisch mogelijk maken van de feitelijke bouwactiviteit. Hierbij gaat het onder andere om regels over de omvang van het bouwwerk (hoogte, oppervlakte en dergelijke), alsmede om het uiterlijk van een bouwwerk (welstand). Deze regels zijn niet alleen opgenomen in het Bbl (zoals de van rechtswege vergunningvrije bouwwerken), maar staan ook in de Bruidsschat. In de Bruidsschat staan regels die door het Rijk zijn gedecentraliseerd richting gemeenten. Van de regels in de Bruidsschat kan worden afgeweken in het omgevingsplan. Door de knip bepaalt de gemeente nu zelf in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een vergunningplicht geldt en onder welke voorwaarden. Dit dient dan ook betrokken te worden bij de aanvraag voor een BOPA. Vergunningvrij bouwen

Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Hier kan lokaal niet van worden afgeweken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de Bruidsschat. De Bruidsschat werkt hierin aanvullend op het Bbl. Voor deze gevallen kan in het omgevingsplan worden bepaald welke daarvan in het (nieuwe) deel van het omgevingsplan worden opgenomen. 5.1.4

Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich op bestuursorganen en geeft inhoudelijke normen voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden. Het Bkl bevat onder andere instructieregels voor omgevingsplannen. Deze instructieregels zijn opdrachten aan de gemeente over hoe zij bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan moet regelen. Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn in hoofdstuk 5 van het Bkl opgenomen. Daarbij is bepaald (artikel 8.0b) dat deze instructieregels ook van toepassing zijn op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan:  ‘Betrekken bij’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming.

37

 ‘Rekening houden met’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel. Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd.  ‘In acht nemen’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen. De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen. In het algemeen stelt het Bkl instructieregels over de volgende aspecten: Paragraaf

Inhoud

Onderwerp

5.1.1

Algemene bepalingen

Dienstenrichtlijn.

5.1.2

Waarborgen van de veiligheid

(Omgevings)veiligheid.

5.1.3

Beschermen van de waterbelangen

Waterkwaliteit en waterveiligheid.

5.1.4

Beschermen van de gezondheid en

Luchtkwaliteit, geluid

van het milieu

door activiteiten, geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen, trillingen, slagschaduw van windturbines, bodemkwaliteit, geur.

5.1.5

Beschermen van landschappelijke of

Ladder voor duurzame

stedenbouwkundige waarden en cultu-

verstedelijking, cultureel

reel erfgoed

erfgoed en werelderfgoed.

5.1.6

Behoud van ruimte voor toekomstige

Reserveringsgebieden

functies

voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen.

5.1.7

Behoeden van de staat en werking van

Landsverdediging en na-

infrastructuur of voorzieningen voor na-

tionale veiligheid, radar,

delige gevolgen van activiteiten

vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen.

5.1.7a

Gebruik van bouwwerken

Aanwijzing van woningbouwcategorieën.

5.1.8

Bevorderen van de toegankelijkheid

Bevorderen van de toe-

van de openbare buitenruimte voor

gankelijkheid voor perso-

personen

nen met een functiebeperking.

5.2

De uitoefening van taken voor de fy-

Voorkomen van belem-

sieke leefomgeving

meringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur, rijkswegen en

38

lokale spoorwegen, Lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool onder voorwaarden, bebouwingscontouren jacht en houtkap. 5.3

Ontheffingsmogelijkheden van instructieregels omgevingsplan

In artikel 8.0b lid 1 onder a van het Bkl is opgenomen dat bij de beoordeling van een aanvraag van een BOPA de regels uit hoofdstuk 5 overeenkomstig van toepassing zijn. Daarmee zijn de instructieregels, die gesteld zijn voor omgevingsplannen, ook van toepassing op de BOPA. Relatie tot de ontwikkeling In de ontwikkeling worden vijf woningen toegestaan in het projectgebied. Dit is een kleine ruimtelijke ontwikkeling waarvoor de regels uit het Bal niet relevant zijn, mede omdat de activiteit wonen niet kan worden aangemerkt als een milieubelastende activiteit. Ook de regels uit het Bbl zijn niet relevant voor deze fase van de BOPA-procedure. Aan veel van de onderwerpen waarover in het Bkl regels zijn vastgelegd wordt aandacht besteed in hoofdstuk 6 van deze motivering:  Veiligheid en waterbelangen: het aspect omgevingsveiligheid komt aan bod in paragraaf 6.5. Aan de onderwerpen waterveiligheid wordt aandacht besteed in paragraaf 6.22.  Gezondheid en milieu: aan luchtkwaliteit (6.14), geluid door activiteiten (6.6), geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (6.7), trillingen (6.21), slagschaduw van windturbines (6.19), bodemkwaliteit (6.2) en geur (6.8) wordt aandacht besteed in het volgende hoofdstuk.

 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed: in paragraaf 6.12 wordt aandacht besteed aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, in paragraaf 6.3 aan cultureel erfgoed en in paragraaf 6.20 aan de aspecten stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit.  Toekomstige functies: het projectgebied is niet gelegen in reserveringsgebieden voor autowegen, autosnelwegen, hoofdspoorwegen en buisleidingen (zie paragraaf 5.2.2).  Infrastructuur: Het projectgebied is niet gelegen in gebieden die beschermd zijn in het kader van landsverdediging en nationale veiligheid, radar, vliegroutes, elektriciteit, vaarwegen (zie paragraaf 4.1.1).  De locatie zal conform het Bkl toegankelijk zijn voor personen met een functiebeperking. De thema’s dienstenrichtlijn, aanwijzing van woningbouwcategorieën, voorkomen van belemmeringen gebruik en beheer hoofdspoorweginfrastructuur, rijkswegen en lokale spoorwegen, lozen industrieel afvalwater in openbaar vuilwaterriool onder

39

voorwaarden, bebouwingscontouren jacht en houtkap worden als niet relevant beschouwd voor deze ontwikkeling omdat het kleinschalige project niet raakt aan deze specifieke en soms grootschalige belangen. Naast thematische regelgeving kent het Bkl ook gebieds-specifieke regelgeving. Om te toetsen hoe het voornemen gerelateerd is aan deze gebieds-specifieke regelgeving is het Omgevingsloket geraadpleegd. Op basis van het Bkl blijken twee gebiedsaanwijzingen van toepassing:  Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren: In het project wordt géén windturbine gebouwd.  Uitsluitingsgebieden hyperscale datacentra: In het project wordt géén hyperscale datacentrum ontwikkeld. 5.1.5

Rijks voorbeschermingsregels Er gelden volgens de ‘Omgevingsregeling’ ter plekke verschillende gebiedsaanwijzingen. In het navolgende worden deze getoetst:  Gebieden waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren (RG): Er worden in het project geen windturbines gerealiseerd.  Radarverstoringsgebied windturbines civiele radar: Er worden in het project geen windturbines gerealiseerd  Uitsluitingsgebieden voor hyperscale datacentra: er wordt in het project geen datacentrum ontwikkeld.

5.2

Juridische kaders provincie

5.2.1

Zuid-Hollandse omgevingsverordening (ZHOV) Naast één omgevingsvisie moet de provincie onder de Ow ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Per 1 januari 2024 geldt de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV), die de voorheen geldende ‘Omgevingsverordening Zuid-Holland’ heeft vervangen. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat zijn rechtstreeks werkende regels, maar ook instructieregels. De instructieregels voor gemeentelijke omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) staan in afdelingen en richten zich op de volgende thema’s: Para-

Inhoud

Onderwerp

graaf 7.3.1.

Algemeen

7.3.2

Externe veiligheid (omge-

Risicogebieden externe veiligheid, groepsrisicobe-

vingsveiligheid)

nadering, veiligheidszonering Nieuwe Waterweg en Nieuwe Maas, Niet-basisnet transportroutes.

7.3.3a

Buitendijks bouwen

Vervallen.

40

7.3.4

Waterkeringen

Het beschermen van regionale waterkeringen en het veiligstellen van profiel van vrije ruimte ten behoeve van toekomstige versterking van een waterkering.

7.3.5

Grondwaterkwaliteit

Toelaten van bouwactiviteiten op een grondwatergevoelige locatie, saneren van de bodem, lozen op of in de bodem, activiteiten op een locatie met een historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar verspreidingsrisico, milieubelastende activiteiten met gevolgen voor watersystemen.

7.3.6

LiB-5 contour Schiphol

Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland.

7.3.6a 7.3.7

Toekomstbestendig bou-

Het toekomstbestendig bouwen van woningen en

wen en ontwikkelen

risico’s van klimaatverandering.

Ruimtelijke kwaliteit

Gebieden met beschermingscategorieën, soort ruimtelijke ontwikkeling, borgen ruimtelijke kwaliteit, aanvaardbaarheid soort ruimtelijke kwaliteit per beschermingscategorie en randvoorwaarden.

7.3.8

Stedelijke ontwikkelingen

Afgestemde regionale behoefte, ladder voor duurzame verstedelijking, dichtheid en verscheidenheid woningbouw, bereikbaarheid, kansen voor biodiversiteit, stationsomgevingen en parkeernormen, parkeernorm sociale huur, permanente bewoning recreatiewoningen, functiemening en meervoudig ruimtegebruik, huisvesting arbeidsmigranten en grote buitenstedelijke bouwlocaties.

7.3.8a

Wonen

Voldoende sociale huurwoningen en voldoende betaalbare woningbouw.

7.3.9

Detailhandel

Detailhandel binnen bestaande winkelconcentratie en uitzonderingen.

7.3.10

Kantoren

Kantoorgebieden

7.3.11

Bedrijven

(water)gebonden bedrijventerreinen en grote ruimtevragers en compensatie bij wijziging of afschaling.

7.3.12

Glastuinbouwgebied

Aanwijzen van toegestane activiteiten in glastuinbouwgebied en aangewezen uitgezondere activiteiten, situaties en de daarbij behorende voorwaarden.

7.3.13

Boom- en sierteeltgebied

Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland.

7.3.14

Bollenteeltgebied

Niet van toepassing op de gemeente Lansingerland.

41

7.3.15

Agrarische bedrijven

Voorwaarden bij agrarische activiteiten in het agrarisch gebied, voorwaarden voor het toevoegen, uitbreiden, vestigen of verplaatsen van agrarische activiteiten.

7.3.16

Natuurnetwerk Nederland

Wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk, activiteiten met mogelijk (significante) nadelige gevolgen en ontwikkelen van prioritaire nieuwe natuur.

7.3.17

Werelderfgoed

Bescherming van werelderfgoed.

7.3.18

Archeologie

Bescherming van bekende archeologische waarden.

7.3.19

Traditionele windmolens

Bescherming van traditionele windmolens.

7.3.20

Landgoederen en kaste-

Bescherming van landgoed- en kasteelbiotopen.

len 7.3.21

Energie

Aanwijzen van locaties voor windenergie en regels voor de aanleg van zonnevelden.

7.3.22

Provinciale vaarwegen

Voorkomen van belemmeringen in de vrijwaringszone van provinciale vaarwegen

7.3.23

Recreatietoervaartnet

Bescherming van het recreatietoervaartnet.

7.3.23a

Hoofdfietsnetwerk en

Behoud en verbetering van het hoofdfietsnetwerk

lange afstandswandelpa-

en lange afstandswandelpaden.

den 7.3.24

Beschermingszones

Bescherming van de vitale drinkwatervoorziening.

drinkwatervoorziening (infrastructuur) 7.3.25

Ontheffing en afwijken

Mogelijkheden en voorwaarden voor ontheffing en afwijken.

In artikel 8.0b lid 1 onder b van het Bkl is opgenomen dat bij de beoordeling van een aanvraag van een BOPA de regels uit afdeling 7.3 van de provinciale omgevingsverordening overeenkomstig van toepassing zijn. Daarmee zijn de instructieregels, die gesteld zijn voor omgevingsplannen, ook van toepassing op de BOPA. Naast bovenstaande instructieregels uit afdeling 7.3 wordt ook, waar relevant, getoetst aan de instructieregels uit hoofdstuk 7.5 van de provinciale omgevingsverordening. Relatie tot de ontwikkeling In de ontwikkeling worden vijf woningen toegestaan in het projectgebied. Dit is een voornemen dat getoetst moet worden aan zowel de thematische regels als aan de gebieds-specifieke regels uit de ZHOV. Aan veel van de onderwerpen waarover in het ZHOV regels zijn vastgelegd, wordt aandacht besteed in hoofdstuk 6 van deze motivering. In onderstaande is de relevantie van verschillende onderwerpen uit de ZHOV voor deze ontwikkeling puntsgewijs samengevat:  Omgevingsveiligheid: dit aspect vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling (zie paragraaf 6.5). 42

 Waterkeringen en grondwaterkwaliteit: hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 6.22 van deze motivering.  LIB 5 Schiphol: door de ligging van het projectgebied is dit aspect niet relevant.  Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen: hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 6.4 en 6.11 van deze motivering.  Ruimtelijke kwaliteit: aan dit aspect wordt aandacht besteed in paragraaf 6.20 van deze motivering.  Stedelijke ontwikkelingen en wonen: hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 4.3 en 6.12 van deze motivering.  Natuurnetwerk: hier wordt aandacht aan besteed in paragraaf 6.16 van deze motivering.  Werelderfgoed en archeologie: hier wordt aandacht besteed in paragraaf 6.3 van deze motivering.  Traditionele windmolens: ten aanzien van dit aspect kan worden gesteld dat er geen windmolens in de omgeving aanwezig zijn en verstoring van een molenbiotoop op voorhand is uit te sluiten.  Paragraaf 7.3.20 tot en met 7.3.23a van de ZHOV: dit is niet relevant voor deze ontwikkeling. Het gaat hier om landgoederen, kastelen, energie, provinciale vaarwegen, het recreatievaarnet, het hoofdfietsnetwerk en lange afstandspaden.  Drinkwaterwinningbeschermingsgebieden: gesteld wordt dat er geen drinkwaterwingebied in de omgeving ligt en de verstoring of vervuiling ervan op voorhand is uit te sluiten.

 Buitendijks bouwen, detailhandel, kantoren, bedrijven, glastuinbouwgebied, boom- en sierteeltgebied, bollenteeltgebied, agrarische bedrijven, landgoederen en kastelen, energie, provinciale vaarwegen, recreatietoervaartnet, hoofdfietsnetwerk en langeafstandswandelpaden zijn niet relevant voor deze ontwikkeling. Om te bepalen welke gebieds-specifieke regels van toepassing zijn voor de ontwikkeling is het Omgevingsloket geraadpleegd. Er is één gebieds-specifieke regel relevant:  De locatie maakt onderdeel uit van de 'Beschermingscategorie 2' in het kader van landschappelijke waarden. Zoals uiteengezet in paragraaf 4.2.1 worden de kwetsbare en bijzondere kwaliteiten van het gebied in dit plan gewaarborgd. Er is in het voornemen ruimschoots rekening gehouden met landschappelijke waarden. De Verordening bevat – naast de verplichting tot het toepassen van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen – geen specifieke regels voor het projectgebied c.q. de inhoud van het plan. Zoals aangegeven in paragraaf 6.12 gaat het niet om een stedelijke ontwikkeling en hoeft niet aan de Ladder getoetst te worden.

43

5.2.2

Provinciale voorbeschermingsregels Er zijn ter plaatse van het projectgebied geen relevante provinciale voorbeschermingsregels van toepassing.

5.3

Juridische kaders gemeente

5.3.1

Verordeningen Er zijn ter plaatse van het projectgebied geen relevante gemeentelijke verordeningen die een belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van het voornemen vijf woningen toe te staan.

5.4

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante juridische kaders die op verschillende overheidsniveaus zijn gesteld. De thema’s waar in het Bkl aandacht aan wordt besteed, worden nader toegelicht in hoofdstuk 6 van voorliggende motivering. De instructieregels uit het Bal en het Bbl zijn voor deze fase van de ontwikkeling niet relevant. Er zijn geen Rijks- of provinciale voorbeschermingsregels van toepassing die de ontwikkeling in de weg staan en er zijn geen gemeentelijke verordeningen die een belemmering vormen.

44

6 Omgevingsaspecten In dit hoofdstuk wordt aan de verschillende omgevingsaspecten getoetst. Per omgevingsaspect wordt uiteengezet wat de eventuele beleidskaders zijn en wat de juridische kaders zijn. Bij de juridische kaders wordt in veel gevallen gesproken over ‘regels in het omgevingsplan’. Met voorliggende BOPA worden logischerwijs geen regels opgenomen in het omgevingsplan. In de paragrafen 5.1.4 en 5.2.1 is eerder uiteengezet dat de instructieregels voor omgevingsplannen ook van toepassing zijn op het verlenen van een BOPA. Vervolgens wordt per omgevingsaspect getoetst aan de beleidsmatige en juridische kaders. Ten slotte wordt per aspect geconcludeerd of sprake is van een aanvaardbare situatie en een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ en onder welke eventuele voorwaarden.

6.1

M.e.r.-beoordeling

6.1.1

Kaders Juridische kaders Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Of sprake is van een kaderstellend project voor een m.e.r.-(beoordelings-)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit.

6.1.2

Toetsing Voorliggend project betreft de ontwikkeling van vijf woningen ten noorden van de kern Berkel en Rodenrijs. Gelet op de aard (wonen) en de schaal (5 woningen) is geen sprake van een activiteit, zoals genoemd in bijlage V van het Omgevingsbesluit.

6.1.3

Conclusie Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk.

6.2

Bodem

6.2.1

Kaders Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving 45

Het Bkl (paragraaf 5.1.4.5) geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen (bijvoorbeeld woningen) op bodemgevoelige locaties (bijvoorbeeld een plaats waar een woning is toegelaten). Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet bevatten. Daarnaast bepaalt het Bkl dat er geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toe worden gelaten waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is. In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, die op zijn genomen in het bijlage IIA bij het Bal. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie. Besluit activiteiten leefomgeving In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn rechtstreeks werkende rijksregels gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende rijksregels (hoofdstuk 4 van het Bal). De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan.

Buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit heeft dan het karakter van een beschikking. Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.5 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels die gericht zijn op het waarborgen van de grondwaterkwaliteit en het voorkomen van verdere verspreiding van verontreinigingen in het watersysteem. Allereerst, bij het toelaten van bouwactiviteiten op grondwatergevoelige locaties moeten grondige voorzorgsmaatregelen worden genomen. Dit omvat het uitvoeren van onderzoek om te controleren op verontreiniging van grondwater, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Als er sprake is van verontreiniging, is een risicobeoordeling vereist en moeten er sanerende maatregelen worden getroffen om verdere vervuiling te voorkomen. Een omgevingsvergunning is vereist voor bouwactiviteiten op dergelijke locaties, waarbij maatregelen voor sanering moeten worden aangetoond. Daarnaast regelt de verordening ook het saneren van bodemverontreiniging als onderdeel van een bronaanpak. Afdekken als saneringsaanpak is over het algemeen niet toegestaan, tenzij het omgevingsplan anders bepaalt. Maatwerkvoorschriften voor alternatieve saneringsmethoden zijn alleen toegestaan als deze de verontreiniging van het grondwater beperken.

46

Het rechtstreeks lozen van verontreinigende stoffen in het grondwater is verboden, tenzij specifieke voorwaarden zijn vastgesteld in het omgevingsplan. Maatwerkvoorschriften kunnen worden gesteld voor het lozen, maar alleen als dit geen gevaar oplevert voor de kwaliteit van het grondwater. Ten slotte is er aandacht voor activiteiten op locaties met een historische bodemverontreiniging. Maatregelen moeten worden genomen om verdere verontreiniging van het grondwater te voorkomen of te beperken. Omgevingsvergunningen voor milieubelastende activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor watersystemen worden alleen verleend als deze verenigbaar zijn met het belang van waterbeheer en bescherming van de kwaliteit van watersystemen. Deze samenhangende regels zorgen voor een geïntegreerde aanpak van grondwaterkwaliteit en bescherming van watersystemen binnen de provincie Zuid-Holland. 6.2.2

Toetsing Het voornemen voorziet in de ontwikkeling van vijf woonkavels. Om te kijken of de bodem geschikt is voor het voorgenomen gebruik is er in 2021 een verkennend bodemonderzoek3 uitgevoerd. Onderstaand worden de conclusies uit dit onderzoek beschreven. Conclusies bodem:  De bodemopbouw ter plaatse van de onderzoekslocatie bestaat tot de maximale boordiepte van 3,1 m-mv uit klei;  Op de locatie is een voorbelasting aanwezig met een dikte van gemiddeld 0,5 meter. In deze voorbelasting is bijmenging met sporen baksteen aanwezig. Deze laag is niet verder onderzocht in onderhavig onderzoek;  In de bodemlaag onder de voorbelasting is plaatselijk (B09) bodemvreemde bijmengingen met resten baksteen aangetroffen;  In de kleiige grond (0,5-1,0 m-mv) onder de opgebrachte voorbelasting zijn licht verhoogde gehalten koper, lood, nikkel, zink, PAK en PCB gemeten. Tevens zijn er verhoogde gehalten PFOA (0,53 µg/kg d.s.) en PFOS (0,26 µg/kg d.s.) gemeten;  Conform het Besluit bodemkwaliteit heeft de grond de kwaliteitsklasse Industrie (nieuwe perceel linksboven), Wonen (nieuwe percelen linksonder en strook rechterzijde) en kennen derhalve beperkte toepassingsmogelijkheden elders.

De grond ter plaatse van de nieuwe percelen rechtsboven, midden boven en midden onder hebben kwaliteitsklasse Achtergrondwaarde en zijn derhalve vrij toepasbaar;  Conform het landelijk tijdelijk handelingskader voor PFAS heeft de grond de kwaliteitsklasse Landbouw/natuur;

3

Stantec, Verkennend bodemonderzoek Middelweg 11 te Berkel en Rodenrijs, projectnummer: M20A0402, 8 maart 2021.

47

 Conform de CROW 400 geldt de veiligheidsklasse "Basishygiëne" voor werken in de grond. In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties barium gemeten;  Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de locatie in milieuhygiënisch opzicht geschikt geacht voor de huidige en toekomstige bestemming. Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Conclusies asbest in grond:  Op basis van het historisch onderzoek is de locatie verdacht voor aanwezigheid van asbest;  Zowel visueel als analytisch is in het opgeboorde materiaal ter plaatse van het braakliggend terrein (asbest in grond) geen asbest aangetoond. Conclusies asfalt en fundering  Ter plaatse van de boring B01 is het asfalt onderzocht op samenstelling en PAK-gehalte. Er zijn twee types asfalt aangetroffen, namelijk oppervlaktebehandeling (OB) en grindasfaltbeton (GAB). Het asfalt is op basis van PAK-marker tests en aanvullende analyses niet verontreinigd met PAK (gehalte onder de hergebruik- norm van 75 mg/kg);  Ter plaatse van B02 en B03 is tevens asfalt aanwezig, het asfalt hier was echter vastgereden met de fundering en niet als zodanig mogelijk los te bemonsteren. Deze asfaltlagen zijn derhalve niet geanalyseerd op PAK-marker of GC/MS, het materiaal van deze kernen is samen met de fundering geanalyseerd;  Ter plaatse van B01, B02 en B03 is een funderings-/verhardingslaag aanwezig.

Het materiaal bestaat uit brokken asfalt, baksteen, stenen, grind en glas. Ter plaatse van B03 is eveneens een zwakke olie-water reactie en een matige brandstofgeur waargenomen. De funderingslaag van B03 is derhalve separaat onderzocht. De funderings-/verhardingslaag heeft een gemiddelde dikte tussen de 52 en 60 centimeter;  De funderingslaag bestaande uit asfalt, baksteen, glas, grind, steen, is kwantitatief geanalyseerd op voorkomen van asbest. Hierbij is analytisch asbest (40 mg/kg d.s.) aangetroffen;  Voor het funderingsmateriaal van kan worden geconcludeerd, dat de gehalten van de organische verbindingen voldoen aan normen zoals gesteld in de Regeling bodemkwaliteit. Uit de resultaten van het uitlogingsonderzoek blijkt dat het materiaal geschikt is als niet-vormgegeven bouwstof voor hergebruik op basis van de toetsing aan de Regeling bodemkwaliteit;  Voor een definitieve classificatie is een partijkeuring conform BRL SIKB 1000, protocol 1002 mogelijk noodzakelijk. Hieruit volgen een drietal aanbevelingen:  Het verdient altijd aanbeveling om tijdens grondwerkzaamheden alert te zijn op een eventuele onvoorziene verontreiniging van de bodem;

48

 Indien vrijkomende grond elders wordt hergebruikt kunnen partijkeuringen conform het Besluit bodemkwaliteit noodzakelijk zijn om de uiteindelijke hergebruiksmogelijkheden van de grond vast te stellen;  Gezien de heterogeniteit en samenstelling van het asfalt en fundering ter plaatse van de parkeerplaats, achtten wij het niet zinvol om deze separaat van elkaar af te voeren. Het materiaal is dermate grof dat het waarschijnlijk niet in aanmerking komt voor hergebruik. Geconcludeerd wordt dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik (wonen). Hoewel het bodemonderzoek in principe verjaard is, kan het toch als actueel beschouwd worden. Er hebben sinds 2021 geen bodem verontreinigende activiteiten plaatsgevonden op de locatie. 6.2.3

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het project.

6.3

Cultuurhistorie en archeologie

6.3.1

Kaders Beleidskaders Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten herzien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Te veel gebieden hadden een hoge archeologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactualiseerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. De gemeente Lansingerland wordt in ruimtelijk opzicht gekenmerkt door een grote afwisseling in woonlandschappen, werklandschappen en woon-werklandschappen.

Daarbinnen kunnen op grond van de ontstaansgeschiedenis, het huidige ruimtelijke karakter en de verschijningsvorm verschillende gebiedstypen worden onderscheiden. Per gebiedstype is in de Nota Cultuurhistorie Plus een ruimtelijke typering geformuleerd en wordt een overzicht gegeven van de ordenende principes en 49

dragende kwaliteiten. Omdat instandhouding hiervan vanuit ruimtelijk oogpunt van groot belang is, wordt tevens aangegeven hoe daarmee om te gaan in het gemeentelijk beleid. De Noordersingel is van oorsprong een 'onderweg' die diende om achter de tuinderijen en boerderijen het transport van landbouwproducten te bespoedigen. Hierlangs werden tuinders- en arbeiderswoningen gebouwd. Langs de Noordersingel gebeurde dat tussen 1875 en 1910. De Noordersingel valt binnen het gebiedstype 'Historische polderlinten'. Parallel en ten oosten van de Noordersingel ligt de hoger gelegen Noordeindseweg. De Noordeindseweg wordt in de Nota Cultuurhistorie Plus expliciet genoemd als bijzonder historisch polderlint. De Noordeindseweg heeft beter dan andere linten zijn oorspronkelijke karakter behouden en er is meer historische bebouwing bewaard gebleven dan in de andere polderlinten. Een deel daarvan staat op de gemeentelijke monumentenlijst. De ligging van de twee ontginningslinten van de Noordersingel en de Noordeindseweg zo dicht naast elkaar is bijzonder en markeert de overgang tussen het hoger gelegen landschap aan de oostzijde van de Noordeindseweg en het lager gelegen gebied ten westen daarvan: de ontginning vanaf de Noordersingel. De historische linten zijn van groot belang voor de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Lansingerland.

Zij fungeren als identiteitsdrager en zij houden de ontstaansgeschiedenis van de dorpen afleesbaar. Bovendien vormen de linten de context voor nogal wat monumenten en cultuurhistorisch waardevolle elementen. Tegelijkertijd is de dynamiek binnen de linten groot: functieverandering, verdichting, nieuwe uitbreidingen tegen het lint aan en schaalvergroting. Veel van de oorspronkelijke bebouwing is daardoor al verdwenen. In het gemeentelijk ruimtelijk beleid is vastgelegd dat de historische lintbebouwing herkenbaar moet blijven. Dit is vooral via het bestemmingsplan gebeurd. Het bestemmingsplan maakt nu deel uit van het omgevingsplan. Hierin is het volgende vastgelegd: Bestemmingsplan  cultuurhistorisch waardevolle objecten aanduiden en beschermen;  maximale te bebouwen vlak binnen de linten zo vastleggen dat doorzicht tussen de gebouwen door mogelijk blijft;  maximale afmetingen per pand zo vastleggen dat bebouwing kleinschalig en op zichzelf staand blijft;  op plekken waar nu nog doorzicht naar vrij open achterland is, open houden en/of bouwen tot beperkte hoogte;  vaarten bestemming 'Water' geven. Het welstandsbeleid beoogt het volgende:  vrij met excessenregeling, m.u.v. polderlint Noordeindseweg, dat krijgt een bijzonder welstandsniveau;  diversiteit en individualiteit bebouwing behouden;

50

 ruimtelijke kenmerken en betekenis van cultuurhistorisch waardevolle objecten behouden. Monumentenbeleid Monumentale objecten op monumentenlijst. Direct ten oosten van het projectgebied ligt het cultuurhistorisch waardevolle object Noordersingel 43 - 45. Dit object is opgenomen in bijlage 1 van de Nota Cultuurhistorie en als zodanig aangeduid in het vigerende bestemmingsplan "Groenzoom". Juridische kaders Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2). De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow.

Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De regels dragen de gemeente op om rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.18 over archeologie worden gebieden met bekende archeologische waarde aangewezen en beschermd. Omgevingsplannen moeten regels bevatten om deze waardevolle gebieden te beschermen, zoals een verbod op grondbewerking van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld, tenzij archeologisch onderzoek aantoont dat de waarden niet worden aangetast. Als behoud ter plaatse niet mogelijk is, kan het omgevingsplan het behoud van archeologische waarden elders toestaan, mits andere belangen zwaarder wegen.

51

In § 7.3.19 over traditionele windmolens gaat het om de aanwijzing en bescherming van molenbiotopen. Omgevingsplannen moeten vrije windvang en zicht op de molen garanderen. Er gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting binnen verschillende stralen rondom de molen. Afwijkingen zijn mogelijk voor ontwikkelingen die de windvang en het zicht op de molen niet verder beperken, of voor ontwikkelingen binnen bijzondere molenbiotopen, mits deze goed worden ingepast. 6.3.2

Toetsing Archeologie Volgens de beleidsadvieskaart "Archeologische verwachting" uit 2016 kent het projectgebied een archeologische verwachting. Een uitsnede van deze kaart is in de afbeelding hieronder weergeven. Het projectgebied valt binnen zone VI (gele arcering).

Uitsnede archeologische beleidskaart met aanduiding projectgebied. (rode cirkel) (bron: gemeente Lansingerland).

Op grond van deze beleidskaart is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' opgenomen in het bestemmingsplan "Groenzoom" (en daarmee in het omgevingsplan). Dit houdt in dat bij werkzaamheden dieper dan 2,5 meter -Mv en meer dan 1.000 m2 archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. De verwachting is dat deze oppervlakte gecombineerd met de diepte niet wordt gehaald. Daarmee is een archeologisch onderzoek nu niet noodzakelijk en vormt het aspect archeologie geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling. Wel wordt in hoofdstuk 7 van

52

deze motivering en in de omgevingsvergunning(en) (BOPA 1e en 2e fase) als voorschrift opgenomen, dat bij werkzaamheden dieper dan 2,5 meter -Mv en meer dan 1.000 m2 alsnog archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Cultuurhistorie Deze BOPA staat vijf woningen toe binnen het historische polderlint Noordersingel. De woningen krijgen een schaal die past bij de maat en schaal van de tweedelijnsbebouwing langs dit deel van de Noordersingel. De eerste lijn bevindt zich buiten het projectgebied. Hier wordt dan ook geen extra (woon)bebouwing toegestaan en ook het bestaande cultuurhistorisch waardevolle object Noordersingel 43-45 blijft onaangetast. Verder zijn geen Rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig binnen of in de nabijheid van het projectgebied en wordt het karakteristieke hoogteverschil met het oostelijk gelegen historisch lint van de Noordeindseweg niet aangetast. Molenbiotopen Er zijn geen traditionele windmolens in de omgeving aanwezig. De dichtstbij gelegen traditionele windmolen staat in Zoetermeer. De verstoring van de molenbiotoop is op voorhand uit te sluiten. Bovenland In of rondom het projectgebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Er is dus ook geen bijbehorend bovenland aanwezig. De aantasting van bovenland is niet aan de orde. 6.3.3

Conclusie De archeologische verwachtingswaarde is zodanig laag dat verstoring van archeologische resten op voorhand is uit te sluiten. De aanwezige cultuurhistorische waarden van het historisch polderlint Noordersingel worden met onderhavige ontwikkeling gerespecteerd. De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

6.4

Duurzaamheid

6.4.1

Kaders De toetsing van het duurzaamheidsaspect is afhankelijk van het gemeentelijk beleid op dit gebied. In de gemeente Lansingerland is het duurzaamheidsbeleid samengevat in het document ‘Lansingerland Duurzaam’, die de gemeentelijke ambities beschrijft voor een duurzame toekomst in 2050. De visie richt zich op drie kernonderwerpen: energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie. De visie beoogt een toekomstbestendige leefomgeving te creëren door het verduurzamen van de energievoorziening, het maximaliseren van grondstoffengebruik en het aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. De gemeente benadrukt de noodzaak van samenwerking met inwoners, bedrijven en andere partners om deze doelstellingen te realiseren.

53

6.4.2

Toetsing In dit project wordt rekening gehouden met duurzaamheid. Op de vijf kavels in het projectgebied zullen in de toekomst moderne woningen worden gebouwd. De woningen zullen voldoen aan de BENG-normen en gasloos zijn. Ze verbruiken daardoor weinig energie. Er worden twee nieuwe sloten gegraven en de bestaande watergang wordt verbreed. In het projectgebied wordt ruimte geboden aan groen in de vorm van grondwallen en natuurvriendelijke oevers. Het groen draagt bij aan biodiversiteit terwijl de realisatie van nieuwe watergangen bijdraagt aan klimaatadaptatie.

6.4.3

Conclusie Er is in het project rekening gehouden met het aspect duurzaamheid.

6.5

Externe veiligheid

6.5.1

Kaders Beleidskaders Veiligheidsregio Het projectgebied is gelegen in de veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond. De veiligheidsregio draagt zorg voor brandweerzorg, rampen- en crisisbeheersing, geneeskundige hulpverlening, openbare orde en veiligheid. Gemeentelijk veiligheidsbeleid Het gemeentelijke veiligheidsbeleid is samengevat in het Integraal Veiligheidsbeleid (IVB) 2019-2022. De inhoud van dit document wordt verder toegelicht in paragraaf 6.17. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Het doel van die instructieregels is dat rekening wordt gehouden met risico’s van branden, rampen en crises. Ook moet rekening worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de zelfredzaamheid van personen en met mogelijkheden tot hulpverlening (zoals bereikbaarheid voor hulpdiensten). Deze risico’s worden gevormd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportassen - wegen en spoorwegen maar bijvoorbeeld ook buisleidingen. Daarnaast worden risico’s gevormd door verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s – zoals het opslaan van gevaarlijke stoffen. De risicobenadering van externe veiligheid gaat uit van twee sporen: het beschermen van individuen (plaatsgebonden risico of PR) en het beschermen van groepen (groepsrisico of GR).

Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar één persoon overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden. 54

Plaatsgebonden risico Voor wat betreft het PR bevat het Bkl grens- en standaardwaarden, die ruimtelijk worden vertaald in afstanden van risicobronnen tot gebouwen en locaties. Deze PR-contour is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl stelt instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet de grenswaarde uit het Bkl in acht worden genomen. Binnen de PR-contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet rekening gehouden worden met de standaardwaarde voor het PR die het Bkl stelt. Groepsrisico – aandachtsgebieden Naast het PR, wordt onder de Ow het GR ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden. Bij risicovolle activiteiten (uit het Bal) wijst het Bkl deze aandachtsgebieden aan. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen.

Er is onderscheid gemaakt tussen de risico’s van warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden:  brandaandachtsgebied;  explosieaandachtsgebied;  gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, en gelden zodra de activiteit wordt verricht. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de risicobron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere type aandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet rekening worden gehouden met het groepsrisico (5.15 Bkl). Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten. Het Bkl biedt wel enige afwegingsruimte (‘rekening houden met’), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten. In dat geval moet dan gewaarborgd zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen.

55

De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen (5.14 Bkl). Het is dus ook mogelijk om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen. Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht. Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw. Deze aanvullende eisen staan in het Bbl (artikel 4.90 t/m 4.96), en hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie. De bouweisen zijn aanvullend op de generieke bouweisen uit het Bbl en de beschermende maatregelen die binnen het hele aandachtsgebied worden getroffen (5.15 Bkl). Voor bestaande gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet.

Infographic aandachtsgebieden externe veiligheid. (bron: Iplo).

Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.2. van de provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregels gaan over het opnemen en waarborgen van risicogebieden en groepsrisico's. Het gaat om de volgende instructies; 1. Opname van risicogebieden: Specifieke risicogebieden voor externe veiligheid, zoals Botlek-Vondelingenplaat, Europoort en Maasvlakte, worden opgenomen in het omgevingsplan. 2. Waarborgen van ruimte: Bij besluitvorming over ruimte voor activiteiten in de buurt van deze risicogebieden moet rekening worden gehouden met de activiteiten waarvoor het risicogebied is gereserveerd. 3. Groepsrisicobenadering: Voor gebieden met een verhoogd groepsrisico moeten in het omgevingsplan overwegingen worden betrokken, zoals mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling buiten het gebied, alternatieven

56

met minder risico, bestaande beschermingsmaatregelen, aanvullende beschermingsopties, maatregelen aan de bron van het risico en advies van de veiligheidsregio. 4. Niet-Basisnet transportroutes: Langs deze routes moeten ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen door effectgebieden te beperken en maatregelen te treffen voor bescherming van personen en gebouwen binnen deze zones. 6.5.2

Toetsing In het kader van een wijzigingsprocedure voor de locatie Pastoor Verburghweg 12a te Berkel en Rodenrijs is in 2022 een quick scan externe veiligheid4 uitgevoerd. Hoewel het wettelijk kader dat daarin wordt genoemd niet meer van toepassing is, is het toetsingskader nog wel van toepassing. Aangezien het projectgebied in de buurt ligt van de Pastoor Verburghweg 12a, is de toetsing in voorliggend plan gebaseerd op het onderzoek naar externe veiligheid van de Pastoor Verburghweg 12a. De dichtstbijzijnde buisleiding ligt op circa 520 meter van het projectgebied. Uit het onderzoek voor de Pastoor Verburghweg 12a blijkt dat dit een buisleiding is van Ocap Trading B.V. Dit betreft een CO2 leiding. Destijds is daarvoor een m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Voor de ondergrondse gedeeltes van de buisleiding, zoals in de nabijheid van de nu beoogde ontwikkeling, blijkt dat de te verwachten effecten zich enkel binnen de geldende belemmeringenstrook van vijf meter voordoen. De andere buisleidingen in de omgeving zijn te ver van het projectgebied verwijderd om een risico te vormen voor de beoogde ontwikkeling. In de afbeelding hieronder is de ligging van de dichtstbijzijnde buisleiding ten opzichte van het projectgebied weergeven.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=b9178f24-1938-42f9-ba90-552cac1ccafe