CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.00723] Motivering wijziging omgevingsplan bouwsteen 1 gemeente Lansingerland.

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken35.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

gebaseerd op de feitelijke en planologische situatie (zoals kadastrale grenzen en voorgaande bestemmingsplangrenzen).

Afbeelding 6.2: Gebiedsaanwijzing - Linten binnen woongebied

25

Afbeelding 6.3: Gebiedsaanwijzing – Wijkcentra

Afbeelding 6.4: Gebiedsaanwijzing - Woonwijken

26

Het gebied ‘Linten binnen woongebied’ is aangewezen voor de linten in de gemeente, voor zover die binnen een woongebied (dus niet in het buitengebied) liggen. De linten van Lansingerland zijn langgerekt en lopen deels door het buiten- en kassengebied en deels door de woonwijken die rondom de kern zijn uitgegroeid. De voornaamste linten zijn het ‘lint noord’ en ‘lint zuid’, die vanuit de kern van Berkel doorlopen tot de gemeentegrens in het noorden en zuidwesten. Omdat de linten een afwijkend karakter hebben ten opzichte van de woonwijken, krijgen ze een apart gebiedstype. De linten hebben eveneens een woonfunctie, maar in de linten is sprake van meer menging met andere functies zoals bedrijvigheid. Ook hebben de linten een onderscheidend cultuurhistorisch karakter, met stedenbouwkundige en landschappelijke waarden anders dan in de woonwijken of de rest van het buitengebied. Omdat bouwsteen 1 bestaat uit de woongebieden, zijn de delen van de linten die daarbinnen vallen in de bouwsteen meegenomen. Daarnaast is dit technisch wenselijker en in lijn met de rechtszekerheid. Deze gebieden maken namelijk deel uit van bestemmingsplannen die ook over de gebieden van de woonwijken heen liggen.

Door nu het gehele gebied van het bestemmingsplan mee te nemen kan het volledige voormalige bestemmingsplan komen te vervallen als de wijziging voor bouwsteen 1 door de gemeenteraad wordt vastgesteld. In de bouwsteen is één wijkcentrum aanwezig. Deze ligt in het noorden van Berkel en Rodenrijs aan de Esdoornlaan. Het wijkcentrum is apart aangewezen, omdat dit kleine gebiedje afwijkt van de woonwijk. Het primaat hier is niet wonen, er zijn zelfs geen woningen aanwezig op dit stukje in het plangebied. Wel is hier detailhandel, horeca en dienstverlening aanwezig. Vanwege dit aparte karakter en het feit dat hier andere activiteiten wenselijk zijn dan in de woonwijken, is dit gebied apart benoemd. Dit geeft de mogelijkheid om direct te sturen op welke activiteiten wel of niet toegestaan worden. Overigens is het gebiedstype ‘wijkcentra’ (dat is meervoud) genoemd, zodat bij volgende bouwstenen de werkingsgebieden voor andere wijkcentra hieraan kunnen worden toegevoegd. Het derde aangewezen gebied zijn de woonwijken. Het gaat hier om de uitontwikkelde woonwijken. Zo worden woonwijken waar nog ontwikkelingen plaatsvinden of voorzien zijn niet meegenomen in de wijziging. Deze gebieden worden meegenomen in de laatste bouwsteen, de verwachting is dat de gebieden dan ‘uitontwikkeld’ zijn. Per gebiedsaanwijzing wordt aangegeven welke waarden gelden binnen het gebied.

Bijvoorbeeld voor wat betreft geluid door activiteiten en geur. Daarnaast wordt aangegeven welke gebruiksactiviteiten zijn toegestaan en welke zijn uitgesloten. Hoofdstuk 4 dient hierbij als een wegwijzer. Hierin is namelijk in een oogopslag te zien welke regels uit hoofdstuk 5 per gebied gelden. Door deze structuur te gebruiken wordt overzicht gehouden op welke regels waar gelden. Daarnaast worden er enkele gebruiksactiviteiten aangewezen die zijn uitgesloten in de gebieden. Deze activiteiten mogen in ieder geval niet worden verricht. Dit zijn vooral de wat zwaardere milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld met een risicocontour) die niet passend zijn in een woongebied. Ook zijn darkstores en flitsbezorging uitgesloten in de genoemde gebieden. Hiermee wordt aangesloten bij de regelgeving van omliggende gemeenten en wordt voorkomen dat gemeente Lansingerland aantrekkelijk wordt om deze activiteiten uit te voeren. Titel 4.2 Thema’s In hoofdstuk 4 van de geïntegreerde versie van de staalkaarten zijn de regels onderverdeeld in twee categorieën: thematisch geordende regels en regels die per gebiedstype worden geordend. De keuze om de regels over activiteiten thematisch, dan wel per gebiedstype te ordenen, hangt vooral af van 27

de aard van de betreffende activiteit. Een vuistregel is dat de activiteiten die per gebied op een verschillende manier worden geregeld, gebiedsgewijs worden geordend. Regels voor activiteiten die zijn ingegeven door een specifiek belang of onderwerp worden thematisch geordend. De ordening die in bouwsteen 1 is gevolgd, sluit aan bij de geïntegreerde staalkaarten van de VNG. Het thematisch regelen van activiteiten is geen doel op zichzelf, maar het is een middel om hoofdstuk 4 van het omgevingsplan logisch in te delen. Door in afdeling 4.2 gebruik te maken van thema’s kunnen per thema de activiteiten in afdeling 5.2 worden ‘aangezet’ waarvoor met het oog op dezelfde doelen regels worden gesteld. Deze manier van regelen zorgt ervoor dat in hoofdstuk 4 direct de samenhang zichtbaar wordt tussen de activiteiten die onder hetzelfde thema worden geregeld. Op die manier hoeft de structuur van hoofdstuk 5 weinig gelaagdheid te bevatten, waardoor het beheer van de regels gemakkelijker is. In afdeling 4.2.1 Bouwactiviteiten staan de regels over het thema bouwactiviteiten. Per soort bouwwerk staat welke regels hiervan toepassing zijn. Daarnaast is ook geregeld waar welke regels niet gelden. Voor verdere uitleg over de bouwregels wordt verwezen naar paragraaf 6.2.5. In de afdeling 4.2.2 Milieu kunnen regels worden opgenomen over het thema milieu.

Voor bouwsteen 1 zijn er twee relevante thema's waarvoor regels zijn opgenomen: ‘milieubelastende activiteiten’ en 'restrictiegebied luchtkwaliteit. In paragraaf 4.2.1 Milieubelastende activiteiten wordt geregeld welke regels gelden uit hoofdstuk 5 voor milieubelastende activiteiten. Het restrictiegebied luchtkwaliteit zorgt ervoor dat naast snelwegen en provinciale wegen geen gebouwen in gebruik genomen mogen worden voor een bijeenkomstfunctie of dagverblijf van personen jonger dan 16 jaar. De omvang van het restrictiegebied is gebaseerd op het (inmiddels vervallen) besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Binnen het restrictiegebied mogen geen kinderdagverblijven of scholen worden gerealiseerd. Met het opnemen van dit artikel wordt bijgedragen aan het beschermen van de gezondheid van jongeren. Dit sluit aan bij het doel uit de omgevingsvisie 1.0 om toe te werken naar een substantiële reductie van de gezondheidsschade door luchtverontreiniging in 2030.8 In hoofdstuk 7 wordt een nadere toelichting gegeven over deze regels. In afdeling 4.2.3 Uitvoeren van werken en werkzaamheden, staan de regels behorend bij dit thema. In deze afdeling staat aan welke regels voldaan moet worden bij het verrichtten van activiteiten op of in de bodem. In de afdeling 4.2.4 zijn werkingsgebieden aangewezen die zijn ingegeven met het oog op externe veiligheid.

Deze gebieden worden speciaal benoemd met het oogpunt op het beschermen van bepaalde belangen en leggen daarom beperkingen op. Deze belangen kunnen bijvoorbeeld zien op het beschermen van gevoelige gebouwen (zoals een woning of een ziekenhuis) vanwege geluid of externe veiligheid. Hieronder zal per soort gebied uitleg worden gegeven waarom deze gebieden opgenomen zijn in deze wijziging van het omgevingsplan. Het betreft de volgende gebieden:  Paragraaf 4.2.4.1 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas  Paragraaf 4.2.4.2 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof  Paragraaf 4.2.4.3 Brandaandachtsgebied 8 Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 60.

28

Paragraaf 4.2.4.3 Explosieaandachtsgebied

Het belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen vindt zijn grondslag in artikel 5.18 en 5.19 Bkl. Dit artikel geeft aan hoe de begrenzing van dit gebied opgenomen moet worden in het omgevingsplan. Een belemmeringengebied buisleiding is bedoeld voor de veiligheid en het onderhoud van buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De instructieregel uit het Bkl verplicht de gemeenteraad om het belang van de veiligheid van de buisleiding mee te nemen in de afweging bij het vaststellen van een omgevingsplan. Binnen een belemmeringengebied buisleidingen mogen in het omgevingsplan geen gebouwen worden toegelaten. Dat geldt niet voor gebouwen die een functionele binding hebben met de leiding. Deze regels zijn verwerkt in paragraaf 4.2.4.1, Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen gas en paragraaf 4.2.4.2 Belemmeringengebied buisleiding gevaarlijke stoffen brandstof, van de gemeente Lansingerland. Voor de brandstof- en gasleiding zijn twee afzonderlijke belemmeringengebieden aangewezen, omdat de buisleidingen verschillende beheerders hebben. Door deze afzonderlijk aan te wijzen blijft duidelijk wie de beheerder is van welke leiding. De Omgevingswet in samenhang met het Bkl kent drie soorten aandachtsgebieden die zijn ingegeven vanuit veiligheid.

Deze aandachtsgebieden kunnen worden gezien als opvolger van wat voor inwerkingtreding van de Omgevingswet ‘het groepsrisico’ werd genoemd. Deze drie gebieden hebben elk hun eigen soort gevaar: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en gifwolk. Door de aandachtsgebieden wordt zichtbaar waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Dat betekent dat zich binnen dat gebied bij een ongeval met gevaarlijke stoffen levensbedreigende gevaren voor personen in gebouwen kunnen voordoen. Ook al is de kans daarop klein. Het aandachtsgebied vormt een instrument om het gesprek over veiligheid en bescherming door het treffen van maatregelen te starten. De aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico's. Ze gelden vanaf het begin van het verrichten van de activiteit. Een aandachtsgebied hoeft de gemeente niet eerst in het omgevingsplan aan te wijzen. In de paragrafen 4.2.4.3 (brandaandachtsgebied) en 4.2.4.4 (explosieaandachtsgebied) zijn de aandachtgebieden opgenomen met betrekking tot omgevingsveiligheid. Een deel van het gebied van bouwsteen 1 is gelegen binnen een ‘gifwolkaandachtsgebied'.

Dit aandachtsgebied is niet als werkingsgebied in het omgevingsplan opgenomen, aangezien er vanuit het oogpunt van veiligheidsrisico’s geen extra beperkingen gelden voor activiteiten. Voor het bouwen van nieuwe woningen en andere (zeer) kwetsbare gebouwen binnen een gifwolkaandachtsgebied wordt vanuit het oogpunt van veiligheid aangeraden om te eisen dat bij nieuwbouw van (zeer) kwetsbare gebouwen mechanische ventilatie handmatig moet kunnen worden uitgezet. Deze eis geldt echter op rijksniveau voor alle nieuwbouw (artikel 4.90 Bbl) zodat het gifwolkaandachtsgebied geen extra beperkingen oplevert. In bouwsteen 1 is het brand- en explosieaandachtsgebied wel als werkingsgebied opgenomen in het omgevingsplan. Door dat te doen kunnen binnen deze werkingsgebieden bepaalde activiteiten worden uitgesloten. In bouwsteen 1 mogen er in de aandachtsgebieden namelijk geen zeer kwetsbare gebouwen gebouwd of gebruikt worden (denk aan ziekenhuizen, verpleeghuizen, basisscholen). Voor beperkt kwetsbare of kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties geldt een vergunningplicht (denk aan woningen, sporthallen, gezondheidszorg zonder bedgebied): het is niet uitgesloten, maar vooraf moeten de veiligheidsrisico’s worden beoordeeld. Hierdoor kan de veiligheid vooraf worden afgewogen. In de afdeling 4.2.5 Geluid door infrastructuur zijn de volgende thema's per paragraaf geregeld: 29

    

Paragraaf 4.2.5.1 Geluidaandachtsgebied gemeenteweg Paragraaf 4.2.5.2 Geluidaandachtsgebied provinciale weg Paragraaf 4.2.5.3 Geluidaandachtsgebied rijksweg – gereserveerd Paragraaf 4.2.5.4 Geluidaandachtsgebied hoofdspoorweg Paragraaf 4.2.5.5 Geluidaandachtsgebied lokale spoorweg

Voor onder andere de gemeentewegen, provinciale wegen en spoorwegen zijn geluidaandachtsgebieden als werkingsgebied opgenomen in het omgevingsplan. Ook voor de geluidaandachtsgebieden geldt, dat deze ervan rechtswege zijn. In het omgevingsplan zijn werkingsgebieden opgenomen die overeenkomen met de geluidaandachtsgebieden zodat binnen deze werkingsgebieden beperkingen of extra eisen kunnen worden gesteld met het oog op geluidbelasting op gevels van geluidgevoelige gebouwen (zoals woningen). Een geluidaandachtsgebied ligt langs een weg of een spoorweg. Het is het gebied waarbinnen het geluid door die geluidbron hoger kán zijn dan de standaardwaarde (bijlage I bij artikel 1.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Deze aandachtsgebieden kunnen worden vergeleken met de voormalige zones langs wegen die door de Wet geluidhinder werden voorgeschreven. De omvang van het geluidaandachtsgebied is afhankelijk van de bron; de ligging van het geluidaandachtsgebied wordt op basis daarvan berekend. Alleen binnen het geluidaandachtsgebied zijn extra geluidregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing. Bij een wijziging van een weg, spoorweg of industrieterrein beoordeelt het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen in het geluidaandachtsgebied.

Bij het toelaten van geluidgevoelige gebouwen die geheel of gedeeltelijk in een geluidaandachtsgebied komen te liggen, houdt het bevoegd gezag rekening met het geluid afkomstig van die weg, spoorweg of dat industrieterrein. Door het geluidaandachtsgebied aan te wijzen wordt een koppeling gelegd tussen de geluidbron en de geluidgevoelige functies in de omgeving. Zoals hierboven aangegeven, is het niet nodig om de geluidaandachtsgebieden vast te leggen in het omgevingsplan. Echter, is dit in bouwsteen 1 wel gebeurd. Voor het toevoegen van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied bevat bouwsteen 1 namelijk een vergunningplicht. Op die manier is geborgd dat als er nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden mogelijk gemaakt er vooraf bij vergunningverlening wordt beoordeeld of er sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau en of er redenen zijn om extra maatregelen te treffen om toekomstige bewoners te beschermen tegen geluidbelasting. Deze afweging is min of meer vergelijkbaar met de ‘hogere waarden’ zoals dat onder de Wet geluidhinder heette. In de Afdeling 4.2.6 Cultureel erfgoed zijn de thema's geregeld die te maken hebben met cultureel erfgoed. Zo staan in paragraaf 4.2.6.1 regels behorend bij het restrictiegebied archeologie. In hoofdstuk 4 worden in totaal zes restrictiegebieden voor archeologie aangewezen.

Deze komen overeen met de voormalige dubbelbestemmingen voor archeologie. Er is dus sprake van een beleidsneutrale voortzetting van de voormalige bestemmingsplannen. Het restrictiegebied archeologie 4 komt niet voor binnen het gebied van bouwsteen 1. Daarom is deze paragraaf ‘gereserveerd’. Zo is er ruimte gereserveerd in de structuur van het plan voor volgende wijzigingen van het omgevingsplan. Voor het restrictiegebied leidingen en waterkeringen geldt hetzelfde als bij archeologie. Ook dit zijn de voormalige dubbelbestemmingen uit de bestemmingsplannen met exact dezelfde geometrie. In paragraaf 4.2.6.2 Gemeentelijke monumenten en paragraaf 4.2.6.3 Cultuurhistorisch waardevolle objecten, zijn regels over bijbehorende regels opgenomen. In de regels worden de

30

werkingsgebieden gekoppeld aan deze thema's aangewezen en is terug te vinden welke regels over activiteiten uit hoofdstuk 5 gelden in deze werkingsgebieden. In afdeling 4.2.7 Infrastructuur en voor publiek toegankelijke ruimte worden regels gesteld over de volgende thema's:  Paragraaf 4.2.7.1 Restrictiegebied leiding  Paragraaf 4.2.7.2 Beperkingengebied lokale spoorweg  Paragraaf 4.2.7.3 Water en groen  Paragraaf 4.2.7.4 Wegen In de afdeling 4.2.7 worden de gemeentewegen, provinciale wegen, spoorwegen en water en groen aangewezen. Deze gebieden worden expliciet aangewezen, omdat hier andere regels gelden dan andere delen van de openbare ruimte. Zo mogen hier geen bouwwerken worden gebouwd. Daarnaast gelden hier extra regels over werken en werkzaamheden, zoals het graven. Ook gelden in deze gebieden regels die het juist mogelijk maken dat normale onderhoudswerkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, zonder dat daar eerst een omgevingsvergunning voor verleend hoeft te worden. Deze aanwijzingen kunnen min of meer worden gezien als opvolger van de verkeers-, groen- en waterbestemmingen. Maar er wel zijn wel verschillen. Omdat in het omgevingsplan wordt gestuurd op activiteiten en niet op bestemmingen (zoals in de bestemmingsplannen), is er geen noodzaak meer om aan ieder stuk grond een gedetailleerde bestemming toe te kennen.

Het omgevingsplan is daarom vooral gericht op welke activiteiten er wel mogelijk zijn (en onder welke voorwaarden) en niet op het minutieus vastleggen van wat er op dat moment al is (bijvoorbeeld een plantsoen). Voor groen en water is er gekozen om niet twee afzonderlijke werkingsgebieden op te nemen. Er is één werkingsgebied voor groen en water. Binnen dat werkingsgebied is bouwen expliciet verboden. Het is dus niet mogelijk om op openbaar groen of in of rondom water te bouwen. In de bouwregels is daarnaast ook geregeld dat hoofdgebouwen niet zonder vergunning mogen worden opgericht (en binnen de linten binnen het woongebied zijn nieuwe hoofdgebouwen in het geheel niet toegestaan). En bijbehorende bouwwerken (en overige bouwwerken, zoals erfafscheidingen) mogen alleen worden gerealiseerd op het erf bij bestaande hoofdgebouwen. Door die systematiek is het uitgesloten dat bebouwing op water, groen of wegen wordt gerealiseerd. Wat betreft de (spoor)wegen is gekeken naar de exacte ligging hiervan. De Provinciale wegen en de spoorwegen zijn ingetekend zoals ze ook liggen in bouwsteen 1, zoals dat in de bestemmingsplannen ook het geval was. Voor de gemeenteweg is een andere aanpak gekozen. Hier geldt hetzelfde uitgangspunt als bij water en groen: niet alle voormalige verkeersbestemmingen zijn overgenomen.

De doorgaande gemeentelijke wegen en de onderdelen die herkenbaar zijn als hoofdstructuur zijn opgenomen. Losse pleintjes, smalle straten, wandelpaden en dergelijke zijn niet tot in detail overgenomen. De achterliggende gedachte daarbij is – evenals bij groen en water – dat dit geen meerwaarde heeft gelet op de systematiek van de regels. De afdeling 4.2.8 ziet op het thema bebouwingscontouren. De werkingsgebieden bebouwingscontour jacht en houtkap zijn door de wet voorgeschreven. Hiervoor is ruimte gereserveerd in het omgevingsplan. De bebouwingscontouren worden in bouwsteen 1 nog niet opgenomen in het omgevingsplan. Deze bebouwingscontouren worden pas relevant als de verordeningen worden verwerkt in het omgevingsplan (bouwsteen 4). Omwille van de structuur in het geheel is er al wel een plek voor gereserveerd.

31

Subparagraaf 6.2.2 Hoofdstuk 5 Activiteiten In hoofdstuk 5 staan alle regels over activiteiten. Dit hoofdstuk is aanzienlijk groter dan hoofdstuk 4, daarom wordt hieronder per subparagraaf uitleg gegeven over de verschillende onderdelen van hoofdstuk 5.

Subparagraaf 6.2.3 Normen voor de fysieke leefomgeving In hoofdstuk 5, titel 5.2, staan de normen met betrekking tot de fysieke leefomgeving. In titel 5.2 zijn normen opgenomen waar een activiteit aan moet voldoen of waar een vergunning aan getoetst moet worden. Dat wordt ook wel het ‘mengpaneel’ genoemd. Het gaat hier om externe veiligheid, geluid, geur, bodem, parkeren, trillingen. Deze onderwerpen worden toegelicht in hoofdstuk 7 bij de omgevingsaspecten. Daarom wordt voor de uitleg over de normen voor de fysieke leefomgeving verwezen naar hoofdstuk 7.

Subparagraaf 6.2.4 Gebruiksactiviteiten Titel 5.3 Gebruiksactiviteiten In titel 5.3 staan de regels voor de gebruiksactiviteiten. Deze kunnen min of meer vergeleken worden met de bestemmingsplanregels voor bijvoorbeeld de bestemming ‘wonen', ‘detailhandel', ‘bedrijvigheid’, etc. In het omgevingsplan zijn de regels over het bouwen en gebruik van elkaar gescheiden. Zo kunnen bouwregels meer algemeen van toepassing zijn en hoeven ze niet per se aan één gebruiksfunctie gekoppeld te zijn. Meerdere gebruiksactiviteiten kunnen op een locatie passend zijn. Voor bouwsteen 1 is vooral uitgegaan van de huidige situaties in de bestemmingsplannen, waarbij wel rekening is gehouden met de ambities in de omgevingsvisie. Er zijn enkele verruimingen mogelijk gemaakt, omdat de omgevingsvisie 1.0 hier aanleiding toe gaf of dit als actualisatie meegenomen kon worden. Sturingsfilosofie Per gebruiksactiviteit is het toepassingsbereik gedefinieerd, hierin is te lezen welke gebruiksactiviteit precies is geregeld. In bestemmingsplannen werden daarvoor de begripsbepalingen gebruikt. Onder één hoofd gebruiksactiviteit kunnen meerdere activiteiten vallen. Zoals bij de maatschappelijke activiteit waar een begraafplaats, kinderopvang en zorgwoningen, etc. onder vallen.

De omschrijvingen van de activiteiten zijn voor een groot deel afkomstig uit de modelplanregels van de gemeente die gebruikt werden voor uniformiteit bij het opstellen van bestemmingsplannen. Tussen alle gebruiksactiviteiten zijn ook activiteiten gedefinieerd die niet voorkomen in bouwsteen 1. Wel zijn deze opgenomen om de structuur voor toekomstige plannen vast te leggen. In de regels wordt gebruikgemaakt van artikelen waarin ‘oogmerken’ zijn opgenomen. Oogmerken geven aan met welk doel de regels zijn gesteld. Per gebruiksfunctie is een keuze gemaakt in ‘sturingsfilosofie'. Daarin zijn drie varianten onderscheiden: 1. ‘Functiemenging’ Dit betekent dat een gebruiksactiviteit binnen het gehele gebiedstype is toegestaan (mits voldaan wordt aan de daaraan gekoppelde regels). 2. ‘Functie op locatie’

32

Deze vorm van regelen komt het dichtst in de buurt van het ‘bestemmen’ zoals dat in bestemmingsplannen gebeurde. Met deze optie wordt een gebruiksactiviteit alleen op een specifieke locatie toegestaan, binnen een eigen werkingsgebied. 3. ‘Vergunningplicht’ De vergunningplicht is bedoeld om nieuwe gebruiksactiviteiten toe te staan als deze van tevoren positief beoordeeld zijn. De vergunningplicht is bedoeld om belangen tegen elkaar af te wegen. Hiermee wordt ruimte geboden in het toestaan van nieuwe gebruiksactiviteiten, maar houdt de gemeente nog wel de bevoegdheid om deze nieuwe activiteiten vooraf te toetsen. Dit is een vorm van uitnodigingsplanologie. Dit geeft gestalte aan de ‘ja, mits’ gedachte. Bovendien wordt hiermee het omgevingsplan meer toekomstbestendig: waar onder de Wet ruimtelijke ordening voor gebruikswijzigingen vaak het bestemmingsplan moest worden aangepast, kunnen initiatieven waarvoor een vergunningplicht is opgenomen ‘binnenplans’ worden mogelijk gemaakt. Uiteraard na zorgvuldige weging van belangen. Algemeen In Afdeling 5.3.1 Algemeen staan de algemene regels over de gebruiksactiviteiten. Deze algemene regels zijn van toepassing op alle gebruiksactiviteiten en geven soms naderhand sturing aan situaties waar gebruiksactiviteiten zijn toegestaan. Deze afdeling bevat bijvoorbeeld een specifieke zorgplicht.

Deze zorgplicht ziet erop toe dat degene die de gebruiksactiviteit uitoefent de zorgdraagt om redelijkerwijs maatregelen te treffen als diegene hinder of overlast veroorzaakt. In de afdeling zijn ook onderwerpen als aanvraagvereisten opgenomen. Zoals eerder aangegeven bij de uitleg over de parkeernorm in titel 5.2, zijn er ook regels opgenomen over parkeren die gelden voor gebruiksactiviteiten die niet vergunningplichtig zijn. Nieuwe gebruiksactiviteiten die zonder vergunning zijn toegelaten worden vooraf namelijk niet getoetst aan de parkeernormen. Dat is een bewuste keuze. Er zijn slechts enkele nieuwe gebruiksactiviteiten toegelaten in bouwsteen 1 zonder vergunning. Een voorwaarde voor deze nieuwe gebruiksactiviteiten is dat deze niet in de plaats mogen komen van bestaande woningen. Dat betekent dat nieuwe gebruiksactiviteiten alleen in de plaats kunnen komen van bestaande activiteiten die al een bepaalde verkeersaantrekkende werking en dus een parkeervraag hebben. De verwachting is daarom dat er geen extra parkeerdruk ontstaat. Om eventuele onwenselijke situaties te ondervangen is een maatwerkvoorschriftenbevoegdheid opgenomen. Deze maatwerkbevoegdheid geeft het bevoegd gezag de mogelijkheid om in te grijpen als er problemen ontstaan met het parkeren van een nieuwe gebruiksactiviteit.

Bij deze maatwerkbevoegdheid moet rekening gehouden worden met de Nota Parkeernormen Gemeente Lansingerland van 29 april 2014 of diens rechtsopvolger. Activiteiten met betrekking tot open erven en terreinen De regels in afdeling 5.3.2 zijn rechtstreeks overgenomen uit de bruidsschat. De regels zijn gericht op het waarborgen van de veiligheid op open erven en terreinen. Agrarische activiteiten In afdeling 5.3.3 staan de inhoudelijke regels over de agrarische activiteiten. Aangewezen activiteit In de paragraaf 5.3.3.1 worden de activiteiten aangewezen. Voor de agrarische activiteiten zijn in totaal zes verschillende agrarische activiteiten onderscheiden. Naast de aangewezen hoofdactiviteit staat in de paragraaf ook welke nevenactiviteiten en ondersteunende functies mogen plaatsvinden bij de hoofdactiviteit. Als Glastuinbouw I op een locatie is toegestaan mogen de aangewezen 33

nevenactiviteiten en ondersteunende functies ook plaatsvinden. Nevenactiviteiten zijn andere soorten activiteiten die naast de hoofdactiviteit uitgevoerd mogen worden, bijvoorbeeld een kleine vorm van detailhandel van productie die afkomstig zijn van het bedrijf. De nevenactiviteiten en ondersteunende functies zijn direct overgenomen uit het bestemmingsplan, zodat de mogelijkheden hetzelfde blijven. Woonwijk De gebruiksactiviteit Glastuinbouw I komt alleen in het gebied woonwijk voor, daarvoor is een eigen werkingsgebied opgenomen. Deze locatie is in de omgevingsvisie 1.0 aangewezen als woningbouwlocatie Wolfend. Hier is bewust gekozen om de regels uit het omgevingsplan conserverend over te nemen. De ontwikkeling van de deze woningbouwlocatie kent zijn eigen dynamiek en tijdpad, zodat dit buiten bouwsteen 1 is gehouden. Bedrijfsmatige activiteiten In afdeling 5.3.4 staan de inhoudelijke regels voor de bedrijfsmatige activiteiten. Aangewezen activiteit In paragraaf 5.3.4.1 worden vier verschillende bedrijfsmatige activiteiten aangewezen. Er wordt onderscheid gemaakt in bedrijvigheid, ambachtsbedrijven, groothandel en functioneel ondersteunende afhaalpunten. Daarnaast zijn ook de bedrijfswoningen aangewezen die in bouwsteen 1 voorkomen. Dit houdt in dat een functioneel ondersteunend afhaalpunt alleen bij bepaalde andere activiteiten is toegestaan.

Te weten: bedrijf, detailhandel en dienstverlening. In de algemene regels wordt specifiek verwezen om welke aangewezen activiteiten het gaat. Alleen als deze activiteiten zijn toegestaan en als voldaan wordt aan de algemene regels behorend bij het afhaalpunt is het afhaalpunt. Deze algemene regels zijn opgenomen om te voorkomen dat deze afhaalpunten op onwenselijke plekken worden gevestigd. De bedrijfsmatige activiteiten worden, zoals alle activiteiten, beperkt door de milieuregels. De regels met de milieunormen uit titel 5.2 zijn, zoals eerder aangegeven, direct van toepassing op deze gebruiksactiviteiten. Daarom staan de milieuregels niet direct bij de gebruiksactiviteiten en is gekozen voor een bredere definitie van de bedrijvigheid. Linten binnen woongebied In de linten binnen het woongebied is gekozen voor een vergunningplicht voor nieuwe bedrijven en ambachtsbedrijven. Het primaat in de linten binnen woongebied is wonen met enkele ondersteunende activiteiten. Bedrijvigheid zou daarbij kunnen passen, vanwege de relatie met de gewenste levendigheid in de linten genoemd in de omgevingsvisie 1.0. Daarnaast geeft de omgevingsvisie 1.0 aan dat er gewoond en gewerkt wordt in het lint en dat in de toekomst ruimte moet blijven voor nieuwe initiatieven als deze passen binnen het karakter van het lint.

9 De opgenomen vergunningplicht maakt het mogelijk om vooraf aard en schaal te kunnen toetsen bij nieuwvestiging van bedrijvigheid. In de linten binnen het woongebied komt ook een groothandel voor, deze locatie was ook al in het bestemmingsplan als zodanig aangewezen. Dit is overgenomen. Wijkcentra Het wijkcentrum in Berkel en Rodenrijs is een klein gebied waar geen ruimte is voor bedrijfsmatige activiteiten. Een ambachtsbedrijf zou eventueel kunnen passen binnen het wijkcentrum, gezien het 9 Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 77.

34

kleinschalige karakter van de activiteit. Daarom is hier de vergunningplicht opgenomen, hierdoor kan vooraf toetsing plaatsvinden op aard en schaal. Woonwijk De belangrijkste activiteit in de woonwijk is het wonen. In de woonwijk worden daarom geen nieuwe bedrijven toegestaan. Echter, in de bestemmingsplannen in dit gebied is wel op sommige specifieke plekken bedrijvigheid toegestaan. Deze bedrijvigheid blijft ook toegestaan in deze wijziging van het omgevingsplan. Biomassa-installatie In Afdeling 5.3.5 zijn de regels van het paraplubestemmingsplan “Biomassa” verwerkt. Op 22 april 2021 heeft de gemeenteraad van Lansingerland namelijk het Handelingsperspectief biomassaverbranding voor de glastuinbouw in Lansingerland vastgesteld. Om deze reden is in januari 2022 door de gemeenteraad een voorbereidingsbesluit genomen. Hiermee werden de mogelijkheden uit de geldende bestemmingsplannen tijdelijk bevroren. Hierna is op 23 februari 2023 het paraplubestemmingsplan “Biomassa” vastgesteld door de gemeenteraad. Hierdoor werden de mogelijkheden voor biomassa-installaties uitgesloten. Onder het uitsluiten van houtige biomassa gestookte stookinstallaties wordt verstaan het uitsluiten van op hout gestookte bedrijfsmatige biomassacentrales voor warmtevoorziening met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 1 MWth en het uitsluiten van levering aan derden.

In de Omgevingsvisie 1.0 is opgenomen dat de gemeente geen, of hooguit een zeer beperkte rol van houtige biomassaverbranding in het energiesysteem van de toekomst ziet. De bouw van nieuwe houtige biomassa gestookte stookinstallaties wordt als onwenselijk gezien. Daarom wordt in dit artikel een verbod hiervoor opgelegd. Detailhandelsactiviteiten Aangewezen activiteit In het omgevingsplan zijn vier varianten van detailhandel aangewezen, deze varianten zijn gebaseerd op de gemeentelijke modelplanregels. Het gaat om:  detailhandel voedingsmiddelen en dagelijkse gebruiksartikelen. Hier draait het vooral om supermarkten of bijvoorbeeld drogisterijen;  detailhandel duurzame en/of semi-duurzame gebruiksgoederen. Hier gaat het om nonfoodsector of dagelijkse gebruiksgoederen, zoals kleding, elektrische apparaten, schoeisel etc.;  grootschalige detailhandel; zoals tuincentra, bouwmarkten en overige zeer volumineuze goederen; en  het verkopen van motorbrandstoffen. Linten binnen woongebied In de linten komen weinig detailhandelsvestigingen voor. Alleen in Bergschenhoek is op een locatie grootschalige detailhandel toegestaan, dit is overgenomen uit het bestemmingsplan dat geldend was op deze plek. Daarnaast is er in Bleiswijk een locatie waar een detailhandel voedingsmiddelen en dagelijkse gebruiksartikelen geëxploiteerd mag worden.

Voor deze locaties is dus gekozen voor ‘functie op locatie’. Hiermee worden bestaande gebruiksmogelijkheden geborgd. Voor nieuwvestiging van detailhandel geldt een vergunningplicht. Detailhandel zou namelijk kunnen passen binnen de linten, gezien het karakter van het lint. Wel moet beoordeeld wordt of de detailhandel wel passen is op de locatie. Bijvoorbeeld moet beoordeeld worden of de detailhandel wel past bij de regionale behoefte.

35

Wijkcentra In het gebied ‘wijkcentra’ is detailhandel een passende activiteit. In het wijkcentrum in Berkel en Rodenrijs is al detailhandel aanwezig. Daarom is hier gekozen voor ‘functiemenging’ voor de eerste twee varianten van detailhandel. Dit sluit ook aan bij de regels uit de voormalige bestemmingsplannen. Woonwijk In een woonwijk is detailhandel minder passend, daarom mag de detailhandel die al aanwezig is blijven, maar is nieuwe detailhandel niet toegestaan. Op één locatie in Berkel en Rodenrijs, aan de Krugerlaan, is alleen detailhandel toegestaan op de begane grond volgens het voormalige bestemmingsplan. Hier geldt dat alleen de eerste twee varianten zijn toegestaan. Op de verdieping op de locatie zijn woningen aanwezig. In het omgevingsplan staat een dergelijke regeling niet. Die keuze is gemaakt omdat de paragraaf een verbod bevat dat nieuwvestiging van detailhandel verboden is als dit ten koste gaat van woningen. Dienstverlening Aangewezen activiteit Voor de aanwijzing van de gebruiksactiviteit dienstverlening is ook aangesloten bij de gemeentelijke modelplanregels. Dienstverlening ziet op het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder een uitzendbureau, een bankfiliaal, een makelaar, een reisbureau, een kapsalon.

Voor een dienstverleningsvestiging geldt er een maximaal bedrijfsvloeroppervlakte waar elke vestiging zich aan moet houden. Linten binnen woongebied Voor de bestaande dienstverlening in de linten is gekozen voor ‘functie op locatie’. Hiermee worden bestaande gebruiksmogelijkheden niet ingeperkt. Op één locatie komt dienstverlening voor in de linten binnen het woongebied, namelijk in Bleiswijk. Nieuwe dienstverlening zou kunnen passen in de linten vanwege de diversiteit in activiteiten die daar plaatsvinden. Daarom is voor nieuwvestiging van een dienstverleningsactiviteit een vergunningplicht aangewezen. De beoordelingsregels bevatten open normen waardoor een belangenafweging kan plaatsvinden. Dit is een vorm van uitnodigingsplanologie. Wijkcentra Voor het wijkcentrum in Berkel en Rodenrijs is gekozen voor ‘functiemenging’. Hierdoor wordt aangesloten bij de situatie uit het bestemmingsplan. Hier was dienstverlening namelijk ook in het gehele wijkcentrum toegestaan. Woonwijk De aangewezen activiteit ziet op het bedrijfsmatig verlenen van dienstverlening, hier gaat het dus niet om een beroep aan huis. In een woonwijk is deze activiteit minder passend, vooral vanwege de eventuele verkeersaantrekkende werking. In de woonwijken komt een gering aantal dienstverleningsactiviteiten voor, deze mogen blijven bestaan. Hier is dus gekozen voor ‘functie op locatie’.

Nieuwvestiging is niet mogelijk gemaakt. Geluidgevoelige gebouwen Deze activiteit wijkt enigszins af van de meer herkenbare gebruiksactiviteiten zoals die in de bestemmingsplannen werden geregeld. De activiteit gaat over het toevoegen van nieuwe 36

geluidgevoelige gebouwen. Benadrukt wordt dat het hier gaat om een gebruiksactiviteit. Als er ook bouwactiviteiten voorgenomen zijn, dan moet ook aan de regels voor bouwen worden voldaan. Deze regel zorgt ervoor dat het creëren van nieuwe geluidgevoelige gebouwen alleen mogelijk is na toetsing aan de waarden voor geluid. Daarmee geeft de regel invulling aan de instructieregels uit het Bkl. Voor meer informatie over deze activiteit wordt verwezen naar hoofdstuk 6. Horeca Aangewezen activiteit Voor de horeca-activiteit zijn drie categorieën aangewezen. Deze zijn gebaseerd op de gemeentelijke modelplanregels:  daghoreca en avondhoreca;  uitgaansgelegenheid zoals cafés, bars, dancings, discotheken, partycentra, etc.; en  nachtverblijf zoals hotels en pensions. Een B&B valt hier expliciet niet onder, dit is geregeld onder de activiteit wonen. De tweede en derde categorie komen niet voor in het plangebied. Linten binnen woongebied In Bleiswijk is één horeca categorie 1 aanwezig. Hier is ‘functie op locatie’ gekozen. Deze activiteit mag dus plaats blijven vinden. Voor nieuwvestiging is gekozen voor een vergunningplicht met open beoordelingskaders. Horeca kan passen binnen linten in het woongebied, maar wel moet dit per casus worden afgewogen. Wijkcentra In het wijkcentrum in Berkel en Rodenrijs is een horecazaak van categorie 1 aanwezig.

De hiervoor geldende bestemming maakte mogelijk dat in gehele wijkcentrum horeca van deze categorie was toegestaan. Hier wordt in het omgevingsplan bij aangesloten. Daarom is gekozen voor functiemenging. Woonwijk Op één plek in de woonwijk komt een horecazaak van categorie 1 voor. Daarom is hier ook gekozen voor functie op locatie. Echter, voor de woonwijken is een horecazaak minder passend, daarom wordt gekozen om hier geen vergunningplicht voor aan te wijzen. Zoals blijkt uit de omgevingsvisie 1.0 is er in de kernen ruimte voor zulke levendigheid, zoals terrasjes in de zomer, maar niet in de woonwijken.10 Kantooractiviteiten Aangewezen activiteit Voor de aanwijzing van de activiteit is gekozen om de modelplanregels te volgen. Een kantooractiviteit is het houden van een zelfstandig kantoor waarin administratieve en daarmee gelijk te stellen werkzaamheden (al dan niet met een baliefunctie) plaatsvinden, zoals een advocatenkantoor. Linten binnen woongebied en woonwijk In de linten en de woonwijken komt op sommige plekken een kantooractiviteit voor. Dit is meestal in de buitenringen van de woonwijk. Er is gekozen voor de sturingsfilosofie ‘functie op locatie'. Zo

10 Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

37

worden de bestaande gebruiksmogelijkheden niet ingeperkt. In het omgevingsplan wordt geen mogelijkheid geboden om kantooractiviteiten toe te voegen doormiddel van een vergunningplicht. Wijkcentra In het wijkcentrum komt geen kantooractiviteit voor. Nieuwvestiging is hier ook niet mogelijk gemaakt omdat hier activiteiten zoals detailhandel, dienstverlening of lichte horeca, passender zijn. Kwetsbare en beperkt kwetsbare gebouwen en locaties Zeer kwetsbare gebouwen (zoals verpleeghuizen en kinderopvang met bedgebied) mogen niet worden toegevoegd in het explosie- of brandaandachtsgebied. Deze zijn hier uitgesloten. Dit staat in hoofdstuk 4 bij de aandachtsgebieden. Voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen en locaties (zoals woningen, sporthallen, etc.) geldt een vergunningplicht in het explosie- en brandaandachtsgebied. Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag wordt het aspect veiligheid meegewogen. Er kunnen ook vergunningvoorschriften gesteld worden met het oog op de veiligheid. Maatschappelijke activiteiten Toepassingsbereik activiteit Als uitgangspunt is aangesloten bij de modelplanregels van de bestemmingsplannen. Er is wel een onderverdeling gemaakt in verschillende soorten maatschappelijke activiteiten. Op deze manier kan per soort activiteit een eigen sturingsfilosofie worden gekozen.

In totaal bevat het omgevingsplan vijf verschillende soorten maatschappelijke activiteiten:  overheid, medisch en sociaal-cultureel voorzieningen. Bijvoorbeeld een paspoort afhaalpunt, een bibliotheek of een fysiotherapeut;  kinderopvang en onderwijs. Denk aan kinderdagverblijven, basisscholen en middelbare scholen;  Religie en levensbeschouwing, een voorbeeld hiervan is een kerk;  Zorgwoningen; en  begraafplaatsen. Daarnaast zijn er twee soorten functioneel ondergeschikte activiteiten aangewezen bij de zorgwoningen: ruimte voor ontmoeting en ondergeschikte daghoreca. Als zorgwoningen zijn toegestaan op een locatie zijn ook deze ondergeschikte activiteiten toegestaan. Linten binnen woongebied In de omgevingsvisie 1.0 staat het volgende: ‘We koesteren het verenigingsleven, maatschappelijk middenveld en vrijwilligers, omdat zij de ‘smeerolie’ in de samenleving zijn. Daarnaast is onze ambitie dat iedereen mee kan doen en dat mensen die hulp nodig hebben, op de gemeente kunnen rekenen.’11 Om bij deze ambitie aan te sluiten zijn overheids-, medische en sociaal-cultureel voorzieningen overal toegestaan (functiemenging). Wel geldt er een algemene regel, namelijk dat een dergelijke maatschappelijke activiteit niet ten koste mag gaan van een woning. Voor kinderopvang, onderwijs en zorgwoningen geldt een vergunningplicht.

Op sommige locaties kan het wenselijk zijn om deze activiteit toe te staan. Echter, vooraf dient beoordeeld te worden wat het effect is van deze activiteiten op de omgeving.

11 Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 59.

38

Voor de religie en levensbeschouwing en begraafplaatsen geldt ‘functie op locatie’. Wat nu is toegestaan blijft toegestaan. Hier is voor gekozen, omdat deze activiteiten over het algemeen meer ruimte innemen, bijvoorbeeld voor parkeerplekken. Wijkcentra In het wijkcentrum geldt hetzelfde voor overheid, medisch en sociaal-cultureel voorzieningen als in de linten binnen het woongebied. Daarnaast is er ook gekozen voor ‘functiemenging’ voor kinderopvang en onderwijs, vanwege het gewenste voorzieningenniveau. Het wijkcentrum kan hiervoor geschikt zijn. Hierdoor ontstaat ook de mogelijkheid om activiteiten te combineren. Denk aan detailhandel en kinderopvang. De maatschappelijke activiteiten zorgwoningen, religie en levensbeschouwing en begraafplaatsen komen niet voor in het wijkcentrum. Deze worden hier ook niet mogelijk gemaakt, gelet op de functie van het wijkcentrum en de bestaande activiteiten die daar al plaatsvinden. Woonwijk Wat betreft de overheids-, medische en sociaal-cultureel voorzieningen geldt voor de woonwijk hetzelfde als voor de linten en wijkcentra. Hier is ook gekozen voor ‘functiemenging’. Voor alle overige maatschappelijk activiteiten is gekozen voor ‘functie op locatie’.

Deze keuze is ingegeven doordat wonen de belangrijkste activiteit is in de woonwijk en er weinig ruimte is voor andersoortige activiteiten, vooral als die activiteiten meer ruimte nodig hebben. Recreatie Toepassingsbereik activiteit In totaal zijn er acht verschillende varianten van recreatie aangewezen in hoofdstuk 5. Alleen de speelplaats komt voor in het plangebied van bouwsteen 1. De andere activiteiten zijn wel aangewezen voor toekomstige wijzigingen van het omgevingsplan. Deze zullen daarom niet verder worden toegelicht. Bij de speelplaats zijn ondergeschikte activiteiten aangewezen die tezamen met de speeltuin activiteit mogen plaatsvinden. Het gaat hier om ondersteunende horeca uit categorie 1a met een maximumoppervlak van 50 m2 inclusief bijbehorend(e) terras(sen). Dit is direct overgenomen uit het hiervoor geldende bestemmingsplan. Linten binnen woongebied en Wijkcentra In deze twee gebieden komen geen van de aangewezen recreatie activiteiten voor. Nieuwvestiging wordt niet mogelijk gemaakt, gezien de functie van deze gebieden. In de linten binnen het woongebied is het primaat namelijk wonen met enige ruimte voor andere activiteiten zoals bedrijvigheid. In deze stukken van het lint is evenmin ruimte om recreatie toe te staan zoals die zijn aangewezen. Het wijkcentrum is een klein gebied, dat vooral gericht is op detailhandel, horeca en dienstverlening.

Woonwijk In het gebied woonwijk komt op één plek een niet openbaar toegankelijke speelplaats voor. Voor deze activiteit is ‘functie op locatie’ gekozen, zodat deze gebruiksmogelijkheden niet worden ingeperkt. Nieuwvestiging is niet mogelijk gemaakt. Risicovolle activiteiten Deze activiteit gaat over het gebruik van gronden en bouwwerken voor risicovolle activiteiten. Er is onderscheid gemaakt tussen type A, B en D, in lijn met bijlage VII van het Bkl. In hoofdstuk 6 bij het

39

omgevingsaspect wordt nader ingegaan op de regels, hier wordt naar verwezen. Nieuwvestiging van risicovolle activiteiten is niet toegestaan. Sportactiviteiten Toepassingsbereik activiteit Voor de sportactiviteiten is onderscheid gemaakt tussen binnen- en buitensport. Onder binnensport vallen sporthallen, zwembaden of sportscholen. Buitensport ziet op de sportvelden voor bijvoorbeeld voetbal. In het plangebied komen alleen binnensportlocaties voor. Als een binnensportactiviteit is toegestaan zijn ook een aantal functioneel ondergeschikte activiteiten toegestaan, zoals ruimte voor ontmoeting en ondergeschikte daghoreca. Naast de binnen- en buitensportaanwijzingen is ook een openbare sportvoorziening aangewezen. Dit is een bestaande sportcorner. Voor het behoud van deze voorziening is deze juridisch geborgd in het omgevingsplan. It past ook bij de omgevingsvisie 1.0: ‘Lansingerland staat in 2030 op de kaart als sportiefste gemeente van Nederland: met een bovengemiddelde sportdeelname (zowel georganiseerd als ongeorganiseerd) en bovengemiddeld ervaren gezondheid van inwoners’ en ‘We voorkomen dat een kleine portemonnee, beperking of hoge leeftijd een belemmering is om te sporten’12. Een openbare sportvoorziening van dit formaat draagt bij aan deze doelstellingen. Linten binnen woongebied In de linten binnen het woongebied komen geen binnensportactiviteiten voor.

Wel is er een vergunningplicht opgenomen om nieuwe binnensportactiviteiten toe te staan. Dit past bij het diverse karakter van het gebied. Het beoordelingskader van de vergunningplicht maakt het mogelijk om alle belangen goed tegen elkaar af te wegen. Alleen als een nieuwe activiteit passend is, kan vergunning worden verleend. Dit is een vorm van uitnodigingsplanologie. Wijkcentra In het wijkcentrum is vooralsnog geen binnensportlocatie aanwezig. Het is denkbaar dat nieuwvestiging van een binnensportaccommodatie voorziet in een behoefte, bijvoorbeeld ter vervanging van de andere activiteiten die hier nu voorkomen. Daarom is hier ook de vergunningplicht opgenomen. Dit is een vorm van uitnodigingsplanologie. Woonwijk In de woonwijk is het wonen primaat, daarom is hier gekozen voor ‘functie op locatie’ voor sportactiviteiten. De binnensportlocaties die al aanwezig zijn mogen blijven. Wonen Algemene regels wonen De opbouw van de regels voor wonen wijkt enigszins af van de systematiek van de overige gebruiksactiviteiten. In de algemene regels is bepaald dat wonen is toegestaan in bestaande woningen, die zijn opgenomen in een specifiek werkingsgebied ‘bestaande woning’. Dit werkingsgebied is gebaseerd op 12 Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 60.

40

bouwvlakken uit voorgaande bestemmingsplannen, in combinatie met BAG-gegevens en een inventarisatie van de feitelijke situatie. Op die manier is ook op een kaartbeeld inzichtelijk waar woningen (en daarmee milieugevoelige functies) aanwezig zijn. Voor wonen op de verdieping is een eigen werkingsgebied toegevoegd. Short stay en vakantieverhuur vallen niet onder de woonactiviteit. Verder bevatten de algemene regels over wonen nog enkele bepalingen uit de bruidsschat (onder meer over huishoudens en mantelzorg). Voor mantelzorg wordt aangesloten bij de definitie die in het Bbl staat. Hospita en inwoning Aan de algemene regels is een uitzondering toegevoegd op de regel dat één huishouden in een woning mag wonen. Deze algemene regel wordt ‘hospita en inwoning’ genoemd. Dit houdt in dat een ander huishouden bij een huishouden in mag wonen of een kamer mag huren als wordt voldaan aan de algemene regels. In de regels is een verplichting opgenomen dat de hoofdbewoner van de woning zelf in de woning blijft wonen, om mistanden te voorkomen. Het is een bewuste keuze om niet alleen te voorzien in een mogelijkheid om te verhuren. Of er wel of geen huur betaald wordt, doet voor de ruimtelijke gevolgen op de omgeving niet ter zake. Om het inwonende huishouden te beschermen is opgenomen dat er per persoon ten minste 12 m2 gebruiksoppervlakte is, hetgeen ook in de bruidsschat is opgenomen.

Ook mag er alleen in het hoofdgebouw worden gewoond en mag de ter beschikking gestelde woonruimte geen zelfstandige woonruimte vormen, om te voorkomen dat een woning wordt gesplitst. Deze regeling is nieuw ten opzichte van de voormalige bestemmingsplannen. De omgevingsvisie 1.0 gaf aanleiding om deze regels op te nemen: ‘De woningvoorraad bestaat op dit moment voor ongeveer 80% uit eengezinswoningen, terwijl de behoefte gaat veranderen. Daarnaast ligt de gemiddelde verkoopprijs ver boven het landelijk gemiddelde. Het aanbod is daarmee prima voor gezinnen met een hoog inkomen, maar niet passend voor de groeiende groep ouderen, jongvolwassenen en lage en middeninkomens. Daardoor kunnen veel mensen moeilijk een eerste stap zetten op de woningmarkt. De druk op het betaalbare deel van de woningvoorraad zien we ook terug in de toegenomen wachttijd voor een sociale huurwoning. Er is dus behoefte aan een ander woningtype dan het type waar Lansingerland er op dit moment veel van heeft.’13 (...) ‘Lansingerland wil iedereen een plek kunnen bieden. Dit betekent dat we de komende jaren extra aandacht hebben voor groepen waar op dit moment onvoldoende aanbod voor is: jongeren, ouderen, ‘empty-nesters’, spoedzoekers en lage en middeninkomens.

Daarnaast hebben we ook aandacht voor groepen die gebaat zijn bij bijzondere woonvormen, zodat alle inwoners zoveel mogelijk kunnen wonen in een voor hen passende woning.’ 14 De regel voor hospita en inwoning kan op kleinschalige schaal bijdragen aan het oplossen van woningtekort voor met name mensen met een laag- of middeninkomen die tijdelijk (en snel) behoefte hebben aan een betaalbare woonruimte. Door de huidige schaarste aan betaalbare woonruimten kunnen bijvoorbeeld sociaal ongewenste of onveilige thuissituaties blijven bestaan. De hospitaregeling maakt het bijvoorbeeld mogelijk dat ‘empty-nesters’ leegstaande kamers kunnen verhuren aan spoedzoekers waardoor bijvoorbeeld een net gescheiden persoon tijdelijk een

13

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 27.

14

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 61.

41

betaalbare woonruimte kan huren. Ook kan deze regeling gebruikt worden door een arbeidsmigrant. Hierbij geldt ook dat er maar één huishouden mag inwonen, dus dit kan één arbeidsmigrant zijn of bijvoorbeeld een arbeidsmigrant plus partner. De regeling sluit op dit punt ook goed aan bij de regels over huisvesting van arbeidsmigranten uit de provinciale omgevingsverordening, aangezien hierin is opgenomen dat huisvesting van arbeidsmigranten plaatsvindt op een redelijke afstand van voorzieningen binnen de kernen. Aangezien deze regel van toepassing is op de bestaande woningen wordt hieraan voldaan. Het inwonen van een ander huishouden kan bepaalde gevolgen hebben voor de hoofdbewoner van de woning. Daarom wordt op de gemeentelijke website een pagina met informatie gepubliceerd over de gevolgen hiervan. Deze informatie zal aansluiten bij de informatie die vanuit het Rijk over dit onderwerp wordt gedeeld. Ook is meegenomen dat de parkeerdruk in de wijken zou kunnen veranderen door deze regeling. Daarom is gekozen om een maatwerkvoorschriftenbevoegdheid op te nemen. Dit houdt in dat de gemeente via een beschikking (besluit) maatwerkvoorschriften kan opleggen aan een hoofdbewoner als het parkeren een probleem blijkt te zijn in de wijk. Een maatwerkvoorschrift kan bijvoorbeeld inhouden dat elders moet worden geparkeerd. Bij excessen kan de gemeente op die manier ingrijpen.

Over dit onderwerp is ook geparticipeerd. De belangen en aandachtspunten die hieruit naar voren zijn gekomen, zijn meegenomen in het opstellen van de regels en deze motvering. Voor meer informatie hierover wordt verwezen naar het document Nota burgerparticipatie bouwsteen 1 bestaande woonwijken. Vergunningplicht nieuwe woningen Voor het toevoegen van nieuwe woningen bevat de wijziging een afzonderlijke subparagraaf met een vergunningplicht. De beoordelingsregels behorend bij deze vergunningplicht zien erop toe dat het toevoegen van de woning niet in strijd is met de provinciale omgevingsverordening. Hierin is expliciet de parkeernorm voor sociale huurwoningen meegenomen, aangezien de omgevingsverordening hier specifieke regels voor bevat. Daarnaast moet worden voldaan aan de waarden uit afdeling 5.2 (Normen met betrekking tot het beheer en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving). De andere beoordelingsregels zien op het wegen van de verschillende belangen, zoals de omwonenden. Hierdoor kan in wenselijke situaties een vergunning worden verleend voor het toevoegen van woningen. Dit geeft uitdrukking aan de ‘ja, mits’ gedachte. Ook wordt hiermee het omgevingsplan meer toekomstbestendig gemaakt: niet voor iedere toevoeging van een woning hoeft het omgevingsplan te worden gewijzigd. Bed and breakfast Het plan bevat een vergunningplicht voor een bed and breakfast bij woningen.

Dit is een beleidsneutrale voortzetting van de voormalige bestemmingsplannen. Beroep aan huis De wijziging bevat algemene regels voor beroepen aan huis. Dit is een beleidsneutrale voortzetting van de voormalige bestemmingsplannen. Bedrijf aan huis Voor bedrijven aan huis bevat de wijziging een vergunningplicht. Dit is een beleidsneutrale voortzetting van de voormalige bestemmingsplannen.

42

Subparagraaf 6.2.5 Bouw- en sloopactiviteiten Bouwactiviteiten In het omgevingsplan worden drie typen bouwwerken in het omgevingsplan onderscheiden, waarmee we aansluiten bij de landelijke definities:  Hoofdgebouwen;  Bijbehorende bouwwerken; en  Overige bouwwerken. Voor deze typen bouwwerken bevatten de regels afzonderlijke paragrafen. Daarnaast is er een paragraaf met algemene regels voor bouwactiviteiten en zijn er afzonderlijke paragrafen voor de bouwactiviteiten in de aangewezen beperkingengebieden, restrictiegebieden, aanwijzingen, etc. in hoofdstuk 4. Algemene regels bouwactiviteiten Deze paragraaf bevat regels die in het algemeen gelden voor alle bouwactiviteiten. Dit zijn voor een groot deel voormalige rijksregels uit de bruidsschat. Bij het verwerken van de bruidsschatregels is gekeken in hoeverre de regels overeenkomen met de modelplanregels van de gemeente. De artikelen over de meetbepalingen en het peil zijn daarom aangepast, zodat ze beter passen bij de modelplanregels. Hoofdgebouwen In bouwsteen 1 is het bouwen van hoofdgebouwen vergunningplichtig, gezien de ruimtelijke impact van een hoofdgebouw is toetsing vooraf altijd gewenst. Dit is een beleidsneutrale voortzetting van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (die in de Omgevingswet is opgegaan). Alleen nieuwe hoofdgebouwen in de vorm van een woning kunnen met een vergunning worden mogelijk gemaakt.

In het gebiedstype ‘linten binnen woongebied’ is deze mogelijkheid uitgesloten. Dit betekent niet dat het onmogelijk is om andere hoofdgebouwen te realiseren. Initiatieven die wenselijk zijn, kunnen alsnog met een BOPA worden vergund. Het omgevingsplan voorziet daar niet in. Zoals aangegeven: het is niet mogelijk om op basis van het omgevingsplan nieuwe hoofdgebouwen te vergunnen binnen de ‘linten binnen de woonwijken’. Dit is een bewuste keuze. Op 22 september 2022 heeft de gemeenteraad een besluit genomen over het bindende advies en de verplichte participatie. Hierin is opgenomen dat het bindend adviesrecht geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen binnen de linten. Dat betekent dat voor nieuwe hoofdgebouwen in de linten, de gemeenteraad per geval wil beoordelen of het passend is. Deze keuze zou worden doorkruist als binnen dit gebied wel op grond van het omgevingsplan nieuwe woningen door het college vergund zouden kunnen worden. Voor de locatie Wolfend wordt evenmin een binnenplanse vergunningsplicht opgenomen voor nieuwe woningen. De locatie is in de omgevingsvisie 1.0 aangewezen als woningbouwlocatie. Het huidige toegestane gebruik is glastuinbouw. De nieuwbouwlocatie kent een eigen dynamiek, tijdpad en procedure. Een binnenplanse mogelijkheid om hier nieuwe woningen op te richten kan dat doorkruisen.

Een vergunning voor een nieuw hoofdgebouw kan worden verleed als wordt voldaan aan de beoordelingsregels in het omgevingsplan. Het gaat hier om een beoordelingskader met een combinatie van open en gesloten normen. Open normen zien bijvoorbeeld op de ruimtelijke inpasbaarheid en redelijke eisen van welstand. Gesloten normen gaan onder meer over bouw- en goothoogte. Dat zijn objectieve, meetbare normen. 43

Het beoordelingskader is samengesteld uit regels uit de voormalige Wabo (artikel 22.29 bruidsschat) en bouwregels uit voorgaande bestemmingsplannen. De beoordelingsregels zien erop toe dat het bouwwerk past in de omgeving waar het wordt gerealiseerd. Zo moeten de afmetingen passen binnen de bestaande bebouwde omgeving. Er wordt niet gewerkt met een bouwvlak op een kaartbeeld omdat bij voorbaat niet te bepalen is waar nog gebouwd kan worden. Of een locatie (en een gebouw) passend is, wordt via de open norm beoordeeld worden. Wel is woordelijk geregeld waar een gebouw geplaatst mag worden op een perceel. Denk hierbij aan regels over de diepte van de woning en afstanden tot de perceelsgrens. Daarnaast moet getoetst worden aan de milieunormen uit titel 5.2 van het omgevingsplan en zijn er beoordelingsregels opgenomen om te voldoen aan de instructieregels over grondwatergevoelige gebouwen (op grondwatergevoelige locaties) uit de ZuidHollandse omgevingsverordening. Voor ondergronds bouwen bevat het plan geen afzonderlijke regeling. Hoofdgebouwen zijn namelijk altijd vergunningplichtig, dus er wordt altijd vooraf getoetst. Bovendien geldt een vergunningplicht voor werken en werkzaamheden op of in de bodem, in restrictiegebieden waar bescherming van de bodem nodig is. Die restricties gelden ongeacht of een bouwactiviteit boven de grond vergunningplichtig is.

Bijbehorende bouwwerken Voor de begripsbepalingen bijbehorend bouwwerk en achtererfgebied wordt aangesloten bij het Bbl. Deze paragraaf van de regels is onderverdeeld in vergunningvrije en vergunningplichtige bijbehorende bouwwerken. De bruidsschatregels (artikel 22.27 en 22.36) zijn in deze regeling verwerkt en deels aangepast of aangevuld. Een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan (22.27 sub a, 22.36 sub a bruidsschat) is vergunningvrij, onder dezelfde voorwaarden als voorheen landelijk bepaald. De regels zijn vereenvoudigd en afgestemd op de gemeentelijke modelplanregels. De bruidsschatregels over vergunningvrije recreatieve nachtverblijven (22.27 sub b bruidsschat) zijn niet overgenomen deze komen namelijk in dit plangebied niet voor. Dakkapellen in het voordakvlak of naar openbaar gebied gekeerd zijdakvlak zijn onder voorwaarden vergunningvrij. De voorwaarden uit de bruidsschat (22.27 sub c) zijn hier verwerkt. Expliciet is gekozen om hier de regels uit de bestemmingsplannen niet letterlijk over te nemen. Deze regels waren strenger dan de landelijke regels, waardoor ze geen effect sorteerden aangezien de landelijke regels vóór gingen. In het omgevingsplan kunnen gemeenten wel kiezen om deze strengere regels voor dakkapellen door te voeren.

Daarvoor is niet gekozen vanwege de volgende redenen:  De versimpeling van de regels zorgt voor een vermindering van het aantal vergunningaanvragen en een lagere regeldruk;  Het versimpelen van de regels zorgt voor minder kosten (leges en plankosten) en tijdinspanning bij de inwoners.  Door het versimpelen van de regels wordt er een duidelijk kader geschetst waar de dakkapellen aan moeten voldoen. Hierdoor kan willekeur worden voorkomen, aangezien iedere huiseigenaar dezelfde mogelijkheden heeft. Door het duidelijke kader kunnen initiatiefnemers er eenvoudig op gewezen worden waar de dakkapel aan moet voldoen om deze zonder vergunning te mogen plaatsen. Op 3 september 2024 heeft het college van B&W ingestemd om deze regels op te nemen in bouwsteen 1. De stedenbouwkundige aspecten zijn hierin ook meegewogen. Omdat deze manier van 44

regelen nieuw is, is afgesproken om het verloop en de werking van de regels voor de dakkapellen te monitoren. Als blijkt dat deze regels in de praktijk tot onwenselijke situaties leiden, kunnen deze op een later tijdstip worden aangepast. Opgemerkt wordt daarbij dat het risico op nadeelcompensatie (planschade) nihil zal zijn: het eventueel opnieuw introduceren van een vergunningplicht betekent namelijk niet dat er bouw- of gebruiksmogelijkheden worden geschrapt. Tijdens burgerparticipatie zijn ook vergunningvrije hulpmiddelstallingen in de voortuin besproken. De wens om hiervoor regels op te nemen in het omgevingsplan komen vanuit het sociale domein. De gemeente verstrekt nu zelf scootmobiels via de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en de stalling waar de scootmobiels in gestald en opgeladen kunnen worden. Een bouwwerk in de voortuin (hoger dan 1 meter) was voorheen echter vergunningplichtig. Dit zorgt voor een drempel voor de afnemer van de scootmobiel en stalling. Daarom is ervoor gekozen om deze bouwwerken in de voortuin vergunningvrij toe te staan, mits wordt voldaan aan de algemene regels voor de afmetingen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=40ff99c5-edaf-45c4-8177-7833dd97fbbe