CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T23.00497] Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module wonen, werken, en werelderfgoed

Commissie Algemeen Bestuur 8 februari 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Brief van het college d.d. 18 januari 2023 ‘Actualiteiten Bleizo-West’ - ingebracht door L3B39.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

Windenergielocatie havengebied Rotterdam – woongebied Rozenburg

Aanleiding Tijdens de bespreking van de Herziening Omgevingsbeleid Module Energietransitie in de Integrale Statencommissie Commissie van 7 december 2022, is geconstateerd dat de ligging van Rozenburg in de windenergielocatie havengebied Rotterdam tot verwarring zou kunnen leiden. Daarom is toegezegd het woongebied van Rozenburg uit de windenergielocatie van het havengebied te halen en dit mee te nemen in de thans voorliggende herziening.

Conclusie Het woongebied van Rozenburg wordt verwijderd uit de windenergielocatie havengebied Rotterdam. Dit leidt tot aanpassing van kaart 16 van de Omgevingsverordening Zuid-Holland.

81

C Wijziging Omgevingsprogramma C1 Wonen Aanleiding en toelichting op aanpassing beleid Zie onder A1. Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van het Omgevingsprogramma is hieronder weergegeven. Flexwonen De huidige tekst wordt vervangen door de volgende tekst: Zuid-Holland beschikt over ambitie, strategie en doelen ten aanzien van flexwonen. Deze zijn opgenomen in het programmaplan Flexwonen 2021-2024 ‘Slim en snel thuis’ (vastgesteld door GS op 1 juni 2021).Het is onze ambitie om het thema flexwonen te agenderen, aan te jagen en te ondersteunen bij gemeenten, woningcorporaties en bouwers om de realisatie van tijdelijke woonvormen voor spoedzoekers te versnellen. Met een grotere flexibele schil met ‘opstapwoningen’ willen we de druk op de goedkope sociale woningvoorraad verminderen en bestaande woonsituatie van spoedzoekers verbeteren. De provincie zet in op de volgende doelen om deze ambitie te bereiken: 1. Agenderen door inspireren, leren en adopteren. 2. Structurele belemmeringen wegnemen door aansluiten bij vraagstukken die leven. 3. Concrete (casus)belemmeringen wegnemen door bieden van ondersteuning. Aan de samenwerkende gemeenten vraagt de provincie om in de regionale woonvisies en in de lokale woonzorgvisies: • •

Te beschrijven in welke mate Flexwonen kan bijdragen aan de huisvesting van die verschillende doelgroepen; Te beschrijven hoe initiatieven van Flexwonen worden bevorderd;

• Op te sommen welke Flexwonenprojecten zijn en worden gerealiseerd. In de regionale realisatieagenda's/woondeals kunnen gemeenten, provincie en Rijk afspreken hoeveel flexwoningen en transformaties jaarlijks gerealiseerd zullen worden. De provincie bevordert Flexwonen door naast de reguliere programmaruimte extra programmaruimte voor initiatieven met ‘flexwoningen’ te bieden. Toezicht houden op de Huisvestingswet Het toezicht houden betreft het toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten en om toezicht op de toepassing van de Huisvestingswet in het geval dat gemeenten een huisvestingsverordening vaststellen. Huisvesting vergunninghouders [De geldende tekst blijft ongewijzigd] 82

Vaststellen huisvestingsverordening De huidige tekst wordt vervangen door de volgende tekst: Als een gemeente een huisvestingsverordening opstelt dient zij zich te houden aan het bepaalde in de Huisvestingswet. Mocht een gemeente dat niet doen dan kan de provincie het besluit tot vaststellen van de huisvestingsverordening voordragen voor schorsing of vernietiging. Om dit te voorkomen wordt de provincie graag betrokken bij de voorbereiding van het vaststellen van een huisvestingsverordening. Op grond van de (het wetsvoorstel tot wijziging van de) Huisvestingswet vraagt de gemeente bij de voorbereiding van wijziging of vaststelling van een Huisvestingsverordening advies aan de provincie over de gevolgen voor de regionale woningmarkt, de woningbouwopgave en de toepassing van artikel 14 van de Huisvestingswet. Als een gemeente of een regio een huisvestingsverordening inzet om daarmee de onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van de schaarste te bestrijden, gaat de provincie ervan uit dat de gemeente of de regio ook haar woningbouwprogramma inzet om de schaarste te bestrijden. De provincie hecht er namelijk aan dat het wonen beleid van de gemeente of regio consistent is.

Daarom toetst de provincie, als de schaarste aan woonruimte zo groot is dat één of meer gemeenten in de regio voor het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van die schaarste een huisvestingsverordening gebruikt, of de regionale woonvisie in voldoende mate ingaat op die schaarste en de inzet van het woningbouwprogramma om die schaarste weg te nemen.

C2 Bedrijventerrein Aanleiding Zie onder A2 Conclusie Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van het Omgevingsprogramma is hieronder opgenomen. De maatregel ‘Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’ komt als volgt te luiden: Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen Toekomstbestendige bedrijventerreinen die de vitaliteit van het bedrijfsleven versterken. Rolkeuze De provincie past bij de aanpak voor bedrijventerreinen alle vier vormen van overheidssturing uit het NSOB-kwadrantenmodel voor overheidssturing toe. Aan de ene kant probeert de provincie te sturen op de juiste functie op de juiste plek en voldoende ruimte om de vraag naar bedrijventerreinen te accommoderen (rechtmatig en presenterende overheid). Aan de andere kant is de provincie met partners bezig om de bedrijventerreinen toekomstbestendig te maken op onder andere het gebied van energie, klimaatadaptatie en groen (samenwerkende en responsieve overheid). 83

Beleidskeuze De provincie streeft naar een kwantitatief en kwalitatief evenwicht in vraag en aanbod van bedrijventerreinen op regionaal en bovenregionaal schaalniveau. Daarbij wordt ingezet op beter benutten en duurzaam functioneren van bestaande bedrijventerreinen en op het behoud van voldoende ruimte voor bedrijven in hogere milieucategorieën en watergebonden bedrijven. Hierdoor wordt de schaarse ruimte in Zuid-Holland zo goed mogelijk benut. Is de maatregel gebiedsspecifiek? Nee, deze maatregel geldt voor de gehele provincie Zuid-Holland. Toelichting maatregel • Subsidie planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland: Voor de subsidieregeling planvorming bedrijventerreinen Zuid-Holland kunnen aanvragen ingediend worden voor (haalbaarheids)onderzoeken om de kwaliteit van een bedrijventerreinen te verbeteren, zoals onderzoek naar energie, groen, verkeersveiligheid, OV, en digitalisering.

•

Subsidie energie op bedrijventerreinen: De provincie heeft een specifieke (investerings-) subsidieregeling om duurzame energie en energiebesparing op bedrijventerreinen te ondersteunen. Deze regeling zorgt voor een kwaliteitsimpuls van een bedrijventerrein en is een extra stap op weg richting een toekomstbestendig bedrijventerrein.

•

Kennisuitwisseling: Kennisdelen is een belangrijk provinciaal instrument, zo ook voor het bedrijventerreinenbeleid. Kennisuitwisseling vindt op verschillende manieren plaats. Zo worden er jaarlijks twee masterclasses bedrijventerreinen georganiseerd. De doelgroep is breed, zowel overheden als bedrijven, ondernemersverenigingen, kennisinstellingen en aanverwante instellingen. Naast deze masterclasses kunnen ook andere thematische bijeenkomsten worden gehouden om de doelgroep te informeren en om input op te halen. De provincie laat daarnaast allerlei beleidsonderbouwende onderzoeken uitvoeren en zet in op het versterken van diverse netwerken. Dit gebeurt onder andere met het bedrijfsleven, overheden en de omgevingsdiensten.

•

Gebiedsgericht werken met andere partners: Het wordt steeds belangrijker om samen met partners (zowel overheden, marktpartijen als belangenorganisaties) te werken aan maatschappelijke opgaven. In diverse gebiedscasussen werkt de provincie samen om verschillende ambities te realiseren, waaronder ook het borgen van voldoende werkgelegenheid op bedrijventerreinen en transformatielocaties. Samenwerking op locaties vergt een actieve rol en samenwerkende insteek van de provincie. Dit staat soms op gespannen voet met de toetsende rol van de provincie aan de omgevingsverordening.

•

Organisatiegraad verhogen als randvoorwaarde verhogen kwaliteit bedrijventerreinen: Om er voor te zorgen dat het bedrijventerrein investeert in zaken die in de toekomst essentieel zijn voor de ondernemers (zoals duurzame energie, digitale bereikbaarheid et cetera), is het belangrijk dat ondernemers zich organiseren. De ervaring leert dat activiteiten beter, om niet te zeggen alléén, van de grond komen als op het bedrijventerrein een ondernemersvereniging actief is. Een ondernemersvereniging kan professionele ondersteuning inhuren in de vorm van parkmanagement. Via parkmanagement kunnen activiteiten uitgevoerd worden waar de ondernemersvereniging niet aan toekomt.

•

Ruimtelijk instrumentarium ten behoeve van slim ruimtegebruik en investeringszekerheid: 84

Een fasegewijze implementatie van nieuw instrumentarium (minimale milieucategorie en ‘categorie A bedrijventerrein’) levert een bijdrage om de schaarse ruimte in Zuid-Holland optimaal en duurzaam te benutten en om voldoende ruimte voor werkgelegenheid en investeringszekerheid voor het bedrijfsleven te garanderen. De fasegewijze aanpak hangt samen met de wens voor een zorgvuldige implementatie van dit instrumentarium.

1. Regionale visies: Geactualiseerde regionale bedrijventerreinenvisies zorgen voor de kwalitatieve onderbouwing van vraag en aanbod en geven inzicht in de realistische vraag die ontstaat door vervanging (transformatie). Gedeputeerde Staten kunnen op basis van deze visies een goede kwalitatieve en kwantitatieve afweging maken. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland zijn regionale bedrijventerreinenvisies niet verplicht gesteld. Gedeputeerde Staten kunnen echter wel voor een bepaalde regio aangeven dat het nodig is om een regionale visie voor bedrijventerreinen te maken. Daarbij zullen Gedeputeerde Staten vooraf duidelijkheid geven over gewenste inhoud van de visie. Als de betreffende regio hier geen goede invulling aan geeft, kunnen Gedeputeerde Staten zo nodig zelf de regionale bedrijventerreinen visie opstellen. Wanneer een regio beschikt over een door Gedeputeerde Staten aanvaarde regionale visie waaruit blijkt dat vraag en aanbod in balans zijn, kan feitelijke compensatie worden toegepast in plaats van planologische compensatie. •

Opstellen behoefteramingen en monitoren/onderzoeken: Een belangrijke maatregel om de Omgevingsverordening Zuid-Holland goed te kunnen toepassen is het opstellen van behoefteramingen voor bedrijventerreinen en de monitoring van bedrijventerreinendata. Gedeputeerde Staten stellen de kwantitatieve behoefteraming voor alle regio’s op. Streven is dat deze elke vier jaar worden geactualiseerd. Op basis van de behoefteraming stellen de regio’s regionale bedrijventerreinenvisies op met aandacht voor de kwaliteit van bedrijventerreinen en de vervangingsvraag (o.a. door transformatie). Gedeputeerde Staten monitoren jaarlijks hoe de behoefteraming zich verhoudt tot de werkelijke uitgifte van bedrijventerreinen en andere mutaties in het bedrijventerreinenaanbod. Uitbreidingsvraag (kwantitatief en kwalitatief) Onderstaande tabel toont de kwantitatieve en kwalitatieve uitbreidingsvraag in de bestuurlijke regio’s Holland Rijnland, Midden-Holland, Metropoolregio Rotterdam Den Haag en Zuid-Holland Zuid voor de periode 2021 tot en met 2030. Deze tabel is gebaseerd op de behoefteraming bedrijventerreinen 2021. Streven is dat de behoefteraming elke vier jaar wordt geactualiseerd. In deze raming, die per regio nader gespecificeerd is, is (met uitzondering van Midden-Holland) ook een onderverdeling naar subregio’s te vinden.

De uitbreidingsvraag is onderverdeeld naar vijf werkmilieus: • Gemengd stedelijk: lichte bedrijvigheid, stadsverzorgend, klein tot middelgroot; • •

Campus: drie locaties in Zuid-Holland (Leiden Bio Science Park, Space Business Park en TU Delft Campus Zuid); Regulier: reguliere bedrijventerreinactiviteiten als handel, bouw, productie en transport,

• •

(boven)lokaal, klein tot middelgroot; Grootschalige distributie (> 3 ha): grootschalige distributie en warehousing, (boven)regionaal; Grootschalige productie (dit betreft voornamelijk hogere milieucategorie-bedrijvigheid): grootschalige (overwegend vanaf 1 ha) productie/assemblage/recycling/etc., circulair, regionaal. Deze ruimtevraag bestaat voor circa 95% uit hogere milieucategorie bedrijven. Voor hogere milieucategorie-bedrijvigheid is belangrijk om te onderkennen dat deze met name voor de transitie richting een circulaire economie essentieel is.

85

Er is voor deze indeling naar werkmilieus gekozen omdat deze recht doet aan twee belangrijke kenmerken die ruimtelijk relevant zijn. Dit zijn de mate van hinder (lage versus hoge milieucategorie) en de omvang van het bedrijf (klein versus zeer groot). Bij onderstaande tabel is van belang dat de vraag vanuit verschillende clusters (onder andere greenports, maritiem) dwars door deze werkmilieus heen gaat. Het kan gaan om grootschalige bedrijven, hogere milieucategorie-bedrijven, maar ook reguliere bedrijven met een voorkeur voor vestiging op een locatie aan of nabij het water. Voor de watergebonden bedrijvigheid is de ruimtevraag specifiek in beeld gebracht omdat dit een specifiek deel van de bedrijventerreinmarkt betreft met een aanzienlijk belang voor de Zuid-Hollandse economie.

Uitbreidingsvraag 2021 t/m 2030 per bestuurlijke regio Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Uitbreidingsvraag

51 – 111

43 – 86

131 – 319

48 – 149

Gemengd stedelijk

4–8

3–7

4 – 30

1–8

Campus

5 – 12

0

3–6

0

Regulier

20 – 42

15 – 31

21 – 78

10 – 49

Grootschalige

19 – 34

20 – 35

85 – 164

32 – 66

4 – 14

5 – 12

19 – 42

4 – 26

4 – 10

5 – 10

16 – 35

10 – 26

distributie Grootschalige productie Watergebonden

Deze tabel hanteert een bandbreedte tussen een hoog en een laag scenario. Gezien de economische kenmerken van de regio’s in Zuid-Holland, de bevolkingsprognoses en de ruimtelijke druk is in alle regio’s het hoge scenario het meest waarschijnlijke scenario. Vervangingsvraag Naast de uitbreidingsvraag is de vervangingsvraag in beeld gebracht. Door transformatie van bestaande bedrijventerreinen is een vervangingsvraag van maximaal 117 hectare geraamd tot en met 2030. Dit is circa 2% van de huidige uitgegeven voorraad. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de vervangingsvraag per bestuurlijke regio. Deze ruimtevraag is afhankelijk van de compensatieplannen van de gemeenten waar deze transformatieplannen spelen. Ondanks een goede onderbouwing vanuit de behoefteraming blijft de vervangingsvraag een onzekere factor. De vervangingsvraag fluctueert door de tijd heen. De onderliggende locaties passen overigens niet bij voorbaat binnen het provinciaal omgevingsbeleid en moeten daar nog op beoordeeld worden.

Vervangingsvraag 2021 t/m 2030 per bestuurlijke regio Vervangingsvraag

Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

19

31

44

22

Vraag-aanbodconfrontatie per regio (kwantitatief) In onderstaande tabel wordt de hierboven geïnventariseerde vraag (uitbreidingsvraag en vervangingsvraag) geconfronteerd met het harde planaanbod. Dit zijn plannen die al zijn vastgelegd in onherroepelijke bestemmingsplannen. Bij het bepalen van de aanbodzijde is ook rekening gehouden met de leegstand in de bestaande voorraad. Want wanneer sprake is van

86

forse leegstand, zou de bestaande voorraad een deel van de vraag kunnen opvangen. In ZuidHolland is de leegstand echter zeer beperkt en bevindt zich in bijna alle regio’s onder de frictieleegstand. Dit is de leegstand die nodig is om een markt goed te laten functioneren. Denk hierbij aan leegstand die nodig is als schuifruimte vanwege verhuizingen of verbouwingen. Door deze krapte op de Zuid-Hollandse bedrijfsruimtemarkt is het niet waarschijnlijk dat een significant deel van de vraag zal landen in de bestaande voorraad. In deze tabel is geen rekening gehouden met het zachte planaanbod. Dit zijn namelijk plannen waarvoor nog een bestemmingsplan moet worden vastgesteld. De status van zachte plannen kan sterk verschillen (van idee tot afgestemd in de regio tot voorontwerp bestemmingsplan). Het zachte planaanbod is dynamisch en verandert door de tijd.

Confrontatie vraag en aanbod per bestuurlijke regio (per 1-1-2021) Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Uitbreidingsvraag

51 – 111

43 – 86

131 – 319

48 – 149

Vervangingsvraag

19

31

44

22

70 – 130

74 – 117

175 – 363

70 – 171

71

3

308

196

-1 tot 59

71 tot 114

-125 tot 63

-125 tot -24

Totale vraag Hard planaanbod Behoefte

Uitgaande van het hoge scenario is in alle regio’s (met uitzondering van Zuid-Holland Zuid) sprake van een (forse) kwantitatieve behoefte aan bedrijventerrein. Deels zou dit geaccommodeerd kunnen worden door de zachte plannen. De watergebonden bedrijventerreinen zijn zeer relevant voor de Zuid-Hollandse economie en zijn van provinciaal belang. Onderstaande tabel geeft daarom een overzicht van de vraag-aanbod confrontatie van de watergebonden bedrijvigheid. Hieruit blijkt dat in alle bestuurlijke regio’s sprake is van behoefte aan watergebonden bedrijventerreinen.

Confrontatie vraag en aanbod watergebonden bedrijvigheid per bestuurlijke regio (per 11-2021) Holland Rijnland

Midden-Holland

MRDH

Zuid-Holland Zuid

Vraag

4 – 10

5 – 10

16 – 35

10 – 26

Aanbod

0

0

7

5

Behoefte

4 tot 10

5 tot 10

9 tot 28

5 tot 21

Vraag-aanbodconfrontatie per regio (kwalitatief) Naast de kwantiteit is het essentieel om naar de kwaliteit van vraag en aanbod te kijken. Hierbij is de onderverdeling naar werkmilieu en de geografische spreiding van het aanbod relevant. Er wordt gekeken naar geografische spreiding omdat marktregio’s van bedrijven vaak niet gelijk zijn aan de bestuurlijke regio’s. Grenzen zijn namelijk vaak fluïde en overlappend. Bovendien heeft elk type bedrijfssegment zijn eigen marktregio. Naast regionaal wordt ook kwalitatief onderscheid gemaakt. De reden hiervoor is dat elk segment zijn specifieke behoefte heeft qua kavelkenmerken en – omvang. Daarom is hierboven onderscheid gemaakt naar de vijf typen werkmilieus. Regionale visies en monitoring Bovenstaande cijfers over vraag en aanbod zijn directe input voor de, door de regio’s op te stellen, regionale bedrijventerreinenvisies. In deze visies brengen regio’s in beeld op welke manier vraag

87

en aanbod kwantitatief en kwalitatief in balans komen. Het aanwezige harde planaanbod is logischerwijs onderhevig aan verandering door uitgifte van nieuwe terreinen. En wanneer de economie goed draait, vertaalt zich dat in hoge(re) uitgiftes dan verwacht, tegelijkertijd blijft de uitgifte achter bij de prognose wanneer het economisch minder goed gaat. Het is daarom zeer belangrijk om het beschikbare aanbod goed te monitoren, ook op kwaliteit en of die aansluit bij de vraag. Met name de “dynamische monitor bedrijventerreinen” zal gebruikt worden om data hierover te ontsluiten. Deze monitor maakt onder andere inzichtelijk welk type bedrijf op een bedrijventerrein zit, de beschikbaarheid van kavels, leegstand, planstatus, milieucategorie en aantal mensen dat er werkzaam is. De gemeenten hebben een belangrijke rol in het verzamelen van die gegevens.

C3 Detailhandel Aanleiding aanpassing beleid Zie onder A3. Dit leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van het Omgevingsprogramma is hieronder weergegeven. De maatregel ‘Concentratie en bundeling detailhandel’ komt als volgt te luiden:

Concentratie en bundeling detailhandel Rolkeuze De provincie past bij de aanpak op het detailhandelsdossier alle vier de vormen van overheidssturing uit het NSOB-kwadrantenmodel voor overheidssturing toe omdat de huidige vraagstukken vragen om meer dan (ruimtelijke) regels alleen. Deze regels blijven nodig, maar het levendig en vitaal houden van onze (binnensteden) en dorpen is een gezamenlijke opgave van alle betrokken partijen. Het kwadrantenmodel laat zien dat het zwaartepunt ligt bij de rechtmatige overheid (toetsen) en samenwerkende overheid (meepoetsen). Beleidskeuzes De provincie concentreert en bundelt nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden.

Is de maatregel gebiedsspecifiek? Gericht op de gehele provincie Zuid-Holland. Toelichting maatregel Regionale visies en programmering Het is wenselijk om detailhandelsontwikkelingen in een breder regionaal kader te kunnen plaatsen met afspraken over nieuwe ontwikkelingen maar ook bijvoorbeeld over het saneren van overaanbod. De provincie zet zich daarom in om regionale samenwerking en programmering op het gebied van detailhandel te stimuleren en levert een actieve bijdrage aan regio’s die actief zijn op het gebied van visievorming en programmering. Elementen die daar onderdeel van kunnen uitmaken zijn het 88

gebruik van actuele cijfers over aanbod en leegstand, regionale programmering, inventarisatie van kansrijke en kansarme centra, profielen per gemeente, nieuwe ontwikkelingen, schrappen (plan)aanbod en transformatie. Met de Aanpak Winkelgebieden biedt de provincie gemeenten daarnaast hulp en ondersteuning op gebied van kennisuitwisseling, verbeteren samenwerking, aanpak leegstand, herpositioneren en transformatie winkelgebieden. Deze aanpak bestaat onder andere uit: -

Subsidieregeling planvorming detailhandel Zuid-Holland

De subsidieregeling planvorming detailhandel Zuid-Holland is bedoeld om de kwaliteit en het functioneren van winkel- en centrumgebieden te optimaliseren. Gemeenten, winkeliers- en ondernemersverenigingen en stichtingen kunnen subsidie aanvragen voor activiteiten die zijn gericht op het verhogen en verbeteren van de onderlinge samenwerking van ondernemers en winkeliers, vooronderzoek voor het oprichten van een Bedrijven Investeringszone (BIZ), haalbaarheidsonderzoek om tot compactere winkelgebieden te komen en verspreid aanbod te saneren of het laten opstellen van een sterkte-zwakte analyse voor een winkel- en centrumgebied. Daarnaast kan de subsidieregeling ingezet worden om meer uitvoerende activiteiten op het gebied van herontwikkeling en transformatie te organiseren. -

Koopstromenonderzoek

De provincie laat regelmatig, in 2021 in samenwerking met de provincies Noord-Holland, Utrecht, en Noord-Brabant koopstromenonderzoek (KSO) uitvoeren. Koopstromenonderzoek is een grootschalig consumentenonderzoek onder inwoners van de Randstad. De enquête brengt de kooporiëntatie (waar worden boodschappen gedaan, waar wordt gewinkeld, inclusief internetaankopen) en het koopgedrag (o.a. gebruikt vervoermiddel, koopfrequentie, beoordeling winkelgebieden, combinatiebezoek) van de bevolking in beeld. De provincie gebruikt de KSO-data voor de evaluatie, monitoring en aanpassing van het (ruimtelijk) detailhandelsbeleid, o.a. met betrekking tot de ontwikkelingsmogelijkheden en de detailhandelsstructuur. De KSO-data is voor iedereen beschikbaar. Naast de provincies wordt de KSO-data door gemeenten, regio’s en marktpartijen gebruikt voor bijvoorbeeld de onderbouwing van lokaal en regionaal detailhandelsbeleid of vestigingsplaatskeuzes. -

Professionalisering, samenwerking en kennisdeling

De provincie wil samen met betrokken partijen in (middelgrote) steden werken aan levendige, vitale en aantrekkelijke centrumgebieden. Voor alle type centrumgebieden geldt dat ingrepen noodzakelijk kunnen zijn om tot een toekomstbestendige structuur te komen. Om daadwerkelijke sterke steden en dorpen te krijgen geldt dat de centrumfunctie in balans dient te zijn. Daarom ligt de focus op de volgende subthema’s: • Versterken toekomst centra van (middelgrote centra) door pilotprojecten en • Kennisdeling door middel van masterclasses en kennisplatforms • Stimuleren van transformatie door het aanbieden van financiële arrangementen; De provincie ziet een toegevoegde waarde voor zichzelf bij kennisvorming en –deling op het terrein van detailhandel en bredere binnenstadsaanpak. Dit sluit ook goed aan bij het huidige coalitieakkoord. Uit diverse trajecten blijkt dat met name de kleine gemeenten minder goed geëquipeerd zijn om alle trends en ontwikkelingen te volgen en onvoldoende menskracht beschikbaar hebben om benodigde acties uit te voeren. In dit kader wordt ingezet op het breed toepasselijk maken van provinciaal geïnitieerde onderzoeken (DNA van de stad, stadslogistiek), organiseren van breed toegankelijke masterclasses en kennisbijeenkomsten en het opzetten van een monitor werklocaties. Zo zijn er twee platforms opgericht voor centrummanagers en

89

ambtenaren EZ om de binnenstadsaanpak zowel inhoudelijk - bijvoorbeeld als procesmatig te bespreken.

Overzicht detailhandelsstructuur, PDV- en GDV-locaties In de Omgevingsvisie is een beschrijving gegeven van de provinciale detailhandelsstructuur (reguliere detailhandel) die zich onderscheidt in grofweg vier type winkelcentra: te consolideren centra, te herpositioneren, te optimaliseren centra en overige centra. In onderstaande tabel staan de centra opgenomen die behoren tot de provinciale detailhandelsstructuur. Daarnaast zijn in de tabel de PDV- en GDV-locaties opgenomen, die eveneens worden beschreven in de Omgevingsvisie. Tabel Overzicht provinciale structuur reguliere detailhandel, PDV-en GDV-locaties status

Sinds

Den Haag binnenstad

consolideren

2022

Delft Binnenstad

consolideren

2022

Zoetermeer Stadshart

herpositioneren

2022

Rijswijk in de Boogaard

herpositioneren

2022

Leidschendam The Mall of the Netherlands

consolideren

2022

Naaldwijk Centrum

optimaliseren

2007

's-Gravenzande Centrum

optimaliseren

2007

Den Haag Frederik Hendriklaan

optimaliseren

2012

Den Haag Leijweg

optimaliseren

2012

Delft in de Hoven

optimaliseren

2012

Den Haag Megastores

GDV/PDV

2007

Delft Ikea

PDV

2007

Delft Leeuwestein

PDV

2007

Naaldwijk Industriestraat

PDV

2007

Zoetermeer Woonhart

PDV

2007

Rotterdam binnenstad

consolideren

2022

Rotterdam Alexandrium I

herpositioneren

2022

Haaglanden

regio Rotterdam

90

Rotterdam Zuidplein

herpositioneren

2022

Rotterdam Keizerswaard

optimaliseren

2012

Rotterdam Hoogvliet

optimaliseren

2012

Spijkenisse Centrum

optimaliseren

2007

Vlaardingen Centrum

optimaliseren

2007

Hellevoetsluis Struytse Hoeck

optimaliseren

2007

Schiedam Centrum

optimaliseren

2007

Krimpen a/d IJssel Centrum

optimaliseren

2007

Maassluis Koningshoek

optimaliseren

2014

Capelle a/d IJssel Koperwiek

optimaliseren

2007

Berkel en Rodenrijs Centrum

optimaliseren

2012

Barendrecht Centrum

optimaliseren

2012

Ridderkerk Centrum

optimaliseren

2012

Rotterdam Alexandrium II & III

GDV

2007

Capelle a/d IJssel - Hoofdweg (Capelle XL)

PDV

2007

Rotterdam Stadionweg

PDV

2007

Barendrecht Reijerwaard / Cornelisland

PDV

2007

Spijkenisse Kolkplein

PDV

2007

Hellevoetsluis Moerman

PDV

2007

Maassluis Electraweg

PDV

2007

Ridderkerk Donkersloot

PDV

2007

Rotterdam Marconiplein

PDV

2007

Vlaardingen Hoogstad

PDV

2007

Barendrecht Vaanpark

PDV

2007

Spijkenisse Schiekamp

PDV

2007

Dordrecht historische binnenstad

consolideren

2022

Gorinchem Centrum

optimaliseren

2007

Zuid-Holland Zuid

91

Oud-Beijerland Centrum

optimaliseren

2007

Zwijndrecht Walburg

optimaliseren

2007

Sliedrecht Centrum

optimaliseren

2007

Middelharnis Centrum

optimaliseren

2007

Hendrik-Ido-Ambacht De Schoof

optimaliseren

2012

Leerdam Centrum

optimaliseren

2007

Papendrecht Centrum

optimaliseren

2007

Sliedrecht Nijverwaard

PDV

2007

Oud-Beijerland De Bosschen

PDV

2007

Dordrecht Mijlweg

PDV

2007

Gorinchem Spijksedijk

PDV

2007

Leerdam Nieuw Schaijk

PDV

2007

Middelharnis

PDV

2007

Numansdorp

PDV

2007

Strijen Woonstrada

PDV

2007

Leiden historische binnenstad

consolideren

2022

Leiden Luifelbaan

optimaliseren

2012

Leiderdorp Winkelhof

optimaliseren

2007

Katwijk Centrum

optimaliseren

2007

Alphen a/d Rijn Centrum

optimaliseren

2007

Lisse Centrum

optimaliseren

2007

Alphen a/d Rijn Euromarkt

PDV

2007

Leiden Lammenschansweg

PDV

2007

Leiderdorp Baanderij

PDV

2007

Leiderdorp Meubelplein

PDV

2007

Zoeterwoude / Hazerswoude Rijnekeboulevard

PDV

2007

Katwijk 't Heen

PDV

2007

Holland Rijnland

92

Midden Holland Gouda historische binnenstad

consolideren

2022

Gouda Bloemendaal

optimaliseren

2012

Bodegraven Centrum

optimaliseren

207

Bergambacht Centrum

optimaliseren

2007

Schoonhoven Centrum

optimaliseren

2007

Nieuwerkerk a/d IJssel Reigerhof

optimaliseren

2007

Goudse Poort

PDV

2007

Functioneren detailhandelsstructuur Het functioneren van de detailhandelsstructuur staat op onderdelen onder druk. Er zijn echter ook locaties en gebieden waar de detailhandel op dit moment goed functioneert en kansen bestaan voor versterking. De provincie heeft inzicht gegeven in de ontwikkelingsmogelijkheden voor de detailhandel in Zuid-Holland, door een berekening te maken die dit indicatief in beeld brengt. Tabel Kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden op subregionale schaal tot 2030 in winkelvloeroppervlak (wvo)

Indicatieve uitbreidingsruimte in m² wvo in 2030 voor realisatie van plannen (incl. toeristische bestedingen) ...waarvan... Regio

Dagelijks Niet-dagelijks

Mode en luxe

Vrije Tijd

Harde en zachte plannen Indicatieve in m² wvo uitbreidingsruimte in m² wo in 2030 na realisatie harde en zachte plannen Dagelijks Niet-dagelijks

Dagelijks Niet-dagelijks

Rijnstreek

-1.800

-1.750

-3.900

7.350

5.450

10.400

-7.250

-12.150

Leidse regio

-1.550

-32.750

-17.000

6.900

16.650

56.200

-18.200

-88.950

Duin- en Bollenstreek

-6.300

-36.750

-12.950

2.900

1.600

1.600

-7.900

-38.350

Holland Rijnland

-9.650

-71.250

-33.800

17.100

23.700

68.200

-33.350

-139.450

Midden-Holland

-250

-28.750

-9.850

3.300

6.150

1.300

-6.390

-30.050

Drechtsteden

-12.300

-43.000

-22.400

7.550

7.500

71.600

-19.800

-114.600

Hoekse Waard

-2.100

-22.750

-9.900

3.150

1.100

3.100

-3.200

-25.850

Alblasserwaard

-1.500

-15.250

-8.200

2.100

0

0

-1.500

-15.250

Goeree-Overflakkee

-3.650

-16.250

-4.100

1.150

0

0

-3.650

-16.250

Zuid-Holland Zuid

-19.600

-97.250

-44.700

13.950

8.550

74.700

-28.150

-171.950

Regio Rotterdam

-42.900

46.250

-73.400

52.200

48.450

38.950

-91.350

7.300

Haaglanden

14.100

232.250

-27.800

54.800

30.450

26.050

206.200

MRDH

-28.850

278.500

-101.200

107.000

78.900

65.000

-16.350 107.750

213.500

Totaal Zuid-Holland

-58.350

81.500

-189.550

141.350

117.300

209.200

-

-127.950

93

175.640

Bovenstaande tabel laat de kwantitatieve ontwikkelingsmogelijkheden (exclusief huidige leegstand) tot 2030 op subregionale schaal zien. Het betreft modelmatige marktruimteberekeningen op basis van een aantal traceerbare cijfers/bronnen (huidige aanbod, vraag, koopstromen, omzetcijfers, marktaandeel online) en modelmatige aannames voor de toekomst (bevolkingsprognose, marktaandeel online,). Het model houdt bewust geen rekening met beleidsmatige ambities, keuzes of ingrepen (beleidsneutraal). De tabel is bedoeld om kwantitatief gevoel te krijgen wat het doorzetten van een aantal ontwikkelingen betekent voor de kwalitatieve en ruimtelijke provinciale beleidsopgave in centrumgebieden en daarbuiten. De tabel heeft niet als doel als ‘norm’ te dienen voor de lokale haalbaarheid van bepaalde detailhandelsontwikkelingen. Op basis van specifieke lokale omstandigheden zou voor een specifieke branche of winkel een meer locatie-specifieke berekening of afweging kunnen worden gemaakt. Daarbij dient echter wel steeds kritisch te worden gekeken naar de uitgangspunten om te voorkomen dat men zich rijk rekent en rekening wordt gehouden met (verdringings)effecten elders. Deze tabel maakt duidelijk dat in de dagelijkse sector (levensmiddelen en persoonlijke verzorging) voor uitvoering van de harde en zachte plannen er een overaanbod is voor dagelijks winkelaanbod.

Alleen in het sterk verstedelijkte gebied van de MRDH is er beperkte uitbreidingsruimte mogelijk. In 2018 was er op (sub)regionale schaal alleen in de regio Haaglanden beperkte uitbreidingsruimte. De uitbreidingsruimte is voor een groot deel gebaseerd op de toename van het aantal inwoners in 2030 en het effect van het online boodschappen doen. De niet-dagelijkse sector (mode & luxe, vrije tijd, in en om het huis, overig) laat een wisselend beeld zien, zowel tussen regio’s als productgroepen. In totaal is er nu voor uitvoering van plannen een uitbreidingsruimte van 81.500 m2 wvo op provinciale schaal. De uitbreidingsruimte is ten opzichte van 2018 met zo’n 60.000 m2 toegenomen. Ook hier is deze uitbreidingsruimte gebaseerd op een verwachte toename van de bevolking (+7,5%) tot 2030. Als deze toename niet van de grond komt, is er geen ruimte voor uitbreidingsruimte. Daarnaast is er nog een planvoorraad van bijna 330.000 m2 wvo. Na uitvoering van plannen laat alleen de regio Haaglanden nog een positieve ontwikkelingsruimte zien tot 2030. In de overige gebieden is dan sprake van overaanbod voor alle productgroepen. Het gegeven dat momenteel in sommige regio’s voor sommige branche ontwikkelingsruimte aanwezig is, wil niet wil zeggen dat het locatiebeleid voor detailhandel niet van toepassing is.

Toevoeging van detailhandel dient plaats te vinden op de juiste plek, in beginsel in de centra zodat er synergievoordelen behaald kunnen worden door geclusterd aanbod om deze gebieden en de kernen te versterken.

94

95

Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsverordening Zuid-Holland Concept Wijzigingsbesluit Omgevingsverordening Zuid-Holland Besluit van provinciale staten van Zuid-Holland van [datum], [besluitnummer], tot wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland in verband met de Herziening Omgevingsbeleid Module Wonen, Werken & Werelderfgoed Provinciale staten van Zuid-Holland; Gelezen het voorstel van gedeputeerde staten van [datum], [besluitnummer], over de wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland in het kader van de Herziening Omgevingsbeleid Module Wonen, Werkend & Werelderfgoed; Gelet op artikel 4.1 van de Wet ruimtelijke ordening; Besluiten: Artikel I De Omgevingsverordening Zuid-Holland wordt als volgt gewijzigd: A. Artikel 3.32 komt te luiden: Artikel 3.32 Verbod waterscooter en snelle motorboot Het is verboden zonder ontheffing in een stiltegebied te varen met een watervoertuig, zoals motorboot of waterscooter, sneller dan 9 km/u.

B. In artikel 6.10 vervalt het tweede lid, onder vernummering van het derde en het vierde lid tot tweede en derde lid.

C. Artikel 6.10f komt te luiden: 6.10f Functiemenging en meervoudig ruimtegebruik Een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functies wonen of bedrijven, houdt rekening met de mogelijkheden voor functiemenging en meervoudig ruimtegebruik. D. Na artikel 6.10g worden twee artikelen ingevoegd, luidende: 6.10h Sociale huurwoningen 1.

Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende sociale huurwoningen. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 30%

96

sociale huurwoningen of wat hierover is vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma als bedoeld in artikel 6.10. 2.

Een toelichting van een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid gaat in op: a. welke wijze het bestemmingsplan voorziet in voldoende sociale huurwoningen en hoe de stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan het streven naar minimaal 30% sociale huur in de b.

woningvoorraad per gemeente; het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad van de gemeente en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel;

c.

3.

het aandeel sociale huurwoningen in de woningvoorraad in bezit bij corporaties en het effect van de stedelijke ontwikkeling op dit aandeel. Als over het aandeel sociale huurwoningen regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de toelichting, bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

6.10i Betaalbare woningbouw 1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling met de functie wonen mogelijk maakt voorziet in voldoende betaalbare woningbouw. Onder voldoende wordt in ieder geval verstaan 2/3

2.

betaalbaar of wat hierover is vastgelegd in de geldende door gedeputeerde staten vastgestelde regionale woonvisie of regionale woningbouwprogramma als bedoeld in artikel 6.10. De toelichting van het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, gaat in op welke wijze de nieuwe

3.

stedelijke ontwikkeling voorziet in voldoende betaalbare woningbouw en hoe de stedelijke ontwikkeling bijdraagt aan 2/3 betaalbare woningbouw. Als over het aandeel betaalbare woningbouw regionale bestuurlijke afspraken zijn gemaakt, waarmee gedeputeerde staten hebben ingestemd, dan kan de toelichting, bedoeld in het tweede lid, bestaan uit een verwijzing naar die afspraken.

E. Artikel 6.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot en met zevende lid tot derde tot en met achtste lid, wordt een lid ingevoegd, luidende: 2.

Voor zover het bestemmingsplan, bedoeld in het eerste lid, betrekking heeft op een nieuw te ontwikkelen bedrijventerrein waar ruimte kan worden geboden aan bedrijven uit milieucategorie 3 en hoger van de Staat van Bedrijfsactiviteiten dan wel overeenkomstige milieuzones, worden bedrijven in milieucategorie 1 en 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, dan wel overeenkomstige milieuzones uitgesloten. Afwijking hiervan is mogelijk als dat nodig is voor een goede ruimtelijke ordening.

2. 3.

In het vijfde lid (nieuw) wordt de term “tweede lid” vervangen door “derde lid”. In het vijfde lid, onderdeel a (nieuw) komt als volgt te luiden: a.

een bedrijventerrein met milieucategorie 3, dan wel overeenkomstige milieuzones voor geluid of geur, en een oppervlakte van meer dan 1 hectare;

4. In het zevende lid (nieuw) wordt “vierde lid” vervangen door “vijfde lid”. 5. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

97

9.

In afwijking van het vierde tot en met het achtste lid zijn woningen of huisvesting, dan wel transformatie naar woningbouw of huisvesting, uitgesloten op bedrijventerreinen met de aanduiding ‘bedrijventerrein, niet te transformeren’, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 20 in bijlage II.

F. Artikel 6.13 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het tweede lid, onderdeel a, komt te luiden: a.

de ontwikkeling is in overeenstemming met het in het Omgevingsprogramma Zuid-Holland en de Omgevingsvisie Zuid-Holland beschreven ontwikkelingsperspectief voor de daarin benoemde te consolideren centra, te herpositioneren centra, te optimaliseren centra en de overige centra;

2. Het vijfde lid, onderdeel a., komt te luiden: a.

ten hoogste 20% van het netto-verkoopvloeroppervlakte met een maximum van 500 m2 wordt voor de verkoop van het nevenassortiment gebruikt; en

G. Na artikel 6.26 worden twee artikelen ingevoegd luidende: Artikel 6.26a Kernkwaliteiten werelderfgoederen 1. Voor zover een bestemmingsplan van toepassing is op de werelderfgoederen Hollandse Waterlinies of Neder-Germaanse Limes, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, laat het bestemmingsplan geen activiteiten toe die de kernkwaliteiten van deze werelderfgoederen, zoals beschreven in bijlage XII, in aanvulling op artikel 2.13.4 en bijlage 8 van het 2.

Barro, aantasten. De toelichting van een bestemmingsplan voor een locatie binnen Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 1, Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, Werelderfgoed NederGermaanse Limes bufferzone en Werelderfgoed Hollandse waterlinies, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat: a. een beschrijving van de wijze waarop de kernkwaliteiten van het werelderfgoed b.

worden behouden of versterkt; en een beschrijving van de wijze waarop de cultuurhistorische waarde wordt behouden of versterkt.

Artikel 6.26b Archeologische waarden Neder-Germaanse Limes 1. Een bestemmingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes kernzone 2, waarvan de plaats

2.

geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen. Een bestemmingsplan voor Werelderfgoed Neder-Germaanse Limes bufferzone waarvan de plaats

3.

geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. Een bestemmingsplan voor Neder-Germaanse Limes verwachtingszone, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de verwachte archeologische waarden beschermen. 98

4.

De regels, bedoeld in het eerste, tweede en derde, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden aangetast, of

5.

b. het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. In afwijking van het vierde lid kan het bevoegd gezag bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen prevaleren.

H. Artikel 6.27 komt te luiden: Artikel 6.27 Archeologische waarden 1.

Een bestemmingsplan voor een gebied met een hoge of zeer hoge bekende archeologische waarde, waarvan de plaats geometrisch is bepaald en verbeeld op kaart 8 in bijlage II, bevat regels die de bekende archeologische waarden beschermen.

2.

De regels, bedoeld in het eerste lid, voorzien in ieder geval in een verbod op activiteiten waarbij een oppervlakte van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm onder het maaiveld wordt geroerd, tenzij: a. door archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden niet worden

3.

aangetast, of b. het activiteiten betreft die naar hun aard de archeologische waarden niet aantasten. In afwijking van het tweede lid, kan het bevoegd gezag bij uitzondering het behoud van de archeologische waarden ‘ex situ’ toelaten, als behoud ‘in situ’ niet mogelijk blijkt en andere zwaarwegende belangen prevaleren.

I. In paragraaf 6.2.8a wordt een artikel ingevoegd, onder vernummering van de artikelen 6.27a, 6.27b en 6.27c tot de artikelen 6.27b, 6.27c en 6.27d, luidende: Artikel 6.27a Toekomst bestendig bouwen

1. Een bestemmingsplan dat een nieuwe woning mogelijk maakt, betrekt daarbij de mogelijkheden en kansen voor toekomstbestendig bouwen die verder gaan dan de wettelijke eisen en bevat hierover een verantwoording in de toelichting. 2. Aan het eerst lid wordt in ieder geval voldaan als in onderlinge samenhang betrokken zijn: a. de risico’s van klimaatverandering als gevolg van het bouwen; b. de energiehuishouding van het gebouw, met name het gebruik en de opwekking van energie; c. de toepassing van circulaire of biobased grondstoffen of producten; d. de mogelijkheden om de emissies van NOx en CO2 te beperken in de bouw- en gebruiksfase; e. het reduceren van drinkwatergebruik door waterbesparende maatregelen te treffen; f. het versterken van de biodiversiteit; en g. het realiseren van een gezonde en veilige leefomgeving. 3. Het eerste lid laat onverlet de elders in deze verordening gestelde specifieke regels over toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen. J. 99

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd: 1. In de alfabetische volgorde de volgende begrippen ingevoegd: betaalbare woningbouw: huurwoningen met een huur tot aan 1000 euro per maand (prijspeil 2022) en koopwoningen tot een maximumgrens van 355.00 euro; Hollandse Waterlinies: de locatie bekend als de vroegere verdedigingslinies van Holland en bestaat onder andere uit de Nieuwe Hollandse Waterlinie, die van Muiden naar Woudrichem loopt en eindigt bij Werkendam en die is gelegen op het grondgebied van de provincies Noord-Holland, Utrecht, Gelderland, Zuid-Holland en Noord-Brabant; Neder-Germaanse Limes: de locatie bekend als een serie van archeologische monumenten van de vroegere Romeinse rijksgrens, die van Katwijk aan Zee tot in Remagen over de grens met Duitsland loopt over het grondgebied van de provincies Zuid-Holland, Utrecht en Gelderland en de deelstaten Noordrijn-Westfalen en Rijnland-Palts; sociale huurwoningen: woningen met een huurprijs tot de liberalisatiegrens en in het bezit van woningcorporaties; woningvoorraad: het totaal aan woningen in een gemeenten dat is gerealiseerd of waarvoor vergunning is verleend; 2. Het begrip “grote ruimtevragers” komt als volgt te luiden: grote ruimtevragers: bedrijfsfuncties die zijn gehuisvest in een samenhangend gebouwencomplex op een bedrijfskavel van 3 hectare of meer, uitgezonderd nutsvoorzieningen; K.

In Bijlage II worden de volgende kaarten vervangen door de gelijkluidende kaarten als opgenomen in de bijlage behorende bij dit besluit: Kaart 7 Natuurnetwerk Nederland; Kaart 8 Archeologische waarden; Kaart 14 Ruimtelijke kwaliteit en beschermingscategorieën; Kaart 16 Windenergie; Kaart 19 Grote buitenstedelijke bouwlocaties; Kaart 20 Bedrijventerreinen. L. Bijlage X wordt als volgt gewijzigd: 1. In tabel 1 worden de volgende woningbouwlocaties ingevoegd: In het tabeldeel met het opschrift “Haaglanden”: woningbouwlocatie Dwarskade, oppervlakte 44 hectare, gemeente Pijnacker-Nootdorp, kern Nootdorp In het tabeldeel met het opschrift “Midden-Holland”:

100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=afc3cbb6-ddb3-4c47-9d11-1563515c14c2