CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T25.00723] Motivering wijziging omgevingsplan bouwsteen 1 gemeente Lansingerland.

Commissie Ruimte 24 juni 2025, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen wijziging omgevingsplan - bouwsteen 1 bestaande woonwijken35.423 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

Bij de beoordeling van een vergunningaanvraag wordt bezien of in dat specifieke geval voor dat specifieke bedrijf geur aanvaardbaar is. Wat onder ‘aanvaardbaar’ moet worden verstaan is ter beoordeling van het college van burgemeester en wethouders bij vergunningverlening. In het omgevingsplan is opgenomen dat bij deze beoordeling ondermeer rekening wordt gehouden provinciaal en gemeentelijk beleid, cumulatie van geur, de geursterkte, de geurbeleving, de waardering van geur (dus: hoe (on)aangenaam is de geur). Een en ander betekent overigens niet dat er geen regels gelden voor milieubelastende activiteiten bij andere bedrijven. Voor deze milieubelastende activiteiten blijft – evenals voor alle andere milieubelastende activiteiten – gelden dat het college van burgemeester en wethouders door middel van maatwerkvoorschriften kan optreden als dat nodig is om een onaanvaardbare geursituatie te beëindigen.

66

Subparagraaf 7.8.3 Conclusie Zoals hierboven is uiteengezet, is ervoor wat betreft het aspect geur voor gekozen om de regels uit de bruidsschat niet volledig om te zetten naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Gelet op het conserverende karakter van bouwsteen 1 is dat een verantwoorde keuze gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor geur door andere activiteiten dan waarvoor het Bkl specifieke normen kent, is een balans gezocht tussen loslaten en reguleren. Milieubelastende activiteiten waarvan met enige zekerheid kan worden uitgesloten dat deze voor wat betreft geur geen knalpunten opleveren, hoeven vooraf niet te worden getoetst. Achteraf kan wel worden ingegrepen als dat in een individueel geval nodig is. Voor milieubelastende activiteiten waarbij kan worden verwacht dat geur een knelpunt oplevert, is een toetsing vooraf gerechtvaardigd. Hierdoor wordt bijgedragen aan het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit.

Paragraaf 7.9 Gezondheid Subparagraaf 7.9.1 Kaders Juridische kaders Gezondheid is een thema waar de Omgevingswet geen inhoudelijke eisen over stelt, ondanks dat het bieden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving tot de maatschappelijke doelen van de wet behoort. Omdat de Omgevingswet het begrip niet inkadert, kan het veel verschillende onderwerpen raken, bijvoorbeeld regels voor het beweegvriendelijk maken van de omgeving. Milieunormen zijn in het verleden ook gesteld om gezondheid te beschermen. Ten aanzien van de milieunormen is hierboven al uiteengezet op welke manier en waarom de kaders hiervoor in het omgevingsplan zijn gekozen. De beleidsmatige basis hiervan ligt vooral in omgevingsvisie 1.0. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn. Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In de volgende artikelen van de Omgevingswet staan de regels over de gezonde fysieke leefomgeving:  In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet.

Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.  In artikel 2.1 lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid.  In artikel 3.3 van de Omgevingswet van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag in de omgevingsvisie rekening moet houden met het voorzorgbeginsel en andere milieubeginselen. Daarbij dienen milieuaantastingen bij voorrang aan de bron te worden bestreden en is het beginsel dat de vervuiler betaalt.  In artikel 5.32 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan weigeren wanneer deze zou leiden tot (mogelijk) ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid en in artikel 5.42 lid 4 van de Omgevingswet en artikelen 8.101 en 8.102 van het Bkl staat dat

67

het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan wijzigen of intrekken in het kader van het treffen van passende preventieve maatregelen ter bescherming van de gezondheid.

Subparagraaf 7.9.2 Toetsing Gezondheid is een belangrijk nieuw omgevingsaspect wat meegenomen moet worden in het opstellen van een omgevingsplan. Deze wijziging van het omgevingsplan is, echter, niet geschikt om op dit aspect grote juridische wijzigingen aan te brengen in de regels. Dit komt doordat deze wijziging ziet op de bestaande situatie. Wel hebben we bij het opstellen van de wijziging het aspect gezondheid meegenomen. Er is gekeken naar positieve effecten van regels op de gezondheid. Zo is in het omgevingsplan aan de gebruiksactiviteit binnensport een binnenplanse vergunningplicht gehangen voor de gebieden 'Linten in het woongebied’ en ‘wijkcentra’. Hiermee wordt de drempel voor een initiatiefnemer verlaagd om een binnensportlocatie te realiseren. Bij het bouwen van bouwwerken wordt daarnaast een open beoordelingskader gehanteerd, waardoor dit aspect meegenomen kan worden in de beoordeling. Als laatste dient opgemerkt te worden dat in het omgevingsplan wordt voldaan aan de wettelijke normen.

Subparagraaf 7.9.3 Conclusie Voor wat betreft de verschillende milieuaspecten voldoet het omgevingsplan aan de wettelijke normen wat betreft gezondheid, zoals per milieuaspect is uiteengezet. Om nog extra bij te dragen aan het verbeteren van de gezondheid is er binnen bouwsteen 1 bezien of er door middel van kleine ingrepen resultaat geboekt kan worden. Bijvoorbeeld door de drempel lager te maken voor nieuwvestiging van sportaccommodaties. Gelet op het conserverende karakter van bouwsteen 1 is de reikwijdte daarvan beperkt.

Paragraaf 7.10 Klimaatadaptatie Subparagraaf 7.10.1 Kaders Beleidskaders Binnen de gemeente Lansingerland zijn verschillende beleidsdocumenten opgesteld die relevantie hebben voor Klimaatadaptatie. Bijvoorbeeld:  Ruimtelijke adaptatiestrategie Lansingerland;  Uitvoeringsagenda klimaatadaptatie + addendum;  Stresstest light Lansingerland;  Hittestresskaart Berkel en Rodenrijs;  Klimaatadaptatielabels;  Regionale Energiestrategie (RES) 1.0;  Beleidskader zonne-energie;  Routekaart windenergie;  Gemeentelijk beleids- en toetsingskader windenergie;  Bodemvisie;  Warmtevisie;  Bomen en zonnepanelen. Het aspect klimaatadaptatie, zoals dat in de vele beleidsstukken is besproken, is meegenomen in het proces van het opstellen van de regels voor het omgevingsplan. Gekeken is of er regels aangepast of aangevuld konden worden om de verschillende opgaven te kunnen voldoen. De constatering is geweest dat het karakter van de wijziging (conserveren en beleidsneutrale overzetting) en het plangebied zelf zich niet lenen voor grote juridische veranderingen op dit 68

gebied. De openbare ruimte en de gebouwde omgeving ligt in de bestaande woonwijken grotendeels al vast. Een en ander betekent uiteraard niet dat het uitgesloten is om hiervoor binnen de bestaande bebouwde omgeving maatregelen te treffen in het omgevingsplan. Voor het ontwerpen en opstellen van dergelijke regels is het meer opportuun om dit eerst beleidsmatig op het niveau van de gehele gemeente (en wellicht zelfs de regio) uit te werken en om ook op dat schaalniveau een belangenafweging te maken. Een en ander neemt niet weg dat bij individuele nieuwe ruimtelijke projecten wel extra maatregelen voor klimaatadaptatie kunnen worden doorgevoerd. Bij nieuwbouwprojecten spelen niet de complexiteiten die binnen een bestaande bebouwde omgeving wel spelen. Hoewel nieuwbouwprojecten hun eigen uitdagingen kennen, blijkt in de praktijk dat klimaatadaptatie in een vroeg stadium kan worden mee-ontworpen. Juridische kaders In § 7.3.6a geeft de provincie instructieregels die gaan over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen met 12 woningen of meer dienen de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen betrokken te worden.

Daarbij gaat het over de volgende aspecten die betrekking hebben op duurzaamheid en klimaatadaptatie:  de risico’s van klimaatverandering;  de energiehuishouding van de gebouwen, met name het gebruik en de opwekking van energie;  de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten;  de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase;  het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; In deze paragraaf is ook een instructieregel opgenomen waarin staat dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de risico’s voor klimaatverandering, waaronder in ieder geval de te verwachten gevolgen van:  wateroverlast door overvloedige neerslag;  overstroming;  hitte;  droogte;  de gevolgen op het risico van bodemdaling. Als dergelijke risico’s aan de orde zijn, wordt rekening gehouden met het zoveel mogelijk voorkomen en beperken via maatregelen of voorzieningen, of het gericht aanvaarden van deze risico’s.

Subparagraaf 7.10.2 Toetsing De wijziging van het omgevingsplan – bouwsteen 1 betreft de bestaande situatie. De woonwijken zijn als ware al af, hier en daar kan een verandering voorkomen, maar dit wordt niet op grote schaal mogelijk gemaakt in het omgevingsplan. Hier is dus geen sprake van een stedelijke ontwikkeling. Wel is klimaatadaptief bouwen besproken tijdens de burgerparticipatie. Hier kwam echter uit dat de omgevingsvisie 1.0, die de beleidsmatige basis is van bouwsteen 1, onvoldoende aanknopingspunten bevat om dit concreet in juridische regels verder uit te werken. Daarnaast leent dit onderwerp zich er beter voor om voor het gehele grondgebied regels te bevatten dan alleen voor bouwsteen 1. Uiteraard is wel bezien hoe dit aspect toch een plek kan krijgen in de regels. Dit is in ieder geval door toepassing van de ‘open normen’ die worden gebruikt bij het beoordelen van een aanvraag om een vergunning voor bouwen. Watercompensatie en toevoegen van verharding wordt bij vergunningverlening beoordeeld. Bovendien is er – mede naar aanleiding van vooroverleg met de waterschappen – een minimale hoogte opgenomen van het peil van een begane grondvloer (voor nieuwe hoofdgebouwen) ten opzichte van het waterpeil dat door het waterschap is vastgesteld. 69

Subparagraaf 7.10.3 Conclusie Geconcludeerd is dat dit omgevingsaspect zich niet leent om verstrekkende nieuwe juridische regels voor op te nemen in deze wijziging van het omgevingsplan. Bij vergunningplichtige bouwwerken is wel verzekerd dat klimaatadaptatie kan worden meegenomen in de afweging of een vergunning verleend wordt of niet. In overleg met de waterschappen is bovendien geborgd dat het vloerpeil van nieuwe woningen hoog genoeg ligt, afgezet tegen het waterpeil dat door het waterschap is vastgesteld.

Paragraaf 7.11 Ladder voor duurzame verstedelijking Subparagraaf 7.11.1 Kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Onder de Omgevingswet is in het Besluit kwaliteit leefomgeving de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de motivering een onderbouwing op te nemen van de nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing, met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In artikel 5.129g van het Bkl wordt de Ladder als volgt omschreven: 1. Dit artikel is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. 2. Voor zover een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand in het omgevingsplan rekening gehouden met: a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en b.

als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. 3. Voor de toepassing van het tweede lid, onder b, wordt tot het stedelijk gebied niet gerekend een stedelijke ontwikkeling waarvoor: a. op grond van het omgevingsplan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit is vereist; en b. nog geen toepassing is gegeven aan het tweede lid. 4. Als een omgevingsplan voorziet in de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en de beoordeling van de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, heeft die beoordeling alleen tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In artikel 5.161c van het Bkl is aangegeven dat in het omgevingsplan regels over te realiseren categorieën woningen kunnen worden opgenomen. Dan moet het gaan over bouwactiviteiten waarvoor op grond van artikel 13.11, eerste lid van de Ow kosten moeten worden verhaald.

Daarbij is aangegeven voor welke categorie woningen regels kunnen worden gesteld en onder welke voorwaarden.

70

Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.44 uit deze paragraaf wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan, dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen, bedrijventerreinen of kantoren, rekening houdt met de regionale afgestemde behoefte aan de ontwikkeling. In artikel 7.45 wordt verwezen naar artikel 5.129g van het Bkl. Daarnaast is aangegeven dat wanneer regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling, de motivering van de behoefte kan bestaan uit een verwijzing naar die afspraken. Daarnaast moet aandacht besteed worden aan artikel 7.45h waarin een instructieregel is opgenomen met betrekking tot meervoudig ruimtegebruik.

Subparagraaf 7.1.2 Toetsing Deze wijziging van het omgevingsplan betreft het overzetten van een stukje tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Het gaat hier om de bestaande woonwijken, waar de gebouwde omgeving en de openbare ruimte voor een groot deel al vastliggen. De wijziging is conserverend van aard en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die onder de ladder vallen.

Subparagraaf 7.1.3 Conclusie Dit omgevingsaspect is niet van toepassing op deze wijziging van het omgevingsplan.

Paragraaf 7.12 Licht Subparagraaf 7.12.1 Kaders Beleidskaders In de omgevingsvisie 1.0 staat dat het van belang is dat de sociale veiligheid in de gemeente hoog is. Mochten er plekken zijn waar het onveilig is (of voelt), dan krijgen deze extra aandacht. Ook bij nieuwe ontwikkelingen is hier vanaf het begin voldoende aandacht voor. Dit kan door te zorgen voor voldoende levendigheid, licht en hoogwaardig groen. Hiermee wordt aangegeven dat licht belangrijk is voor de openbare veiligheid.28 In de omgevingsvisie wordt aangegeven dat voor de woonwijken een hogere milieuambitie geldt voor het aspect licht.

28

71

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 59.

Afbeelding 7.6: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.0 29

Juridische kaders Omgevingswet en Besluit kwaliteit leefomgeving Lichthinder is een thema dat gemeenten moeten afwegen. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn geen instructieregels opgenomen voor lichthinder. Wel maakt het onderdeel uit van een ‘evenwichtige toedeling van functies en locaties’ en kan het daarvoor toch noodzakelijk zijn om aandacht te besteden aan lichthinder. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 4.790 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn regels opgenomen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen. Dit artikel is direct van toepassing op de glastuinbouw. Met dit artikel is een uitputtende regeling gegeven voor deze vorm van licht bij deze milieubelastende activiteiten. Er is daarom geen juridische ruimte voor de gemeente om hier aanvullende of strengere regels over te stellen in het omgevingsplan.

Subparagraaf 7.12.2 Toetsing De omgevingsvisie 1.0 bevat geen concrete duidelijke visie gericht op het omgaan met lichthinder in onze gemeente. Daarnaast is er sprake van een conserverend plan en worden geen (grote) ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bijdragen aan lichthinder, zoals het toevoegen activiteiten als het beoefenen van buitensport waarvoor verlichting nodig is. Van belang is, dat het omgevingsplan de mogelijkheid bevat om achteraf in te grijpen wanneer milieubelastende activiteiten ongewenste gevolgen hebben. Dit kan door middel van het stellen van maatwerkvoorschriften. Deze maatwerkvoorschriften kunnen geen betrekking hebben op onderwerpen die in het Bal of elders in het omgevingsplan al uitputtend zijn geregeld. Omdat lichthinder en lichtuitstraling niet uitputtend is geregeld, heeft de gemeente hier mogelijkheden om in te grijpen. Overigens is dat niet nieuw: ook voor inwerkingtreding van de Omgevingswet bestond deze bevoegdheid.

Subparagraaf 7.12.3 Conclusie Dit omgevingsaspect leent zich er niet voor om nu in bouwsteen 1 door middel van nieuwe regels strenger te reguleren in het omgevingsplan dan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. De omgevingsvisie 1.0 geeft hiervoor overigens ook geen directe aanleiding. Daarom is ervoor gekozen

29

72

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

om geen aanvullende regels in bouwsteen 1 op te nemen voor dit aspect. Uiteraard kunnen strengere keuzes in de toekomst wel worden gemaakt. Daarvoor zal dan op gemeentebreed niveau een beleidsmatige keuze gemaakt moeten worden, gebaseerd op een brede belangenafweging.

Paragraaf 7.13 Luchtkwaliteit Subparagraaf 7.13.1 Kaders Beleidskaders In de omgevingsvisie 1.0 staat het volgende: De luchtkwaliteit verbetert autonoom. Zonder enig ingrijpen van de gemeente is er een positieve trend te herleiden in de technologische vooruitgang. Daarnaast heeft de gemeente zich aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord in 2020 waarmee zij zich committeert aan het verbeteren van de luchtkwaliteit door maatregelen door te voeren. Desondanks zijn er nog wel enkele aandachtspunten om mee te nemen in de verdere uitwerking van toekomstig milieubeleid, zoals de mogelijkheden onderzoeken om milieuzones toe te kennen of door kwetsbare groepen niet dichtbij vervuilende bronnen te positioneren (pagina 98). Juridische kaders Omgevingswet Op grond van artikel 1.3 en 2.1 van de Omgevingswet moet het omgevingsplan gericht zijn op het bereiken en in stand houden van veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Of de luchtkwaliteit gezond genoeg is dient in het kader hiervan beschouwd worden. Het omgevingsplan moet in ieder geval de regels bevatten met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit houdt in dat functies die niet met elkaar te verenigen zijn met regels verenigbaar worden. Voor luchtkwaliteit heeft het rijk instructieregels gegeven die een evenwichtige toedeling uitwerken.

Besluit kwaliteit leefomgeving In subparagraaf 5.1.4.1 Bkl zijn instructieregels opgenomen over luchtkwaliteit. Het Bkl bevat instructieregels voor specifieke situaties. Op grond van deze regels zijn de in artikel 2.4 en 2.5 opgenomen omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht (stikstofdioxide en fijnstof) van toepassing op die gevallen waarin de aanleg van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis wordt toegelaten. Verder gelden er instructieregels voor gemeenten die in de in het Bkl aangewezen aandachtsgebieden liggen. Voor activiteiten die leiden tot een verhoging van de concentratie (van onder andere fijnstof) in de buitenlucht in een aangegeven aandachtsgebied, moeten ook de omgevingswaarden voor de kwaliteit van de buitenlucht in acht genomen worden. Uitgezonderd zijn activiteiten die ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan verhoging van de concentratie van die stoffen. Daarvoor zijn in het Bkl enkele standaardgevallen aangewezen.

Subparagraaf 7.13.2 Toetsing Deze wijziging bevat geen regels voor het aanleggen van een autoweg, een autosnelweg of een wegtunnelbuis. Wel is gekeken hoe deze wijziging goed kan aansluiten bij de omgevingsvisie 1.0. Daarom is het restrictiegebied luchtkwaliteit opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Voor een nadere uitleg van de keuze om dit restrictiegebied op te nemen en welke regels binnen dat gebied gelden, wordt verwezen naar paragraaf 6.2.1 waar het restrictiegebied luchtkwaliteit wordt beschreven.

Subparagraaf 7.13.3 Conclusie Met het opnemen van het restrictiegebied luchtkwaliteit wordt voldaan aan de omgevingsvisie 1.0.

73

Paragraaf 7.14 Mobiliteit Subparagraaf 7.14.1 Kaders Beleidskaders Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland 2014 In deze nota zijn de bijbehorende auto- en fietsparkeernormen vastgelegd. Die zijn niet gebaseerd op beleidsmatige keuzes, maar op ervaringscijfers van het CROW die passen bij de ruimtelijke en demografische kenmerken van de gemeente Lansingerland. Via de voormalige bestemmingsplannen werd deze nota juridisch getoetst. Juridische kaders Omgevingswet Op basis van de Omgevingswet dient de aanvaardbaarheid van het effect van nieuwe ontwikkelingen op de verkeersafwikkeling, bereikbaarheid, leefbaarheid en verkeersveiligheid te worden onderbouwd. Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.7.6 van het Bkl bevat instructieregels die gaan over Landelijke fiets- en wandelroutes. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, die de aangewezen landelijke fiets- en wandelroutes kunnen doorsnijden, dient het belang van de instandhouding van deze fiets- en wandelroutes te worden betrokken. In paragraaf 5.1.8 van het Bkl is een instructieregel opgenomen over het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, met gevolgen voor de inrichting van de openbare buitenruimte, dient rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de toegankelijkheid van die openbare buitenruimte voor personen met een functiebeperking. Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn verschillende instructieregels opgenomen over mobiliteitsonderwerpen. In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45c uit deze paragraaf wordt de instructie meegegeven dat bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening wordt gehouden met de gevolgen van die ontwikkeling voor de bereikbaarheid. Naast de bereikbaarheid gaan de artikelen 7.45d, 7.45e en 7.45 f in op parkeernormen voor stationsomgevingen en de parkeernorm voor sociale huur. In § 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het recreatietoevaartnet opgenomen. Een omgevingsplan voor het recreatietoevaartnet dient rekening te houden met het voorkomen van belemmeringen van de recreatieve bereikbaarheid van de vaarweg. Waar mogelijk is het omgevingsplan gericht op de verbetering en versterking van de bevaarbaarheid of de recreatieve waarden van de vaarweg. In § 7.3.23 is een instructieregel met betrekking tot het hoofdfietsnetwerk en lange afstand wandelpaden opgenomen.

In deze instructieregels is aangegeven dat een omgevingsplan, dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, rekening houdt met het belang van de instandhouding en zo mogelijk de verbetering van het hoofdfietsnetwerk en de lange afstandswandelpaden.

74

Subparagraaf 7.14.2 Toetsing De bovengenoemde aspecten van mobiliteit zijn vanwege het conserverende karakter van bouwsteen 1 in feite niet aan de orde; er worden geen nieuwe wegen aangelegd en er vinden geen ontwikkelingen plaats die van wezenlijke invloed zijn op de mobiliteit binnen de gemeente. Voor wat betreft mobiliteit is voor bouwsteen 1 dan ook met name het parkeren en de verkeersafwikkeling in individuele gevallen relevant. Daarop wordt hieronder verder ingegaan. De wijziging van het omgevingsplan bevat een verwijzing naar de Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland 2014, waardoor bij het beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning getoetst moet worden aan deze nota. Bij de vergunningbeoordeling wordt overigens ook de verkeersaantrekkende werking meegewogen. Bouwsteen 1 maakt ook – zeer beperkt – nieuwe activiteiten mogelijk zonder dat daarvoor een vergunning is vereist. Dat betekent dat voor die activiteiten niet vooraf wordt beoordeeld of er voldoende parkeergelegenheid is. Omdat het om een beperkt aantal activiteiten gaat en omdat in het omgevingsplan is geregeld dat nieuwvestiging niet is toegestaan in plaats van bestaande woningen, wordt er geen extra parkeervraag verwacht.

Om achteraf toch te kunnen ingrijpen als dat nodig is, is voor de activiteiten in deze wijziging waarvoor geen omgevingsvergunningplicht bestaat, de mogelijkheid opgenomen om maatwerkvoorschriften te stellen over het parkeren op het eigen terrein. Bij het stellen van deze maatwerkvoorschriften moet rekening worden gehouden met de eerdergenoemde nota.

Subparagraaf 7.14.3 Conclusie In deze wijziging zijn regels opgenomen waardoor aan de parkeernormen uit de Nota parkeernormen Gemeente Lansingerland getoetst moeten worden bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning. Bij de beoordeling van een omgevingsvergunning wordt ook de verkeersaantrekkende werking meegenomen. Door middel van maatwerkvoorschriften kunnen nadere eisen gesteld worden over het parkeren om overlast te voorkomen in individuele gevallen. Door bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect mobiliteit goed is meegenomen in de wijziging van het omgevingsplan.

Paragraaf 7.15 Natuur en ecologie Subparagraaf 7.15.1 Kaders Beleidskaders Binnen de gemeente Lansingerland zijn verschillende (beleids)documenten opgesteld die relevantie hebben voor natuur en ecologie. Bijvoorbeeld:  Groenstructuur 2016-2026;  Visie op samenhangende ontwikkeling groen- en recreatiegebieden;  Bomen en zonnepanelen. Aspecten van natuur en ecologie zoals dat in de bovengenoemde documenten is besproken, is meegenomen in het proces van het opstellen van de regels voor het omgevingsplan. Gekeken is of er regels aangepast of aangevuld konden worden om de verschillende opgaven te kunnen voldoen. De constatering is geweest dat het karakter van de wijziging (conserveren en beleidsneutrale overzetting) en het plangebied zelf zich niet lenen voor grote juridische veranderingen op dit gebied. De openbare ruimte en de gebouwde omgeving ligt in de bestaande woonwijken grotendeels al vast. Een en ander betekent uiteraard niet dat het uitgesloten is om hiervoor binnen de bestaande bebouwde omgeving maatregelen te treffen in het omgevingsplan. Voor het ontwerpen 75

en opstellen van dergelijke regels is het meer opportuun om dit eerst beleidsmatig op het niveau van de gehele gemeente (en wellicht zelfs de regio) uit te werken en om ook op dat schaalniveau een belangenafweging te maken. In bouwsteen 1 is er wel voor gekozen om het aspect natuur en ecologie onderdeel te maken van het open beoordelingskader voor vergunningplichtige bouwwerken. Dat betekent dat bij de vergunningverlening moet worden beoordeeld of er op een verantwoorde wijze wordt aangesloten op groenelementen en of de groenstructuur wordt aangetast of onderbroken door een nieuw op te richten bouwwerk. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om aan een vergunningvoorschriften te verbinden om groen(structuren) te beschermen. Overigens kunnen bij grotere nieuwe ruimtelijke projecten wel extra maatregelen worden doorgevoerd. Bij nieuwbouwprojecten spelen niet de complexiteiten die binnen een bestaande bebouwde omgeving wel spelen. Hoewel nieuwbouwprojecten hun eigen uitdagingen kennen, blijkt in de praktijk dat deze aspecten in een vroeg stadium kan worden mee-ontworpen. Juridische kaders Omgevingswet Een van de onderwerpen die onderdeel uitmaken van de fysieke leefomgeving is de natuur. Op grond van de Omgevingswet moeten bestuursorganen dan ook bij het uitoefenen van hun taken zorgdragen voor de bescherming van natuurwaarden.

Als uitwerking van Europese richtlijnen richt deze waarborg voor de kwaliteit en integriteit van natuurwaarden zich op de bescherming van (kwetsbare) soorten en gebieden, onder andere door het beperken van de uitstoot en neerslag van stikstof in de natuur. De soortenbescherming richt zich in het nationale beleid op de soorten die in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de Nationaal beschermde soorten zijn aangewezen. De gebiedsbescherming richt zich op de Natura 2000-gebieden, de gebieden aangewezen als Natuur Netwerk Nederland en houtopstanden. Tot slot richt de natuurbescherming zich in het kader van de Ow op het thema faunabeheer. Besluit activiteiten leefomgeving De opdracht om bij het uitvoeren van taken en bevoegdheden op grond van de Omgevingswet zorg te dragen voor de natuur, is in hoofdstuk 11 van het Bal opgenomen. Hierin zijn regels opgenomen over activiteiten met mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden, activiteiten met betrekking tot dieren of planten in het wild en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen. Het Bal biedt ruimte om in afwijking van deze regels maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl zijn in hoofdstuk 3 regels opgenomen over de uitwerking van het beschermen van habitats en soorten.

Hierbij is het provinciebestuur aangewezen als bevoegd bestuursorgaan voor het treffen van maatregelen voor het behoud of herstel van habitats en soorten, het vaststellen van maatregelen om Natura 2000-gebieden in stand te houden en het uitvoeren van uitroeiingsmaatregelen, beheersmaatregelen en herstelmaatregelen om invasieve exoten en verwilderde dieren tegen te gaan. Op grond van het Bkl dient ook een programma te worden opgesteld om tot een reductie van uitstoot en neerslag van stikstof en natuurverbetering te komen. Dit programma kan gevolgen hebben voor het opstellen van omgevingsplannen door gemeenten. Daarnaast biedt het Bkl de mogelijkheid om een gemeentelijk programma voor de aanpak van stikstof vast te stellen. De provincie kan beschermingsdoelstellingen in haar omgevingsverordening in de vorm van instructie-regels neerleggen bij gemeenten.

76

Provinciale omgevingsverordening In de provinciale omgevingsverordeningen zijn diverse bepalingen opgenomen die gericht zijn op het beschermen van natuur en kansen voor de biodiversiteit. In § 7.3.7 over ruimtelijke kwaliteit worden gebieden met beschermingscategorieën aangewezen. Onder deze gebieden valt het Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied en de groene buffer. De bepalingen in deze paragraaf beschermen de aangewezen gebieden en laten ontwikkelingen slechts beperkt toe of onder de voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit gelijk blijft. In § 7.3.16 over het Natuurnetwerk Nederland is bepaald dat een omgevingsplan, voor het natuurnetwerk Nederland, daarbinnen geen activiteiten toelaat die de instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van die gebieden significant beperkt. Daarnaast mogen ontwikkelingen ook niet leiden tot significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van die gebieden. In artikel 7.41aa is een instructieregel opgenomen die voorschrijft dat bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen, met 12 woningen of meer, de mogelijkheden de mogelijkheden tot het versterken van de biodiversiteit dienen te worden betrokken.

In artikel 7.45ca wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, daarbij de mogelijkheden voor het bevorderen van de biologische diversiteit betrekt.

Subparagraaf 7.15.2 Toetsing Zoals eerder aangegeven, is deze wijziging conserverend van aard. Ten tijde van de aanleg van deze woonwijken en de openbare ruimte zijn de benodigde onderzoeken gedaan. Met deze wijzigingen worden geen nieuwe projecten mogelijk gemaakt die kunnen leiden tot aantasting van de natuur en de ecologie. Wel bevat bouwsteen 1 een omgevingsvergunningplicht voor hoofdgebouwen. In de beoordelingsregels behorend bij de vergunningplicht staat onder meer dat het hoofdgebouw ruimtelijk inpasbaar moet zijn. Hierbij moet onder andere gekeken worden naar de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied en de aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen. Door deze beoordelingskaders op te nemen moet bij het beoordelen van de omgevingsvergunning rekening worden gehouden met het groen in het plangebied. Bij het opstellen van de regels en het vertalen van de bestemming groen uit de voormalige bestemmingsplannen is gekeken naar het beschermen van de groenstructuren. In de voormalige bestemmingsplannen werd het openbare groen beschermd door het opnemen van de bestemming groen. Na het aandachtig bestuderen van het onderliggende beleid, is geconcludeerd dat onderhavige wijziging zich niet leent om dit een op een over te nemen. De winst valt hier vooral te halen bij nieuwe projecten.

Dat komt doordat in dit plangebied alles al is aangelegd en de omgevingsvisie en overig beleid geen kaders bieden voor grote veranderingen in de juridische regels op dit gebied. Wel wordt het groen beschermd door de structuur van de juridische regels in het plangebied. Zo geldt voor hoofdgebouwen een vergunningplicht en mogen overige bouwwerken niet zomaar ergens gebouwd worden. Door middel van deze structuur hoeft het groen niet overal met een locatie worden aangewezen. Op de plekken waar groen aanwezig is, mag namelijk niet zomaar gebouwd worden. Als iemand hier wel een omgevingsvergunning voor aanvraagt, moet het groen worden meegenomen in de beoordeling. In de wijziging is het groen langs water wel extra beschermt, doordat dit expliciet is aangewezen. Dit is gedaan vanwege het belang om kaders en oevers langs het water te beschermen. 77

Subparagraaf 7.15.3 Conclusie Natuur en ecologie is meegewogen in het opstellen van de regels voor deze wijziging. De bescherming van het groen is vooral vastgelegd in de structuur van de bouwregels. Hiermee wordt voorkomen dat er zomaar gebouwd kan worden op het groen, zoals dit in voormalige bestemmingsplannen was aangewezen.

Paragraaf 7.16 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit Subparagraaf 7.16.1 Kaders Juridische kaders Omgevingswet Onder de Omgevingswet zijn instructieregels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in paragraaf 5.1.5: 'Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed'. Daarnaast zijn er beleidskaders vastgelegd, zowel in de provinciale omgevingsvisie als in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Op basis van deze documenten is een beschermingsregime opgenomen voor het behoud en versterken van kenmerkende landschapsstructuren en cultureel erfgoed. Provinciale omgevingsverordening In § 7.3.7 geeft de provincie instructieregels die gaan over ruimtelijke kwaliteit. In deze paragraaf worden gebieden aangewezen met verschillende beschermingscategorieën. Daarnaast wordt ingegaan op ruimtelijke ontwikkelingen en wordt aangegeven wanneer sprake is van inpassen, aanpassen of transformeren. Daarbij wordt voorgeschreven dat een omgevingsplan een ruimtelijke ontwikkeling alleen toelaat als de ruimtelijke kwaliteit per saldo ten minste gelijk blijft. In de paragraaf wordt vervolgens nog ingegaan op het borgen van de ruimtelijke kwaliteit, de randvoorwaarden bij ontwikkeling en de motivering van de locatiekeuze. Bij ruimtelijke ontwikkelingen speelt ruimtelijke kwaliteit een belangrijke rol.

In § 7.3.8 geeft de provincie instructieregels die gaan over stedelijke ontwikkelingen. In artikel 7.45b is voorgeschreven dat een omgevingsplan, dat voorziet in een stedelijke ontwikkeling met de functie wonen, rekening houdt met een zo hoog mogelijke woningdichtheid en dat bijgedragen wordt aan een goede woon- en leefomgeving. Daarnaast worden in het omgevingsplan de mogelijkheden betrokken voor gevarieerde woningtypen.

Subparagraaf 7.16.2 Toetsing De voorliggende wijziging maakt geen stedelijke ontwikkelingen mogelijk of andere grote initiatieven. Zoals eerder genoemd bevat de wijziging van het omgevingsplan wel een vergunningplicht voor het bouwen van één enkel hoofdgebouw. Hier kan het zowel gaan om een woning of bijvoorbeeld een bedrijfsgebouw. In de beoordelingsregels behorend bij deze vergunning moeten onder andere de volgende aspecten worden beoordeeld:  de ruimtelijke kwaliteit van het openbare gebied;  het straatbeeld, bebouwingsbeeld, bestaande bouwmassa en bestaande bouwhoogtes;  de bebouwingsmogelijkheden, gebruiksmogelijkheden dan wel bezonning van het betreffende perceel en de aangrenzende percelen en bouwwerken;  de functionele, stedenbouwkundige en ruimtelijke structuur, zoals aansluiting op (structurele) groen- en waterelementen. 78

Door middel van deze beoordeling wordt de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige structuren meegewogen.

Subparagraaf 7.16.3 Conclusie De wijziging maakt geen grote ontwikkelingen mogelijk. Bij het bouwen van een nieuw hoofdgebouw moeten de ruimtelijke kwaliteit en de stedenbouwkundige structuren worden meegewogen in de beoordeling van de aanvraag van de omgevingsvergunning.

Paragraaf 7.17 Trillingen Subparagraaf 7.17.1 Kaders Beleidskaders Omgevingsvisie 1.0 Trillingen zijn ook opgenomen in het milieumengpaneel in de omgevingsvisie. Voor woonwijken is het ambitieniveau voor trillingen hoog. Bouwsteen 1 betreft de bestaande situatie, de omgeving is als ware al ingevuld. Hierover zegt de omgevingsvisie het volgende: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’30 Voor deze wijziging houdt dit vooral in dat het huidige niveau behouden moet blijven door het opnemen van juridische regels over dit omgevingsaspect.

Afbeelding 7.7: Milieumengpaneel omgevingsvisie 1.031

Belangrijk om op te merken is dat het hier gaat om trillingen die worden veroorzaakt door milieubelastende activiteiten. Trillingen die worden veroorzaakt door spoorwegen of andere infrastructuur worden niet gereguleerd in de Omgevingswet. Dat betekent overigens niet dat het omgevingsplan daarin geen sturing kan geven; als er in het omgevingsplan een nieuwe (spoor)weg wordt mogelijk gemaakt, dan worden in de totale belangenafweging ook eventuele trillingen die het gevolg zijn van de nieuwe (spoor)weg meegewogen. Daarbij wordt doorgaans aansluiting gezocht bij de SBR-richtlijn voor trillingen. Dit is geen wetgeving, maar het document biedt wel handvatten. 30

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 67.

31

Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.

79

Omdat in bouwsteen 1 geen nieuwe wegen of spoorwegen worden mogelijk gemaakt, is toepassing van deze richtlijn niet aan de orde. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving In de instructieregels van het Bkl (paragraaf 5.1.4.4) is bepaald dat in een omgevingsplan rekening gehouden dient te worden met trillingen door activiteiten en de gevolgen daarvan in trillinggevoelige ruimten van een trillinggevoelig gebouw. Een aanvaardbare situatie wordt in ieder geval gecreëerd als in het omgevingsplan de standaardwaarde van toepassing wordt verklaard voor continue en herhaald voorkomende trillingen. Het omgevingsplan kan ook een lagere waarde bevatten. Het omgevingsplan kan ook een hogere waarde dan de standaardwaarde bevatten, als op basis van een omgevingsvergunning of een maatwerk-voorschrift reeds een hogere waarde gold. Deze waarde is niet hoger dan de grenswaarde. Ook is een hogere waarde mogelijk als het gaat om een activiteit die verricht wordt op een bedrijventerrein dat in het omgevingsplan is aangewezen. Indien sprake is van zwaarwegende economische belangen of zwaarwegende andere maatschappelijke belangen kan dit het rechtvaardigen om in het omgevingsplan een hogere waarde op te nemen dan de standaardwaarde en zelfs hoger dan de grenswaarde. De maximale waarde is de grenswaarde vermenigvuldigd met de factor 1,8.

Subparagraaf 6.20.2 Toetsing Het plangebied van bouwsteen 1 ziet op de bestaande woonwijken. Voor het opstellen van de regels over trillingen is daarom gekozen om de standaardwaarden uit het Bkl over te nemen. De grenswaarden is niet overgenomen voor dit plangebied, omdat dit niet wenselijk is voor nieuwe ontwikkelingen. Dit zou niet in lijn zijn met de omgevingsvisie. Hierdoor is ook gekozen om het niet mogelijk te maken om af te wijken van de standaardwaarde.

Subparagraaf 6.20.3 Conclusie Voor het omgevingsaspect trillingen is gekozen om alleen de standaardwaarde over te nemen uit het Bkl. Hiermee wordt aangesloten bij de milieuambities uit de omgevingsvisie 1.0.

Paragraaf 7.18 Water Subparagraaf 7.18.1 Kaders Beleidskaders Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal.

80

Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘watergebieden’ (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken getoond tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat.

Waterwet en Omgevingswet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen hebben op grond van de Omgevingswet een bevoegdheid voor onder andere het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.

De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. Onder de Omgevingswet wordt hieraan in het omgevingsplan gestalte gegeven doordat het waterbelang moet worden meegewogen op grond van de instructieregels van het Bkl. Er moet rekening worden gehouden met gevolgen voor watersystemen. Kaderrichtlijn water 81

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw (WB21) advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatshebben; berging moet binnen het stroomgebied plaatshebben. Dit betekent onder andere het aanwijzen en in stand houden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (Kamerbrief d.d. 25 november 2022, kenmerk IENW/BSK-2022/283041). Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt.

Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee overheden samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Beleid waterbeheerder Hoogheemraadschap van Delfland Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 Op 10 maart 2022 heeft het bestuur van het Hoogheemraadschap van Delfland het Waterbeheerprogramma 2022-2027 (WBP6) vastgesteld. Dit is de opvolger van het Waterbeheerplan 2016- 2021. Hiermee geeft Delfland invulling aan de verplichting voor waterschappen onder de Omgevingswet om een waterbeheerprogramma op te stellen. In het Waterbeheerprogramma beschrijft het Hoogheemraadschap van Delfland haar strategie voor de uitvoering van kerntaken voor de aankomende jaren. Het is de leidraad voor het handelen van het hoogheemraadschap in de periode 2022-2027. Daarbij vormt het een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop: waterveiligheid, waterbeheer en waterzuivering. Naast een aantal verplichte onderdelen (de Kaderrichtlijn Water, de richtlijn overstromingsrisico’s, de richtlijn zwemwater en Natura 2000), zijn er voor het waterbeheerprogramma geen vormvereisten.

Delfland heeft voor het WBP6 gekozen voor een opzet met drie verschillende niveaus: WBP6 op hoofdlijnen, een thematisch overzicht van maatregelen en activiteiten, en een kennisbank. Handreiking weging van het waterbelang Delfland heeft een Handreiking voor de weging van het waterbelang voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van deze weging voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op beleid van Delfland en sluit aan op landelijke en provinciale regelgeving. De Handreiking gaat in op waterveiligheid, wateroverlast, grondwater, droogte, onderhoud en bagger, waterkwaliteit, biodiversiteit en de afvalwaterketen.

82

Waterschapsverordening en legger De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken die het waterschap binnen haar beheergebied stelt. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. De legger is een document dat beschrijft waaraan waterstaatswerken in beheer bij het waterschap moeten voldoen. Het gaat daarbij om de ligging, vorm, afmeting en constructie. Bij het wijzigen van een omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met deze documenten. Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft op 26 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doelen. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: 1. Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren.

Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. 2. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen vergroten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bijdrage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiversiteit. 3. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol. Waterschapsverordening en legger De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken die het waterschap binnen haar beheergebied stelt. Samen met het omgevingsplan bevat de waterschapsverordening de regels voor de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. De legger is een document dat beschrijft waaraan waterstaatswerken in beheer bij het waterschap moeten voldoen. Het gaat daarbij om de ligging, vorm, afmeting en constructie.

Bij het wijzigen van een omgevingsplan dient rekening gehouden te worden met deze documenten, bijvoorbeeld met de legger van de beheerder van de waterkering en de aangewezen beperkingengebieden voor de waterkering, regels opstellen ten aanzien van bouwbeperkingen binnen deze beperkingengebieden. Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 27 juni 2012 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld. Dit beleid heeft tot doel om ongewenste effecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersysteem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: 83

  

Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m² Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m² en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak

Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op het watersysteem. Daarnaast bestaat er een zekere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige belasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m² verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen binnen het beheergebied van HHSK. Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. De gestandaardiseerde berekeningsmethode levert een compensatie-eis op uitgedrukt in kubieke meter (m 3), een te realiseren wateroppervlak (m2) of als percentage van de verhardingstoename (%). Als gevolg van de omgevingsfactoren (mogelijke waterpeilstijging, bodemtype, bestaande gebiedsfuncties, etc.) en de planeigenschappen (verhardingstoename) verschilt de compensatie-eis van (peil)gebied tot (peil)gebied. Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Daarbij wordt het watersysteem en de verschillende aspecten van het watersysteem in het gebied apart beschouwd.

Gemeentelijk beleid Strategische Samenwerkingsagenda Water Het waterplan is overgegaan in de Strategische Samenwerkingsagenda Water (SSAW) die op 7 juli 2021 is vastgesteld door de gemeente en op 29 juni 2021 door het hoogheemraadschap. De SSAW beoogd een goede samenwerking dat helpt om te komen tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland. Gemeentelijk rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Juridische kaders Besluit kwaliteit leefomgeving Paragraaf 5.1.3 Bkl bevat instructieregels voor het beschermen van de waterbelangen. In het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. De belangen van de waterbeheerder worden bij het omgevingsplan betrokken (vergelijkbaar met de ‘watertoets’ in bestemmingsplannen). Daarnaast bevat het Bkl instructieregels voor primaire waterkeringen, grote rivieren en specifieke gebieden zoals het IJsselmeergebied.

Provinciale omgevingsverordening Paragraaf 7.3.4 van de provinciale omgevingsverordening van Zuid-Holland bevat instructieregels voor waterkeringen die gericht zijn op het waarborgen van de veiligheid en functie van regionale waterkeringen. 84

Om te beginnen moeten omgevingsplannen de functie "regionale waterkering" toekennen aan regionale waterkeringen en "beperkingengebied met betrekking tot een waterkering" aan de locaties van beperkingengebieden ter bescherming van deze waterkeringen. De legger van de beheerder van de waterkering en de aangewezen beperkingengebieden zijn daarbij leidend. Voor activiteiten in het omgevingsplan die invloed hebben op regionale waterkeringen moet worden gewaarborgd dat er geen belemmeringen ontstaan voor instandhouding, onderhoud of versterking van deze waterkeringen. Advies van de beheerder van de waterkering is hierbij vereist. Daarnaast moet het omgevingsplan het profiel van vrije ruimte voor toekomstige versterking of uitbreiding van waterkeringen in acht nemen. Dit profiel wordt vastgesteld in een waterschapsverordening.

Subparagraaf 7.18.2 Toetsing Bij dit omgevingsaspect is van belang dat bouwsteen 1 conserverend van aard is. Dit houdt in voor dit aspect dat de watergangen, waterkeringen en overige wateraspecten in de voormalige bestemmingsplannen al vastlagen en deze ook beschermd waren. Daarom is bij het opstellen van de regels over dit aspect het uitgangspunt dat is aangesloten bij de bestemmingsplannen en de feitelijke situatie. Aangezien het waterbelang een belangrijk aspect is dat meegenomen moet worden bij het opstellen van het omgevingsplan, zijn meerdere overleggen gevoerd met de betrokken waterschappen. Om het waterbelang te beschermen is in de eerste plaats in het omgevingsplan geborgd dat het dempen van water zonder vergunning niet is toegestaan. Naast bescherming van de aanwezigheid van water en watergangen zelf, is er in de tweede plaats in voorzien dat ook de werken/gronden rondom het water worden beschermd tegen ingrepen. Zoals aangegeven is daarbij een beleidsneutrale voortzetting van de regels uit de voormalige bestemmingsplannen in het omgevingsplan opgenomen. Daarnaast is in het omgevingsplan een werkingsgebied opgenomen voor water en groen. Binnen dat werkingsgebied is het verboden om zonder vergunning activiteiten op of in de bodem te verrichten.

Daarbij gaat het om:  het aanleggen, vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren;  het verontdiepen van wateren;  het uitvoeren van grondbewerkingen aan en langs oevers en taluds;  het aanleggen van oppervlakteverharding en het verharden van gronden. Een uitzondering op de vergunningplicht geldt voor normale onderhoudswerkzaamheden die worden verricht door of in opdracht van de waterbeheerder of het college van burgemeester en wethouders, voor het aanleggen van natte ecologische zones en voor het aanbrengen van ondersteunende kunstwerken. Bij de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor dempen van water en aanvragen die zien op activiteiten op of in de bodem binnen het werkingsgebied water en groen, moet het waterbelang worden meegewogen. Naast de aanwijzing water en groen zijn in deze wijziging ook de regionale waterkering en het beperkingengebied uit de omgevingsverordening van de provincie aangewezen. Op verzoek van het

85

waterschap is de benaming van de werkingsgebieden aangepast. Er wordt geen onderscheid gemaakt in regionale waterkeringen: alle waterkeringen zijn opgenomen als ‘waterkering'. Voor de geolocaties is aangesloten bij de legger van de waterschappen. Aan deze gebieden zijn ook regels gekoppeld over het bouwen en activiteiten op of in de bodem, ter bescherming van de waterkeringen. Als laatste staat in de beoordeling voor de omgevingsvergunningen van de hoofdgebouwen dat de vergunning alleen verleend kan worden als er in voldoende mate wordt voorzien in wateroppervlak ter compensatie voor de verhardingstoename.

Subparagraaf 7.18.3 Conclusie Op het gebied van water zijn verschillende locaties aangewezen die extra bescherming genieten. Hier mag niet zomaar gebouwd worden of activiteiten in of op de bodem worden verricht. Het borgen van het waterbelang is uitvoerig besproken met de waterschappen die bevoegdheid hebben in het plangebied.

86

Hoofdstuk 8 Haalbaarheid Paragraaf 8.1 Financieel economische uitvoerbaarheid De bepaling over de uitvoerbaarheid uit het Besluit ruimtelijke ordening komt onder de Omgevingswet niet terug. Dat betekent dat de gemeente niet langer gehouden is om vooraf aan te tonen dat een bestemming/ontwikkeling ook daadwerkelijk gerealiseerd zal worden. De gemeente geeft in haar omgevingsplan aan dat een functie op een zekere locatie ‘kan’ komen. Zoals alle besluiten van de gemeente geldt daarvoor wel dat deze keuze niet evident onuitvoerbaar moet zijn. Daar waar onder de Wet ruimtelijke ordening de gemeente de maximale planologische mogelijkheden van een bestemmingsplan moest onderzoeken en volledig moest onderbouwen, maakt de Omgevingswet het mogelijk om onderzoeken en onderbouwingen te faseren/op een later moment uit te voeren. In bouwsteen 1 is ervoor gekozen om enkele activiteiten mogelijk te maken, onder de voorwaarde dat er eerst een vergunning voor wordt verleend. Pas als zich een concreet initiatief aandient, wordt beoordeeld of dat initiatief passend is en wordt onderzocht 'hoe' dat op een aanvaardbare wijze gerealiseerd kan worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=40ff99c5-edaf-45c4-8177-7833dd97fbbe