[T25.04397] Geconsolideerde versie na Vierde Wijziging
Tekst van het document
De gemeente kan door detachering zorgen voor toeleiding van een persoon die behoort tot de doelgroep naar een dienstverband met een werkgever, gericht op arbeidsinschakeling. 2. De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel de werkgever en inlenende organisatie als tussen de werknemer en inlenende organisatie. 3. Een werknemer wordt uitsluitend geplaatst als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. Artikel 6.2.4 Scholing en training 1. De gemeente kan een persoon die behoort tot de doelgroep een scholings- of trainingstraject aanbieden. 2. Een scholing- of trainingstraject voldoet in ieder geval aan de volgende eisen: a. De ingezette scholing of training moet resulteren in een reële verhoging van de kansen op de arbeidsmarkt; b. De scholing of training is noodzakelijk om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden; en c. Scholing of training wordt niet ingezet indien een persoon in het jaar voorafgaand aan het verzoek om scholing of training al met succes een beroepsgerichte scholing heeft afgerond. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op personen als bedoeld in artikel 7, derde lid, sub a, van de Participatiewet.
45/148
Artikel 6.2.5 Participatieplaats 1. De gemeente kan een persoon van 27 jaar of ouder met recht op algemene bijstand overeenkomstig artikel 10a van de Participatiewet onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten. 2. De gemeente zorgt ervoor dat de te verrichten additionele werkzaamheden worden vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst die wordt ondertekend door de gemeente, de werkgever en de persoon die de additionele werkzaamheden gaat verrichten. 3. De premie, bedoeld in artikel 10a, zesde lid, van de Participatiewet bedraagt € 100,- per zes maanden, mits in die zes maanden voldoende is meegewerkt aan het vergroten van de kans op inschakeling in het arbeidsproces. Artikel 6.2.6 Beschut werk 1. De gemeente biedt, volgens artikel 10b, eerste lid van de Participatiewet, de voorziening beschut werk aan een persoon uit de doelgroep aan die door een lichamelijke, verstandelijke of psychische beperking uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft. 2. De gemeente wint advies in bij het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen voor de beoordeling of een persoon uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, tenzij die persoon zelf al het advies heeft aangevraagd. 3.
Om de in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet, bedoelde werkzaamheden mogelijk te maken zet de gemeente onder andere de volgende ondersteunende voorzieningen in: fysieke aanpassingen van de werkplek of de werkomgeving, uitsplitsing van taken of aanpassingen in de wijze van werkbegeleiding, werktempo of arbeidsduur. 4. De gemeente stelt het aantal plekken voor beschut werk beschikbaar conform het jaarlijkse voor-schrift in de ministeriële regeling. De gemeente stelt niet meer plekken voor beschut werk beschik-baar dan het minimum aantal in het jaarlijkse voorschrift in de ministeriële regeling. 5. De gemeente biedt de voorziening beschut werk aan personen met een indicatie beschut werk op volgorde van de datum van de indicatie beschut werk. 6. De gemeente bepaalt welke voorzieningen worden aangeboden aan personen met een indicatie beschut werk wanneer het aantal beschikbare beschutte werkplekken in een jaar reeds is vervuld. 7. De gemeente kan aan personen van wie is vastgesteld dat zij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben, tot het moment van aanvang van de dienstbetrekking, bedoeld in artikel 10b, lid 1, van de wet, daarnaast de volgende voorzieningen aanbieden: a. arbeidsmatige dagbesteding als bedoeld in artikel 4.5.2., lid 5, sub h; b. sociale activering als bedoeld in artikel 6.2.2; c.
scholing als bedoeld in artikel 6.2.4; d. persoonlijke ondersteuning als bedoeld in artikel 6.2.8; of e. schuldhulpverlening als bedoeld in de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Artikel 6.2.7 Ondersteuning bij leer-werktraject De gemeente kan overeenkomstig artikel 10f van de wet ondersteuning aanbieden aan een persoon uit de doelgroep ten aanzien van wie de gemeente van oordeel is dat een leer-werktraject nodig is, voor zover deze ondersteuning nodig is voor het volgen van een leer-werktraject en het personen betreft: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de Leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd, of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald.
46/148
Artikel 6.2.8 Persoonlijke ondersteuning 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen gelden, onverminderd het bepaalde in artikel 6.1.2, vierde en vijfde lid, de volgende voorwaarden: a. de persoon behoort tot de doelgroep en is minimaal 18 jaar oud, tenzij hij VSO/PRO-onderwijs heeft genoten; b. de persoon kan zonder deze vorm van ondersteuning niet aan het arbeidsproces deelnemen; c. de werkgever biedt een dienstbetrekking aan met een minimale arbeidsduur van 12 uur per week of heeft de intentie de arbeidsduur op te bouwen naar minimaal 12 uur per week; d. het betreft geen Arbo-taak waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het betreft geen meeneembare voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. er is naar het oordeel van de gemeente geen sprake van een werkplekaanpassing die in zijn algemeenheid van de werkgever kan worden verlangd; en g. de kosten van de voorziening(en) zijn naar het oordeel van de gemeente proportioneel, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de maatschappelijke opbrengsten van uitstroom naar werk. 3.
De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen zes maanden na de ingangsdatum van de dienstbetrekking zijn ontvangen, tenzij voorafgaand aan of op het moment van aanvang van het dienstverband de noodzaak voor die ondersteuning redelijkerwijs nog niet bekend kon zijn. 4. De gemeente besluit op basis van individueel maatwerk, waarbij de aard, omvang, duur en intensiteit van de persoonlijke ondersteuning wordt gewogen. Artikel 6.2.8a Persoonlijke ondersteuning bij werk (jobcoach) 1. De gemeente kan persoonlijke ondersteuning bij werk in de vorm van jobcoaching in natura als volgt verstrekken: a. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van de gemeente; b. in natura, door middel van inzet van een jobcoach die werkzaam is in een dienstverband of in opdracht van een overheidsorgaan waarbij de voorziening is ingekocht; c. als subsidie in de vorm van een jobcoachcheque aan de werkgever of jobcoachorganisatie. 2. De in het vorige lid genoemde ondersteuning kan ook worden aangeboden bij andere voorzieningen, anders dan in dienstverband, gericht op arbeidsinschakeling. 3. Een jobcoach die de persoonlijke ondersteuning bij werk verzorgt moet: a. in het bezit zijn van het keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc; b. een Noloc geaccrediteerde opleiding volgen; of c.
binnen een redelijke termijn starten met een Noloc geaccrediteerde opleiding. 4. Indien de persoonlijke ondersteuning wordt verstrekt als subsidie, als bedoeld in het eerste lid onder c, is in afwijking van het eerste lid geen keurmerk Register Jobcoach van de beroepsvereniging Noloc nodig. Bij deze vorm van jobcoaching geeft de gemeente voorkeur aan een jobcoach in dienst bij een werkgever of jobcoachorganisatie die beschikt over het Blik op Werk-keurmerk of het OVAL-keurmerk. 5. Indien de jobcoaches niet over een (h)erkende kwaliteitstandaard beschikt, gaat de gemeente in overleg om minimale waarborgen af te spreken. 6. Een jobcoach als bedoeld in het vierde lid mag geen directe collega of leidinggevende van de werknemer zijn.
47/148
7.
De in te zetten jobcoaching wordt bepaald op basis van de voorwaarden zoals vermeld in de instrumentengids Dennis.
Artikel 6.2.8b Interne werkbegeleiding 1. De gemeente kan, ten behoeve van een persoon met een arbeidsbeperking, een subsidie verlenen aan een werkgever voor de aantoonbare meerkosten die verbonden zijn aan het organiseren van interne werkbegeleiding, indien de persoon voor het kunnen verrichten van zijn werk is aangewezen op begeleiding, die de gebruikelijke begeleiding door de werkgever en andere werknemers aanzienlijk te boven gaat. 2. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt uitsluitend verleend indien: a. de noodzaak hiertoe is gebleken uit een objectieve loonwaardemeting; b. de intern werkbegeleider een training heeft gevolgd, die hem in staat stelt werkbegeleiding te bieden aan een persoon met een arbeidsbeperking; en c. de intern werkbegeleider op vaste tijden beschikbaar is. 3. De subsidie voor een intern werkbegeleider wordt afgestemd op de behoefte van de werknemer, maar bedraagt maximaal zes maanden. 4. Indien de werknemer, na de periode als bedoeld in het vorige lid, nog niet in staat is zijn werkzaamheden, zonder ondersteuning van een intern werkbegeleider te verrichten, kan deze eenmalig worden verlengd met een periode van maximaal zes maanden. 5. De voorwaarden voor deze voorziening zijn, voor zover niet vastgelegd in deze verordening, nader uitgewerkt in de instrumentengids Dennis. 6.
Om de werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever in staat te stellen de werk-begeleiding te bieden, kan de gemeente deze werkgever of medewerkers in dienst van deze werkgever een training aanbieden. Artikel 6.2.9 Proefplaatsing 1. De gemeente kan, als dit door hem noodzakelijk wordt geacht, een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, van de wet die algemene bijstand ontvangt, toestemming verlenen om op een proefplaats bij een werkgever voor de duur van maximaal twee maanden onbeloonde werkzaamheden te verrichten met behoud van uitkering. De gemeente maakt daarbij geen gebruik van de wettelijke mogelijkheid tot verlenging met maximaal vier maanden. 2. Het doel van een proefplaatsing is de inschakeling van de persoon in arbeid bij een werkgever te bevorderen, waarbij de proefplaats voor een zo beperkt mogelijke duur wordt ingezet. 3. Voor een proefplaats wordt uitsluitend toestemming verleend als: a. de persoon, gelet op zijn vaardigheden en capaciteiten, tot de werkzaamheden in staat is; b. de gemeente verwacht dat de plaatsing bijdraagt aan het vergroten van de kans op arbeidsinschakeling; c. als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt; d.
de werkzaamheden van de persoon niet al eerder onbeloond door hem bij die werkgever, of diens rechtsvoorganger, zijn verricht; en e. de werkgever bij aanvang van de proefplaats schriftelijk de intentie heeft uitgesproken dat hij de persoon, bij gebleken geschiktheid, direct aansluitend aan zijn proefplaatsing, voor minimaal zes maanden, zonder proeftijd, in dienst zal nemen. 4. De gemeente weigert de toestemming als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder proefplaatsing kan worden aangenomen voor dat werk.
48/148
Artikel 6.2.10 Financiële ondersteuning 1. De gemeente kan in bijzondere situaties aan een bijstands- of uitkeringsgerechtigde een voorziening in de vorm van een gerichte tegemoetkoming in specifieke kosten in het kader van een re-integratietraject die praktische belemmeringen verwijderen verstrekken, indien aannemelijk is dat dit zal leiden tot duurzame uitstroom uit de uitkering. 2. Bij het al dan niet overgaan tot het verstrekken van deze voorziening wordt de situatie van de persoon integraal bekeken, waarbij in elk geval de vaardigheden van de persoon, de getoonde motivatie van de persoon, de (eventuele) bijdrage van de persoon en/of zijn netwerk en de hoogte van de kosten worden betrokken. 3. De tegemoetkoming, als bedoeld in het eerste lid, kan bestaan uit een incidentele vergoeding of een periodieke vergoeding. 4. De periodieke vergoeding kan voor de duur van maximaal zes maanden worden verstrekt. Indien dit naar het oordeel van de gemeente nodig is, kan deze periode worden verlengd. Artikel 6.2.11 Werkgeverscheque 1. De gemeente kan een vergoeding in de vorm van een werkgeverscheque verstrekken aan een werkgever die een arbeidsovereenkomst sluit met een werknemer met een afstand tot de arbeidsmarkt en die niet direct bemiddelbaar is. 2.
De werkgeverscheque wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. 3. De werkgeverscheque wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer. 4. De gemeente legt de hoogte van de werkgeverscheque en verdere voorwaarden vast in beleidsregels. Artikel 6.2.12 Uitstroompremie 1. De gemeente kan op verzoek eenmalig een uitstroompremie van € 500,00 toekennen aan een langdurig werkloze die duurzaam uitstroomt naar algemeen geaccepteerde arbeid en daardoor niet langer recht heeft op een bijstandsuitkering van de gemeente. 2. Een langdurig werkloze in de zin van het eerste lid is een persoon die gedurende een aaneengesloten periode van twaalf maanden of langer op een uitkering aangewezen is of is geweest. 3. Onder duurzaam in de zin van het eerste lid wordt verstaan een dienstverband van tenminste zes aaneengesloten maanden waaruit tenminste een inkomen wordt ontvangen waardoor geen recht meer bestaat op een bijstandsuitkering. 4. Een verzoek als bedoeld in het eerste lid, wordt binnen drie maanden nadat is voldaan aan de voorwaarden ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. 5.
Geen recht op uitstroompremie bestaat wanneer de persoon een dienstverband aangaat en de daaruit genoten inkomsten aantoonbaar niet heeft gemeld aan de gemeente. Artikel 6.2.12a Loonkostensubsidie kwetsbare werknemers 1. De gemeente kan een loonkostensubsidie, anders dan de loonkostensubsidie bedoeld in artikel 6.4.3, verstrekken aan werkgevers die met een kwetsbare, of uiterst kwetsbare werknemer een arbeidsovereenkomst sluiten. 2. De loonkostensubsidie, bedoeld in het eerste lid, bedraagt ten hoogste percentage 50% van de loonkosten gedurende maximaal 12 maanden respectievelijk 24 maanden ten behoeve van de kwetsbare respectievelijk de uiterst kwetsbare werknemer. 3. Onder kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die:
49/148
4. 5. 6.
a. voorafgaand aan de indienstneming gedurende 6 maanden geen reguliere betaalde betrekking heeft gevonden; en b. geen startkwalificatie bezit; en c. ouder is dan 40 jaar; of d. alleenstaande ouder is met thuiswonende kinderen. Onder uiterst kwetsbare werknemer wordt verstaan de persoon die onmiddellijk voorafgaand aan de indiensttreding ten minste 12 maanden werkloos is geweest. De loonkostensubsidie wordt uitsluitend verstrekt als hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en geen verdringing op de arbeidsmarkt plaatsvindt. De loonkostensubsidie wordt niet verstrekt als de werkgever op grond van een andere regeling aanspraak maakt op financiële tegemoetkomingen in verband met de indiensttreding van de werknemer of als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de persoon ook zonder loonkosten-subsidie kan worden aangenomen voor dat werk.
Artikel 6.2.13 Hardheidsclausule Indien hiervoor gegronde redenen zijn, kan de gemeente ten gunste van een persoon uit de doelgroep afwijken van de bepalingen in deze paragraaf.
Paragraaf 6.3 Tegenprestatie Artikel 6.3.1 Inhoud van een tegenprestatie 1. De gemeente kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden: a. naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt; b. niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument; c. worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en d. niet leiden tot verdringing. 2. De gemeente stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke aanvullende werkzaamheden de gemeente in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. Artikel 6.3.2 Het opdragen van een tegenprestatie 1. De gemeente kan een persoon met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een tegenprestatie opdragen. 2. De gemeente kan een persoon met een korte afstand tot de arbeidsmarkt uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen. 3. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met de volgende factoren: a. de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een persoon; b. de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van de persoon moeten in aanmerking worden genomen.
Artikel 6.3.3 Duur en omvang van een tegenprestatie 1. De tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale duur van 13 weken. 2. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week. 3. De tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts twee keer worden opgedragen. 50/148
4. De gemeente kan met verwijzing naar artikel 6.3.2, derde lid, ook besluiten geen tegenprestatie op te leggen.
51/148
Artikel 6.3.4 Geen werkzaamheden voorhanden 1. De gemeente draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie. 2. Indien de gemeente geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt de gemeente binnen vier maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.
Paragraaf 6.4 Loonkostensubsidie Artikel 6.4.1 Vaststelling wie tot doelgroep loonkostensubsidie behoort 1. De gemeente kan vaststellen of een persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. 2. Hierbij neemt de gemeente de volgende criteria in acht: a. een persoon moet behoren tot de doelgroep zoals omschreven in artikel 7, eerste lid, sub a, van de Participatiewet; of als bedoeld in 10d, tweede lid van de Participatiewet, b. die persoon is niet in staat met voltijdse arbeid het wettelijk minimumloon te verdienen, en c. die persoon heeft mogelijkheden tot arbeidsparticipatie. 3. Voorafgaand aan de vaststelling zoals bedoeld in het eerste lid, kan de gemeente een loonwaardemeting uitvoeren. 4. De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot het oordeel of een persoon tot de doelgroep loonkostensubsidie behoort. Deze derde neemt daarbij de in het tweede lid neergelegde criteria in acht. Artikel 6.4.2 Vaststelling loonwaarde 1. De gemeente maakt bij het vaststellen van de loonwaarde gebruik van een inzichtelijke loonwaardemethodiek die in elk geval voldoet aan de volgende criteria: a. de loonwaarde wordt berekend op basis van gegevens die zijn verkregen van de werkgever en de werknemer zelf; en b.
het instrument genereert een goed leesbare rapportage waarin ten minste de volgende gegevens zijn opgenomen: onderbouwing van de loonwaarde; begeleidingsbehoefte van de werknemer; inzicht in inzetbaarheid op taken; aanvullingen gedaan door de loonwaardespecialist. 2. De gemeente kan een derde inschakelen die de gemeente adviseert met betrekking tot de vaststelling van de loonwaarde van een persoon. Deze derde neemt daarbij de in de in het eerste lid genoemde methode in acht. Artikel 6.4.3 Specifiek aanvraagproces loonkostensubsidie 1. De gemeente verstrekt overeenkomstig artikel 10d, van de wet, ambtshalve of op aanvraag, loonkostensubsidie aan de werkgever die voornemens is een dienstbetrekking aan te gaan met een persoon die behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie. In geval van een aanvraag zijn het tweede tot en met het vijfde lid van dit artikel van toepassing. 2. De gemeente bevestigt de ontvangst van de aanvraag schriftelijk aan de werkgever, of als de aanvraag wordt gedaan door de persoon, aan de werkgever en de persoon. 3. Een aanvraag voor loonkostensubsidie wordt, als het een persoon betreft die nog niet behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, ook beschouwd als een aanvraag om vast te stellen of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 10c, eerste lid, onder a, van de wet. 52/148
4. 5.
[Als deze aanvraag is gedaan na het begin van de dienstbetrekking voor een persoon als bedoeld in artikel 10d, tweede lid, van de wet, wordt de vaststelling of de persoon behoort tot de doelgroep loonkostensubsidie bepaald door middel van de Praktijkroute.] De gemeente stelt binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever toepassing wordt gegeven aan artikel 10d, vijfde lid, van de wet. De gemeente neemt bij het verstrekken van de loonkostensubsidie het preferente proces loonkostensubsidie in acht.
53/148
Hoofdstuk 7.
Inkomen
Paragraaf 7.1 Individuele inkomenstoeslag Artikel 7.1.1 Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, lid 1 van de Participatiewet, wordt ingediend op de manier zoals beschreven in artikel 2.3.1, lid 1. Artikel 7.1.2 Langdurig laag inkomen en vermogen 1. Een inwoner heeft een langdurig laag inkomen en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 36, lid 1 Participatiewet als zijn inkomen gedurende de periode van 36 kalendermaanden voorafgaand aan de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) niet hoger was dan 115% van de toepasselijke bijstandsnorm en zijn vermogen gedurende deze periode niet hoger was dan de toepasselijke vermogensgrens. Onder inkomen wordt verstaan, inkomen zoals bedoeld in de Participatiewet en inkomen uit algemene bijstand. 2. In afwijking van het eerste lid kan de individuele inkomenstoeslag ook worden verstrekt indien er sprake is van een incidentele overschrijding van de inkomensgrens van maximaal € 150,00 gedurende maximaal 2 maanden en/of er sprake is van een marginale overschrijding van de inkomensgrens met enkele eurocenten. Artikel 7.1.3 Hoogte individuele inkomenstoeslag 1. Een individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. € 402,00 voor een alleenstaande; b. € 510,00 voor een alleenstaande ouder; c. € 571,00 voor gehuwden; 2.
Voor toepassing van het eerste lid is de situatie op de datum waartegen de individuele inkomenstoeslag wordt aangevraagd (peildatum) bepalend.
Paragraaf 7.2 Studietoeslag Vervallen
54/148
Paragraaf 7.3 Afstemming, verlaging en weigering Artikel 7.3.1 Horen 1. Voordat een verlaging van de (bijstands)uitkering wordt opgelegd of de uitkering blijvend of tijdelijk wordt geweigerd wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn mening in een gesprek naar voren te brengen. 2. Het horen van een belanghebbende kan achterwege blijven als: a. de vereiste spoed zich daartegen verzet; b. belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn mening naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; c. de gemeente het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; d. belanghebbende er voor kiest zijn mening schriftelijk naar voren te brengen; of e. belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel 7.3.2 Afzien van verlaging 1. De gemeente ziet af van een verlaging als: a. elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of b. de gedraging betrekking heeft op het niet nakomen van een arbeidsverplichting en die verplichting inmiddels weer volledig wordt nagekomen; of c. de gedraging meer dan één jaar voor constatering daarvan door de gemeente heeft plaatsgevonden. 2. De gemeente kan (gedeeltelijk) afzien van een verlaging als daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Artikel 7.3.3 Beschikking 1.
Het besluit tot het opleggen of het afzien van het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering of het blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt door toezending van een besluit aan de belanghebbende(n) bekend gemaakt. 2. In het besluit tot het opleggen van een verlaging van de (bijstands)uitkering worden in ieder geval vermeld: a. de reden van de verlaging; b. de duur van de verlaging; c. het bedrag of percentage waarmee de (bijstands)uitkering wordt verlaagd; en d. indien van toepassing, de reden om af te wijken van de standaardverlaging. 3. In het besluit tot het afzien van een verlaging van de (bijstands)uitkering als bedoeld in artikel 7.3.2 worden in ieder geval vermeld: a. de reden op grond waarvan normaalgesproken een verlaging zou zijn opgelegd; b. de duur van de verlaging die normaalgesproken zou zijn opgelegd; c. het bedrag of percentage waarmee normaalgesproken de (bijstands)uitkering zou zijn verlaagd; en d. de bijzondere reden waarom daar in dit geval van af wordt gezien. 4. In het besluit tot het (gedeeltelijk) blijvend of tijdelijk weigeren van de uitkering wordt in ieder geval vermeld waarom de uitkering tijdelijk of blijvend wordt geweigerd en waarom de gemeente niet vindt dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
55/148
Artikel 7.3.4 Ingangsdatum en periode van een verlaging 1. Een verlaging wordt toegepast op de (bijstands)uitkering of bijzondere bijstand die is verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet over de kalendermaand volgend op de maand waarin het besluit tot het opleggen van de verlaging aan een belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de op dat tijdstip voor die belanghebbende geldende hoogte van de (bijstands)uitkering. 2. Een verlaging kan met terugwerkende kracht worden toegepast op de (bijstands)uitkering over de periode waarop de gedraging betrekking heeft gehad of over de periode waarin de gedraging heeft plaatsgevonden als een verlaging overeenkomstig het eerste lid niet mogelijk is omdat de uitkering is beëindigd of ingetrokken of als de uitkering over die periode nog niet is uitbetaald. 3. Als een verlaging niet of niet geheel kan worden opgelegd als gevolg van de beëindiging of intrekking van de (bijstands)uitkering, wordt de verlaging of dat deel van de verlaging dat nog niet is uitgevoerd, alsnog beoordeeld op grond van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid als de belanghebben-de binnen de termijn als bedoeld in artikel 7.3.2, eerste lid, sub c, opnieuw een (bijstands)uitkering ontvangt. Artikel 7.3.5 Berekeningsgrondslag 1. Een verlaging wordt berekend over: a.
de toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, sub c, van de Participatiewet verminderd met de in aanmerking te nemen middelen; of b. de grondslag van de uitkering als bedoeld in artikel 5 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 5 van de Wet inkomensvoor-ziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen voor zover sprake is van een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen verminderd met het in aanmerking te nemen inkomen; 2. In aanvulling op het eerste lid kan een verlaging worden toegepast op de bijzondere bijstand als: a. aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de Participatiewet; of b. de verwijtbare gedraging van belanghebbende in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand daartoe aanleiding geeft. 3. Bij toepassing van het tweede lid, sub a, wordt de verlaging berekend over de toepasselijke bijstands-norm of grondslag van de uitkering inclusief de op grond van artikel 12 van de Participatiewet verleende bijzondere bijstand. 4. Bij toepassing van het tweede lid, sub b, wordt de verlaging berekend over de verleende bijzondere bijstand.
Artikel 7.3.6 Consequenties schenden geüniformeerde verplichtingen Als een belanghebbende een verplichting als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende één maand. Deze verlaging wordt in één keer verrekend. Artikel 7.3.7 Niet geüniformeerde verplichtingen 1. Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 9, 9a, 17, tweede lid, 55, 56a, tweede lid en 57 van de Participatiewet niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:
56/148
2.
a.
b.
c.
a. eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 2) het niet meewerken aan het in naam van de inwoner door de gemeente verrichten van betalingen van huur, gas water en stroom en de verplichte zorgverzekering uit de toegekende bijstand, zoals bepaald in artikel 56a, tweede lid van de Participatiewet. b. tweede categorie: 1) het onvoldoende nakomen van verplichtingen als bedoeld in de artikelen 9, eerste lid, of 55 van de Participatiewet, voor zover het gaat om een belanghebbende jonger dan 27 jaar, gedurende vier weken na een melding als bedoeld in artikel 43, vierde en vijfde lid, van de Participatiewet, voor zover deze verplichtingen niet worden genoemd in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet. c.
derde categorie: 1) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsverplichting uit artikel 17, tweede lid van de Participatiewet; 2) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, van de Participatiewet niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder, bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen of het meewerken aan een onderzoek hiernaar als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de Participatiewet; 4) Het niet of onvoldoende meewerken aan het verrichten van rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 57, eerste lid, aanhef en onder a van de Participatiewet. d. Vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen voor zover dit niet voortvloeit uit een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet.
Gedragingen van een belanghebbende waardoor een verplichting op grond van de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 37 en 38 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet of onvoldoende wordt nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: eerste categorie: 1) het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; tweede categorie: 1) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomens-voorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of de artikelen 36, eerste lid, en artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening; 2) het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de arbeids-inschakeling, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen.
derde categorie: 1) het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling;
57/148
2) het niet of onvoldoende nakomen van de medewerkingsplicht als bedoeld in artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening ouder en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 13, tweede lid van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 3) het niet of onvoldoende verrichten van een door de gemeente opgedragen tegenprestatie naar vermogen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub f, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; 4) het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen niet te willen nakomen, wat heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing van de arbeidsplicht voor een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 38, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen
zelfstandigen; 5) gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren; 6) Het niet of onvoldoende meewerken aan een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op het verkleinen van de afstand tot de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld een groepsworkshop of een werkervaringsplaats. e. vierde categorie: 1) het niet naar vermogen proberen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; 2) het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; 3) het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid; 4) het niet of onvoldoende gebruik maken van een door de gemeente aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikelen 36, eerste lid, en 37, eerste lid, sub e, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, voor zover dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van die voorziening.
5) Het niet of onvoldoende nalaten van hetgeen de inschakeling in de arbeid belemmert als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de artikel 37, eerste lid, onderdeel d van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen. Artikel 7.3.8 Consequenties schenden niet geüniformeerde verplichtingen De verlaging, bij gedragingen als bedoeld in de 7.3.7, wordt vastgesteld op: a. 10% gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie; b. 30% gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie; c. 50% gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie; d. 100% gedurende één maand bij gedragingen van de vierde categorie.
58/148
Artikel 7.3.9 Consequenties tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, artikel 20, tweede lid IOAW of artikel 20, eerste lid IOAZ wordt afgestemd op het netto benadelingsbedrag. 2. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand als het benadelingsbedrag niet is vast te stellen; b. 30% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-; c. 50% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000,- tot € 4.000,-; d. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij een benadelingsbedrag van € 4.000,of hoger. e. 100% van de (bijstands)uitkering van de eerste volledige kalendermaand na toekenning van de uitkering, als een belanghebbende direct voorafgaand aan de aanvraag verwijtbaar werkloos is geworden. 3. In aanvulling op het eerste lid kan bijstand worden verschaft in de vorm van een lening i.p.v. om niet als de belanghebbende voorafgaand aan de algemene bijstand middelen tot zijn beschikking had waarmee in het levensonderhoud kon worden voorzien als belanghebbende deze middelen niet bovenmatig had besteed.
Onder bovenmatig wordt verstaan meer uitgeven dan vaste lasten en redelijkerwijs op grond van NIBUD-normen aan levensonderhoud kan worden besteed en als blijkt dat belanghebbende geen inspanningen heeft verricht de lasten op een lager niveau te brengen teneinde een beroep op bijstand te voorkomen. Artikel 7.3.10 Consequenties zeer ernstige misdragingen Als een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover personen en instanties die zijn belast met de uitvoering van de Participatiewet als bedoeld in artikel 9, zesde lid, van die wet, of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet of de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onder g van die wet kan een verlaging worden opgelegd van: a. 60% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van verbaal geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen; b. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen materiële zaken en bij mondelinge of schriftelijke bedreigingen gericht tegen de in het eerste lid genoemde personen; c. 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand, bij het uitoefenen van fysiek geweld tegen de in het eerste lid genoemde personen.
Artikel 7.3.11 Consequenties niet nakomen van overige verplichtingen Als een belanghebbende een door de gemeente opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op: a. 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling; b. 20% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
59/148
c. d.
40% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand; 100% van de (bijstands)uitkering gedurende één maand bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
Artikel 7.3.12 Samenloop van gedragingen 1. Als sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt één verlaging opgelegd. Voor het bepalen van de hoogte en duur van de verlaging wordt uitgegaan van de gedraging waarop de hoogste verlaging is gesteld. Is sprake van een geüniformeerde gedraging dan gaat deze voor. 2. Als sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in deze paragraaf of artikel 18, vierde lid, of artikel 18b van de Participatiewet genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. 3. Als de gemeente de uitkering op grond van artikel 20, eerste lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers of artikel 20, tweede lid, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen blijvend of tijdelijk weigert en de gedraging die tot deze weigering heeft geleid tevens op grond van deze paragraaf tot een verlaging zou kunnen leiden, blijft een verlaging ter zake van die gedraging achterwege. Artikel 7.3.13 Recidive 1.
Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de Participatiewet, bedraagt de verlaging 100% van de bijstand gedurende twee maanden. 2. Als een belanghebbende zich binnen 24 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een niet-geüniformeerde gedraging als bedoeld in deze paragraaf opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt telkens de duur van de verlaging verdubbeld. 3. Als een belanghebbende zich binnen 12 maanden na bekendmaking van een besluit waarmee toepassing is gegeven aan het tweede lid opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt het verlagingspercentage, in aanvulling op het tweede lid, verdubbeld tot maximaal 100 %. 4. Als bij een gedraging in verband met dringende redenen is afgezien van het opleggen van een verlaging dan wordt deze gedraging in het kader van de recidivebeoordeling gezien als een gedraging waarvoor een verlaging is opgelegd.
60/148
Hoofdstuk 8.
Toezicht en bestrijding van misbruik
Paragraaf 8.1 Maatschappelijke ondersteuning Artikel 8.1.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Wmo 2015 aan de gemeente. Artikel 8.1.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Wmo 2015 en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Wmo 2015 wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3. Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaan-bieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van de zorgaanbieder teruggeëist. 4. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 5.
Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner worden teruggevorderd.
Paragraaf 8.2 Jeugdhulp Artikel 8.2.1 Inlichtingenplicht 1. De inwoner of zijn ouders doen aan de gemeente op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing tot toekenning van een individuele voorziening. 2. De in het eerste lid genoemde verplichting geldt niet als zich een uitzonderingssituatie als bedoeld in artikel 8.1.2, tweede lid van de Jeugdwet voordoet. Artikel 8.2.2 Toezicht rechtmatigheid 1. Gelet op artikel 2.9, aanhef en onder d van de Jeugdwet wijst de gemeente een toezichthouder aan zoals bedoeld in artikel 5:11 van de Awb. 2. De toezichthouder wordt belast met het toezicht op de Jeugdwet ter voorkoming en bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet. 3. De toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Jeugdwet aan de gemeente.
61/148
Artikel 8.2.3 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van de Jeugdwet en verantwoordt dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Jeugdwet wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein. 3. De gemeente kan een eerdere beslissing tot het toekennen van een individuele voorziening herzien of intrekken als: a. de inwoner of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; b. de inwoner of zijn ouders niet langer op de individuele voorziening zijn aangewezen; c. de individuele voorziening niet meer toereikend is te achten; d. de inwoner of zijn ouders niet (langer) voldoen aan de voorwaarden voor de individuele voorziening; of e. de inwoner of zijn ouders de individuele voorziening niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor deze bestemd is. 4.
Indien een voorziening door het niet nakomen van de contractuele verplichtingen van de zorgaan-bieder geheel of gedeeltelijk ten onrechte aan deze zorgaanbieder is betaald, wordt het ten onrechte betaalde op civielrechtelijke gronden van zorgaanbieder teruggeëist. 5. Indien ten onrechte aan de zorgaanbieder is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de zorgaanbieder wordt hiervan aangifte gedaan bij de Officier van Justitie. 6. Indien ten onrechte is betaald als gevolg van het verstrekken van onjuiste gegevens door de inwoner of zijn ouders waarbij sprake is van opzet dan kan het ten onrechte verstrekte van de inwoner of zijn ouders worden teruggevorderd.
Paragraaf 8.3 Werk en inkomen Artikel 8.3.1 Toezicht rechtmatigheid De op grond van artikel 76a van de Participatiewet, artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, en artikel 53 van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen aangewezen toezichthouder houdt namens de gemeente toezicht en geeft gevraagd en ongevraagd advies over de uitvoering van de Participatiewet, IOAW en IOAZ aan de gemeente. Artikel 8.3.2 Handhaving rechtmatigheid 1. De gemeente geeft planmatig uitvoering aan het voorkomen en bestrijden van het ten onrechte ontvangen van bijstand en uitkeringen, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de Participatiewet, IOAW en IOAZ en verantwoord dit jaarlijks aan de raad. 2. Bij de planning en uitvoering van handhaving en toezicht op de Participatiewet, IOAW en IOAZ wordt actief het verband gelegd met handhaving en toezicht op de andere domeinen binnen het sociaal domein.
62/148
Hoofdstuk 9.
Sociaal Medische Indicatie
Paragraaf 9.1 Algemene bepalingen Artikel 9.1.1 Toepassingsbereik De bepalingen uit hoofdstuk 2 van deze verordening zijn niet van toepassing op dit hoofdstuk. Artikel 9.1.2 Begrippen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. kind: jeugdige tot en met einde basisschool die als ingezetene op hetzelfde woonadres als de ouders is ingeschreven in de Basisregistratie Personen; b. kinderopvang: dagopvang of buitenschoolse opvang op grond van de wet geleverd door een kindercentrum of gastouderbureau dat geregistreerd is in het Landelijk Register Kinderopvang; c. kinderopvangtoeslag: de vergoeding van het Rijk in de kosten van kinderopvang als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder j, van de wet; d. maximum uurtarief: het jaarlijks door de Belastingdienst vastgestelde landelijk maximum uurtarief per opvangsoort; e. ouders: degene(n) die juridisch of feitelijk verantwoordelijk is (zijn) voor de dagelijkse zorg van het kind, waaronder worden begrepen ouders, pleegouders en voogden; f. sociaal-medisch adviseur: een jeugdarts van het CJG; g. sociaal-medische gronden: lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem van de ouders waardoor zij onvoldoende voor het kind kunnen zorgen en als de ontwikkelingskansen van het kind hierdoor onder druk staan; h.
sociaal medische indicatie: een schriftelijk advies van een daartoe door de gemeente aangewezen deskundige dat de noodzaak van kinderopvang gemotiveerd omschrijft; i. tegemoetkoming: bijdrage in de kosten van kinderopvang op basis van sociaal-medische gronden; j. voorliggende voorziening: elke mogelijkheid om in kinderopvang te voorzien waarvan door de aanvragende ouder gebruik kan worden gemaakt, waaronder een andere financiële tegemoetkoming (zoals onder andere via de aanvullende ziektekostenverzekering, een voorziening op grond van de wet of de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015) of adequate kinderopvang in de informele sfeer; k. wet: Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen. Artikel 9.1.3 Doelstelling en doelgroep 1. Het doel van deze regeling is om ouders tijdelijk te ontlasten dan wel de ontwikkeling van kinderen te bevorderen. 2. Deze regeling is van toepassing op ouders: a. met een aantoonbare lichamelijke, zintuigelijke, verstandelijke beperking of een sociaal en/of psychisch probleem; b. die volgens de Basisregistratie Personen woonachtig zijn in de gemeente Lansingerland; c. die beschikken over een Nederlandse nationaliteit of een rechtmatig verblijf in Nederland hebben; d. die geen recht hebben op kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst; en e.
van wie is vastgesteld dat een of meer van de beperkingen, als genoemd onder a, opvang van het kind of de kinderen tot de middelbare school leeftijd, noodzakelijk maken of ten aanzien van wie is vastgesteld dat kinderopvang in het belang van een goede en gezonde ontwikkeling van het kind of de kinderen noodzakelijk is.
63/148
Artikel 9.1.4 Aanspraak op een tegemoetkoming 1. De gemeente kan aan de ouder als bedoeld in artikel 9.1.3 met inachtneming van deze verordening een tegemoetkoming verlenen. 2. Bij de bepaling van de noodzaak, zoals bedoeld in artikel 9.1.3, lid 2, onder e, houdt de gemeente rekening met de mogelijke inzet van passende voorliggende voorzieningen voor opvang van het kind.
Paragraaf 9.2 Aanvraagprocedure Artikel 9.2.1 Indiening van de aanvraag De aanvraag voor een tegemoetkoming wordt op een door de gemeente beschikbaar gesteld formulier ingediend. Artikel 9.2.2 Advies De gemeente vraagt voor de beoordeling van de aanvraag advies over de noodzaak, duur en de omvang van de kinderopvang aan een sociaal-medisch adviseur met voldoende adequate deskundigheid.
Paragraaf 9.3 Verlening van de tegemoetkoming Artikel 9.3.1 Beslistermijn 1. De gemeente neemt binnen de wettelijke termijn van 8 weken een besluit op de aanvraag. 2. De termijn zoals genoemd in lid 1 kan met 6 weken worden verlengd. Artikel 9.3.2 Afwijzingsgronden De gemeente wijst een aanvraag voor een tegemoetkoming af als: a. de ouder niet behoort tot de doelgroep als bedoeld in artikel 9.1.3; b. de kinderopvang niet noodzakelijk is; c. de kinderopvang naar verwachting van de gemeente niet zal plaatsvinden; d. de ouder aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening. Artikel 9.3.3 Ingangsdatum, omvang en duur 1. De tegemoetkoming wordt verleend met ingang van de datum waarop de kinderopvang op grond van de indicatie daadwerkelijk start. 2. De tegemoetkoming wordt verleend voor maximaal 6 dagdelen per week voor dagopvang en drie dagdelen per week voor buitenschoolse opvang. 3. De gemeente verleent de tegemoetkoming voor maximaal 12 maanden. 4. Verlenging is slechts mogelijk als uit onderzoek blijkt dat er voor de situatie geen andere oplossing is en er een nieuw advies is afgegeven. Artikel 9.3.4 Eigen bijdrage 1. De ouders zijn een eigen bijdrage verschuldigd overeenkomstig de methodiek van de kinderopvangtoeslag van de Belastingdienst. 2.
Er is geen eigen bijdrage verschuldigd wanneer de ouders een netto-inkomen hebben dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet.
64/148
Artikel 9.3.5 Hoogte tegemoetkoming 1. Voor de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming wordt aangesloten bij het geldende maximum uurtarief van de Belastingdienst zoals opgenomen in het Besluit kinderopvangtoeslag. 2. Ouders met een netto-inkomen dat lager is dan 115% van de geldende bijstandsnorm, als bedoeld in artikel 21 van de Participatiewet komen in aanmerking voor een vergoeding van ten hoogste € 11,50 per uur voor een kindercentrum en € 10 per uur voor een gastouderbureau. 3. De tegemoetkoming wordt in de vorm van maandelijkse termijnen uitbetaald aan het kindercentrum of aan het gastouderbureau.
Paragraaf 9.4 Verplichtingen van de ouder Artikel 9.4.1 Inlichtingenplicht De ouders doen aan de gemeente op verzoek of direct uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed zijn of kunnen zijn op de aanspraak op de tegemoetkoming of de hoogte daarvan.
Paragraaf 9.5 Overige bepalingen Artikel 9.5.1 Herziening en intrekking De gemeente kan het recht op de tegemoetkoming herzien of intrekken als: a. het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 9.4.1 heeft geleid tot een ten onrechte of te hoog verstrekte tegemoetkoming; of b. anderszins een tegemoetkoming teveel is verstrekt. Artikel 9.5.2 Terugvordering Als de gemeente een besluit tot herziening of intrekking als bedoeld in artikel 9.5.1 heeft genomen, kan de gemeente de ten onrechte of te veel verstrekte tegemoetkoming terugvorderen.
65/148
Hoofdstuk 10.
Slotbepalingen
Paragraaf 10.1 Uitwerking en evaluatie Artikel 10.1.1 Nadere regels Voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van deze verordening, kan de gemeente nadere regels vaststellen.
Paragraaf 10.2 Rechtskracht Artikel 10.2.1 Inwerkingtreding Deze verordening treedt op 1 januari 2023 in werking. Artikel 10.2.2 Intrekken oude verordeningen De Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2022, zoals vastgesteld op 24 november 2022 (T22.04042), wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Artikel 10.2.3 Overgangsrecht 1. Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening. 2. Bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten die op grond van de oude verordening zijn genomen, maar waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van de oude verordening die hiervoor zijn geldigheid behoudt. 3. Voor de in deze verordening en de oude verordening opgenomen tarieven geldt dat het op het moment van aanvraag geldende tarief wordt gehanteerd. Indien een Pgb wordt toegekend dan is het oude tarief, indien dit hoger ligt dan het tarief op grond van deze verordening, voor maximaal 6 maanden van toepassing. 4. Een inwoner behoudt zijn recht op een lopende voorziening, welke is verstrekt op grond van de oude verordening, totdat de gemeente een nieuw besluit heeft genomen.
De gemeente neemt hierbij een redelijke overgangstermijn van zes maanden in acht, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om dat niet te doen. 5. De artikelen 4:15a t/m 4:15e van de oude verordening, inzake de blijverslening, behouden hun geldigheid voor lopende leningen voor zolang de looptijd die lopende lening nog niet is verstreken. Artikel 10.2.4 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: “Verordening Sociaal Domein” of “Verordening Sociaal Domein gemeente Lansingerland 2023”.
66/148
Ondertekening Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Lansingerland in de openbare raadsvergadering van 20 februari 2025.
de griffier,
de voorzitter
drs. Eveline Hamelink-van Rens
drs. Pieter van de Stadt
67/148
Bijlage Richtlijn gebruikelijke zorg Kinderen van 0 tot ongeveer 3 jaar
Hebben 24 uur per dag zorg in de nabijheid nodig; Hebben volledige overname van zelfzorg nodig; Hebben voortdurend begeleiding en toezicht nodig. Kinderen van 3 tot ongeveer 5 jaar Hebben overdag voortdurend begeleiding en toezicht en overname van zelfzorg nodig; Hebben ’s nachts soms nog begeleiding en overname van zelfzorg nodig; De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 3 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind met ernstige meervoudige beperkingen (EMB). Kinderen met een EMB hebben een ernstige verstandelijke beperking met een blijvend zeer laag ontwikkelingsperspectief en een ernstige motorische beperking. Meestal is ook sprake van zintuiglijke problemen (waaronder prikkel-verwerkingsstoornissen) en/of somatische aandoeningen (zoals epilepsie, reflux, slikproblemen, luchtweginfecties et cetera). Kinderen van 5 tot ongeveer 8 jaar Hebben overdag nog voortdurend begeleiding en aansturing nodig; het toezicht kan op enige afstand plaatsvinden; Zijn in toenemende mate zelfstandig in de zelfzorg en motoriek; Hebben overdag op geplande en soms op ongeplande momenten hulp bij of enige overname van zelfzorg nodig.
De zorg voor kinderen vanaf ongeveer 5 jaar kan de gebruikelijke zorg overstijgen als het gaat om een kind dat intensief toezicht (maar geen actieve observatie) nodig heeft in verband met blijvende ernstige ontwikkelingsachterstand in combinatie met (geobjectiveerde) ernstige gedragsproblemen. Of als er een blijvende noodzaak is om de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) volledig over te nemen, in combinatie met blijvende beperkingen in de sociale redzaamheid en cognitief functioneren. Of als er sprake is van een blijvend laag cognitief ontwikkelingsperspectief, in combinatie met beperkingen op meerdere terreinen, zoals bewegen en verplaatsen, ADL, gedrag. Kinderen vanaf 8 tot ongeveer 12 jaar Hebben geen 24 uur per dag zorg in de nabijheid meer nodig ter voorkoming van ernstig nadeel; Zijn in toenemende mate zelfstandig in zelfzorg en motoriek, maar hebben nog wel ondersteuning nodig bij persoonlijke verzorging. Verder kan toezicht kan in toenemende mate op afstand. Bijvoorbeeld bij buitenspelen; Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen. 68/148
Kinderen vanaf 12 tot ongeveer 18 jaar Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen. Zij kunnen in toenemende mate alleen gelaten worden. Vaak eerst een tot enkele uren en hoe verder zij zich ontwikkelen hoe langer dat kan. Verder kunnen zij met beperkt toezicht hun zelfzorg uitvoeren. Wel hebben zij bij gebruik van medicatie toezicht, stimulans en controle nodig; Hebben begeleiding en stimulans van volwassenen nodig om hun zelfstandigheid, zelfredzaamheid en ontplooiing te ontwikkelen.
69/148
Toelichting Verordening Sociaal Domein 2023 gemeente Lansingerland
70/148
Hoofdstuk 1.
Algemene bepalingen
Paragraaf 1.1. Definities Artikel 1.1.1 Begrippen wetgever Om verwarring te voorkomen wordt in deze verordening in beginsel dezelfde betekenis aan begrippen toegekend als in de Algemene wet bestuursrecht, de Gemeentewet, de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, de Jeugdwet, de Participatiewet, de IOAW, de IOAZ en de Wet gemeentelijke schuldhulpverlening. Omdat deze verordening regels stelt voor het gehele sociale domein en de wetgever niet in alle wetten dezelfde uniforme begrippen hanteert laat deze bepaling wel een afwijking van deze hoofdregel toe; waar dat blijkt uit deze verordening. Artikel 1.1.2 Begrippen verordening
Dit artikel spreekt voor zich.
Paragraaf 1.2 Toepassingsbereik Artikel 1.2.1 Sociaal Domein Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 1.2.2 Beschermd wonen en maatschappelijke opvang De maatwerkvoorzieningen beschermd wonen en maatschappelijke opvang op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 worden verstrekt door de gemeente Rotterdam. Onder de Wmo 2007 betrof dit een door de gemeente Rotterdam uitgevoerde centrumtaak. In regioverband zijn afspraken gemaakt op grond waarvan deze taken ook onder de Wmo 2015 worden uitgevoerd door de gemeente Rotterdam. Dit past binnen de in artikel 2.6.1, eerste lid van de Wmo 2015 gegeven opdracht om samen te werken als dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van de Wmo 2015 aangewezen is. Met het oog op de uitvoerbaarheid en rechtseenheid in de regio wordt dit uitgevoerd conform de door de gemeenteraad van Rotterdam vastgestelde verordening. Dit artikel vormt hiervoor de juridische basis. Artikel 1.2.3 Strijd met de wet Dit artikel spreekt voor zich. Artikel 1.2.4 Klachtenreglement Dit artikel spreekt voor zich.