[T24.00346] Toelichting bestemmingsplan Hoekeindseweg 147
Tekst van het document
Deze mogen tijdens het broeden niet worden verstoord: dat vergt in het broedseizoen regelmatig broedvogelcontroles en het ontzien van nesten tot ze zijn uitge broed. Amfibieën en reptielen Amfibieën Uit de databank blijkt dat binnen een straal van 1 kilometer van het werkgebied 4 beschermde soorten zijn geregistreerd. De registratie omvat uitsluitend 4 ‘andere soorten’ waarvan op 3 soor ten een provinciale vrijstelling van toepassing is, en 1 ontheffingsplichtige soort, de Alpenwater salamander. Uit veldonderzoek blijkt dat geen condities aanwezig zijn die een geschikte habitat met zich meebrengen voor de Alpenwatersalamander. Op de overige geregistreerde ‘andere soorten’ is een provinciale vrijstelling van toepassing (Bruine kikker, Gewone pad en Kleine watersalamander). Ook deze vergen voor hun leefomge ving onder meer de beschikbaarheid van geschikt open water en een zonnige situatie. Ze gebrui ken alle drie ook een deel van het jaar een landhabitat waarbij ze onder meer schuilplaatsen zoeken in takkenhopen of bestaande holletjes van andere dieren. Indien (vaste verblijfplaatsen van) deze vrijgestelde soorten worden bedreigd vergt dat toepassing van de wettelijke zorgplicht. Reptielen Het werkgebied vergt controle op habitatcondities welke geschikt zijn voor voortplanting en/of als leefgebied voor de Rugstreeppad en de Ringslang.
Rugstreeppad De aanwezige slootjes zijn, in ieder geval delen van het jaar, zodanig dicht begroeid dat deze ongeschikt zijn voor de voortplanting. Er zijn voorts géén significante omstandigheden aanwezig welke aanleiding zouden kunnen zijn om hier zomer- of winterverblijf van de soort te verwachten.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
22
Ringslang De kleine slootjes bieden géén jachtgebied voor Ringslang terwijl er ook voor deze soort géén significante omstandigheden aanwezig welke aanleiding zouden kunnen zijn om hier voortplan ting of winterverblijf te verwachten. Vissen Ontheffingsplichtige vissen kunnen op basis van verspreiding op voorhand worden uitgesloten. Ongewervelde soorten Beschermde ongewervelde soorten kunnen op voorhand worden uitgesloten op basis van ver spreiding met uitzondering van de platte schijfhoren. Voor deze soort geldt dat de gewenste ha bitat voor de soort, laagveengebieden met vooral grotere en kleinere plassen, sloten en vaarten met helder, schoon water en een rijke begroeiïng van waterplanten, dit slakje in de slootjes langs het werkgebied geheel kan worden uitgesloten. Uitsluiting overige ontheffingsplichtige soorten De aanwezigheid van overige ontheffingsplichtige soorten kan worden uitgesloten op basis van verpreidingsdata. Zorgplicht Met de werkzaamheden kunnen overal wellicht vrijgestelde kleine zoogdieren of amfibieën wor den aangetroffen. Hierop is de wettelijke zorgplicht van toepassing, evenals op fauna welke niet is beschermd. Deze dieren dienen te worden opgepakt en voorzichtig buiten de gevarenzone weer te worden weggezet. Ontheffingsplicht De voorgenomen werkzaamheden hebben géén consequenties voor zwaarder beschermde flora of fauna.
Er is dus geen enkele aanleiding voor de aanvraag van een ontheffing. Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het werkgebied valt in zijn geheel buiten het NNN en vormt evenmin onderdeel van bijzondere weidevogelgebieden. Daarmee is de regelgeving van NNN niet van toepassing. Natura 2000-gebieden: De werklocatie ligt op ruim 10 km afstand van Natura 2000-gebied ‘Broekvelden, Vetten-broek en Polder Stein’ (Reeuwijkse Plassen). In dit gebied zijn géén soorten aangewezen die van het onderhavige plangebied gebruik kunnen maken. Stikstof Het voorliggende bestemmingsplan maakt verschillende planologische wijzigingen en/of ontwik kelingen mogelijk. Met betrekking tot stikstofdepositie vinden op twee plekken in het plangebied wijzigingen plaats die leiden tot een toename of afname van stikstofdepositie. Caravanstalling op het achterste deel van het perceel Op het achterste gedeelte van het perceel wordt ca 2 ha. aan bestaande kassen omgezet in een (uitbreiding van de bestaande) caravanstalling. De gronden blijven bestemd voor glastuinbouw, maar krijgen de aanduiding ‘caravanstalling’. Feítelijk betekent dit dat er ook in de toekomst een glastuinbouwbedrijf kan worden gevestigd. Daarmee neemt de stikstofemissie in planologische zin niet af.
In de praktijk zal echter sprake zijn van een afname van stikstofemissie (en daarmee van depositie) indien het glastuinbouwcomplex plaatsmaakt voor de caravanstalling. Voor glastuinbouwbedrijven zijn emissiefactoren opgenomen in de factsheet ‘Ruimtelijke plannen - emissiefactoren’ (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, RIVM van juli 2018). De emissiefactor voor glastuinbouw bedraagt 1.004 kg NOx/jaar per hectare glastuinbouw. De oppervlakte van het glastuinbouwcomplex bedraagt 20.495 m2 waarmee in totaal sprake is van een emissie van 2058 kg NOx.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
23
Een caravanstalling heeft op zichzelf geen emissie van stikstof. Het verkeer van en naar de stal ling zal wel leiden tot emissies. Voor de verkeersaantrekkende werking van een caravanstalling zijn geen kencijfers beschikbaar. Als uitgangspunt voor de berekening worden de volgende zaken aangenomen: Per hectare worden maximaal 1.000 caravans gestald. Op een oppervlakte van 20.495 m2 zijn dat maximaal 2046 caravans. Iedere caravan wordt gemiddeld 2 tot 3 keer per jaar van stalling gehaald. Per keer rijd een auto 2x naar de stalling (halen en brengen), wat leidt tot 4 verkeersbewegingen per keer en worst-case 12 verkeersbewegingen per caravan per jaar. Tevens wordt uitgegaan van gemiddeld 2 werknemers per dag, wat neerkomt op maximaal 365 dagen x 4 verkeersbewegingen per dag. Gelet op de verkeersintensiteit op de N209 en de beperkte toename van verkeersbewegingen per dag, is het verkeer vanaf de aansluiting op de N209 verdund tot enkele procenten van het aanwezige verkeer en opgegaan in het heersende verkeersbeeld. De rijlijn wordt worst-case in gevoerd vanaf de achterzijde van het perceel. Bovendien wordt uitgegaan van een stagnatiefactor van 50% als gevolg van het langzaam rijden van de auto’s. De emissie van de (uitbreiding van de) caravanstalling bedraagt daarmee 9,7 kg NOx en 0,3 kg NH3 per jaar.
Op basis van bovenstaande gegevens kan worden gesteld dat de maximale invulling van de pla nologische mogelijkheden niet wijzigen en de stikstofemissie daarmee niet zal toe- of afnemen. In de praktijk zal de emissie wel fors dalen indien het glastuinbouwbedrijf plaatsmaakt voor de caravanstalling met aanzienlijk lagere emissies. Voorste deel perceel Het voorstel deel van het perceel is bestemd als ‘Agrarisch’ zonder verdere aanduiding. In de huidige situatie is geen sprake van een gewasperceel op basis van de Basisregistratie Gewas percelen. Wel is op luchtfoto’s te zien dat de percelen worden beweid met paarden. Ook is sprake van bedrijvigheid op dit gedeelte van het perceel. Het gaat voornamelijk om opslag. Omdat geen verdere gegevens bekend zijn wordt in het kader van stikstof niet uitgegaan van enige emissie. In de toekomstige situatie is ruimte voor 9.350 m2 aan bedrijven en nog eens 5.600 m2 via de opgenomen wijzigingsbevoegdheid. Er is slechts beperkte informatie beschikbaar over relevante emissiefactoren (voor NOx en NH3) voor bedrijfsmatige bronnen. Zeker als het om de onderverdeling naar bedrijf of milieucategorie gaat. Dat is niet geheel onverklaarbaar, daar geen enkel bedrijf dezelfde emissies heeft. Per be drijfssector is wel informatie beschikbaar in de databank van het CBS (statline.cbs.nl).
Om te komen tot voor het onderzoek enigszins bruikbare emissiekentallen per milieucategorie is uitge gaan van de totale emissie NOx in Nederland in een jaar minus de emissies van huishoudens. Vervolgens is een emissie-aandeel per milieucategorie bepaald. Bedrijven uit de milieucategorie 5-6 emitteren immers meer (lucht)verontreinigende stoffen dan bedrijven uit de categorie 1-2. Ook is bekend wat het totale oppervlakte aan bedrijventerreinen is in Nederland (CBS). Hiervan is bepaald welk percentage wordt ingenomen per milieucategorie. Door deze laatste gegevens te combineren met de emissie-aandelen per milieucategorie wordt aldus per stof en per milieucate gorie een emissiekental, uitgedrukt in kg per hectare per jaar verkregen. De volgende tabel geeft hiervan een overzicht. fVliliĉuċate^riĉ Cat. 1-2 Cat. 3 Cat. 4 Cat.S Cat.e
EmissİEkeľitâl bedrijveľitĉrrĖiľi [kg/ha/jaar] NO, 1 ds i 131 i 1.Ū31 1 1.S05 ļ 2.272
\
NHa Ū 5 21 90 111
Om de NOx-emissies te bepalen, is gebruik gemaakt van de standaardemissie voor categorie 1 2 bedrijven van 98 kg NOx per hectare per jaar.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
24
De emissie van de maximale oppervlakte van 14.950 m2 aan bedrijven van maximaal categorie 2 bedraagt 146,5 kg NOx per jaar. Voor deze toename is in Aerius berekent of er sprake is van depositie van stikstof in Natura 2000-gebieden. Uit de berekening blijkt dat het gebruik van de toekomstige bedrijven (inclusief de bedrijven die op basis van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt ) niet leidt tot een depositie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen daarmee op voorhand worden uitgesloten. Aanlegfase Naast een berekening voor de toekomstige gebruiksfase is een berekening gemaakt voor de aanlegfase van de nieuwe bedrijfsbebouwing. Daarbij is uitgegaan van de volgende mobiele werktuigen en verkeersbewegingen:
Bouwen
Draaiuren
(14.950 m2 b.v.o.) Mobiele kraan
Verbruik
Verbruik
AdBleu
L/uur
Liters
Liters
360
12,5
Trekker met dumper
144
12,5
1800
107
Graafmachine
240
25
6000
358
Betonmixer met pomp
120
18,75
2250
134
Heistelling
180
25
4500
269
Wacker/trilplaat
240
1,25
300
0
licht
middel
zwaar 1
18
6
3
1 Verkeersbewegingen Per hectare uitgeefbare grond
4500
269
Uitgangspunt is dat de bebouwing binnen 1 jaar gerealiseerd wordt (of kan worden). Daarmee is de berekening worst-case. Uit de berekening blijkt dat ook de aanleg van de toekomstige bedrijven (inclusief de bedrijven die op basis van de wijzigingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt) niet zal leiden tot een de positie van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen daarmee op voorhand worden uitgesloten.
4.3
Conclusie Uit onderzoek is gebleken dat op het gebied van soortenbescherming geen verbodsbepalingen worden overtreden. Met inachtneming van de wettelijke zorgplicht ten aanzien van alle flora en fauna, zijn binnen de geldigheidstermijn van het onderzoek geen directe belemmeringen van toe passing. Het plan heeft geen negatieve effecten op NNN-gebieden en ook negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden kunnen op voorhand worden uitgeslo ten.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
25
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1. Europees en Rijksbeleid
Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infra structuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organi saties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plan nen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Zo wordt al in de geest van de Omgevingswet gewerkt. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren. Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drink watervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bo dem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor imple mentatie van toekomstige Europese richtlijnen.
De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Zo geldt de eis om hemelwater af te koppelen zodat er enkel vuilwater in het riool komt. Het hemelwater gaat komt in het hemelwaterriool of via een zuiverende voorziening in het oppervlak tewater terecht. Voor hemelwater geldt dat het idealiter wordt hergebruikt dan afgevoerd.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
26
Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruim telijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkun dige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoud kundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opge nomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Kaderrichtlijn Water (KRW) is opgesteld om de waterkwaliteit in Europa te verbeteren.
De richtlijn is sinds 2000 van kracht. In de richtlijn staan afspraken die ervoor moeten zorgen dat uiterlijk in 2027 het water in alle Europese landen voldoende schoon en gezond is. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toe komstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2. Provinciaal beleid
Regionaal Waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 Provinciale Staten hebben het regionaal waterprogramma Zuid-Holland 2022-2027 vastgesteld. In dit programma beschrijft de provincie Zuid-Holland haar waterbeleid. Hierin staat hoe de pro vincie samen met haar partners werken aan een regionaal watersysteem dat bijdraagt aan een gezond, veilig, aantrekkelijk, concurrerend en bereikbaar Zuid-Holland. Er zijn diverse Europese richtlijnen rondom water, zoals de Kaderrichtlijn Water, de Grondwaterrichtlijn, de Richtlijn Overstromingsrisico's en de Zwemwaterrichtlijn. In de Waterwet is bepaald wat de provincie moet doen om uitvoering te geven aan deze richtlijnen. Dit staat dus in het regi onaal waterprogramma van de provincie. De provincie Zuid-Holland gaat in het regionaal waterprogramma - naast deze verplichte onder werpen - ook in op onderwerpen zoals zoetwatervoorziening, waterrecreatie, vaarwegen en wa teroverlast. Op deze manier komt al provinciaal beleid dat te maken heeft met water samen in 1 document. Dit geeft een helder beeld van de aanpak van de provincie en laat de samenhang tussen de verschillende onderwerpen duidelijk zien. Provinciale Staten waren onder de indruk hiervan en hebben het regionaal waterprogramma unaniem vastgesteld.
Bij de uitwerking van het regionaal waterprogramma is intensief samengewerkt met een groot aantal belanghebbende partijen, waaronder de 7 Zuid-Hollandse waterschappen, drinkwaterbe drijven, omgevingsdiensten en gemeenten. Daarnaast hebben 23 partijen een zienswijze inge diend op het ontwerp-regionaal waterprogramma. Het regionaal waterprogramma wordt iedere 6 jaar geactualiseerd en als het nodig is vaker.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
27
Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland Convenant Klimaatadaptief Bouwen Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland heeft een bouwopgave van 100.000 nieuwe woningen tot 2025. Deze grote bouwopgave biedt de kans om deze woningen klimaatbestendig te ontwikkelen en hiermee schade of duurdere herstelmaatregelen in de toekomst te voorkomen. De provincie heeft daarom in 2018 procesafspraken gemaakt met overheden, organisaties en marktpartijen in het Convenant Klimaatadaptief Bouwen. Het doel van het convenant is het verminderen van wateroverlast, hittestress, droogte en bodemdaling en het vergroten van de biodiversiteit. Bestuurlijke afspraken en een minimale programma van eisen (PvE) zijn vastgelegd in het Convenant Klimaatadaptief bouwen - Provincie Zuid- Holland. Hoog heemraadschap van Schieland en Krimpenerwaard en Hoogheemraadschap van Delfland zijn medeondertekenaar en spant zich daarom ook in het convenant te effectueren. De procesafspraken uit het convenant zijn vervolgens vertaald in een ‘Minimaal Programma van Eisen’, dat op 13 september 2019 aan de Deltacommissaris is overhandigd. Dit programma dient als voorlopige maatregel, totdat een instrumentarium ontwikkeld is waarmee de klimaatbestendigheid van nieuwbouwprojecten kan worden beoordeeld.
Het programma biedt praktische en concrete eisen die partijen in Zuid-Holland kunnen gebruiken om op korte termijn nieuwbouwplannen klimaatbestendig te ontwikkelen. Het is bedoeld om vooraf ruimtelijke plannen en ont werpen aan te toetsen. De eisen zijn ingedeeld in zes thema’s: ^ Wateroverlast; • Droogte; • Hitte; • Bodemdaling; • Biodiversiteit; ^ Overstromingen. Hierbij is eveneens een Leidraad klimaatadaptief bouwen opgesteld. Dit dient als hulpmiddel ter ondersteuning bij het concretiseren van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de zes klimaatthema’s. 5.1.3. Waterschapsbeleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard Waterbeheerprogramma 2022-2027 Het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft op 26 januari 2022 het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. In dit programma be schrijft het hoogheemraadschap zijn visie en ambities voor het waterbeheer. Naast de wettelijke taken heeft het hoogheemraadschap voor de periode 2022-2027 ook specifieke ambities en doe len. Deze worden in aan de hand van de volgende drie thema’s uiteengezet: 1.
2.
3.
Een veilige en aantrekkelijke leef- en werkomgeving voorbereid op de verandering van het klimaat. Door de omgeving aan te passen aan het veranderende klimaat blijft het mogelijk om de taken in de toekomst goed uit te voeren. Het vasthouden van regenwater kan helpen verdroging te bestrijden, de waterkwaliteit te verbeteren en wateroverlast te voorkomen. Waar nodig zullen ook dijken versterkt moeten worden. Een duurzaam waterschap voor de wereld van morgen. Het hoogheemraadschap wil de eigen bijdrage aan klimaatverandering verkleinen en het hergebruik van grondstoffen ver groten. In samenwerking met andere partijen wil het hoogheemraadschap ook een bij drage leveren aan de verbetering van de waterkwaliteit en de vergroting van de biodiver siteit. Water en waterschap als onderdeel van de samenleving. Het hoogheemraadschap staat in dienst van de gebruikers en wil vanuit die verbondenheid samen aan de wateruitdagingen werken. Tevens wil zij graag het waterbewustzijn vergroten en het versterken van participatie. Digitalisering en innovatie speelt daarbij een steeds belangrijkere rol.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
28
Keur en beleidsregels Op grond van de Waterwet is het hoogheemraadschap bevoegd via een eigen verordening (de Keur) regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan han delingen in, nabij of met betrekking tot: waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden); watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken); andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen); de bodem van kwelgevoelige gebieden; onttrekken en lozen van grondwater; aanbrengen van verhard oppervlak. De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Zo moet bijvoorbeeld voor het bouwen op een wa terkering een watervergunning worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap (naast de omgevingsvergunning bij de gemeente). Ook is een watervergunning benodigd voor het aanbrengen van verharde oppervlakten met een oppervlakte van meer dan 500 m^ (waarvan de neerslag geheel of gedeeltelijk, direct of indirect, wordt gebracht op het oppervlaktewaterlichaam). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Beleid waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen Op 27 juni 2012 heeft het algemeen bestuur van het hoogheemraadschap het Beleid waterber ging bij ruimtelijke ontwikkelingen 2012 vastgesteld.
Dit beleid heeft tot doel om ongewenste ef fecten van verhardingstoename op het watersysteem te voorkomen. Een belangrijk ongewenst effect van verhardingstoenamen is de versnelde afvoer van neerslag. Voor verschillende ruimte lijke ontwikkelingen zijn voorwaarden beschreven om de te verwachten effecten op het watersys teem te compenseren. Er wordt onderscheid gemaakt in drie typen plannen: - Kleine plannen: Plannen met een verhardingstoename tot 500 m^ - Middelgrote plannen: Plannen met een verhardingstoename groter dan 500 m^ en kleiner dan 10 hectare bruto planoppervlak - Grote plannen: Een plan groter dan 10 hectare bruto planoppervlak Voor kleine ruimtelijke ontwikkelingen verhardingstoename is geen compensatie noodzakelijk. Kleine plannen hebben een gering effect op de waterhuishouding. Daarnaast bestaat er een ze kere onzekerheid in berekening door de invoergegevens, berekeningsmethode en gevolgen van de klimaatsverandering. Door rekening te houden met de onzekerheid en om onevenredige be lasting van de organisatie door dergelijke plannen te voorkomen, wordt compensatie voor een geringe verhardingstoename kwijtgescholden. Deze kwijtschelding, namelijk de aftrek van 500 m2 verhardingstoename, geldt in verband met gelijkheid voor alle ruimtelijke ontwikkelingen bin nen het beheergebied van HHSK.
Voor middelgrote plannen past HHSK een gestandaardiseerde berekeningsmethode toe op basis van de normen voor waterkwantiteit. De gestandaardiseerde berekeningsmethode levert een compensatie-eis op uitgedrukt in kubieke meter (m3), een te realiseren wateroppervlak (m2) of als percentage van de verhardingstoename (%). Als gevolg van de omgevingsfactoren (mogelijke waterpeilstijging, bodemtype, bestaande gebiedsfuncties, etc.) en de planeigenschappen (ver hardingstoename) verschilt de compensatie-eis van (peil)gebied tot (peil)gebied. Bij grote plannen wordt maatwerk toegepast. Daarbij worden de waterhuishouding en de verschil lende aspecten van het watersysteem in het gebied apart beschouwd. 5.1.4 Gemeentelijk beleid
Strategische Samenwerkingsagenda Water In juli 2021 is de Strategische Samenwerkingsagenda Water vastgesteld door College van de gemeente Lansingerland, het Hoogheemraadschap van Delfland en het Hoogheemraadschap
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
29
Schieland en de Krimpenerwaard. De Strategische Samenwerkingsagenda Water vervangt het Waterplan uit 2010. Naast de reguliere taken in het waterbeheer zoals waterkwaliteit, kwantiteit en veiligheid, worden nu ook de nieuwe thema’s zoals klimaatadaptatie, woningbouwopgave, duurzaamheid en de omgevingswet opgepakt. De samenwerking moet leiden tot een robuust, klimaatbestendig watersysteem en een hogere kwaliteit van de fysieke leefomgeving in Lansingerland. Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 De gemeente is verantwoordelijk voor de inzameling en het transport van afval- en hemelwater en heeft ook een zorgplicht voor het grondwater. Met dit Gemeentelijk Rioleringsplan 2021-2025 legt de gemeente het rioleringsbeleid van Lansingerland voor de komende planperiode vast. Daarnaast wordt een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Het areaal is in de afgelopen periode sterk toegenomen met de nieuwbouwlocatie Westpolder. Dit zal met de ontwikkeling van de nieuwbouwlocatie Wilderszijde verder uitbreiden. Het GRP geeft de visie en strategie van de gemeente weer voor de invulling van het rioolbeheer in de gemeente. Daarbij is ook gekeken naar de kosten die uitvoering van activiteiten met zich mee brengt en naar het effect hiervan op de rioolheffing. Het GRP is een beleidsplan dat op hoofdlijnen de invulling van de gemeentelijke watertaken weergeeft.
Door middel van het GRP leggen we vast wat wij willen bereiken ten aanzien van stedelijk afval-, hemel-, en grondwater en wat de rol van burgers en bedrijven hierin is. Het GRP vervult hiermee vier hoofdfuncties: ^ Kader gemeentelijke zorgplichten; ^ Interne afstemming; ^ Externe afstemming; ^ Continuïteit en voortgangsbewaking. 5.2
Onderzoek Bestaande situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied in gebieden met grondwatertrap Vb en IV. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand fluctueert tussen 0,25 m en dieper dan 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tus sen 0,8 en dieper dan 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte in het plangebied is redelijk constant en ligt rond ongeveer - 4.8 m NAP. Waterkwantiteit Het plangebied grenst aan overige watergangen. De watergangen hebben waterpeilen die afwij ken van het reguliere waterpeil in de polder.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
30
Afbeelding 5.1: uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap met daarop het oppervlaktewater (het plangebied is rood omkaderd).
Waterkwaliteit In het plangebied zelf zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied ligt het KRW-waterlichaam ‘Vaart Bleiswijk’. Deze heeft echter geen effect op het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt voor een heel klein deel in de beschermingszone van een regionale waterke ring. Het plangebied is gelegen in een gebied met een kleine overstromingskans. Referentie 9
Hectometerpaal
©
Virtuele hectometrering
Kruinlijnen
Grens bebouwíngsvrije zone
Dijkvakken
Kernzone
b Beschermingszone
b
Afbeelding 5.2: uitsnede van de Legger van het Hoogheemraadschap met daarop de regionale waterkeringen (het plan gebied is rood omkaderd).
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
31
Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het ge bruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende ma terialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het plangebied kent in de vigerende situatie de bestemming ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Binnen deze bestemming is volledige verharding van het gebied mogelijk. De toekomstige ontwikkelingen zorgen in die zin niet voor een toename van het, planologisch toegestane, verhard oppervlak. Uit paragraaf 2.2.2. is gebleken dat in het plan veel ruimte voor een groene inpassing is gereser veerd.
Het hoogheemraadschap heeft aangegeven dat voorzien dient te worden in de aanleg van 14,2% van de toename van de oppervlakte van de bedrijfsbestemming. Dit dient integraal meegenomen te worden in de beoogde ontwikkeling en aan te sluiten op de bestaande waterstructuren. De realisatie van deze waterberging is geborgd middels een voorwaardelijke verplichting. Van belang is dat de aanvullende waterberging in de vorm van open water wordt aangelegd en dus geen alternatieve vorm van waterberging. In eerdere overleggen is hiervoor een voorstel gedaan door het hoogheemraadschap aan de adviseur van de eigenaar van het perceel. Veiligheid Het plangebied ligt net binnen de beschermingszone van een regionale waterkering. Op deze gronden zijn geen ontwikkelingen voorzien. In het vigerende bestemmingsplan is geen dubbelbestemming ten behoeve van de beschermingszone opgenomen. In dit bestemmingsplan is deze dubbelbestemming daarom ook niet opgenomen. De beschermingszone belemmert de voorge nomen ontwikkeling niet. Het plangebied is gelegen in een gebied met een klein overstromingsrisico. Dit risico wordt niet vergroot door de voorgenomen ontwikkelingen. Riolering en hemelwater Het plangebied voorziet in een gemeentelijk gescheiden rioleringssysteem (droogweerafvoer (DWA)- en hemelwaterafvoer (HWA)-stelsel). Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk (DWA) riool.
Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater.Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimali seerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt af gekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde be schoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedek king, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
32
(bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de ge meente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke rio lering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het beheer van de sloten valt onder de keur van het hoogheemraadschap en zal daaraan dienen te voldoen. Klimaatadaptatie In de afgelopen jaren is steeds meer aandacht gekomen voor klimaatverandering. Naast de over heid kunnen ook particuliere initiatieven bijdragen aan het klimaatbestendiger inrichten van het terrein door creatieve, simpele en efficiënte oplossingen om water of watervasthoudende maat regelen toe te passen. Hierbij valt te denken aan open verharding ter plekke van parkeerplaatsen of watervasthoudende maatregelen zoals de aanleg van wadi’s, groene daken en het afkoppelen van hemelwaterafvoer (regenton). Voor hemelwater geldt de trits: vasthouden, bergen en dan pas afvoeren.
De voorgenomen ontwikkeling is besproken in overleg met het Hoogheemraadschap Schieland Krimpenerwaard. Het waterschap heeft aangegeven dat het hemelwater moet worden vastge houden op het perceel. Hierbij geldt de eis dat hemelwater wordt afgekoppeld aan het riool zodat er enkel vuil water in het riool komt. Het hemelwater komt in het hemelwaterriool of via een zui verende voorziening in het oppervlaktewater terecht. Idealiter wordt het hemelwater hergebruikt in plaats van afgevoerd. Toekomstbestendig watersysteem De waterhuishouding is in het plan uitgewerkt tot duurzaam toekomstgericht watersysteem, dat is opgebouwd uit drie onderdelen: 1. Grindkoffers langs alle wegen voor het wegzijgen van water langs de wegen 2. Wadi’s in de dwarsverbindingen. De wadi’s zorgen door hun royale breedte (ruim 2,0 m) en diepte voor waterberging en wegzijgen van water naar het grondwater. De wadi’s kunnen via een greppel zo nodig overlopen in de lange kavelsloten aan weerszijden van het plangebied. 3. Natuurvriendelijke oevers langs de lange kavelsloten aan weerszijden van het perceel. Deze natuurvriendelijke oevers zijn zo ontworpen dat ze met een drempel van de sloot gescheiden zijn. De rietkragen voorzien hierdoor in waterberging, in vertraging van de waterafvoeren en reiniging door de wegzijging van water door wortelzone van het riet naar de sloot.
In afbeelding 5.3 is een principe van de waterhuishouding op het perceel weergegeven.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147" Toelichting Vastgesteld, december 2023
33
Werking waTQrhLiehaüdIng «n ecologie (nier op scheal
Afbeelding 5.3: principe werking waterhuishouding en ecologie (bron: notitie welstandscriteria Hoekeindseweg 147, op genomen als bijlage bij de regels).
5.3
Conclusie Door het hoogheemraadschap is een eis gesteld ten behoeve van watercompensatie. Deze waterberging is middels een voorwaardelijke verplichting in de regels geborgd.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
34
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verant woordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, wor den overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2024 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2024 Het gaat daarbij om de volgende zaken: ^ Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten ^ Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie ^ Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten arche ologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten ge formuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uit gangspunt van beleid.
Gemeentelijk archeologiebeleid Op 7 maart 2017 is de geactualiseerde Beleidsnota Archeologie Lansingerland in werking getre den. De gemeente beschikt al sinds maart 2013 over eigen archeologisch beleid. Daarmee heeft de gemeente Lansingerland invulling gegeven aan haar archeologische taak en de daarbij ho rende verantwoordelijkheden. Op basis van de actuele beleidsnota en bijbehorende beleidskaart kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.
6.1.2. Onderzoek Op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid d.d. maart 2017 geldt dat het plangebied niet gelegen is op gronden waarop een archeologische verwachtingswaarde rust, zie afbeelding 6.1. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is dan ook niet aan de orde. Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het gebied niet behoort tot een terrein waar sprake is van Rijksbescherming of provinciaal belang. Daarnaast is het gebied ook niet gelegen op gronden waar een redelijke tot hoge trefkans op archeologische waarden geldt.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
35
Legenda Archeologische beleidskaart gemeente Lansmgerland 2016
Zone I: vnjstelling > 0 m2 « 0,3 m -Mv Zone II: vrijstelling > 50 m2 ãi 0,3 m -Mv Zone II: vrijstelling > 100 m2 8i 0,3 m -Mv Zone IV vrijstelling > 500 m2 a 0,3 m -Mv Zone V: vrijstelling > 500 m2 « 1,0 m -Mv Zone VI: vrijstelling 1000 m2 « 2,5 m -Mv Lansingerland ^
J Onderzoeksgebieden
Afbeelding 6.1: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Lansingerland (versie maart 2017)
6.1.3. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
6.2.
Cultuurhistorie
6.2.1 Kader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. De CHS dient als informatiebron voor beleid op het gebied van erfgoed en ruimtelijke ontwikkeling, van zowel de provincie als de gemeenten. Daarmee wil de provincie stimuleren dat cultuurhistorie behouden of ingepast wordt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Deze cultuurhistorische kaart van Zuid-Holland, in de vorm van een digitale atlas, geeft een over zicht van cultuurhistorische kenmerken en waarden in de provincie. Het is een overzicht op hoofd lijnen, bijvoorbeeld van waardevolle verkavelingspatronen of cultuurlandschappen, historische verdedigingslinies, gebieden met een archeologische verwachtingswaarde of monumentale boerderijlinten. Dit is het schaalniveau waarop de provincie beleid voert. De CHS kent drie verschil lende thema's: archeologie, historische stedenbouw en historisch landschap.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
36
Gebiedsprofielen De voormalige Regioprofielen Cultuurhistorie zijn opgegaan in de gebiedsprofielen, die een regi onale doorvertaling zijn van de kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland. De gebiedsprofielen beschrijven en visualiseren kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn, en bevatten in die hoedanigheid ook cultuurhistorische elementen. Als onderdeel van het omgevingsbeleid van de provincie is dit reeds in paragraaf 3.2 besproken. Voorliggend plange bied maakt geen deel uit van een specifiek gebiedsprofiel. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de ge meente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbe leid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. Waar mogelijk moeten de uitgangspunten uit de Nota worden vertaald in een juridische regeling in het bestem mingsplan. 6.2.2 Onderzoek en conclusie Omgevingsvisie Zuid-Holland In de omgevingsvisie Zuid-Holland worden geen concrete uitspraken gedaan die specifiek voor het plangebied van belang zijn. De cultuurhistorische kaart (CHS) van de provincie Zuid-Holland laat zien dat cultuur en erfgoed geen belemmering vormen voor het plangebied.
Gebiedsprofielen cultuurhistorie Uit afbeelding 6.2 blijkt dat er binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische elemen ten aanwezig zijn. De Hoekeindseweg is aangeduid als Landschap lijn met een hoge waarde. Deze lijn is echter gelegen buiten het plangebied. De ontwikkelingen die voorzien zijn doen geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarde. Op het gebied van cultuurhistorie worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147” Toelichting Vastgesteld, december 2023
37
Afbeelding 6.2: uitsnede van de provinciale culturele verwachtingskaart (het plangebied is rood omkaderd).
Nota Cultuurhistorie Plus In de gebiedenkaart behorende bij de Nota Cultuurhistorie Plus is het plangebied aangemerkt als transformatiegebied in het gebiedstype ‘Woon- en werklinten in het glastuinbouwgebied’. De ken merkende ruimtelijke structuur van de droogmakerijen is bij de ontwikkeling van de glastuinbouw voor een deel zichtbaar gebleven. Dit is vooral terug te zien in de waterstructuur en in mindere mate in de verkavelingsstructuur. De verkavelingsrichting, haaks op de historische linten, is be houden gebleven maar de verkavelingsopzet is flink vergroot. Door sommige tuinders is inge speeld op de ligging ten opzichte van de linten. Ze presenteren hun bedrijven op een hoogwaar dige manier richting de weg. Kenmerkend voor dit gebied is dat de glastuinbouw vaak gecombi neerd wordt met wonen. In het bestemmingsplan dienen cultuurhistorisch waardevolle objecten en landschapselementen te worden aangeduid en beschermd. Het welstandsbeleid is in deze gebieden vrij. Voor monu menten of waardevolle bouwwerken geldt echter een bijzonder welstandsniveau. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten op de huidige structuur en de beeldbepa lende kenmerken van het gebied. Middels het bestemmingsplan worden deze kenmerken ge borgd. Het plangebied kent geen waardevolle structuren en objecten. In het bestemmingsplan dienen dan ook geen waarden beschermd te worden.
Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
38
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichte lijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uit gangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De herstructurering van het bedrijfsperceel kan aangemerkt worden als een stedelijk ontwikke lingsproject zoals voorkomend in de eerste kolom van de D-lijst horende bij het besluit mer (ca tegorie 11.3). Hoewel de drempelwaarde (kolom 2) niet wordt overschreden, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden opgesteld waarover een apart besluit genomen moet worden. In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn in voorgaande hoofdstukken en verderop in dit hoofdstuk diverse (milieu)aspecten zorgvuldig afgewogen. Per aspect is bepaald of de ontwikkeling gevolgen heeft voor de (milieu)aspecten bedrijven- en milieuzonering, geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid, bodemgeschiktheid, flora en fauna, water, archeologie, cultuurhistorie, verkeer en parkeren. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling aan de orde is.
Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht. Een nadere beoordeling in een m.e.r-beoordeling of plan-m.e.r. is niet noodzakelijk. Het college van burgemeester en wethouders heeft tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan een formeel m.e.r.-beoordelingsbesluit genomen. Dit besluit is als bijlage 4 bij de toelichting gevoegd.
7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodem verontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gereali seerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
39
verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet. 7.3.2 Onderzoek Dit plan voorziet deels in het legaliseren van het bestaande gebruik. Het feitelijk gebruik op deze gronden zal niet veranderen. Dit bestemmingsplan maakt op deze gronden dan ook geen gevoe ligere functie(s) mogelijk. Bodemonderzoek is om deze reden voor deze gebieden niet noodza kelijk. Het bestemmingsplan voorziet daarnaast in de mogelijkheid om extra bedrijvigheid te realiseren. De huidige bestemming van de locaties van de nieuwe bedrijvigheid, is ‘Agrarisch - Glastuin bouw’. Het bestemmingsplan voorziet niet in de realisatie van gevoelige functies binnen dit plan en ook niet binnen de wijzigingsbevoegdheid. Ook voor deze gronden is bodemonderzoek daarom niet noodzakelijk. 7.3.3 Conclusie Vanuit het aspect bodem bestaan geen belemmeringen voor de voorgenomen (her)ontwikkelingsplannen. 7.4.
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. 7.4.2 Onderzoek en conclusie Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe geluidsgevoelige objecten mogelijk. In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen nieuwe (openbare) weginfrastruc tuur aangelegd, en wordt de bestaande weginfrastructuur niet gewijzigd. Onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwa liteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgeno men die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
40
Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 pg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 pg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 pg/m3. Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 pg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast.
7.5.2 Onderzoek Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 pg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Voorgenomen ontwikkeling voorziet, voor fase één, niet in een verkeerstoename. De eerste fase is daarom aan te merken als ‘Niet in betekenende mate’ bijdragend aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uitgebreid luchtkwaliteitsonderzoek is niet benodigd. Voor fase twee dient in het ka der van de wijzigingsbevoegdheid een nadere onderbouwing opgenomen te worden.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147” Toelichting Vastgesteld, december 2023
41
Id CP.87945 CP.87947 CP.87955 CP.88078 CP.87950 CP.88077 CP.88076 CP.88075 CP.84060 CP.89707
Jaar 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023 2023
NO2 ^g/mS
PM10 pg/mB 22,8 22,7 22,6 22,6 22,5 22,4 22,4 22,0 21,2 20,9
PM2.5 pg/mB 15,9 15,9 15,9 15,9 15,9 15,9 15,9 15,8 15,8 15,7
PM10 overschrijdingsdagen 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3 8,3
6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0 6,0
Afbeelding 7.1: overzicht concentraties NO2, PM1o en PM2.5, peiljaar 2023 (NSL-monitoringstool)
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarnaast de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Warmoeziersweg, Oosteindseweg en de Hoekeindseweg weergegeven voor het peiljaar 2023. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn. Uit afbeelding 7.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 29,1 pg/m3, 18,9 pg/m3 en 11,5 pg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 pg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 pg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen over schrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Gezien de omvang van de ontwikkelmogelijkheden in fase twee en de achtergrondconcentraties kan gesteld worden dat ook na volledige ontwikkeling geen problemen ontstaan op het gebied van de luchtkwaliteit. In het wijzigingsplan dient dit volledig gemotiveerd te worden.
7.5.3 Conclusie De ontwikkelingen in dit plan zijn op basis van de NIBM-tool aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
42
luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestem mingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaar gemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook in zowel fase één en twee niet te verwachten. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik wor den gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrij ven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2 Onderzoek en conclusie In het vigerende bestemmingsplan zijn de gronden aangeduid als ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Binnen deze bestemming zijn volwaardige glastuinbouwbedrijven voor alle typen glastuinbouw teelt toegestaan. Uit de VNG-brochure blijkt dat dergelijke inrichtingen minimaal behoren tot milieucategorie 2. Dit bestemmingsplan voorziet onder andere in de toevoeging van de bestemmingen ‘Agrarisch’ en ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemmingen zijn ook categorie 2 inrichtingen toegestaan. Welke be drijfsactiviteiten dit zijn, is vastgelegd in de staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage 2 bij de regels van dit bestemmingsplan is opgenomen. Ten opzichte van de vigerende situatie worden hiermee geen zwaardere inrichtingen mogelijk gemaakt.
Om deze reden worden geen problemen verwacht met eventuele omliggende gevoelige functies. Ten behoeve van de omzetting van de woningen aan de Hoekeindseweg 143 en 145 van be drijfswoning naar plattelandswoning is bij de DCMR om advies gevraagd. Dit advies is opgeno men als bijlage 2 bij de toelichting. Door de DCMR is beoordeeld of de omzetting van de bedrijfswoningen naar plattelandswoningen consequenties heeft voor de bedrijfsvoering van het bedrijf De Jong Diepvries BV aan de Hoekeindseweg 141 en of voor de woningen spraken is van een aanvaardbaar woon- en leefkli maat. Geconcludeerd wordt dat de bedrijfsvoering van het bedrijf De Jong Diepvries BV aan de Hoekeindseweg 141 niet wordt beperkt door de omzetting van de bedrijfswoningen aan de Hoekeindseweg 143 en 145 naar plattelandswoningen. De op 17 april 2002 vastgestelde nadere eisen (maatwerkvoorschriften) voor geluid zijn van toepassing op woningen van derden, ongeacht of dit bedrijfswoningen van derden of plattelandswoningen betreffen. De woningen aan de Hoekeindseweg 143 en 145 liggen op circa 10 meter van het overigens niet bebouwde gedeelte van het bestemde glastuinbouwbedrijf. Ten opzichte van het glastuinbouw bedrijf is hierdoor sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Wel moet worden opge merkt dat het direct aangrenzende bedrijfsterrein van De Jong Diepvries BV het woon- en leefkli maat nadelig beïnvloedt. In beginsel is een richtafstand van 10 meter tussen een plattelandswo ning en een agrarische bedrijf aanvaardbaar. Hieraan wordt voldaan, waardoor ten opzichte van het agrarische bedrijf sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect bedrijven en milieuzonering leidt niet tot belemmeringen voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
43
7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. 7.7.2 Onderzoek Uit de EV-signaleringskaart blijkt dat een deel van de aandachtszone van de nabijgelegen buisleiding over het plangebied is gelegen, zie afbeelding 7.2. Het betreft het deel dat het dichtst bij de Hoekeindseweg ligt. In dit gebied is niet voorzien in het toevoegen van het aantal aanwezigen. Mobiele bronnen 4 Spoor Weg Gem. W^sngerTonŗj
Z Water Buisleiding Aandachtszones stationair Aandachtszones basisnetroutes Aandachtszones buisleidmgen
Afbeelding 7.2: EV-signaleringskaart (het plangebied is rood omkaderd).
7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. 7.8
Overige belemmeringen Inleidend Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoor beeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke.
Bestemmingsplan “Hoekeindseweg 147' Toelichting Vastgesteld, december 2023
44
Luchthaven Rotterdam The Hague Airport Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland Ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging van luchthaven “Rotterdam The Hague Airport”. zijn technische installaties en systemen op en in de omgeving van het luchtvaartterrein aanwezig. Deze zogenaamde Communicatie, Navigatie en Surveillance (CNS)-infrastructuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Obstakels, zo wel vast (gebouwen, windmolens, et cetera) als mobiel (bouwkranen, heistellingen, et cetera) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitge zonden radiosignalen kunnen verstoren. Verstoring van de apparatuur maakt de CNS apparatuur minder betrouwbaar of zelfs geheel on bruikbaar waardoor direct de veiligheid van het luchtverkeer wordt beïnvloed. Het is daarom in het belang van de veiligheid van de luchtvaart alles in het werk te stellen om de diverse systemen tegen verstorende obstakels te beschermen. Aan de hand van de internationale burgerluchtvaartcriteria dient beoordeeld te worden of de voorgenomen bouwplannen en werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van CNS-hulpmiddelen. Binnen het plangebied bevindt zich één toetsingsvlak van de CNS-apparatuur (afbeelding 7.2), namelijk die van 60 meter ten opzichte van NAP tot en met 65,12 meter ten opzichte van NAP.