[T25.00723] Motivering wijziging omgevingsplan bouwsteen 1 gemeente Lansingerland.
Tekst van het document
Motivering wijziging omgevingsplan bouwsteen 1- bestaande woonwijken
Corsanummer: T25.00723 Versie: vast te stellen wijziging omgevingsplan bouwsteen 1
Inhoud Hoofdstuk 1 Inleiding ...................................................................................................................................... 4 Paragraaf 1.1 Inleiding en aanleiding ...................................................................................................... 4 Paragraaf 1.2 Ligging en begrenzing ........................................................................................................ 4 Paragraaf 1.3 Leeswijzer............................................................................................................................ 4 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving ......................................................................................................................... 6 Paragraaf 2.1 Bestaande situatie .............................................................................................................. 6 Paragraaf 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 7 Hoofdstuk 3 Verhouding met het tijdelijk deel .......................................................................................... 8 Paragraaf 3.1 Huidige regeling: tijdelijk deel omgevingsplan .............................................................
8 Paragraaf 3.2 Verhouding voorgenomen wijziging in relatie tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan .............................................................................................................................................. 8 Hoofdstuk 4 Beleidskaders ........................................................................................................................... 10 Paragraaf 4.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................... 10 Paragraaf 4.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................. 11 Paragraaf 4.3 Gemeentelijk beleid ........................................................................................................ 13 Paragraaf 4.4 Conclusie ............................................................................................................................ 16 Hoofdstuk 5 Juridische kaders ..................................................................................................................... 17 Paragraaf 5.1 Juridische kaders Rijk ......................................................................................................
17 Paragraaf 5.2 Juridische kaders provincie ............................................................................................ 20 Paragraaf 5.3 Conclusie ............................................................................................................................ 21 Hoofdstuk 6 Systematiek omgevingsplan/ Planbeschrijving ................................................................... 22 Paragraaf 6.1 Inleiding ............................................................................................................................. 22 Paragraaf 6.2 Opbouw wijziging van het omgevingsplan ................................................................... 23 Hoofdstuk 7 Omgevingsaspecten ................................................................................................................. 50 Paragraaf 7.1 M.e.r.-beoordeling ........................................................................................................... 50 Paragraaf 7.2 Bodem ................................................................................................................................. 51 Paragraaf 7.3 Cultuurhistorie en archeologie .......................................................................................
51 Paragraaf 7.4 Duurzaamheid ................................................................................................................... 53 Paragraaf 7.5 Externe veiligheid ............................................................................................................ 54 Paragraaf 7.6 Geluid door activiteiten .................................................................................................. 59 Paragraaf 7.7 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen ............................................ 61 Paragraaf 7.8 Geur .................................................................................................................................... 64 Paragraaf 7.9 Gezondheid ........................................................................................................................ 67 Paragraaf 7.10 Klimaatadaptatie ............................................................................................................ 68 Paragraaf 7.11 Ladder voor duurzame verstedelijking ....................................................................... 70 Paragraaf 7.12 Licht ..................................................................................................................................
71 Paragraaf 7.13 Luchtkwaliteit ................................................................................................................. 73
2
Paragraaf 7.14 Mobiliteit ......................................................................................................................... 74 Paragraaf 7.15 Natuur en ecologie ......................................................................................................... 75 Paragraaf 7.16 Stedenbouw, landschap en ruimtelijke kwaliteit ..................................................... 78 Paragraaf 7.17 Trillingen .......................................................................................................................... 79 Paragraaf 7.18 Water ................................................................................................................................ 80 Hoofdstuk 8 Haalbaarheid ............................................................................................................................ 87 Paragraaf 8.1 Financieel economische uitvoerbaarheid ..................................................................... 87 Paragraaf 8.2 Kostenverhaal.................................................................................................................... 87 Paragraaf 8.3 Nadeelcompensatie ..........................................................................................................
87 Hoofdstuk 9 Maatschappelijke belangenafweging.................................................................................... 89 Paragraaf 9.1 Participatie ........................................................................................................................ 89 Paragraaf 9.2 Belangen andere bestuurslagen en ketenpartners ..................................................... 90 Paragraaf 9.3 Zienswijzen en vaststellingsprocedure ......................................................................... 90 Paragraaf 9.4 Conclusie ............................................................................................................................ 90
3
Hoofdstuk 1 Inleiding Paragraaf 1.1 Inleiding en aanleiding Deze wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Lansingerland ziet op bouwsteen 1 uit het plan van aanpak omgevingsplan 2022-2029.1 Dit plan van aanpak is op 22 september 2022 vastgesteld door de gemeenteraad. In het plan van aanpak wordt beschreven dat het omgevingsplan per bouwsteen wordt opgebouwd. Bouwsteen 1 zijn de bestaande woonwijken. Bij het bepalen van de gebieden van de bouwstenen is aangesloten bij de aangewezen gebieden in de omgevingsvisie 1.0.
Paragraaf 1.2 Ligging en begrenzing Op onderstaande afbeelding is de contour van bouwsteen 1 te zien. Het plangebied bestaat uit de bestaande woonwijken. Dit gebied is in principe al ‘af’. Zo is de openbare ruimte van dit plangebied al structureel ingericht en zijn de bouwmogelijkheden op meeste plekken al volledig benut. Het is niet de verwachting dat in toekomst hier veel veranderingen zullen plaatsvinden.
Afbeelding 1.1: Contour plangebied bouwsteen 1
Paragraaf 1.3 Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de bestaande situatie en de beoogde situatie in het plangebied uiteengezet. Hoofdstuk 3 gaat in op de toetsing van de wijziging van het omgevingsplan voor bouwsteen 1 en het 1 Aanpak omgevingsplan 2022-2029, vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2022 (T21.06290).
4
omgevingsplan zoals dat voor bouwsteen 1 bestond en de verschillen die er bestaan. De beleidsdoelstellingen van het Rijk, de provincie en de gemeente worden vervolgens in hoofdstuk 4 uitgewerkt. Daarmee wordt bedoeld wat Rijk, provincie en gemeente op de lange termijn als hun ambitie en doelstellingen zien. Daarbij wordt inzichtelijk gemaakt op welke manier de voorgenomen wijziging aansluit bij deze beleidsdoelstellingen en ambities. Hoofdstuk 5 geeft een overzicht van de juridische kaders die gesteld worden door het Rijk en de provincie en beschrijft hoe deze juridische kaders – indien van toepassing – in de regels van bouwsteen 1 zijn verwerkt. Bij het wijzigen van een omgevingsplan moeten de beleidsdoelstellingen en de juridische kaders in ogenschouw worden genomen. Voor de beleidsdoelstellingen betekent dat dat het omgevingsplan zo mogelijk bijdraagt aan de (meestal: lange termijn-) ambities en dat er geen ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt die deze ambities in de weg staan. De beleidsdoelstellingen zijn op strategisch niveau gesteld en hebben daardoor een bepaald abstractieniveau. Bijvoorbeeld: we streven naar een goede ruimtelijke kwaliteit. De juridische kaders bevatten meer concrete, meetbare en objectieve, eisen waaraan een wijziging van het omgevingsplan moet voldoen.
Bijvoorbeeld: in het omgevingsplan moet worden opgenomen dat een waterkering mag niet worden afgegraven. Voor de specifieke omgevingsaspecten wordt dit gedaan in hoofdstuk 7. In dit hoofdstuk worden voor de verschillende omgevingsaspecten de beleidskaders en juridische kaders samengevat, wordt hieraan getoetst en wordt beschreven of, en onder welke eventuele voorwaarden, sprake is van een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. In hoofdstuk 6 wordt de opbouw van de wijziging van het omgevingsplan uiteengezet en worden de opgelegde regels en werkingsgebieden verklaard. De economische haalbaarheid wordt besproken in hoofdstuk 8, evenals of en op welke wijze de door de gemeente te maken kosten worden verhaald. In hoofdstuk 9 wordt vervolgens ingegaan op de maatschappelijke belangenafweging waarbij ingegaan wordt op de uitgevoerde participatie en de belangen van de overige bestuurslagen en ketenpartners. Daarnaast wordt in dit hoofdstuk nog ingegaan op de procedure en de bijbehorende eventuele inspraakreacties en zienswijzen.
5
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving Paragraaf 2.1 Bestaande situatie Vanaf 1 januari 2024 geldt het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Dit deel bevat (kort samengevat:) de voormalige bestemmingsplannen (die van rechtswege op 1 januari automatisch opgenomen zijn in het omgevingsplan) en de bruidsschat. De Omgevingswet heeft voor decentralisatie gezorgd. Veel regels die voorheen op Rijksniveau golden, vallen vanaf 1 januari 2024 onder de verantwoordelijkheid van gemeentes. Denk aan regels over bouwwerken (wel of niet vergunningvrij), geluid (hoeveel geluid op een gevel vindt de gemeente aanvaardbaar?) en lozingen (bijvoorbeeld: welke eisen worden gesteld aan bemonstering van te lozen afvalwater). Gemeentes hebben natuurlijk tijd nodig om hierin hun eigen keuzes te maken. Daarom is ervoor gezorgd dat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet deze keuzes nog niet hoeven te zijn gemaakt. De wetgever heeft erin voorzien dat de regels die per 1 januari 2024 onder verantwoordelijkheid van gemeentes komen te vallen, per 1 januari 2024 al automatisch in het omgevingsplan zijn opgenomen. En dat is beleidsneutraal gedaan. Dat betekent dat die regels inhoudelijk hetzelfde zijn als vóórdat de Omgevingswet in werking trad. Deze regels worden gezamenlijk de ‘bruidsschat’ genoemd. Denk aan regels voor bodemkwaliteit, geur door veehouderijen, vergunningplichten vanuit de voormalige Wabo, etc.
In de loop van de tijd kunnen gemeentes deze regels aanpassen naar hun eigen voorkeuren en passend bij hun eigen ambities. Uiterlijk aan het einde van de ‘transitiefase’ (vooralsnog is dat eind 2031) moeten de regels uit het tijdelijk deel (dus de regels uit de bruidsschat en die uit de voormalige bestemmingsplannen) door de gemeente in het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn verwerkt. In hoofdstuk 6 en hoofdstuk 7 wordt toegelicht hoe de bestaande regels zijn vertaald naar het omgevingsplan. In het plan van aanpak omgevingsplan 2019-2029 is voor het verwerken van de bruidsschatregels als uitgangspunt genomen dat dit zoveel mogelijk beleidsneutraal gebeurt. Er is geen inhoudelijke wijziging beoogd, tenzij inhoudelijke wijzigingen nodig zijn om aan de nieuwe wetgeving of nieuwe beleidskeuzes te voldoen. Veel gemeentes kiezen ervoor om het verwerken van de regels uit de bruidsschat zo lang mogelijk uit te stellen, bijvoorbeeld omdat vanwege capaciteitsproblemen andere prioriteiten gesteld worden. In Lansingerland is met opzet gekozen om al in bouwsteen 1 alle bruidsschatregels (voor zover dat mogelijk is) te verwerken in het nieuwe deel. Op die manier wordt de transitiefase zo veel mogelijk benut om te leren en ervaringen op te doen. Daar heeft de gemeente bij de opvolgende bouwstenen profijt van, is de verwachting.
De volgende bestemmingsplannen komen geheel of gedeeltelijk te vervallen na vaststelling van de wijziging van het omgevingsplan – bouwsteen 1 bestaande woonwijken: Bleiswijk 1. De Tuinen 2015 (BP0153); 2. De Tuinen 2015, 1e part. Herz. Heemtuin 23 (BP0153H01); 3. Kom Bleiswijk (BP0107); 4. Hoefweg 96 en 100 (BP0138); 5. Rembrandtlaan 42 (BP0154); 6. Appartementencomplex Rembrandtlaan 38 (BP0107P01 – NL.IMRO.1621.W2016-0233-VAST).
6
Bergschenhoek 1. De Ackers e.o. (BP0106); 2. Verzamelplan Lansingerland 2019 (BP0203) (gedeeltelijk: alleen locatie aan de Jacob Marislaan); 3. Oosteindseweg 20 (BP0041P02); 4. Herontwikkeling voormalige gemeentewerf (BP0007P01); 5. Parkzoom 4 (BP0155P01 – NL.IMRO.1621.183361-VAST); 6. Parkzoom 2015 (BP0155); 7. Boterdorp 2018 (BP0185); 8. Boterdorp 2018, Berkelseweg 17 (BP0074W01); 9. Boterdorp-Zuidwest en Oosthoeck (BP0109); 10. Voormalig gemeentehuis Bergschenhoek (BP0167); 11. Notaris Kruystraat 10 (BP0109P01 – NL.IMRO.1621.W2017-0150-VAST); 12. Leeuwenhoekweg (BP0123) (gedeeltelijk, alleen woningen Hoeksekade); 13. Woningbouw Hoeksekade Noord, deellocatie A (BP0169); 14. Woning achter Oosteindepad 5 (BP0210). Berkel en Rodenrijs 1. Berkel I (BP0157) (gedeeltelijk); 2. Berkel I, Burgemeester Hendrixstraat 21 (BP0157W01); 3. Berkel I, 1e part.herz. nieuwbouw scholen PWA en Kwakel (BP0157H01); 4. Verzamelplan Lansingerland 2019 (BP0203) (gedeeltelijk: Dr. Vlamingstraat 3 en 5 + Waddenweg 76); 5. Wethouder Schipperstraat (BP0181); 6. Rodenrijse Zoom (BP0108) (gedeeltelijk); 7. Appartementen Bosplaatstraat (BP0048P01); 8. Rodenrijseweg 127-129 (BP0116) (gedeeltelijk); 9. Waddenweg 48-50 (BP0108H01); 10. Hordijklocatie (BP0183) (gedeeltelijk). Paraplubestemmingsplannen 1. Biomassa (PH0006) (gedeeltelijk); 2. Parkeernormering Lansingerland (BP0173) (gedeeltelijk).
Paragraaf 2.2 Toekomstige situatie Deze wijziging van het omgevingsplan bevat het eerste deel (bouwsteen 1) van het omzetten van het tijdelijke deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dit houdt in dat de bestaande regels vertaald worden naar de taal van het omgevingsplan. De meeste regels gaan beleidsneutraal over. Beleidsneutraal betekent dat bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden, zoals deze waren opgenomen in de voormalige bestemmingsplannen zoveel mogelijk worden behouden. De regels zijn op bepaalde punten gewijzigd of aangevuld. Als dat is gedaan, dan is uitgelegd waarom die keuze is gemaakt. Voor informatie hierover wordt verwezen naar hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 waar dit proces wordt uitgelegd en hoofdstuk 6 waar concreet uitleg wordt gegeven over de regels in bouwsteen 1.
7
Hoofdstuk 3 Verhouding met het tijdelijk deel Paragraaf 3.1 Huidige regeling: tijdelijk deel omgevingsplan Het huidige geldende omgevingsplan bestaat nog volledig uit het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Zoals eerder genoemd bestaat dit vooral uit de onherroepelijke bestemmingsplannen en de bruidsschat. In bestemmingsplannen worden voor ‘een goede ruimtelijke ordening’ aan de in het plan gelegen gronden een bestemming toegewezen. Per bestemming zijn er regels opgesteld over het gebruik van de grond, de bouwwerken daarop, afwijkingsregels ten aanzien van dit gebruik en de bouwregels, etc.
Paragraaf 3.2 Verhouding voorgenomen wijziging in relatie tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan Bouwsteen 1 bevat als uitgangspunt geen inhoudelijk andere regels dan het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Bouwsteen 1 is dus vooral conserverend van aard. Er worden geen grote nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het is daarnaast niet beoogd om bestaande bouw- en gebruiksmogelijkheden in te perken. De regels uit het tijdelijke deel zijn wel vertaald naar de taal en structuur van het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dat betekent dat de regels uit bouwsteen 1 er wel heel anders uitzien dan regels in de voormalige bestemmingsplannen. Op sommige punten zijn de regels uit het tijdelijke deel wel aangepast of aangevuld. Dit heeft te maken met: 1. Actualisatie omgevingsplanregels door nieuw beleid Onder de oude wetgeving (Wro) moest elke gemeente beschikken over een structuurvisie. In deze structuurvisie stonden de voorgenomen ontwikkelingen in Lansingerland en de strategische keuzes wat betreft de ruimtelijke ordening. De laatste structuurvisie van de gemeente dateert van 2010. Met oog op de komst van de Omgevingswet is in 2022 een omgevingsvisie vastgesteld door de gemeenteraad. Voor meer informatie over wat een omgevingsvisie is, wordt verwezen naar de algemene toelichting van het omgevingsplan (paragraaf 2.2 Omgevingsvisie).
In de omgevingsvisie 1.0 (de eerste versie en nu geldende omgevingsvisie) wordt beschreven wat voor een gemeente Lansingerland in de toekomst wil zijn. De omgevingsvisie vervangt daarmee de gemeentelijke structuurvisie uit 2010. Binnen het stelsel van de Omgevingswet is de rol van de omgevingsvisie dat de gemeente daarin bepaalt hoe zij het leefgebied wil ontwikkelen en beschermen. De functie van het omgevingsplan is om die keuzes te verwerken in regels. In eerste instantie is, zoals eerder besproken, voor een beleidsneutrale aanpak gekozen voor het overzetten van de regels uit de (voormalige) bestemmingsplannen en bruidsschat. Tegelijkertijd is er ook rekening gehouden met de geldende omgevingsvisie. Er is gekeken naar welke onderwerpen ten opzichte van de voormalige structuurvisie zijn veranderd en waar de regels in het omgevingsplan op aangevuld of gewijzigd kunnen worden om hierop aan te sluiten. Deze onderwerpen zijn besproken in het burgerparticipatietraject. Voor drie van de zes onderwerpen zijn daadwerkelijk regels opgenomen in deze wijziging van het omgevingsplan. Dit gaat om de volgende onderwerpen: Inwoning door een ander huishouden bij een huishouden Eén huishouden kan bij één ander huishouden inwonen, zonder dat daar een vergunning voor nodig is. Wel moet er voldaan worden aan de algemene regels. Hulpmiddelenstalling 8
Als een inwoner door medische redenen een hulpmiddel nodig heeft (zoals een scootmobiel) mag diegene een hulpmiddelenstalling in de voortuin plaatsen. Hiervoor hoeft geen vergunning te worden aangevraagd, wel moet voldaan worden aan de algemene regels. Warmtepompen Het is gemakkelijker gemaakt om een warmtepomp aan de voorkant van een woning te plaatsen, zonder dat daar een vergunning voor nodig is. Hier moet ook aan de algemene regels worden voldaan.
De regels die zijn opgesteld voor de onderwerpen worden nader toegelicht in hoofdstuk zes. Voor meer informatie over de vorm en de inhoud van de regels en van de burgerparticipatie wordt verwezen naar paragraaf 9.1, hier wordt uitvoerig uitleg gegeven over het burgerparticipatie traject. 2. Vereenvoudiging van regels Eén van de doelen van de Omgevingswet is om de regels over de fysieke leefomgeving te vereenvoudigen. In dit kader is gekeken of regels ten opzichte van de bestemmingsplannen te versimpelen zijn, zonder dat hiermee bestaande rechten worden ingeperkt. Bijvoorbeeld de regels over dakkapellen aan de voorzijde van de woning. De regels uit de voormalige bestemmingsplannen bleken strenger te zijn dan de bruidsschat. Daarnaast bleek dat de meeste vergunningen voor deze dakkapellen worden verleend: nieuwe dakkapellen voldoen doorgaans aan standaardmaten die vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet op bezwaren stuiten. Daarom is ervoor gekozen om de maximale maten van deze dakkapellen in algemene regels op te nemen. Als daaraan wordt voldaan is er geen vergunning nodig. 3. Schrijfwijze van regels versimpelen Sommige regels uit de bestemmingsplannen zijn lastig te lezen, vaak komt dat doordat bestemmingsplannen al wat ouder zijn. Daarnaast zijn sommige regels uit de bruidsschat ingewikkeld geformuleerd. Daarom is gekeken of regels makkelijker leesbaar te maken zijn.
In principe regelen de regels hetzelfde als de hiervoor bestaande regels, maar zijn ze wel makkelijker leesbaar en begrijpelijker.
9
Hoofdstuk 4 Beleidskaders Paragraaf 4.1 Rijksbeleid Subparagraaf 4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI) De NOVI bevat de hoofdzaken van het rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Als integraal strategisch beleidsdocument bepaalt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk op de fysieke leefomgeving van Nederland. Uit de Ow volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving worden opgenomen in de NOVI. De NOVI is in de plaats gekomen van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR; behalve paragraaf 4.9). Ook zijn de relevante strategische delen van het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 opgenomen (samen met het Nationaal Milieubeleidskader), en geldt de NOVI als wijziging van onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP). In aanloop naar de inwerkingtreding van de Ow heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties op 11 september 2020 de eerste Nationale Omgevingsvisie – NOVI – vastgesteld, als één rijksvisie op de fysieke leefomgeving van Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. De NOVI schetst een duurzaam toekomstperspectief voor de leefomgeving in Nederland in 2050.
Dit toekomstperspectief voor Nederland bestaat uit: Een klimaatbestendige delta; Duurzaam, concurrerend en circulair; Kwaliteit van leven in stad en dorp; Nabijheid en betrouwbare verbindingen; Veilig en gezond, herkenbaar en natuurlijk. Het realiseren van een fysieke leefomgeving die dit toekomstperspectief mogelijk maakt, is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van alle overheden. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten. Deze prioriteiten vormen complexe, omvangrijke en dringende opgaven die voortkomen uit of samenhangen met grote transities. Deze prioriteiten zijn: 1. Naar een duurzame en concurrerende economie; 2. Naar een klimaatbestendige en klimaatneutrale samenleving; 3. Naar een toekomstbestendige en bereikbare woon- en werkomgeving; 4. Naar een waardevolle leefomgeving. Deze vier opgaven kunnen alleen in samenhang verder worden gebracht wanneer aandacht is voor thema's die hier dwars doorheen lopen, zoals omgevingskwaliteit, gezondheid, cultuurhistorie, klimaatadaptatie, water, bodem, (nationale) veiligheid en milieukwaliteit. Hierbij worden drie inrichtingsprincipes gehanteerd die helpen om in een specifieke casus of gebied bij botsende belangen een zorgvuldige weging tussen nationale belangen te maken.
Die inrichtingsprincipes zijn: 1. Combineren boven enkelvoudig; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 10
3. Afwentelen voorkomen. De NOVI is zelfbindend voor het Rijk. De rijksoverheid zet er wel op in dat provincies en gemeenten bij het vaststellen van hun eigen omgevingsvisies rekening houden met wat er in de NOVI staat. Relatie tot de omgevingsplanwijziging Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is een omzetting van de huidige geldende regels (het tijdelijk deel van het omgevingsplan) naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Deze omzetting is – zoals hierboven aangegeven – beleidsneutraal. Bouwsteen 1 is conserverend van aard. Ten tijde van de realisatie en vaststelling van de bestemmingsplannen voor dit plangebied is de afweging gemaakt of voldaan werd aan de Rijksvisie. Daarnaast voldoet de omgevingsvisie, waar de toegevoegde onderwerpen (zie paragraaf 3.1) uit afkomstig zijn ook aan de Rijksvisie. Omdat bouwsteen 1 in lijn is met de voormalige bestemmingsplannen en omdat er geen nieuwe ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, is bouwsteen 1 ook in lijn met de bovengenoemde beleidskaders. De onderwerpen die in paragraaf 3.2 zijn genoemd (onderwerpen die niet volledig beleidsneutraal zijn) zijn van een zo geringe omvang dat deze niet relevant zijn op het schaalniveau van de NOVI. De wijziging van het omgevingsplan is dus in overeenstemming met de NOVI.
Paragraaf 4.2 Provinciaal beleid Subparagraaf 4.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (POVI) Op 20 februari 2019 heeft de provincie Zuid-Holland haar ‘Omgevingsbeleid’ vastgesteld. Het omgevingsbeleid omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving in Zuid-Holland. Het bestaat uit drie hoofdinstrumenten: de omgevingsvisie, het omgevingsprogramma en de omgevingsverordening. De omgevingsvisie schetst de beleidskaders, de strategische ambities, beleidsdoelen en -keuzes voor de toekomst van de fysieke leefomgeving van Zuid-Holland. In het omgevingsprogramma zijn deze nader uitgewerkt in maatregelen die de provincie treft. De omgevingsverordening stelt de juridische kaders, instructieregels voor andere overheden en direct werkende regels voor burgers en bedrijven. De provincie wijzigt de verschillende onderdelen wanneer daartoe aanleiding is. De omgevingsvisie van Zuid-Holland biedt een strategische blik op de lange(re) termijn en bevat de hoofdzaken van het te voeren integrale beleid voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Zuid-Holland. Ambities, beleidsdoelen en beleidskeuzes Naast de algemene sturingsfilosofie en een analyse van de huidige situatie van Zuid-Holland, schetst de provincie in de omgevingsvisie haar toekomstgerichte beleid in zeven provinciale vernieuwingsambities: 1.
Samen werken aan Zuid-Holland: inwoners, organisaties en bedrijven in een vroeg stadium betrekken bij besluiten. 2. Bereikbaar Zuid-Holland: efficiënt, veilig en duurzaam over weg, water en spoor. 3. Schone energie voor iedereen: op zoek naar schone energie, haalbaar en betaalbaar voor iedereen. 4. Een concurrerend Zuid-Holland: diversiteit, de economische kracht van Zuid-Holland. 5. Versterken natuur in Zuid-Holland: een aantrekkelijk landelijk gebied draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. 11
6. Sterke steden en dorpen in Zuid-Holland: versnellen van de woningbouw met behoud van ruimtelijke en sociale kwaliteit. 7. Gezond en veilig Zuid-Holland: beschermen en bevorderen van een gezonde, veilige leefomgeving. Deze zeven vernieuwingsambities zijn geconcretiseerd in 18 beleidsdoelen die omschrijven aan welke maatschappelijke opgaven de provincie werkt. De beleidsdoelen zijn vervolgens uitgewerkt in beleidskeuzes. Ruimtelijke hoofdstructuur De essentie en samenhang van de verschillende ruimtelijke keuzes uit de omgevingsvisie is gevat in de ruimtelijke hoofdstructuur. Opgebouwd uit verschillende kaartbeelden, vormt de ruimtelijke hoofdstructuur een integraal kaartbeeld dat inzichtelijk maakt hoe de strategische beleidskeuzes van de provincie ruimtelijk samenkomen. Afbeelding 3.1 geeft de ruimtelijke hoofdstructuur van Zuid-Holland weer.
Afbeelding 4.1: Ruimtelijke hoofdstructuur Zuid-Holland.
Uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving Bij het vormgeven en uitvoeren van de ambities hanteert de provincie de volgende uitgangspunten en kaders voor de fysieke leefomgeving: Streven naar het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; Gebruik van een kwaliteitskaart met richtpunten en gebiedsprofielen, waarin is beschreven welke kwaliteiten in welke gebieden de provincie nastreeft; 12
-
Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling, om te beoordelen of bepaalde ruimtelijke ontwikkelingen wenselijk zijn.
Kwaliteitskaart, richtpunten en gebiedsprofielen Uitgangspunt van het kwaliteitsbeleid is een ‘ja, mits’-beleid: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van Zuid-Holland bestaat uit een viertal kwaliteitskaarten, samengebracht in één integrale kwaliteitskaart, bijbehorende richtpunten, gebiedsprofielen en enkele bepalingen in de omgevingsverordening. De kwaliteitskaart toont de kwaliteitsambities van de provincie. De kwaliteitskaart biedt randvoorwaarden voor het maken van integrale afwegingen. Die zijn nader geconcretiseerd in richtpunten. De richtpunten beschrijven de bestaande kenmerken en waarden en de wijze waarop ruimtelijke ontwikkelingen daarmee rekening kunnen houden. De kwaliteitskaart en bijbehorende richtpunten zijn regionaal vertaald in gebiedsprofielen. Die dienen als handreiking voor het gebiedsspecifiek omgaan met ruimtelijke kwaliteit. Passende ruimtelijke ontwikkeling Voor nieuwe ontwikkelingen maakt de provincie onderscheid in drie typen ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Als een plan aansluit bij de gebiedsidentiteit en zich voegt in de bestaande structuur, is sprake van inpassing. Een ontwikkeling die aansluit bij de gebiedsidentiteit maar op structuurniveau wijzigingen voorziet, betekent een aanpassing.
Bij transformatie zorgen de aard en omvang van een ontwikkeling voor een verandering van de gebiedsidentiteit. Deze indeling van ontwikkelingen is ook doorvertaald in de instructieregels met betrekking tot ruimtelijke kwaliteit in de omgevingsverordening (dit wordt besproken in paragraaf 5.2 Juridische kaders provincie). Relatie tot de omgevingsplanwijziging Zoals eerder vermeld ziet deze wijziging van het omgevingsplan op een feitelijke bestaande situatie. Bouwsteen 1 is voornamelijk conserverend van aard. Ten tijde van de realisatie en vaststelling van de bestemmingsplannen is het provinciale beleid meegewogen, met bouwsteen 1 worden hierin geen veranderingen beoogd. Bouwsteen 1 is daarom ook in overeenstemming met de omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland. Bouwsteen 1 bevat geen veranderingen die van invloed zijn op de ruimtelijke kwaliteit. Evenmin bevat deze wijziging ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor de gebiedsprofielen als toetsingskader gebruikt dient worden. Zoals in paragraaf 3.2 is besproken en zoals in hoofdstuk 6 nader zal worden toegelicht, bevat het omgevingsplan beperkte ontwikkelmogelijkheden. Deze zijn echter van een zo geringe omvang dat dit ruim binnen de reikwijdte van ‘inpassing’ blijft. De bestaande structuren en kwaliteiten van de gebieden wijzigen niet.
Paragraaf 4.3 Gemeentelijk beleid Subparagraaf 4.3.1 Omgevingsvisie Lansingerland 1.0 Vooruitlopend op de Ow heeft de gemeente Lansingerland al gewerkt aan een omgevingsvisie. De ‘Omgevingsvisie Lansingerland: verbonden, vindingrijk en gezond’ is op 24 februari 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De omgevingsvisie beschrijft wat voor gemeente Lansingerland in de toekomst wil zijn. De omgevingsvisie schets de gewenste ontwikkelingen voor thema’s als wonen, werken, recreëren, natuur, duurzaamheid, mobiliteit, cultuurhistorie, ruimtelijke kwaliteit en gezondheid. In 2040 is 13
Lansingerland, nog meer dan nu, verbonden, vindingrijk en gezond. Om dat voor elkaar te krijgen moeten strategische keuzes gemaakt worden en moet het beleid voor de fysieke leefomgeving worden bepaald. Dit is, samen met de opbrengst uit een uitvoerig participatietraject waarin inwoners, ondernemers en partners hebben meegedacht, vertaald in een ‘omgevingsvisie 1.0’. In de omgevingsvisie 1.0 zijn ook verschillende beleidsdocumenten verwerkt, zoals de woonvisie. De ‘omgevingsvisie 1.0’ wordt momenteel geactualiseerd en aangescherpt in een ‘2.0’-versie. In de omgevingsvisie van Lansingerland staan de volgende ambities centraal: • Verbonden in de metropool: o Goed bereikbaar en moderne mobiliteitsvormen: inzetten op moderne, duurzame en schone vervoersmogelijkheden. o Toekomstbestendige omgeving: komen tot een omgeving die klimaatadaptief en natuurinclusief is ingericht. o Sterke ruimtelijke structuren en ruime groengebieden: beschermen van groengebieden, water en historische en landschappelijke structuren. • Vindingrijk en ondernemend: o Home of Horti Science: mogelijk maken van kennisontwikkeling/innovatie en plek voor nieuwe mogelijkheden in de glastuinbouwsector. o Slimme verduurzaming: aanjagen van de energietransitie en circulaire economie via elektriciteitsopwekking, duurzame warmte en nieuwe materiaalstromen.
o Lokaal en regionaal werken en ondernemen: bevorderen van een goed vestigings- en ondernemersklimaat, werkgelegenheid en een gezonde middenstand. • Gezond samenleven: o Sterke samenleving met oog voor mensen: realiseren van een gelukkige en samenleving waar iedereen mee doet. o Ontwikkelen met karakter: ontwikkelen van voldoende duurzame woningen die passen bij de woningbehoeften. o Gezonde levensstijl in een passende omgeving: stimuleren van sociale en maatschappelijke veiligheid, positieve gezondheid en het beperken van gezondheidsrisico’s. De omgevingsvisie bevat een afzonderlijke beschrijving voor de gebieden Berkel en Rodenrijs en Bergschenhoek en Bleiswijk. Over Berkel en Rodenrijs en Bleiswijk wordt aangegeven dat in beide kernen het rustig en ruim wonen is in moderne en aantrekkelijke wijken. De RandstadRail, verschillende busverbindingen en de nabijheid van doorgaande wegen zorgen voor sterke regionale verbindingen. Over Bleiswijk staat het volgende in de omgevingsvisie: ‘Bleiswijk is van oorsprong een tuindersdorp en heeft een knusse en authentieke uitstraling. De kern kan worden gekarakteriseerd als een hechte gemeenschap met een sterke sociaal maatschappelijke binding, voorzien van een krachtig verenigingsleven, een actieve kerkgemeenschap en veel vrijwilligers. De vraag naar woningen is in Bleiswijk met name kwalitatief van aard.
Er is behoefte aan woningen voor senioren en starters in de vorm van appartementen, gelijkvloerse woningen en betaalbare woningen. Naast het tegemoetkomen aan de behoefte van de eigen (oudere) inwoners, is er behoefte aan ‘jonge’ aanwas om het krachtige verenigingsleven en de sterke sociale structuur in stand te houden.’2 Over de gewenste milieukwaliteiten van de woonwijken van de drie verschillende kernen bepaalt de omgevingsvisie het volgende: ‘in een woonwijk past rust, vooral ‘s nachts. Overdag past het geluid van spelende kinderen in een woonwijk. Ook in de toekomst worden deze kwaliteiten behouden. 2
Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 74.
14
Daarnaast wordt ook voor de andere milieufactoren een hogere ambitie dan gemiddeld in Lansingerland nagestreefd.’3 Dit is verwerkt in het onderstaande milieumengpaneel:
Afbeelding 4.2: Milieumengpaneel (bron: omgevingsvisie 1.0)
Over dit milieumengpaneel wordt het volgende gezegd in de visie: ‘In veel gevallen is het ambitieniveau gelijk aan het huidige niveau. Hier gaan we dan ook uit van het behouden en waarborgen van de huidige omgevingskwaliteit.’ (...) ‘Het ambitieniveau biedt een globale indicatie voor het gehele deelgebied, maar is niet specifiek bindend per locatie. Het kan bijvoorbeeld voorkomen dat we centraal in het gebied andere ambities hanteren dan aan de randen, waar bijvoorbeeld al een weg of spoorlijn loopt. De uiteindelijke, verplichtende normen worden opgenomen in het Omgevingsplan.’4 Relatie tot de omgevingsplanwijziging Zoals eerder aangegeven betreft deze wijziging van het omgevingsplan het omzetten van huidige regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. De gedachte waarmee dat is gedaan is ‘beleidsneutraal, tenzij’. In paragraaf 2.1, 2.2 en 3.2 van deze motivering is uitgelegd wat dit inhoudt. In het proces om te komen tot het opstellen van de regels voor bouwsteen 1 is vooral gekeken naar de bestaande situatie, dus de voormalige bestemmingsplannen. Daarnaast zijn de regels uit de bruidsschat zo veel mogelijk verwerkt in het nieuwe deel, zoals voor het bouwen en bepaalde milieuaspecten. Bij het opstellen van deze regels zijn ook de ambities en doelen uit de omgevingsvisie 1.0 meegenomen.
Bij de (in hoofdlijnen) beleidsneutrale omzetting is dus wel steeds beoordeeld of er redenen waren om de regels uit de voormalige bestemmingsplannen toch te wijzigen of aan te vullen. Gebleken is dat de regels uit de bestemmingsplannen en de bruidsschat niet gewijzigd hoeven te worden vanwege de ambities en doelen uit de omgevingsvisie 1.0, wel zijn de regels op bepaalde punten aangevuld of zijn er regels toegevoegd om de doelstellingen en ambities uit de omgevingsvisie 1.0 beter te borgen in de regels 3
Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 73.
4
Omgevingsvisie 1.0 gemeente Lansingerland, vastgesteld op 24 februari 2022 (BR2100128), pagina 67.
15
Hoe dit precies in zijn werk is gegaan en welke keuzes daarin zijn gemaakt, is terug te vinden in hoofdstuk 6 van deze motivering. Ook bij de bespreking van de verschillende omgevingsaspecten, in hoofdstuk 7, wordt de koppeling gelegd met de omgevingsvisie 1.0. Zoals eerder aangegeven bevat de omgevingsvisie 1.0 een milieumengpaneel voor de verschillende gebieden in de gemeente, zo ook voor de woonwijken. Dit milieumengpaneel wordt meegenomen per milieuaspect.
Paragraaf 4.4 Conclusie Deze wijziging van het omgevingsplan heeft een conserverend karakter. Er worden weinig tot geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De nieuwe ontwikkelingen die mogelijk zijn gemaakt, komen voort uit de ambities van de gemeente zoals in de omgevingsvisie 1.0 is opgenomen. De wijziging is in overeenstemming met de visie van het Rijk, provincie en de gemeente.
16
Hoofdstuk 5 Juridische kaders In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische kaders die een rol spelen bij het omgevingsplan. Op grond van de Ow (artikel 1.2), hebben de regels die in het omgevingsplan worden opgenomen betrekking op: de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: bouwwerken, infrastructuur, water en watersystemen, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel en werelderfgoed); activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (dit omvat in ieder geval: het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving of het gebruik daarvan, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, activiteiten waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt en het nalaten van activiteiten. Als gevolgen voor de fysieke leefomgeving worden ook aangemerkt gevolgen voor de mens, voor zover deze worden of kunnen worden beïnvloed door of via onderdelen van de fysieke leefomgeving). De regels in het omgevingsplan hebben hiermee een brede reikwijdte, maar deze reikwijdte is dus beperkt tot de fysieke leefomgeving (en activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving). De ruimte die de gemeente heeft om in het omgevingsplan regels te stellen, wordt daarnaast beperkt door kaders die door andere bestuursorganen zijn gegeven.
Paragraaf 5.1 Juridische kaders Rijk Subparagraaf 5.1.1 Omgevingswet De Omgevingswet is de grondslag voor het opstellen van het omgevingsplan. De wet bundelt en moderniseert de wetten voor de leefomgeving. Hierbij gaat het onder andere om wet- en regelgeving over bouwen, milieu, water, ruimtelijke ordening en natuur. De Ow werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl); Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl); Omgevingsbesluit (Ob). De Ow bepaalt (artikel 2.28 e.v.) dat het Rijk instructieregels stelt over hoe bepaalde onderwerpen in een omgevingsplan moeten worden geregeld. De instructieregels van het Rijk zijn opgenomen in het Bkl. Hoe dit in zijn werk gaat wordt in het vervolg van deze paragraaf beschreven. Naast de instructieregels gelden op rijksniveau ook algemene regels voor de fysieke leefomgeving, die worden hierna ook kort besproken. In de navolgende paragrafen wordt ingegaan op de inhoud van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Nagegaan wordt welke omgevingswaarden, instructie- en beoordelingsregels relevant zijn voor bouwsteen 1 en welke daarvan een doorvertaling verdienen in de planregels.
Het Omgevingsbesluit wordt hier niet nader besproken, aangezien dit besluit inhoudelijk niet relevant is voor het opstellen van de planregels voor bouwsteen 1. In het Omgevingsbesluit staan regels over het bevoegd gezag voor omgevingsvergunningen, over procedures, handhaving en uitvoering, en over het DSO.
17
Subparagraaf 5.1.2 Besluit activiteiten leefomgeving Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene regels voor activiteiten in de fysieke leefomgeving, die gelden voor burgers, bedrijven en overheden. Deze regels gelden naast het omgevingsplan en moeten altijd in acht worden genomen op het moment dat bepaalde activiteiten in de fysieke leefomgeving worden uitgevoerd. De regels van het Bal zijn afkomstig uit een tiental AmvB’s en wetten (o.a. het voormalige Activiteitenbesluit). Het Rijk stelt deze regels vanwege de aan haar toebedeelde taken (bijvoorbeeld met betrekking tot watersystemen en bepaalde infrastructuur), met het oog op een gelijk speelveld en gelijk beschermingsniveau (bijvoorbeeld bij bepaalde milieubelastende activiteiten), of in verband met internationaalrechtelijke verplichtingen (bijvoorbeeld bij werelderfgoed en Natura-2000 activiteiten). Onder voorwaarden is het toegestaan om aanvullend op de regels uit het Bal, regels in het omgevingsplan op te nemen. Daarnaast is het toegestaan om in het omgevingsplan onder voorwaarden af te wijken van de regels uit het Bal. Hoofdregel daarbij is dat deze decentrale regels geen verruiming mogen inhouden ten opzichte van het beschermingsniveau dat het Bal biedt. Het Bal bepaalt niet dat zaken in het omgevingsplan geregeld moeten worden.
Het Bal bevat regels waaraan (met name de zwaardere milieubelastende) activiteiten moeten voldoen, en bepaalt voor welke activiteiten een melding of een omgevingsvergunning (op grond van het Bal) nodig is. Afwijken van of aanvullen op het Bal is alleen mogelijk als dit uitdrukkelijk in het Bal is opgenomen (via maatwerkregels, maatwerkvoorschriften of een gelijkwaardige maatregel).
Subparagraaf 5.1.3 Besluit bouwwerken leefomgeving De regels uit het Bbl komen veelal overeen met regels uit het Bouwbesluit 2012. Het Bbl bevat rechtstreeks werkende regels, algemene rijksregels over activiteiten die betrekking hebben op bouwwerken, zoals gebruik, bouwen en slopen, en regels over aspecten als veiligheid, duurzaamheid en gezondheid. Het Bbl regelt met name de technische aspecten van een bouwwerk. Het ruimtelijke deel van het bouwen wordt met name in het omgevingsplan geregeld. De onderwerpen waarover rijksregels gesteld zijn, zijn uitputtend geregeld. Dit betekent dat als over een onderwerp geen rijksregels gesteld zijn, de gemeente de bevoegdheid heeft om daar regels over te stellen. Met de Omgevingswet is de omgevingsvergunning voor bouwen in een ‘technisch’ en ‘ruimtelijk’ deel opgedeeld. Dit is de zogenoemde knip, wat maakt dat de activiteit voor bouwen feitelijk uit twee afzonderlijke activiteiten bestaat: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit voor bouwwerken. De technische bouwactiviteit Deze activiteit is de ‘technische kant’ van het bouwen. Bij een aanvraag wordt getoetst of er wordt voldaan aan de regels uit het Bbl. Denk bijvoorbeeld aan de constructieve veiligheid van een bouwwerk. Het is niet mogelijk af te wijken van de regels over de technische bouwactiviteit uit het Bbl in het omgevingsplan.
De omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk Deze activiteit ziet op de ‘ruimtelijke kant’ van het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk. De regels hiervoor staan niet in het Bbl (op enkele uitzonderingen na, die worden besproken bij het vergunningvrij bouwen hieronder), maar in het omgevingsplan. Als iemand iets nieuws wil bouwen, dan moet het bouwwerk voldoen aan de bouwregels in het omgevingsplan.
18
Daarom wordt het ook een ‘omgevingsplanactiviteit’ genoemd. Denk aan regels over bouwhoogte, bouwvlakken, welstand, oppervlakte, etc. 5 Vergunningvrij bouwen Zowel voor de technische bouwactiviteit als voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk heeft het Rijk vergunningvrije gevallen aangewezen in het Bbl. Denk bij de technische bouwactiviteit aan gedeeltelijk vernieuwen van een gebouw, voor zover er geen constructieve wijzigingen worden aangebracht en de brandcompartimentering niet wijzigt. Bij de omgevingsplanactiviteit kan worden gedacht aan een dakkapel aan de achterzijde van een woning (met bepaalde maximale afmetingen) of een hek van maximaal 1 meter hoogte in de voortuin. Hier kan de gemeente niet van afwijken. Voor de omgevingsplanactiviteit voor een bouwwerk zijn ook vergunningvrije gevallen aangewezen in de bruidsschat. Zoals eerder aangegeven, is het de bedoeling dat de gemeente de bruidenschatregels in het nieuwe deel van het omgevingsplan verwerkt. Daarbij mag de gemeente zelf keuzes maken die passen bij haar beleid en ambities. De gemeente kan dus meer of minder vergunningvrij maken dan wat er op grond van de bruidsschat vergunningvrij is.
Subparagraaf 5.1.4 Besluit kwaliteit leefomgeving Het Besluit kwaliteit leefomgeving richt zich tot bestuursorganen. Voor het omgevingsplan betekent dat dat het Bkl opdrachten geeft aan de gemeente over hoe bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan geregeld moeten worden. Dit zijn ‘instructieregels’ Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet voldoen. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur. De instructieregels voor omgevingsplannen zijn in hoofdstuk 5 van het Bkl opgenomen. Daarbij is bepaald (artikel 8.0b) dat deze instructieregels ook van toepassing zijn op de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan: ‘Betrekken bij’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming. ‘Rekening houden met’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel.
Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd. ‘In acht nemen’: deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen. De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen (en buitenplanse omgevingsplanactiviteiten) zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen, zoals
5 Als een bouwwerk niet voldoet aan de bouwregels uit het omgevingsplan, dan kan overigens eventueel nog
vergunning worden verleend om af te wijken van het omgevingsplan. Dat heet een vergunning voor een ‘buitenplanse omgevingsplanactiviteit' (BOPA). De BOPA blijft hier verder onbesproken, omdat deze buiten de reikwijdte van het omgevingsplan valt; het is een afwijking van het omgevingsplan.
19
milieuregels, regels over landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed en externe veiligheid. Relatie tot de omgevingsplanwijziging Voor deze wijziging van het omgevingsplan (bouwsteen 1) zijn de instructieregels voor het omgevingsplan uit het Bkl doorgenomen en het omgevingsplan is daarop getoetst. Een aantal paragrafen zijn niet van toepassing op het plangebied van bouwsteen 1. Een voorbeeld hiervan zijn de regels over het beschermen van de militaire terreinen en terreinen met een militair object. Deze komen namelijk niet in het plangebied voor. In hoofdstuk 7 worden de omgevingsaspecten, waar instructieregels over bestaan in het Bkl, verder uitgelicht. Bij omgevingsaspecten kan gedacht worden aan vormen van milieuhinder, zoals geluid en geur of juist aan zaken waarvan de kwaliteit beschermd moet worden zoals erfgoed of water.
Paragraaf 5.2 Juridische kaders provincie Subparagraaf 5.2.1 Zuid-Hollandse omgevingsverordening (ZHOV) Naast één omgevingsvisie moet de provincie onder de Ow ook één omgevingsverordening vaststellen voor haar grondgebied. Per 1 januari 2024 geldt de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV), die de voorheen geldende ‘Omgevingsverordening Zuid-Holland’ heeft vervangen. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels op het gebied van de fysieke leefomgeving. Dat zijn rechtstreeks werkende regels, maar ook instructieregels. Deze instructieregels werken min of meer hetzelfde als de instructieregels van het Rijk. Het zijn opdrachten aan de gemeente over wat er in het omgevingsplan opgenomen moet worden (en hoe). Relatie tot de omgevingsplanwijziging De instructieregels die van toepassing zijn op het plangebied van bouwsteen 1 zijn verwerkt in de regels. Niet alle instructieregels hebben relevantie voor bouwsteen 1. Bouwsteen 1 maakt namelijk geen nieuwe stedelijke ontwikkelingen (ontwikkelingen met meer dan 12 woningen) mogelijk, zodat instructieregels over bijvoorbeeld toekomstbestendig bouwen van woningen of transformatiegebieden niet aan de orde zijn in bouwsteen 1. Bouwsteen 1 maakt bijvoorbeeld ook geen nieuwe bedrijventerreinen mogelijk, zodat de instructieregels daarover voor bouwsteen 1 niet relevant zijn.
Het omgevingsplan maakt het via een vergunningplicht wel mogelijk om een nieuwe woonfunctie toe te voegen. Die vergunning ziet enkel op de gebruiksactiviteit en niet op de omgevingsplanactiviteit voor het bouwen. Dat betekent bijvoorbeeld dat het mogelijk is om met een vergunning een bedrijfspand te gaan gebruiken als woning. Daaraan worden natuurlijk wel eisen gesteld. Er moet bijvoorbeeld worden voldaan aan de milieuregels, er moet worden voorzien in een regionale behoefte en er moet worden voldaan aan de omgevingsverordening van de provincie Zuid-Holland. Het kan zo zijn dat er voor het toevoegen van de woning ook bouwwerkzaamheden nodig zijn. Daarvoor is dan een omgevingsplanactiviteit voor het bouwen vereist. Bij de aanvraag om die vergunning wordt getoetst of er wordt voldaan aan de bouwregels van het omgevingsplan. Bijvoorbeeld de bouwhoogte en de goothoogte. Dit alles staat los van de toets aan constructieve veiligheid, brandveiligheid, etc. Het Bbl regelt dat daaraan altijd moet worden getoetst in dit soort situaties (technische bouwactiviteit). Voor het bouwen van een nieuwe woning is een vergunning nodig voor de gebruiksactiviteit wonen en voor het bouwen van een nieuw hoofdgebouw. In het gebiedstype ‘linten binnen woongebied’ is
20
het toevoegen van nieuwe hoofdgebouwen uitgesloten. Daar kunnen dus met vergunning alleen nieuwe woningen worden gerealiseerd binnen bestaande bebouwing. Wat betreft de instructieregels over de activiteiten kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw etc., is het volgende van belang. Het omgevingsplan maakt geen nieuwe kantoren mogelijk, ook niet met een vergunning. Nieuwe bedrijvigheid is binnen de ‘woonwijk’ niet toegestaan in het omgevingsplan. In de ‘linten binnen het woongebied’ geldt voor nieuwe bedrijvigheid een vergunningplicht. Omdat binnen dit gebiedstype geen nieuwe hoofdgebouwen zijn toegelaten, zijn de mogelijkheden beperkt tot bestaande bebouwing. In het gebiedstype ‘wijkcentra’ is nieuwvestiging van bedrijvigheid mogelijk met een vergunning, waarbij alleen ambachtsbedrijven mogelijk zijn. Bij een aanvraag om een vergunning wordt beoordeeld of de bedrijvigheid passend is gelet op – onder andere – de milieuregels. De instructieregels van de provincie die zien op bedrijvigheid hebben geen relevantie, aangezien die betrekking hebben op bedrijventerreinen. Niet op losliggende, kleinschalige bedrijvigheid. Nieuwvestiging van detailhandel is beperkt mogelijk, evenals nieuwvestiging van dienstverlening. Hiervoor wordt verwezen naar de regels van het omgevingsplan en de artikelsgewijze toelichting.
Ook hiervoor geldt dat de aard en omvang zo gering is, dat de instructieregels van de provincie hier niet in het geding zijn. Nieuwe agrarische activiteiten zijn niet toegestaan. De conclusie is dat voldaan wordt aan de instructieregels van de provinciale omgevingsverordening. Waar de instructieregels gaan over omgevingsaspecten wordt hier in hoofdstuk zeven nader toelichting over gegeven.
Paragraaf 5.3 Conclusie Naar aanleiding van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat voldaan wordt aan de instructieregels van het Rijk en van de provincie. Bij het opstellen van de juridische regels is zorgvuldig gekeken naar de instructieregels en indien van toepassing zijn die verwerkt in de regels. In hoofdstuk zeven zal een nadere toelichting worden gegeven over de omgevingsaspecten.
21
Hoofdstuk 6 Systematiek omgevingsplan/ Planbeschrijving Paragraaf 6.1 Inleiding De gemeente stelt regels in het omgevingsplan over activiteiten die gevolgen hebben, of kunnen hebben, voor de fysieke leefomgeving (artikel 4.1, lid 1, Omgevingswet). De gemeente kan voor ieder gebied regelen welke activiteiten zij wel of niet toestaat, bijvoorbeeld wonen, recreatie of bedrijvigheid. Dit worden de gebruiksactiviteiten genoemd. Waar in de bestemmingsplannen de gebruiks-, aanleg- en bouwregels waren gebundeld per bestemming, worden deze in het omgevingsplan apart van elkaar geregeld. De inhoudelijke regels hierover staan in hoofdstuk 5 van het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 worden de verschillende gebieden aangewezen. Hiermee wordt aangesloten bij de structuur uit het casco van de VNG.6 De keuze om aan te sluiten bij dit casco is gemaakt in het eerdergenoemde plan van aanpak voor het omgevingsplan. 7 Hoofdstukken 4 en 5 van het omgevingsplan zijn daarmee de meest inhoudelijke hoofdstukken. Zoals eerder genoemd gaan deze over gebieden (“Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving”) en over activiteiten met gevolgen voor de fysieke leefomgeving (“Activiteiten”). Voorbeelden hiervan zijn bouwen, graven, slopen, etc. In hoofdstuk 4 worden de regels uit hoofdstuk 5 per gebied al dan niet ‘aangezet’.
Hoofdstuk 5 wordt een soort regelbibliotheek van de regels die van toepassing zijn op het plangebied van bouwsteen 1. Tussen deze hoofdstukken vinden verwijzingen plaats, zodat duidelijk is welke regels in welk gebied gelden. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een stuk tijdelijk deel omgevingsplan omgezet naar het nieuwe deel van het omgevingsplan. Gezien een deel van de regels uit het tijdelijk deel, zoals de bestemmingsplannen, nog afkomstig zijn uit het hiervoor geldende kader, komt de formulering en de structuur van deze regels niet overeen met de nieuwe structuur van het omgevingsplan. Daarom heeft er een vertaalslag plaatsgevonden om deze regels passend te maken in de structuur van het omgevingsplan. De regels uit het tijdelijke deel moesten worden vertaald naar de taal van de Omgevingswet. Het gevolg hiervan is dat de regels uit de oude bestemmingsplannen er anders uit zien in het nieuwe deel van het omgevingsplan. Dit betekent niet dat de rechten en de juridische gevolgen die hieraan verbonden zijn ook veranderen. Zoals eerder aangegeven is deze wijziging een beleidsarme wijziging waar bouw- en gebruiksmogelijkheden zoveel mogelijk hetzelfde blijven. Omdat de regels wel anders zijn geformuleerd wordt hieronder ter verduidelijking een nadere toelichting gegeven per onderdeel van het omgevingsplan.
Hier wordt ook bij aangegeven of er veranderingen zijn ten opzichte van het tijdelijk deel van het omgevingsplan en wat de reden daarvoor is. In dit hoofdstuk zal niet nader worden ingegaan op de omgevingsaspecten die in hoofdstuk 7 uitvoerig beschreven zullen worden. Deze omgevingsaspecten zien vooral op het milieu (zoals geluid of geur) of aspecten die invloed hebben op het milieu, zoals mobiliteit of duurzaamheid. Voor toelichting over de regels die hiervoor zijn opgesteld of overgezet wordt dus verwezen naar hoofdstuk 7 van deze motivering.
6 Het casco van de VNG is te vinden via de volgende link: ‘https://vng.nl/publicaties/het-casco-voor-het-
omgevingsplan'. 7 Aanpak omgevingsplan 2022-2029, vastgesteld door de gemeenteraad op 22 september 2022 (T21.06290). 22
Paragraaf 6.2 Opbouw wijziging van het omgevingsplan Subparagraaf 6.2.1 Aanwijzingen in de fysieke leefomgeving In deze subparagraaf wordt toelichting gegeven over de afdelingen van hoofdstuk 4 in het omgevingsplan. In hoofdstuk 4 worden de verschillende locaties benoemd en aangewezen waar de regels gelden. Uitgangspunt is dat iedere regel een werkingsgebied heeft. Dat betekent: voor iedere regel moet bepaald zijn waar die regel geldt. Het omgevingsplan bevat veel verschillende werkingsgebieden. Voor de navolgbaarheid en begrijpbaarheid van de planregels, zijn er namen gegeven aan de werkingsgebieden. Bijvoorbeeld: aanwijzing groen, water, wegen. Soms volgt de naam van het werkingsgebied uit de wet. Bijvoorbeeld: belemmeringengebied buisleiding. Echter, de meeste werkingsgebieden hebben een naam gekregen die door de schrijvers van het plan passend werd gevonden. De naam van een werkingsgebied heeft dan ook geen juridische betekenis. Wat de benaming ook is: het zijn allemaal werkingsgebieden. De term ‘restrictiegebied’ is een term die door de schrijvers van het omgevingsplan is bedacht om in de onderstaande situaties te hanteren. De restrictiegebieden zijn min of meer de opvolger van de voormalige dubbelbestemmingen uit de bestemmingsplannen. Denk aan de dubbelbestemming ’archeologie’ en ‘waterkering'.
Binnen deze restrictiegebieden gelden beperkingen voor activiteiten die worden ingegeven door specifieke belangen zoals het beschermen van archeologische waarden, waterstaatkundige werken, etc.
23
Afbeelding 6.1: Contour plangebied bouwsteen 1
Titel 4.1 Gebieden De indeling in gebieden is gebaseerd op de omgevingsvisie. Dit zijn samengestelde deelgebieden met een gezamenlijk karakter, met vergelijkbare ruimtelijke en functionele kenmerken. Deze gebieden worden ook wel ‘gebiedstype’ genoemd. Niet elke geografische eenheid (zoals een buurt) is apart benoemd en niet elk perceel is apart ‘bestemd’. Uitgangspunt is dat de koers voor deze gebieden, zoals beschreven in de omgevingsvisie, leidt tot een bepaalde manier van sturen op activiteiten in het omgevingsplan. Dat wordt ook wel de ‘sturingsfilosofie’ genoemd. Een nadere toelichting hierop is te lezen in subparagraaf 6.2.4. De gebieden vormen dus een nadrukkelijke koppeling tussen de omgevingsvisie en het omgevingsplan. De gebieden worden aangewezen in hoofdstuk 4 van het omgevingsplan. Voor bouwsteen 1 – bestaande woonwijken – worden de volgende gebieden (gebiedstypen) aangewezen (tussen haakjes de paragrafen in het omgevingsplan waar de gebieden worden aangewezen): Linten binnen woongebied (afdeling 4.1.1); Wijkcentra (afdeling 4.1.2); Woonwijken (afdeling 4.1.3). De ligging en begrenzing van deze gebiedstypen is te zien op de onderstaande afbeeldingen. De begrenzing van de werkingsgebieden is gebaseerd op de deelgebieden uit de omgevingsvisie, die soms wat globaler van aard zijn. In het omgevingsplan zijn de grenzen enigszins aangepast, 24