[T23.00497] Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module wonen, werken, en werelderfgoed
Tekst van het document
Aanleiding Bij behoud van erfgoed gaat het steeds om de betekenis van erfgoed voor onze omgeving, de bijdrage die het levert aan de ruimtelijke kwaliteit en identiteit van het landschap en aan de leefbaarheid en het welbevinden van bewoners en bezoekers (wonen, werken en recreëren). Beschermen, beleven en benutten van erfgoed is een omvangrijke en complexe zaak is. Een uitdaging die de provincie samen met de betrokken partijen oppakt. Ad 1. Werelderfgoed is van unieke en universele waarde, en zodoende van groot belang voor de kwaliteit en identiteit van de leefomgeving in Zuid-Holland. Op basis van Rijksregels dient de provincie regels te stellen voor de bescherming van dit erfgoed. In juli 2021 zijn de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes door het Werelderfgoedcomité van UNESCO aangewezen als Werelderfgoed. Deze aanwijzingen vormen de basis voor de uitwerking van de kernkwaliteiten van beide Werelderfgoederen. Ad 2. Kroonjuwelen zijn zeer karakteristieke en waardevolle cultuurlandschappen in Zuid-Holland. Ze bepalen de kwaliteit en identiteit van de bebouwde en groene ruimte in de provincie, en vertellen de geschiedenis van Zuid-Holland. Deze landschappen en complexen zijn geïnventariseerd en gewaardeerd in de provinciale Cultuurhistorische Atlas van Zuid-Holland. Ad 3. Historische windmolens zijn iconen van Zuid-Holland.
Onze provincie telt 224 complete molens, maar liefst een vijfde van het Nederlandse molenbestand. Zuid-Holland zonder zijn historische windmolens is ondenkbaar. Het zijn blikvangers in het landschap en op buitenlandse toeristen hebben zij een grote aantrekkingskracht. Een molen moet kunnen draaien en malen, want ‘rust
41
roest’. Bovendien is een draaiende molen - als functionerend monument - van extra waarde voor zijn omgeving. Ad 4. Landgoederen en kastelen zijn een kenmerkende combinatie van cultuurhistorie, natuur en landschap voor Zuid-Holland. Daarbij gaat het niet alleen om het monument op zich maar ook om zijn omgeving en de ensemblewaarde (biotoop). De provincie wil die waarden van de historische landgoederen en kastelen integraal mee (laten) wegen in ruimtelijke ordenings- en ontwikkelingsprocessen ter verbetering van de fysieke leefomgeving.
Provinciaal belang Ad 1. Op basis van Rijksregels dient de provincie de bescherming van de kernkwaliteiten van Werelderfgoed verder uit te werken in de omgevingsverordening. Dit belang overstijgt dat van individuele gemeenten en regio’s omdat het uniek erfgoed betreft op mondiaal schaalniveau. Naar aanleiding van de verworven status van Werelderfgoed zijn de kernkwaliteiten nader uitgewerkt voor de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes in de omgevingsverordening. Bescherming van de uitzonderlijke universele waarde (Outstanding Universal Value, OUV) is vereist. Onderscheiden worden meerdere beschermingszones met ieder eigen regels om de kernkwaliteiten van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en Neder-Germaanse Limes te behouden en aantasting te voorkomen. Voor een opsomming van de genoemde beschermingszones: zie onder het kopje ‘Toelichting en nadere uiteenzetting beleid’. Ad 2. De aangewezen kroonjuwelen zijn iconen van de Hollandse ruimte en identiteit. Het provinciaal belang betreft behoud, versterking en verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van dit erfgoed. Dit doet de provincie mede vanuit een wettelijke taak. Dit belang overstijgt dat van individuele gemeenten en regio’s. Sommige landschappen en ensembles zijn zelfs uniek in de wereld zoals de karakteristieke veenweidegebieden en het Schurvelingenlandschap op Goeree.
Vaak sluit dit provinciaal belang aan op rijks- en gemeentelijk belang. Zo bevinden er zich binnen de provinciale erfgoedgebieden of kroonjuwelen veel beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten. Ad 3. Zuid-Holland zonder zijn historische windmolens is ondenkbaar. Ze zijn iconen en blikvangers in het landschap en op buitenlandse toeristen hebben zij een grote aantrekkingskracht. Gezien het grote belang van historische windmolens voor Zuid-Holland is hier sprake van een provinciaal belang wat het niveau van de gemeente te boven gaat. Vanuit haar ambitie voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aantrekkelijke leefomgeving stelt de provincie zodoende bij historische windmolens regels voor behoud van hun omgeving en ten behoeve van het functioneren. Deze ‘molenbiotoopregel’ kent een verschil tussen landelijk en stedelijk gebied. Voor het stedelijk gebied is de regel soepeler, om zo rekening te houden met de grotere druk op de ruimte.
42
Ad 4. De meeste van de ca 150 historische landgoederen en kasteelplaatsen in Zuid-Holland zijn ook van nationaal belang. Doorgaans is het hoofdgebouw beschermd als rijksmonument. Dat geldt vaak ook voor het bijbehorende landgoedpark. De wijdere omgeving is vaak niet beschermd. Die omgeving - met zijn groene en statige karakter - bepaalt in sterke mate de identiteit en unieke kwaliteit van een gebied. Om er voor te zorgen dat dit unieke culturele erfgoed niet verloren gaat, heeft de provincie een zogeheten ‘landgoed- en kasteelbiotoop‘ ingesteld. Hier geldt - in aanvulling op de bescherming van monumentale objecten - een bredere ruimtelijke bescherming voor het landgoed- of kasteelensemble.
Toelichting en nadere uiteenzetting beleid Zuid-Holland wil een toonaangevende provincie zijn waar mensen met plezier wonen, werken en recreëren. Daartoe verbeteren wij de kwaliteit van de leefomgeving. Cultuur en erfgoed zijn daarin belangrijke factoren. De provincie wil daarom haar unieke erfgoed behouden voor toekomstige generaties, door dit erfgoed te beschermen, beleefbaar te maken en te benutten. Ad 1. Het meest bijzondere erfgoed in Zuid-Holland is door Unesco aangewezen als Werelderfgoed. Het gaat om cultureel en groen erfgoed dat van unieke en universele waarde is. Zuid-Holland kent vier werelderfgoederen: het molengebied van Kinderdijk, de Neder-Germaanse Limes, de Hollandse Waterlinies, waarvan de Nieuwe Hollandse Waterlinie onderdeel uitmaakt en de Van Nellefabriek in Rotterdam. Hollandse Waterlinies Voor de beschrijving van de beschermingszone Hollandse Waterlinies inclusief de bijbehorende regels waaraan een omgevingsplan moet voldoen, wordt verwezen naar de omgevingsverordening. Kernkwaliteiten Hollandse Waterlinies : De Nieuwe Hollandse Waterlinie is onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en strekt zich uit over de provincies Noord- en Zuid-Holland en Utrecht. Het is een oude verdedigingslinie, zodanig ontworpen en aangelegd dat water gebruikt kon worden als afweermiddel bij vijandelijke invallen.
Vanaf 1815 werd deze verdedigingslinie ingericht met de stad Utrecht als centraal punt. De 85 kilometer lange Nieuwe Hollandse Waterlinie strekte zich uit van de voormalige Zuiderzee (IJsselmeer) bij Muiden, via de Vecht en de belangrijke garnizoenstad Utrecht, naar Vreeswijk en vandaar naar de Diefdijk, via Asperen naar Gorinchem en de Biesbosch. Deze verdedigingslinie functioneerde van 1815 tot 1963 en bestaat uit de volgende samenhangende onderdelen en kernkwaliteiten : inundatiegebieden en verdedigingswerken waaronder forten, batterijen, lunetten, kazematten en groepsschuilplaatsen in samenhang met hun omgeving, voormalige schootsvelden en verboden kringen rondom de forten, diverse waterwerken zoals sluizen en dijken, in het bijzonder de Diefdijk, en overige elementen als beschutte wegen, loopgraven en tankgrachten. Slechts een klein deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie ligt binnen Zuid-Holland. Te weten : de historische vestingstructuur van de vesting Gorinchem, enkele liniedijken (Dalemsedijk, Merwededijk, Waaldijk, Zuiderlingedijk), met aan die liniedijken een aantal kleinere verdedigingswerken (onder andere de Dalemse sluis). Kenmerkend zijn de dijkwielen en forten met schootsvelden.
43
De overige delen van de Nieuwe Hollandse Waterlinie liggen buiten de provincie Zuid-Holland en de Zuid-Hollandse delen die behoren tot de Oude Hollandse Waterlinie hebben geen UNESCO Werelderfgoed status. Richtsnoer voor nieuwe activiteiten:
-
behouden en versterken van de kwaliteiten van de Hollandse Waterlinies met aandacht voor de samenhang van alle onderdelen van dit ensemble; bewaren van het open zicht van de polders grenzend aan de liniedijken;
-
herkenbaar houden van het profiel van de liniedijken als historische dijk.
-
Neder-Germaanse Limes Kernzones 1 en 2 : Kernzone 1 bevat de door het Rijk als archeologisch monument aangewezen locaties die deel uitmaken van het fort Praetorium Agrippinae in Valkenburg Centrum, de burgerlijke nederzetting Valkenburg – De Woerd, beiden in de gemeente Katwijk, het fort Matilo in Roomburg/ Meerburg in de gemeente Leiden, de Romeinse stad Forum Hadriani op de locatie Arentsburgh in Voorburg, gemeente Leidschendam-Voorburg en het Corbulokanaal tussen Forum Hadriani en fort Matilo, gelegen in de gemeente Leidschendam-Voorburg en in de gemeente Voorschoten. Kernzone 2 bevat de locaties in Zuid-Holland die door UNESCO zijn aangewezen als Werelderfgoed. Het gaat hier om het fort Praetorium Agrippinae in Valkenburg Centrum met uitzondering van de onder kernzone 1 aangewezen rijksmonumenten. De kernkwaliteiten en de regels waaraan een omgevingsplan moet voldoen voor genoemde locaties zijn opgenomen in de omgevingsverordening. Het uitgangspunt daarbij is behoud van de uitzonderlijke universele waarde in de oorspronkelijke staat, ook wel ‘in situ’ genoemd. Voor een uitgebreide beschrijving van de kernkwaliteiten per locatie is wordt verwezen naar het document op de website www.Limeswerelderfgoed.nl getiteld ‘UNESCO sites, begrenzingen van kern- en bufferzones’.
Bufferzone: Zone, aangewezen door UNESCO, in aansluiting op de kernzone met een archeologische verwachtingswaarde en behoud ‘in situ’ als uitgangspunt waarbij de provincie de gemeente vraagt een regeling op te nemen in het omgevingsplan met voldoende bescherming. UNESCO schrijft voor dat er als extra bescherming rond een kernzone een ‘bufferzone’ wordt gedefinieerd. Een bufferzone kan bijvoorbeeld delen van een site omvatten waar wel archeologische structuren te verwachten zijn, maar deze nog onvoldoende zijn aangetoond. Verder kan een bufferzone delen van een archeologisch complex logisch met elkaar verbinden, ook als de archeologische resten in dat tussenliggende deel zijn verstoord. Voor een bufferzone gelden minder strenge eisen dan voor een kernzone, maar ze hebben toch een bijzondere status. Voorafgaand aan de realisering van ruimtelijke ontwikkelingen dient de complete archeologische afwegingscyclus te zijn afgerond. Wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave en behoud ‘in situ’ niet mogelijk is dan kan behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ worden toegelaten door het bevoegd gezag wanneer genoemde belangen prevaleren.
De afwegingscyclus bestaat uit de volgende stappen: is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch
44
vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven. Voor de bescherming van de Neder-Germaanse Limes wordt een provinciale adviescommissie archeologie opgericht die bijstaat in het archeologische proces. Voor de beschrijving van deze zone inclusief de bijbehorende regels waaraan een omgevingsplan moet voldoen wordt verwezen naar de omgevingsverordening. Neder-Germaanse Limes verwachtingszone: Zone, aangewezen door de provincie, met een archeologische verwachtingswaarde die een gebied omvat ruimer dan Kernzone 1 en 2 en de Bufferzone. Evenals in de bufferzone vraagt de provincie de gemeente een regeling op te nemen in het omgevingsplan met voldoende bescherming. Voorafgaand aan de realisering van ruimtelijke ontwikkelingen dient de complete archeologische afwegingscyclus te zijn afgerond. Wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave en behoud ‘in situ’ niet mogelijk is dan kan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ worden toegelaten door het bevoegd gezag wanneer genoemde belangen prevaleren.
De afwegingscyclus bestaat uit de volgende stappen: is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven. Voor de beschrijving van deze zone inclusief de bijbehorende regels waaraan een omgevingsplan moet voldoen wordt verwezen naar de omgevingsverordening.
Gebied met hoge of zeer hoge bekende archeologische waarden: Het ‘gebied met hoge of zeer hoge bekende archeologische waarden’ is van provinciaal belang. Dit betekent dat alleen functies mogelijk zijn die deze waarden beschermen. Het gaat om bekende waarden buiten de Kernzones van de Neder-Germaanse Limes. De gebieden met deze waarden kunnen dus liggen binnen de Bufferzone of de Verwachtingszone van de Neder-Germaanse Limes, of daarbuiten. Het uitvoeren van activiteiten kan pas starten na afronding van de archeologische afwegingscyclus. Wanneer er sprake is van andere zwaarwegende belangen zoals de aanleg van wegen, infrastructuur, warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave en behoud ‘in situ’ niet mogelijk is dan kan het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ worden toegelaten door het bevoegd gezag wanneer genoemde belangen prevaleren. De afwegingscyclus bestaat uit de volgende stappen: is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven. Ter ondersteuning wordt een provinciale adviescommissie archeologie samengesteld.
Kernkwaliteiten Neder-Germaanse Limes :
45
Neder-Germaanse Limes is de locatie bekend als de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot in Remagen in Duitsland loopt. In Nederland betreft dit het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland, waarvan de geometrische begrenzing bij ministeriële regeling is vastgelegd. In Duitsland loopt de vroegere Romeinse rijksgrens door de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Pals. Kernkwaliteiten van de Neder-Germaanse Limes zijn: a. de unieke, samenhangende en goed bewaard gebleven (militaire) grens van het voormalige Romeinse Rijk; en b. archeologische overblijfselen uit de periode 20 voor tot 450 na Christus langs, en samenhangend met, de toenmalige loop van de Rijn, bestaande uit: 1°. militaire versterkingen (legioensvestigingen, forten, wachttorens, tijdelijke kampen), burgerlijke nederzettingen, tempel en grafvelden; 2°. overige militaire infrastructuur, bestaande uit wegen, bruggen, havens, oeverwerken, kanaal, aquaduct, pannenbakkerij; 3°. verlande delen van de rivier met scheepswrakken en afvallagen. Richtsnoer voor nieuwe activiteiten: -
ontwikkelingen dragen bij aan de instandhouding van de uitzonderlijke universele kernkwaliteiten van het werelderfgoed. Ontwikkelingen zijn alleen mogelijk als ze de ‘kernkwaliteiten’ behouden of versterken.
Behoud van de kernkwaliteiten is mogelijk, indien wordt voldaan aan de regels voor archeologische bescherming in de omgevingsverordening waarbij behoud in de oorspronkelijke staat - ‘in situ’ - van de aangewezen locaties het uitgangspunt is. Voor de geometrische begrenzing en de beschrijving van de kernkwaliteiten van de Zuid-Hollandse Werelderfgoed locaties wordt verwezen naar de ‘Site Catalogus The Netherlands’. In Zuid-Holland zijn de volgende locaties aangewezen als onderdeel van het UNESCO Werelderfgoed: -
Valkenburg Centrum, castellum Praetorium Agrippinae; Valkenburg – De Woerd, burgerlijke nederzetting;|
-
Leiden-Roomburg/Meerburg, castellum Matilo; Voorburg-Arentsburg, Forum Hadriani, Romeinse stad; Voorschoten/Leidschendam, Corbulokanaal
Ad 2. Cultuurhistorische kroonjuwelen zijn unieke, zeer karakteristieke en gave ensembles van erfgoed en landschap in Zuid-Holland. Deze waardevolle historische landschappen en ensembles zijn van groot belang voor de kwaliteit van onze leefomgeving. Ze bepalen de identiteit van de bebouwde en groene ruimte in de provincie, en vertellen de geschiedenis van Zuid-Holland. De provinciale kroonjuwelen zijn: de Landgoederenzone, het Kagerplassengebied, de Keukenhof, de kerngebieden van Midden-Delfland en de Krimpenerwaard, Aarlanderveen e.o., de Oude Hollandse Waterlinie, de lintdorpen Meije en Weipoort, het Schurvelingengebied op Goeree Overflakkee, het molencomplex van Kinderdijk en Polder de Biesbosch op het Eiland van Dordrecht.
46
Hier vormen de aanwezige cultuurhistorische waarden dé bepalende drager bij ruimtelijke ontwikkelingen. Dit betekent overigens niet dat gebieden ‘op slot’ moeten. Want de provincie wil ook ruimte bieden aan nieuwe ontwikkelingen. Daarom is ‘behoud door ontwikkeling’ het leidende thema. Waar het om gaat is dat een ontwikkeling past binnen de aanwezige cultuurhistorische kwaliteiten of liever nog: die kwaliteiten versterkt en verbetert. Alle kroonjuwelen zijn beschreven in de Omgevingsvisie Zuid-Holland, met daarbij specifieke richtpunten voor behoud en ontwikkeling. Ad 3. Bijna alle 224 historische windmolens in Zuid-Holland zijn ook van nationaal belang (beschermd als rijksmonument). Via de provinciale molenbiotoop wordt aanvullend op het behoud van het monumentale object ook de omgeving van het monument beschermd, door het behouden van vrij zicht en voldoende windvang. Een molen moet immers kunnen draaien en malen, want ‘rust roest’. Bovendien is een draaiende molen - als functionerend monument - van extra waarde voor zijn omgeving. Het is bij het draaien van belang dat de windvang niet door obstakels belemmerd wordt. Een molen draagt veel bij aan de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, maar dan moet je hem wel kunnen zien. Allemaal goede redenen om de ruimte rond een molen zo veel mogelijk van (hoge) bebouwing en beplanting vrij te houden.
Dat is het doel van de ‘molenbiotoop’ in de omgevingsverordening. Ad 4. De provincie wil de waarden (monument en/of ensemblewaarde) van de historische landgoederen en kastelen integraal mee (laten) wegen in ruimtelijke ordenings- en ontwikkelingsprocessen. Dit vanuit de opvatting dat dit onderwerp bij uitstek van bovenregionaal schaalniveau is, en zodoende (mede) een opgave is voor de provincie.
A6 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Aanleiding en toelichting beleidsaanpassing De Beleidskeuze Toekomstbestendig bouwen is vanaf de Herziening 2021 in de Omgevingsvisie opgenomen. Onderdeel hiervan waren al Risico’s van klimaatverandering, Energiehuishouding, Circulaire en/of biobased grondstoffen en producten, Natuur inclusieve ontwikkeling en Gezonde en veilige leefomgeving. Met deze module worden Emissieloze oplossing en Drinkwaterbesparing aan de beleidskeuze toegevoegd. Daarnaast wordt de beleidskeuze geactualiseerd met de meest recente beleidsmatige inzichten over de andere duurzaamheidsopgaven en wordt meer aandacht gegeven aan een meer integrale benadering. In de Herziening 2021 zijn in de Omgevingsverordening tevens instructieregels opgenomen over Risico’s van klimaatverandering. Omdat dit onderwerp onder Toekomstbestendig bouwen samenkomt met de andere duurzaamheidsopgaven, is in de vorige module (Module Ruimte en Wonen) de titel al gewijzigd in Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen, vooruitlopend op latere toevoegingen. Met de nu voorliggende module wordt hier een eerste invulling aan gegeven en worden ook de hiervoor genoemde overige duurzaamheidsopgaven toegevoegd aan de Omgevingsverordening. De instructieregels over Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen zijn bedoeld om gemeenten te stimuleren na te denken over kansen en mogelijkheden hiervoor.
Gemeenten (en initiatiefnemers) worden gevraagd om bij initiatieven voor woningbouw de mogelijkheden en kansen te betrekken om woningen nog toekomstbestendiger te maken dan de huidige wettelijke eisen al voorschrijven. Dit onder andere ook als anticipatie op in voorbereiding zijnde nieuwe landelijke wet- en regelgeving, zoals de Maatlat klimaatadaptatie. Naast de inzet van ander instrumentarium wordt hiermee een versnelde ontwikkeling van Toekomstbestendig bouwen beoogd. In de instructieregels worden geen onderzoeken, maatregelen en/of normen opgelegd. 47
Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De aanpassing van de Omgevingsvisie is hieronder weergegeven. De beleidskeuze ‘Toekomstbestendig bouwen’ komt als volgt te luiden:
Beleidskeuze Toekomstbestendig bouwen De provincie wil zorgen voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied dat zorgt voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving. Een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling dient (in toenemende mate) en in samenhang met elkaar:
-
Energiepositief te zijn, door optimaal in te zetten op besparing van elektriciteits- en warmte/koeltevraag, het benutten van rest- en aardwarmte en omgevingskoude en het zoveel mogelijk in hernieuwbaar opgewekte elektriciteit te voorzien – door zo mogelijk meer te produceren dan zelf wordt gebruikt. Onder een energiepositieve bijdrage hoort ook het bieden van systeemdiensten, zoals bijdragen aan afvlakking van vraagpieken, het bufferen van aanbodpieken van duurzaam geproduceerde energiedragers en het
-
deelnemen aan gezamenlijk beste oplossingen (die individueel niet te veel benadelen). Klimaatbestendig en waterrobuust te zijn ook op slappe ondergrond. Daarmee wordt bedoeld dat het nieuw ingerichte gebied en de omgeving goed blijft functioneren in
-
extreme weersomstandigheden. Klimaatadaptief bouwen is daarom de norm in ZuidHolland. Uit te gaan van natuurinclusief bouwen om daarmee de biodiversiteiten variatie aan
-
biotopen voor de stedelijke soorten in het bebouwde gebied duurzaam te behouden en te versterken. Circulaire en biobased oplossingen te bieden bij realisatie en beheer door een verantwoord materiaalgebruik en het hanteren van de ontwerpprincipes modulariteit en losmaakbaarheid, zodat er kan worden ingespeeld op een veranderde behoefte in de toekomst.
-
-
Uit te gaan van het zoveel mogelijk toepassen van emissieloze oplossingen voor zowel de bouwfase als gebruiksfase, oplossingen die emissies van in ieder geval NOx en CO 2 zoveel mogelijk beperken, om daarmee een toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving te bevorderen. In te zetten op drinkwaterbesparende maatregelen in en rond de woning om de druk op de drinkwatervoorziening en het watersysteem te verlichten. Gezonde en veilige leefomgeving te bevorderen; die een gezonde leefstijl ondersteunt, met een beweegvriendelijke leefomgeving voor sport en beweging stimuleert en waarin een goede milieukwaliteit wordt beschermd en bevorderd.
In ruimtelijke visies en plannen wordt opgenomen hoe ruimtelijke ontwikkelingen zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering en invulling wordt gegeven aan een energiepositieve bijdrage, klimaatadaptatie, tegengaan van bodemdaling, natuurinclusiviteit, circulariteit, emissieloos, drinkwaterbesparend en een gezonde bebouwde leefomgeving. Tevens zet de provincie via diverse provinciale programma’s in op versnelling van de realisatie van
48
toekomstbestendige woningbouw in Zuid-Holland. Dit doet de provincie vanuit verschillende rollen in samenwerking met verschillende partners. Aanleiding: Een combinatie van opgaven liggen ten grondslag aan de keuze voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied; Eén van de grootste uitdagingen voor Nederland de komende jaren is klimaatverandering. Conform het klimaatakkoord van Parijs en het nationale Klimaatakkoord werken we aan het fors reduceren van de broeikasgasemissies. Dit vraagt een energievoorziening (warmte/koelte en elektriciteit) in onze leefomgeving die is geoptimaliseerd en gebaseerd op hernieuwbare energie. opgave energieDe bouw en ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving vraagt om materiaalgebruik met een lage CO2-uitstoot en mogelijkheden tot hergebruik, conform het Nationaal Grondstoffenakkoord. Bovendien draagt circulariteit bij aan een verlaging van andere emissies zoals stikstof, en zorgt het voor een gezondere leefomgeving, met name door het gebruik van biobased bouwmaterialen. Daarnaast vraagt klimaatverandering dat onze bebouwde leefomgeving moet worden aangepast, anticiperend op de verwachtingen die bij het veranderende klimaat horen: extreme neerslag, hittestress, langere periodes van droogte en een grotere kans op overstromingen en de bodem die blijft dalen.
In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en Nationaal Bestuursakkoord Klimaatadaptatie is afgesproken dat we onze leefomgeving weerbaarder te maken tegen de gevolgen van klimaatverandering. De beleidskeuze voor een toekomstbestendig ingericht bebouwd gebied is er dan ook op gericht om schade door hevige neerslag, bij langdurige droogte, tijdens perioden van hitte, in relatie tot bodemdaling en/of als gevolg van overstromingen te voorkomen of te beperken. Groene, natuur-inclusieve maatregelen hebben daarbij de voorkeur (‘groen tenzij’) om tevens de biodiversiteit te vergroten. Tegelijkertijd speelt de grote verstedelijkingsopgave in Zuid-Holland, waarin wonen, werken en recreëren samenkomen in onze bebouwde leefomgeving. In de komende jaren worden veel woningen toegevoegd en wordt gewerkt aan voldoende en intensief gebruik van werklocaties conform het Verstedelijkingsakkoord van Rijk en regio. -opgave verstedelijkingHet beleid van de provincie is conform onze kerntaken en de afspraken uit het Klimaatakkoord gericht om de natuur en de biodiversiteit in onze provincie in stand te houden én te verbeteren. In het bestaand stads- en dorpsgebied leeft een deel van de kwetsbare Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten (VHR-soorten). De provincie is wettelijk verantwoordelijk voor de staat van instandhouding van deze soorten.
Met de druk op de ruimte neemt ook de druk op deze soorten verder toe. De biodiversiteit is de laatste jaren in het stedelijk gebied toegenomen door meer variatie aan klein- en grootschalige stedelijke biotopen. Door natuurinclusief te bouwen zetten we deze ontwikkeling door. Indien de soorten zich in een goede staat bevinden, biedt dat ook kansen om meer te kunnen ontwikkelen. De komende jaren worden vele nieuwe woningen gebouwd en de bevolkingsgroei heeft impact op het drinkwatergebruik. De beschikbaarheid van natuurlijk water af neemt en het vinden van voldoende schone drinkwaterbronnen wordt steeds moeilijker. Toenemende drinkwatervraag zet de toekomstige drinkwatervoorziening en het watersysteem als geheel onder druk. Het toepassen van waterbesparende maatregelen bij renovatie of nieuwbouw van woningen is een kans om bewust en zuinig met drinkwater om te gaan en de druk op de drinkwatervoorziening en het 49
watersysteem te verlichten. De bebouwde omgeving vormt de primaire plek waar we in Zuid-Holland verblijven. Vanuit diverse akkoorden, zoals het Nationaal Preventieakkoord en Schone Luchtakkoord, wordt het belang van een gezonde, schone en veilige leefomgeving steeds verder onderschreven. Door onze dagelijkse woon- en werkomgeving in te richten welke uitnodigt tot sport, ontspanning en beweging draagt die bij aan ons welzijn en gezondheid. Aangevuld door bevorderen van de milieukwaliteit, bescherming tegen hinder en risico’s. -opgave gezond en veiligOok om latere onwenselijke situaties en extra investeringen in de toekomstige bebouwde leefomgeving te voorkomen kiest de provincie Zuid-Holland voor toekomstbestendig bouw. Motivering Provinciaal Belang: In deze beleidskeuze komen verschillende wettelijke taken en opgaven van de provincie vanuit de Omgevingswet en de uitwerking van diverse thematische akkoorden integraal samen, met als doel bij te dragen aan: een duurzame ruimtelijke ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving; creëren van een veilige en schone leefomgeving op het gebied van milieu, energie, klimaat en emissies; versterking van het vestigingsklimaat voor bedrijven én natuur in de bebouwde leefomgeving.
Door regionale afstemming in beleid kan worden voorkomen dat onderlinge concurrentie tussen gemeenten afbreuk doet aan een evenwichtige toekomstbestendige ontwikkeling van functies aan locaties op lokale en (boven)regionale schaal. Zo draagt de provincie bij aan een toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving in Zuid-Holland. Toelichting: Zuid-Holland is de dichtst verstedelijkte provincie van Nederland. In de komende jaren moet er bovendien fors worden bijgebouwd om in de behoefte aan wonen en werken te kunnen voorzien. Vanuit onze provinciale taak voor duurzame ruimtelijke ontwikkeling werkt de provincie aan voldoende woningen en versterken van de regionale economie. Onder meer de leefbaarheid van het (nieuwe) stedelijk gebied en vestigingsklimaat voor bedrijven kunnen onder druk komen te staan als gevolg van klimaatverandering en intensiever ruimtegebruik vaak in combinaties van verschillende functies. En daarmee kan het leef- en vestigingsklimaat van Zuid-Holland negatief worden beïnvloed. Ruimtelijke plannen ontwikkelen we voor de vraag van nu, maar ook die van later. Daarom is het verstandig om nu woon- en werkplekken te bouwen die berekend zijn op eisen van vandaag maar ook zijn toegerust op die van de afzienbare toekomst.
Tegelijkertijd is het gezien de grootte en urgentie van de verstedelijkingsopgave ook noodzakelijk om snel te bouwen waarbij we oog houden voor de betaalbaarheid bij realisatie én beheer. Om onwenselijke schade, hinder en extra investeringen als gevolg van klimaatverandering in de toekomst te voorkomen is daarom met het Convenant Klimaatadaptief bouwen afgesproken dat klimaatbestendig bouwen in de provincie Zuid-Holland de norm is. Het convenant stimuleert partijen om klimaatadaptief te bouwen en biedt daarvoor allerlei ondersteuning aan, waaronder de Leidraad Klimaatbestendig Bouwen (versie 2.0, Maart 2022) met een programma van eisen in de vorm van een ‘Prestatietabel’. De leidraad ondersteunt bij het concretiseren van de klimaatambities en het beoordelen van de gebiedsontwikkeling op de thema’s. De directe aanwezigheid en toegankelijkheid van voldoende groen en water in bebouwd gebied is 50
een duurzame oplossing voor het tegengaan van wateroverlast en hittestress en levert een bijdrage aan een gezonde leefomgeving. In de gebouwde leefomgeving zet de provincie gezamenlijk met de steden in op het realiseren van groenblauwe locaties, waarbij voldoende aandacht is voor klimaatadaptatie, biodiversiteit en sport en recreatie. De provincie stimuleert biodiversiteit in de nabijheid van ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de wettelijke kaders treedt de provincie waar mogelijk ook regulerend op, bijvoorbeeld door het meenemen van maatregelen ter versterking van biodiversiteit bij nieuwbouw verplicht te stellen. Ook de landelijke Agenda Natuurinclusief biedt hiervoor een kader waarin de provincie haar rol neemt. De provincie Zuid-Holland wil circulaire bouwinnovaties stimuleren en opschalen voor een klimaatneutrale en versnelde realisatie van de verstedelijkingsopgave. Ook in de bouw beperken we de CO2-uitstoot bij traditionele materialen zoals beton en staal en meer gebruik van materialen met een lage CO2-uitstoot. Circulair bouwen richt zich op circulariteit van materialen én het bouwproces. Hierbij zijn de bouwproducten van nu de grondstoffen van later. Het sluiten van de afvalkringloop (dus geen nieuw afval creëren) staat hierbij centraal. Bij biobased bouwen zijn materialen gemaakt van hernieuwbare grondstoffen.
In het bouwproces wordt rekening gehouden met modulair & losmaakbaar bouwen om het hergebruik in de toekomst te vergemakkelijken. De Provincie Zuid-Holland wil emissieloze oplossingen voor zowel de bouwfase als de gebruiksfase van het stedelijk gebied bevorderen om daarmee te komen tot een duurzaam toekomstbestendige inrichting van de bebouwde leefomgeving. Het gaat daarbij primair om het beperken van de uitstoot van CO2 en NOx, en daarnaast om de uitstoot van andere, voor de gezondheid schadelijke stoffen zoals fijnstof. Het gebruik van meer regenwater voor huishoudelijke doeleinden, zoals de was en het doorspoelen van toiletten kan tot significante drinkwaterbesparing leiden. Informatie hierover wordt onder andere gegeven door de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin). De fysieke leefomgeving heeft een grote invloed op de gezondheid en veiligheid van de inwoners van Zuid-Holland. De provincie streeft daarom de bebouwing zo in te richten dat deze uitnodigt tot gezond gedrag, zoals sport en beweging. Waarbij een goede milieukwaliteit wordt bevorderd en de leefomgeving wordt beschermd tegen hinder en risico’s. Tot slot leidt energiepositief bouwen tot minder druk op het open landschap voor het realiseren van grootschalige vormen van hernieuwbare opwekking van elektriciteit.
Slim en effectief koppelen van eisen helpt om de juiste beslissingen te nemen voor een prettige, gezonde en veilige leefomgeving op alle ontwikkellocaties in Zuid-Holland. Naast inzet van het ruimtelijk instrumentarium zet de provincie ook in op kennisontwikkeling, kennisuitwisseling, coalitievorming en het beschikbaar stellen van subsidies. Zo werken we aan ontwikkeling van de bebouwde leefomgeving waar we de komende decennia nog steeds trots op zijn.
51
B Wijziging Omgevingsverordening B1 Wonen Aanleiding en beschrijving aanpassing verordening De grote woningbouwopgave, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, vraagt om aanpassingen van het provinciaal beleid over wonen. Uit de verschillende beleidsprogramma's van het ministerie van BZK blijkt dat voor provincies binnen de volkshuisvesting een sterkere regierol is voorzien. In onderdeel A1 (Omgevingsvisie) is uitgebreid stilgestaan bij de woningbouwopgave en de doelstellingen die daaruit volgen. Om deze doelstellingen te bereiken, zet de provincie naast het instrument Omgevingsvisie (onderdeel A1) ook het instrument Omgevingsverordening in. In de Omgevingsverordening worden de doelstellingen gekoppeld aan regels voor omgevingsplannen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen voor wonen mogelijk maken met als doel de doorwerking richting de gemeenten te verankeren. De woningbouwopgave is groot en de daaruit volgende doelstellingen op het gebied van sociale huur, betaalbaarheid en het vergroten van de voorraad van woningcorporaties overstijgen de gemeentelijke grenzen. De woningmarkt is regionaal. Afgelopen jaren is door de provincie al steeds meer ingezet op regionale afspraken om te komen tot de juiste woning op de juiste plek. De provincie ziet dit als onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De actuele Woningbehoefteverkenning is voor de provincie uitgangspunt voor gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. De provincie wil samen met gemeenten en andere partijen op regionaal niveau voorzien in voldoende passende woningen voor verschillende doelgroepen. Op dit moment kunnen gemeenten samenwerken aan een regionale woonvisie met het bijbehorende regionale woningbouwprogramma, om daarmee de Ladder voor Duurzame Verstedelijking gedeeltelijk te doorlopen. In praktijk worden de samenwerkende gemeenten jaarlijks gevraagd hun regionale woningbouwprogramma aan te passen aan de actuele regionale behoefte en hun planvoornemens daarop aan te passen. Indien de provincie het regionale woningbouwprogramma vaststelt, hebben die gemeenten een procesvoordeel bij het doorlopen van de Ladder bij een omgevingsplan voor een nieuw stedelijke ontwikkeling voor wonen. Naast de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma worden in sommige regio's voor specifieke doelgroepen extra bestuurlijke afspraken gemaakt. Deze bestuurlijke afspraken ziet de provincie als toevoeging aan de regionale woonvisie. Het Rijk heeft daarnaast verzocht om regionale realisatieagenda's te maken. Deze agenda's zijn specifiek gericht op de uitvoering van al deze afspraken.
De provincie beoordeelt of het regionale woningbouwprogramma voldoet aan de regionale behoefte in kwantitatieve zin en in kwalitatieve zin of het voldoet aan de in de omgevingsvisie genoemde doelstellingen:
-
minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouw); waarvan de helft in portefeuille van woningcorporaties, dus minimaal 1/3 in portefeuille van
-
woningcorporaties vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouw); streven naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente
-
De provincie beoordeelt het halen van de bovengenoemde doelstellingen in het regionale woningbouwprogramma vanuit het uitgangspunt: we streven naar het maximaal haalbare, niet het 52
onmogelijke. In de Omgevingsvisie staat aangegeven hoe GS hierin handelen. Mocht de situatie zich voordoen dat er tussen provincie en regio geen regionale afspraken over de behalen doelstellingen mogelijk zijn dan zijn genoemde percentages (2/3 betaalbare woningbouw en 30% sociale huur) per omgevingsplan van toepassing. In de Omgevingsvisie is de doelstelling minimaal 2/3 betaalbare woningbouw uitgesplitst in minimaal 1/3 in portefeuille bij corporaties (sociale huur en middenhuur) en minimaal 1/3 middenhuur en betaalbare koop. Omdat in een omgevingsplan niet staat aangeven welke partij (woningcorporaties of marktpartijen) de woningen gaat bouwen / in portefeuille neemt kan de provincie in het kader van de omgevingsverordening alleen maar toetsen op de doelstelling minimaal 2/3 betaalbare woningbouw en minimaal 30% sociale huur. In de omgevingsverordening worden door middel van instructieregels de doelstellingen gekoppeld aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling dat een omgevingsplan mogelijk maakt. De huidige manier van werken met de systematiek van regionale afstemming (regionale woningbouwprogrammering) blijft in stand. In het geval dat er geen regionaal woningbouwprogramma is, ontstaat de situatie dat (aanvullende) regionale afspraken mogelijk zijn. Dit is in de visie beschreven.
Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast. In artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen komt het tweede lid (over voldoende sociale huurwoningen) te vervallen, onder vernummering van het derde en het vierde lid, tot tweede en derde lid. Het artikel komt dan als volgt te luiden: 6.10 Stedelijke ontwikkelingen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a. de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid b.
van het Besluit ruimtelijke ordening; Indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van grote buitenstedelijke bouwlocaties waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 19 in bijlage II en wordt rekening gehouden met de voor deze locaties opgenomen gegevens en criteria
2.
in bijlage X. Gedeputeerde Staten kunnen bij de vaststelling van een regionaal woningbouwprogramma, aangeven in hoeverre de ladder voor duurzame verstedelijking op regionaal niveau geheel of gedeeltelijk is doorlopen, mits het regionaal woningbouwprogramma past in de regionale woonvisie en de regionale woonvisie een uitwerking bevat van de in de provinciale 53
omgevingsvisie genoemde doelstellingen. In de toelichting van het bestemmingsplan kan in dat geval worden verwezen naar de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma bij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen, als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. 3.
Gedeputeerde staten kunnen een regionale visie voor wonen of bedrijventerreinen vaststellen. Een bestemmingsplan bevat geen bestemmingen die in strijd zijn met de door gedeputeerde staten vastgestelde regionale visie.
Ingevoegd worden twee artikelen, luidende: 6.10h Sociale huurwoningen 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30% sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma als bedoeld in artikel 6.10. 2.
Een toelichting van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in op: a. welke wijze het bestemmingsplan voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe de stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur b.
in de woningvoorraad per gemeente; het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel;
c.
3.
het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel. Als over het aandeel sociale huurwoningen regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de toelichting bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
6.10i Betaalbare woningbouw 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3 betaalbaar of wat hierover is vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma als bedoeld in artikel 6.10. 2.
De toelichting van het bestemmingsplan bedoeld in het eerste lid, gaat in op welke wijze de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe de stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw.
3.
Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de toelichting bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.
In bijlage I Begrippen worden in de alfabetische volgorde de volgende begrippen ingevoegd: betaalbare woningbouw: huurwoningen met een huur tot aan 1000 euro per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen tot een maximumgrens van 355.00 euro; sociale huurwoningen: woningen met een huurprijs tot de liberalisatiegrens en in het bezit van woningcorporaties; 54
woningvoorraad: het totaal aan woningen in een gemeenten dat is gerealiseerd of waarvoor vergunning is verleend; De toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast In de toelichting over Artikel 6.10 Stedelijke ontwikkelingen, komen de tekstblokken met het kopje “Sociale huurwoningen” te vervallen. Ingevoegd wordt een toelichting op artikel 6.10h, luidende: Artikel 6.10h Voldoende sociale huurwoningen In het eerste lid zijn de instructieregels voor de gemeente opgenomen. Hierbij is opgenomen dat het bestemmingsplan voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Aan deze open norm wordt in ieder geval voldaan door per bestemmingsplan te voldoen aan 30% sociale huurwoningen of een daarvan afwijkend percentage als dit volgt uit de afgestemde geldende regionale behoefte zoals vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten op dit punt vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma. Het tweede lid stelt eisen aan de toelichting van het bestemmingsplan. In de toelichting moet worden opgenomen hoe het plan voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe dit bijdraagt aan de provinciale doelstelling van het streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente.
Daarnaast dient de toelichting van het bestemmingsplan inzicht te geven in het aandeel sociale huurwoningen tot de bestaande woningvoorraad en het aandeel in eigendom bij woningcorporaties en wat het effect is van de stedelijke ontwikkeling op deze verhouding. De huidige systematiek van regionale afstemming en de mogelijkheid tot het verwijzen naar deze afspraken om te voldoen aan de instructieregel is opgenomen in het derde lid. Met de verwijzing naar de bestuurlijke afspraken wordt hier verwezen naar de op dit punt vastgestelde regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma en overige bestuurlijke afspraken zoals deze bijvoorbeeld in sommige regio's voor specifieke doelgroepen worden gesloten. Het Rijk heeft daarnaast verzocht om regionale realisatieagenda's te maken. Deze agenda's zijn specifiek gericht op de uitvoering van al deze afspraken. Dergelijke bestuurlijke afspraken ziet de provincie als addendum aan de regionale woonvisie. Ingevoegd wordt een toelichting op artikel 6.10i, luidende: Artikel 6.10i Voldoende betaalbare woningen In het eerste lid zijn de instructieregels voor de gemeente opgenomen. Hierbij is opgenomen dat het bestemmingsplan voorziet in voldoende betaalbare woningbouw.
Aan deze open norm wordt in ieder geval voldaan door per bestemmingsplan te voldoen aan 2/3 betaalbare woningbouw of een daarvan afwijkend percentage als dit volgt uit de afgestemde geldende regionale behoefte zoals vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten op dit punt vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma. Het tweede lid stelt eisen aan de toelichting van het bestemmingsplan. In de toelichting moet worden opgenomen hoe het plan voorziet in voldoende betaalde woningbouw en hoe dit bijdraagt aan de provinciale doelstelling van 2/3 betaalbare woningbouw in het regionale woningbouwprogramma. De huidige systematiek van regionale afstemming en de mogelijkheid tot het verwijzen naar deze afspraken om te voldoen aan de instructieregel is opgenomen in het derde lid. Met de verwijzing naar de bestuurlijke afspraken wordt hier verwezen naar de vastgestelde regionale woonvisie en het regionale 55
woningbouwprogramma en overige bestuurlijke afspraken zoals deze bijvoorbeeld in sommige regio's voor specifieke doelgroepen worden gesloten. Het Rijk heeft daarnaast verzocht om regionale realisatieagenda's te maken. Deze agenda's zijn specifiek gericht op de uitvoering van al deze afspraken. Dergelijke bestuurlijke afspraken ziet de provincie als toevoeging aan de regionale woonvisie.
B2 Bedrijventerreinen Aanleiding Zie onder A2. Conclusie Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd. Artikel 6.12 wordt als volgt gewijzigd: Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot derde tot en met achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 2. Voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein waar ruimte kan worden geboden aan bedrijven uit milieucategorie 3 en hoger van de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel overeenkomstige milieuzones, worden bedrijven in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel overeenkomstige milieuzones uitgesloten. Afwijking hiervan is mogelijk als dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. In het vijfde lid (nieuw), wordt de term “tweede lid” vervangen door: “derde lid”. In het vijfde lid (nieuw), komt onderdeel a als volgt te luiden: a.
een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, en een oppervlakte van meer dan 1 hectare;
In het zevende lid (nieuw) wordt de term “vierde lid” vervangen door “vijfde lid”. Toegevoegd worden een lid, luidende: 9. In afwijking van het vierde tot en met het achtste lid zijn woningen of huisvesting, dan wel transformatie naar woningbouw of huisvesting, uitgesloten op bedrijventerreinen met de aanduiding ‘niet te transformeren bedrijventerrein’, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II. 56
De toelichting van de verordening wordt als volgt aangepast: Onderaan het tekstblok met als titel “Hoogst mogelijke milieucategorie” wordt de volgende tekst geplaatst: Bij nieuw te ontwikkelen hoge milieucategorie bedrijventerreinen wordt naast een maximale ook een minimale milieucategorie toegepast. Met het toepassen van een minimale milieucategorie wordt zorgvuldig ruimtegebruik immers gestimuleerd. De minimale milieucategorie betreft minimaal milieucategorie 3. Dit betekent dat bedrijven met milieucategorie 1 of 2 op deze terreinen zich niet kunnen vestigen. Gemotiveerde afwijking hierop is mogelijk als dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening. Daarbij kan met name gedacht worden aan de volgende situaties. -
de toepassing van de beste beschikbare technieken; noodzakelijke zonering van het bedrijventerrein; of het toelaten van ketenbedrijven.
Op deze manier wordt namelijk gegarandeerd dat toepassing van een minimale milieucategorie niet leidt tot negatieve impact op de economische keten (ketenbedrijven), provinciale doelstellingen (verduurzaming) en onlogische zonering op een terrein. Bij ketenbedrijven dient de functionele binding tussen moederbedrijf en leverancier of afnemer gemotiveerd te worden. De term 'beste beschikbare technieken' heeft betrekking op het milieuspoor (toetsing milieuvergunning). Het gaat dus om het toelaten van bedrijven die na toepassing van de beste beschikbare technieken in een lagere categorie terechtkomen; Gemeenten kunnen dit juridisch vormgeven in de planregels door middel van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid of wijzigingsbevoegdheid Onderaan het tekstblok met als titel “Functiemenging en transformatie” wordt de volgende tekst geplaatst: Woningbouw, in het kader van functiemenging of transformatie, is niet mogelijk op bedrijventerreinen die zijn aangewezen als een ‘niet te transformeren bedrijventerrein’. Ook andere vormen van huisvesting, bijvoorbeeld van arbeidsmigranten en statushouders, zowel permanent als tijdelijk, zijn op deze bedrijventerreinen niet mogelijk. Een woon- of huisvestingsfunctie zou de activiteiten van bedrijven namelijk kunnen belemmeren. Dit geldt voor een onbepaalde periode.
Deze bedrijventerreinen zijn op provinciale schaal van grote (economische) waarde waardoor functiemenging en transformatie van de aangewezen terreinen niet wenselijk is. Indien dringende redenen van openbaar belang transformatie van bedrijventerrein noodzakelijk maken, kan de aanduiding ‘niet te transformeren bedrijventerrein’ weer geschrapt worden. Hierbij wordt een overgangstermijn van tien jaar voor bestaande bedrijven gehanteerd. Het staat gemeenten en regio’s uiteraard vrij om aanvullende regionale en/of lokale afspraken over het beschermen en behouden van bedrijventerreinen te maken. Op de andere bedrijventerreinen is functiemenging en transformatie niet uitgesloten en zijn de compensatieregels van toepassing. Het provinciale beleid is immers gericht op het bieden van ruimte om te kunnen voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag naar bedrijventerrein.
B3 Detailhandel Aanleiding aanpassing beleid Zie onder A3. 57
Dit leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd: Artikel 6.13 wordt als volgt gewijzigd: Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden: de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland en de Omgevingsvisie Zuid-Holland beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en de overige centra; Het vijfde lid, onderdeel a, komt te luiden: ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en De toelichting van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt aangepast. In de toelichting op artikel 6.13, onder het kopje “Nadere uitwerking detailhandel binnen de centra”, komt de eerste alinea van het tekstblok als volgt te luiden: De detailhandelsstructuur voor reguliere detailhandel is uitgewerkt in het Omgevingsprogramma.
Daarin is onderscheid gemaakt in ‘te consolideren centra’, ‘te herpositioneren centra’, ‘te optimaliseren centra’ en ‘overige centra’. Door de opkomst van internetwinkels en demografische ontwikkelingen is er minder behoefte aan fysieke winkels. Voor alle winkelgebieden is kwalitatieve verbetering de leidende opgave. Niet alle centra komen in aanmerking voor kwantitatieve versterking. Na de tekst met het kopje ‘Toelaatbaarheid grootschalige ontwikkelingen’ wordt het volgende tekstblok ingevoegd. Regionale afstemming Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Hierbij dienen gemeenten het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen. Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. De Adviescommissie Detailhandel kan hierbij een advies uitbrengen over de door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden. De provincie beoordeelt vervolgens de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen.
58
B4 Grote ruimtevragers Aanleiding Zie onder A4 Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd: In bijlage I Begrippen, komt het begrip “grote ruimtevragers” als volgt te luiden: bedrijfsfuncties die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 3 hectare of meer, uitgezonderd nutsvoorzieningen; In de Toelichting van de Omgevingsverordening, komt de toelichting over artikel 6.12a Grote ruimtevragers als volgt te luiden: De provincie wil gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige bedrijven in ZuidHolland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden. Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en co-locatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. Nutsvoorzieningen vallen hier niet onder.
De ruimtevraag van deze grootschalige ontwikkelingen moet worden afgewogen tegen het belang van ruimtelijke kwaliteit en het belang van het toevoegen van maatschappelijk-economische waarde. De provincie wil de zogenoemde ‘verdozing’ van het landschap tegengaan, zeker waar het gaat om functies die relatief te weinig maatschappelijk-economische waarde toevoegen. De provincie hanteert als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Je kan daarbij denken aan duurzaamheid, gezondheid, brede welvaart, innovatiekracht, vergroening, digitalisering van de economie, versterken van de toegevoegde waarde van een cluster, (multi)modale bereikbaarheid, versterken van een economisch ecosysteem, bijdrage aan werkgelegenheid en biodiversiteit. Nieuwe locaties worden daarnaast afgewogen ten opzichte van de bereikbaarheid en de capaciteit van het energienetwerk. De provincie kiest daarom voor een selectief beleid en, waar mogelijk, het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies aan de hand van ruimtelijke kwaliteit, mobiliteit, energietransitie en klimaatadaptatie.
Op de kaart is aangegeven op welke locaties vestiging van grote ruimtevragers mogelijk is. Daarbuiten is vestiging uitgesloten. Het gaat daarbij om bedrijven die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 3 hectare of meer.
59
De in deze verordening aangewezen clusters voor grote ruimtevragers zijn enkele nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen en daarnaast het gehele havenindustrieel complex. Vestiging van een grote ruimtevrager op een in deze verordening aangewezen cluster voor grote ruimtevragers, is niet vanzelfsprekend. Ook bij vestiging op een cluster is een integrale belangenafweging nodig. Daarom is bepaald dat rekening wordt gehouden met ruimtelijke kwaliteit, bereikbaarheidseffecten, duurzaamheid en de economische en maatschappelijke toegevoegde waarde van de ontwikkeling. Ook is inzicht nodig in de arbeidsvraag en de huisvesting van werknemers. In de Omgevingsvisie Zuid-Holland is uitvoerig ingegaan aspecten die relevant zijn bij deze integrale afweging. Gelet op deze aspecten stelt de provincie zich op het standpunt dat de vestiging van grote datacenters op de aangewezen clusters niet passend is. De regeling richt zich op nieuw te ontwikkelen bedrijventerreinen. Het gaat dan in ieder geval om de locaties die op de zogenoemde 3 hectare kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) zijn aangeduid als ‘bedrijventerrein zachte plancapaciteit’. De ontwikkeling van die bedrijventerreinen is nog niet opgenomen in een bestemmingsplan.
Het gaat ook om locaties voor bedrijventerreinen die al wel in een bestemmingsplan zijn opgenomen, maar waar via een herziening van het bestemmingsplan alsnog de vestiging van grote ruimtevragers mogelijk wordt gemaakt.
B5 Werelderfgoed Aanleiding Zie onder A5. Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De wijziging van de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland is hieronder opgenomen. De wijziging van de Zuid-Hollandse Omgevingsverordening, die van kracht wordt met de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is opgenomen in de bijlagen 4 en 5. De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd. In bijlage 1 Begrippen worden twee begrippen toegevoegd: Hollandse Waterlinies: de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinies van Holland en bestaat onder andere uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant; Neder-Germaanse Limes: de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee naar Remagen over de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland en de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts; Ingevoegd worden twee artikelen, luidende:
60
Artikel 6.26a Kernkwaliteiten werelderfgoederen 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op de werelderfgoederen Hollandse Waterlinies of Neder-Germaanse Limes, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, laat het bestemmingsplan geen activiteiten toe die de kernkwaliteiten van deze werelderfgoederen, zoals beschreven in bijlage XII, in aanvulling op artikel 2.13.4 en bijlage 8 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, aantasten. 2. De toelichting van een bestemmingsplan voor een locatie binnen Werelderfgoed NederGermaanse Limes kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone en Werelderfgoed Hollandse waterlinies, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat: a. een beschrijving van de wijze waarop de kernkwaliteiten van het werelderfgoed worden behouden of versterkt; en b. een beschrijving van de wijze waarop de cultuurhistorische waarde wordt behouden of versterkt. Artikel 6.26b Archeologische waarden Neder-Germaanse Limes 1. Een bestemmingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen. 2.