[T25.04397] Geconsolideerde versie na Vierde Wijziging
Tekst van het document
huishoudelijke hulp en begeleiding, moet ook het zorgplan als bedoeld in artikel 4.4.8 worden meegestuurd en dient er verantwoording afgelegd te worden over de resultaten van de inzet in de afgelopen periode. Artikel 4.4.2 Pgb plan Lid 1: Met het Pgb plan laat de inwoner zien dat hij er bewust voor kiest om de maatwerkvoorziening niet in natura af te nemen, bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier, maar in de vorm van een Pgb. Op basis van het Pgb plan moet de gemeente kunnen beoordelen of de inwoner, of de persoon uit zijn netwerk die namens hem het Pgb-beheer op zich wil nemen, zich voldoende beseft welke verantwoordelijkheden een Pgb met zich meebrengt en dat hij de bij een Pgb behorende taken op een verantwoorde manier kan uitvoeren. Lid 2: In het tweede lid zijn een aantal aspecten opgenomen die in elk geval in het Pgb plan benoemd moeten worden om aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden te voldoen. Het gaat in de eerste plaats om een toelichting op de keuze voor een Pgb (a) en een beschrijving van de voorziening waaraan de inwoner het Pgb wil besteden (b) en bij wie (c). Ook wordt van de inwoner verwacht dat hij aangeeft waarom hij juist voor deze aanbieder/ondersteuningsverlener heeft gekozen, waarbij gedacht kan worden aan een toelichting op de wijze waarop hij zich op het ondersteuningsaanbod heeft georiënteerd (d).
Hiernaast zal de inwoner aan moeten geven welke kostprijs de beoogde aanbieder/ondersteuningsverlener hanteert (e) en welke contract vorm, conform het model van de SVB (overeenkomst van opdracht met zorginstelling, zorgovereenkomst met partner of familielid, zorgovereenkomst van opdracht, of arbeidsovereenkomst), men kiest (f). Tot slot zijn er een aantal aspecten die betrekking hebben op het waarborgen van de kwaliteit en effectiviteit van de in te kopen ondersteuning. Dan gaat het om kwaliteitsborging, waarbij gedacht kan worden aan diploma’s en keurmerken (g), maar ook hoe de aansturing van de aanbieder/ ondersteuningsverlener in de praktijk is geregeld, met bijvoorbeeld evaluatiemomenten, zodat de ondersteuningsverlener/laanbieder weet wat hij moet doen (h). Ook wordt van de inwoner, of de beheerder uit zijn netwerk, verwacht dat hij een controleplan heeft (i) en dat wordt aangegeven hoe de administratie, waaronder indien van toepassing het in artikel 4.4.8 genoemde zorgplan, wordt bijgehouden (j). Tevens moet het Pgb plan laten zien dat er is nagedacht over hoe men gaat handelen als de aanbieder/ondersteuningsverlener de gemaakte afspraken niet nakomt (k) of als er zich een calamiteit voordoet (l). Lid 3: Als een inwoner de beoogde leverancier naar het professionele tarief wil betalen dan gelden er een aantal aanvullende eisen.
Om te kunnen controleren of daaraan wordt voldaan bevat het derde lid een aantal aanvullende stukken die bij het Pgb plan gevoegd moeten worden. Artikel 4.4.3 Beheer Het beheren van het Pgb kan door zowel de inwoner als door een derde namens de inwoner (Pgb-beheerder) worden uitgevoerd. Voordat een Pgb wordt toegekend beoordeelt de gemeente of de inwoner, of de beoogde Pgb-beheerder namens hem, in staat is om de beheerstaken op een verantwoorde manier uit te voeren. Niet iedereen is namelijk in staat om naar behoren een Pgb te beheren. In dit artikel worden een aantal beoordelingscriteria gesteld. Lid 1: Een Pgb-beheerder zal uiteraard in staat moeten zijn om de ondersteuningsbehoefte over te brengen aan de leverancier/ondersteuningsverlener (a), maar er wordt ook gekeken naar factoren die er op wijzen dat men geen gezond beheer kan voeren (b) en risicofactoren in de vorm van verslavings-problematiek (c), een verstandelijke beperking, een ernstig psychiatrisch ziektebeeld of een cognitieve stoornis (d) die maken dat men de taken niet (zelfstandig) op een (voldoende) verantwoorde manier uit kan voeren. Een fraude91/148
verleden is eveneens een reden om geen Pgb te verstrekken, waarbij voor de termijn van vier jaar is aangesloten bij de termijn die het Ministerie van Justitie en Veiligheid terugkijkt bij het afgeven van een VOG (e). Tot slot zal men, met het oog op het kennen en kunnen aangaan van de verplichtingen, de Nederlandse taal voldoende machtig moeten zijn (f). Lid 2: Op het moment dat de inwoner zelf niet in staat kan worden geacht om het Pgb te beheren bestaat er de mogelijkheid dat een derde dit namens de inwoner doet. Deze derde kan een wettelijk vertegenwoordiger zijn, dat wil zeggen dat hij door de rechtbank is benoemd om namens de inwoner zaken te regelen (curator of mentor), of iemand die door de inwoner zelf schriftelijk als vertegenwoordiger wordt gemachtigd. Op het moment dat een derde namens de inwoner het Pgb gaat beheren dan moet hij uiteraard aan dezelfde eisen voldoen als de inwoner. Om er voor te zorgen dat het Pgb door deze derde op een juiste wijze zal worden beheerd, worden er aan deze derde een aantal aanvullende eisen gesteld. Zo zal deze derde allereerst van onbesproken gedrag moeten zijn (a). Ook moet deze derde voldoende tijd hebben en voldoende zicht hebben op de situatie van de inwoner; om te waarborgen dat de leverancier/ ondersteuningsverlener zijn verplichtingen nakomt (b).
Hij zal dit met de inwoner moeten kunnen bespreken (c) en ook moeten er geen andere belangen in de relatie tussen hem en de inwoner (d). Lid 3: Om te voorkomen dat Pgb verzoeken waarbij de inwoner zelf niet in staat is om het beheer op zich te nemen langdurig blijven liggen, omdat de inwoner niet in staat is om een geschikte beheerder in zijn netwerk aan te wijzen, bevat het derde lid een beperking met betrekking tot het opnieuw aandragen van een andere Pgb-beheerder. Op het moment dat de inwoner er niet in slaagt om een geschikte beheerder aan te dragen wordt het verzoek om een Pgb afgewezen. De inwoner krijgt dan de maatwerkvoorziening toegekend in de vorm van zorg in natura bij een door de gemeente gecontracteerde leverancier. Artikel 4.4.4 Uitgangspunten vaststellen Pgb budget In dit artikel worden de uitgangspunten bij het vaststellen van het Pgb budget toegelicht. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de Wmo 2015. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een Pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn. Lid 1: De hoogte van het pgb voor een dienst is afhankelijk van het aantal uren of dagdelen dat noodzakelijk is voor het bereiken van het gewenste resultaat en van de professionaliteit en de relatie tussen de inwoner en degene die de ondersteuning biedt.
Voor professionele inzet, waarbij de ondersteunings-verlener ook geen deel uitmaakt van het sociale netwerk van de inwoner, zoals een vriend of familielid, is het tarief maximaal de hoogte van het tarief voor zorg in natura. Dit wordt het formele tarief genoemd. Voor ondersteuning door iemand die dit niet doet in het kader van een hulpverlenend beroep of iemand uit het eigen sociale netwerk, ligt het tarief lager. Dit wordt het informele tarief genoemd (a). Het Pgb is toereikend om effectieve en kwalitatief goede ondersteuning in te kopen (b) en bedraagt nooit meer dan de kostprijs die de gemeente op basis van de gemaakte contractuele afspraken met de zorg in natura aanbieders verschuldigd zou zijn. Op het moment dat de inwoner de noodzakelijk geachte ondersteuning volgens de pro-forma nota goedkoper weet in te kopen dan de maximale kostprijs op basis van het zorg in natura tarief dan hanteert de gemeente bij het berekenen van het Pgb budget dit lagere tarief (c). Lid 2: geeft aan dat als er een pgb wordt verstrekt ten behoeve van een hulpmiddel, er een aanvullend bedrag wordt verstrekt voor het onderhoud, reparatie, pechhulp en de WA-verzekering van het hulpmiddel. Dit bedrag is bedoeld voor het onderhoud, reparatie, pechhulp en de WA-verzekering gedurende de gehele looptijd van de verstrekking. Deze is maximaal gelijk aan de levensduur van het hulpmiddel.
92/148
Lid 3: spreekt voor zich. Artikel 4.4.5 Hoogte Pgb budget Dit artikel regelt de hoogte van het Pgb bij een aantal specifieke voorzieningen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft in augustus 2023 twee uitspraken gedaan die gevolgen hebben voor de hoogte van het Pgb-uurtarief waarmee een persoon uit het sociaal netwerk wordt ingehuurd (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Als gevolg van die uitspraken moet de gemeente in de verordening uitgaan van de volgende tarieven: Onderdeel a begeleiding: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de voor de betreffende periode geldende cao VVT, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Onderdeel b hulp bij huishouden: het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de voor de betreffende periode geldende cao VVT (Verpleeg- en Verzorgingshuizen en Thuiszorg), te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. De tarieven voor de overige voorzieningen zijn geïndexeerd met het consumenten prijs index (CPI). Lid 4 ziet op de vergoeding in verband met verhuizing, waaronder ook voor de stofferingskosten. Artikel 4.4.6 Niet in het tarief Het Pgb is uitsluitend bedoeld voor de inkoop van maatschappelijke ondersteuning.
Eventuele kosten die verbonden zijn aan het beheren van het Pgb, als gevolg van de vrijwillige keuze voor een Pgb, komen voor rekening van de inwoner zelf. Het Pgb bevat daarom ook geen vrij besteedbaar deel. Artikel 4.4.7 Gebruik pgb Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.4.8 Zorgplan Van de inwoner en zijn ondersteuningsverlener die een dienst levert (huishoudelijke hulp of begeleiding), wordt verwacht dat zij een zorgplan opstellen en dit actueel houden. Dit zorgplan moet ook binnen drie maanden (dezelfde termijn als waarbinnen het Pgb op grond van artikel 4.4.7 moet worden aangewend) aan de gemeente worden toegezonden. Het is de bedoeling dat dit zorgplan ook wordt bijgehouden, zodat dit bij een eventueel heronderzoek of bij een verzoek om verlenging van de indicatie kan worden bekeken om te zien hoe de ondersteuning is verlopen en wat het resultaat daarvan is geweest. De gemeente kan het pgb op grond van artikel 2.3.10 Wmo 2015 herzien dan wel intrekken wanneer niet aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, dan wel wanneer uit evaluatiemomenten blijk dat met de geleverde ondersteuning het resultaat niet behaald kan worden. Als de inwoner dat ook wenst, kan de gemeente de ondersteuning eventueel laten voortzetten via zorg in natura. Artikel 4.4.9 Weigering pgb Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 4.4.10 Opschorting betaling uit het pgb Dit artikel spreekt voor zich.
93/148
Paragraaf 4.5 Bijdrage in de kosten Artikel 4.5.1 Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen Dit artikel is vervallen. In samenwerking met het Zorgkantoor verstrekt de gemeente verschillende voorzieningen op grond van de Wmo 2015 aan inwoners bij Laurens Huize Sint Petrus. Huishoudelijke ondersteuning, in de vorm van een algemene voorziening, vormt hiervan een onderdeel. Laurens ontvangt per 1 januari 2024 een subsidie om deze ondersteuning te leveren. Hierdoor zijn de bewoners van Huize Sint Petrus geen eigen bijdrage meer verschuldigd. Artikel 4.5.2 Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen Op grond van artikel 2.1.4a, lid 1 Wmo 2015 bestaat de bevoegdheid om in de verordening te regelen dat er een bijdrage in de kosten is verschuldigd voor een maatwerkvoorziening. De gemeente vraagt in principe aan iedere inwoner een bijdrage in de kosten als zij gebruik maken van maatwerkvoorzieningen in natura of in de vorm van een pgb. Op grond van de wetswijziging abonnementstarief wet maatschappelijke ondersteuning betalen vanaf 1 januari 2020 alle cliënten die gebruik maken van één of meer maatwerkvoorzieningen, met uitzondering van degenen die gebruik maken van het collectief vervoer, ongeacht inkomen en vermogen, een maximale periode bijdrage zoals genoemd in artikel 2.1.4, lid 3 en 2.1.4a, lid 4 van de Wmo 2015.
Hierbij is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Lid 3: het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 verplicht de gemeenteraad bij verordening de eigen bijdrage voor een vervoersvoorziening vast te stellen. De raad bepaalt dan ook hoe hoog dit tarief is, maar deze is niet hoger dan het tarief voor openbaar vervoer. De tarieven voor het collectief vraagafhankelijk vervoer worden jaarlijks geïndexeerd door de Metropoolregio Rotterdam-Den Haag. De gemeente past deze indexatie pas een jaar later toe. Zo worden voor het jaar 2024 de geïndexeerde tarieven van 2023 aangehouden. Voor 2025 worden de geïndexeerde tarieven van 2024 aangehouden. In lid 4: worden een aantal uitzondering op de verschuldigdheid van de eigen bijdrage opgesomd. Een aantal van deze uitzonderingen zijn, door de in lid 2 genoemde verwijzing naar hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, al gedekt. Voor de volledigheid zijn deze uitzonderingen hier wel benoemd. a: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder a Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Op grond van artikel 1.1.2 Wmo 2015 moet onder echtgenoot mede worden verstaan de geregistreerde partner en diegene die geen bloedverwant is in de eerste graad en met wie en gezamenlijke huishouding wordt gevoerd.
Als de gehuwden/geregistreerd partners duurzaam gescheiden leven worden zij niet als gehuwd aangemerkt. b: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder b Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. c: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder f Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. d: Vloeit grotendeels voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder e Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 waarin is bepaald dat geen bijdrage in de kosten is verschuldigd bij een maatwerkvoorziening voor een inwoner die de 94/148
leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, tenzij het een woningaanpassing betreft en op grond van artikel 2.1.5 Wmo 2015 is bepaald dat daarvoor door de ouders van de minderjarige een bijdrage in de kosten is verschuldigd. Voor dit laatste is niet gekozen. De reden daarvoor is dat hierdoor een geen afweging nodig is of in een individuele situatie van het heffen van een bijdrage in de kosten van de ouders moet worden afgezien, als bedoeld in artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder c Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dit zorgt voor een gelijke behandeling van alle minderjarige inwoners (en hun ouders) die een beroep moeten doen op een maatwerkvoorziening. Als de maatwerkvoorziening na het achttiende levensjaar nog doorloopt is vanaf het bereiken van die leeftijd wel een bijdrage in de kosten verschuldigd. e: Vloeit rechtstreeks voort uit artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder d Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. f: Betreft een gemeentelijke keuze om (een deel van) deze financiële vergoeding niet weer via een bijdrage in de kosten terug te halen bij de inwoner. g: Betreft een gemeentelijke keuze. h: Betreft een gemeentelijke keuze die valt in het verlengde van artikel 3.8, lid 3, aanhef en onder h Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.
i en j: Betreft een keuze van de gemeente om geen eigen bijdrage van de inwoner te vragen als hij langer dan één kalendermaand in een tijdelijke instelling is opgenomen of wanneer de aanbieder de maatwerkvoorziening langer dan één kalendermaand niet kan leveren. In lid 5 en 6: is uiteengezet hoe de kostprijs tot stand komt.
Paragraaf 4.6 Waardering en ondersteuning van mantelzorgers Artikel 4.6.1 Waardering mantelzorgers en artikel 4.6.2 Ondersteuning mantelzorgers Deze bepalingen betreffen een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van Wmo 2015. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze de gemeente zorg draagt voor een periodieke blijk van waardering voor de mantelzorgers van inwoners in de gemeente. Dit krijgt invulling door mantelzorgers te ondersteunen in de vorm van emotionele steun, deskundigheidsbevordering en respijtzorg om overbelasting te voorkomen. De mantelzorger zelf hoeft niet in de gemeente te wonen om hiervoor in aanmerking te komen.
Paragraaf 4.7 Klachten en medezeggenschap Artikel 4.7.1 Klachtregeling In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder e, van de Wmo 2015, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van inwoner is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de Wmo 2015). In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat inwoners in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De inwoner kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de 95/148
wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Het ligt voor de hand dat inwoners die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open. Artikel 4.7.2 Medezeggenschap Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggen-schap van inwoners over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is. In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van inwoners tegenover de aanbieder. In de Wmo 2015 is het stellen van regels hieromtrent geheel aan gemeenten overgelaten.
In lid 1 is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet). In lid 2 is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.
Paragraaf 4.8 Nadere uitwerking Artikel 4.8.1 Nadere regels stellen Dit artikel spreekt voor zich.
96/148
Hoofdstuk 5.
Jeugdhulp
Dit hoofdstuk van de verordening geeft uitvoering aan de Jeugdwet. Deze wet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van de jeugdzorg, de Jeugd-GGZ, de zorg voor jeugdigen met een beperking en de begeleiding en persoonlijke verzorging van jeugdigen. Daarnaast wordt met deze wet een omslag gemaakt van een stelsel gebaseerd op een wettelijk recht op zorg (aanspraak) naar een stelsel op basis van een voorzieningenplicht voor gemeenten (voorziening), op een wijze zoals eerder is gebeurd met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Het wettelijke recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg worden hierbij vervangen door een voorzieningenplicht waarvan de aard en omvang in beginsel door de gemeente worden bepaald (maatwerk). Het doel van het jeugdzorgstelsel blijft echter onverminderd overeind: jeugdigen en ouders krijgen waar nodig tijdig bij hun situatie passende hulp, met als beoogd doel ervoor te zorgen de eigen kracht van de jeugdige en het zorgend en probleemoplossend vermogen van het gezin te versterken.
Paragraaf 5.1 Procedure In hoofdstuk 2 is het toegangsproces voor het sociaal domein vastgelegd. In deze paragraaf wordt dan ook verwezen naar dit proces. Wel zijn er een aantal specifieke elementen van het toegangsproces die betrekking hebben op Jeugdhulp die in deze paragraaf nader worden uitgewerkt. Artikel 5.1.1 Melding en aanvraag Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 5.1.2 Onderzoek In aanvulling op de mogelijkheid om onderzoek te doen naar de inwoner wordt in dit artikel benoemd dat de gemeente ook onderzoek kan doen naar zijn ouders als dat van belang is voor het beoordelen van de melding/aanvraag. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een belastbaarheidsonderzoek om te beoordelen of er wellicht jeugdhulp nodig is om overbelasting van de ouders te voorkomen. Indien de inwoner (of zijn ouders) een Pgb wenst dan is ook een onderzoek naar de beoogde zorgverlener/ hulpverlener van de inwoner noodzakelijk om te waarborgen dat de ondersteuning veilig en cliëntgericht zal worden verstrekt. Indien het gewenste Pgb niet door de inwoner of zijn ouders zelf, maar door een derde namens hem zal worden beheerd dan is ook een onderzoek naar deze beoogde beheerder aan de orde. Artikel 5.1.3 Beschikking In dit artikel worden een aantal specifieke punten benoemd die gelden voor het opstellen van een besluit/beschikking met betrekking tot jeugdhulp.
Daarmee wordt nader invulling gegeven aan het algemeen geformuleerde artikel 2.4.2. De inwoner moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de inwoner goed en volledig informeert. In dit artikel staat omschreven welke elementen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen, zowel als het om een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een pgb gaat. De gemeente verstrekt de voorziening altijd voor tijdelijke duur. Het doel van de ingezette voorziening is namelijk dat we daarmee toewerken naar een situatie waarin de jeugdige en/of zijn ouder(s) zonder een individuele voorziening verder kan. De ingezette voorziening hoeft ook niet in de volle omvang benut te
97/148
worden. Indien blijkt dat de jeugdige en/of zijn ouder(s) minder hulp nodig heeft of wanneer de doelen eerder zijn bereikt dan de gestelde einddatum, dan wordt de voorziening eerder afgerond. Artikel 5.1.4 Alternatieve route Inwoners en hun ouders kunnen een behoefte aan jeugdhulp melden bij de gemeente. De toegang via de gemeente is echter niet de enige route die kan leiden tot verstrekking van een jeugdhulpvoorziening op grond van de Jeugdwet. Deze bepaling besteedt aandacht aan de alternatieve mogelijkheden. Lid 1: In artikel 2.6, eerste lid aanhef en onder e van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is na een verwijzing door de huisarts, de jeugdarts of medisch specialist. Met een dergelijke verwijzing kan de inwoner rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Na een dergelijke verwijzing staat echter nog niet vast welke specifieke behandelvorm van jeugdhulp (dus bijvoorbeeld welke therapie) een inwoner precies nodig heeft. Een inwoner kan op dat moment terecht bij de jeugdhulpaanbieders die de gemeente heeft ingekocht. In de praktijk zal het de jeugdhulpaanbieder (bijvoorbeeld de jeugdpsychiater, de gezinswerker of orthopedagoog) zijn die na de verwijzing beoordeelt welke jeugdhulp precies nodig is. Deze bepaalt in overleg met de inwoner daadwerkelijk de concrete inhoud, vorm, omvang en duur van de benodigde jeugdhulp.
Deze aanbieder stelt dus feitelijk vast wat naar zijn oordeel de inhoud van de benodigde voorziening dient te zijn en hij zal zijn oordeel mede baseren op de protocollen en richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen. Bij deze beoordeling dient de jeugdhulpaanbieder zich ook te houden aan de afspraken die hij daarover met de gemeente heeft gemaakt in het kader van de contract- of subsidierelatie. Deze afspraken zien op hoe de gemeente haar regierol kan waarmaken en op de omvang van het pakket. Deze afspraken zullen verder ook ingaan op hoe de artsen en de gemeentelijke toegang goed van elkaar op de hoogte zijn van de doorverwijzing of behandeling van een kind, zodat de integrale benadering rond het kind, met name bij multiproblematiek, kan worden geborgd en er geen nieuwe ‘verkokering’ zal plaatsvinden, waarbij professionals niet goed van elkaar weten dat zij bij het gezin betrokken zijn. Daarnaast zal de jeugdhulp-aanbieder rekening moeten houden met de regels die de gemeente bij verordening heeft gesteld (over het vrij toegankelijke en niet vrij toegankelijke deel van de voorzieningen). Lid 2: In artikel 2.4, lid 2 aanhef en onder b van de Jeugdwet is geregeld dat jeugdhulp ook toegankelijk is via de rechter, het openbaar ministerie, de selectiefunctionaris, de inrichtingsarts of de directeur van de justitiële jeugdinrichting.
De gecertificeerde instelling is verplicht om bij de bepaling van de in te zetten jeugdhulp in het kader van een door de rechter opgelegde kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering te overleggen met de gemeente. Uiteraard kan bij dit overleg een kostenafweging plaatsvinden. De gemeente is op haar beurt vervolgens gehouden de jeugdhulp in te zetten die deze partijen nodig achten ter uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of de jeugdreclassering. Deze leveringsplicht van de gemeente vloeit voort uit het feit dat uitspraken van rechters te allen tijde moeten worden uitgevoerd om rechtsgelijkheid en rechtszekerheid te kunnen garanderen. Ook hier geldt dat de gecertificeerde instelling in beginsel gebonden is aan de jeugdhulp die de gemeente heeft ingekocht. Als de kinderrechter een ondertoezichtstelling of gezags-beëindiging uitspreekt, wijst hij gelijktijdig in de beschikking de gecertificeerde instelling aan die de maatregel gaat uitvoeren. Dit kan de rechter juist omdat de raad voor de kinderbescherming in zijn verzoekschrift een concreet advies geeft over welke gecertificeerde instelling de maatregel zou moeten uitvoeren. De raad voor de kinderbescherming neemt een gecertificeerde instelling in zijn verzoekschrift op die na overleg met de gemeente en gezien de concrete omstandigheden van het geval hiervoor het meest geschikt lijkt.
De raad voor de kinderbescherming is verplicht om hierover met de gemeente te overleggen. Deze toegang wordt al in de Jeugdwet zelf geregeld en komt verder dus niet terug in deze verordening. 98/148
Lid 3: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 4: De gemeente is niet verplicht om elke jeugdhulp te vergoeden waarnaar een huisarts, medisch specialist of jeugdarts verwijst. Dit geldt alleen als dat aanbod ook gecontracteerd is door de gemeente. Op het moment dat men een niet gecontracteerde aanbieder wenst, dan kan hiervoor een Pgb aangevraagd worden. De gemeente beoordeelt of een Pgb verstrekt kan worden aan de hand van de Pgb-voorwaarden. Bij een verwijzing van een huisarts, medisch specialist of jeugdarts bepaalt de gemeente niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar zij heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent. Lid 5: Het is belangrijk dat een verwijzer op de hoogte blijft van de resultaten van de hulp en een aanbieder niet onbeperkt gebruik kan maken van een verwijzing om een nieuw (of verlengd) hulptraject te starten. Daarom bepaalt lid 5 dat de verwijzing 1 jaar geldig is. Na afloop het eerste jaar kan de jeugdhulpaanbieder op basis van de afgegeven toewijzing éénmaal de gemeente verzoeken om verlenging. Een nieuwe verwijzing van een arts is dan niet nodig. Een verzoek tot verlenging kan worden gedaan voor hetzelfde product of een product van dezelfde vorm maar minder zwaar. Een verzoek tot verlenging mag niet worden ingediend indien het een nieuwe zorgvraag betreft. Daarvoor is dan een nieuwe verwijzing of besluit tot toekenning nodig.
Als de gemeente actief betrokken is bij jeugdige of ouders, dan neemt de jeugdhulpaanbieder contact op met de gemeente bij verzoek tot verlenging (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft). Bij een tweede verzoek tot verlenging neemt de jeugdhulpaanbieder altijd contact op met de gemeente (mits jeugdige en/of ouders hiervoor toestemming geeft). Bij een verzoek tot verlenging verstrekt de jeugdhulpaanbieder een (kort) voortgangsverslag met een beschrijving van het inhoudelijke verloop en resultaten van de zorginzet. Het verslag is vormvrij. Het verslag wordt toegevoegd aan het dossier van de jeugdige of de ouders. Daarmee komt de verwijzer in de positie om opnieuw de situatie te beoordelen. Voor huisartsen kan daarbij de eventueel aanwezige praktijkondersteuner jeugd een rol spelen. Artikel 5.1.5 Afwijking procedure Dit artikel spreekt voor zich.
Paragraaf 5.2 Kwaliteit en veiligheid Artikel 5.2.1 Kwaliteitseisen jeugdhulp Lid 1: In artikel 4.1.1. van de Jeugwet zijn een aantal kwaliteitseisen opgenomen waaraan jeugdhulp moet voldoen. Dit artikel vormt een korte samenvatting en doet dan ook niet af aan de wettelijke kwaliteitseisen. Lid 2: Deze bepaling spreekt voor zich. Lid 3: Op grond van artikel 10.1 van de Jeugdwet zijn de Inspectie gezondheidszorg en jeugd en de Inspectie Openbare Orde en Veiligheid belast met het toezicht op de kwaliteit van jeugdhulpaanbieders. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente zelf ook een verantwoordelijkheid heeft, welke verder strekt dan het 99/148
jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek dat op grond van artikel 2.10 Jeugdwet; artikel 2.5.1 Wmo 2015 uitgevoerd moet worden. Artikel 5.2.2 Veiligheidseisen jeugdhulp Bij alle voorzieningen voor jeugdhulp is het belangrijk dat deze veilig en inwoner gericht worden verstrekt. Dit betekent dat jeugdhulpverleners, of zij nou professionals, vrijwilligers of vanuit een pgb gefinancierde informele jeugdhulpverleners zijn; moeten beschikken over de juiste deskundigheid en vaardigheden. Als dat aan de orde is; moeten zij uiteraard ook voldoen aan geldende wettelijke eisen. Om een minimale basisveiligheid in te bouwen wordt van jeugdhulpverleners een VOG gevraagd. Ook wordt gekeken of de jeugdhulpverlener wel over de juiste opleidingspapieren beschikt die gelet op de beperkingen van de inwoner en de te verlenen hulp nodig zijn. Welke papieren/diploma’s dit zijn zal per situatie verschillen en is daarom in dit artikel niet verder uitgewerkt. Wel is vastgelegd dat dit in beleid en contracten nader moet worden uitgewerkt. Voor professionals is een extra verzekeringseis opgenomen en wordt een SKJ-registratie of BIG-registratie verlangd. Bij ZIN-aanbieders wordt dit contractueel afgesproken en kan hier vanuit toezicht op gecontroleerd worden. Bij Pgb-aanbieders wordt dit gecontroleerd door de gemeente en vormt het een onderdeel van de screening van het Pgb-plan.
Artikel 5.2.3 Verhouding prijs en kwaliteit levering jeugdhulp door derden De gemeente kan de uitvoering van de Jeugdwet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de Jeugdwet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.12 van de Jeugdwet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Om te voorkomen dat er alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee de gemeente bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat er een beter beeld ontstaat van een reële kostprijs voor de door aanbieders uit te voeren activiteiten. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden.
Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activitei-ten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Artikel 5.2.4 Klachtregeling In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v. van de Jeugdwet. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeente-ambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Artikel 5.2.5 Vertrouwenspersoon Met het vervallen van artikel 2.6, eerste lid onder f van de Jeugdwet is de gemeente niet langer verantwoordelijk voor het instellen van een vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.5 van de Jeugdwet dient de gemeente inwoners en hun ouders wel te wijzen op de mogelijkheid om gebruik te maken van de 100/148