CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.00723] Motivering wijziging omgevingsplan bouwsteen 1 gemeente Lansingerland.

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken35.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Het vergunningvrij maken van deze bouwwerken sluit aan bij de omgevingsvisie 1.0.: ‘Daarnaast is onze ambitie dat iedereen mee kan doen en dat mensen die hulp nodig hebben, op de gemeente kunnen rekenen.’15 De algemene regels waaraan voldaan moeten worden geven een duidelijk kader. De afmetingen zijn afgestemd op de stallingen die worden verstrekt door de gemeente. De stalling mag in de voortuin staan zolang de bewoner een medische behoefte heeft aan het hulpmiddel. Daarnaast bevat de regeling ook een bepaling dat de stalling altijd gebruikt moet kunnen worden voor het hulpmiddel. Een ander onderwerp dat besproken is tijdens de burgerparticipatie en waar regels voor in het omgevingsplan zijn opgenomen is de warmtepomp in het voorerf. Hiervoor zijn de vergunningvrije mogelijkheden die het Rijk biedt verruimd. Zo mag hoger worden gebouwd op het voorerf aan de gevel, waardoor de meeste warmtepompen hier ook passen. De afmetingen voor vergunningvrije bouwwerken in het voorerf die op rijksniveau geregeld zijn, blijken in de praktijk meestal onvoldoende om een warmtepomp te kunnen plaatsen. Voor deze verruiming van vergunningvrij bouwen biedt de omgevingsvisie 1.0 ook een duidelijke aanleiding: ‘Daarnaast moeten woningen gefaseerd van het aardgas af’.16 Als voldaan wordt aan de algemene regels mag de warmtepomp zonder vergunning worden geplaatst.

Hiermee wordt de drempel verlaagd om bestaande woningen van het gas af te halen. Voor overige bijbehorende bouwwerken (anders dan de vergunningvrije gevallen) geldt een vergunningplicht. Daarmee is een mogelijkheid opgenomen om voor bijbehorende bouwwerken af te wijken van de standaardmaten, maar daarvoor is dan wel een vergunning nodig. Het toetsingskader bestaat uit open normen (gebaseerd op 22.29 bruidsschat). Dit biedt dus een basis voor allerlei soorten afwijkingen van de vergunningvrije bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld dakkapellen met grotere afmetingen, erkers, et cetera), als aan de kwalitatieve voorwaarden wordt voldaan. Op deze manier wordt het omgevingsplan meer toekomstbestendig: niet voor alle wijzigingen in bouwmogelijkheden is een planwijziging nodig. Overige bouwwerken Ook voor overige bouwwerken zijn de regels onderverdeeld in vergunningvrije en vergunningplichtige bouwwerken. In de regels voor vergunningvrije overige bouwwerken zijn de voormalige

15

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 59.

16

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 33.

45

rijksregels (bruidsschat) grotendeels verwerkt, op bepaalde punten zijn deze aangevuld of aangepast. Voor erf- en perceelafscheidingen regelt het Bbl dat alles tot 1 meter hoog vergunningvrij is. In het ‘tijdelijk deel’ van het omgevingsplan is geregeld dat in achtererfgebied een erfafscheiding tot 2 meter hoog vergunningvrij is, de regels in het ‘nieuwe deel’ sluiten daarbij aan. Alles dat hieraan niet voldoet is vergunningplichtig. Zo kan ook een vergunning worden verleend voor bouwwerken hoger dan 1 meter in het voorerf (als dat passend wordt gevonden), bijvoorbeeld voor vrije kavels. Het Bbl (artikel 2.29 sub r) regelt dat overige bouwwerken met een maximale hoogte van 1 meter en oppervlakte van maximaal 2 m2 vergunningvrij zijn in voor- en achtererf. De regels in het omgevingsplan voor steigers en vlonders zijn hierop een aanvulling, gebaseerd op de kwaliteitseisen voor steigers bij de Rodenrijse Vaarten en eisen van de waterschappen. De regels zijn opgenomen omdat onder de oude wetgeving hiervoor in de praktijk altijd vergunning werd verleend als deze werd aangevraagd. Om de regeldruk te verlagen is een kader opgenomen van algemene regels waardoor vooraf is bepaald welke steiger en vlonders wenselijk zijn. De regels zijn ook besproken met de waterschappen tijdens het vooroverleg.

Voor toegangspoorten in het voorerf (in specifieke situaties) geldt ongeveer hetzelfde als voor de steigers en vlonders. Uit besprekingen met de vergunningverleners en handhavers is gebleken dat bij toegangspoorten van bepaalde afmetingen geen bezwaren bestaan; deze vergunningen worden in de praktijk altijd verleend. Daarom zijn er algemene regels geformuleerd voor toegangspoorten. Als daaraan wordt voldaan, dan mogen deze zonder vergunning worden geplaatst. De regels hiervoor zijn ook afgestemd met de stedenbouwkundige. Voor mantelzorgwoningen zijn de vergunningvrije mogelijkheden grotendeels beleidsneutraal overgenomen uit het ‘tijdelijk deel’ (bruidsschat). 17 Als de afmetingen van de mantelzorgwoning niet overeenkomen met de regels voor het vergunningvrij bouwen, dan kan met een vergunning andere afmetingen worden mogelijk gemaakt. Opgemerkt wordt nog dat onder de Omgevingswet – anders dan voorheen – mantelzorgwoningen geluidgevoelige gebouwen zijn. Dat betekent dat nieuwe mantelzorgwoningen in een geluidaandachtsgebied voor wat betreft de activiteit 'bouwen’ weliswaar vergunningvrij kunnen zijn, maar dat er nog wel een beoordeling moet plaatsvinden voor wat betreft de geluidsbelasting. Regels over sport- en speeltoestellen, bouwwerken voor agrarische bedrijfsvoering en veranderen van een bouwwerk zijn overgenomen uit de bruidsschat.

Hier zijn ten opzichte van het tijdelijke deel van het omgevingsplan geen veranderingen in aangebracht. Gemeentelijke monumenten Gemeentelijke monumenten zijn verwerkt op het kaartbeeld; daar waar een gemeentelijk monument aanwezig is, is een werkingsgebied opgenomen. Binnen het werkingsgebied gelden beperkingen voor slopen, vergunningvrij bouwen (dat is uitgesloten) en beschadigen van het monument. Voor (ver)bouwen en slopen geldt een vergunningplicht. De vergunning kan worden verleend als dat verantwoord is vanuit de waarde van het monument (dat is gebaseerd op de De maximale afmetingen van 100 m2 en de eis dat de mantelzorgwoning verplaatsbaar moet zijn, zoals opgenomen in artikel 22.37 van de bruidsschat is niet overgenomen. De gedachte is dat als wordt voldaan aan de eisen die voor reguliere bijbehorende bouwwerken ook de mantelzorgwoning vergunningvrij zou moeten zijn. Wijkt de mantelzorgwoning af, dan geldt een vergunningplicht en dan kan per geval worden beoordeeld welke eisen passend zijn. Verplaatsbaarheid kan een eis zijn, maar dat wordt per situatie beoordeeld. 17

46

gemeentelijke erfgoedverordening). Daarbij is de ‘redengevende omschrijving’ van groot belang. Hierin wordt aangegeven waarom een gebouw of bouwwerk als monument is aangewezen. In bijlage III bij de regels is daarom de lijst met monumenten en hun redengevende omschrijving opgenomen. Cultuurhistorisch waardevolle objecten De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn als afzonderlijk werkingsgebied in de regels opgenomen. Vergunningvrij bouwen is hier uitgesloten. De beoordelingsregels komen overeen met de voorheen geldende dubbelbestemmingen voor cultuurhistorie. Hiermee wordt het juridische kader onder de bestemmingsplannen en het beschermingsniveau overgenomen in de bestemmingsplannen. Bouwen in een restrictiegebied leiding De regels in deze paragraaf stellen aanvullende voorwaarden voor bouwactiviteiten, ter bescherming van de leiding. De voorwaarden zijn gebaseerd op de voormalige dubbelbestemmingen voor leidingen uit de bestemmingsplannen. Bouwen in een aanwijzing groen, water en wegen De regels in deze paragraaf stellen aanvullende voorwaarden voor bouwactiviteiten, ter bescherming van de belangen van de aanwijzing (groen, water of wegen). Het beoordelingskader bevat een open norm, die stelt dat activiteiten geen onevenredige gevolgen mogen hebben.

Dit dient vooral ter vervanging van de bouwregels zoals die in voormalige groen-, water- en verkeersbestemmingen waren opgenomen. Bouwen grondwatergevoelig gebouw De Zuid-Hollande omgevingsverordening bevat instructieregels over het toelaten van grondwatergevoelige gebouwen op grondwatergevoelige locaties. In het kort komt de systematiek erop neer dat bij nieuwbouw van grondwatergevoelige gebouwen op grondwatergevoelige locaties moet worden bezien of er sprake is van verontreiniging van grondwater. Als dat het geval is, dan gelden er aanvullende eisen. Bijvoorbeeld een saneringsaanpak. De regels zijn verwerkt in het beoordelingskader voor vergunningplichtige bouwwerken. Voor vergunningvrije bouwwerken is een meldplicht opgenomen. De beoordelingsregels en de eisen die worden gesteld aan de grondwaterkwaliteit en saneringsaanpak volgen uit de Zuid-Hollandse omgevingsverordening. Daarom is daarnaar in de regels verwezen. Sloopactiviteiten Naast de bouwactiviteiten bevat deze titel regels over het slopen en verstoren van bouwwerken. De algemene regels bevatten een specifieke zorgplicht voor bescherming van de omgeving van sloopwerkzaamheden. Verder zijn specifieke regels opgenomen voor een aanvullende afweging bij sloopactiviteiten bij gemeentelijke monumenten. De regels zijn direct overgenomen uit de erfgoedverordening.

Hiermee is een stukje verordening al verwerkt in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Ter informatie wordt hierbij nog opgemerkt dat het Bbl ook regels bevat voor slopen. Die regels gelden op rijksniveau en zien vooral op ‘technische' aspecten, zoals het afvoeren van sloopafval, saneren van asbest, etc. Daarom zijn dergelijke regels niet in het omgevingsplan opgenomen.

Subparagraaf 6.2.6 Milieubelastende activiteiten De bruidsschat bevat regels voor milieubelastende activiteiten. Deze regels komen voornamelijk uit het voormalige Activiteitenbesluit en de voormalige Activiteitenregeling. In bouwsteen 1 zijn deze regels over milieubelastende activiteiten van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (de

47

bruidsschat) verwerkt in de structuur van het nieuwe deel van het omgevingsplan. De Omgevingswet definieert een milieubelastende activiteit als: 'een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan veroorzaken, niet zijnde een lozingsactiviteit op een oppervlaktewaterlichaam of een lozingsactiviteit op een zuiveringtechnisch werk of een wateronttrekkingsactiviteit'. Hoewel de regels beleidsneutraal zijn overgezet van de bruidsschat naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, is er wel een slag gemaakt om ze leesbaarder en toegankelijker te maken. Juridisch gezien vinden er geen veranderingen plaats in de regels ten opzichte van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Subparagraaf 6.2.7 Uitvoeren van werken en werkzaamheden In de titel 5.6 staan de regels over het uitvoeren van werken en werkzaamheden, de vroegere aanlegactiveiten (graven, verharding aanbrengen, objecten indrijven in de grond). In een algemene paragraaf zijn voor alle werken en werkzaamheden aanvraagvereisten en vergunningvoorschriften opgenomen. Daarnaast is voor bouwsteen 1 een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het verhogen of verlagen van de gemiddelde hoogte van het maaiveld, gerekend over een oppervlakte van minimaal 50 m2 met meer dan 0,3 m. Deze regels en de beoordelingsregels zijn afkomstig uit de bestemmingsplannen. Daarnaast bevat afdeling 5.6.1 (Activiteiten op of in de bodem) regelsets voor specifieke aangewezen locaties:  gemeenteweg;  provinciale weg;  spoorweg;  water en groen;  nabij waterkering  restrictiegebied leiding of belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen; en  restrictiegebied archeologie. Per inhoudelijke regelset zijn allereerst de activiteiten aangewezen en oogmerken benoemd waarom de regels gesteld zijn. Die zijn toegespitst op het belang waarvoor deze regels een extra bescherming vormen (bijvoorbeeld het beschermen en behouden van archeologische waarden). Vervolgens bevatten de regelsets soms algemene regels voor de activiteiten, en vaak ook een vergunningplicht met bijbehorende beoordelingsregels.

Er is een beleidsneutrale voortzetting van de voormalige bestemmingsplannen voorzien.

Subparagraaf 6.2.8 Beheer en onderhoud In hoofdstuk 6 van het omgevingsplan staan de instandhoudingsplichten, deze zijn overgenomen uit de voormalige bestemmingsplannen (voorheen waren dit de voorwaardelijke verplichtingen). Opgemerkt wordt dat niet alle voorwaardelijke verplichtingen uit de voormalige bestemmingsplannen als instandhoudingsverplichting zijn overgenomen. Er is per geval bezien of daarvoor noodzaak bestond. Bijvoorbeeld bij verplicht aanbrengen en in stand houden van waterberging. Als de benodigde waterberging al is gerealiseerd dan is het doorgaans niet nodig om de instandhouding daarvan nog in het omgevingsplan te regelen omdat de systematiek van het omgevingsplan zodanig is, dat het dempen van water niet is toegestaan. Hier is dus wel een beleidsneutrale voortzetting beoogd, maar er is wel met een kritische blik gekeken om overbodige regels te schrappen.

48

Subparagraaf 6.2.9 Overgangsrecht Het overgangsrecht dat gemeente kunnen toevoegen aan het omgevingsplan is niet langer op rijksniveau voorgeschreven, zoals voorheen in de bestemmingsplannen wel het geval was. Dit betekent dat de gemeente zelf kan bepalen of bestaande activiteiten die niet expliciet in het omgevingsplan worden toegestaan mogen worden voortgezet, onder welke voorwaarden en voor hoe lang. Bouwsteen 1 gaat echter uit van een beleidsneutrale omzetting van de voormalige bestemmingsplannen. Dit houdt in dat bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden zo min mogelijk worden ingeperkt. Daarom is gekozen om aan te sluiten bij het overgangsrecht zoals dat ook gebruikelijk was in de bestemmingsplannen. In dit hoofdstuk worden ook de voorrangsbepalingen opgenomen. Voorrangsbepalingen kunnen nodig zijn in het geval dat delen van onderliggende bestemmingsplannen of delen van de bruidsschat nog niet kunnen worden ingetrokken (omdat de regels voor gebieden buiten bouwsteen 1 nog moeten blijven gelden), terwijl de regels in bouwsteen 1 wel moeten vóórgaan op deze regels.

49

Hoofdstuk 7 Omgevingsaspecten Paragraaf 7.1 M.e.r.-beoordeling Subparagraaf 7.1.1 Kaders Juridische kaders Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie. Of sprake is van een kaderstellend plan voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit blijkt uit bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Subparagraaf 7.1.2 Toetsing In artikel 16.36 van de Omgevingswet is bepaald welke plannen of programma’s plan-m.e.r.-plichtig zijn. Dit zijn: 1. Plannen of programma’s die het kader vormen voor te nemen besluiten voor m.e.r.(beoordelings)plichtige projecten.18 Dit zijn de projecten die zijn genoemd in bijlage V bij het Omgevingsbesluit; 2. Plannen of programma’s waarvoor een passende beoordeling moet worden gemaakt.19 De Omgevingswet zelf definieert niet wat onder plannen en programma’s dient te worden verstaan, maar bepaalt wel dat onder een plan of programma ‘in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing’. Bouwsteen 1 is een wijziging van het omgevingsplan en valt dus onder het begrip ‘plannen’, zoals genoemd in artikel 16.36 Ow. Deze wijziging van het omgevingsplan is conserverend van aard. Een deel van de bruidsschatregels die van toepassing zijn op dit gebied wordt overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. De regels uit bouwsteen 1 zijn niet ‘kaderstellend’. Er worden namelijk geen nieuwe projecten mogelijk gemaakt die m.e.r. (beoordelings)plichtig zijn. De regels uit hoofdstuk 22 (de bruidsschat) die zijn verplaatst naar het nieuwe deel van het omgevingsplan, zijn vaak strenger of beter op de bestaande situatie afgestemd.

Gezien het gaat om de bestaande woonwijken wordt niet meer mogelijk gemaakt ten opzichte van de situatie onder oude wet- en regelgeving. De regels over de milieubelastende activiteiten uit de bruidsschat zijn overgenomen in titel 5.5 van het omgevingsplan. Deze regels zijn van toepassing op activiteiten als deze voorkomen of ruimtelijk zijn toegestaan, bijvoorbeeld als een bedrijfsactiviteit ruimtelijk is toegestaan. In bouwsteen 1 zijn bedrijfsmatige activiteiten alleen toegestaan als deze al waren toegestaan in bestemmingsplannen of doormiddel van een omgevingsvergunning. Hierbij gaat het niet om project-m.e.r.-(beoordelings)plichtig project, zoals opgenomen in bijlage V, vierde kolom, bij het omgevingsbesluit. Gelet op het conserverende karakter van de omgevingsplanwijziging is kunnen significante gevolgen worden uitgesloten, waardoor er geen passende beoordeling hoeft te worden opgesteld. Dat betekent dat er geen m.e.r.-beoordeling aan de orde is.

18 Artikel 16.36 lid 1 Omgevingswet. 19 Artikel 16.36 lid 2 Omgevingswet.

50

Subparagraaf 7.1.3 Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voor bouwsteen 1 geen plan-m.e.r. of m.e.r.-beoordeling nodig is.

Paragraaf 7.2 Bodem Het onderwerp bodem verwerken we nu nog niet in het nieuwe deel van het omgevingsplan voor bouwsteen 1. Op basis van advies van de omgevingsdienst is besloten dat dit onderwerp zich beter leent om gemeentebreed (thematisch) om te zetten. Dit zal gebeuren wanneer de bouwsteen voor het omzetten van de gemeentelijke verordeningen wordt opgepakt. Tot dan blijven de regels voor bodem uit hoofdstuk 22 uit het omgevingsplan (de bruidsschat) gelden. Hierdoor zal er juridisch gezien geen vacuüm in regelgeving ontstaan.

Paragraaf 7.3 Cultuurhistorie en archeologie Subparagraaf 7.3.1 Kaders Beleidskaders Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getreden. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij horende verantwoordelijkheden. Dit beleid is bij de actualisatie op enkele punten herzien. Vooral wat betreft de archeologische beleidskaart was deregulering mogelijk. Te veel gebieden hadden een hoge archeologische verwachting, terwijl uit archeologisch onderzoek bleek dat deze verwachting naar laag of afwezig kon worden bijgesteld. Op basis van deze geactualiseerde nota en beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. Juridische kaders Omgevingswet Het beschermen en beheren van cultureel erfgoed is een van de belangen van de Ow (art. 1.2).

De Erfgoedwet is deels opgegaan in de Ow: in de Ow zijn de regels voor de omgang met de fysieke leefomgeving geïntegreerd, waaronder onderdelen uit de Monumentenwet 1988 die voorheen in het overgangsrecht van de Erfgoedwet waren opgenomen. Daarbij blijven de bevoegdheden en beschermingsniveaus in grote lijnen gehandhaafd. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Ow is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet, de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Ow. Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld in de Ow. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Ow. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). In het Bal staan regels voor de bescherming van rijksmonumenten en archeologische monumenten. In het Bbl zijn regels over het bouwen, verbouwen, gebruiken en slopen van bouwwerken opgenomen.

51

Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.5 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De regels dragen de gemeente op om in het omgevingsplan rekening te houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.18 over archeologie worden gebieden met bekende archeologische waarde aangewezen en beschermd. Omgevingsplannen moeten regels bevatten om deze waardevolle gebieden te beschermen, zoals een verbod op grondbewerking van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm onder het maaiveld, tenzij archeologisch onderzoek aantoont dat de waarden niet worden aangetast. Als behoud ter plaatse niet mogelijk is, kan het omgevingsplan het behoud van archeologische waarden elders toestaan, mits andere belangen zwaarder wegen. In § 7.3.19 over traditionele windmolens gaat het om de aanwijzing en bescherming van molenbiotopen. Omgevingsplannen moeten vrije windvang en zicht op de molen garanderen. Er gelden hoogtebeperkingen voor bebouwing en beplanting binnen verschillende stralen rondom de molen.

Afwijkingen zijn mogelijk voor ontwikkelingen die de windvang en het zicht op de molen niet verder beperken, of voor ontwikkelingen binnen bijzondere molenbiotopen, mits deze goed worden ingepast.

Subparagraaf 7.3.2 Toetsing In het plangebied komen cultuurhistorische waardevolle objecten voor. Deze cultuurhistorische waardevolle objecten waren ook in de bestemmingsplannen aangewezen en zijn overgenomen in bouwsteen 1. Omdat er geen nieuw beleid is vastgesteld, heeft er geen actualisatie in de juridische regels plaatsgevonden. De bescherming van de cultuurhistorisch waardevolle objecten ziet erop dat zonder een omgevingsvergunning ter plaatse niet gebouwd mag worden of een bouwwerk veranderd mag worden. Deze regels staan in Paragraaf 5.4.1.6 (Cultuurhistorisch waardevolle objecten). Voor de gemeentelijke monumenten is de Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Lansingerland houdende regels omtrent erfgoed Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2016 geraadpleegd. De artikelen die zien op de fysieke leefomgeving zijn overgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan voor het plangebied van deze wijziging. Voor de gebieden die niet vallen onder deze wijziging blijft de Erfgoedverordening bestaan totdat deze worden gewijzigd. De monumenten worden beschermd door middel van regels over het bouwen, slopen en verstoren van de monumenten. Deze regels zijn terug te vinden in Paragraaf 5.4.1.5 Gemeentelijke monumenten en Paragraaf 5.4.2.2 Slopen of verstoren van bouwwerken - afweging gemeentelijk monument.

In de eerste paragraaf wordt het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken uitgesloten. Dit houdt in dat bijvoorbeeld zonder vergunning geen dakkapel vergunningvrij geplaatst kan worden op een monument. Hiermee wordt het uiterlijk van het monument beschermd, omdat eerst beoordeeld moet worden of de aangevraagde activiteit wenselijk is. De regels uit de tweede paragraaf stellen een vergunningplicht aan het slopen of verstoren van een monument. Deze regels zijn ook ter bescherming van het monument opgenomen. Voor het beschermen van de omgeving van de rijksmonumenten is contact geweest met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Hierna zijn de rijksmonumenten in het gebied bekeken samen met de waardebeschrijving per monument. Hier is uit gebleken dat de waardebeschrijvingen van de rijksmonumenten gelegen in het plangebied geen aanleiding gaven om de omgeving van het monument te beschermen. 52

Wat betreft archeologie is aangesloten bij de dubbelbestemmingen archeologie uit de bestemmingsplannen. Dit houdt in dat er zes restrictiegebieden archeologie zijn aangewezen (restrictiegebied archeologie 1 t/m 6). De bescherming van deze gronden is verwerkt in regels over activiteiten op of in de bodem. Als er activiteiten verricht worden, zoals verharden, graven, etc., dan is daar een vergunning voor vereist. Deze vergunning wordt alleen verleend als de activiteit geen directe of indirecte gevolgen zal hebben die leiden tot onevenredige aantasting van de archeologische waarden. Bij de beoordeling houdt het college van burgemeester en wethouders rekening met het schriftelijk advies van een archeologisch deskundige.

Subparagraaf 7.3.3 Conclusie In deze wijziging van het omgevingsplan worden cultuurhistorisch waardevolle objecten, gemeentelijke en rijksmonumenten en archeologische waardevolle gronden beschermd. Per soort beschermingsreden zijn passende regels opgenomen. Bij het opstellen van deze regels is gekeken naar het huidige beleid, bestemmingsplannen en de erfgoedverordening. Voor de omgeving van de rijksmonumenten is contact geweest met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Geconcludeerd kan worden dat het beschermingsniveau van genoemde objecten en gronden voldoende wordt geborgd met de opgenomen regels in deze wijziging van het omgevingsplan.

Paragraaf 7.4 Duurzaamheid Subparagraaf 7.4.1 Kaders De Omgevingsvisie 1.0 noemt wat betreft duurzaamheid de volgende uitdagingen voor de gemeente:  De effecten van klimaatverandering zijn met name hittestress, droogte, wateroverlast en een toenemend risico op overstromingen.  Landelijk en regionaal loopt de biodiversiteit nog altijd sterk terug.  Lokaal uitwerken van regionale afspraken over energiebesparing en -opwekking en duurzame warmte. In Lansingerland zijn er meerdere ruimtelijke beperkingen voor windenergie en grootschalige zonne-energie.  Woningen, glastuinbouw en bedrijfspanden moeten verduurzamen door te isoleren, energie te besparen, van het gas af te gaan en in de eigen opwekking te voorzien.  De warmtevraag is fors hoger dan de lokale duurzame opwekcapaciteit.  De belasting van het energienet, de toenemende drukte in de bodem en externe veiligheid van opwekbronnen zijn aanvullende uitdagingen.  Een circulaire economie vraagt om aanpassingen in bedrijfsvoering en materiaalkringlopen.

Subparagraaf 7.4.2 Toetsing Het aspect duurzaamheid is meegenomen in het proces van het opstellen van de regels voor het omgevingsplan. Gekeken is of er regels aangepast of aangevuld konden worden om aan bovenstaande opgaven te kunnen voldoen. De constatering is geweest dat het karakter van de wijziging (conserveren en beleidsneutrale overzetting) en het plangebied zich niet lenen voor grote juridische veranderingen op dit gebied. De openbare ruimte en de gebouwde omgeving ligt in de bestaande woonwijken grotendeels al vast. Een en ander betekent uiteraard niet dat het uitgesloten is om hiervoor binnen de bestaande bebouwde omgeving maatregelen te treffen in het omgevingsplan. Voor het ontwerpen en opstellen van dergelijke regels is het meer opportuun om dit eerst beleidsmatig op het niveau van de gehele gemeente (en wellicht zelfs de regio) uit te werken en om ook op dat schaalniveau een belangenafweging te maken. Een en ander neemt niet weg dat bij individuele nieuwe ruimtelijke projecten wel duurzaamheidsmaatregelen kunnen worden doorgevoerd. Bij nieuwbouwprojecten spelen niet de complexiteiten 53

die binnen een bestaande bebouwde omgeving wel spelen. Hoewel nieuwbouwprojecten hun eigen uitdagingen kennen, blijkt in de praktijk dat duurzaamheidsmaatregelen in een vroeg stadium kunnen worden mee-ontworpen. Wel is op kleinschalige niveau binnen bouwsteen 1 gekeken hoe bijgedragen kan worden aan de warmtetransitie. Hiervoor wordt in deze wijziging de vergunningvrije bouwmogelijkheden op het voorerf voor een warmtepomp verruimd – zoals deze al bij het vergunningvrij bouwen is besproken. Door deze verruiming wordt het voor inwoners makkelijker om een warmtepomp op het voorerf te plaatsen. Voor de plaatsing hoeft namelijk geen vergunning te worden aangevraagd, als voldaan wordt aan een aantal algemene regels. Daarnaast wordt bij het beoordelen van de aanvragen om een omgevingsvergunning voor het bouwen van bijvoorbeeld een woning een open norm gebruikt. Dat betekent dat er niet alleen wordt getoetst of een gebouw voldoet aan objectieve normen zoals goot- of bouwhoogte. Maar ook meer subjectieve belangen worden meegewogen. Dit betekent dat in de beoordeling de verschillende belangen moeten worden afgewogen. Duurzaamheid kan hier een onderdeel in spelen. Tevens staat in de beoordelingsregels dat in voldoende mate moet worden voorzien in wateroppervlak ter compensatie voor de verhardingstoename; dit draagt bij aan het tegengaan of verminderen van wateroverlast.

Subparagraaf 7.4.3 Conclusie Het aspect duurzaamheid is meegewogen bij het opstellen van de regels. Geconcludeerd is dat de wijziging van bouwsteen 1 zich niet leent voor grote juridische veranderingen op dit gebied. Wel is op kleine schaal gekeken of regels aangepast of aangevuld kunnen worden om bij te dragen aan duurzaamheid.

Paragraaf 7.5 Externe veiligheid Subparagraaf 7.5.1 Kaders Beleidskaders In omgevingsvisie 1.0 wordt ingegaan op het aspect externe veiligheid, zoals hieronder nader zal worden toegelicht. Er zijn diverse risicobronnen in de gemeente aanwezig: transportroutes, buisleidingen en een deel van de gemeente ligt onder de aanvliegroute van Rotterdam The Hague Airport. Ondanks dat externe veiligheid een speerpunt in de omgevingsvisie is, is op dit moment nog niet volledig uitgewerkt op welke manier de gemeente invulling gaat geven aan het veranderende omgevingsveiligheidsbeleid. Aangezien de omgevingsvisie 1.0 geen aanvullende kaders geeft ten opzichte van de juridische kaders op landelijk en provinciaal niveau, zijn deze juridische kaders in dezen leidend. Externe veiligheid is opgenomen in het milieumengpaneel in de omgevingsvisie. Voor woonwijken is het ambitieniveau voor externe veiligheid hoog.

54

Afbeelding 7.1: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.020

Wat daaronder in een concreet geval moet worden verstaan, is niet met zoveel woorden in de omgevingsvisie uitgewerkt. Over bestaande situaties, zoals bij bouwsteen 1 het geval is, merkt de omgevingsvisie 1.0 het volgende op: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’ 21 In bouwsteen 1 is de ambitie ten aanzien van veiligheid daarom zo uitgelegd dat er geen nieuwe activiteiten met een veiligheidsrisico zijn toegestaan. Voor het toevoegen van nieuwe (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties binnen de brand- en explosieaandachtsgebieden wordt de veiligheid als een van de belangen meegewogen bij de beoordeling of er een vergunning wordt verleend of niet. Op die manier is geborgd dat het aspect veiligheid niet uit het oog wordt verloren. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Het doel van die instructieregels is dat het omgevingsplan rekening houdt met risico’s van branden, rampen en crises. Ook moet rekening worden gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de zelfredzaamheid van personen en met mogelijkheden tot hulpverlening (zoals bereikbaarheid voor hulpdiensten).

Deze risico’s worden gevormd door het vervoer van gevaarlijke stoffen over transportassen - wegen en spoorwegen - maar bijvoorbeeld ook door buisleidingen. Daarnaast worden risico’s gevormd door verschillende milieubelastende activiteiten met externe veiligheidsrisico’s – zoals het opslaan van gevaarlijke stoffen. De risicobenadering van externe veiligheid gaat uit van twee sporen: het beschermen van individuen (plaatsgebonden risico of PR) en het beschermen van groepen (groepsrisico of GR). Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar één persoon overlijdt door een ongeval met 20

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

21

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 67.

55

gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd op één bepaalde plaats bevindt. Het groepsrisico is de kans op het overlijden van een groep mensen als deze, zowel beschermd als onbeschermd, op een plaats bevinden. Plaatsgebonden risico Voor wat betreft het PR bevat het Bkl grens- en standaardwaarden, die ruimtelijk worden vertaald in afstanden van risicobronnen tot gebouwen en locaties. Deze PR-contour is een gegeven of berekende afstand vanaf de risicobron. Het Bkl stelt instructieregels voor het toelaten van milieubelastende activiteiten en zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties moet het omgevingsplan de grenswaarde uit het Bkl in acht nemen. Binnen de PR-contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties niet toegestaan. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het omgevingsplan rekening houden met de standaardwaarde voor het PR die het Bkl stelt. Dat betekent dat deze gebouwen en locaties niet zijn uitgesloten, maar als deze worden mogelijk gemaakt, dan moet worden gemotiveerd waarom dit verantwoord is, gelet op het veiligheidsrisico. Groepsrisico – aandachtsgebieden Naast het PR, wordt onder de Ow het GR ingevuld aan de hand van aandachtsgebieden.

Bij risicovolle activiteiten (uit het Bal) wijst het Bkl deze aandachtsgebieden aan. Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die inzichtelijk maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen. Dat wil zeggen, waar zich bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Er is onderscheid gemaakt tussen de risico’s van warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Er zijn dan ook drie categorieën aandachtsgebieden:  brandaandachtsgebied;  explosieaandachtsgebied;  gifwolkaandachtsgebied. De aandachtsgebieden liggen rondom activiteiten met externe veiligheidsrisico’s, en gelden zodra de activiteit wordt verricht. Een brandaandachtsgebied ligt het dichtst bij de risicobron, het gifwolkaandachtsgebied spreidt zich het verst uit. Afhankelijk van het type activiteit is sprake van één of meerdere type aandachtsgebieden. Binnen een aandachtsgebied moet het omgevingsplan rekening houden met het groepsrisico (5.15 Bkl). Aan de instructieregel wordt in ieder geval voldaan als binnen het aandachtsgebied geen zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties worden toegelaten.

Het Bkl biedt wel enige afwegingsruimte (‘rekening houden met’), om binnen een aandachtsgebied deze gebouwen of locaties toe te laten. In het omgevingsplan moet dan gewaarborgd zijn dat maatregelen worden getroffen ter bescherming van personen in die gebouwen en op die locaties; of dat het aantal doorgaans aanwezige personen of de tijd dat die aanwezig zijn in die gebouwen en op die locaties beperkt wordt. Voor legaal aanwezige activiteiten, gebouwen en locaties hebben de aandachtsgebieden geen gevolgen. De gemeente kan voor (een deel van) brand- en explosieaandachtsgebieden in het omgevingsplan een voorschriftengebied aanwijzen (5.14 Bkl). Wat dat inhoudt wordt in de volgende alinea toegelicht. Het is dus ook mogelijk om geen of een kleiner voorschriftengebied aan te wijzen. Als op een locatie zeer kwetsbare gebouwen (zoals ziekenhuizen en kinderdagverblijven) zijn toegelaten is het aanwijzen van een voorschriftengebied verplicht.

56

Binnen een voorschriftengebied gelden aanvullende bouwkundige eisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen. Deze aanvullende eisen staan in het Bbl (artikel 4.90 t/m 4.96), en hebben tot doel om mensen in een gebouw te beschermen tegen de gevolgen van een brand of explosie. De bouweisen zijn aanvullend op de generieke bouweisen uit het Bbl en de beschermende maatregelen die binnen het hele aandachtsgebied worden getroffen (5.15 Bkl). Na aanwijzing van het gebied gelden deze voorschriften rechtstreeks op grond van dat besluit. Voor bestaande gebouwen binnen een voorschriftengebied gelden de aanvullende bouweisen niet.

Afbeelding 7.2: Infographic aandachtsgebieden externe veiligheid (bron: Iplo).

Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.2. van de provinciale omgevingsverordening bevat instructieregels over het waarborgen van de veiligheid. Deze instructieregels gaan over het opnemen en waarborgen van risicogebieden en groepsrisico's in het omgevingsplan. Het gaat om de volgende instructies; 1. Opname van risicogebieden: Specifieke risicogebieden voor externe veiligheid, zoals BotlekVondelingenplaat, Europoort en Maasvlakte, worden opgenomen in het omgevingsplan. 2. Waarborgen van ruimte: Bij besluitvorming over ruimte voor activiteiten in de buurt van deze risicogebieden moet rekening worden gehouden met de activiteiten waarvoor het risicogebied is gereserveerd. 3. Groepsrisicobenadering: Voor gebieden met een verhoogd groepsrisico moeten in het omgevingsplan overwegingen worden betrokken, zoals mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkeling buiten het gebied, alternatieven met minder risico, bestaande beschermingsmaatregelen, aanvullende beschermingsopties, maatregelen aan de bron van het risico en advies van de veiligheidsregio. 4. Niet-Basisnet transportroutes: Langs deze routes moeten ruimtelijke ontwikkelingen rekening houden met mogelijke incidenten met gevaarlijke stoffen door effectgebieden te beperken en maatregelen te treffen voor bescherming van personen en gebouwen binnen deze zones.

57

Subparagraaf 7.5.2 Toetsing In hoofdstuk 4, specifiek afdeling 4.2, worden de volgende gebieden aangewezen: - belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas; - belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof; - brandaandachtsgebied; - explosieaandachtsgebied. In deze afdeling zijn de aandachts- en belemmeringengebieden aangewezen zoals die ook worden genoemd in het Bkl. Het gaat om wettelijk bepaalde gebieden die zijn ingegeven door een specifiek onderwerp, namelijk omgevingsveiligheid. Bovengenoemde aandachtsgebieden hoeven niet te worden opgenomen in het omgevingsplan. Deze aandachtsgebieden bestaan al van rechtswege. Zij zijn opgenomen in de Atlas Leefomgeving. De kaart is gemaakt door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. De data zijn/worden door de omgevingsdiensten aangeleverd bij het Register Externe Veiligheidsrisico’s). De grens/omvang van een brand- en explosieaandachtsgebieden staat ook niet vast, maar kan wijzigen (zie de omschrijvingen van deze grens/omvang artikel 5.12, eerste en tweede lid Bkl). In deze twee aandachtsgebieden is het verboden om een zeer kwetsbaar gebouw te bouwen of het gebruik van gebouwen te wijzigen zodat een zeer kwetsbaar gebouw ontstaat. Hiermee wordt aangesloten bij artikel 5.15 van het Bkl. Een deel van het gebied van bouwsteen 1 is gelegen binnen een ‘gifwolkaandachtsgebied'.

Dit aandachtsgebied is niet als werkingsgebied in het omgevingsplan opgenomen, aangezien er vanuit het oogpunt van veiligheidsrisico's geen extra beperkingen gelden voor activiteiten. Voor het bouwen van nieuwe woningen en andere (zeer of beperkt) kwetsbare gebouwen binnen een gifwolkaandachtsgebied wordt vanuit het oogpunt van veiligheid aangeraden om te eisen dat bij nieuwbouw van (zeer) kwetsbare gebouwen mechanische ventilatie handmatig moet kunnen worden uitgezet. Deze eis geldt echter op rijksniveau voor alle nieuwbouw (artikel 4.90 Bbl) zodat het gifwolkaandachtsgebied geen extra beperkingen oplevert. In de twee belemmeringgebieden buisleiding gevaarlijke stoffen zijn geen zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen toegestaan. Voor kwetsbare gebouwen geldt er een uitzondering voor gebouwen die functionele binding hebben met de buisleiding. Dit blijkt uit Paragraaf 4.2.1 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas en Paragraaf 4.2.2 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof. Door het opnemen van deze regels wordt aangesloten bij de artikelen 5.18 en 19 van het Bkl. Het Bkl verplicht niet om het belemmeringengebied in het omgevingsplan aan te wijzen. Omwille van de zichtbaarheid en rechtszekerheid wordt het belemmeringengebied in dit omgevingsplan, volgens de bestaande praktijk in de voormalige bestemmingsplannen wel aangewezen.

In hoofdstuk 5 zijn regels aan activiteiten verbonden die te maken hebben met externe veiligheid. In subparagraaf 5.2.1.3.1 Plaatsgebonden risico is geregeld dat in het werkingsgebied 'plaatsgebonden risico 10-6/jaar’ het verboden is om beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen te bouwen, uit te breiden of het gebruik van gebouwen te wijzigen zodat een beperkt kwetsbaar, kwetsbaar en/of zeer kwetsbaar gebouw ontstaat. Daarnaast is het verboden om gronden te gebruiken als beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie of het gebruik te wijzigen zodat een beperkt kwetsbare of kwetsbare locatie ontstaat. In Titel 5.3 Gebruiksactiviteiten is een vergunningplicht opgenomen (afdeling 5.3.10 Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties), voor het toestaan van kwetsbare en beperkt kwetsbare 58

gebouwen en locaties in de werkingsgebieden brand- en explosieaandachtsgebied. Hierbij wordt direct aangesloten bij de instructieregel artikel 5.15 uit het Bkl. Dat het aspect veiligheid wordt meegewogen bij de beoordeling van een concreet initiatief is juridisch geborgd in de beoordelingsregels bij de vergunningplicht. Ook is geregeld dat er voorschriften aan vergunningen kunnen worden verbonden waarmee eisen gesteld kunnen worden om de veiligheid te waarborgen. Het omgevingsplan voorziet niet alleen in beperkingen voor het toevoegen van nieuwe zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt)kwetsbare gebouwen en locaties, maar ook in beperkingen voor nieuwvestiging van activiteiten die een veiligheidsrisico met zich meebrengen. Dat is ook geregeld in n afdeling 5.3 Gebruiksactiviteiten. Hier zijn de risicovolle activiteiten uit bijlage VII van het Bkl aangewezen. Nieuwvestiging is niet mogelijk op grond van het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 van het omgevingsplan worden deze activiteiten namelijk voor ieder gebiedstype uitgesloten. 22

Subparagraaf 7.5.3 Conclusie In het omgevingsplan zijn verschillende gebieden aangewezen vanwege externe veiligheid. Hiermee is in kaart gebracht wat er speelt op dit gebied in het plangebied van deze wijziging. De regels die zijn verbonden aan deze gebieden sluiten aan bij de instructieregels van het Bkl. De instructieregels van de provincie zijn betrokken bij de afwegingen. Hieruit is gebleken dat een deel hiervan niet van toepassing is op dit gebied.

Paragraaf 7.6 Geluid door activiteiten Subparagraaf 7.6.1 Kaders Beleidskaders Geluid door activiteiten is ook opgenomen in het milieumengpaneel in de omgevingsvisie. Voor woonwijken is het ambitieniveau voor geluid door activiteiten hoog. Bouwsteen 1 betreft de bestaande situatie, de omgeving is als ware al ingevuld. Hierover zegt de omgevingsvisie het volgende: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’ 23 Voor deze wijziging houdt dit vooral in dat het huidige niveau behouden moet blijven door het opnemen van juridische regels over dit omgevingsaspect.

22

Merk op dat er een uitzondering is gemaakt voor Risicovolle activiteiten Type A1. Dit type is een gasdruk meet- en regelstation. Dat is een onderdeel van nutsvoorzieningen, die overigens ook op grond van het Bbl vergunningvrij zijn (artikel 2.29 sub p onder 1 Bbl). Deze systematiek is een beleidsneutrale voortzetting. 23

59

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 67.

Afbeelding 7.3: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.0 24

Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn instructieregels opgenomen die toezien op het beheersen van geluid door activiteiten (paragraaf 5.1.4.2). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geluid door specifieke activiteiten (zoals geluid door windturbines, windparken, civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen) en andere activiteiten. In de instructieregels is ook onderscheid gemaakt in de wijze waarop in een aanvaardbare situatie wordt voorzien. Geluid door andere dan specifieke activiteiten In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten anders dan specifieke activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Het omgevingsplan voorziet in ieder geval in een aanvaardbare situatie als de standaardwaarde wordt opgenomen voor het toelaatbare geluid op een geluidgevoelig gebouw. Daarnaast dient de grenswaarde te worden opgenomen voor het toelaatbare geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. In een omgevingsplan kan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, op een aangewezen bedrijventerrein, verhoogd worden met 5 dB(A).

Ook kan in een omgevingsplan de standaardwaarde voor het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, in een aangewezen agrarisch gebied, verlaagd worden met 5 dB(A). Deze situaties doen zich niet voor binnen bouwsteen 1. Het omgevingsplan kan andere waarden bevatten dan de standaardwaarde. Gelet op de aard of locatie van de activiteit of cumulatie kan afgeweken worden van de standaardwaarde. Een hogere waarde kan alleen worden opgenomen als dit niet leidt tot een overschrijding van de grenswaarde in geluidgevoelige ruimten binnen geluidgevoelige gebouwen, anders dan binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen. Daarnaast is het stellen van een hogere waarde een mogelijkheid als sprake is van een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift op basis waarvan al een hogere waarde gold. Daarnaast bepaalt het Bkl onder meer dat het omgevingsplan waarden voor een 24

60

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

maximaal geluidniveau in de dagperiode kan bevatten, kan afwijken van waarden bij festiviteiten of waar waarden gelden, geen waarden bevatten of andere regels dan waarden stellen.

Subparagraaf 7.6.2 Toetsing De instructieregels uit het Bkl over geluid door activiteiten zijn verwerkt in de paragraaf 5.2.1.4 Geluid door activiteiten. Hierin staan de algemene regels die volgen uit het Bkl, bijvoorbeeld over waar waarden gelden, welke geluidbronnen buiten beschouwing gelaten moeten worden, etc. Wat betreft de gekozen waarden voor geluid op de gevels is aangesloten bij de standaardaarden die het Bkl voorschrijft in de instructieregel in artikel 5.65. In de regels van bouwsteen 1 is bepaald dat bij het verrichten van milieubelastende activiteiten de geluidsniveaus in acht genomen moeten worden. Daarmee is geborgd dat bedrijven niet méér geluid veroorzaken dan is toegestaan. Voor het toevoegen van nieuwe woningen wordt bij de beoordeling van de vergunningaanvraag ook getoetst aan die waarden. Op die manier wordt voorkomen dat een nieuw geluidgevoelig gebouw te dicht bij een bestaand bedrijf wordt gebouwd waardoor het in de bedrijfsactiviteiten wordt belemmerd. Het plangebied bevat geen specifieke activiteiten (die geluid veroorzaken) die zijn benoemd in de instructieregels uit het Bkl, zoals windturbines.

Subparagraaf 7.6.3 Conclusie Er wordt voldaan aan de instructieregels uit het Bkl.

Paragraaf 7.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Subparagraaf 7.7.1 Kaders Beleidskaders Geluid door verkeer is ook opgenomen in het milieumengpaneel in de omgevingsvisie. Voor woonwijken is het ambitieniveau voor geluid door verkeer hoog. Bouwsteen 1 betreft de bestaande situatie, de omgeving is als ware al ingevuld. Hierover zegt de omgevingsvisie het volgende: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’ Voor deze wijziging houdt dit vooral in dat het huidige niveau behouden moet blijven door het opnemen van juridische regels over dit omgevingsaspect.

61

Afbeelding 7.4: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.025

Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl stelt instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen (subparagraaf 5.1.4.2a). Daarmee schrijft het Bkl voor dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied. Het omgevingsplan moet erin voorzien dat het geluid binnen een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Een aandachtsgebied is een gebied waar het geluid hoger kán zijn dan de toepasselijke standaardwaarde in Lden zoals opgenomen in de tabel van artikel 3.34 van het Bkl. De aandachtsgebieden, voor de verschillende bronnen, dienen te worden berekend. Op verschillende manieren kan voorzien worden in een aanvaardbare situatie op het gebied van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Allereerst kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien door geen geluidgevoelige gebouwen toe te laten in het geluidaandachtsgebied. Daarnaast kan in een aanvaardbare situatie worden voorzien als het omgevingsplan, dat een nieuw geluidgevoelig gebouw toelaat, erin voorziet dat het geluid op dat gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde. In veel gevallen zal het echter niet mogelijk zijn om aan de standaardwaarde te voldoen. Bij een overschrijding van de standaardwaarde kan alsnog sprake zijn van een aanvaardbare situatie als: 1.

aangetoond is dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te voldoen; 2. de overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; 3. en het geluid op geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de grenswaarde als bedoeld in de tabel in artikel 3.35 van het Bkl. Een omgevingsplan dat een geluidgevoelig gebouw toelaat, kan erin voorzien dat het geluid hoger is dan de grenswaarde. Bij overschrijding van de grenswaarde moet echter sprake zijn van

25

62

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen die dit rechtvaardigen. Om, net als bij een overschrijding van de standaardwaarde, te voorzien in een aanvaardbare situatie dient: 1. aangetoond te worden da sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen; 2. aangetoond te worden dat geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarde te voldoen; 3. de overschrijding van de grenswaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt. Ten slotte dienen aan de gevel van het geluidgevoelige gebouw, waarop de grenswaarde wordt overschreden, bouwkundige maatregelen te worden getroffen die: 1. bestaan uit een uitwendige scheidingsconstructie die geen te openen delen bevat anders dan als onderdeel van een gemeenschappelijke doorgang; of 2. borgen dat het geluid op de te openen delen in de uitwendige scheidingsconstructie die direct grenzen aan een verblijfsgebied niet hoger is dan de grenswaarde. Ook dient in het omgevingsplan te worden bepaald dat de gevel een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen is. Op deze manier kan ook bij een situatie waarin het geluid hoger is dan de grenswaarde worden voorzien in een aanvaardbare situatie.

Subparagraaf 7.7.2 Toetsing Met betrekking tot geluid door wegen, spoorwegen en industrie bevat het omgevingsplan de volgende werkingsgebieden:  Geluidaandachtsgebied gemeenteweg  Geluidaandachtsgebied provinciale weg  Geluidaandachtsgebied hoofdspoorweg  Geluidsaandachtsgebied lokale spoorweg In hoofdstuk 4, afdeling 4.2, zijn deze werkingsgebieden aangewezen. Per aangewezen geluidsaandachtsgebied wordt in hoofdstuk 4 verwezen naar de geldende waarden uit hoofdstuk 5. Ook wordt aangegeven aan welke regels voldaan moet worden bij het verrichten van activiteiten in de geluidaandachtsgebieden. In Paragraaf 5.2.1.5 Geluid van infrastructuur en industrie staan de regels waar activiteiten aan moeten voldoen. Hier staat per soort geluidaandachtsgebied op welke situatie de regels van toepassing zijn, waar waarden gelden en welke waarden van toepassing zijn op geluidgevoelige gebouwen. In deze paragraaf is in zijn geheel aangesloten bij de instructieregels uit het Bkl. Het geluidaandachtsgebied industrie komt niet voor in het plangebied, daarom zijn hier geen regels voor opgenomen. Wel is in de structuur van het omgevingsplan rekening gehouden met de plek van de regels. Bij de lege opgenomen paragraaf hiervoor staat daarom gereserveerd. Deze paragraaf wordt later ingevuld als een geluidaandachtsgebied voor geluid door infrastructuur en industrie wel voorkomt.

In titel 5.3 Gebruiksactiviteiten, Afdeling 5.3.7 Geluidgevoelige gebouwen, zijn regels opgenomen over het toevoegen van geluidgevoelige gebouwen in de aangewezen geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw toevoegen, veranderen of het wijzigen van gebruik van gebouwen zodat een geluidgevoelig gebouw ontstaat, is verboden zonder omgevingsvergunning. De afdeling bevat beoordelingsregels waaraan getoetst moet worden of een omgevingsvergunning verleend kan worden. Daarnaast zijn er aanvullende aanvraagvereisten bij een omgevingsvergunning, deze zien op het akoestische rapport. De regels uit deze afdeling sluiten voor het overige ook aan bij het Bkl. 63

Opmerking verdient nog dat binnen het gebied van bouwsteen 1 (zuidelijkste deel) een klein deel van het geluidaandachtsgebied van de nieuwe A16 ligt. Er is voor gekozen om dat deel niet als werkingsgebied op te nemen in het omgevingsplan. Ten eerste vanwege de geringe omvang en ten tweede omdat daar gelet op de bestaande situatie geen nieuwe woningen zullen worden gerealiseerd; deze woonwijk is al voltooid. Zie uitsnede hieronder, waarin het geluidaandachtsgebied met een roze vlak is aangeduid (bron: Kaart geluidregister | CVGG Geluidregister | RIVM).

Afbeelding 7.5: Geluidaandachtsgebied Rijksweg

Subparagraaf 7.7.3 Conclusie Door het opnemen van bovenstaande regels zijn de instructieregels uit het Bkl verwerkt in bouwsteen 1 en wordt hier ook aan voldaan.

Paragraaf 7.8 Geur Subparagraaf 7.8.1 Kaders Beleidskaders Geur is ook opgenomen in het milieumengpaneel in de omgevingsvisie. Voor woonwijken is het ambitieniveau standaard. Bouwsteen 1 betreft de bestaande situatie, de omgeving is als ware al ingevuld. Hierover zegt de omgevingsvisie het volgende: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’26 Voor deze wijziging houdt dit vooral in dat het huidige niveau behouden moet blijven door het opnemen van juridische regels over dit omgevingsaspect.

26

64

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 67.

Afbeelding 7.5: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.027

Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Het Bkl (paragraaf 5.1.4.6) bepaalt dat in een omgevingsplan ervoor moet worden gezorgd dat de geur die door activiteiten wordt veroorzaakt op geurgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Om aan deze eis te voldoen stelt het Bkl instructieregels voor drie categorieën milieubelastende activiteiten die geur produceren, waarvoor in ieder geval in het omgevingsplan regels moeten worden opgenomen: a. het exploiteren van zuiveringtechnische werken; b. het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf; c. enkele andere agrarische activiteiten zoals het opslaan van mest of substraatmateriaal. Welke normen er gelden voor geur is afhankelijk van waar geurgevoelige gebouwen liggen: binnen of buiten de bebouwingscontour geur. Het Bkl bepaalt dat de gemeente in het omgevingsplan een bebouwingscontour geur moet aanwijzen. Voor geurgevoelige gebouwen binnen de bebouwingscontour geur gelden strengere normen dan voor geurgevoelige gebouwen buiten de bebouwingscontour geur. De gemeente kiest de begrenzing van de bebouwingscontour geur zelf. Deze keuze moet uiteraard worden gemotiveerd vanuit de gemeentelijke ambities. Voor andere geurveroorzakende activiteiten bepaalt en verantwoordt de gemeente zelf of en welke geurregels in het omgevingsplan nodig zijn (en waarom).

De geur door andere activiteiten dan die hierboven zijn genoemd wordt in het spraakgebruik 'industriële geur' genoemd. Dit betekent niet dat het altijd gaat om geur door grootschalige industriële activiteiten; met de term wordt alleen bedoeld aan te duiden dat het om geur gaat, anders dan door activiteiten die in het Bkl specifiek zijn geregeld. Denk hierbij bijvoorbeeld aan geur door een koffiebranderij of een bierbrouwerij. Of door horecaactiviteiten of het hobbymatig houden van dieren. Hierbij bepaalt de gemeente zelf welke mate van geurhinder aanvaardbaar is, en in hoeverre daarvoor waarden, afstanden en/of gebruiksregels in het omgevingsplan nodig zijn. De locatie van (in het omgevingsplan toegelaten) geurveroorzakende activiteiten enerzijds en geurgevoelige gebouwen anderzijds is daarbij bepalend.

27

65

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

Subparagraaf 6.8.2 Toetsing Geur door aangewezen activiteiten Voor wat betreft geur door milieubelastende activiteiten die in het Bkl zijn aangewezen, is de bebouwingscontour geur van belang. Zoals hierboven uiteengezet, bepaalt de gemeente de begrenzing van de bebouwingscontour geur zelf. Deze keuze moet worden gemotiveerd vanuit de gemeentelijke ambities. Omdat de bebouwingscontour geur voor de gehele gemeente moet worden aangewezen, zou deze de reikwijdte van bouwsteen 1 ver overschrijden. Bij het vaststellen van bouwsteen 1 wordt nog geen bebouwingscontour geur aangewezen; op een later moment zal de bebouwingscontour geur en de onderbouwing van de begrenzing op een hoger niveau en met inachtneming van de relevante beleidsmatige keuzes (gemeentebreed) worden gemaakt. Dat betekent ook dat totdat de bebouwingscontour geur is vastgesteld, de regels uit de bruidsschat (paragraaf 22.3.6) blijven gelden. Daarin is geregeld dat zolang er geen bebouwingscontour geur is aangewezen, de bebouwde kom bepalend is. Bovendien is daarin geregeld dat de geurnormen zoals die onder het oude recht golden, blijven gelden. Geur door overige activiteiten Voor geur door andere activiteiten dan die in het Bkl zijn aangewezen (ook wel industriële geur genoemd) gelden geen specifieke normen. De gemeente bepaalt zelf wat een aanvaardbare geursituatie is en de gemeente onderbouwt waarom.

Hierna wordt uiteengezet hoe daarmee in bouwsteen 1 is omgegaan. In het omgevingsplan zijn allereerst geurrelevante bedrijven aangewezen. Bij die keuze is indicatief gebruikgemaakt van de richtafstanden die voorheen op grond van de VNG Brochure Bedrijven en Milieuzonering werden gebruikt. Deze richtafstanden golden als een in de rechtspraak aanvaard hulpmiddel om te bepalen of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen. Als er tussen bedrijvigheid en woningen ten minste de richtafstand in acht werd gehouden dan kon men er (uitzonderingen daargelaten) van uitgaan dat er sprake was van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van woningen. En andersom kon men ervan uitgaan dat nieuwe woningen bestaande bedrijven niet in hun bedrijvigheid belemmerden als deze afstand in acht werd gehouden. De bedrijven die op grond van de eerdergenoemde Brochure voor het aspect geur een richtafstand hebben van 30 meter of meer, zijn in het omgevingsplan aangewezen als geurrelevant. Dat betekent niet dat deze bedrijven ook daadwerkelijk veel geur veroorzaken, dit betekent slechts dat het aspect geur bij deze bedrijvigheid specifieke aandacht verdient. Bij de nieuwvestiging van deze bedrijven of bij het toevoegen van geurgevoelige gebouwen/locaties is in het omgevingsplan geregeld dat daarvoor een vergunning is vereist.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=40ff99c5-edaf-45c4-8177-7833dd97fbbe