[T23.00497] Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module wonen, werken, en werelderfgoed
Tekst van het document
Een bestemmingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. 3. Een bestemmingsplan voor Neder-Germaanse Limes verwachtingszone, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. 4. De regels, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. 5. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren. . 61
Artikel 6.27 komt te luiden: Artikel 6.27 Archeologische waarden 1. Een bestemmingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2. De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of b. het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. 3. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’, toelaten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen, prevaleren. Toegevoegd wordt een bijlage, luidende: BIJLAGE XII KERNKWALITEITEN WERELDERFGOEDEREN Als bedoeld in artikel 6.26a Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies De Nieuwe Hollandse Waterlinie is onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en strekt zich uit over de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. Het is een oude verdedigingslinie, zodanig ontworpen en aangelegd dat water gebruikt kon worden als afweermiddel bij vijandelijke invallen.
Vanaf 1815 werd deze verdedigingslinie ingericht met de stad Utrecht als centraal punt. De 85 kilometer lange Nieuwe Hollandse Waterlinie strekte zich uit van de voormalige Zuiderzee (IJsselmeer) bij Muiden, via de Vecht en de belangrijke garnizoenstad Utrecht, naar Vreeswijk en vandaar naar de Diefdijk, via Asperen naar Gorinchem en de Biesbosch. Deze verdedigingslinie functioneerde van 1815 tot 1963 en bestaat uit de volgende samenhangende onderdelen en kernkwaliteiten : inundatiegebieden en verdedigingswerken (forten, batterijen, lunetten, kazematten en groepsschuilplaatsen) in samenhang met hun omgeving, voormalige schootsvelden en verboden kringen rondom de forten, diverse waterwerken (zoals sluizen en dijken, in het bijzonder de Diefdijk) en overige elementen als beschutte wegen, loopgraven en tankgrachten. Slechts een klein deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ligt binnen Zuid-Holland, te weten : de historische vestingstructuur van de vesting Gorinchem, enkele liniedijken zoals de Dalemsedijk, de Merwededijk, de Waaldijk en de Zuidlingedijk met aan die liniedijken een aantal kleinere verdedigingswerken waaronder de Dalemse sluis. De overige delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie liggen buiten de provincie Zuid-Holland. De Zuid-Hollandse delen die behoren tot de Oude Hollandse Waterlinie hebben geen UNESCO Werelderfgoed status.
62
Richtsnoer voor nieuwe activiteiten: behouden en versterken van de kwaliteiten van de Hollandse Waterlinies met aandacht -
voor de samenhang van alle onderdelen van dit ensemble; bewaren van het open zicht van de polders grenzend aan de liniedijken; herkenbaar houden van het profiel van de liniedijken als historische dijk.
Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes Neder-Germaanse Limes is de locatie bekend als de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee naar Remagen in Duitsland loopt. In Nederland betreft dit het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. In Duitsland loopt de vroegere Romeinse rijksgrens door de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts. Kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn: a. de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk; en b. archeologische overblijfselen uit de periode 20 voor tot 450 na Christus langs, en samenhangend met, de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit: 1°. militaire versterkingen (legioensvestigingen, forten, wachttorens, tijdelijke kampen), burgerlijke nederzettingen, tempel en grafvelden; 2°. overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, bruggen, havens, oeverwerken, kanaal, aquaduct, pannenbakkerij ; 3°. verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen. Richtsnoer voor nieuwe activiteiten: ontwikkelingen dragen bij aan de instandhouding van de uitzonderlijke universele kernkwaliteiten van het werelderfgoed. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als ze de ‘kernkwaliteiten’ behouden of versterken.
Het behoud van deze kernkwaliteiten wordt mede gewaarborgd door de regels voor archeologische bescherming die aan de werelderfgoederen zijn gekoppeld. De toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast. In de artikelsgewijze toelichting worden ingevoegd toelichtingen op de artikelen 6.26a en artikel 6.26b, luidende: Artikel 6.26a Kernkwaliteiten werelderfgoederen In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening zijn instructieregels opgenomen voor de omgevingsverordening over de bescherming van de UNESCO Werelderfgoederen Hollandse Waterlinies inclusief de Nieuwe Hollandse Waterlinie en Neder-Germaanse Limes. In deze omgevingsverordening zijn de kernkwaliteiten nader uitgewerkt. De kernkwaliteiten zijn vastgelegd in Bijlage XII van deze verordening. In dit artikel is bepaald dat het bestemmingsplan geen activiteiten toelaat die de kernkwaliteiten van de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes aantasten. Voor de NederGermaanse Limes zit dit belang vooral in de bescherming van de archeologische waarden. Het gaat daarbij om bescherming van zowel hoge als zeer hoge bekende archeologische waarden als van hoge en zeer hoge verwachte archeologische waarden. Een specifieke regeling hiervoor is opgenomen in artikel 6.26b. 63
Artikel 6.26b Archeologische waarden Neder-Germaanse Limes De door UNESCO als Werelderfgoed aangewezen locaties bestaan uit een Kernzone 1 en 2 (bekende archeologische waarden) en een Bufferzone (verwachte archeologische waarden). Daarnaast onderscheidt de provincie voor de Neder-Germaanse Limes ook een Verwachtingszone (verwachte archeologische waarden). Deze omgevingsverordening gaat in lijn met de wetgeving uit van behoud ‘in situ’ van archeologische waarden. In bijzondere gevallen kan het noodzakelijk blijken hiervan af te wijken bijvoorbeeld als behoud in situ niet mogelijk blijkt. Als andere belangen volgens het bevoegd gezag prevaleren, kan de gemeente daarom overgaan tot behoud ‘ex situ’. Het gaat daarbij om zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en woningbouw. De complete archeologische afwegingscyclus, bestaande uit de volgende stappen: is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven. Neder-Germaanse Limes Kernzone 1 en 2 De Kernzone bevat uitzonderlijke universele waarde zoals omschreven in de kernkwaliteiten die beschermd en versterkt moeten worden en niet mogen worden aangetast.
Binnen Kernzone 1 liggen gebieden met archeologische waarden die zijn aangewezen als archeologisch Rijksmonument. Voor de bescherming van deze gebieden gelden Rijksregels. Daarom zijn in deze verordening geen aanvullende regels voor deze zone opgenomen. Binnen Kernzone 2 liggen gebieden met archeologische waarden die niet zijn aangewezen als archeologisch Rijksmonument. Voor kernzone 2 zijn in deze verordening daarom beschermingsregels opgenomen. De in 2023 op te richten Adviescommissie Archeologie Zuid-Holland kan advies uitbrengen over nieuwe activiteiten in de kernzone. Als gevolg van de aanbeveling van UNESCO dient voorafgaand aan activiteiten op de locatie Valkenburg-De Woerd een Heritage Impact Assessment te worden opgesteld door de gemeente Katwijk waarbij genoemde provinciale adviescommissie wordt ingeschakeld. Neder-Germaanse Limes Bufferzone UNESCO schrijft voor dat er als extra bescherming rond een kernzone een ‘bufferzone’ wordt gedefinieerd. Een bufferzone kan bijvoorbeeld delen van een site omvatten waar wel archeologische structuren te verwachten zijn, maar deze nog onvoldoende zijn aangetoond. Verder kan een bufferzone delen van een archeologisch complex logisch met elkaar verbinden, ook als de archeologische resten in dat tussenliggende deel zijn verstoord.
Voor een bufferzone gelden minder strenge eisen dan voor een kernzone, maar ze hebben toch een bijzondere status. Voor de bufferzone geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij het uitvoeren van werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en waarbij de grond dieper wordt 64
geroerd dan 30 centimeter onder het maaiveld. Afwijking hiervan is mogelijk als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Voorts geldt het voorgaande niet voor activiteiten die naar hun aard de archeologische waarden niet kunnen aantasten zoals archeologisch onderzoek en het normaal gebruik, beheer en onderhoud. Binnen de bufferzone van de Neder-Germaanse Limes is er de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toe te laten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave, zwaarder wegen. De in 2023 op te richten Adviescommissie Archeologie Zuid-Holland kan advies uitbrengen over nieuwe activiteiten in de bufferzone. Neder-Germaanse Limes Verwachtingszone Voor de verwachtingszone geldt dat archeologisch onderzoek nodig is bij het uitvoeren van werken of werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 100 m2 en waarbij de grond dieper wordt geroerd dan 30 centimeter onder het maaiveld. Afwijking hiervan is mogelijk als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast.
Voorts geldt het voorgaande niet voor activiteiten die naar hun aard de archeologische waarden niet kunnen aantasten zoals archeologisch onderzoek en het normaal gebruik, beheer en onderhoud. Binnen de verwachtingszone is er de mogelijkheid voor het bevoegd gezag om bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toe te laten als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave, prevaleren. Daarnaast beschermt de provincie via de Omgevingsverordening ook andere bekende archeologische waarden, buiten de Kernzones van de Neder-Germaanse Limes. Het gaat om gebieden met een (hoge of zeer hoge) bekende archeologische waarde. Deze gebieden kunnen dus liggen in de Bufferzone en de Verwachtingszone van de Neder-Germaanse Limes, of geheel buiten de Neder-Germaanse Limes. De bescherming van deze waarden is geregeld in artikel 6.27. Bij ruimtelijke plannen en projecten waar meer dan 1 gemeente is betrokken, wordt afgestemd door de provincie met betreffende gemeenten. De toelichting op artikel 6.27 komt te luiden: Artikel 6.27 Archeologische waarden Een groot deel van de cultuurhistorische waarden bevindt zich in de bodem en onttrekt zich aan het oog.
Archeologische waarden kunnen zowel binnen als buiten bestaand stads- en dorpsgebied worden aangetroffen. De bekende en te verwachten archeologische vindplaatsen zijn benoemd in de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland. Voor de in de Cultuurhistorische Atlas Zuid-Holland opgenomen gebieden met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden geldt dat bescherming van groot belang is. Deze gebieden, die minder dan 1% van het grondoppervlak van de provincie Zuid-Holland beslaan, zijn daarom 65
beschermd via de Omgevingsverordening. Een deel van de gebieden is gelegen binnen de NederGermaanse Limes. De bescherming van de archeologische waarden binnen de Neder-Germaanse Limes is geregeld in artikel 6.26b. De bepalingen over archeologie buiten de Neder-Germaanse Limes zijn opgenomen in artikel 6.27. Een toelichting op dit onderwerp is te vinden bij de artikelsgewijze toelichting van deze artikelen. Bij ruimtelijke plannen en projecten waar meer dan 1 gemeente is betrokken, wordt afgestemd met de provincie voor onderlinge afstemming met de betrokken gemeenten. Voor de in de Cultuurhistorische Atlas opgenomen terreinen met een archeologische verwachtingswaarde, legt de provincie de verantwoordelijkheid voor bescherming van deze waarden bij de gemeenten. De provincie verwacht van gemeenten dat ze zelf archeologiebeleid vaststellen, met een archeologische waardenkaart die is gestoeld op archeologisch onderzoek. Deze gebieden, die ongeveer 45% van de provincie Zuid-Holland beslaan, zijn daarom niet opgenomen in deze omgevingsverordening. Indien de provincie zelf de verstoorder is (bijvoorbeeld bij de aanleg of reconstructie van provinciale wegen) of in het geval van verstoring bij gemeentegrens overschrijdende ontwikkelingen (bijvoorbeeld in geval van aanleg van leidingen voor aardgas of elektriciteit), is de provincie in plaats van de gemeente het bevoegd gezag.
Een bestemmingsplan voor locaties met hoge en zeer hoge bekende archeologische waarden bevat functies die deze waarden beschermen. Dit houdt in ieder geval een verbod in op het uitvoeren van activiteiten totdat de archeologische onderzoekscyclus is afgerond. Afwijking hiervan is mogelijk als door middel van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast. Voorts geldt het voorgaande niet voor activiteiten die de archeologische waarden niet aantasten. Dit geldt voor activiteiten die naar hun aard de archeologische waarden niet kunnen aantasten zoals archeologisch onderzoek en het normaal gebruik, beheer en onderhoud. Deze omgevingsverordening gaat uit van behoud ‘in situ’ van de archeologische waarden. In bijzondere gevallen kan het noodzakelijk blijken hiervan af te wijken. In afwijking van het tweede lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering besluiten tot behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave zwaarder wegen.
B6 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Aanleiding en beschrijving aanpassing beleid en regels. Zie onder A6. Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.
66
De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd. In paragraaf 6.2.8a wordt een artikel ingevoegd, onder vernummering van de artikel 6.27a, 6.27b en 6.27c tot de artikelen 6.27b, 6.27c en 6.27d, luidende: Artikel 6.27a (toekomstbestendig bouwen) 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe woning mogelijk maakt, betrekt daarbij de
2.
mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen die verder gaan dan de wettelijke eisen en bevat hierover een verantwoording in de toelichting. Aan het eerst lid wordt in ieder geval voldaan als in onderlinge samenhang betrokken zijn: a. b.
de risico’s van klimaatverandering als gevolg van het bouwen; de energiehuishouding van het gebouw, met name het gebruik en de opwekking van energie;
c. d.
de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase;
e. f. g.
het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; het versterken van de biodiversiteit; en het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving.
3. Het eerste lid laat onverlet de elders in deze verordening gestelde specifieke regels over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen.
De toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd. In de artikelsgewijze toelichting wordt een toelichting op artikel 627a Toekomstbestendig bouwen ingevoegd, onder vernoeming van de toelichtingen op artikel 6.27a, 6.27b en 6.27c tot de artikelen 6.27b, 6.27c en 6.27d, luidende: Artikel 6.27a Toekomstbestendig bouwen Algemeen Als snelgroeiende, sterk verstedelijkte provincie staat Zuid-Holland voor een grote woningbouwopgave. We willen snel, veel en voor iedereen bouwen, maar het gaat niet om aantallen alleen. Het is nu meer dan ooit nodig om bij het bouwen ook na te denken over de consequenties voor de toekomstige generaties. De provincie heeft als ambitie om in één keer goed te bouwen zodat de woningen die we nu bouwen aangepast zijn op de eisen van de toekomst, met andere woorden toekomstbestendig. Bij toekomstbestendig bouwen gaat het erom dat voor de inwoners op dit moment een gezonde en veilige woonomgeving wordt gecreëerd èn dat deze woonomgeving ook duurzaam is, zodat wordt voorzien in de behoefte van toekomstige generaties. Om dit te bereiken is het in ieder geval nodig om klimaatadaptief, circulair/biobased, met gunstige invloed op het totale energiesysteem,
67
emissieloos natuurinclusief en gezond & veilig te bouwen. Ook integraal in samenhang tussen deze afzonderlijke duurzaamheidsthema’s. De provincie wil toekomstbestendig bouwen langs verschillende sporen versnellen en opschalen. Dit doen we onder andere met kennisuitwisseling, subsidies en communicatie. Ook is toekomstig bestendig bouwen opgenomen in deze verordening. In deze verordening zijn geen bouwregels opgenomen. Daarvoor gelden landelijke en gemeentelijke regels. Met de opgenomen regeling wil de provincie stimuleren dat in de planvormingsfase al nagedacht wordt op welke wijze de bouw van woningen toekomstbestendiger kan worden gemaakt, meer dan door alleen te voldoen aan de huidige (bouw)regels. De ontwikkelingen in de markt gaan immers door, vaak pas later gevolgd door aanscherping van de regels. Wat de provincie betreft wordt bij de bouw van woningen hier zoveel mogelijk op geanticipeerd. Als illustratie: een woning die nu conform de huidige regels bijna energieneutraal gebouwd wordt (BENG), moet achteraf niet alsnog aangepast hoeven worden. Doe het in een keer goed als dat redelijkerwijs mogelijk is, rekening houdend met dat we snel, veel en voor iedereen willen bouwen. Zoals gesteld, staat de provincie voor een grote woningbouwopgave. Gerealiseerd wordt dat snelheid van woningbouw en betaalbaarheid soms op gespannen voet kunnen staan met toekomstbestendiger bouwen.
Dat kan een argument zijn om de ambitie voor toekomstbestendig bouwen naar beneden bij te stellen. Daar mag echter niet te lichtvaardig op teruggevallen worden, gezien de kosten en moeite die later gemoeid kunnen zijn met het aanpassen aan woningen. Uiteraard moet sowieso nog steeds aan de minimale wettelijke eisen voldaan worden. De provincie vindt het van belang dat alle aspecten van toekomstbestendig bouwen integraal, in onderlinge samenhang worden beschouwd, al was het maar omdat deze elkaar kunnen versterken. Om een voorbeeld te geven: een boom kan zowel zorgen voor koelte, bijdragen aan soortenrijkdom als zorgen voor waterberging. De volgende aspecten spelen een rol bij toekomstbestendig bouwen. Risico’s van klimaatverandering In het artikel over klimaatverandering wordt verzocht om rekening te houden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering ten aanzien van: wateroverlast door overvloedige neerslag; overstroming; hitte en droogte. Daarbij wordt tevens verzocht rekening te houden met de effecten van voorgenoemde risico’s in relatie tot het risico op bodemdaling. Conform de recente Leidraad Klimaatadaptief Bouwen 2.0 en de aankomende Landelijke Maatlat Groene Klimaatadaptieve Gebouwde Omgeving zijn – naast de vier ‘traditionele’ klimaatthema’s – ook toelichtingen omtrent het risico op bodemdaling en verlies aan biodiversiteit’ opgenomen.
Biodiversiteit is in de Omgevingsverordening separaat opgenomen. De Leidraad 2.0 (voortgekomen uit het Zuid-Hollandse Convenant Klimaatadaptief Bouwen, en de aankomende Landelijke Maatlat zijn namelijk bedoeld als richtlijnen voor alle overheden en marktpartijen die een rol spelen in klimaatadaptief ontwikkelen, ontwerpen, bouwen en beheren. Focus ligt op klimaatadaptieve maatregelen en voorziening bij nieuwbouw, met een doorkijk naar toepassingsmogelijkheden voor bestaande bouw. Dit om schade door hevige neerslag, bij langdurige droogte, tijdens perioden van hitte, in relatie tot bodemdaling en/of als gevolg van overstromingen te voorkomen of te beperken. Groene, natuur-inclusieve maatregelen hebben daarbij de voorkeur (‘groen tenzij’) om tevens de biodiversiteit te vergroten. Met het brede begrip
68
‘klimaatadaptief’ wordt – dus – ook invulling gegeven aan de begrippen ‘bodemdalingsbestendig’ en ‘natuur-inclusief’ (cq. biodiversiteit), dat separaat in de Omgevingsverordening is opgenomen. Energiehuishouding Het is wenselijk dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling rekening houdt met effecten op de regionale energievoorziening – de opwek en de (potentiële) beschikbaarheid, de infrastructuur en bijbehorende buffering van de verschillende energiemodaliteiten. Het gaat hierbij niet alleen om de energiehuishouding van het initiatief, maar ook om de samenhang met de energiehuishouding van het totale energiesysteem. Circulaire en/of biobased grondstoffen en producten Circulair bouwen richt zich op circulariteit van materialen én het bouwproces. Hierbij zijn de bouwproducten van nu de grondstoffen van later. Het sluiten van de afvalkringloop (dus geen nieuw afval creëren) staat hierbij centraal. Hergebruik van beton is hier een voorbeeld van. Bij biobased bouwen zijn materialen gemaakt van hernieuwbare grondstoffen. Deze grondstoffen kunnen op korte termijn (minder dan tien jaar) terug groeien. Voorbeelden hiervan zijn hout en grassen. Fossiele grondstoffen, steen en zand zijn geen hernieuwbare grondstoffen. In het bouwproces wordt rekening gehouden met modulair & losmaakbaar bouwen om het hergebruik in de toekomst te vergemakkelijken.
Het stimuleren van circulair bouwen kan gedaan worden door bouwprojecten te scoren op ‘Het Nieuwe Normaal’, dit model bevat een basisniveau en eisen om hoger te scoren op circulariteit. Emissieloze oplossingen Het gaat voor de bouw- en realisatiefase om het zoveel mogelijk toepassen van emissieloos bouwmaterieel, zoals bouwkranen en overige installatiematerieel. Voor de bouw- en realisatiefase is de in ontwikkeling zijnde Routekaart Schoon en Emissieloos Bouwen 2030 de basis voor het treffen van adequate maatregelen. Voor de gebruiksfase is het uitgangspunt van adequate maatregelen dat bij projecten waarbij sprake is van nieuwbouw en functiewijziging, de nieuwe bouwwerken niet worden aangesloten op een distributienet voor aardgas. Daarnaast kan aanvullend gedacht worden aan het toepassen van een lagere parkeernorm dan gebruikelijk voor de specifieke locatie, het stimuleren van het gebruik van het openbaar vervoer, het stimuleren van het gebruik van elektrische voertuigen en het instellen van emissieloze zones voor voertuigen. Drinkwaterbesparing Er wordt ingezet op vermindering van het gebruik van drinkwater voor doeleinden waarvoor drinkwater niet strikt noodzakelijk is. Dat vraagt om maatregelen en instrumenten gericht op vermindering van het (drink)watergebruik en op gebruik van alternatieve waterbronnen, met name regenwater/huishoudwater.
Het gebruiken van meer regenwater, en dus minder drinkwater, voor huishoudelijke doeleinden moet wettelijk mogelijk worden gemaakt. In de bouwregelgeving is nog geen voorziening getroffen voor gemeenten om bij nieuwbouw en verbouw eisen te stellen aan individuele en/of collectieve regenwateropvang en -gebruik. In Vlaanderen is dit wel in regelgeving vastgelegd. Voorbeelden in Vlaanderen tonen aan dat gebruik van regenwater gecontroleerd mogelijk is voor bijvoorbeeld toiletspoeling en wasmachines en dat daarmee een substantiële hoeveelheid drinkwater wordt bespaard. Er wordt gepleit -ten behoeve van vermindering van het drinkwatergebruik- in het Bouwbesluit / Besluit Bouwwerken Leefomgeving de mogelijkheid te creëren voor gemeenten om via maatwerkregels voorzieningen af te dwingen voor opvang van en gebruik van regenwater (waterbewust bouwen). Hierbij kan concreet gedacht worden aan het stimuleren of verplichten van het aanbrengen van particuliere en/of collectieve ondergrondse 69
regenwateropvang en daaraan gekoppelde installatie(s) voor het gebruik van regenwater voor een limitatief aantal toepassingen. Natuurinclusief Biodiversiteit verwijst naar alle verscheidenheid aan leven binnen soorten, tussen soorten en tussen ecosystemen waartoe ze behoren. Door de Zuid-Hollandse natuur actief te betrekken bij ontwikkelingen, kan geschikt leefgebied (met voldoende voedsel, beschutting en voortplantingsplaatsen) worden gecreëerd voor een grote(re) diversiteit aan flora- en faunasoorten. De focus moet daarbij liggen op het leefgebied van de 40 Zuid-Hollandse icoonsoorten, welke als ‘paraplu soorten’ staan voor een goede vertegenwoordiging van de Zuid-Hollandse natuur. Te denken valt hierbij aan natuurinclusief ontworpen gebouwen, groenblauwe structuren en beplanting waar diverse insecten, vogels en zoogdieren hun voordeel mee kunnen doen. Aansluiting bij natuurlijke structuren buiten het plangebied of bijvoorbeeld het inpassen van bestaande landschapselementen kunnen daarbij een grote meerwaarde opleveren. Hiermee wordt de biodiversiteit versterkt en dit draagt bij aan een robuuste natuur waar allerlei inheemse soorten, en ook de mens, in kunnen floreren. Gezonde en veilige leefomgeving De Omgevingswet heeft tot doel een gezonde en veilige leefomgeving te realiseren.
In Rijkswetgeving zijn er normen opgenomen op het terrein van onder meer luchtkwaliteit en geluidsbelasting. Deze normen hebben de bescherming van de gezondheid tot doel. Maar een gezonde leefomgeving is meer dan alleen een omgeving waarin de minimum normen worden gerespecteerd. Het RIVM definieert een gezonde leefomgeving als “een omgeving die als prettig wordt ervaren, die uitnodigt tot gezond gedrag en waar de druk op de gezondheid zo laag mogelijk is”, die in de begripsbepaling is overgenomen. Naast de objectieve, wettelijke normen heeft gezondheid ook een meer subjectief karakter: de omgeving moet ook aansluiten bij de behoeften van de inwoners in de betreffende omgeving. Zo hebben jongeren om voldoende te bewegen andere voorzieningen nodig dan senioren. Er kunnen handreikingen en suggesties gedaan kunnen worden over welke voorzieningen in gebied noodzakelijk zijn, bijvoorbeeld over de inrichting van groen en de maatschappelijke voorzieningen en de wijze waarop bewoners betrokken moeten worden. De daadwerkelijke inrichting in een bestemmingsplan is echter altijd maatwerk. Om deze reden zal in de toelichting op het bestemmingsplan moeten worden onderbouwd op welke wijze in het bestemmingsplan aandacht is geschonken aan het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving of worden gemotiveerd waarom hiervan is afgezien.
B7 Mutaties 3 hectare kaart - bedrijventerreinen Verzoeken om aanpassing 3 hectare kaart De regio’s zijn eind 2021 gevraagd om een nieuwe regionale bedrijventerreinenvisie vast te stellen en deze ter aanvaarding aan Gedeputeerde Staten aan te bieden. Volgens de laatste bekende planningen zullen drie van de vier regio’s deze eind 2022 aanbieden. Vooruitlopend hierop zijn enkele verzoeken ingediend om uitbreidingen van bedrijventerreinen toe te voegen aan de kaart met grote buitenstedelijke bouwlocaties, ook wel genoemd ‘3 hectare kaart’. Het betreft de volgende bedrijventerreinen: 70
-
gemeente Brielle, uitbreiding Tuinderij Vers (3 hectare) gemeente Molenlanden, uitbreiding bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen (13 hectare);
-
gemeente Waddinxveen, bedrijventerrein Vredenburgh II (29 hectare uitgeefbaar).
Beschrijving locaties -
B7-1 Brielle, uitbreiding Tuinderij Vers
Tuinderij Vers is een modern groenteverwerkingsbedrijf, gelegen aan de Kloosterweg. Het bedrijfsperceel ligt tussen de Kloosterweg en de Aelbrechtsweg te Brielle. Het bedrijf heeft plannen tot uitbreiding, aangezien in de nabije toekomst een fors hogere afzet wordt verwacht waarvoor een wezenlijke capaciteitstoename vereist is. Het bedrijf wil uitbreiden op de locatie tussen de Kloosterweg en de provinciale weg N218. Het voornemen is om dit perceel te gebruiken voor de opslag van verpakkingsmateriaal en halffabricaten. Ook is het voornemen dit perceel te gebruiken als parkeerterrein voor het personeel. De geplande uitbreiding bevat een toename van bebouwde oppervlakte van 21.235 m2. Door de ruimtelijke inpassing van de bebouwing met veel groen en extra waterberging, waardoor het ontwerp voldoet aan ons beleid op het gebied van Ruimtelijke kwaliteit, wordt de gehele ontwikkeling groter dan 3ha. Het plan moet daarom opgenomen worden op de 3 ha-kaart voor bedrijventerreinen, ondanks het feit dat het zonder de landschappelijke inpassing kleiner is dan 3ha én ondanks het feit dat er op de 3ha-kaart voor bedrijventerreinen expliciet staat dat het gaat om uitgeefbaar oppervlak. De gemeente heeft in het kader van de vorige herziening van het omgevingsbeleid (Module Ruimte en Wonen), een zienswijze ingediend met het verzoek deze bedrijfsuitbreiding toe te voegen aan de 3 hectare kaart.
Dat verzoek is afgewezen, omdat in principe geen locaties worden toegevoegd ná de terinzagelegging van het ontwerp. Het verzoek is daarom doorgeschoven naar de onderhavige herziening. Uitbreiding van het bedrijf is urgent. Het bedrijf heeft een nauwe relatie met het ernaast gelegen glastuinbouwgebied Tinte. De locatie is in ruimtelijk opzicht logisch en stuit vanuit provinciaal oogpunt niet op bezwaren. -
B7-2 Molenlanden, uitbreiding bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen
De gemeente heeft in het kader van de vorige herziening van het omgevingsbeleid (Module Ruimte en Wonen), een zienswijze ingediend met het verzoek uitbreiding van het bedrijventerrein toe te voegen aan de 3 hectare kaart. Dat verzoek is afgewezen, omdat in principe geen locaties worden toegevoegd ná de terinzagelegging van het ontwerp. Het verzoek is daarom doorgeschoven naar de onderhavige herziening. De uitbreiding van het bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen staat gepland aansluitend aan de westkant van het bestaande bedrijventerrein, direct ten noorden van de Betuweroute en A15, met een uitgeefbaar oppervlak van 13 hectare. De beoogde locatie is aan drie kanten omsloten door infrastructuur en bebouwing: het recente bedrijventerrein Schelluinen West aan de oostkant, de Betuweroute/A15 aan de zuidzijde en de woningen aan de Kerkweg in het westen. In het plangebied ligt op dit moment al zo'n 6 hectare aan verspreide bedrijvigheid, waardoor met de nieuwe ontwikkeling de huidige rommelige invulling wordt gesaneerd. Aan de westzijde is de afstand grenst het beoogde terrein aan open landschap en een kleinschalig woonlint. In overleg met de aanwonenden wordt de benodigde watercompensatie als buffer aan deze kant geplaatst. 71
Vanuit een oogpunt van ruimtelijke kwaliteit is de locatie goed inpasbaar. Wel zijn er aandachtspunten voor de verdere uitwerking van het plan. De provincie vraagt aandacht voor het waar mogelijk behouden van doorzichten op het achterliggende open landschap te behouden. Ook is regie op passende bouwhoogte en beeldkwaliteit aan de zuidzijde van belang, aangezien dit een zichtlocatie vanaf de A15 zal zijn. Daarnaast is vanuit het bedrijventerrein de locatie in beeld voor opwekking van energie door wind. Afstemming tussen deze ontwikkelingen is nodig.
-
B7-3 Waddinxveen, bedrijventerrein Vredenburgh II
De gemeente heeft in het kader van de vorige herziening van het omgevingsbeleid (Module Ruimte en Wonen), een zienswijze ingediend met het verzoek uitbreiding van het bedrijventerrein toe te voegen aan de 3 hectare kaart. Dat verzoek is afgewezen, omdat in principe geen locaties worden toegevoegd ná de terinzagelegging van het ontwerp. Het verzoek is daarom doorgeschoven naar de onderhavige herziening. Het verzoek heeft betrekking op de ontwikkeling van bedrijventerrein Vredenburgh II met een uitgeefbaar oppervlak van 27 hectare, in het glastuinbouwgebied Glasparel+. De beoogde locatie ligt ten zuidwesten van de eerste fase van bedrijventerrein Businesspark Vredenburgh (7 hectare), dat is ontwikkeld aan weerszijde van de Vredenburghlaan. Beide locaties liggen volgens kaart 11 Greenports van de Omgevingsverordening in het glastuinbouwgebied West-Oostland, met de specifieke aanduiding uitzondering glastuinbouwgebied Glasparel en Knibbelweg oost'. Op grond van artikel 6.15 lid 5 van de Omgevingsverordening kan een bestemmingsplan hier ruimtelijke ontwikkelingen toelaten die niet behoren tot de keten glastuinbouw voor zover de ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt met toepassing van efficiënt en meervoudig grondgebruik door een combinatie met glastuinbouw (voorwaarde b).
Deze uitzonderingsbepaling impliceert stedelijke ontwikkelingen, maar laat onverlet artikel 6.10 van de Omgevingsverordening waarin is bepaald dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen groter dan 3 hectare op de 3 hectare kaart moeten zijn opgenomen. In tegenstelling tot het gerealiseerde (en daarom inmiddels van de 3 hectare kaart geschrapte) Vredenburgh I en het in voorbereiding zijnde Knibbelweg Oost (Zuidplas), is dat niet het geval voor Vredenburgh II. De gemeente heeft verzocht om dat alsnog te doen. Met de uitzonderingsbepaling heeft de provincie in beginsel al eerder ingestemd met een andere (stedelijke) functie op deze locatie. De uitbreiding van het bedrijventerrein dient als compensatie voor de transformatie van bedrijventerrein in de kern van Waddinxveen, waardoor daar circa 1.500 woningen kunnen worden gerealiseerd. Beoordeling uitbreiding bedrijventerreinen Voor de integrale beoordeling van de toevoegingen van nieuwe locaties voor bedrijventerreinen op de 3 hectare kaart stelt de provincie een definitief standpunt uit tot na de vaststelling en aanvaarding van de regionale bedrijventerreinvisie. Onder voorbehoud hiervan, nemen wij de toevoegingen voorlopig op in de Ontwerp Herziening Module Wonen en Werken, om de volgende redenen: • •
de uitbreidingen van de betreffende bedrijventerreinen is urgent; de eerstvolgende herziening van de (Zuid-Hollandse) Omgevingsverordening zal niet voor najaar
• •
2023 starten; de behoefte aan de uitbreidingen is aangetoond in de provinciale behoefteraming; de uitbreidingen lijken ruimtelijk inpasbaar te zijn, met inachtneming van de hierboven genoemde
•
specifieke aandachtspunten; de gemeenteraden zijn meegenomen bij de aanwijzing van de locaties.
72
Conclusie: De volgende bedrijventerreinen worden voorlopig toegevoegd op kaart 19 in bijlage II (grote buitenstedelijke bouwlocaties, ook wel genoemd ‘3 hectare kaart’) en toegevoegd aan tabel 2 (bedrijventerreinen zachte capaciteit) in bijlage X: gemeente Brielle, uitbreiding Tuinderij Vers (3 hectare); gemeente Molenlanden, uitbreiding bedrijventerrein Parallelweg Schelluinen (13 hectare); gemeente Waddinxveen, bedrijventerrein Vredenburgh II (29 hectare). Een definitief standpunt wordt ingenomen na de terinzagelegging van het ontwerp.
B8 Mutaties 3 hectare kaart - woningbouwlocaties Er is aanleiding voor het toevoegen van twee woningbouwlocaties op de kaart met grote buitenstedelijke bouwlocaties (‘3 hectare kaart). Het gaat om de volgende locaties: gemeente Pijnacker Nootdorp, Dwarskade Nootdorp, 44 hectare; -
gemeente Bodegraven-Reeuwijk, Groendijck Oost, 5 hectare.
Deze locaties zijn hieronder beschreven en beoordeeld.
B8-1 Pijnacker Nootdorp, Dwarskade (Nootdorp) Deze ontwikkeling vindt plaats op een deel van het provinciaal glastuinbouwgebied. Een toekomstbestendige glastuinbouwontwikkeling wordt hier niet meer mogelijk geacht. Het gebied heeft geen perspectief om te worden gebruikt als modern en innovatief (glas)tuinbouwgebied. Daarvoor zijn de randvoorwaarden niet (meer) aanwezig. Dit blijkt uit het werkboek Oostland, waarin het gebied is aangeduid als transformatielocatie. Hierin wordt geconstateerd dat er slechts twee bedrijven zijn die door willen gaan, maar dat het toekomstperspectief matig tot slecht is. Dat komt mede door de ligging tussen de stedelijke bebouwing, de aanwezigheid van andere bedrijven en het ontbreken van mogelijkheden voor innovatie en verduurzaming. De gemeente Pijnacker-Nootdorp heeft momenteel een erg laag percentage sociale huurwoningen in haar woningvoorraad. Deze locatie biedt de kans dit percentage te verhogen. Gelet op het maatschappelijk en ruimtelijk belang van wonen, is daarom gekozen voor woningbouw. Het Dwarskade-gebied heeft een oppervlakte bruto circa 44 ha. Het programma wat hierop gerealiseerd moet worden bevat streefwaardes van minimaal 30 % sociale huur door woningcorporaties, 30% betaalbare/middel dure woningen, 40% dure woningen en een dichtheid van 45 woningen/ha.
Conclusie: De locatie Dwarskade wordt op kaart 19 gezet in bijlage II en toegevoegd in bijlage X, tabel 1 woningbouwlocaties, Haaglanden, gemeente Pijnacker Nootdorp, kern Nootdorp, oppervlakte 44 hectare.
B8-2 Bodegraven-Reeuwijk, Groendijck Oost De locatie Groendijck Oost in de gemeente Bodegraven Reeuwijk betreft een tweede fase van een reeds eerder op de 3 hectare kaart opgenomen woningbouwlocatie (Groendijck Zuid). De gemeente is voornemens de nieuwe locatie snel te ontwikkelen en kan dat ook want de gronden zijn in eigendom van 73
de gemeente. De gemeente wil gefaseerd vanaf 2025 100 tot 125 woningen toe te voegen op 5 ha grond. We verzoeken de gemeente rekening te houden met het in deze module genoemde percentage van ten minste 30% sociale huur. Landschappelijk gezien is er vanuit het provinciale ruimtelijke beleid geen bezwaar. Er geldt beschermingscategorie 3 (buitengebied) op grond van de provinciale Omgevingsverordening. Een ontwikkeling is mogelijk mits rekening wordt gehouden met de kwaliteiten van het buitengebied. De gemeente zal bij de uitwerking een integraal ontwerp maken waarbij ook aandacht wordt besteed aan de fysieke en visuele overgang naar de omgeving en de fasering in ruimte en tijd. De provinciale richtpunten ruimtelijke kwaliteit zijn daarbij uitgangspunt. De locatie is opgenomen in het regionale programma wonen van Midden Holland. Conclusie: De locatie Groendijck Oost wordt op kaart 19 gezet in bijlage II en toegevoegd in bijlage X, tabel 1 woningbouwlocaties, regio Midden-Holland, gemeente Bodegraven-Reeuwijk, kern Driebruggen, oppervlakte 5 hectare.
B9 Overige wijzigingen B9-1 Begrenzing bedrijventerreinen Aanleiding De bedrijventerreinenkaart (kaart 20) geeft de bedrijventerreinen weer waarop de instructieregels in artikel 6.12 (bedrijven) van toepassing zijn. Actualisatie hiervan is periodiek nodig naar aanleiding van bijvoorbeeld de vaststelling van bestemmingsplannen of omgevingsplannen waarin bedrijventerreinen worden toegevoegd of geschrapt. In de voorliggende herziening betreft dit de volgende bedrijventerreinen: Gemeente Den Haag, bedrijventerrein Binckhorst Het bedrijventerrein wordt deels geschrapt omdat het Omgevingsplan transformatie mogelijk maakt. De exacte begrenzing is nog onderwerp van overleg met de gemeente en wordt mogelijk nog aangepast in de loop van het proces tot vaststelling van de onderhavige herziening. Gemeente Den Haag, bedrijventerrein Laakhavens Het bedrijventerrein wordt deels geschrapt omdat grote delen van het bestemmingsplan geen bedrijven meer mogelijk maakt. Gemeente Vlaardingen, Unileverterrein De status van het bedrijventerrein Unileverterrein (Rivierzone – District U) wordt op kaart 20 aangepast op basis van het vastgestelde bestemmingsplan Maaswijk-West. Een deel van het bedrijventerrein wordt geschrapt als bedrijventerrein, een deel behoudt de status van bedrijventerrein en een deel wordt een watergebonden bedrijventerrein.
Hierover is afstemming geweest tussen de gemeente en de provincie. Conclusie: Kaart 20 bedrijventerreinen wordt als volgt aangepast: -
De bedrijventerreinen Binckhorst en Laakhavens (gemeente Den Haag) worden deels geschrapt. Het bedrijventerrein Unileverterrein (gemeente Vlaardingen) wordt voor een deel geschrapt, blijft voor een deel behouden en krijgt voor een deel de status ‘watergebonden bedrijventerrein’.
74
B9-2 Begrenzing NNN -
Gemeente Rotterdam, Bonnenpolder
De initiatiefnemers van de ontwikkeling “natuur in de Bonnenpolder” hebben aangegeven dat zij, naast de reeds geplande 128 ha, 26 ha aan extra gronden kunnen verwerven om natuur te realiseren. Zij willen dit daarom binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) brengen. De percelen liggen direct naast de gronden van de ontwikkeling “natuur in de Bonnenpolder” welke al als NNN begrensd zijn in de Omgevingsverordening. De aanpassing van het NNN heeft geen relatie of gevolgen voor het deel waar natuurbegraven plaatsvindt. Het levert mogelijkheden op voor het terugdringen van stikstofdepositie in het aangrenzende Natura 2000 gebied Solleveld – Kapittelduinen door gronden uit agrarisch gebruik te nemen, dan wel afspraken te maken over de bedrijfsvoering. Het heeft meerwaarde voor de biodiversiteit in deze regio, past dus binnen de doelstellingen van de NNN opgave. Ook levert mogelijkheden op als extra buffer om de recreatieve druk op andere natuur te ontlasten wat ten goede komt aan de Natura 2000 doelen van Solleveld & Kapittelduinen. Financiële dekking: deze extra hectares worden gedekt via een toegekende reservering in Programma Natuur (SPUK 1) en vormt daarmee geen financieel risico voor het programma NNN realisatie restopgave.
Toekomstig beheer: met begrenzing van de 26 ha, komt de beheerder ook in aanmerking voor subsidie op basis van het Subsidiestelsel Natuur en Landschap (SNL). Het beheerbudget is toereikend om aan deze extra aanvraag te kunnen voldoen. De gemeente Rotterdam is positief over voorgenomen ontwikkelingen. Het is in lijn met de ontwikkeling die de Gemeente Rotterdam beoogt in de Oranjebonnen. Het ontwerp voor de uitbreiding zal aansluiten op het landschapsontwerp "Natuur in de Bonnen” dat eerder in nauwe samenwerking met de omgeving is gemaakt. Waarin het open en groene karakter van de Bonnenpolder een voorwaarde was. Verder zijn daarin onder andere een uitbreiding van de fiets- en wandelpaden in opgenomen. Het Zuid-Hollands Landschap (ZHL) zal de omgeving ook over deze extra natuurinvulling op de hoogte houden en betrekken in het proces. Conclusie: In de Bonnenpolder wordt een gebied van 26 ha binnen de begrenzing van het NNN gebracht. Gemeente Pijnacker-Nootdorp, weidevogelgebied Zuidpolder bij Delfgauw Met het Zuid-Hollandse Actieplan Boerenlandvogels worden concrete initiatieven ingezet om meer geschikt leefgebied voor weidevogels te creëren en bestaande leefgebieden in kwaliteit te verbeteren.
Dit is een samenwerking tussen de provincie Zuid-Holland samen met de agrarische collectieven verenigd in Boerennatuur Zuid-Holland, de gezamenlijke natuur- en milieuorganisaties en de weidevogelvrijwilligers. Een van de maatregelen uit het actieplan is het inrichten van weidevogelgebieden op gronden in bezit van de provincie. Dit wordt onder andere gedaan in de Zuidpolder van Delfgauw, tussen de N470 en Oude Leede. Onder begeleiding van de Stichting Kavelruil Zuid-Holland is een kavelruil uitgevoerd. Doel hiervan was om de natuurgronden aaneen te laten sluiten in de kern en voor boeren land dichterbij hun boerderij te realiseren. Hierdoor ontstaan zowel kansen voor de natuur als voor de landbouw. Op donderdag 28 april 2022 is de kavelruil in de Zuidpolder officieel vastgesteld door de notaris. Inmiddels zijn de betrokken partijen gestart met de voorbereiding op de definitieve inrichting van het weidevogelgebied. 75
De provincie wil het toekomstige weidevogelgebied officieel opnemen in het landelijke netwerk van natuurgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Daardoor is het goed beschermd en komt er ook geld beschikbaar voor het beheer. Beoogd natuurdoeltype is N13.01 (vochtig weidevogelgrasland). De inrichtingsmaatregelen zijn voorzien in 2023 en 2024, waarbij het gebied aantrekkelijker wordt gemaakt voor diverse vogel- en andere diersoorten. De omvang van het toe te voegen gebied bedraagt ongeveer 93 hectare. De totale omvang van de NNN in de Zuidpolder komt daarmee op ongeveer 130 hectare. Conclusie: Het toekomstige weidevogelgebied in de Zuidpolder bij Delfgauw, met een omvang van ongeveer 93 hectare, wordt binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland gebracht. Gemeente Hoeksche Waarde, bosperceel bij Lange Boomweg Numansdorp In Numansdorp ten zuiden van de Lange boomweg ligt een stuk bosperceel wat behoort tot het NNN. De grens van het NNN loopt niet gelijk met de scheidingssloot. Daardoor ligt een klein deel van de noordelijk gelegen akkerbouwpercelen onbedoeld in het NNN. De kaart wordt daarop gecorrigeerd. In het zuidelijke deel van het bosperceel wordt een klein stukje aan het NNN toegevoegd zodat de begrenzing gelijk loopt met de kadastrale grens. De totale aanpassing heeft een omvang van minder dan 1 hectare.
Conclusie: De begrenzing van het NNN bij het bosperceel ten zuiden van de Lange Boomweg in Numansdorp wordt aangepast. B9-3 Begrenzing recreatiegebieden Aanleiding In de Omgevingsverordening zijn de recreatiegebieden op kaart begrensd. Voor de planologische bescherming en daarmee de instandhouding van de recreatiegebieden is het van belang dat de begrenzing up-to-date is. Daarom wordt de periodieke actualisatie van de Omgevingsverordening aangegrepen om incomplete of onjuiste begrenzingen aan te passen. Het voorstel is om de begrenzing voor een viertal recreatiegebieden aan te passen, zijnde Krabbeplas, Zevenhuizerplas, Vlietland en Bernisse. Het gaat om technische wijzigingen om de planologische status recreatiegebied in overeenstemming te brengen met het huidige en bestendige recreatieve gebruik. Inhoud van de wijziging Voor Krabbeplas, Zevenhuizerplas en Vlietland gaat het om het mee begrenzen van het water (de oevers zijn al wel recreatiegebied). Voor alle drie de plassen geldt dat het water ingericht is en gebruikt worden voor diverse watersporten, zoals zwemmen, zeilen, roeien, waterfietsen, kanoën, waterskiën en surfen. Uitgangspunt is om te kijken naar het eigendom: als het water in eigendom is van dezelfde recreatiebeheerder als van de oevers, dan als recreatiegebied begrenzen.
Op die manier vormen de plas en de oevers één geheel, wat de eigenaar-beheerder in staat stelt het als een eenheid te beheren en duurzaam in stand te houden. Bij Krabbeplas wordt daarnaast een stukje geschrapt omdat het stukje niet is ingericht als recreatiegebied maar hier ligt een weg.. 76
Bij de Bernisse gaat het om enkele recreatieve oeverdelen (op het land dus) die in eigendom en beheer zijn bij een recreatiebeheerder en abusievelijk niet zijn mee begrensd. Ook Bernisse betreft dus een technische wijziging, leidend tot een meer aaneengesloten recreatiegebied. In totaal wordt 462 hectare toegevoegd aan de kaart en 5 hectare geschrapt. Recreatiegebieden vallen onder beschermingscategorie 2 van het beleid voor ruimtelijke kwaliteit. Daarnaast is op recreatiegebieden het compensatiebeginsel van toepassing, op grond van del Beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland (GS, mei 2013). Een andere consequentie van begrenzing van de gebieden is dat deze dan in aanmerking komen voor subsidie in het kader van de Subsidieregeling beheer recreatiegebieden (vastgesteld door GS op 28 juni 2022). Conclusie: De begrenzing van de recreatiegebieden Krabbeplas, Zevenhuizerplas, Vlietland en Bernisse wordt aangepast.
B9-4 Beperking vaarsnelheid waterscooters en motorboten Aanleiding Op het Wantij geeft het Verkeersbesluit van RWS de expliciete mogelijkheid met waterscooters te varen. Dit overruled als landelijke wetgeving het provinciale verbod. Het onderscheid tussen een waterscooter en snelle motorboot is in akoestisch nauwelijks relevant. Het is wenselijk de huidige regeling in de verordening hierop aan te passen. Waterscooters worden dus toegelaten, mits niets sneller wordt gevaren dan 9 km/u Daarnaast suggereert de huidige tekst dat met een langzame motorboot wel sneller dan 9 km/u zou mogen worden gevaren. Ook dit wordt aangepast. De voorgestelde tekst beperkt de snelheid van watervoertuigen in zijn algemeenheid tot maximaal 9 km/u, waarmee de akoestisch beoogde effecten worden bereikt, zonder dat de verordening in tegenspraak is met relevante verkeersbesluiten. De huidige tekst van artikel 3.32 (Verbod waterscooter en snelle motorboot) luidt als volgt: 1. 2.
Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een waterscooter te varen. Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied met een snelle motorboot sneller te varen dan 9 km/h.
In de nieuwe tekst wordt het eerste en tweede lid samengevoegd: “Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied te varen met een watervoertuig, zoals motorboot of waterscooter, sneller dan 9 km/u.” Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsverordening. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. 77
De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd. Artikel 3.32 komt te luiden: Artikel 3.32 Verbod waterscooter en snelle motorboot Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied te varen met een watervoertuig, zoals motorboot of waterscooter, sneller dan 9 km/u.
B9-5 Meervoudig ruimtegebruik Aanleiding Bij de bespreking van de startnotitie van deze module is toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is in de verordening regels op te nemen ter bevordering van meervoudig ruimtegebruik. In het provinciaal beleid is meervoudig ruimtegebruik al als uitgangspunt opgenomen, onder meer in de beleidskeuze ‘Verstedelijking’. Thans wordt hier een verordeningsregel aan toegevoegd. In Zuid-Holland zijn veel verschillende ruimtevragers, zoals de energievoorziening, klimaatadaptatie, wonen, werken, landbouw en natuur, terwijl de beschikbare ruimte schaars is. Meervoudig ruimtegebruik stimuleert efficiënt en duurzaam gebruik van de schaarse grond in de provincie Zuid-Holland. Het combineren van functies is daarnaast gunstig voor onder meer het benutten van infrastructuur, het verkleinen van woon-werkafstanden, de uitwisselbaarheid van functies en het draagvlak van voorzieningen. Ook kunnen functies elkaar onderling versterken. Aanpassing verordening In artikel 6.10f van de Omgevingsverordening is al een regeling opgenomen ter bevordering van functiemenging. Deze regeling kan eenvoudig worden verbreed naar functiemenging én meervoudig ruimtegebruik. Door deze verbreding kunnen we nog beter sturen op functiemenging, zowel horizontaal als verticaal.
De regeling houdt in dat bij opstellen van een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen of werken, rekening wordt gehouden met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. De term ‘rekening houden met’ houdt in dat de gemeente hierover een afweging moet maken. De regeling laat ruimte om gemotiveerd geen ruimte te bieden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. Er kunnen namelijk redenen zijn om in een specifieke situatie te kiezen voor enkelvoudig ruimtegebruik. Conclusie Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsverordening. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast. Artikel 6.10f Functiemenging komt als volgt te luiden: 6.10f Functiemenging en meervoudig ruimtegebruik
78
Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. In de toelichting van de verordening komt de toelichting over artikel 6.10f als volgt te luiden: In Zuid-Holland zijn veel verschillende ruimtevragers, zoals de energievoorziening, klimaatadaptatie, wonen, werken, landbouw en natuur, terwijl de beschikbare ruimte schaars is. Meervoudig ruimtegebruik stimuleert efficiënt en duurzaam gebruik van de schaarse grond in de provincie Zuid-Holland. Het combineren van functies is daarnaast gunstig voor onder meer het benutten van infrastructuur, het verkleinen van woon-werkafstanden, de uitwisselbaarheid van functies en het draagvlak van voorzieningen. Ook kunnen functies elkaar onderling versterken. In deze verordening spitsen we functiemenging en meervoudig ruimtegebruik toe op de functies wonen en werken. Het is belangrijk wonen en werken, waar mogelijk, dicht bij elkaar te brengen en voldoende ruimte te behouden voor bedrijvigheid en andere ruimtevragers. Grote delen van het stads- en dorpsgebied worden gekenmerkt door een sterke scheiding tussen wonen en werken. Als gevolg van transformatie van bedrijventerreinen en de bouw van monofunctionele woonwijken, wordt bedrijfsruimte steeds meer uit stad en dorp verdreven.
Om voldoende ruimte voor bedrijvigheid te behouden, te creëren en slim ruimtegebruik te stimuleren, wil de provincie inzetten op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik (naast de inzet van specifieke regels voor bedrijventerreinen). Door een sterke inzet op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik daar waar dat mogelijk is, kunnen bedrijventerreinen efficiënter worden benut door bedrijven die daar vanwege geluid-, verkeers-, stof- of geurhinder ook echt moeten zitten. Deze inzet op functiemenging en meervoudig ruimtegebruik is nodig omdat ruimte voor werken absoluut noodzakelijk blijft. Functiemenging in woningbouwplannen en in transformatiegebieden zorgt ervoor dat deze bedrijven ook ergens anders terecht kunnen, dan op een bedrijventerrein. Bedrijventerreinen leveren een substantiële bijdrage aan de werkgelegenheid, en leveren tevens toegevoerde waarde en innovatiekracht. Daarnaast kunnen ze een bijdrage geven aan de energietransitie en de circulaire ambities. Het scheiden van functies is niet altijd wenselijk. Door het scheiden van wonen en werken neemt de woonwerkafstand namelijk steeds verder toe. Ook werkt het inefficiënt ruimtegebruik in de hand. Bovendien zorgt te ver doorgevoerde functiescheiding ervoor dat veel bedrijven op een bedrijventerreinen zijn gevestigd die daar qua milieubelasting niet hoeven te zitten.
De provincie verwacht van gemeenten dat zij bij nieuwe plannen niet automatisch uitgaan van functiescheiding, enkel ruimtegebruik en een ontwikkeling naar rustige woonwijk of bedrijventerrein, maar dieper nadenken over de mogelijkheden van een ontwikkeling als ‘gemengd gebied’, gebruik makend van de ‘Staat van bedrijfsactiviteiten’ en de ‘Milieuzonering nieuwe stijl’, beiden publicaties van de VNG. Zo kunnen bedrijven die zich daar voor lenen een plek krijgen in woningbouwplannen, bijvoorbeeld langs de ontsluitingswegen. Ook kan functiemenging gerealiseerd worden door in te zetten op meervoudig ruimtegebruik. Met slimmere zoneringen en combinatiegebouwen is meer mogelijk dan nu vaak wordt gedacht en overwogen. Als wordt gekozen voor functiescheiding verwacht de provincie van gemeenten dat zij beargumenteren waarom functiemenging in het betreffende plan niet mogelijk is.
79
B9-6 Verblijfsrecreatieparken In artikel 6.10e van de omgevingsverordening is een verbod op permanente bewoning van recreatiewoningen opgenomen. Een uitzondering hierop geldt voor verblijfsrecreatieparken die zijn opgenomen in bijlage XI van de verordening. Er is niet aangegeven wanneer een park in aanmerking zou kunnen komen om op deze lijst te worden geplaatst. Daarom wordt de toelichting van de verordening op dit punt verduidelijkt. Er wordt een tekstblok toegevoegd met overwegingen die een rol kunnen spelen bij de afweging van de provincie om een park op de uitzonderingslijst te plaatsen. Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsverordening. In de toelichting wordt een tekstblok ingevoegd met overwegingen die relevant zijn voor de afweging om een verblijfsrecreatiepark uit te zonderen van het verbod op permanente bewoning. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast.
In de toelichting over artikel 6.10e wordt onderaan de bestaande tekst een tekstblok toegevoegd, luidende: Onderstaande overwegingen en aspecten zijn relevant voor de afweging van Provinciale Staten om een verblijfscreatiepark op bijlage XI te plaatsen, waardoor het verbod op permanente bewoning voor het betreffende park vervalt. Uitgangspunt is dat een park als geheel op de lijst wordt geplaatst, niet een gedeelte van een park.
-
Een substantieel deel van het totaal aantal recreatiewoningen wordt al langdurig permanent bewoond. Het betreft het daadwerkelijk uit de markt nemen van recreatiewoningen en moet geen
-
vervangingsvraag oproepen waardoor elders nieuwe recreatiewoningen nodig zijn. De naar wonen omgezette objecten moeten voldoen aan het Bouwbesluit (bestaande bouw). De naar wonen omgezette objecten mogen geen negatieve impact hebben op de bedrijfsvoering
-
van omliggende bedrijven. Dit kan bijvoorbeeld geurcirkels van agrarische bedrijven betreffen. Ook moet rekening worden gehouden met beperkingen vanuit onder meer geluid en milieu van onder andere omliggende windmolens, (provinciale) spoor-, weg en vaarroutes. -
Omzetting van objecten naar wonen is niet mogelijk in gebieden die liggen nabij het Natuur Netwerk Nederland of Natura2000 en de woningen daar een effect op kunnen hebben. Het toepassen van verevening van de waardevermeerdering door de omzetting voor eigenaren ten behoeve van maatschappelijke meerwaarde. Hierdoor zijn opbrengsten te benutten voor bijvoorbeeld het upgraden van gezamenlijke voorzieningen op de locatie zelf of voor recreatieve doeleinden elders.
-
Er zijn separate private afspraken nodig tussen gemeente en park (vereniging van eigenaren) over toekomstig beheer/onderhoud, toegankelijkheid, veiligheid en voorzieningen. Een verbinding is nodig met het woningbouwprogramma. Het omzetten van recreatiewoningen naar permanente bewoning heeft immers invloed op de woningvoorraad van een gemeente. In de situatie dat objecten naar wonen worden omgezet, wordt dit opgenomen te worden in het woningbouwprogramma van de gemeente en de woonregio.
80
-
-
B9-7
Een toets is nodig aan de Ladder voor Duurzame Verstedelijking. Aangetoond moet worden dat het aantal woningen dat wordt toegevoegd conform de behoefte is. De gemeente kan daarbij rekening houden met de voorgestelde lijn over het meetellen van de woningaantallen. Locaties die groter dan 3 hectare moeten op de kaart met grote buitenstedelijke bouwlocaties (‘3 hectare kaart’) worden geplaatst. Mogelijke gevolgen voor de bereikbaarheid dienen meegenomen te worden in de overweging van een omzetting. Dubbele functies van wonen gecombineerd met recreatie zijn niet wenselijk. Voor de lange termijn lijkt dit niet werkbaar. Per park is één plan wenselijk. Algemene aandachtspunten zijn handhaafbaarheid, uitvoerbaarheid en risico’s op speculatie in relatie tot mogelijke waardestijging door omzetting.