CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.04397] Geconsolideerde versie na Vierde Wijziging

Gemeenteraad 27 november 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vierde Wijziging van de Verordening Sociaal Domein 202341.677 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

71/148

Hoofdstuk 2.

Toegang

De verschillende domeinwetten (Wmo 2015, Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs) binnen het sociaal domein waar deze verordening op toeziet kennen verschillende procedures voor het krijgen van toegang tot ondersteuning voor inwoners met een ondersteuningsvraag. Uitgangspunt van de decentralisaties is echter dat gemeenten ondersteuningsvragen integraal en in samenhang bekijken. Dit levert een (juridisch) spanningsveld op. Met dit toegangshoofdstuk wordt zo goed mogelijk invulling gegeven aan de integrale toegang vanuit de gemeentelijke visie zonder in conflict te komen met hogere wetgeving.

Paragraaf 2.1 Melding Artikel 2.1.1 Verzoek tot ondersteuning Het uitgangspunt van de toegang is dat alle inwoners met een ondersteuningsvraag zich rechtstreeks melden bij de gemeente/een aanvraag doen bij de gemeente. Omdat een melding/aanvraag voor een algemene (bijstands)uitkering in het kader van de Pw, de IOAW en IOAZ normaalgesproken eerst via het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) loopt, zijn hierover door de gemeente afwijkende afspraken gemaakt met het UWV (artikel 30c, lid 6 SUWI). Het eerste contact kan per post, via internet, door te bellen of aan een loket plaatsvinden. Het verzoek kan door of namens de inwoner worden gedaan. Dit betekent dat ook iemand uit de omgeving van de inwoner als vertegenwoordiger kan optreden als daar gelet op de ondersteuningsvraag geen bezwaren tegen bestaan. Deze derde moet wel bevoegd zijn om de inwoner te vertegenwoordigen. Die vertegenwoordigingsbevoegdheid kan voortvloeien uit de wet (bijvoorbeeld een bewindvoerder) of blijken uit een door de inwoner ondertekende schriftelijke machtiging. Als de vertegenwoordigingsbevoegdheid ontbreekt dan kan de melding wel aanleiding geven om contact te zoeken met een inwoner. De gemeente heeft met een aantal lokale organisaties afspraken gemaakt over de toegang. Op dit moment zijn dat Stichting Welzijn Lansingerland, Kwadraad en het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG).

De actuele toegangspartijen zijn te vinden op de website van de gemeente. Zij mogen namens de gemeente het eerste onderzoek verrichten in het kader van de Wmo 2015 (Stichting Welzijn Lansingerland en Kwadraad) en de Jw (CJG). Zij werken hierbij op dezelfde manier als de gemeente, maar de toegang via deze partijen wordt door inwoners vaak als laagdrempeliger ervaren. Mocht het onderzoek van één van deze toegangspartijen tot een aanvraag leiden dan besluit de gemeente hier wel zelf over en maakt zij hierbij gebruik van de onderzoeksresultaten van de aangewezen toegangspartij. Voor het afgeven van een indicatie voor jeugdhulp is in de Jw geregeld dat dit niet uitsluitend een bevoegdheid van de gemeente betreft. Uit artikel 2.6, lid 1, aanhef en onder e Jw volgt dat jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Uit artikel 3.5, lid 1 Jw volgt dat de gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. De gemeente kan dit niet afwijkend regelen en daarom zijn deze uitzonderingen ook hier vermeld.

72/148

Artikel 2.1.2 Bevestiging en afspraak Uit het eerste contact met een inwoner moet blijken of er sprake is van een informatieve vraag of dat een onderzoek nodig is om de ondersteuningsvraag helder te krijgen. In dat laatste geval bevestigt de gemeente of de toegangspartij de ontvangst van de melding schriftelijk, zodat de inwoner weet dat zijn ondersteuningsvraag is ontvangen en in behandeling is genomen. Vervolgens wordt er door de gemeente of de toegangspartij een afspraak gemaakt voor een gesprek. De gemeente, of de toegangspartij namens de gemeente, is verplicht om de inwoner te wijzen op de mogelijkheden om gebruik te maken van gratis onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 2.3.3, lid 3 Wmo 2015) en het indienen van een persoonlijk plan (artikel 2.3.2, lid 2 Wmo 2015) of een familiegroep-splan (artikel 4.1.2 Jw). Op dit moment wordt de onafhankelijke cliëntondersteuning verzorgt door Stichting MEE, maar als dit een andere organisatie wordt dan is dit terug te vinden op de website van de gemeente. Een inwoner kan uiteraard ook zelf iemand meenemen naar het gesprek die hem goed kan ondersteunen. Dit kan bijvoorbeeld een vriend of familielid zijn die zelf geen eigen belang heeft bij de uitkomst van het gesprek (een gewaarborgde derde). Een (beoogd) zorgverlener kan deze rol vanwege zijn eigen (financiële) belang bijvoorbeeld niet vervullen.

Paragraaf 2.2 Onderzoek Artikel 2.2.1 Voorbereiding Voor een zorgvuldige dossiervorming maakt de gemeente of de toegangspartij een dossier aan in het eigen systeem. Op die manier kan informatie, mocht dat nodig zijn, altijd teruggevonden worden. Voor een goed, inhoudelijk gesprek is het belangrijk dat de inwoner ook alvast zoveel mogelijk noodzakelijke en relevante informatie aanlevert. Een van de leidende principes van de gemeentelijke visie is dat de gemeente uitgaat van de inzet van de eigen kracht van inwoners. Hierbij past om ook al in een vroeg stadium te vragen aan de inwoner wat hij zelf al heeft geprobeerd. Dit stimuleert de inwoner om zelf na te denken over mogelijke oplossingen die hij zelf kan realiseren zonder een beroep te hoeven doen op de gemeente. Hiermee wordt ook voorkomen dat in het gesprek mogelijke oplossingen naar voren worden gebracht die voor de inwoner niet bleken te werken. Afhankelijk van de melding kan de gemeente of de toegangspartij vragen om alvast bepaalde stukken toe te sturen. Op basis van de informatie uit deze stukken kan het gesprek alvast worden voorbereid, waar-door er tijdens het gesprek gerichtere vragen kunnen worden gesteld. Uiteraard biedt de gemeente of de toegangspartij een redelijke termijn waarbinnen deze gegevens kunnen worden aangeleverd. Deze termijn is afhankelijk van de gegevens die gevraagd worden.

De gemeente heeft, anders dan de toegangspartijen, de wettelijke bevoegdheid om gebruik te maken van bepaalde informatiesystemen om gegevens over de inwoner te verkrijgen. Deze bevoegdheden zijn afhankelijk van de ondersteuningsvraag die de inwoner bij de melding heeft doorgegeven. Op basis van deze informatie kunnen tijdens het gesprek gerichtere vragen worden gesteld en kan sneller worden doorgedrongen tot de kern van de hulpvraag. Artikel 2.2.2 Inlichtingenplicht De gemeente of de toegangspartij moet de identiteit van de inwoner met een ondersteuningsvraag zorgvuldig vast kunnen stellen. In dit artikel is dan ook een identificatieplicht opgenomen. Het vaststellen 73/148

van de identiteit van de inwoner gebeurt door middel van het overleggen van een geldig identiteitsbewijs door de inwoner. Volgens de Wmo 2015 moet het gaan om een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht (artikel 2.3.4, lid 1 Wmo 2015). De Jw stelt geen eisen aan de identificatie, maar spreekt slecht van identificerende gegevens (artikel 10.4, lid 3 Jw), zodat een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid van de Wet op de identificatieplicht eveneens toereikend is. De Pw, IOAW, IOAZ en Wgs vereisen een document als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 1º tot en met 3º, van de Wet op de identificatieplicht (artikel 17, lid 3 Pw, artikel 13, lid 3 IOAW, artikel 13, lid 3 IOAZ en artikel 7, lid 1 Wgs). Om de ondersteuningsvraag van de inwoner te kunnen onderzoeken is het noodzakelijk dat de inwoner of zijn vertegenwoordiger de gemeente of de toegangspartij alle relevante informatie verstrekt die nodig is voor een zorgvuldig besluit. Deze inlichtingen- en medewerkingsplicht is ook terug te vinden in verschillende domeinwetten en de Algemene wet bestuursrecht (artikel 2.3.2, lid 7 Wmo 2015, artikel 17, lid 1 Pw, artikel 13, lid 1 IOAW en artikel 6 Wgs en artikel 4:2, lid 2 Awb).

Artikel 2.2.3 Onderzoek feiten en af te wegen belangen In dit artikel is bepaald hoe het onderzoek is opgebouwd en wat daarbij van de gemeente of de toegangspartij en van de inwoner gevraagd wordt. Tijdens het gesprek wordt zorgvuldig onderzoek gedaan naar de situatie van de inwoner. Het gesprek kan ook meerdere gesprekken omvatten en vindt afhankelijk van de situatie telefonisch, via videobellen, op locatie of bij de inwoner thuis plaats. Een eerste gesprek zal, in verband met de identificatieplicht (artikel 2.2.2), altijd in persoon plaats moeten vinden. Complexe situaties zijn vaak niet in één gesprek te doorgronden. Die situaties vragen om een dieper onderzoek naar ‘de vraag achter de vraag’. Soms is er ook aanvullend onderzoek nodig voordat het gesprek kan worden voortgezet. De gemeente of de toegangspartij voert haar gesprek op basis van de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Zij maakt hierbij gebruik van de kennis en ervaring dat een ondersteuningsvraag op één domein vaak samenhangt met een ondersteuningsvraag op een ander domein en dat een duurzame oplossing alleen mogelijk is met een integrale benadering. Dit is ook in jurisprudentie op het gebied van reintegratie erkend (CRvB 28 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2660).

De gemeente of de toegangspartij onderzoekt tijdens het gesprek alle voor het nemen van een besluit over de ondersteuningsvraag van belang zijnde feiten en omstandigheden en af te wegen belangen. De gemeente of de toegangspartij volgt hierbij de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep met betrekking tot een zorgvuldig onderzoek (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). In het gesprek is ook specifieke aandacht voor de mantelzorger(s). Dit past binnen de gemeentelijke visie waarin de mantelzorger een belangrijke plaats inneemt. Indien de inwoner of het gezin waartoe de inwoner behoort zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan heeft opgesteld dan wordt dit uiteraard betrokken bij het gesprek. Dit volgt ook uit de Wmo (artikel 2.3.2, lid 5 Wmo 2015). Het feit dat de inwoner zelf een plan heeft betekent echter niet dat de gemeente of de toegangspartij geen onderzoek meer hoeft te doen naar de situatie van de inwoner. De gemeente of de toegangspartij kan op basis van het onderzoek ook tot andere mogelijke oplossingen komen. Op het moment dat het nodig is om specifieke deskundigheid in te schakelen om een goed zicht te krijgen op de ondersteuningsvraag van de inwoner dan schakelt de gemeente een deskundige/adviseur in.

Meestal is dit een arts, maar het is ook mogelijk dat er bijvoorbeeld een ergotherapeut of een andere deskundige 74/148

wordt ingezet. In complexe situaties kan er ook een team van deskundigen worden ingezet. De inwoner wordt hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

75/148

Artikel 2.2.4 Informatieverstrekking Op grond van artikel 2.3.2, lid 6 Wmo 2015 moet de gemeente de inwoner wijzen op de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgeboden budget. Ook in het kader van de Jw is dit zorgvuldig. De inwoner mag van de gemeente of de toegangspartij verwachten dat hij goed wordt geïnformeerd over deze mogelijk-heid, zodat hij een weloverwogen keuze kan maken bij een eventuele aanvraag. De bijdrage in de kosten maakt deel uit van het onderzoek in het kader van de Wmo 2015 (artikel 2.3.2, lid 4 aanhef en onder g Wmo 2015). Om de inwoner in de gelegenheid te stellen een goede keuze te maken en te voorkomen dat hij achteraf verrast wordt door een opgelegde bijdrage in de kosten is het belangrijk de inwoner hier tijdig over te informeren. Artikel 2.2.5 Het ondersteuningsplan Het zorgen voor een goede verslaglegging van het gesprek en het vastleggen van de resultaten van het onderzoek vormt de kern van een zorgvuldig opgebouwd dossier en daarmee een zorgvuldige procedure. De invulling van het verslag is door de wetgever vrij gelaten. In Lansingerland is gekozen voor een ondersteuningsplan dat is gebaseerd op de leefdomeinen uit de landelijke zelfredzaamheidmatrix. Het ondersteuningsplan kan gezien worden als een verslag omdat hierin een inventarisatie van alle knelpunten, gewenste resultaten en oplossingen is opgenomen.

Het betreft een zakelijke weergave van wat de inwoner heeft verteld en wat uit het eventuele aanvullende onderzoek is gebleken. Het geeft een goed en logisch opgebouwd beeld van de belemmeringen/beperkingen die de inwoner ervaart in zijn dagelijks leven en de mogelijke oplossingen. Het ondersteuningsplan is een integraal plan waarin rekening gehouden wordt met het totale pakket aan voorzieningen. Het is belangrijk dat in het ondersteuningsplan geen zaken worden weggelaten. De gemeente moet zich namelijk achteraf over het onderzoek kunnen verantwoorden bij de rechter. Dan moet aangetoond worden dat alle relevante aspecten zijn onderzocht en meegewogen. In het ondersteuningsplan kunnen dus geen zaken worden weggelaten omdat deze naar de inschatting van de gemeente of de toegangspartij niet van belang zijn voor de ondersteuningsvraag terwijl de inwoner deze wel bewust heeft aangedragen. Om als basis te kunnen dienen voor de inzet of afwijzing van een individuele voorziening moet er sprake zijn van een begrijpelijk geheel. In sommige gevallen kan er ook voor gekozen worden om aanvullend een los en uitvoeriger gespreksverslag op te stellen. Binnen het ondersteuningsplan is er ruimte voor de inwoner om ook op een later moment in het onderzoek zijn eigen inbreng (aanvullend) naar voren te brengen.

Het ondersteuningsplan biedt hierdoor een goede basis voor besluitvorming en voldoet hiermee aan de uitgangspunten van het plegen van wederhoor. Artikel 2.2.6 Gegevensdeling De gemeente gaat zorgvuldig om met de gegevens van de inwoner die zij in het kader van het onderzoek ontvangt. Hierbij worden de regels die betrekking hebben op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de inwoner (Algemene Verordening Gegevensbescherming) gerespecteerd. De verzameling en de eventueel noodzakelijke uitwisseling van gegevens vindt plaats op basis van de uitgangspunten van de Visie gegevensdeling domein samenleving (T19.10353). De toegangsmedewerker bepaalt of het uitvragen, uitwisselen en vastleggen (verwerken) van gegevens doelmatig is, in proportie is en of er een alternatief is. Er moet sprake zijn van een gerechtvaardigd (legitiem) doel en de verwerking moet voldoen aan de principes van “subsidiariteit” (minst ingrijpende maatregel), “proportionaliteit” (de maatregel is in verhouding tot het doel) en “doelmatigheid” (de maatregel is geschikt om het doel te bereiken).

76/148

Indien mogelijk wordt hierbij zoveel mogelijk rekening gehouden met de mening van de inwoner over de (voorgenomen) verwerking van zijn gegevens. Indien er tijdens het onderzoek kennis wordt genomen van (signalen van) een strafbaar feit/fraude dan wordt die informatie gedeeld met de relevante interne en/of externe instanties. De bevoegdheid om hiertoe over te gaan en aangifte te doen bij een opsporingsambtenaar vloeit voort uit artikel 161 Sv. Ambtenaren zijn op grond van artikel 162 Sv bovendien verplicht om aangifte te doen bij de officier van justitie of een hulpofficier als zij in de uitoefening van hun werkzaamheden kennis krijgen van een misdrijf. De Participatiewet bevat hiertoe ook nog een specifieke verplichting (artikel 66 Participatiewet). Om een eventuele controle achteraf mogelijk te maken wordt door de toegangsmedewerker een intern rapport opgemaakt over de (voorgenomen) gegevensverwerking. Hierin legt de toegangsmedewerker zijn argumentatie vast.

Paragraaf 2.3 Aanvraag Artikel 2.3.1 De aanvraag voor een individuele voorziening Een aanvraag is nodig om een beschikking voor een individuele voorziening te verkrijgen. Een aanvraag moet de naam en het adres van de aanvrager, een dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd bevatten (artikel 4:2, lid 1 Awb). Om aanvragen op een efficiënte manier af te kunnen handelen is het belangrijk dat de inwoner hiervoor gebruik maakt van een door de gemeente voor-geschreven en beschikbaar gesteld formulier (artikel 4:4 Awb). Op het moment dat de inwoner daar geen gebruik van heeft gemaakt dan krijgt de inwoner de kans om dit verzuim te herstellen (artikel 4:5 Awb). Omdat in de verschillende domeinwetten verschillende voorwaarden zijn gesteld voor het doen van een aanvraag, bevat dit artikel ook een aantal uitzonderingen op de mogelijkheid om direct een aanvraag in te kunnen dienen. In de Wmo 2015 is geregeld dat gedurende de onderzoekstermijn van zes weken eerst het onderzoek moet worden afgewacht (artikel 2.3.2, lid 9). De Pw bevat voor jongeren een verplichte zoektermijn van 4 weken, waarbij alleen voor vreemdelingen een afwijkende regeling is opgenomen (artikel 41, lid 4 en 8 Pw).

Met deze bepaling in de verordening wordt de begunstigende mogelijkheid aan jongeren geboden om in zeer bijzondere situaties, waarbij bijvoorbeeld sprake is van een dreigende uithuiszetting, toch al een aanvraag in te dienen voor een individuele voorziening op het gebied van inkomen op basis waarvan de gemeente een voorschot zou kunnen verstrekken (Kamerstukken II 2010-11, 32 815, nr. 7, p. 13 en 16). In het artikel is er een mogelijkheid gecreëerd om een getekend ondersteuningsplan als aanvraag in behandeling te nemen. Dit voorkomt dat de inwoner, naast het indienen van het getekende ondersteuningsplan, ook nog een ingevuld en getekend aanvraagformulier in moet dienen. Als voorwaarde is wel opgenomen dat het gesprek niet langer dan drie maanden geleden heeft plaatsgevonden. Dit is om te voorkomen dat de gegevens te zeer verouderd zijn. Omdat het ondersteuningsplan niet alle informatie bevat die nodig is om een aanvraag voor individuele voorziening te beoordelen met betrekking tot werk, inkomen of schulden, is het volledig invullen van een voorgeschreven aanvraagformulier voor deze domeinen wel altijd vereist. Conform artikel 4; artikel 4a Wgs is in dit artikel bepaald dat het, in afwijking van artikel 4:1 Awb en hetgeen hierover in de verordening is bepaald, ook mogelijk is om de aanvraag mondeling in te dienen tijdens het gesprek. 77/148

Artikel 2.3.2 De beoordeling van de aanvraag Dit artikel regelt de zorgvuldige beoordeling van een aanvraag voor een individuele voorziening. Het artikel volgt het hiervoor in de jurisprudentie ontwikkelde stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477; en CRvB 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819). Indien het noodzakelijk is om een deskundige in te schakelen dan wordt de inwoner hierover schriftelijk geïnformeerd door de gemeente.

Paragraaf 2.4 besluit Artikel 2.4.1 Beslistermijn De regeling uit de Awb waarin is bepaald dat een beschikking dient te worden afgegeven binnen een redelijke termijn van maximaal acht weken na ontvangst van de aanvraag (artikel 4:13 Awb) is onverkort van toepassing op de Jw, Pw, IOAW, IOAZ en Wgs. In de Wgs is wel bepaald dat hierover nog een expliciete bepaling in de verordening opgenomen moet worden (artikel 4a, lid 3 Wgs), waaraan met dit artikel wordt voldaan. In de Wmo 2015 is een afwijkende termijn van maximaal twee weken geregeld (artikel 2.3.5, lid 2 Wmo 2015). Dit is echter gekoppeld aan een onderzoekstermijn van maximaal zes weken na de melding (artikel 2.3.2, lid 1 Wmo 2015), waardoor de totale termijn eveneens maximaal acht weken bedraagt. Op grond van artikel 4:15 Awb kan de beslistermijn worden opgeschort indien voor de beoordeling van de aanvraag voor een individuele voorziening noodzakelijke gegevens ontbreken in afwachting van de toezending van die gegevens door de inwoner. Opschorting is ook mogelijk met instemming van de inwoner, indien de vertraging aan de inwoner te wijten is of in overmacht situaties.

Indien een beschikking niet binnen acht weken kan worden gegeven, dient het bestuursorgaan dit binnen deze termijn aan de aanvrager mede te delen en daarbij een redelijk termijn te noemen waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien (artikel 4:14, derde lid, van de Awb). Dit kan bijvoorbeeld in complexe situaties waarbij het voor een zorgvuldig onderzoek nodig is om meer tijd te nemen om tot een besluit te komen. Bijvoorbeeld als een advies van een deskundige van belang is om de meest passende ondersteuning te kunnen inzetten, maar dit advies niet zo snel kan worden gegeven. Artikel 2.4.2 Motivering De bekendmaking van het besluit door de gemeente vindt plaats door schriftelijke toezending daarvan (artikel 1:3, eerste lid; artikel 3:41 Awb). In dit besluit worden ook redenen van de gemeente voor het besluit genoemd (afdeling 3.7 Awb). Artikel 2.4.3 Afwijking procedure De termijnen genoemd in artikel 2.4.1 zijn maximumtermijnen. Indien nodig kan na het melden van een ondersteuningsvraag binnen enkele dagen een individuele voorziening worden verstrekt (spoedprocedure). Het onderzoek volgt dan achteraf. De tijd waarbinnen de voorziening daadwerkelijk wordt ingezet is mede afhankelijk van de beschikbaarheid van een aanbieder. Jeugdhulp is ook toegankelijk na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts (artikel 2.6, lid 1 aanhef en onder e Jw).

Hetzelfde geldt voor de jeugdreclassering (artikel 2.4 Jw), waarbij de gecertificeerde instelling na overleg met de gemeente bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen bij de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering (artikel 3.5, lid 1 Jw). In die gevallen geldt de in dit hoofdstuk genoemde toegangsprocedure niet en draagt de gemeente er na toetsing zorg voor dat de extern afgegeven indicatie wordt verstrekt. 78/148

In situaties waarin de inwoner recent nog is gesproken en zijn situatie bij de gemeente bekend is, is het niet altijd nodig om een geheel nieuw onderzoek te starten conform dit hoofdstuk. In die situaties is het wel van belang om de inwoner te vragen of er nog iets in zijn situatie is gewijzigd, waardoor er misschien toch meer onderzoek nodig is. Als dit niet het geval is dan kan de aanvraag direct worden beoordeeld. Ook vanuit efficiëntie overwegingen kan de gemeente besluiten om in bepaalde (eenvoudige) aanvraagsituaties geen brede uitvraag te doen, maar direct tot het beoordelen van de aanvraag op basis van het ingediende aanvraagformulier en de daarbij gevoegde stukken over te gaan.

79/148

Hoofdstuk 3.

Adviesraad Sociaal Domein

In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen over inspraak en medezeggenschap bij de gemeente over het gevoerde en te voeren beleid op het gebied van het gemeentelijke sociaal domein door inwoners. Hieronder vallen de beleidsterreinen behorende bij de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatie-wet, IOAW, IOAZ en het leerlingenvervoer. Om de samenhang en de integraliteit binnen het sociaal domein ook in de inspraak en medezeggenschap te waarborgen, en omdat het niet mogelijk is alle inwoners persoonlijk bij het beleid te betrekken, wordt met dit hoofdstuk één adviesraad in het leven geroepen die zich buigt over alle beleidsterreinen binnen het sociaal domein. Dit hoofdstuk betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, derde lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, artikel 2.10 van de Jeugdwet, artikel 47 van de Participatiewet, artikel 42 van de IOAW en artikel 42 van de IOAZ; in combinatie met artikel 150 van de Gemeentewet.

Paragraaf 3.1 Algemeen Artikel 3.1.1 Adviesraad Sociaal Domein

Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3.1.2 Taken

De taken van de adviesraad op het terrein van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Jeugdwet, Participatiewet, IOAW,IOAZ en Wet sociale werkvoorziening vloeien voort uit deze wetten. Zij worden hier enkel uitgewerkt. Vanuit de integrale benadering van het sociaal domein is deze taakstelling uitgebreid naar overige wet- en regelgeving waarover het college een advies vraagt. Daarbij kan gedacht worden aan de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening, maar ook aan bijvoorbeeld gemeentelijke minimaregelingen (het armoedebeleid) en het leerlingenvervoer. De adviesraad heeft een duidelijke adviserende taak met betrekking tot het gemeentelijke beleid en de gemeentelijke regelgeving. De adviesraad houdt zich niet bezig met individuele zaken van inwoners. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het regelen van haar eigen praktisch functioneren en om daarvoor regels op te stellen.

Paragraaf 3.2 Leden Artikel 3.2.1 Samenstelling adviesraad

Om de actieve betrokkenheid van alle doelgroepen en hun vertegenwoordigers binnen het sociaal domein goed tot zijn recht te kunnen laten komen, is het van belang dat de adviesraad een goede afspiegeling is van de verschillende doelgroepen en/of hun vertegenwoordigers. Het gaat hierbij in elk geval om de doelgroepen genoemd in artikel 1.2.1 van de Wmo 2015, artikel 2.3, eerste lid van de Jeugdwet, artikel 7, eerst lid van de Participatiewet, artikel 2 van de IOAW en artikel 2 van de IOAZ. Zij weten door hun ervaring immers als geen andere welke drempels er zijn en hoe deze weggenomen kunnen worden. De inspraak is echter niet beperkt tot deze doelgroepen. De inspraak geldt voor alle inwoners. Iedereen kan immers op enig moment aangewezen raken op ondersteuning. Belangrijk is dat men zich betrokken voelt bij het sociaal domein en zich hiervoor in wil zetten.

80/148

Om de onafhankelijkheid van de adviesraad te waarborgen is het van belang dat de leden geen belangen van organisaties vertegenwoordigen in de adviesraad. Inwoners kunnen lid zijn van de adviesraad vanwege het feit dat zij deel uitmaken van één of meerdere doelgroepen, hier een nauwe verwantschap mee hebben of gewoon interesse hebben in het sociaal domein. Artikel 3.2.2 Benoeming

De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het werven en selecteren van nieuwe leden. Deze worden vervolgens gemotiveerd voor benoeming voorgedragen aan de gemeente. De gemeente besluit over de benoeming en kan een voorgedragen lid gemotiveerd weigeren. De voorzitter wordt door de gemeente in de functie van voorzitter benoemd. De adviesraad is zelf verantwoordelijk voor het aanwijzen van een penningmeester en secretaris uit de door de gemeente in de adviesraad benoemde leden. Leden worden in principe voor een periode van vier jaar benoemd en kunnen slechts eenmaal herbenoemd worden. Artikel 3.2.3 Aftreden Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 3.3 Werkwijze Artikel 3.3.1 Openbaarheid vergaderingen Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 3.3.2 Advisering

Voor een effectieve advisering is het belangrijk dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken en dat er een goede verhouding is tussen de adviesraad en het ambtelijk apparaat. Dit artikel bevat hiervoor de basis. Het artikel regelt ook de terugkoppeling vanuit de gemeente naar aanleiding van door de adviesraad uitgebrachte adviezen. Artikel 3.3.3 Geheimhouding

In artikel 3.3.2 is het uitgangspunt geformuleerd dat de adviesraad tijdig bij beleidsontwikkelingen wordt betrokken. Dit vraagt dat er vertrouwelijk met informatie wordt omgegaan. Dit artikel regelt daarom de geheimhouding. Artikel 3.3.4 Budget en faciliteiten

Voor een effectieve vervulling van de taken is het van belang dat de adviesraad wordt gefaciliteerd. Niet alleen voor vergaderruimte, maar ook voor kantoormiddelen en deskundigheidsbevordering. De gemeente zorgt voor een adequate ondersteuning. De adviesraad verantwoord de inzet van deze (financiële) ondersteuning in haar jaarverslag. Artikel 3.3.5 Slotbepalingen

Dit artikel spreekt voor zich.

81/148

Hoofdstuk 4.

Maatschappelijke ondersteuning

Paragraaf 4.1 Procedure In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op maatschappelijke ondersteuning die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt. Artikel 4.1.1 Melding Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.1.2 Onderzoek In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar anderen als dat van belang is voor het beoordelen van de melding. Het gaat dan om het netwerk van de inwoner en specifiek om huisgenoten. Het niet meewerken aan dit onderzoek door huisgenoten heeft ook gevolgen voor de besluitvorming door de gemeente en daarom worden zij expliciet benoemd in dit artikel. Indien de inwoner een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/leverancier van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde. Artikel 4.1.3 Aanvraag Dit artikel spreekt voor zich.

Artikel 4.1.4 Beschikking In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning. Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2. De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. Artikel 4.1.5 Afwijking procedure Dit artikel spreekt voor zich.

Paragraaf 4.2 Kwaliteit en veiligheid Maatschappelijke ondersteuning is vaak bedoeld voor (zeer) kwetsbare inwoners. Ter bescherming van deze groep, maar ook om te voorkomen dat geld dat bedoeld is voor het effectief bieden van maatschappelijke ondersteuning wordt misbruikt voor andere doeleinden, is het van belang om heldere eisen met betrekking tot de kwaliteit en veiligheid van maatschappelijke ondersteuning te stellen. In deze paragraaf worden dan ook een aantal (basis)eisen verankerd.

82/148

Artikel 4.2.1 Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordening plicht uit artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de Wmo 2015 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de Wmo 2015 en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij het uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van inwoners en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning. In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen opgenomen.

Deze kunnen op grond van het tweede lid verder worden uitgewerkt in beleid. Deze kwaliteitseisen beperken zich niet tot de door de gemeente zelf gecontracteerde aanbieders, maar gelden ook voor aanbieders die een inwoner vanuit een pgb in wil huren. Het is namelijk van groot belang dat alle ondersteuningsverleners die vanuit de Wmo 2015 ondersteuning verlenen voldoende zijn toegerust om die ondersteuning te bieden en dat dit blijkt uit objectieve (toetsbare) maatstaven. Het derde lid benoemd het jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat de gemeente op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo 2015 verplicht is uit te voeren. Ook worden de andere methoden genoemd waarmee de gemeente er op toeziet dat de maatschappelijke ondersteuning voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. In het vierde lid wordt aanvullend verwezen naar de kwaliteitseisen van GGD Haaglanden voor de voorzieningen begeleiding, dagbesteding en hulp bij het huishouden. Deze organisatie voert mede namens de gemeente Lansingerland toezicht uit op de mate waarin aanbieders voldoen aan de kwaliteitseisen. Vanuit het oogpunt van samenhang in de regio wordt er gekozen voor een verwijzing naar deze criteria. De criteria zijn terug te vinden via de website van de GGD-Haaglanden.

Artikel 4.2.2 Veiligheidseisen maatschappelijke ondersteuning Bij alle voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat ondersteuningsverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele ondersteuningsverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen. Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van ondersteuningsverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de ondersteuningsverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen ondersteuning nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen. 83/148

Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan. Artikel 4.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden De gemeente kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid Wmo 2015). Om er voor te zorgen dat deze aanbieders een reële prijs betaald krijgen voor hun diensten, moeten er bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van de reële kostprijs voor de activiteiten die de gemeente door aanbieders wil laten uitvoeren.

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 4.2.4 Meldingsregeling calamiteiten en geweld In artikel 3.4, eerste lid, van de Wmo 2015 is bepaald dat de aanbieder bij de door de gemeente aangewezen toezichthouder bedoeld in artikel 6.1 van de Wmo 2015 onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. Onder ‘calamiteit’ wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot schadelijke gevolgen heeft geleid voor een inwoner. Onder ‘geweldsincident’ wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam of ontucht en lichamelijk en geestelijk geweld. In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door de gemeente een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthouder deze meldingen onderzoekt en adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Het in dit artikel benoemde toezicht is door de gemeente regionaal geregeld via de GGD Haaglanden. Het staat los van het in hoofdstuk 8 geregelde rechtmatigheidstoezicht ter voorkoming van oneigenlijk gebruik en misbruik van voorzieningen, al zijn er uiteraard wel raakvlakken en wordt er onderling samengewerkt.

Paragraaf 4.3 Voorwaarden maatwerkvoorziening Artikel 4.3.1 Beschikbare maatwerkvoorzieningen De gemeente kan, afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte(n) van de inwoner, verschillende maatwerkvoorzieningen verstrekken op grond van de Wmo 2015. In dit artikel is een globaal overzicht opgenomen van de verschillende (groepen van) maatwerkvoorzieningen die beschikbaar zijn. Hoewel de Wmo 2015 hier niet toe verplicht geeft de verordening hiermee wel een globaal beeld van de 84/148

ondersteuningsmogelijkheden die de gemeente haar inwoners kan bieden. Hiermee wordt duidelijkheid geboden aan de inwoners. Artikel 4.3.2 Uitgangspunten In artikel 2.1.3 , tweede lid, sub a van de Wmo 2015 is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria de gemeente vaststelt of een inwoner voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. De gemeente moet aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en het navolgende artikel 4.3.3 is deze verplichting uitgewerkt. Lid 1: hierin is het algemene afwegingskader dat in de Wmo 2015 centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

Lid 2: bepaalt dat de gemeente bij het kiezen van de voorziening kiest voor de goedkoopst passende voorziening. De voorziening die wordt verstrekt hoeft niet de goedkoopste voorziening te zijn. De gemeente onderzoekt in de eerste plaats welke voorzieningen het meest passend zijn en daarna welke het goedkoopst. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip passend bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven nog toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening passender maken, komen in principe niet voor vergoeding in aanmerking. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Het toekennen van een verhuiskostenvergoeding in plaats van het volledig aanpassen van een woning valt ook onder deze bepaling. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Ter verduidelijking een voorbeeld: als een rolstoel de meest passende voorziening voor een inwoner is, heeft die inwoner soms aanvullende wensen omtrent kleur of uitvoering.

Deze aanvullende wensen maken de voorziening niet passender of doel-matiger, maar brengen meestal extra kosten met zich mee. Deze extra kosten komen in dat geval voor rekening van de inwoner. Een maatwerkvoorziening is ook niet bedoelt om een inwoner in een gunstigere positie te plaatsen. Lid 3: regelt dat een maatwerkvoorziening niet anti-revaliderend mag werken. Dit sluit aan bij het uitgangspunt van de Wmo 2015 om de zelfredzaamheid te versterken. Hierbij kan gedacht worden aan het niet verstrekken van een maatwerkvoorziening omdat die een effectieve behandeling in de weg staat. Dit is bijvoorbeeld het geval als een beperking door een medische- of psychologische behandeling weggenomen zou kunnen worden en het verstrekken van de maatwerkvoorziening de noodzaak tot het ondergaan van deze behandeling wegneemt en daarmee de beperking en de afhankelijkheid van de inwoner in stand zou houden of zelfs vergroten. Lid 4: begrenst het voorzieningenniveau dat de gemeente biedt tot een niveau waarmee de inwoner volgens de gemeente een aanvaardbaar niveau van maatschappelijke participatie kan realiseren. Met deze bepaling wordt benadrukt dat de gemeente niet in elke wens/behoefte van een inwoner voorziet, maar ook 85/148

beoordeeld in hoeverre het noodzakelijk is om daarin te voorzien (vgl. CRvB 21 oktober 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2644) en of de inwoner niet al voldoende mogelijkheden heeft om deel te nemen aan de samenleving. Wat in een individuele situatie leidt tot een aanvaardbaar niveau van participatie is een kwestie van maatwerk, waarvoor in beleidsregels nadere criteria kunnen worden uitgewerkt. Lid 5: spreekt voor zich. Artikel 4.3.3 Weigeringsgronden In de jurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat weigeringsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Deze jurisprudentie staat ook wel bekend als de “essentialia jurisprudentie” (CRvB 10 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 en CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen. Door het opnemen van heldere weigeringsgronden kan de inwoner zelf zijn rechtspositie bepalen. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid sub a van de Wmo 2015, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen. Lid 1, sub a: spreekt voor zich. Lid 1, sub b: Een maatwerkvoorziening zal pas ingezet worden als de ondersteuning niet op een andere manier kan worden gerealiseerd.

Naast de eigen kracht van de inwoner zelf is ook de beoordeling of er gebruikelijke hulp van huisgenoten verwacht mag worden een belangrijke overweging om wel of niet een maatwerkvoorziening te verstrekken. Daarbij mag van een partner ook veel meer verwacht worden (bijv. CRvB 14 april 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:823), dan van een huisgenoot met wie de inwoner een minder nauwe relatie heeft. De mogelijkheden om een beroep te kunnen doen op mantelzorg en het netwerk van de inwoner zijn eveneens van belang bij de beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en sluiten aan bij de gemeentelijke visie van samenredzaamheid. Lid 1, sub c: Het is van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten, zoals de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg. Als voor het opheffen van een beperking of het bereiken van een gewenst resultaat een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening vanuit de Wmo toegekend. Het voorrang geven aan het doen van een beroep op een dergelijke voorliggende voorziening sluit ook aan bij het uitgangspunt dat inwoners eerst hun eigen mogelijkheden benutten. Het gaat om de vraag of de inwoner aanspraak heeft op de voorziening. Het is niet nodig dat de inwoner daadwerkelijk over de voorziening beschikt.

Lid 1, sub d: Van inwoners wordt verwacht dat als zij schade lijden, zij er, als dat mogelijk is, ook voor zorgen dat ze die schade verhalen op de veroorzaker. Daarmee kunnen zij voorkomen dat ze een beroep moeten doen op de Wmo 2015. De eigen verantwoordelijkheid speelt immers een grote rol (CRvB 19 juni 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:776). Omdat er zich situaties kunnen voordoen waarin het niet wenselijk is dat een inwoner op deze grond een maatwerkvoorziening wordt onthouden, bevat deze bepaling wel een redelijkheidstoets. In bijzondere situaties kan de gemeente, hoewel er een derde verantwoordelijk is voor de situatie en die aangesproken kan/had kunnen worden, toch een (eventueel tijdelijke) maatwerkvoorziening verstrekken. In dat geval zal wel vast moeten komen te staan dat de inwoner zijn situatie niet zelf kan verbeteren en dat er voor het verstrekken van de voorziening een dringende noodzaak bestaat. Lid 1, sub e: Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken. Uit artikel 2.3.5, lid 3 Wmo 2015 volgt dat er geen 86/148

maatwerkvoorziening hoeft te worden verstrekt voor zover de gemeente van oordeel is dat de beperkingen met een algemeen gebruikelijke voorziening kunnen worden verminderd of weggenomen. In de Memorie van Toelichting wordt dit begrip nader toegelicht: ‘Een algemeen gebruikelijke voorziening bestaat uit zaken, diensten die in de reguliere handel verkrijgbaar zijn, niet speciaal voor mensen met een beperking zijn ontworpen en niet aanzienlijk duurder zijn dan een vergelijkbaar product met hetzelfde doel (passend in een normaal aanschaffingspatroon bij een gelijke financiële positie)’. De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld een situatie waarin een inwoner al geruime tijd diensten (zoals huishoudelijke hulp) betrekt van een derde, waarmee de beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid of participatie al zijn verminderd of weggenomen; waardoor er geen voorziening hoeft te worden verstrekt (Kamerstukken II 2018-19, 35 093, nr. 3, p. 15). De Centrale Raad van Beroep heeft in 2019 de criteria voor een algemeen gebruikelijke voorziening verder uitgewerkt.

Een dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel onder de Wmo 2015 kan als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt als deze niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking, daadwerkelijk beschikbaar is, een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de inwoners tot zelfredzaamheid of participatie in staat is, en deze financieel kan worden gedragen met een inkomen op minimumniveau (ECLI:NL:CRVB:2019:3535). In 2024 heeft de CRvB geoordeeld dat de gemeente bij de vierde voorwaarde ook moet beoordelen of de dienst, hulpmiddel, woningaanpassing of andere maatregel naar algemeen aanvaarde maatschappelijke opvattingen onder de gehele bevolking gangbaar is te achten (ECLI:NL:CRVB:2024:1364 en ECLI:NL:CRVB:2024:1362). Lid 1, sub f: Doelt op de situatie dat de inwoner een voorziening aanvraagt nadat deze door de inwoner zelf gerealiseerd of aangekocht is. Omdat de gemeente dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, of op een andere manier invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met wat de gemeente als goedkoopst passende voorziening beschouwt.

Ook wordt voorkomen dat de gemeente nog ver nadat de voorziening is gerealiseerd een beoordeling zou moeten maken van de situatie van toen, terwijl het probleem al is opgelost en er feitelijk op het moment van de melding geen probleem is dat de gemeente nog zou moeten compenseren. Lid 1, sub g: Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als verstrekking daarvan op het moment van de aanvraag (medisch) noodzakelijk is om een participatiedoel dat past binnen de Wmo 2015 te bereiken. Het is niet bedoeld om te voorzien in wensen of in mogelijk toekomstige behoeften. De noodzaak van de ondersteuning zal in beginsel ook langdurig van aard moeten zijn. De Wmo 2015 is niet bedoeld voor situaties waarin iemand tijdelijk is aangewezen op een voorziening. Voor tijdelijke voorzieningen, bijvoorbeeld revalidatiehulpmiddelen kan een beroep worden gedaan op Zorgverzekering. Deze hulpmiddelen kunnen gedurende 2 x 3 maanden worden geleend en nadien zo nodig worden gehuurd. Dit is geregeld in artikel 2.12. juncto 2.6 e Regeling Zorgverzekering. Voor huishoudelijke hulp geldt een uitzondering (Kamerstukken II 2005-06, 30 131, nr. C, p. 45-46), welke in deze bepaling ook is overgenomen voor begeleiding omdat dit eveneens een dienst betreft. Wat tijdelijk is zal per situatie verschillen en zal meestal ook afhankelijk zijn van medische prognoses.

Lid 1, sub h: De gemeente verstrekt vanuit de Wmo 2015 ook subsidies aan diverse organisaties binnen de gemeente Lansingerland. Deze organisaties bieden vrij toegankelijke, laagdrempelige voorzieningen aan voor de inwoners. Voordat er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt wordt door de gemeente eerst

87/148

beoordeeld of het doel ook met de inzet van een dergelijke voorziening bereikt kan worden. Dit volgt ook uit artikel 2.3.5, lid 3 van de Wmo 2015. Lid 1, sub i: Van de inwoner wordt verwacht dat hij op een verantwoorde wijze omgaat met een door de gemeente of een ander overheidsorgaan verstrekte voorziening die hem in staat stelt tot participatie en/of zelfredzaamheid. Dit past bij de prominente rol die de eigen verantwoordelijkheid inneemt in de Wmo 2015. Op het moment dat er een passende voorziening is geboden en er zich geen wijziging heeft voorgedaan in de situatie (bijv. toegenomen beperkingen waardoor de voorziening niet langer passend is), maar de inwoner door eigen toedoen of nalaten niet meer beschikt over die voorziening, dan is het niet logisch dat de gemeente opnieuw een voorziening verstrekt. Deze bepaling ziet uitdrukkelijk alleen toe op situaties waarin de inwoner, door bijvoorbeeld roekeloosheid of onoplettendheid, een verwijt kan worden gemaakt. Lid 1 sub j: Van een inwoner mag verwacht worden dat hij bij een verhuizing of de aanschaf van voorzieningen rekening houdt met zijn beperkingen. Zo mag bijvoorbeeld van iemand met een (progressieve) loopbeperking verwacht worden dat hij niet verhuist naar een woning met een trap waardoor hij (op termijn) geen gebruik kan maken van de woning zonder een voorziening.

Doet hij dat wel, dan kan de gemeente een voorziening om die reden afwijzen. Het was immers voorzienbaar dat de keuze tot een beroep op de Wmo 2015 zou leiden. De verantwoordelijkheid van de inwoner om een voorzienbaar beroep op de Wmo 2015 te voorkomen gaat overigens niet zo ver dat van de inwoner gevraagd mag worden dat hij reserveert of andere maatregelen treft om te voorkomen dat toekomstige onzekere gebeurtenissen in zijn gezondheidstoestand als gevolg van het ouder worden leiden tot een beroep op de Wmo (CRvB 22 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2603). Lid 1 sub k: De inwoner moet op grond van de artikel 2.3.2, lid 7 en artikel 2.3.8 Wmo 2015 meewerken aan het onderzoek van de gemeente dat nodig is om vast te stellen of er een maatwerkvoorziening noodzakelijk is en hoe die maatwerkvoorziening(en) eruit moet(en) zien. Op het moment dat een inwoner niet aan dit onderzoek meewerkt dan kan de noodzaak tot het verstrekken van een maatwerkvoorziening niet worden bepaald en vormt dit een grond om de aanvraag af te wijzen (bijv. CRvB 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:567 en CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:224). Ook in situaties waarin huisgenoten niet meewerken aan een onderzoek, terwijl dit noodzakelijk is om vast te stellen in hoeverre zij gebruikelijke hulp kunnen bieden aan de inwoner, bestaat er aanleiding om de aanvraag om een maatwerkvoorziening af te wijzen (bijv.

CRvB 25 juli 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR4090). In lid 2 zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening betreffen. Een woonvoorziening is vaak een woning gebonden voorziening, die niet verplaatst kan worden, bijvoorbeeld bij een verhuizing. De afwijzingsgronden zijn bedoeld om onnodige kosten te voorkomen. Lid 2, sub a: Deze afwijzingsgrond is bedoeld voor situaties waarin gebruikte materialen voor problemen zorgen of als de ondervonden problemen te wijten zijn aan achterstallig onderhoud of aan de omstandigheid dat de woning niet voldoet aan de geldende wettelijke eisen. De Wmo 2015 is niet bedoeld om een woning die in slechte staat verkeert of waar gebruik is gemaakt van verkeerde bouwmaterialen te renoveren. Ook tot het plaatsen van een voorziening in een woning die in slechte staat verkeert zal niet worden overgegaan omdat die voorziening alleen niet voldoende zal zijn om (langdurig) veilige woonsituatie te realiseren. Het behoort tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om ervoor te zorgen dat de aan te passen woning

88/148

(eerst) in een goede staat verkeert, zodat een eventuele maatwerkvoorziening die gericht is op het zoveel mogelijk wegnemen van een beperking ook duurzaam effectief kan zijn. Lid 2, sub b: De gemeente treft alleen een maatwerkvoorziening in of aan een woning waar de inwoner zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft. Dit betekent dat als de inwoner over meerdere woningen beschikt, er maar één woning wordt aangepast. Dit kan alleen anders zijn als sprake is van co-ouderschap. In dat geval kan een inwoner twee hoofdverblijven hebben, namelijk in de woning van zowel de ene als de andere ouder. Een uitzondering op het aanpassen van een woning die niet de hoofdverblijfplaats betreft vormt het bezoekbaar maken van een woning voor een inwoner die in een Wlz instelling zijn hoofdverblijf heeft. Onder het bezoekbaar maken valt onder andere het aanpassen van de entree van de woning en als dat nodig is het zorgen voor een toiletvoorziening (waarbij de voorkeur uitgaat naar een gehuurde- in plaats van een nagelvaste voorziening). Het kan ook gaan om het logeerbaar houden van de woning door het thuis laten staan van de Wmo-hulpmiddelen. Zie ook onderstaande uitleg over wat er onder de Wmo-hulpmiddelen valt. Het gaat bij logeerbaar houden dus uitdrukkelijk niet om aanpassingen aan de slaapruimte en natte cel gecreëerd zouden moeten worden om te kunnen logeren.

Aan dit bezoekbaar maken of logeerbaar houden van een woning zijn wel een aantal voorwaarden verbonden. Zo moet het bezoeken van of logeren in de woning voor minimaal 18 dagen per jaar zijn, zodat de kosten in verhouding staan tot het aantal bezoeken. Ook zal de persoonlijke verzorging in de te bezoeken woning georganiseerd moeten zijn en moet het aanpassen van de woning bouwtechnisch eenvoudig mogelijk zijn. Het bezoekbaar maken van een woning is verplicht op grond van de Wmo 2015. Het logeerbaar houden van een woning is niet verplicht, maar de gemeente is wel bevoegd om dit op grond van de Wmo 2015 mogelijk te maken, met deze uitzondering is voldaan aan de Wmo 2015. Ten aanzien van de Wmo-hulpmiddelen voor logeerbaar houden geldt het volgende:  Het betreft uitsluitend hulpmiddelen die op basis van de Wmo 2015 thuis reeds zijn verstrekt (verkregen in natura of met een pgb) op het moment van de verhuizing en niet redelijkerwijs vanuit de zorginstelling zijn mee te nemen in geval van thuis logeren.  Het al dan niet kunnen meenemen van hulpmiddelen beoordeelt de zorginstelling in overleg met de cliënt(vertegenwoordiger), waarbij de woonsituatie thuis wordt meegewogen.  Een traplift is geen hulpmiddel, maar een woningaanpassing. Ook daarvan kan het echter nodig zijn dat deze aanwezig blijft in de thuissituatie in verband met het logeren.

Een traplift valt daarmee in dit geval onder de Wmo-hulpmiddelen.  Mobiliteitshulpmiddelen (zoals rolstoelen en aangepaste fietsen) worden niet op twee plekken verstrekt en vallen daarmee niet onder deze landelijke afspraken.  Onderhoud, reparatie en het vervangen van de verstrekte hulpmiddelen thuis op een later moment door hulpmiddelen met dezelfde functionaliteiten vallen onder deze afspraken.  De inwoner is zelf verantwoordelijk om binnen 5 werkdagen na verhuizing naar een Wlz-zorginstelling te melden bij de gemeente bij het Wmo-loket dat de inwoner wenst gebruik te maken van het logeerbaar houden van de woning en het laten staan van Wmo-hulpmiddelen. Conform de landelijke afspraken hierover met VNG, Ieder(in), Firevanned en VWS dient de inwoner zelf de overzichtslijst te verstrekken met de Wmo-hulpmiddelen die thuis moeten blijven staan.  Het laten staan van deze hulpmiddelen leidt niet tot extra eigen betalingen voor de cliënt (vertegenwoordiger).  Bovenstaande bepalingen zijn aan van toepassingen in de Wlz-zorginstellingen die gevestigd zijn in de gemeente Lansingerland. 89/148

Lid 2, sub c: Met deze bepaling wordt het aanpassen van niet voor permanente bewoning geschikte woonruimten en/of woonruimten waar slechts tijdelijk wordt verbleven en/of woonruimten waarvoor de inwoner geen recht van permanente bewoning heeft; uitgesloten. Wel moet de gemeente in deze situaties voldoen aan haar verantwoordelijkheid. Dit kan door het bieden van een alternatieve oplossing in de vorm van een verhuiskostenvergoeding. Lid 2, sub d: Met deze beperking wordt invulling gegeven aan het individuele karakter van de maatwerkvoorziening, waarbij de toegang voor de inwoner wel wordt gewaarborgd. Het volledig aanpassen van collectieve ruimten sluit niet aan bij het individuele karakter van de maatwerkvoorziening. Lid 2, sub e: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Als er in de verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men dus verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Deze bepaling heeft voornamelijk betrekking op situaties waarin men gaat verhuizen zonder specifieke reden. Er wordt een uitzondering gemaakt als een belangrijke reden voor de verhuizing aanwezig is.

Daarbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een verhuizing vanwege samenwoning, huwelijk of het aanvaarden van werk elders. De beoordeling of sprake is van een belang-rijke reden is afhankelijk van een weging van alle feiten en omstandigheden die van belang zijn. Bij de beoordeling of er sprake is van een belangrijke reden is ook van belang of de inwoner mogelijkheden had om zelf voor een oplossing te zorgen. Lid 2, sub f: Deze bepaling hangt samen met de in lid 1, sub j opgenomen bepaling. Ook als men een goede reden heeft om te verhuizen mag van de (toekomstige) inwoner verwacht worden dat hij zoekt naar een zo geschikt mogelijke woning. Het is niet de bedoeling dat men een ongeschikte(re) woning kiest en vervolgens de rekening voor aanpassingen bij de gemeente indient. Met “verhuizen” wordt niet alleen het feitelijke verhuizen bedoeld, maar ook alle onomkeerbare handelingen die hieraan normaal gesproken voorafgaan, zoals het tekenen van een koop-, huur- of erfpachtcontract. Van de (toekomstige) inwoner wordt verwacht dat hij vooraf contact zoekt met de gemeente en om toestemming vraagt voor de verhuizing om in aanmerking te kunnen komen voor een eventueel noodzakelijke woningaanpassing. Lid 3 regelt het primaat van het collectief vraagafhankelijk vervoer.

Met deze bepaling worden de keuzemogelijkheden van de inwoner voor een oplossing voor een vervoersprobleem beperkt om het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer betaalbaar en daarmee in stand te kunnen houden.

Paragraaf 4.4 Aanvullende voorwaarden persoonsgebonden budget Artikel 4.4.1 Verzoek De gemeente kan een maatwerkvoorziening op grond van een verzoek van de inwoner in de vorm van een Pgb verstrekken. Deze mogelijkheid is geregeld in artikel 2.3.6 van de Wmo 2015. Van belang is dat een Pgb alleen wordt verstrekt als de inwoner met een Pgb plan kan aantonen dat hij, al dan niet met hulp uit zijn netwerk, met het Pgb in staat is om kwalitatief goede en effectieve ondersteuning te realiseren, die ook veilig is voor de inwoner en zijn omgeving. In dit artikel zijn voor de beoordeling daarvan door de gemeente een aantal voorwaarden gesteld aan het verzoek om een Pgb. Op het moment dat het gaat om een verzoek tot verlenging van een indicatie voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een dienst, zoals 90/148

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=73338be2-f1cf-415b-ae26-e00a7d49f2d1