CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T24.00346] Toelichting bestemmingsplan Hoekeindseweg 147

Commissie Ruimte 5 maart 2024, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Bestemmingsplan Hoekeindseweg 147 Bergschenhoek27.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

In het bestemmingsplan worden echter geen gebouwen of bouwwerken van die hoogtes mogelijk gemaakt. Het is daarom niet noodzakelijk dat er voor de toetsingsvlakken een beschermende regeling in het plan wordt opgenomen. jí^pílnìicķjií^ ilfgauw

ŕĩ "^īąiįWlJk

, . Berkel ÿ: . ''• ļSį Ŗotíļnrijs

z

'Betòs^ÿĮìhosk

Oudetëéda

Afbeelding 7.2: toetsingsvlakken ILS 24. Het plangebied is zwart omcirkeld.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

45

VOR/DME Het plangebied bevindt zich binnen het toetsingsvlak behorende bij de VOR/DME RTM (Rotter­ dam). Een VOR (VHF Omni-Directional Radiorange) geeft een vliegtuig koersinformatie en een DME (Distance Measuring Equipment) geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Het toetsingsvlak van de VOR/DME kent een 600 m vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Binnen deze straal van 600 m geldt een toetsingshoogte van 0 m; elk op te richten object kan verstoring veroorzaken. Vanaf het 0 meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog tot een hoogte van 47,66 m (NAP) op een afstand van 3 km (zie afbeelding 7.3). Het plangebied is buiten het toetsingsvlak VOR/DME gelegen. Er is om die reden ook geen vrijwaringszone opgenomen op de verbeelding.

Invliegfunnel Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” hoort een aanvliegroute (invliegfunnel). In ver­ band met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebou­ wen en andere bouwwerken. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken tot de aangegeven hoogtes. Omdat het voorliggende plange­ bied niet binnen de aanvliegroute is gelegen, is een hoogtebeperking niet aan de orde. Het is daarom niet noodzakelijk dat er voor de invliegfunnel een beschermende regeling in het plan wordt opgenomen. Geluid Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” speelt ook het aspect ‘geluid’ een rol. De maat­ gevende contour, waarbinnen geen geluidgevoelige bebouwing (zoals woningen) mag worden gerealiseerd, is weergegeven middels de zogenaamde 35 KE-contour. Voorliggend plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de luchthaven (afbeelding 7.4). Er gelden ten aanzien van geluidhinder als gevolg van de luchthaven binnen voorliggend plangebied dan ook geen restric­ ties.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

46

wr^

'

/ļŴawwtt^A.

'

-''' '‘ ” *' : \- '

í-

“’

Afbeelding 7.4.: geluidscontour Rotterdam The Hague Airport, het plangebied is in rood aangeduid.

7.9

Duurzaamheid

7.9.1 Kader Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met res­ pect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoef­ ten te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de ge­ bouwde omgeving. Gemeentelijk beleid De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2-neutrale gemeente te zijn. Hiervoor is de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’ opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door inzet op de thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147” Toelichting Vastgesteld, december 2023

47

minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aan­ passing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een ze­ kere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voor­ beeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen. 7.9.2 Afweging en conclusie Duurzaamheid komt in dit bestemmingsplan in het bijzonder tot uiting in de beoogde inrichting van het terrein en de beoogde kasachtige bebouwing met zonnepanelen op de daken. Op het terreingedeelte tussen de bestaande kassen en de Hoekeindseweg wordt ingezet op een groene inrichting van dit gebied tussen de toe te voegen bedrijfsbebouwing met een toekomstge­ richte waterhuishouding. Voor de waterhuishouding worden waar mogelijk de bestaande kavelsloten verbreed, worden natuurvriendelijke oevers aangelegd en worden voorzieningen aange­ bracht voor retentie van water. Daarnaast wordt nieuw oppervlaktewater aangelegd. De toe te voegen bomen en beplantingen zijn uit het oogpunt van duurzaamheid en vergroting van biodi­ versiteit gebiedseigen soorten. Bij de aanleg van verhardingen wordt de toepassing van wateraf­ voer van de verharding via greppels beoogd.

De greppels zorgen met een overstort, eveneens voor een vertraagde afvoer van water naar de sloot en retentie van water op locatie. Voor de nieuwe verhardingen van parkeerplaatsen en rijbanen zal hergebruik worden nage­ streefd bij de toe te passen materialen. Elementenverhardingen hebben om reden van hun hergebruikmogelijkheden de voorkeur bij wegen, parkeerplaatsen of andere verhardingen. Bij het hergebruik kunnen verhardingen eenvoudig en op verschillende wijze open gestraat worden, zo­ dat regenwater ook dóór de verharding naar het grondwater kan wegstromen. Onderzocht zal worden of de parkeerplaatsen in de bestemming ‘Groen’ als halfverharding kunnen worden uit­ gevoerd. De oriëntatie van de nieuw toe te voegen bebouwing is zodanig beoogd, dat bij een toepassing van zonnepanelen een zo gunstig mogelijk rendement kan worden behaald. Daarbij zal ook wor­ den ingespeeld op de actuele ontwikkelingen in de beschikbare zonnepanelen, waarbij ook bij minder direct zonlicht, gunstige rendementen kunnen worden behaald.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

48

8

Uitvoerbaarheid

8.1

Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de econo­ mische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens dient, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kos­ tenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke te­ gelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling is tussen de gemeente en de eigenaar een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende ge­ waarborgd geacht.

8.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Met dit bestemmingsplan wordt een kader geboden om te kunnen handhaven. Een illegale en ongewenste situatie wordt aangepakt. Dit bestemmingsplan biedt een kader voor toekomstige activiteiten en biedt hiervoor een ruimtelijke structuur. Door de voorgenomen ontwikkeling krijgt het plangebied een impuls en wordt de ruimtelijke kwaliteit van het gebied verbeterd. Deze ontwikkeling is passend binnen de ruimtelijk kaders van de gemeente en heeft als uitgangs­ punt de bestaande ruimte beter in te richten en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien wordt in de bestem­ mingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.

8.3

Handhavingsaspecten Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoor­ delijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtre­ ding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en om­ geving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene be­ palingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een ver­ leende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

49

Vertaling naar bestemmingsregeling Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden vrij gedetailleerd bestemd. Er zijn diverse voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Binnen de bestemmingen is daarmee relatief veel rechtszekerheid en is daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

50

9

Procedure

9.1

Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan, waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Deze publicatie heeft voor dit plan plaatsgevonden op 25 september 2019. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan wordt, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voor­ afgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn wordt een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondeling te reage­ ren op het bestemmingsplan. Er zijn tijdens de inspraaktermijn geen inspraakreacties ontvangen. Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en water­ schappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimte­ lijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies aan diverse instanties toegezonden.

De ontvangen overlegreacties zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147”, die als bijlage 3 bij de toelich­ ting is gevoegd.

9.2

Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg is de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpas­ singen die uit de inspraak- en overlegreacties zijn gekomen, zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook zijn er - waar nodig - ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (ge­ lezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling is in de Staatscourant geplaatst en via elek­ tronische weg te geschied. Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende zes weken, van 13 februari 2020 tot 25 maart 2020, ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is een ieder in de gelegenheid gesteld schriftelijk en/of mondeling een zienswijze op het plan in te dienen. Er zijn geen zienswijzen op dit ontwerp ingediend.

9.3

Vaststellingsfase Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.

Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023

Bijlage 1 Quick scan natuurwetgeving bouwplan Hoekeindseweg 147 Bergschenhoek, Groenteam, d.d. 3 december 2019

QUICK SCAN NATUURWETGEVING Bouwplan HOEKEINDSEWEG 147 Bergschenhoek

Moordrecht, 3 december 2019 in opdracht van Van Hees T&L architectuur

GROENTEAM Adviescentrum voor Natuurontwikkeling, Landschapsplanning en Groenontwerp Burg. Brandtstraat 1 - 2841 XA Moordrecht - telefoon 0653-77.61.70 - email Groenteam@groenteam.nl

2

Onderzoek in het kader van de natuurwetgeving t.b.v. opschonen perceeldeel en realisatie nieuwe bedrijfsbebouwing Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

foto voorpagina: overzicht werkterrein

Voor gewaarmerkte rapportage. contact opnemen met GroenTeam

onderzoek en rapportage onder verantwoordelijkheid van: ing. Jan Oosterbaan, ecologisch adviseur

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

3

INHOUDSOPGAVE

1

pagina

INLEIDING 1.1 Situering en ingreep........................................................................................... 4 1.2 Natuurtoets als instrument.................................................................................. 6 1.3 Onderzoeksplan................................................................................................ 10

2 BRONNENONDERZOEK SOORTEN 2.1 Vaatplanten....................................................................................................... 13 2.2 Zoogdieren ........................................................................................................ 14 2.3 Broedvogels....................................................................................................... 15 2.4 Amfibieën en reptielen.......................................................................................15 2.5 Vissen................................................................................................................ 16 2.6 Ongewervelde soorten.......................................................................................16 2.7 Conclusies uit beschikbare gegevens............................................................... 17 3 LOCATIEONDERZOEK 3.1 Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming........................................18 3.2 Verkenning werkgebied en habitatbevindingen.................................................. 19 4 SAMENVATTENDE CONCLUSIES........................................................................ 23 GERAADPLEEGDE LITERATUUR............................................................................. 24 GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN............................................................... 26

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

4

1

INLEIDING

1.1

Situering en ingreep

Situering plangebied De werklocatie betreft uitbreiding van bedrijfsbebouwing op het perceel Hoekeindseweg 147 in Bergschenhoek (zie figuren 1 en 2). Figuur 1, situering werkiocatie

^Rottemereņ il‘

resort Elysiu^

Figuur 2, situatie werkgebied

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

5

Voorgenomen ingreep De ruimtelijke ingreep omvat (zie ook figuur 3): - verwijderen/ opschonen van kleinschalige opstallen; - realisatie nieuwbouw en terreininrichting; - realisatie van de wateropgave, waarbij bestaande watergangen worden verbreed en nieuwe watergangen en wadi’s worden gegraven; - er wordt wellicht een enkele boom gekapt. Figuur 3, voorgenomen ingreep

I I I BduiHÃng bsband L/l I MonumEiiblc bebouwing I VI Overige bestaande bdiDLrwing Pļ.ļ TuehufiCiäge bebouwing Cvavandalling en opdag I \l VeriiğHifideñig kopgrinuw, verpTichtiegewtrídriīng Įļ II HoofdbntsiiMlĩng. wegbieedte5;5 m, rijbaaan4^Sni I naikerefi Dnonm OtSPJlOOtmībval i'- (' ] Kiutdenijkgradand \A^ci'^2mderbfeeil 1 meter diep

m Takid |i I N^uurvii Olderjioe Dcvers I I Begaand en rńeuww^empţiefvlak ^■üļ Beaaanfe BI nieuwe hagen I l-lľļ Tiöirmnuimt^ boadenļ

[Z3 I"' -j Bomenrijen I----1 Ledngsiroalc

Onderzoeksverplichting De Wet Natuurbescherming (Wnb) en het provinciaal natuurbeleid verplichten een initia­ tiefnemer om bij ruimtelijke ingrepen de daardoor veroorzaakte effecten op (mogelijk) aanwezige zwaarder beschermde planten en dieren, nader te onderzoeken. Dit onderzoek moet leiden tot beoordeling van de eventueel te verwachten natuurschade en bestaat uit de volgende onderdelen: * Er dient te worden aangetoond in hoeverre ontheffingsplichtige soorten Wnb versto­ ring of bedreiging van de ingreep ondervinden of daarvan kunnen worden uitgesloten. * Er dient te worden aangetoond in hoeverre wellicht gebiedsbescherming met betrek­ king tot Natura 2000 of met betrekking tot Natuurnetwerk Nederland (NNN) in het geding is.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

6

* Volgens het in de Wnb opgenomen en recent herziene Besluit natuurbescherming, dient tevens te worden aangegeven welke extra uitstoot van stikstof als gevolg van het project tot stand komt (volgens het PAS, Programma Aanpak Stikstof). Op basis van het onderzoek gelden de volgende verplichtingen: * Bij eventuele aanwezigheid en kans op bedreiging of verstoring van ontheffingsplichtige soorten dient een ontheffing Wnb te worden aangevraagd (soortbescherming). * Indien de ingreep (een deel van) een habitat van een ‘aangewezen soort’ uit een Natura 2000-gebied aantast, dient (tevens) een vergunning Natura 2000 te worden aangevraagd (gebiedsbescherming). * Indien bovendien door de ingreep en wellicht ook door nieuw grondgebruik, verande­ ring optreedt in de stikstofemissie en -depositie, dient bij overschrijding van de daar­ toe regionaal vastgelegde grenswaarden een vergunning te worden aangevraagd; indien er géén overschrijding plaats vindt, is er alsnog een meldingsplicht. * Indien de aangegeven natuurwaarden van een gebied in het kader van de NNN worden aangetast, vergt dat aanvraag van een provinciale vergunning.

Beschermingskaders flora & fauna en wettelijk belangen Met betrekking tot toetsing van mogelijke effecten op flora en fauna is in de Wnb onder­ scheid gemaakt in twee typen bescherming: ‘gebiedsbescherming’, hoofdstuk 2 Wnb, (‘Natura 2000-gebieden’) en ‘soortbescherming’ (hoofdstuk 3 Wnb, ‘Soorten’). Met betrekking tot soorten zijn vervolgens drie beschermingsregiems onderscheiden: dat van de ‘Vogelrichtlijn’, van de ‘Habitatrichtlijn’ en van ‘andere soorten’ (zie ook ‘wettelijke kaders’ volgende bladzijde). Bij eventuele aanvraag van ontheffing in het kader van soortbescherming is onder meer bepalend of er een wettelijk belang van toepassing is dat is opgenomen in het betref­ fende beschermingsregiem. Gezien de aard van het project betreft dat hier zoals aange­ geven in de Bijlage van de Wnb (Ministerie van EZ 2016/ g 6.2.b) eventueel de volgende wettelijke belangen: * ‘van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende reden van groot openbaar belang’ (voor soorten van de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn) * ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden’ (voor ‘andere soorten’).

In beginsel wordt onder het belang ‘ruimtelijke inrichting of ontwikkeling’ géén ontheffing afgegeven voor soorten van de Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn, behalve indien de eco­ logische functionaliteit van de soort daarmee geheel niet wordt aangetast, bijvoorbeeld door het nemen van maatregelen (zie verder ‘ontheffingsplicht’ blz. 8).

1.2

Natuurtoets als instrument

Doel en strekking natuuronderzoek Deze rapportage omvat een bureaustudie met een veldverkenning met habitatbeoordeling, samen met een nader veldonderzoek en, afhankelijk van de afspraken met de initia­ tiefnemer, tevens een Aerius-berekening in het kader van de PAS. Hiermee wordt de ingreep getoetst aan de regelgeving met betrekking tot soort- en gebiedsbescherming.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

7

Het onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in de volgende vragen: - Is er kans op noodzaak tot ontheffing van verbodsbepalingen van de Wnb? - Is er naar verwachting een vergunning op grond van gebiedsbescherming nodig (Natura 2000 en/of het Natuurnetwerk Nederland/ NNN) ? - Is er nader veldonderzoek nodig en voor welke soorten planten en/of dieren ? - Welke zijn de mogelijke consequenties vanuit de Wnb en het NNN ? - Is er vergunning voor toekenning van extra ontwikkelingsruimte in het kader van het Besluit natuurbescherming vereist ? Deze rapportage vormt de aantoonbare bewijslast op naleving van die wetgeving. Hiermee wordt onderbouwd met welke beschermde soorten rekening moet worden ge­ houden, van welke soorten effecten kunnen worden uitgesloten omdat ze er niet worden verwacht en/of welke soorten er niet zijn aangetroffen dan wel omdat de planingreep geen natuurschade aan die soorten met zich meebrengt. Het uitsluiten van gebruik door (of schade aan) de betreffende soorten 'op voorhand’ vergt een gedegen, controleerbare onderbouwing.

Wettelijke kaders en beschermingsregiems De regelgeving met betrekking tot natuur kent twee typen bescherming: 'soortbescherming' (Wnb) en 'gebiedsbescherming' (Wnb en het NNN). Soortbescherming is gericht op individuele soorten flora en fauna, waartoe in de Wnb onderscheid is gemaakt in beschermingsregiems m.b.t. ‘soorten van de Vogelrichtlijn’ (Wnb g 3.1), ‘soorten van de Habitatrichtlijn’ (Wnb g 3.2) en ‘andere soorten’ (Wnb g 3.3). Gebiedsbescherming is gericht op de specifieke habitat waartoe speciale begrensde gebieden zijn aangewezen, thans aangeduid met ‘Natura 2000’ dan wel gebieden die vallen onder regelgeving vanuit provinciaal natuurbeleid, waaronder het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). Voorts is dit gericht op het reguleren van stikstofemissie en -depositie als gevolg van ruimtelijke ingrepen. De regels van soort- en gebiedsbescherming sluiten elkaar niet uit, doch vullen elkaar aan. Toetsing aan gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) vindt uitsluitend plaats indien (soorten uit) beschermde gebieden in het geding zijn, terwijl toetsing aan de soortbescherming en aan de stikstofdepositie altijd vereist zijn, zowel binnen als buiten beschermde gebieden.

Soortbescherming De natuurwetgeving is in eerste lijn gericht op soortbescherming, dat wil zeggen be­ scherming van afzonderlijke soorten planten en dieren ‘in welke situatie dan ook’. Omdat deze wet alle soorten planten en dieren omvat, óók in Natura 2000-gebieden, wordt bij dit natuuronderzoek primair aangehaakt op de soortbescherming. Deze biedt bescherming aan planten en dieren tegen zogeheten 'natuurschade'. Binnen het beschermingskader wordt onderscheid gemaakt tussen: - het type ingreep (‘bestendig beheer’ of ‘ruimtelijke ontwikkeling en inrichting’); - planten en dieren uit verschillende beschermingsregiems (zie vorige bladzijde); - een aantal 'wettelijke belangen' (zoals eerder aangeduid).

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

8

Beschermingsregiems en ontheffingsnoodzaak De drie beschermingsregimes, ‘Vogelrichtlijn’, ‘Habitatrichtlijn’ en ‘andere soorten’, om­ vatten alle ‘zwaarder beschermde soorten’. * De Vogelrichtlijn is van toepassing op alle inheemse vogels: bedreiging van vogels of verstoring van broedende vogels vergt in beginsel een ontheffing, waarbij het nest slechts tijdens het broedgebruik is beschermd, met uitzondering van een categorie ‘jaarrond beschermde nesten’ waarvan het nest, al of niet in gebruik, het gehele jaar rond beschermd is en bij bedreiging ontheffing vereist. * De Habitatrichtlijn is van toepassing op een in Bijlage IV opgenomen lijst met soor­ ten zoogdieren, reptielen, amfibieën, dagvlinders, libellen, vissen, vaatplanten, kevers en ‘overige ongewervelden’ (weekdieren). Voor deze soorten is bij verstoring of bedreiging, te allen tijde een ontheffing vereist. * De categorie ‘andere soorten’ zoals opgenomen in de Bijlage van de Wnb omvat lijs­ ten met soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten waarvan door de afzonderlijke provincies wordt bepaald welke soorten in aanmerking komen voor een vrijstelling dan wel welke soorten bij verstoring of bedreiging eveneens aanvraag van ontheffing vergen.

Provinciale vrijstelling voor ruimtelijke ingrepen Met betrekking tot de lijsten ‘andere soorten’ is er in de Wnb met betrekking tot kleine zoogdieren en amfibieën in de provincie Zuid-Holland vooralsnog geen wijziging opge­ treden ten opzichte van de oorspronkelijke landelijke vrijstellingen onder de Ffw. Een deel van de zoogdieren en amfibiesoorten blijft dan ook ontheffingsplichtig. Voor in de Wnb opgenomen lijsten ‘andere soorten’ met betrekking tot een reeks vaatplanten en alle vissen, reptielen, dagvlinders, libellen en kevers geldt géén vrijstelling: deze soorten zijn dus, naast soorten van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn, eveneens alle ontheffingsplichtig. Gedragscode Er wordt voorts van uitgegaan dat, vergelijkbaar met de situatie onder de Ffw, ook daar­ na de regels met betrekking tot gedragscodes van toepassing blijven. Aandacht vergt daarbij dat de aanvankelijke nuancering tussen Tabel 2 en 3 in de Ffw ten behoeve van het onderscheid ‘bestendig beheer’ en ‘ruimtelijke ontwikkeling’ wat onder de Ffw een belangrijke basis voor de gedragscodes vormde, onder het regiem van de Wnb vervalt. Naar verwachting zullen in de komende periode de verschillende Gedragscodes nader worden afgestemd op de Wnb.

Ontheffingsplicht bij soortbescherming Bij ontheffingsplichtige soorten is het voorts van belang in hoeverre de ecologische func­ tionaliteit wordt aangetast: * Onder de condities dat er mitigerende maatregelen (kunnen) worden genomen waar­ mee kan worden gegarandeerd dat de ecologische functionaliteit binnen het werkge­ bied op geen énkel moment achteruitgaat, óók niet tijdelijk, is er géén ontheffing nodig (Ministerie van EZ 2016/ g 4.3). Het achterwege blijven van effecten op de ecologische functionaliteit vergt afdoende on­ derbouwing, waarbij wordt aangegeven welke mitigerende maatregelen daarbij worden toegepast voor welke soorten. *

Echter indien de bedoelde ecologische functionaliteit als gevolg van de ingreep niét met mitigatie kan worden gegarandeerd doch uitsluitend met compensatie, is voor de uitvoering daarvan eerst ontheffing vereist.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

9

Voor soorten uit de Vogelrichtlijn of de Habitatrichtlijn dient bovendien te worden voldaan aan de specifiek in die richtlijnen opgenomen wettelijke belangen. Bij een ontheffingsaanvraag wordt daartoe getoetst aan drie criteria: 1) er is sprake van een in of bij de wet genoemd belang; 2) er is geen alternatief; 3) er is geen sprake van afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding: dit crite­ rium is ook van toepassing voor ontheffingsplichtige ‘andere soorten’ uit de Wnb. Gunstige staat van instandhouding als ontheffingsvoorwaarde Een ontheffing kan uitsluitend worden verkregen wanneer de gunstige staat niet in het geding komt. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden staan in de Habitatrichtlijn genoemd: * uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitat waarin hij voorkomt, en dat op lange termijn zal blijven, en . . . * het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd kleiner lijkt te zullen worden, en . . . * er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden.

Wettelijke zorgplicht bij soortbescherming Naast de specifieke regelgeving ten aanzien van juridisch zwaarder beschermde soor­ ten bestaat de algemene zorgplicht bij eventuele verstoring of bedreiging van individuele planten of dieren. Dit omvat álle dieren, dus ook alle onbeschermde soorten (Wnb art. 3.10). Indien door werkzaamheden individuele dieren of hun vaste verblijfplaatsen worden ver­ stoord of bedreigd, wordt vereist dat de uitvoerder voldoende zorg in acht moet nemen om die verstoring of bedreiging te voorkomen. Daartussen bestaat enige nuance: * Met betrekking tot juridisch zwaarder beschermde soorten dient absoluut te worden voorkómen dat individuen van betreffende soorten worden bedreigd (zie DR 2009). * Voor beschermde soorten die vallen onder de provinciale vrijstelling en onbescherm­ de soorten ligt dat iets minder strikt: ‘De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd’ (Ministerie van EZ 2016/ g 2.4). Met betrekking tot de zorgplicht bestaat een ketenverantwoordelijkheid tussen initia­ tiefnemer en uitvoerder.

Gebiedsbescherming Vergunning Natura 2000 De regelgeving met betrekking tot speciale beschermingszones in het kader van de Vogel- of Habitatrichtlijn (resp. REG 1979 en REG 1992/1997), te weten met betrekking tot Natura 2000-gebieden, wordt in de Wnb gecontinueerd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. Werkzaamheden binnen een Natura 2000-gebied welke effecten kunnen hebben op ‘aangewezen’ soorten en de instandhouding van de natuurlijke habitats vergen aanvraag van een vergunning. Ook voor gebieden 'buiten' een Natura 2000-gebied die een aan­ wijsbare ecologische functie voor de 'aangewezen soorten à habitattypen' uit dat Natura 2000-gebied hebben, kan onder sommige condities een vergunning vereist zijn ('externe werking', Wnb art. 2.7 à 2.8). Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

10

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) De toenemende uitstoot van stikstof door verkeer, uitvoeringsmaterieel, huishoudens en bedrijfsvoering leidt tot toenemende depositie van stikstof met negatieve effecten op flora en fauna, met name in natuurgebieden. Dit vereist nader onderzoek (Besluit natuurbe­ scherming, zie Wettelijk kader Bij12, 2017). Deze wettelijke verplichting geldt in beginsel voor alle projecten in een regio. Bij het ont­ breken daarvan zoals ook bij het ontbreken van onderzoek naar flora en fauna, kan een eventuele omgevingsvergunning worden geweigerd. Bij de uitvoeringsfase van projecten gaat het dan vooral om uitstoot door voertuigen en mobiele werktuigen met een verbrandingsmotor, en voor de eindfase om uitstoot door toegenomen verkeer, huishoudens en/of bedrijfsvoering. Voor de toetsing zijn daartoe met betrekking tot de in de regio aanwezige Natura 2000-gebieden, drempel- en grens­ waarden vastgesteld aan de te verwachten stikstofdepositie als gevolg van de realisatie van het betreffende project (‘ontwikkelingsruimte’). De grenswaarde wisselt per regio. Voor toetsing dient gebruik worden gemaakt van de Aerius-calculator waarmee de depo­ sitie t.o.v. het ijkjaar 2015 kan worden vastgesteld. Overschrijding van de grenswaarde vergt aanvraag van een vergunning. Onder deze grenswaarde geldt desalniettemin een meldingsplicht.

Vergunning Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS) Dit betreft eveneens bescherming van natuurwaarden binnen begrensde gebieden. Hiervoor hebben Rijk en Provincie samen spelregels ontwikkeld welke zijn vervat in de provinciale regelgeving. Hierbij is een 'nee-tenzij' beleid van toepassing, terwijl afhan­ kelijk van de provinciale regelgeving daarop eveneens een ‘externe werking’ van toe­ passing kan zijn (geldt niet voor de provincie Zuid-Holland). Binnen het NNN moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van het betreffende gebied als onderdeel van het natuurnetwerk in acht worden genomen. Aantasting daar­ van in kwalitatieve of kwantitatieve zin vergt nadere toetsing aan het bevoegde gezag en kan mogelijk leiden tot een vereiste aanvraag van vergunning. Aantasting zal slechts voor vergunning in aanmerking komen indien daarvoor compensatie wordt geboden. De actuele en potentiële waarden van het NNN zijn vastgesteld in de natuurdoelen voor dat gebied. De basis daarvoor ligt in de provinciale structuurvisie en de betreffende ‘Provinciale Ruimtelijke Verordening’. Daarnaast zijn in Zuid-Holland ook nog ‘bijzondere weidevogelgebieden’ aangewezen: hiervoor geldt eenzelfde regelgeving als voor de NNN.

1.3

Onderzoeksplan

Met het onderzoek wordt stapsgewijs ingezoomd op de situatie en vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten of verstoring daarvan, kunnen worden uitge­ sloten dan wel nadere veldinventarisatie vergen. Werkstap 1, analyse bestaande gegevens Als eerste wordt de situatie getoetst aan indicaties van de NDFF, aan de verspreiding van soorten op basis van reeds bekende biogeografische informatie uit verspreidingsatlassen, aan overige literatuur en andere beschikbare onderzoekingen. Die informatie is veelal niet compleet maar wel grotendeels indicerend.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

11

Op basis hiervan en de algemene habitat van de locatie wordt vastgesteld welke juridisch zwaarder beschermde soorten mogelijk in dit gebied verwacht zouden kunnen worden, onafhankelijk van de aanwezige habitat, en welke juridisch zwaarder beschermde soor­ ten op voorhand al kunnen worden uitgesloten. Met betrekking tot ‘uitsluitingen’ in het kader van de regelgeving wordt in de rapportage aandacht geschonken aan alle mogelijke soortgroepen van (beschermde) organismen. Voor sommige soortgroepen is dat niet méér dan slechts het aangeven waarom daarvan géén beschermde soorten op de locatie worden verwacht, dan wel waarom sommige soorten niet worden bedreigd of verstoord. Werkstap 2, toetsing aan gebiedsbescherming Dit omvat regelgeving in het kader van de Wnb en van provinciaal gebiedenbeleid (Natura 2000 en NNN). Daarbij wordt beoordeeld of er wellicht ook andere natuurregelgeving in het geding kan zijn. In beginsel wordt in dit kader tevens middels de Aerius-calculator, een enkelvoudige PAS-berekening gemaakt met betrekking tot de stikstofdepositie: uitvoering hiervan is afhankelijk van nadere opdracht-afspraken met de initiatiefnemer.

Als uit de resultaten van de enkelvoudige berekening blijkt dat er een meldings- of ver­ gunningsplicht geldt, wordt vervolgens met een verschilberekening de benodigde depositieruimte voor grenswaarde (meldingsplicht) of ontwikkelingsruimte (vergunningsplicht) bepaald: deze berekeningen zijn verplicht voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning of ontheffing. Werkstap 3, habitatbeoordeling Naar aanleiding van het bovenstaande wordt een beoordeling gemaakt van de terreinkenmerken, de biotoop, de lokale habitat en van de ecologische betekenis van het effec­ tieve werkgebied (zie g 3.2). In de conclusie wordt op basis van de nader beschreven habitat, vastgesteld welke zwaarder beschermde soorten (Wnb) en eventuele ‘aangewezen soorten’ (Wnb/ Natura 2000) voor de gegeven situatie zonder nadere veldinventarisatie kunnen worden uitge­ sloten, wat tevens geldt voor het al of niet van toepassing zijn van de ‘externe werking’ met betrekking tot ‘aangewezen soorten’ (Natura 2000 - Wnb g 3.2). Tot zover betreft dit onderzoek een ‘Quick Scan’: bureaustudie met veldverkenning. Werkstap 4, veldinventarisaties Voor de zwaarder beschermde soorten flora en/of fauna (Wnb) welke niét op basis van verspreiding en/of habitat van bedreiging kunnen worden uitgesloten, moet (eventueel) alsnog een nader soortgericht veldonderzoek worden uitgevoerd.

Werkstap 5, eindconclusie en advies De rapportage wordt afgerond met een puntsgewijze samenvatting van conclusies en consequenties, met een eventuele toetsing van consequenties, de haalbaarheid van het plan, het advies welke soorten nadere veldinventarisatie vergen dan wel in hoeverre natuurschade op voorhand met mitigatie kan worden voorkomen.

Leeswijzer In de rapportage wordt de volgorde van de hierboven aangegeven onderzoeks- en onderbouwingsstappen aangehouden. Waar het voor de betreffende onderbouwing nodig is om informatieve kaders te schetsen, is dat in dit hoofdstuk beknopt aangegeven (zie blz.5 t/m 11). Daarmee ontstaat de volgende opzet van de rapportage: *

In hoofdstuk 1 zijn de uitgangssituatie, het voornemen, de hoofdlijnen van de regel­ geving, de aanpak van het onderzoek en de opzet van de rapportage aangegeven. Quick Scan natuurwetgeving - Hoekelndseweg 147 te Bergschenhoek

12

*

*

*

In Hoofdstuk 2 wordt op basis van beschikbare verspreidingsgegevens en recente gegevens uit de databank van de NDFF, de literatuurstudie met daaruit voort­ komende conclusies uitgevoerd. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op vigerende gebiedsregelgeving (Wnb/ Natura 2000, PAS en NNN) en worden de bevindingen van de ecologische verkenning met beoordeling van de betreffende habitat beschreven, zo nodig aangevuld met de verslaglegging van een nader veldonderzoek. In hoofdstuk 4 worden de voor de uitvoering relevante conclusies kort samengevat en wordt advies gegeven met betrekking tot mitigerende maatregelen. Voorts wordt advies gegeven met betrekking tot de gewenste nadere handelwijze.

De rapportage wordt beëindigd met lijsten van geraadpleegde literatuur en van gebruikte termen en afkortingen.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

13

2

BRONNENONDERZOEK SOORTEN

Onderzoekscontext Het onderzoek dat in dit hoofdstuk per soortgroep wordt weergegeven omvat de toet­ sing van de locatie aan bronnen met reeds bestaande inventarisatie- en verspreidingsgegevens, met name NDFF, de ‘Nederlandse Databank Flora & Fauna’. Het is gericht op eventueel terreingebruik door juridisch zwaarder beschermde soorten (zie ‘soortbescherming’ blz.7-9) en indien voor het project relevant, op ‘aangewezen soorten’ (zie gebiedsbescherming blz.9-10). De gegevens waarop deze toetsing is gebaseerd, omvatten veelal een aanzienlijk groter gebied dan de onderzoekslocatie: naar aanleiding hiervan wordt in hoofdstuk 3 inge­ zoomd op de nader begrensde werklocatie. De gegevens uit de NDFF bieden een goede indicatie doch zijn niet geheel toegespitst op de werklocatie en vergen tenminste nog een aanvulling door een habitatbeoordeling op de locatie. Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatbeoordeling wordt vervolgens bepaald welke (zwaarder) beschermde soorten in het werkgebied wellicht kunnen worden ver­ wacht en welke soorten in het kader van de Wnb aanvullende veldinventarisatie vergen om vast te stellen of ze alsnog van aanwezigheid kunnen worden uitgesloten, dan wel zullen moeten leiden tot aanvraag van ontheffing.

De eventuele noodzaak tot nadere inventarisatie wordt afgeleid uit de samenhang tussen beschikbare gegevens (dit hoofdstuk 2), de habitatbeoordeling van het te onderzoeken gebied (zie hoofdstuk 3) en de ‘soort’ ingreep (g 1.1).

Algemeen karakter werkgebied Het werkgebied ligt centraal in een groot gebied voor glastuinbouw met tussengelegen bedrijfsterreinen (zie figuur 1). Ruim de helft van het werkgebied bestaat al uit bedrijfs­ terrein, terwijl de andere helft bestaat uit een klein graslandperceel ingeklemd door bedrijfsterrein. Het is gelegen in een oorspronkelijk slagenlandschap met tussenliggen­ de, smalle sloten. Houtopstanden zijn slechts aanwezig in tuinen rond woonpercelen.

2.1

Vaatplanten

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het plangebied géén ontheffingsplichtige planten zijn geregistreerd (zie ook Floron 2011).

Conclusie Ontheffingsplichtige planten kunnen in het werkgebied op voorhand worden uitgesloten.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

14

2.2

Zoogdieren

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van de planlocatie 16 soorten zijn geregistreerd, waaronder 5 vleermuissoorten.

Grondgebonden zoogdieren Van deze groep zijn er géén ontheffingsplichtige soorten geregistreerd (zie ook Broek­ huizen 2016). De registratie omvat uitsluitend beschermde ‘andere soorten’ waarvoor een provinciale vrijstelling van toepassing is. Dat betreft de muizensoorten Bosmuis, Dwergmuis, Huisspitsmuis en Veldmuis, de martersoorten Bunzing, Hermelijn en Wezel en voorts Egel, Haas, Konijn en Vos. Indien vaste verblijfplaatsen van deze vrijgestelde soorten worden verstoord of bedreigd vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht (zie blz.9).

Vleermuizen Er zijn in deze omgeving 5 soorten vleermuizen geregistreerd: Rosse vleermuis, Laatvlieger, Watervleermuis en Gewone- en Ruige dwergvleermuis. Vleermuisgebruik kan bestaan uit vaste verblijfplaatsen in bomen, gebouwen of andere gebouwde constructies (kraam-, zomer-, paar- of winterverblijven). Door sommige soorten worden tevens lineaire structuren (zoals houtsingels, boomrijen, bosranden, watergangen, dijken of combinaties daarvan) gebruikt als geleiding/ sonaroriëntatie voor vaste vliegroutes (met name ook door dwergvleermuizen en Laatvlieger, zie Limpens 1997). Van belang daarbij is dat de meeste vleermuissoorten steeds een ‘netwerk’ van vaste verblijfplaatsen gebruiken waartussen wordt gewisseld, waarbij het gehele netwerk strikt beschermd is (zie bijvoorbeeld ook Kennisdocumenten, BIJ12 2017). De soorten beschikken ieder over eigen soorten verblijven (zie ook Limpens 1997): * Rosse vleermuis zoekt zijn verblijfplaats uitsluitend in (oudere) bomen; * Watervleermuis voorál in (oudere) bomen; * Laatvlieger uitsluitend in bebouwing; * dwergvleermuizen kunnen zowel in gebouwen als in bomen worden aangetroffen. Deze soorten kunnen alle gebruik maken van zeer smalle spleten. Alle vleermuissoorten zijn vermeld in de Habitatrichtlijn Bijlage IV (zie g 3.1 Wnb) en zijn daarmee op voorhand ontheffingsplichtig.

Conclusie zoogdieren *

Grondgebonden soorten: Ontheffingsplichtige soorten kunnen worden uitgesloten op basis van verspreiding. Wel is bij uitvoering aandacht vereist voor mogelijk aanwezige ‘andere soorten’ waar­ op een provinciale vrijstelling en daarmee ook de wettelijke zorgplicht van toepassing is (zie blz. 9). * Vleermuizen: Deze vereisen nadere controle op gebruiksmogelijkheden en de mogelijke verstoring of bedreiging daarvan, zoals te slopen opstallen. Ze behoeven zo nodig nader veld­ onderzoek naar mogelijk te verstoren verblijfplaatsen in bomen en/ of vaste vlieg­ routes boven de watergang. Indien aangetroffen vergt dat een aanvraag van onthef­ fing.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

15

2.3

Broedvogels

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het plangebied diverse vogels met een jaarrond beschermd nest zijn geregistreerd.

Jaarrond beschermde nesten De bij het NDFF geregistreerde soorten met een jaarrond beschermd nest betreffen onder meer ook soorten die hoog in bomen nestelen, te weten Boomvalk, Buizerd, Havik, Ransuil, Roek en Sperwer. Deze soorten gebruiken ook nesten van bijvoorbeeld Zwarte kraai, of zelfs van Ekster, maar ook van elkaar. Daarnaast zijn ook Steenuil, Huismus, Gierzwaluw en Slechtvalk geregistreerd, waarvan Steenuil ook gebruik maakt van boomholten waaronder knotwilgen. Huismus en Gier­ zwaluw gebruiken voornamelijk pannendaken terwijl Slechtvalk uitsluitend hogere ge­ bouwen als nestelplaats gebruikt. Mogelijk zijn ook vogelsoorten uit categorie 5 aan de orde, zoals bijvoorbeeld spechten, Bosuil e.d. (in bomen): deze vergen eventueel nadere beschouwing in verband met mogelijke ontheffingsplicht, afhankelijk van de situatie.

Overige broedvogels Veelal zijn er in elk soort terrein ook andere broedende vogels te verwachten, waaronder nesten in struwelen, in bomen en langs oevers (zie ook Sovon 2018). Broedende vogels mogen onder géén enkele conditie worden verstoord (zie DR 2009). Onder die voorwaarde is echter voor de meeste broedvogelsoorten géén aanvullende veldinventarisatie vereist: dit is uitsluitend nodig op het moment dat werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd.

Conclusie broedvogels * Jaarrond beschermde nesten: het werkterrein vergt nadere controle op mogelijk aan­ wezige jaarrond beschermde nesten in bomen of op/ aan gebouwen en behoeft zo nodig nadere inventarisatie van het gebruik en aanvraag van ontheffing. * Broedende vogels: met betrekking tot (overige) broedende vogels dienen werkzaam­ heden die verstorend kunnen zijn, in beginsel buiten het broedseizoen plaats te vinden.

2.4

Amfibieën en reptielen

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied 4 beschermde soorten zijn geregistreerd (zie ook Creemers 2009; NDFF 2015).

Amfibieën De registratie omvat uitsluitend 4 ‘andere soorten’ op 3 waarvan een provinciale vrijstel­ ling van toepassing is, en een ontheffingsplichtige soort, Alpenwatersalamander. Alpenwatersalamander geldt als weinig kritisch. De soort komt voor op zand-, leem- en lössbodems. Zee- en rivierklei worden gemeden. Het westen van het land vormt géén natuurlijke habitat, doch de soort duikt vaak op in stedelijk gebied (uitgezet).

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

16

De soort vereist habitatcondities met open water in de directe omgeving van bos en heeft een maximale actieradius van zo’n 400 meter, doch voor verspreiding is wel een iets kortere afstand vereist. Evenals de meeste amfibieën heeft ook deze soort vanwege de voortplanting een voorkeur voor (roof-)visvrij water. Op de overige geregistreerde ‘andere soorten’ is een provinciale vrijstelling van toe­ passing (Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander). Ook deze vergen voor hun leefomgeving onder meer de beschikbaarheid van geschikt open water en een zonnige situatie. Ze gebruiken alle drie ook een deel van het jaar een landhabitat waarbij ze onder meer schuilplaatsen zoeken in takkenhopen of bestaande holletjes van andere dieren. Indien (vaste verblijfplaatsen van) deze vrijgestelde soorten worden bedreigd vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht (zie blz.9).

Reptielen Binnen een straal van 1 km van het werkgebied zijn géén reptielen geregistreerd.

Conclusie amfibieën en reptielen *

De werklocatie vergt controle op geschikte habitatcondities voor Alpenwatersalaman­ der. Zo nodig vergt dat nader veldonderzoek en indien aangetroffen ook aanvraag van ontheffing. * Reptielen kunnen op basis van verspreiding reeds worden uitgesloten.

2.5

Vissen

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied géén ontheffingsplichtige vissen zijn geregistreerd (zie ook NDFF 2015).

Conclusie vissen Ontheffingsplichtige vissen kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitge­ sloten.

2.6

Ongewervelde soorten

Bij ongewervelde soorten moet men denken aan vlinders, libellen, sprinkhanen en ande­ re ongewervelde soorten zoals mieren, kevers, weekdieren e.d. Onder deze groepen vallen eveneens beschermde soorten terwijl voor sommige soorten ook een ontheffingsplicht geldt. Juridisch zwaar beschermd zijn soorten uit de groepen libellen, dagvlinders en ‘overige ongewervelde soorten’ (waaronder ook waterorganismen).

Beschikbare gegevens Uit de databank (NDFF 2019, Quickscanhulp) blijkt dat binnen een straal van 1 km van het werkgebied géén beschermde soorten zijn geregistreerd (zie ook Bos 2006, Dijkstra 2002, Boesveld 2011 en Gmelig Meyling 2008).

Conclusie ongewervelden Beschermde ongewervelde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreiding.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

17

2.7

Conclusies uit beschikbare gegevens

Volgens de databank van NDFF en verspreidingsgegevens blijkt dat in het werkgebied naast vrijgestelde ‘andere soorten’, meerdere ontheffingsplichtige soorten verwacht kunnen worden waarvan reeds enkele op basis van het algemeen karakter van het werkgebied (blz.12), op voorhand kunnen worden uitgesloten. De volgende soorten vergen alsnog nadere controle van de habitat om te beoordelen of er een geschikte habitat voor is, in welk geval nader onderzoek (en mogelijk aanvraag van ontheffing) nodig is: - controle op habitatcondities voor Alpenwatersalamander; - vleermuisgebruik in te verwijderen opstallen; - aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Voorts zijn er mogelijk broedgevallen te verwachten van zang- en/of watervogels, welke tijdens het broeden moeten worden ontzien. Ook zijn er vrijgestelde kleine zoogdieren en amfibieën te verwachten, welke bij de uit­ voering aandacht en toepassing van de wettelijke zorgplicht vergen (zie blz.9). Andere ontheffingsplichtige soorten kunnen op basis van verspreiding en/of habitat, op voorhand worden uitgesloten.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

18

3

LOCATIEONDERZOEK

3.1

Toetsing vigerende regelgeving gebiedsbescherming

Gebiedsbescherming vormt onderdeel van zowel de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden/ Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en Besluit natuurbescherming) als van de provinciale regelgeving (Natuurnetwerk Nederland). Natura 2000-gebieden: De werklocatie ligt op ruim 10 km afstand van Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vetten­ broek en Polder Stein’ (Reeuwijkse Plassen). In dit gebied zijn géén soorten aange­ wezen die van het onderhavige plangebied gebruik kunnen maken (zie PDN/2010-104). Besluit natuurbescherming: Als onderdeel van de Wnb dient invulling te worden gegeven aan de factor ‘stikstof’. Dit vergt een berekening van de uitstoot voor zowel de uitvoeringsfase als voor de ge­ bruiksfase, en op basis daarvan van de depositie in nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Voor een berekening van de uitvoeringsfase zijn de gegevens echter nog niet beschik­ baar omdat nog geen uitvoeringsbestek beschikbaar is, terwijl thans ook de maatgeven­ de normering voor beide fasen, op te stellen door de rijksoverheid, nog niet beschikbaar is. Wel is bekend dat de normering met name zal zijn afgestemd op ligging van de uitstoot op slechts korte afstand van Natura 2000-gebieden, waarvan in het onderhavige project geen sprake is aangezien het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied op circa 10 kilometer afstand ligt.

Bovendien zal met de soort werkzaamheden welke voor de uitvoering van dit project nodig zijn, de impact van verbrandingsmotoren zeer gering zijn. De verwachting is daarmee dat er met onderhavig project géén drempelwaarden over­ schreden zullen worden zodat er ook geen belemmering zal ontstaan voor realisatie van dit voornemen. Echter één en ander zal in kwantitatieve zin slechts berekend kunnen worden wanneer het uitvoeringsbestek beschikbaar is om berekeningen uit te kunnen voeren en wanneer ten behoeve van toetsing eventuele drempelwaarden bekend zijn.

Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het werkgebied valt in zijn geheel buiten het NNN en vormt evenmin onderdeel van bij­ zondere weidevogelgebieden. Daarmee is de regelgeving van NNN niet van toepassing.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

19

3.2

Verkenning werkgebied en habitatbevindingen

Algemene terreinkenmerken Een veldverkenning heeft plaatsgevonden op 15 juli 2019. Het werkgebied bestaat enerzijds uit geheel verhard terrein met opstallen, opslag en een weilandperceel met recreatief gebruik. De opstallen bestaan grotendeels uit mobiele, gestapelde containers (foto 1) en deels uit kleine hallen opgetrokken van enkelwandig plaatmateriaal, ook de daken (foto 2). Voorts is er divers opgeslagen materiaal aanwezig (foto 3). Foto 1, gestapelde containers

Foto 2, opstal van enkelwandig plaatmateriaal

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

20

Foto 3, opgeslagen materiaal

Het graslandperceel heeft een sterk grazige begroeiing en is recreatief in gebruik voor hobby-vee, foto 4). Er zijn binnen het werkgebied géén houtopstanden aanwezig terwijl langs twee grenzen van het werkgebied heel smalle diepgelegen slootjes aanwezig zijn, grotendeels dichtge­ groeid met Riet (foto 5 en 6). De gesteldheid van de bodem wordt bepaald door klei met een lage grondwaterspiegel: de slootjes bevatten in de zomer nauwelijks water. Foto 4, grazig grasland met hobby-vee (paarden en schapen)

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

21

Foto 5, slootje langs noordoost-grens werkgebied

Foto 6, slootje langs zuldwest-grens werkgebied

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

22

Habitatbeoordeling met conclusies Op basis van het bronnenonderzoek (zie g 2.7) is vastgesteld dat er, afhankelijk van de plaatselijke werkzaamheden, nadere habitatbeoordeling nodig was voor: - controle op habitatcondities voor Alpenwatersalamander; - vleermuisgebruik in te verwijderen opstallen; - aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. De veldverkenning leidt tot de volgende conclusies: Alpenwatersalamander: Er zijn geheel geen condities aanwezig welke een geschikte habitat met zich meebren­ gen voor deze soort (zie ook beschrijving g 2.4). Werkzaamheden aan watergangen hebben dus geen consequenties. Vleermuisgebruik: Inspectie van de te verwijderen opstallen maakt duidelijk dat deze over geen enkele potentie beschikken voor vleermuisverblijf: deels geheel ontoegankelijk (containers) en deels geheel ongeschikt door systeembouw. Er zijn géén te verwijderen structuren aanwezig welke wellicht een functie zouden kunnen hebben als vaste vliegroute voor vleermuizen. Jaarrond beschermde nesten: Er zijn in het werkgebied géén houtopstanden met jaarrond beschermde nesten, terwijl de opstallen geen potenties hebben voor Huismus, Gierzwaluw of Slechtvalk.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

23

4

SAMENVATTENDE CONCLUSIES

In samenhang tussen literatuuronderzoek en veldverkenning met habitatbeoordeling kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

1) Vigerende regelgeving gebiedsbescherming (zie g 3.1) * Op de planlocatie is géén regelgeving met betrekking tot Natura 2000 van toe­ passing. * Met betrekking tot de stikstofproblematiek zijn de bestuurlijke toetsingscriteria nog niet beschikbaar terwijl ook de kwantitatieve uitvoeringsgegevens (bestek) nog niet beschikbaar zijn voor berekening. Echter de condities ten aanzien van uitvoering en toekomstig gebruik zijn zodanig dat er met betrekking tot stikstof géén belemmeringen worden verwacht ten aanzien van de uitvoering van dit project (zie g 3.1). * Het werkgebied vormt géén onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, even­ min als van ‘bijzondere weidevogelgebieden’ (zie g 3.1).

2)

Broedvogels * Er zijn géén jaarrond beschermde nesten in het werkgebied aangetroffen. * Overige broedende vogels kunnen tijdens het broedseizoen (1 maart tot eind augustus) worden verwacht in bomen en struiken en langs watergangen. Deze mogen tijdens het broeden niet worden verstoord.

3) Vleermuisgebruik Vleermuisgebruik in de vorm van verblijfplaatsen zowel als van vaste vliegroutes, kunnen op basis van inspectie en condities worden uitgesloten (zie blz.21).

4)

Uitsluiting overige ontheffingsplichtige soorten Dit kon plaatsvinden naar aanleiding van verspreidingsdata (NDFF 2019).

5) Zorgplicht niet-ontheffingsplichtige soorten Met de werkzaamheden kunnen overal wellicht vrijgestelde kleine zoogdieren of amfibieën worden aangetroffen. Hierop is de wettelijke zorgplicht van toepassing (zie blz.9), evenals op fauna welke niet is beschermd. Deze dieren dienen te worden opgepakt en voorzichtig buiten de gevarenzone weer te worden weggezet.

6)

Ontheffingsplicht De voorgenomen werkzaamheden hebben géén consequenties voor zwaarder beschermde flora of fauna. Er is dus geen enkele aanleiding voor de aanvraag van een ontheffing.

7)

Haalbaarheid van het plan Er is géén ontheffing voor de uitvoering van het plan vereist evenmin als een vergun­ ning in het kader van de gebiedsbescherming. Voorts wordt van zowel de uitvoeringsfase als van de gebruiksfase van het voorne­ men geen significantie toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden verwacht. Daarmee is het aannemelijk dat er in het kader van de ruimtelijke ordening géén belemmeringen voor de uitvoering in het geding zullen zijn.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

24

GERAADPLEEGDE LITERATUUR Bij12 (2017). Kennisdocument Gewone dwergvleermuis e.a., versie 1.0 Boesveld, A (2011), A. Gmeylig Meyling & R. de Bruyne, De Levende Natuur jg 112 nr. 3: Natuurbeheer, bescherming en biotoopeisen van drie bijzondere Nederlandse slakken. Bos/ F. (2006), M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting. De Dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming. Nederlandse Fauna 7, Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland. Broekhuizen/ Sim (2016), Kamiel Spoelstra, Johan B.M. Thissen, Kees J. Canters en Jan C. Buys (redactie): Atlas van de Nederlandse Zoogdieren. Uitgever Naturalis Biodiversity Center en EIS-Nederland, Leiden. Creemers (2009) Raymond.C.M. en Jeroen J.C.W. van Delft (Ravon)/ redactie: De Amfibieën en Reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Nationaal NatuurhistorischMuseum Naturalis, EIS-Nederland, Leiden. Dijkstra/ Klaas-Douwe B. (2002), Vincent J.Kalkman, Robert Ketelaar, Michiel J.T. van der Weide: De Nederlandse Libellen (Nederlandse Fauna 4). KNNV Uitgeverij. DR 2009. Wijziging beoordeling ontheffing Flora- en faunawet bij ruimtelijke ingrepen en aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten. Brief van de Dienst Rege­ lingen, ffw2009.corr.046 van 25 augustus 2009, Ministerie van LNV (thans EZ). Floron 2011.

Nieuwe atlas van de Nederlandse Flora. Stichting Floron/ KNNV Zeist. Gmelig Meyling, A.W. & A. Boesveld (2008). Inhaalslag Verspreidingsonderzoek Mollusken van de Europese habitatrichtlijn. resultaten van het inventarisatiejaar 2007/ Platte schijfhoorn Anisus vorticulus. Stichting Anemoon, Bennebroek, 30 juni 2008. Limpens/ H.J.G.A. (1997), K. Mostert en W. Bongers: Atlas van de Nederlandse Vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Ministerie van EZ (2016). Soortbescherming bij ruimtelijke ingrepen, versie 1.3 december 2016. NDFF (2019). Quickscanhulp, registratie in samenwerking tussen Het Natuurloket, Gegevensautoriteit Natuur en Regelink, 2019. NDFF (2015). Online verspreidingsatlas amfibieën, i.s.m. onder meer RAVON, 20 november 2015, http://verspreidingsatlas.nl. PDN/2010-104 (Programmadirectie Natura 2000): Aanwijzing Natura 2000-gebied Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

25

REG 1979, Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake het behoud van de vogelstand (Vogelrichtlijn, EEG 79/409, laatstelijk gewijzigd in 2006). REG 1992/1997, Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van Europese Gemeenschappen inzake de instandhouding van de natuurlijke Habitats en de wilde flora en fauna (Habitatrichtlijn, EEG 92/43, laatstelijk gewijzigd in 1997). Sovon 2018. Vogelatlas van Nederland, redactie Fred Hustings & Kees Koffijberg. Kosmos uitgevers, Utrecht/Antwerpen.

Quick Scan natuurwetgeving - Hoekeindseweg 147 te Bergschenhoek

26

GEBRUIKTE TERMEN EN AFKORTINGEN aangewezen soorten Natura 2000 soorten planten en/of dieren welke in een ministerieel besluit ten aanzien van een Natura 2000-gebied zijn aangewezen als specifiek met betrekking tot dat gebied te beschermden; andere soorten (Wnb) eveneens beschermde soorten, niet behorend tot de soorten van Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn (Bijlage bij de Wet Natuurbescherming); externe werking Natura 2000 de geboden m.b.t. Natura 2000 zijn ook van kracht voor aangewezen faunasoorten buiten een als zodanig aangewezen gebied wanneer zij daar ook signifi­ cant gebruik maken voor functies zoals foerage, dagverblijf of hoogwatervluchtplaatsen (bijv. vogels) of voor overwintering (bijv.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=e5a55a12-1a51-4560-b8cc-20332d9cb0e6