CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.00726] Juridische regels omgevingsplan gemeente Lansingerland - Bouwsteen 1 bestaande woonwijken.

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken31.082 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Afdeling 5.3.8 Geluidgevoelige gebouwen Artikel 5.98 Toepassingsbereik (5.78r Bkl) Deze afdeling gaat over het toevoegen en veranderen van geluidgevoelige gebouwen en het wijzigen van gebruik van gebouwen zodat geluidgevoelige gebouwen ontstaan.

Artikel 5.99 Vergunningplichtige activiteiten Het is verboden om zonder omgevingsvergunning geluidgevoelige gebouwen te bouwen, te veranderen of uit te breiden of gebouwen te gebruiken zodat een geluidgevoelig gebouw ontstaat.

Artikel 5.100 Beoordelingsregels 1 De vergunning bedoeld in Artikel 5.99 kan worden verleend als wordt voldaan aan de standaardwaarden bedoeld in Paragraaf 5.2.1.5.

2 Als niet wordt voldaan aan de standaardwaarden kan de vergunning slechts worden verleend als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er kunnen geen geluidbeperkende maatregelen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; b. de overschrijding van de waarde standaardwaarde wordt zoveel mogelijk beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen die financieel doelmatig zijn en waartegen geen overwegende bezwaren bestaan van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan; c. het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de toepasselijke grenswaarde; d. het gecumuleerde geluid niet hoger is dan 65 dB Lcum.

64

e. en het gezamenlijke geluid niet hoger is dan 65 dB Lden.

3 In afwijking van het bepaalde in lid 2 onder c kan de vergunning bedoeld in Artikel 5.99 worden verleend: a. als de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden; b. het geluidgevoelige gebouw wordt gerealiseerd op een locatie ter vervanging van een op het tijdstip van vaststelling van het wijzigingsbesluit Bouwsteen 1 bestaand geluidgevoelig gebouw; en c. het aantal geluidgevoelige gebouwen met meer geluid dan de grenswaarde niet wezenlijk toeneemt.

4 In afwijking van het bepaalde in lid 2 onder c kan de vergunning bedoeld in Artikel 5.99 worden verleend als: a. sprake is van een wijziging van een gebruiksfunctie van een bestaand bouwwerk dat geen geluidgevoelig gebouw is; en b. de grenswaarde met niet meer dan 5 dB wordt overschreden.

5 Bij de toepassing van het tweede lid van dit artikel wordt het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel betrokken.

6 Bij de toepassing van het derde en vierde lid van dit artikel wordt rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel.

Artikel 5.101 Aanvullende aanvraagvereisten Bij de aanvraag om een vergunning als bedoeld in Artikel 5.99 worden in aanvulling op het bepaalde in Artikel 5.49 ook de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. een akoestisch onderzoek naar: 1. het geluid dat het toe te voegen of te wijzigen geluidgevoelige gebouw binnen het aandachtsgebied zal ondervinden; 2. het geluid dat het toe te voegen of te wijzigen geluidgevoelige gebouw binnen het aandachtsgebied in de toekomst zou ondervinden zonder de invloed van maatregelen die de geluidsbelasting beperken; 3. de doeltreffendheid van de in aanmerking komende verkeersmaatregelen en andere maatregelen om te voorkomen dat het geluid op het toe te voegen of te wijzigen geluidgevoelige gebouw de standaardwaarde, zijnde 53 Lden, te boven zou gaan; b. een beschrijving van de voorgenomen maatregelen, bedoeld onder a, onder 3°.

Afdeling 5.3.9 Horeca Paragraaf 5.3.9.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.102 Aanwijzing activiteit: horeca daghoreca en avondhoreca Als horeca-activiteit wordt aangewezen horecabedrijven met geen of beperkte invloed op de woon- en leefomgeving, waaronder: a. daghoreca: winkelondersteunende horecabedrijven, die zich richten op het winkelend publiek, zoals

65

croissanteries, ijssalons, tearooms, lunchrooms en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven; b. avondhoreca: horecabedrijven die zich in hoofdzaak richten op het nuttigen en/of afhalen van ter plaatse bereide etenswaren en gebruik van verstrekte alcoholische dranken, zoals restaurants, grandcafé's, brasseries, eetcafés, grillrooms en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

Artikel 5.103 Aanwijzing activiteit: horeca uitgaansgelegenheid Als horeca-activiteiten worden aangewezen horecabedrijven die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en/of gelegenheid bieden voor dansen, zoals cafés, bars, dancings, discotheken, partycentra en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

Artikel 5.104 Aanwijzing activiteit: horeca nachtverblijf Als horeca-activiteiten worden aangewezen horecabedrijven die zich in hoofdzaak richten op het verstrekken van nachtverblijf en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is, zoals hotels, pensions en daarmee gelijk te stellen horecabedrijven.

Artikel 5.105 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van de gezondheid; c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; d. het doelmatig beheer van afvalwater; e. het voorkomen of beperken van geurhinder; f. het voorkomen of beperken van geluidhinder.

Paragraaf 5.3.9.2 Algemene regels Artikel 5.106 Algemene regels horeca Nieuwvestiging van horeca is verboden als de activiteit in de plaats komt van: a. een of meerdere bestaande woningen; b. maatschappelijke activiteiten.

Paragraaf 5.3.9.3 Functiemenging Artikel 5.107 Toegestane activiteiten De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.102 zijn toegestaan.

Paragraaf 5.3.9.4 Functie op locatie Artikel 5.108 Toegestane activiteiten 1 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.102 zijn toegestaan in het werkingsgebied Horeca 1a daghoreca horeca 1b avondhoreca.

2 Dit artikellid is gereserveerd om locaties aan te wijzen waar andere horeca is toegestaan dan in lid 1 opgenomen. In Bouwsteen 1 Woonwijken komt dit niet voor.

66

3 Dit artikellid is gereserveerd om locaties aan te wijzen waar andere horeca is toegestaan dan in lid 1 opgenomen. In Bouwsteen 1 Woonwijken komt dit niet voor.

Paragraaf 5.3.9.5 Vergunningplicht Artikel 5.109 Vergunningplichtige activiteiten Het is verboden om de in Artikel 5.102 aangewezen activiteiten zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 5.110 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.109 wordt verleend als de activiteit: a. niet in de plaats komt van een of meerdere bestaande woningen; b. niet in de plaats komt van maatschappelijke activiteiten; c. in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen van het gebiedstype waar de aangewezen activiteit wordt verricht; d. plaatsvindt overeenkomstig de geldende waarden uit Afdeling 5.2.1; e. de privacy van omwonenden niet onevenredig aantast; f. inpasbaar is met het oog op de verkeersveiligheid; g. inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; h. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aantast; i. geen aantasting vormt van het gewenste voorzieningenniveau.

Afdeling 5.3.10 Kantooractiviteiten Paragraaf 5.3.10.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.111 Aanwijzing activiteit: kantooractiviteit Als kantooractiviteiten worden aangewezen het houden van een zelfstandig kantoor waarin administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden (al dan niet met een baliefunctie) plaatsvinden, zoals een advocatenkantoor.

Artikel 5.112 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op het beschermen van: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van geluidhinder; c. het doelmatig beheer van afvalwater; d. het voorkomen of beperken van geurhinder; en e. de gezondheid.

Paragraaf 5.3.10.2 Functie op locatie Artikel 5.113 Toegestane activiteiten 1 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.111 zijn alleen toegestaan in het werkingsgebied Kantoor.

2 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.111 zijn alleen toegestaan op de verdieping in het werkingsgebied

67

Kantoor op de verdieping.

Afdeling 5.3.11 Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties Artikel 5.114 Toepassingsbereik 1 Deze afdeling is van toepassing op het bouwen of het gebruik van gebouwen te wijzigen zodat een beperkt kwetsbaar of kwetsbaar gebouw ontstaat.

2 Deze afdeling is van toepassing op het gebruiken van gronden als beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie of het gebruik te wijzigen zodat een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie ontstaat.

Artikel 5.115 Vergunningplichtige activiteiten Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteiten bedoeld in artikel Artikel 5.114 zonder vergunning te verrichten.

Artikel 5.116 Beoordelingsregels 1 De vergunning bedoeld in artikel Artikel 5.115 kan worden verleend indien is gewaarborgd dat maatregelen zijn getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties.

2 De vergunning bedoeld in artikel Artikel 5.115 kan worden verleend indien is gewaarborgd dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt is.

Afdeling 5.3.12 Maatschappelijke activiteiten Paragraaf 5.3.12.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.117 Aanwijzing activiteit: maatschappelijk overheid, medisch en sociaal-cultureel Als maatschappelijke activiteiten worden aangewezen: overheids-, medische, sociaal-culturele en vergelijkbare voorzieningen.

Artikel 5.118 Aanwijzing activiteit: maatschappelijk onderwijs en kinderopvang Als maatschappelijk activiteiten worden aangewezen: a. kinderdagverblijven, kinderopvang; b. onderwijsinstellingen.

Artikel 5.119 Aanwijzing activiteit: maatschappelijk religie en levensbeschouwing Als maatschappelijke activiteiten worden aangewezen: activiteiten van levensbeschouwelijke en religieuze aard.

Artikel 5.120 Aanwijzing activiteit: maatschappelijk zorgwoning Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen een al dan niet zelfstandige woning gerelateerd aan een

68

zorginstelling, ten behoeve van de bewoner(s) met een geïndiceerde zorgbehoefte, die ondersteund moeten worden in de dagelijkse activiteiten.

Artikel 5.121 Aanwijzing activiteit: maatschappelijk begraafplaats Als maatschappelijke activiteit wordt aangewezen het gebruiken van gronden voor een begraafplaats.

Artikel 5.122 Functioneel ondersteunende activiteiten bij maatschappelijke activiteiten Als functioneel ondersteunende activiteiten bij maatschappelijke activiteiten worden aangewezen: a. ruimte voor ontmoeting; b. horeca als bedoeld in Artikel 5.102.

Artikel 5.123 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van geluidhinder; en c. de gezondheid.

Paragraaf 5.3.12.2 Algemene regels Artikel 5.124 Algemene regels maatschappelijke activiteiten 1 Nieuwvestiging van maatschappelijke activiteiten is verboden als de activiteit in de plaats komt van een of meerdere bestaande woningen.

2 De in Artikel 5.122 aangewezen activiteiten zijn toegeslaan bij de volgende hoofdactiviteiten: a. Maatschappelijke activiteiten als bedoeld in Artikel 5.120.

Paragraaf 5.3.12.3 Functiemenging Artikel 5.125 Toegestane activiteiten 1 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.117 zijn toegestaan.

2 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.118 zijn toegestaan.

Paragraaf 5.3.12.4 Functie op locatie Artikel 5.126 Toegestane activiteiten 1 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.118 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Maatschappelijk onderwijs en kinderopvang.

69

2 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.119 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Maatschappelijk religie en levensbeschouwing.

3 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.120 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Maatschappelijk zorgwoning.

4 In het werkingsgebied Maximaal 56 zorgwoningen zijn maximaal 56 zorgwoningen toegestaan.

5 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.121 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Maatschappelijk begraafplaats.

Paragraaf 5.3.12.5 Vergunningplicht Artikel 5.127 Vergunningplichtige activiteiten 1 Het is verboden om de in Artikel 5.118 aangewezen activiteiten zonder omgevingsvergunning te verrichten.

2 Het is verboden om de in Artikel 5.120 aangewezen activiteiten zonder omgevingsvergunning te verrichten.

Artikel 5.128 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.127 wordt verleend als de activiteit: a. niet in de plaats komt van een of meer bestaande woningen; b. in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen van het gebiedstype waar de aangewezen activiteit wordt verricht; c. plaatsvindt overeenkomstig de geldende waarden uit Afdeling 5.2.1; d. de privacy van omwonenden niet onevenredig aantast; e. inpasbaar is met het oog op de verkeersveiligheid; f. inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; g. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aantast; h. geen aantasting vormt van het gewenste voorzieningenniveau.

Afdeling 5.3.13 Recreatie Paragraaf 5.3.13.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.129 Aanwijzing activiteit: dagrecreatie beperkt aantal recreanten Als recreatie-activiteit wordt aangewezen dagrecreatie in de openlucht met een beperkt aantal recreanten per oppervlakte-eenheid zoals wandelen, fietsen, skaten, vissen en natuurobservatie en daaraan ondergeschikte activiteiten.

70

Artikel 5.130 Aanwijzing activiteit: dagrecreatie groot aantal recreanten Als recreatie-activiteit wordt aangewezen dagrecreatie in de openlucht met een relatief groot aantal recreanten per oppervlakte-eenheid zoals zeilen, varen, duiken en surfen en daaraan ondergeschikte activiteiten.

Artikel 5.131 Aanwijzing activiteit: recreatief nachtverblijf Als recreatie-activiteit wordt aangewezen vormen van recreatief nachtverblijf waarbij sprake is van overnachting en daaraan ondergeschikte activiteiten.

Artikel 5.132 Aanwijzing activiteit: recreatie manege Als recreatieactiviteit wordt aangewezen een manege.

Artikel 5.133 Aanwijzing activiteit: recreatie volkstuinencomplex Als recreatieactiviteit wordt aangewezen een volkstuinencomplex.

Artikel 5.134 Aanwijzing activiteit: recreatie buitenschietbaan Als recreatieactiviteit wordt aangewezen een civiele buitenschietbaan.

Artikel 5.135 Aanwijzing activiteit: recreatie binnenschietbaan Als recreatieactiviteit wordt aangewezen een civiele binnenschietbaan.

Artikel 5.136 Aanwijzing activiteit: recreatie speelplaats Als recreatieactiviteit wordt aangewezen het exploiteren van een plek waar kinderen kunnen spelen en die is voorzien van toestellen voor sport en spel.

Artikel 5.137 Functioneel ondersteunende activiteiten bij recreatie speelplaats Als functioneel ondersteunende activiteiten bij recreatie speelplaats worden aangewezen: a. ondersteunende horeca uit categorie 1a van Artikel 5.102 met een maximumoppervlak van 50 m2 inclusief bijbehorend(e) terras(sen).

Artikel 5.138 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van geur- en geluidhinder; en c. de gezondheid.

Paragraaf 5.3.13.2 Functie op locatie Artikel 5.139 Toegestane activiteiten De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.136 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Recreatie speelplaats.

Afdeling 5.3.14 Risicovolle activiteiten 71

Paragraaf 5.3.14.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.140 Aanwijzing risicovolle activiteiten Type A Als risicovolle activiteiten type A worden aangewezen de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII onder A van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.141 Aanwijzing risicovolle activiteiten Type B en D Als risicovolle activiteiten type B en D worden aangewezen de activiteiten die zijn opgenomen in bijlage VII onder B en D van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

Artikel 5.142 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een gezond woon- en leefklimaat; b. het voorkomen en beperken van risico's voor de leefomgeving; c. het waarborgen van de veiligheid.

Afdeling 5.3.15 Sportactiviteiten Paragraaf 5.3.15.1 Aanwijzing activiteiten Artikel 5.143 Aanwijzing activiteit: binnensportaccomodaties Als activiteit met betrekking tot sport wordt aangewezen het uitsluitend binnen in een gebouw bieden van gelegenheid tot sportbeoefening met daarbij behorende kantine.

Artikel 5.144 Aanwijzing activiteit: buitensportaccomodaties Als buitensportaccomodatie wordt aangewezen een terrein voor de beoefening van een veldVbuitensport (in competitie -/verenigingsverband), zoals voetbalvelden, tennisbanen, terreinen ten behoeve van honkbal en softbal, alsmede daarbij behorende clubgebouwen, kleedruimten, kantines en tribunes.

Artikel 5.145 Aanwijzing activiteit: openbare sportvoorziening Als openbare sportvoorziening wordt aangewezen een sportcorner, zijnde een sportveld met open (kooi) constructie, al dan niet met een open afdekking.

Artikel 5.146 Functioneel ondersteunende activiteiten bij sportactiviteiten Als functioneel ondersteunende activiteiten bij sportactiviteiten worden aangewezen: ^ ruimte voor ontmoeting; ^ ondergeschikte horeca 1a als bedoeld in Artikel 5.102.

Artikel 5.147 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het voorkomen of beperken van geluidhinder; en c. het beschermen van de gezondheid.

72

Paragraaf 5.3.15.2 Functie op locatie Artikel 5.148 Toegestane activiteiten 1 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.143 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Sport binnensportaccommodatie.

2 De activiteiten die zijn aangewezen in Artikel 5.145 zijn toegestaan binnen het werkingsgebied Openbare sportvoorziening.

Paragraaf 5.3.15.3 Vergunningplicht Artikel 5.149 Vergunningplichtige activiteiten 1 Het is verboden om de in Artikel 5.143 aangewezen activiteiten zonder omgevingsvergunning te verrichten.

2 Dit artikellid is gereserveerd voor het opnemen van een vergunningplicht voor andere sportactiviteiten dan die in Artikel 5.149, eerste lid vergunningplichtig zijn. Binnen bouwsteen 1 is dit niet aan de orde.

Artikel 5.150 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning als bedoeld in Artikel 5.149 wordt verleend als de activiteit: a. in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen van het gebiedstype waar de aangewezen activiteit wordt verricht; b. plaatsvindt overeenkomstig de geldende waarden uit Afdeling 5.2.1; c. de privacy van omwonenden niet onevenredig aantast; d. inpasbaar is met het oog op de verkeersveiligheid; e. inpasbaar is met het oog op de sociale veiligheid; f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig aantast; g. geen aantasting vormt van het gewenste voorzieningenniveau.

Afdeling 5.3.16 Wonen Paragraaf 5.3.16.1 Wonen Subparagraaf 5.3.16.1.1 Algemene regels wonen Artikel 5.151 Toegestane activiteiten 1 Wonen is toegestaan in bestaande woningen die zijn opgenomen in het werkingsgebied Bestaande woningen.

2 Short stay, vakantieverhuur of daarmee vergelijkbare activiteiten zijn niet toegestaan.

3 In het werkingsgebied Wonen op de verdieping is wonen alleen toegestaan op de verdiepingen.

73

Artikel 5.152 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. een goed woon- en leefklimaat; b. het beschermen van het milieu; c. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; d. het ontwikkelen van een duurzame woningvoorraad; en e. het beschermen van de gezondheid

Artikel 5.153 Algemene regels over wonen 1 In één woning woont slechts één huishouden.

2 In afwijking van Artikel 5.153, eerste lid geldt als één huishouden ook: één huishouden dat mantelzorg ontvangt of verleent, waarbij de ontvanger of verlener van mantelzorg in de woning woont.

3 Met het oog op het beschermen van de gezondheid van de bewoners: a. wordt een woning niet bewoond door meer dan een persoon per 12 m2 gebruiksoppervlakte; en b. wordt een woonwagen niet bewoond door meer dan een persoon per 6 m2 gebruiksoppervlakte.

4 Het derde lid geldt niet voor woonruimte waarin door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers opvang aan asielzoekers wordt geboden.

Artikel 5.154 Hospitaverhuur en inwoning In afwijking van Artikel 5.153, eerste lid is het toegestaan dat er meer dan één huishouden in één woning woont, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hoofdbewoner van de woning stelt kamers aan maximaal één huishouden ter beschikking; b. de hoofdbewoner houdt zijn hoofdverblijf in de betreffende woning; c. per persoon is er ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte; d. er wordt alleen in het hoofdgebouw gewoond; en e. de ter beschikking gestelde woonruimte vormt geen zelfstandige woonruimte.

Artikel 5.155 Maatwerkvoorschriften Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen ten aanzien van de activiteiten genoemd in Artikel 5.154. De maatwerkvoorschriften kunnen alleen betrekking hebben op: a. de verkeersafwikkeling; b. de locatie en het aantal voertuigen dat in de openbare ruimte wordt gestald.

74

Subparagraaf 5.3.16.1.2 Vergunningplicht nieuwe woningen Artikel 5.156 Vergunningplicht Het is verboden zonder omgevingsvergunning nieuwe woningen toe te voegen.

Artikel 5.157 Beoordelingsregels De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.156 wordt slechts verleend als: a. er wordt voldaan aan de algemene regels bedoeld in Artikel 5.153; b. de activiteit voldoet aan de regels uit de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland; c. er wordt voldaan aan de parkeernormen uit de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland voor zover er sprake is van sociale huur; d. de voor het gebiedstype waar de woning wordt toegevoegd geldende waarden uit Afdeling 5.2.1 in acht worden genomen, behoudens voor zover het gaat om parkeernormen voor sociale huur; e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden niet onevenredig worden aangetast; f. de activiteit in voldoende mate bijdraagt aan de doelstellingen van het gebiedstype waar de aangewezen activiteit wordt verricht; g. de privacy van omwonenden niet onevenredig wordt aangetast; h. de woning inpasbaar is met het oog op de verkeersveiligheid; en i. de woning past binnen de regionale behoefte.

Subparagraaf 5.3.16.1.3 Bed and breakfast Artikel 5.158 Aanwijzing activiteiten 1 Deze subparagraaf gaat over het uitoefenen van een bed and breakfast.

2 Onder de aanwijzing wordt verstaan: een aan een woning ondergeschikte toeristisch-recreatieve voorziening, niet zijnde een zelfstandige wooneenheid, gericht op het bieden van een mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, voor een kortdurend verblijf (waaronder ook zakelijk toerisme).

3 Onder de aanwijzing wordt niet verstaan: overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid.

4 Onder de aanwijzing wordt niet verstaan: permanente kamerverhuur.

Artikel 5.159 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit uit Artikel 5.158 uit te oefenen.

Artikel 5.160 Beoordelingsregels De vergunning bedoeld in Artikel 5.159 wordt alleen verleend als: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft;

75

b. de exploitatie plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is; c. de totale vloeroppervlakte aan gastenkamers niet meer bedraagt dan 25 /o van het woonoppervlak met een maximum van 75 m2; d. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; e. het aantal gastenkamers niet meer bedraagt dan vier per woning; f. in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting zal optreden; en g. op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte naast het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor de woonfunctie.

Subparagraaf 5.3.16.1.4 Beroep aan huis Artikel 5.161 Aanwijzing activiteiten Als beroep aan huis wordt aangewezen: het beroepsmatig uitoefenen van activiteiten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, cosmetisch, educatief, kunstzinnig, ontwerptechnisch, maatschappelijk, waaronder gastouderopvang, of daarmee gelijk te stellen gebied.

Artikel 5.162 Algemene regels uitoefenen beroep aan huis Bij het verrichten van de in Artikel 5.161 aangewezen activiteit gelden de volgende regels: a. de beroepsmatige activiteiten worden uitsluitend uitgeoefend door degene die op het perceel woonachtig is; b. de totale bedrijfsvloeroppervlakte per perceel bedraagt niet meer dan 25/ met een maximum van 50 m2; c. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, tenzij: 1. er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd; 2. het detailhandel functioneel ondersteunend is aan het beroep aan huis; d. er wordt op eigen terrein voorzien in de eigen parkeerbehoefte naast het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor de woonfunctie.

Artikel 5.163 Maatwerkvoorschriften 1 Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om maatwerkvoorschriften te stellen over Artikel 5.162.

2 De maatwerkvoorschriften bedoeld in het eerste lid kunnen betrekking hebben op: a. de invloed van het beroep aan huis op het woon- en leefmilieu in de omgeving; b. de verkeersafwikkeling; c. het aantal parkeerplaatsen.

Subparagraaf 5.3.16.1.5 Bedrijf aan huis Artikel 5.164 Aanwijzing activiteiten Onder de aanwijzing bedrijf aan huis valt: het voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten.

Artikel 5.165 Vergunningplicht Het is verboden om zonder omgevingsvergunning de activiteit bedoeld in Artikel 5.164 te verrichten.

76

Artikel 5.166 Beoordelingsregels De vergunning bedoeld in Artikel 5.165 wordt alleen verleend als: a. de woonfunctie als hoofdfunctie behouden blijft; b. de exploitatie uitsluitend plaatsvindt door degene die op het perceel woonachtig is; c. de totale vloeroppervlakte niet meer bedraagt dan 25 /o van het woonoppervlak met een maximum van 50 m2; d. er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het woon- en leefmilieu in de omgeving; e. in de omgeving geen onevenredige toename van verkeersbelasting zal optreden; f. er geen detailhandelsactiviteiten plaatsvinden, tenzij: 1. er sprake is van detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd; 2. detailhandel functioneel ondersteunend is aan het bedrijf aan huis; en 3. de detailhandel geen onevenredige afbreuk doet aan het voorzieningenniveau binnen de gemeente; g. op eigen terrein wordt voorzien in de eigen parkeerbehoefte naast het oorspronkelijk aantal parkeerplaatsen op eigen terrein voor de woonfunctie.

Titel 5.4 Bouw- en sloopactiviteiten Afdeling 5.4.1 Bouwactiviteiten Paragraaf 5.4.1.1 Algemene regels bouwactiviteiten Artikel 5.167 Toepassingsbereik Deze afdeling gaat over het bouwen en in stand houden van bouwwerken.

Artikel 5.168 Oogmerken De regels in deze afdeling zijn gesteld met het oog op: a. het beschermen van het woon- en leefklimaat; b. een goede werking en bescherming van het watersysteem; c. het beschermen van cultureel erfgoed; d. het gebruik van bouwwerken; en e. het beschermen van de ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 5.169 Maatwerkvoorschriften 1 Een maatwerkvoorschrift kan worden gesteld over deze afdeling, met uitzondering van bepalingen over meet- en rekenmethoden.

2 Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van de artikelen in deze afdeling.

Artikel 5.170 Uitzetten rooilijnen, bebouwingsgrenzen en straatpeil Met het bouwen van een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning is verleend wordt niet begonnen voordat: a. de rooilijnen of bebouwingsgrenzen op het bouwterrein zijn uitgezet; en b. het straatpeil is uitgezet.

Artikel 5.171 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1

77

Degene die een bouwwerk gebruikt en die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren.

2 Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt.

3 Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken als bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

Artikel 5.172 Bouwvalligheid nabijgelegen bouwwerk Vanwege de veiligheid mag een bouwwerk niet worden gebruikt als door of namens het bevoegd gezag is meegedeeld dat het gebruik van het bouwwerk gevaarlijk is door bouwvalligheid van een bouwwerk dat in de nabijheid staat.

Artikel 5.173 Repressief welstand Het uiterlijk van de volgende bouwwerken mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet: a. een bestaand bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is; en b. een te bouwen bouwwerk waarvoor geen omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist.

Artikel 5.174 Meetbepalingen Voor de toepassing van de regels in deze afdeling wordt op de volgende wijze gemeten: a. afstanden loodrecht; b. afstand tussen bouwwerken onderling: waar deze afstand het kleinst is, exclusief ondergeschikte bouwonderdelen; c. afstand van een bouwwerk tot een perceelsgrens: vanaf het dichtst bij de perceelsgrens gelegen punt van het gebouw tot die perceelsgrens op 1 m boven peil en haaks op de perceelsgrens, exclusief ondergeschikte bouwonderdelen voor zover deze niet meer dan 0,5 m overschrijden en voor zover het luifels bij winkels betreft: niet meer dan 1 m overschrijden; d. bebouwde oppervlakte: van een (bouw)perceel, een bouwvlak of ander terrein, buitenwerks en neerwaarts geprojecteerd, als het totaal van de (grond)oppervlakten van alle op het terrein gelegen gebouwen en andere bouwwerken waarbij ondergeschikte bouwonderdelen buiten beschouwing worden gelaten voor zover deze niet meer dan 0,5 m overschrijden en voor zover het luifels bij winkels betreft: niet meer dan 1 m overschrijden; e. bedrijfsvloeroppervlakte: binnenwerks als het totaal van alle vloeroppervlakten ten dienste van kantoren, winkels en/of bedrijven, met ingebrip van de daarbij behorende magazijnen en overige dienstruimten; f. bouwhoogte: de afstand vanaf het peil bedoeld in Artikel 5.175 tot aan het hoogste punt van het gebouw of van

78

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen voor zover de overschrijding van de bouwhoogte door de ondergeschikte bouwonderdelen niet meer bedraagt dan 1 m en niet meer dan 107; g. breedte (lengte of diepte) van een gebouw: tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren (op 1 m boven peil). Wanneer de gevels niet evenwijdig lopen of verspringen wordt het gemiddelde genomen van de kleinste en grootste maat; h. dakhelling: langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak; i. goothoogte: vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen waarvan de overschrijding van de goothoogte niet meer bedraagt dan 1 m en niet meer dan 1070. Een dakkapel die voldoet aan de voor dakkapellen gestelde voorschriften, dient los te worden gezien van de goothoogte van het hoofdgebouw; j. hoogte van een windturbine: vanaf het peil tot aan de as van de windturbine; k. inhoud van een bouwwerk: tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; l.

oppervlakte van een bouwwerk: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; m. verkoopvloeroppervlakte: binnenwerks als het totaal van alle vloeroppervlakten van ruimten die rechtstreeks ten dienste staan van de detailhandelsactiviteit en voor publiek toegankelijk zijn: kantoren, magazijnen en overige dienstruimten worden hieronder niet begrepen.

Artikel 5.175 Peil Het peil is: a. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang aan een weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg; b. voor een gebouw, waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang; c. voor een ander bouwwerk: de hoogte van de weg waaraan het bouwwerk is gelegen of, als het bouwwerk niet direct aan de weg is gelegen, de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein; d. als wordt gebouwd in of aan een dijk, waterkering of in gebieden waar het peil op een perceel een verhang kent van meer dan 1 m, geldt: 1. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang aan de weg grenst of op ten hoogste 1 m afstand van die weg ligt: de hoogte van de weg, waarbij dit peil zich uitstrekt tot een zone van ten hoogste 4 m achter de achtergevelrooilijn van een op bedoeld perceel aangegeven hoofdgebouw, mits het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk aan het hoofdgebouw betreft; 2. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang niet aan de weg grenst of op meer dan 1 m afstand van die weg ligt: het peil wordt bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein; 3.

voor vrijstaande bijbehorende bouwwerken en andere bouwwerken wordt het peil bepaald door de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkt terrein. Een en ander voor zover in deze regels niet anders is bepaald.

Artikel 5.176 Aanvraagvereisten 1 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in Afdeling 5.4.1 worden voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. opgave van de bouwkosten; b. het beoogde en het huidige gebruik van het bouwwerk en de bijbehorende gronden waarop de aanvraag betrekking heeft;

79

c. een opgave van de bruto inhoud in m3 en de bruto vloeroppervlakte in m2 van het deel van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft; d. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop, 1. de afmetingen van het perceel en het bebouwd oppervlak; 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde; 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten; 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk; e. de hoogte van het bouwwerk ten opzichte van het peil en het aantal bouwlagen; f. de inrichting van parkeervoorzieningen op het eigen terrein.

2 Ten behoeve van de toetsing van het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past; b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk; c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking.

3 Overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

4 Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning die betrekking heeft op een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie worden voor toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt: a. het voorafgaand onderzoek, waaruit blijkt of er sprake is van grondwaterverontreiniging bestaande uit: 1. een voorafgaand bodemonderzoek als bedoeld in paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving; of 2. het overleggen van een beschikking krachtens artikel 29 juncto artikel 37, eerste lid, van de Wet bodembescherming, zoals die artikelen luidden voor het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, waarin is vastgesteld dat bij het huidig dan wel voorgenomen gebruik van de bodem of bij een mogelijke verspreiding van een verontreiniging, er geen sprake is van zodanige risico's voor mens, plant of dier zodat spoedige sanering noodzakelijk is; b. indien er sprake is van grondwaterverontreiniging: een afschrift van de gegevens en bescheiden, bedoeld in artikel 3.132 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die ten minste vier weken daarvoor aan gedeputeerde staten verstrekt zijn na het verrichten van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit; c. een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit als bedoeld in paragraaf 3.4.2 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening; d.

indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: een afschrift van de melding, bedoeld 4.1236 van het Besluit activiteiten leefomgeving, die aannemelijk maken dat een bronaanpak als sanerende maatregel wordt getroffen; e. indien uit de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: een afschrift van de aanvraag om een

80

omgevingsvergunning grondwatersanering als bedoeld in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening die aannemelijk maken dat een grondwatersanering als sanerende maatregel wordt getroffen.

Artikel 5.177 Vergunningvoorschriften 1 Aan een vergunning voor bouw- of sloopactiviteiten op basis van Titel 5.4 kunnen voorschriften worden verbonden die zien op: a. bescherming van de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied en het straatbeeld; b. te realiseren wateroppervlak ter compensatie voor verhardingstoename; c. de gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; d. de verkeersveiligheid; e. parkeren; f. verkeersafwikkeling; g. de sociale veiligheid; h. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; i. maatregelen ter bescherming van personen in kwetsbare of beperkt kwetsbare gebouwen of op die locaties of het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties.

2 Aan een omgevingsvergunning voor een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt als sprake is van een significante grondwaterverontreiniging als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening het voorschrift verbonden dat het bouwen alleen is toegestaan indien de volgende sanerende maatregelen worden getroffen: a. een bronaanpak overeenkomstig de regels voor het saneren van de bodem in paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving als uit de aan gedeputeerde staten verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; of b. een grondwatersanering overeenkomstig de regels in paragraaf 3.4.3 van de Zuid-Hollandse omgevingsverordening als uit de aan gedeputeerde staten verstrekte gegevens en bescheiden na uitvoering van de risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft; c. het bepaalde onder b is niet van toepassing als er sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging, waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Artikel 5.178 Algemene afbakeningseisen 1 De Subparagraaf 5.4.1.3.1 en Subparagraaf 5.4.1.4.1 zijn niet van toepassing op een activiteit die wordt verricht in, aan, op of bij een bouwwerk dat is gebouwd of in stand wordt gehouden of wordt gebruikt zonder de daarvoor vereiste omgevingsvergunning.

2 Bij de toepassing van Subparagraaf 5.4.1.3.1 en Subparagraaf 5.4.1.4.1 blijft het aantal woningen gelijk, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg.

81

Artikel 5.179 Aansluiting op distributienet voor drinkwater Met het oog op het beschermen van de gezondheid is een voorziening voor het afnemen en gebruiken van drinkwater in een bouwwerk aangesloten op het distributienet voor drinkwater als de aansluitafstand niet groter is dan 40 m of groter is dan 40 m en de aansluitkosten niet hoger zijn dan bij een aansluitafstand van 40 m.

Artikel 5.180 Aansluiting van afvoer, huishoudelijk afvalwater en hemelwater 1 Met het oog op het beschermen van de gezondheid ligt een ondergrondse doorvoer van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater door een uitwendige scheidingconstructie van een bouwwerk zoveel mogelijk haaks op de scheidingsconstructie.

2 De gebouwaansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater op het eigen erf of terrein gelegen riolering of een andere voorziening voor afvoer van afvalwater is zodanig dat bij zetting de dichtheid van de aansluiting en de afvoer gehandhaafd blijft.

3 Een terreinleiding waardoor huishoudelijk afvalwater wordt geleid: a. heeft geen vernauwing in de stroomrichting; b. heeft een vloeiend beloop; c. is waterdicht; d. heeft een voldoende inwendige middellijn; en e. bevat geen beer- of rottingput.

4 Bij maatwerkvoorschrift kan ieder geval worden bepaald: a. als voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater een openbaar vuilwaterriool of een ander passend systeem als bedoeld in artikel 2.16, derde lid, van de Omgevingswet aanwezig is waarop kan worden aangesloten: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater op dat riool of dat systeem noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; b. als voor de afvoer van hemelwater een openbaar hemelwaterstelsel of een openbaar vuilwaterriool aanwezig is waarop kan worden aangesloten, en hemelwater op dat stelsel of riool mag worden gebracht: op welke plaats, op welke hoogte en met welke inwendige middellijn de voor aansluiting van een voorziening voor de afvoer van hemelwater op dat stelsel of riool noodzakelijke perceelaansluitleiding bij de gevel van het bouwwerk of de grens van het erf of terrein wordt aangelegd; en c. of, en zo ja welke voorzieningen in de afvoervoorziening of de op het erf of terrein gelegen riolering moeten worden aangebracht om het functioneren van de afvoervoorzieningen, naburige aansluitingen en de openbare voorzieningen voor de inzameling en het transport van afvalwater te waarborgen.

Artikel 5.181 Bluswatervoorziening 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid heeft een bouwwerk een toereikende bluswatervoorziening, tenzij de

82

aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk dat niet vereist.

2 De afstand tussen de bluswatervoorziening en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of, als deze niet aanwezig is, een toegang tot het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

3 De bluswatervoorziening is onbeperkt toegankelijk voor bluswerkzaamheden.

Artikel 5.182 Bereikbaarheid bouwwerk voor hulpverleningsdiensten 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid ligt tussen de openbare weg en ten minste een toegang van een gebouw of ander bouwwerk voor het verblijven van personen een verbindingsweg die geschikt is voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. op een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; d. als de toegang van het bouwwerk op ten hoogste 10 m van een openbare weg ligt; of e. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen verbindingsweg vereist.

3 Tenzij elders in dit omgevingsplan of een gemeentelijke verordening anders bepaald, heeft een verbindingsweg: a. een breedte van ten minste 4,5 m; b. een verharding over een breedte van ten minste 3,25 m, die geschikt is voor motorvoertuigen met een massa van ten minste 14.600 kilogram; c. een vrijgehouden hoogte boven de kruin van de weg van ten minste 4,2 m; en d. een doeltreffende afwatering.

4 Een verbindingsweg is over de in het derde lid voorgeschreven hoogte en breedte vrijgehouden voor voertuigen van de brandweer en andere hulpverleningsdiensten.

5 Hekwerken die een verbindingsweg afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

83

Artikel 5.183 Opstelplaatsen voor brandweervoertuigen 1 Met het oog op het waarborgen van de veiligheid zijn bij een bouwwerk voor het verblijven van personen zodanige opstelplaatsen voor brandweervoertuigen dat een doeltreffende verbinding tussen die voertuigen en de bluswatervoorziening kan worden gelegd.

2 Het eerste lid is niet van toepassing: a. op een gebruiksfunctie met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 1.000 m2 en een vuurbelasting van ten hoogste 500 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; b. op een bouwwerk met een gebruiksoppervlakte van niet meer dan 50 m2; c. een lichte industriefunctie alleen voor het bedrijfsmatig telen, kweken of opslaan van gewassen of daarmee vergelijkbare producten, met een permanente vuurbelasting van ten hoogste 150 MJ/m2, bepaald volgens NEN 6090; of d. als de aard, de ligging of het gebruik van het bouwwerk geen opstelplaatsen vereist.

3 De afstand tussen een opstelplaats en een brandweeringang als bedoeld in artikel 3.129 of 4.226 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of als deze niet aanwezig is een toegang van het bouwwerk is ten hoogste 40 m.

4 Een opstelplaats voor brandweervoertuigen is over de hoogte en breedte als bedoeld in Artikel 5.182, derde lid, vrijgehouden voor brandweervoertuigen.

5 Hekwerken die een opstelplaats afsluiten, kunnen door hulpdiensten snel en gemakkelijk worden geopend of worden ontsloten met een systeem dat in overleg met het bevoegd gezag is bepaald.

Artikel 5.184 Ingebruikname na maatregelen bij een significante grondwaterverontreiniging Als sprake is van een significante bodemverontreiniging als bedoeld in de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening in artikel 3.131, onder b of c, wordt een grondwatergevoelig gebouw, of een gedeelte daarvan, op een grondwatergevoelige locatie alleen in gebruik genomen na de bouwactiviteit, nadat het college van burgemeester en wethouders is geïnformeerd over de wijze waarop de sanerende maatregelen, bedoeld in, zijn getroffen of, als de sanerende maatregelen nog in uitvoering zijn, de wijze waarop de ingebruikname van het grondwatergevoelige gebouw de sanerende maatregel niet belemmert.

Paragraaf 5.4.1.2 Hoofdgebouwen Subparagraaf 5.4.1.2.1 Hoofdgebouwen Artikel 5.185 Aanwijzing vergunningplicht hoofdgebouw Het is verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw te bouwen.

Artikel 5.186 Omgevingsvergunning hoofdgebouwen woningen 1 84

Voor het bouwen van nieuwe hoofdgebouwen wordt de omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend als: a. er sprake is van één woning; b. dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing: 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; 2. het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes; 3. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden danwel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 4. de verkeersveiligheid; de sociale veiligheid; de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; 5. waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; c. indien er meer dan 50 m2 aan verharding wordt toegevoegd: er in voldoende mate wordt voorzien in het uitvoeren en in stand houden van wateroppervlak of alternatieve vasthoudmaatregelen ter compensatie voor de verhardingstoename conform het bepaalde in Artikel 5.186, tweede lid; d. de goothoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde onder b, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 7 m; e. de bouwhoogte ruimtelijk inpasbaar is gelet op het bepaalde onder b, waarbij in ieder geval een maximum geldt van 11 m; f. de begane grond vloer komt te liggen op minimaal 1,20 m boven het waterpeil; g.

de diepte van een hoofdgebouw, gemeten vanaf de voorgevellijn, niet meer bedraagt dan: 1. bij vrijstaande woningen: 12 m; 2. bij aaneengebouwde woningen: 10 m; h. in afwijking van het bepaalde onder f geldt geen maximale diepte als de afstand van het hoofdgebouw tot de achterste perceelsgrens minimaal 15 m bedraagt; i. de plaatsing van de voorgevel van het hoofdgebouw is passend bij de rooilijnen van omliggende bebouwing; j. de afstand van het hoofdgebouw tot de zijdelingse perceelsgrens mag niet minder bedragen dan: 1. bij vrijstaande hoofdgebouwen tot beide zijdelingse perceelsgrenzen: 3 m; 2. bij aaneengebouwde hoofdgebouwen en hoekpercelen van aaneengebouwde hoofdgebouwen tot een van de zijdelingse perceelsgrenzen: 3 m; k. voldaan wordt aan de normen die zijn gesteld in Afdeling 5.2.1, waarbij mede rekening wordt gehouden met het beoogde gebruik van het hoofdgebouw; l. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregel, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

2 Bij het berekenen van de benodigde watercompensatie als bedoeld in Artikel 5.186, eerste lid sub c houdt het bevoegd gezag rekening met: a. het advies van het waterschap; b. de watersleutel of gelijkwaardige rekenmethode van het waterschap; c. indien er sprake is van alternatieve vasthoudmaatregelen: de richtlijn compensatie verharding of een gelijkwaardige richtlijn van het waterschap.

3 Als de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt de vergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend als wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 sub c van dit

85

omgevingsplan.

4 Als de activiteit betrekking heeft op een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie wordt de vergunning bedoeld in Artikel 5.185 alleen verleend: a. als er geen sprake is van grondwaterverontreiniging; b. als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten; c. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of d. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat: er geen sprake is van een significante grondwaterverontreiniging; e. als er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een bronaanpak als bedoeld in artikel 4.1242 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt getroffen; f. als er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging: als aannemelijk is dat een saneringsmaatregel afdekken als bedoeld in artikel 4.1241 van het Besluit activiteiten leefomgeving als sanerende maatregel getroffen wordt en; 1.

de afdeklaag bestaat uit een duurzaam aaneengesloten verhardingslaag als bedoeld in 4.1241, derde lid onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving; en 2. aannemelijk wordt gemaakt dat de saneringsaanpak leidt tot het beperken of voorkomen van een inbreng van een mobiele verontreiniging vanuit de vaste bodem naar het grondwater. g. of er sprake is van een significante grondwaterverontreiniging die direct aandacht behoeft: als aannemelijk is dat een grondwatersanering overeenkomstig paragraaf 3.4.3 van de Zuid- Hollandse Omgevingsverordening als sanerende maatregel wordt getroffen, voor zover er geen sprake is van een diffuse grondwaterverontreiniging waarbij geen specifieke bron van verontreiniging aanwijsbaar is.

Paragraaf 5.4.1.3 Bijbehorende bouwwerken Subparagraaf 5.4.1.3.1 Vergunningvrij bouwen Artikel 5.187 Bijbehorende bouwwerken vergunningvrij 1 Bijbehorende bouwwerken of uitbreidingen daarvan mogen zonder vergunning worden gebouwd, als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. het bijbehorend bouwwerk staat op de grond; b. het bijbehorend bouwwerk is gelegen in het achtererfgebied; c. het bijbehorend bouwwerk staat op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied; d. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is het bijbehorende bouwwerk functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw; e. bij meer dan een bouwlaag is er alleen een verblijfsgebied op de eerste bouwlaag; f. het bijbehorend bouwwerk is niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte; g. als het bijbehorende bouwwerk op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt is het niet hoger dan: 1. 5 m; 2. 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw; en 3. het hoofdgebouw; h. als het bijbehorende bouwwerk op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw ligt geldt

86

dat als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55^ en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; i. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied is niet meer dan: 1. bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2 : 507 van dat bebouwingsgebied; 2. bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2 , vermeerderd met 207 van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2; en 3. bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m2; 90 m2, vermeerderd met 107 van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2; j. het bijbehorende bouwwerk wordt niet gebouwd bij: 1. een woonwagen; 2. een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning is bepaald dat het hoofdgebouw slechts tijdelijk mag bestaan; of 3. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden.

2 Als een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in Artikel 5.187, eerste lid bestaat uit een deel dat op meer, en een deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen zonder een inwendige scheidingsconstructie tussen beide delen, is op het deel dat op minder dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw is gelegen het bepaalde onder Artikel 5.187, eerste lid onder d van overeenkomstige toepassing.

3 Het bepaalde in Artikel 5.187, eerste lid onder d geldt niet als er sprake is van huisvesting in verband met mantelzorg.

Artikel 5.188 Dakkapel voordakvlak of zijdakvlak vergunningvrij Dakkapellen mogen in het voordakvlak of naar het openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijdakvlak zonder vergunning worden gebouwd als wordt voldaan aan de volgende eisen: a. dakkapellen zijn niet toegestaan in daken met een dakhelling van minder dan 30 graden; b. er is per dakvlak niet meer dan een dakkapel aanwezig, tenzij dakkapellen naast elkaar worden geplaatst; c. indien dakkapellen naast elkaar worden geplaatst liggen de onderzijde en de bovenzijde van de dakkapellen op dezelfde hoogte; d. de onderzijde is meer dan 0,5 m boven de dakvoet; e. de bovenzijde is meer dan 0,5 m onder de daknok; f. de zijkanten zijn meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak; g. de hoogte van de dakkapel, gemeten vanaf de voet van de dakkapel is maximaal 1,75 m; h. een dakkapel heeft een plat dak.

Artikel 5.189 Hulpmiddelstalling vergunningvrij Hulpmiddelstallingen mogen in het voorerf bij een woning worden geplaatst mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de hulpmiddelstalling wordt geplaatst ten behoeve van een hulpmiddel van de bewoner van de woning; b. het hulpmiddel moet altijd kunnen worden gestald in de hulpmiddelstalling; c. de hulpmiddelstalling blijft niet langer aanwezig dan acht weken nadat de behoefte aan het hulpmiddel voor de bewoner van de woning is komen te vervallen; d. er sprake is van een medische behoefte van de bewoner van de woning aan het hulpmiddel;

87

e. de medische behoefte als bedoeld onder d kan worden aangetoond met het besluit van het college van burgemeester en wethouders om een Wmo-indicatie af te geven voor de verstrekking van een hulpmiddel op basis van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning of door een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur; f. de maximale afmetingen van de hulpmiddelstalling zijn: 1. hoogte: 2 m, breedte: 1,65 m, lengte: 1,25 m; of 2. hoogte: 1,4 m, breedte: 2,3 m, lengte: 1,4 m.

Subparagraaf 5.4.1.3.2 Vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken Artikel 5.190 Aanwijzing vergunningplicht bijbehorende bouwwerken 1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bijbehorend bouwwerk te bouwen of een bijbehorend bouwwerk zodanig te wijzigen dat niet wordt voldaan aan de eisen van Subparagraaf 5.4.1.3.1.

2 Binnen het werkingsgebied Risicovolle activiteit type A - tanken LPG PR contouren is het verboden om zonder omgevingsvergunning de bouwwerken bedoeld in Subparagraaf 5.4.1.3.1 te bouwen.

Artikel 5.191 Bijbehorende bouwwerken De omgevingsvergunning bedoeld in Artikel 5.190 wordt alleen verleend: a. als dit ruimtelijk inpasbaar is gelet op, voor zover van toepassing: 1. de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied; 2. het bestaande straat- en bebouwingsbeeld; 3. de bestaande bebouwing, inclusief de maatvoering daarvan; 4. de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden en/of bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken; 5. de verkeersveiligheid; 6. de sociale veiligheid; 7. de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen; 8. waarbij rekening wordt gehouden met het beeldkwaliteitsplan als dat voor de locatie van toepassing is; b. voldaan wordt aan de normen die zijn gesteld in Afdeling 5.2.1, waarbij mede rekening wordt gehouden met het beoogde gebruik van het hoofdgebouw; c. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet; en d.

als de activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 sub c van dit omgevingsplan; e. als de activiteit betrekking heeft op een grondwatergevoelig gebouw op een grondwatergevoelige locatie: 1. als er geen sprake is van grondwaterverontreiniging; 2. als er wordt gebouwd op een locatie die in het omgevingsplan is aangewezen waar een verdenking van verontreiniging van grondwater redelijkerwijs is uit te sluiten; 3. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: indien voldaan wordt aan de criteria, bedoeld in artikel 7.31, tweede en derde lid van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, zodat er geen risicobeoordeling grondwaterkwaliteit verricht hoeft te worden; of 4. als er sprake is van grondwaterverontreiniging: als na het verrichten van een risicobeoordeling grondwaterkwaliteit blijkt dat:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=e110d639-22f6-473e-816d-a941c0201e00