[T23.00497] Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module wonen, werken, en werelderfgoed
Tekst van het document
De regio’s hebben aangegeven dat bedrijventerreinenvisies in het vierde kwartaal van 2022 worden afgerond. Mochten die aanleiding zijn om nieuwe bedrijventerreinen toe te voegen aan de 3 hectare kaart, dan loopt dat in principe niet meer mee in deze herziening. Mogelijk wel in daarop volgende herziening. Voor enkele bedrijventerreinen is om 21
verschillende redenen hierop een uitzondering gemaakt (zie de paragraaf over mutaties op de 3 hectare kaart). Primair wordt overigens ingezet op beter benutten van bedrijventerreinen. Nieuwe instrumenten voor bedrijventerreinen In de bedrijventerreinenstrategie (eind 2020 in GS vastgesteld) is opgenomen dat twee instrumenten nader worden uitgewerkt, te weten: (1) minimale milieucategorie: ondergrens voor milieucategorie op een hoge milieucategorie bedrijventerrein; en (2) te behouden terreinen: bedrijventerreinen aanwijzen die nooit getransformeerd zullen worden naar woningbouw. Vervolgens is het instrument functiemenging (mengen van functies in een gebied, bijv. wonen/werken) hieraan toegevoegd. Immers, alle drie de instrumenten leveren een bijdrage aan efficiënter ruimtegebruik en geven ondernemers meer investeringszekerheid. Op deze manier dragen deze drie instrumenten, zowel direct als indirect, bij aan diverse provinciale opgaven. Een zorgvuldige implementatie van dit instrumentarium is noodzakelijk. Dit vanwege de complexiteit en mogelijke impact van deze instrumenten (denk aan planschade en subsidiariteitsbeginsel) en de sentimenten rondom het bedrijventerreinendossier. Daarnaast vormen de regionale visies belangrijke input voor deze instrumenten en deze visies zijn pas (op zijn vroegst) in het vierde kwartaal van 2022 gereed.
Daarom zal het instrumentarium door middel van een stappenplan worden geïmplementeerd. Stap 1 wordt meegenomen in de onderhavige herziening en stap twee in de daarop volgende herziening. Om tot een keuze te komen op welk terrein welk instrument wordt ingezet, wordt uitgebreid afgestemd met de regio’s en gemeenten. In een enkel geval is afgeweken van het standpunt van de gemeente: het te behouden deel van bedrijventerrein Bleizo omvat vanuit provinciaal oogpunt een groter gebied. Stap 1 houdt het volgende in: • Te behouden terreinen: extra bescherming voor economische functies op een deel van het totaal aantal bedrijventerreinen (600) in Zuid-Holland. Deze (delen van) terreinen/ functies kunnen dan niet meer getransformeerd worden naar woningbouw. De compensatieregel is hier dus niet meer van toepassing. Dit geldt voor onbepaalde tijd. Indien door gewijzigde marktinzichten een dwingende noodzaak tot transformatie aangetoond kan worden, kan een voorstel tot besluiten tot
•
transformatie aan de Provincie worden voorgelegd, daarbij wordt rekening gehouden met een overgangstermijn van tien jaar voor bestaande bedrijven. Minimale milieucategorie: dit instrument wordt alleen toegepast op nieuwe hogere milieucategorie terreinen. Hierbij bouwen we ook een flexibiliteitsmogelijkheid in voor binnenplanse afwijking voor beste beschikbare technieken, ketenbedrijven en zonering. Zo wordt mogelijk gemaakt dat bedrijven die investeren in het omlaag brengen van de milieucategorie en bedrijven die
•
noodzakelijk zijn in de keten zich toch op het bedrijventerrein kunnen vestigen. Functiemenging: dit principe gaat twee kanten op; dus zowel op woonwijken als op bedrijventerreinen. In de vastgestelde Herziening Omgevingsbeleid Module Ruimte en Wonen is al opgenomen dat nieuwe plannen rekening moeten houden met functiemenging.
Herstel onvolledigheid in compensatieregeling Deze herziening van het omgevingsbeleid wordt tevens benut om een foutje in de verordening te herstellen, met betrekking tot de compensatieregeling voor het transformeren van een bedrijventerrein met milieucategorie 3. Abusievelijk is weggevallen dat het moet gaat om de transformatie van bedrijventerrein met een oppervlakte van 1 hectare of meer. Dit staat wel in de toelichting van de verordening, maar niet in de planregels. Participatie
22
De participatie hierover heeft reeds plaatsgevonden als onderdeel van het opstellen van de bedrijventerreinenstrategie. Daarnaast is tijdens het opstellen van de behoefteraming breed afgestemd met externe partijen. En voor de nieuwe instrumenten zijn diverse ambtelijke en bestuurlijke sessies georganiseerd om gemeenten maximaal mee te nemen in het proces Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De wijziging van de Omgevingsvisie is hieronder opgenomen. In de beleidskeuze ‘Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’ wordt de volgende passage ingevoegd (na het tekstblok met het kopje ‘Sturen via regionale bedrijventerreinenvisies’): Ruimtelijk instrumentarium ten behoeve van slim ruimtegebruik en investeringszekerheid Een fasegewijze implementatie van nieuw instrumentarium levert een bijdrage om de schaarse ruimte in Zuid-Holland optimaal en duurzaam te benutten. Doel van het aanwijzen van de categorie ‘niet te transformeren bedrijventerrein’ is voldoende ruimte voor werkgelegenheid op strategische plekken te behouden en investeringszekerheid voor het bedrijfsleven te garanderen. Bedrijventerreinen met de aanduiding ‘niet te transformeren bedrijventerrein’ mogen voor onbepaalde tijd niet getransformeerd worden.
Indien, bijvoorbeeld door gewijzigde (markt)inzichten, een dwingende noodzaak tot aanpassing hiervan aangetoond kan worden, kan een als zodanig aangeduid bedrijventerrein weer in aanmerking komen voor transformatie. Indien de provincie besluit om transformatie weer mogelijk te maken door het schrappen van de aanduiding in de Omgevingsverordening, wordt een overgangstermijn van tien jaar voor bestaande bedrijven opgenomen. Doel van het toepassen van een minimale milieucategorie is het bevorderen van slim ruimtegebruik en de juiste functie op de juiste plek op bedrijventerreinen. De fasegewijze aanpak hangt samen met de wens voor een zorgvuldige implementatie van dit instrumentarium.
A3 Detailhandel Aanleiding In 2021 heeft de provincie Zuid-Holland samen met 3 andere provincies een Koopstromenonderzoek (KSO 2021) laten uitvoeren. Vervolgens is er een verdiepende analyse gedaan waarbij verschillende koopstroomonderzoeken en mogelijke trends en ontwikkelingen zijn bestudeerd en gesprekken zijn gevoerd met verschillende stakeholders zoals gemeenten naar hoe regionale afstemming verder verbeterd zou kunnen worden. Veranderend consumentengedrag (meer aankopen via internet) leidt ertoe dat er in algemene zin minder behoefte is aan winkels. Prioriteit moet worden gelegd bij het relevant houden van centrumgebieden door hier naast winkels ook andere publiek aantrekkende voorzieningen te bundelen. Hierdoor ontstaat synergie tussen de verschillende voorzieningen. Het is van belang om in de basis het vigerende provinciaal detailhandelsbeleid (detailhandel primair concentreren in de centra) te continueren en niet meer
23
vestigingsmogelijkheden daarbuiten toe te staan, aangezien deze niet bijdragen aan het provinciaal belang van vitale en aantrekkelijke stads- en dorpscentra. De provincie is er daarom van overtuigd dat het detailhandelsbeleid (zowel het Omgevingsbeleid als de Aanpak winkelgebieden) ook in de toekomst bijdraagt aan het provinciaal belang. Op onderdelen zijn wel beperkte aanpassingen nodig om het beleid toekomstbestendig te houden. Aanpassing beleid De aanpassingen van het beleid zijn hieronder beschreven. •
Uitbreiding categorieën winkelcentra
Een uitbreiding van 3 naar 4 categorieën winkelcentra, door de categorie ‘te versterken centra’ te splitsen in ‘te consolideren centra’ en te herpositioneren centra’. De andere categorieën blijven in stand, dat zijn ‘te optimaliseren centra’ en ‘overige centra’. Voor te consolideren centra geldt dat deze een verzorgingsfunctie hebben voor een groot aantal inwoners en dat ze over een rijke mix van functies beschikken. Het perspectief voor deze centra is goed en de inzet is gericht op behoud van de positie in de detailhandelsstructuur. Dat kan soms een uitbreiding van het winkelaanbod betekenen, maar ook transformatie van zwakkere winkellocaties (bijvoorbeeld in de aanloopstraten). Voor te herpositioneren centra geldt dat het toekomstperspectief kwetsbaar is omdat ze teveel eenzijdig op winkels zijn gericht, in plaats van op een mix van functies. Uitbreiding van het winkelaanbod is in deze centra in principe niet aan de orde. De inzet moet eerder gericht zijn op een bredere mix aan functies, gericht op de lokale behoefte. • Beperkte uitbreiding rol Adviescommissie Detailhandel Een beperkte uitbreiding van de adviesrol van de Adviescommissie detailhandel, waarbij bij nieuwe detailhandelsontwikkelingen met bovengemeentelijke effecten aan gemeenten gevraagd wordt om het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen.
Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. Aan de huidige adviesrol van de Adviescommissie detailhandel Zuid-Holland kan advisering over door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden worden toegevoegd. • Beperking omvang nevenassortiment Het voeren van nevenassortiment is onder voorwaarden mogelijk bij perifere detailhandel (brand- en explosiegevaarlijke goederen, volumineuze goederen, woondetailhandel, tuincentra en bouwmarkten). De regeling houdt in dat maximaal 20% van het netto verkoopvloeroppervlak kan worden gebruikt voor de verkoop van nevenassortiment waarbij geldt dat het nevenassortiment past bij het hoofdassortiment. Gezien het toenemend aantal zeer grootschalige winkels stellen we voor om naast een maximaal percentage van het totale winkelvloeroppervlak van 20%, ook een absolute grens te stellen voor de verkoop van nevenassortiment van maximaal 500 m2 (dit is gelijk aan het beleid van de MRDH). • Provinciale Aanpak winkelgebieden Het flankerend beleidspakket wordt gecontinueerd tot en met 2023. Voor de periode na 2023 wordt onderzocht of de Aanpak winkelgebieden geïntensiveerd kan worden. Conclusie: 24
Dit leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. De aanpassing van de Omgevingsvisie is hieronder opgenomen. De Beleidskeuze Concentratie en bundeling detailhandel komt als volgt te luiden: Concentratie en bundeling detailhandel Beleidskeuze De provincie concentreert en bundelt nieuwe detailhandel primair in de centra van wijken, dorpen en steden. Aanleiding De provincie hecht veel waarde aan vitale, krachtige en aantrekkelijke stads- en dorpscentra en wil om dat te bereiken de detailhandelsstructuur versterken door deze vooral kwalitatief te verbeteren en ook de bereikbaarheid en de beschikbaarheid van detailhandelsvoorzieningen te garanderen. Dit levert een belangrijke bijdrage aan het woon-, werk- en leefklimaat in Zuid-Holland. Detailhandel is nog steeds een belangrijk bezoekmotief voor centra, ondanks dat in veel gebieden het draagvlak voor winkels afneemt door overaanbod, veranderend consumentengedrag en demografische ontwikkelingen. Uitbreiding van aanbod is gelet op de transitie waar alle centra voor staan, echter niet meer de focus. Het gaat in de toekomst veel meer over het relevant houden van de totale centrumgebieden, waarbij voor een goede regionale afstemming en samenwerking het juiste (relevante) verzorgingsgebied belangrijk is.
Tussen detailhandelsvoorzieningen onderling en met andere (maatschappelijke) voorzieningen ontstaat synergie en combinatiebezoek. Hierdoor functioneren de voorzieningen als geheel beter dan de som der delen. De provincie benut hiermee de kracht van detailhandel voor vitale, sterke en aantrekkelijke centra waardoor optimaal wordt bijgedragen aan een kwalitatief hoogwaardigere leefomgeving. De kern van het provinciaal detailhandelsbeleid ligt daarom bij de concentratie en bundeling van detailhandelsvoorzieningen in de centra. Hierdoor wordt de detailhandelsstructuur versterkt. Verspreid liggend aanbod draagt niet bij aan het clusteren en concentreren van het detailhandelsaanbod en tast de detailhandelsstructuur in ruimtelijke zin (afname ruimtelijke kwaliteit, toename leegstand) aan. Omdat voorzieningen worden geclusterd, kunnen vervoersstromen efficiënter worden ingericht en ontstaat er ook meer draagvlak voor Openbaar Vervoer. Door het bevorderen en faciliteren van herbestemming en transformatie kunnen slecht functionerende detailhandelslocaties, naast een versterking van de detailhandelsstructuur, een bijdrage leveren aan de woningbouwopgave of andere opgaven in het bestaand stedelijk gebied. Buiten de centra biedt de provincie alleen vestigingsruimte aan enkele specifieke branches van detailhandel.
Het gaat dan vooral om detailhandel die vanwege de aard en omvang van de te verkopen goederen in ruimtelijke zin niet goed is in te passen in de centra. Motivering Provinciaal Belang
25
Vanwege het grote belang van detailhandel voor de leefbaarheid, de aantrekkelijkheid en economie van Zuid-Holland, voert de provincie al jaren (ruimtelijk) detailhandelsbeleid. Detailhandel is ook een belangrijke ruimtelijke ontwikkeling waar de provincie op toeziet. De provincie maakt daarbij gebruik van haar wettelijke taken en bevoegdheden op het gebied van ruimtelijke ordening en na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de fysieke leefomgeving. Het provinciaal belang is helder. Detailhandel is, door deze te bundelen en te concentreren in de bestaande centra, van groot belang voor het functioneren en het bevorderen van de vitaliteit, kracht en aantrekkelijkheid van de centra van steden en dorpen. Detailhandel is een belangrijke drager van die vitaliteit. Daarnaast draagt een fijnmazige en sterke provinciale detailhandelsstructuur bij aan nabijheid van (dagelijkse) voorzieningen en het terugdringen van onnodige (auto)mobiliteit. Nieuwe detailhandelsontwikkelingen hebben al snel een bovenlokaal en zelfs een regionaal effect. De keuze van de ene gemeente heeft gevolgen voor een andere gemeente en vraagt om (regionale) afstemming. Dit geldt ook voor het tegengaan van overcapaciteit en het slim omgaan met de schaarse ruimte.
De provincie kan met haar ruimtelijk detailhandelsbeleid lokale belangen overstijgen en effecten van nieuwe, al dan niet (zeer) nabije, detailhandelsontwikkelingen op elkaar afstemmen en waar nodig tegen elkaar afwegen. Dit met het oog op het overkoepelende provinciale belang dat is gelegen in vitale kernen in de gehele provincie. Met dit beleid wordt voor iedereen een gelijkwaardig en evenwichtig speelveld bevorderd, met vitale afzonderlijke kernen. Toelichting / Uitwerking beleid Detailhandel binnen de centra: Verschillende type winkelcentra De provincie onderscheidt in Zuid-Holland grofweg drie type winkelcentra: de grote centra, de middelgrote centra en de overige centra. Het generieke beeld in het functioneren van de verschillende type centra is door de provincie vertaald in een ontwikkelingsperspectief voor de provinciale detailhandelsstructuur. Deze bestaat uit vier categorieën: ‘te consolideren centra’, ‘te herpositioneren centra’, ‘te optimaliseren centra’ en de ‘overige centra’. Deze vierdeling maakt het ‘level playing field’ herkenbaar. Hierdoor wordt duidelijk en inzichtelijk welke positie een centrum heeft in de provinciale detailhandelsstructuur en worden onze keuzes voor ontwikkelingsmogelijkheden (investeringen, ruimtelijke toevoegingen en herstructureringen/transformaties) daarbinnen helder.
Te consolideren centra De grote centra hebben over het algemeen een ruim aanbod aan detailhandelsvoorzieningen en bieden daarnaast een breder aanbod aan publieksvoorzieningen. Dit zorgt er voor dat deze centra, niet alleen voor de aankoop van (niet-dagelijkse) artikelen, maar ook om recreatief te winkelen en als ‘dagje uit’ veelal worden bezocht. Het toekomstperspectief voor de 'te consolideren centra' is over het algemeen goed. Dit betekent echter niet dat deze centra niet voor opgaven staan. Om hun positie te consolideren kan sprake zijn van uitbreiding van het winkelaanbod, maar er zal ook zeker sprake zijn van transformatie van zwakkere winkellocaties. Het provinciale beleid richt zich op behoud en versterking van de 26
(boven)regionale positie van deze centra waarbij het totaal aantal winkelvloeroppervlak niet toeneemt. De Ladder voor duurzame verstedelijking blijft hiervoor een belangrijk instrument. Ontwikkelingen in deze centra moeten niet leiden tot onaanvaardbare leegstandseffecten in andere centra. Qua omvang, functioneren en verwacht toekomstperspectief onderscheiden de binnensteden van Rotterdam en Den Haag zich ten opzichte van de andere centra. Ook hebben deze twee centra een grote aantrekkingskracht op (inter)nationale bezoekers. De andere centra in deze categorie vervullen vooral een regionale functie. Nieuwe ontwikkelingen zouden ook bij dat profiel moeten passen. De te consolideren centra van de provinciale detailhandelsstructuur bestaan uit 7 locaties: - Internationale centra: Den Haag binnenstad en Rotterdam binnenstad; - Nieuwe centra: Leidschendam The Mall of the Netherlands - Historische binnensteden: Leiden centrum, Delft binnenstad, Dordrecht binnenstad en Gouda binnenstad. Te herpositioneren centra Deze centra zijn planmatig ontwikkeld en relatief sterk winkel georiënteerd. Ondanks hun omvang en kritische massa is door hun relatieve monofunctionaliteit hun toekomstperspectief kwetsbaar in de huidige en toekomstige winkelmarkt. Deze centra zijn gebaat bij een bredere mix aan functies, afgestemd op de lokale behoefte.
Uitbreiding van het winkelaanbod is in deze centra in principe niet aan de orde, tenzij er door woningbouw een substantiële toename van de bevolking te verwachten is. Dit ontwikkelperspectief geldt voor Rijswijk in de Bogaard, Rotterdam Zuidplein en Alexandrium en Stadshart Zoetermeer. Te optimaliseren centra De provincie heeft 34 centra als 'te optimaliseren centra' aangeduid. Deze centra nemen een prominente positie in binnen de structuur en zijn van groot belang voor de leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit. De omvang van het winkelaanbod in m2 in deze centra is de afgelopen jaren over het algemeen beperkt in omvang afgenomen en missen een kritische massa die juist de grotere steden aantrekkelijk maken voor aankoop van niet-dagelijkse artikelen. Het aantal winkels is daarentegen sterker afgenomen. Een belangrijke oorzaak voor deze afname is dat Internet een belangrijk aankoopkanaal is voor vooral niet-dagelijkse goederen. Branches die veelal op internet worden gekocht, zijn juist aanwezig in dit type centra en staan dus onder druk. Andere publieksfuncties zoals horeca en leisure zijn over het algemeen wat minder sterk vertegenwoordigd. Het gevolg is dat deze centra een minder grote koopkrachttoevloeiing realiseren en dat de bestedingen per m2 op een lager niveau liggen.
De betreffende gemeenten hebben ook nagenoeg geen ontwikkelingsruimte voor nieuwe detailhandelsontwikkelingen. De combinatie van deze factoren zorgt er voor dat het (toekomstig) functioneren van deze groep centra onder druk staat. Detailhandel is een belangrijke drager voor de aantrekkelijkheid en levendigheid van deze centra. Doordat de functie van detailhandel in deze centra terugloopt, dreigt ook de vitaliteit en aantrekkelijkheid, en daarmee de sociaalmaatschappelijke functie van deze centra terug te lopen. De belangrijkste (ruimtelijke) opgaven liggen voor alle betrokken partijen (overheden en markt) dan ook bij deze categorie centra. 27
Het winkelbestand in deze centra zou daarom bij voorkeur niet moeten uitbreiden, zich primair moeten richten op de eigen bewoners en geen of heel beperkte regionale ambities nastreven. Mocht het eigen inwonertal in aanzienlijke mate toenemen, dan kan het winkelaanbod hierop afgestemd worden. Soms kan ook intensivering op een plek aan de orde zijn, gevolgd door sanering of transformatie elders. Een belangrijke opgave ligt in het terugdringen van winkelleegstand, o.a. door transformatie naar andere functies. Toevoeging van andere publieksfuncties, zowel maatschappelijk als commercieel van aard, kan de aantrekkelijkheid van deze centra verhogen. Het gaat hierbij om een maatwerkopgave per centrum. Overige centra De overige centra (circa 450 centra, en niet specifiek benoemd) vervullen een lokale functie, zijn belangrijk voor de bereikbaarheid van het dagelijks aanbod en hebben een meerwaarde voor de leefbaarheid van kleine kernen, wijken en buurten. Het toekomstperspectief is divers: sommige centra functioneren goed, andere centra komen in aanmerking voor een facelift, herprofilering, (gedeeltelijke) transformatie of samenvoeging. Voor deze categorie centra kan eventuele beperkte groei van het winkeloppervlak aan de orde zijn om de dynamiek in de dagelijkse sector te faciliteren.
Beperkte groei van het aanbod in de overige centra is ook mogelijk indien dit aanbod geen gelijke tred houdt met een sterke bevolkingsgroei die recent heeft plaatsgevonden, of aanstaande is, bij achterstand in het voorzieningenniveau of bij feitelijke en planologische saldering van aanwezige detailhandel uit hetzelfde verzorgingsgebied. Herallocatie overig centrum De provincie biedt de mogelijkheid om een 'overig centrum' op een andere centrale en goed bereikbare locatie binnen hetzelfde verzorgingsgebied te accommoderen. Deze situatie zou zich bijvoorbeeld voor kunnen doen op het moment dat meerdere locaties worden samengevoegd op een nieuwe locatie of bij opheffing en verplaatsing van een slecht functionerende aankoopplaats. Er worden wel een aantal voorwaarden gesteld. Voor de achterblijvende locatie dient er zicht te zijn op zowel feitelijke als planologische sanering van detailhandel. Indien er als gevolg van de verplaatsing bovengemeentelijke effecten optreden, of er is per saldo sprake van een toename van het winkelareaal, gelden dezelfde toelichtingsvereisten voor het bestemmingsplan zoals beschreven onder ‘toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen’. Supermarkt buiten winkelconcentratie in kleine kern De provincie is zich er van bewust dat leefbaarheid in en van kleine kernen in veel gevallen samenhangt met de beschikbaarheid en bereikbaarheid van dagelijks winkelaanbod.
In deze sector is een tendens zichtbaar naar schaalvergroting van supermarkten. In sommige gevallen zal het echter niet mogelijk zijn een toekomstbestendige supermarkt in een winkelconcentratie van een kleine kern onder te brengen omdat er geen geschikte ruimte te vinden is voor de benodigde omvang van de supermarkt. De provincie biedt daarom de mogelijkheid om via lokaal maatwerk de vestiging of uitbreiding van een supermarkt in een kleine kern net buiten het winkelconcentratiegebied mogelijk te maken. Als een dergelijke situatie zich voordoet, moet er wel aangetoond worden dat die nieuwe ontwikkeling niet in of aansluitend aan de bestaande winkelconcentratie gerealiseerd kan worden en dat de leefbaarheid in het geding kan komen als er
28
een locatie net buiten het winkelconcentratiegebied beschikbaar komt. De omvang van de supermarkt dient in overeenstemming te zijn met de lokale verzorgingsfunctie en er dienen geen (blijvende) negatieve effecten op te treden op de bestaande detailhandelsstructuur.
Detailhandel buiten de centra: welke detailhandel kan zich buiten de centra vestigen? Vanuit ruimtelijke overwegingen en het beleid om bedrijventerreinen voor reguliere bedrijven te behouden, benadert de provincie uitbreiding van de perifere, solitaire en verspreide detailhandel zeer terughoudend. De provincie biedt vestigingsmogelijkheden buiten de centra alleen aan enkele specifieke branches van detailhandel aan. Het gaat dan om detailhandel die vanwege de aard of de omvang van de goederen in ruimtelijke zin niet of niet goed inpasbaar is in de centra en die niet essentieel is voor de kwaliteit van de centra. Ook kan er onder voorwaarden ruimte worden geboden aan enkele vormen van kleinschalige detailhandel, ondergeschikte detailhandel en afhaalpunten voor niet-dagelijkse artikelen. Hieronder wordt op hoofdlijnen toegelicht welke detailhandel zich buiten de centra zou kunnen vestigen. Detailhandel in volumineuze en brand- en explosiegevaarlijke goederen Detailhandel in volumineuze goederen zoals auto’s, boten, caravans, motoren, scooters, zwembaden, buitenspeel- en fitnessapparatuur, piano’s, surfplanken, tenten, grove bouwmaterialen, en landbouwwerktuigen versterkt de detailhandelsstructuur niet en is moeilijk inpasbaar in centra. Vestiging van deze branches kan daarom vanuit ruimtelijke overwegingen buiten de reguliere detailhandelsstructuur plaatsvinden.
Vanwege de aard van brand- en explosiegevaarlijke goederen is de verkoop ervan in centra over het algemeen onwenselijk. PDV-locaties voor woongerelateerde detailhandel Er zijn 31 opvanglocaties aangewezen waar zich grootschalige detailhandel in meubelen (inclusief in ondergeschikte mate woninginrichting) en detailhandel in keukens, badkamers, vloerbedekking, parket, zonwering en jacuzzi’s kan vestigen. Deze zogenaamde PDV-locaties (Perifere Detailhandels Vestigingen) zijn aangeduid in de Omgevingsverordening. De PDV-locaties verschillen nogal in functioneren en verschijningsvorm. Een aantal van deze locaties heeft een regionale aantrekkingskracht en andere bedienen vooral een lokale markt. Sommige zijn als ‘woonboulevard’ ontwikkeld en vormen een stedenbouwkundig geheel. Andere locaties zijn in feite gemengde bedrijventerreinen waar woongerelateerde detailhandel zich heeft gevestigd. Er is in Zuid-Holland een overschot aan woongerelateerde detailhandel waardoor veel PDVlocaties niet optimaal functioneren. Voor de meeste PDV- locaties is kwantitatieve versterking daarom niet gewenst. Tuincentra en bouwmarkten Tuincentra en bouwmarkten kunnen wat de provincie betreft op een locatie buiten de centra gehuisvest worden. Het gaat om een vorm van detailhandel, waarbij de verkoop van goederen die 29
in overwegende mate volumineus zijn, wordt gecombineerd met een breed assortiment. Ook de aard van de goederen is een reden voor vestiging in de periferie, bij tuincentra bijvoorbeeld de – deels seizoensgebonden- verkoop van planten in de openlucht en in kassen (soms gecombineerd met kweek en verzorging). Nevenassortiment perifere detailhandel Het voeren van nevenassortiment is onder voorwaarden mogelijk bij perifere detailhandel (tuincentra, bouwmarkten, woongerelateerde detailhandel en detailhandel in volumineuze en brand- en explosiegevaarlijke goederen). De regeling houdt in dat maximaal 20% van het netto verkoopvloeroppervlak (VVO) kan worden gebruikt voor de verkoop van nevenassortiment, waarbij geldt dat dit nevenassortiment past bij het hoofdassortiment. Gezien het toenemend aantal zeer grootschalige winkels is maximaal 20% van het totale winkelvloeroppervlak (VVO) met een maximum van 500 m2 VVO toegestaan. Als deze normering niet opgenomen wordt, dreigt de omvang van het nevenassortiment te groot te worden en daarmee van invloed op de detailhandelsstructuur van binnensteden. Zo zijn er bijvoorbeeld al plannen voor tuincentra ingediend met een oppervlak van meer dan 10.000 m2. Het nevenassortiment is dan in de huidige omgevingsverordening 2.000 m2 nevenassortiment.
Kleinschalige en ondergeschikte detailhandel De provincie biedt ook de mogelijkheid voor vestiging buiten de centra aan enkele vormen van kleinschalige detailhandel. Denk bijvoorbeeld aan gemakswinkels, bedoeld voor kleine en snelle aankopen met een beperkt assortiment van dagelijkse of direct te gebruiken artikelen. Als vorm van kleinschalige detailhandel kan ook detailhandel worden toegelaten die ondergeschikt is aan een beroep aan huis of ondergeschikt aan een ambachtelijk of dienstverlenend bedrijf, bijvoorbeeld de verkoop van producten bij een kapper of een schoonheidssalon. Detailhandel in ter plaatse vervaardigde goederen bij productiebedrijven is ook mogelijk. Bij agrarische bedrijven is de verkoop van producten uit eigen teelt toegestaan. Internetdetailhandel De provincie beschouwt afhaalpunten voor de internetdetailhandel als een vorm van detailhandel, vanwege de hiermee gepaard gaande publieksfuncties. Ze horen daarom thuis in winkelconcentraties. De provincie staat op dit standpunt naar aanleiding van de resultaten van een integraal onderzoek naar de gevolgen van internetdetailhandel, voor de kwaliteit van de leefomgeving en de mobiliteit. Afhaal- en brengpunten voor de internetdetailhandel van niet dagelijkse goederen zonder een etalage/showroomfunctie kunnen ook gesitueerd worden op goed bereikbare plekken buiten winkelconcentraties.
Overzicht detailhandelsstructuur In het Omgevingsprogramma is een tabel opgenomen van de centra die behoren tot de provinciale detailhandelsstructuur. De indeling in categorieën is gebaseerd op de in Omgevingsvisie opgenomen indeling in te herpositioneren centra, te consolideren centra, te optimaliseren centra en overige centra (reguliere detailhandel). Daarnaast worden in het Omgevingsprogramma de PDV- en GDV-locaties aangeduid. Functioneren detailhandelsstructuur Een beschrijving van het functioneren van de detailhandelsstructuur en de eventuele 30
ontwikkelingsmogelijkheden, is opgenomen in het Omgevingsprogramma. Toelaatbaarheid nieuwe ontwikkelingen, zowel binnen als buiten de centra Aan nieuwe detailhandelsontwikkelingen verbindt de provincie voorwaarden op het gebied van toelaatbaarheid. Ontwikkelingen die met nieuwe detailhandel gepaard, moeten in de toelichting op het bestemmingsplan onderbouwd worden via de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast moet o.a. inzicht gegeven worden in de eventuele toename van de leegstand, de gevolgen voor de ruimtelijke kwaliteit en leefbaarheid in het verzorgingsgebied, ontwrichting van het voorzieningenniveau alsmede eventuele mogelijkheden voor saldering. Daarnaast kan een advies van de Adviescommissie Detailhandel Zuid-Holland nodig zijn. Dit advies is nodig bij nieuwe ontwikkelingen binnen de centra vanaf 2000 m2 bruto vloeroppervlak (binnensteden Rotterdam en Den Haag vanaf 4000 m2 bruto vloeroppervlak) en buiten de centra vanaf 1000 m2 bruto vloeroppervlak. De adviescommissie valideert objectief de onderbouwing van de nieuwe detailhandelsontwikkeling. Het gaat dan om de (regionale) kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en de ruimtelijke effecten van de nieuwe detailhandel (zoals woon- en leefklimaat, ruimtelijke kwaliteit en leegstand).
Regionale afstemming Vanwege de mogelijke bovenlokale ruimtelijke effecten van grootschalige detailhandelsontwikkelingen, vindt de provincie het van belang dat nieuwe grootschalige ontwikkelingen in regionaal verband worden afgestemd. Hierbij dienen gemeenten het ruimtelijk relevante verzorgingsgebied in kaart te brengen. Binnen dit verzorgingsgebied dient dan inzichtelijk gemaakt te worden in welke gemeenten ruimtelijke effecten op zouden kunnen treden als gevolg van de nieuwe ontwikkeling en met welke gemeenten hier dan afstemming over plaats zou moeten vinden. De Adviescommissie Detailhandel kan hierbij een advies uitbrengen over de door gemeenten in kaart gebrachte ruimtelijk relevante verzorgingsgebieden. De provincie beoordeelt vervolgens de toelichting op het bestemmingsplan waarin de uitkomsten van deze regionale afstemming zijn opgenomen. GDV-locaties: Megastores en Alexandrium 2 In Zuid-Holland zijn twee locaties voor Grootschalige Detailhandels Vestigingen (GDV) aangewezen: Alexandrium II en een deel van Haaglanden Megastores. Een GDV-locatie heeft meerdere grootschalige vestigingen, waarbij de branchebeperkingen van het perifere detailhandelsbeleid niet gelden. In de jaren 90 ontstond behoefte om goed bereikbare locaties buiten de bestaande centra aan te wijzen voor grootschalige detailhandel zonder branchebeperkingen.
Door de forse toename in online bestedingen en de afname van het aantal winkels en vloeroppervlak, is de behoefte aan dit soort locaties sterk afgenomen. De provincie gaat nu juist uit van behoud en versterking van de bestaande ruimtelijke detailhandelsstructuur en handhaaft het aantal GDV-locaties in Zuid-Holland daarom tot de bestaande twee. Er is op dit moment geen aanleiding om beleid en regels voor de GDV-locaties aan te passen
31
A4 Grote ruimtevragers Aanleiding In Zuid-Holland, de meest dichtbevolkte provincie van Nederland, is de ruimte schaars. Bekende ruimteclaims rondom wonen, werken en verplaatsen vragen al tientallen jaren om meer ruimte. Daarnaast verschijnen er door nieuwe technologieën (digitalisering), opschaling van logistieke processen (logistieke infra en gebouwen) en verandering in de industriële processen (HMC/watergebonden/circulair) steeds meer nieuwe grote spelers op het veld. Het gaat onder meer om datacenters, nieuwe infrastructuur voor de energie en logistieke centra. Dit gaat gepaard met een maatschappelijk debat over ruimtelijke kwaliteit en zorgen over ‘verdozing’, versnippering en ‘verrommeling’. De druk op de ruimte en de noodzaak om integrale ruimtelijke keuzes te maken wordt steeds urgenter. Daarbij wordt ook steeds nadrukkelijker duidelijk dat samenhang en gezamenlijkheid in beleid tussen opgaven en overheden noodzakelijk is. Dat betekent dat Zuid-Holland voortvarend door wil pakken en stapsgewijs en voorzienbaar strakker zal gaan sturen op kwaliteit, toegevoegde waarde en toekomstbestendigheid. In de herziening 2021 van het omgevingsbeleid is een ‘pas op de plaats’ voor grote ruimtevragers opgenomen. Grote ruimtevragers zijn gedefinieerd als ‘alle in samenhang gebouwde complexen groter dan 5 hectare’, denk aan datacenters, distributiecentra en dergelijke.
Dit beleid richt zich vooralsnog op nieuwe ontwikkelingen, die nog niet zijn opgenomen in een geldend bestemmingsplan. Buiten de aangewezen clusters (het havenindustrieel complex tot en met Dordrecht, twee bestemmingsplannen in de A12 zone en bij het transferium in Alphen) worden geen nieuwe ontwikkelingen meer toegestaan. In de onderhavige herziening wordt de ‘pas op de plaats’ met enkele kleine aanpassingen definitief gemaakt. Tevens wordt richting gegeven voor een volgende herziening van het omgevingsbeleid (2023). Voorstel is om in een volgende herziening in samenhang met de doorontwikkeling van het instrumentarium voor het bedrijventerreinbeleid en andere lopende trajecten (zoals Grip op grote ruimtevragers (GRIP) – met het Rijk) te kijken naar de opties om grootschalige vestigingen op ongewenste locaties in bestaande bestemmingsplannen verder te beperken. Hierbij is gezamenlijk beleid van provincie, regio’s en gemeenten noodzakelijk. Beleidsaanpassing De aanpassingen die meelopen In de onderhavige module hebben betrekking op visie, verordening en programma. In de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening worden het beleid en de regels voor de ‘pas op de plaats’ definitief. De onderbouwing en de toelichting wordt beter geduid. De definitie van grote ruimtevragers wordt aangepast.
Zo wordt duidelijk gemaakt dat nutsvoorzieningen voor het collectief belang niet vallen onder dit beleid. Tevens wordt de ondergrens van 5 hectare verlaagd naar 3 hectare. De vestiging van grote datacenters wordt niet passend geacht op de aangewezen clusters.
Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De aanpassing van de Omgevingsvisie is hieronder aangegeven. 32
De beleidskeuze ‘Concurrerende en toekomstbestendige bedrijventerreinen’ wordt als volgt aangepast. Onder het kopje ‘Beleidskeuze’ komt de zin “Voor grote ruimtevragers voert de provincie bij wijze van ‘pas op de plaats’ een selectief vestigingsbeleid” als volgt te luiden: Voor grote ruimtevragers voert de provincie een selectief vestigingsbeleid. Onder het kopje ‘Toelichting’ komt de passage “Daarnaast voert de provincie een selectief vestigingsbeleid voor grote ruimtevragers (…) dat in een later stadium vervangen zal worden door definitief beleid”, als volgt te luiden: Daarnaast voert de provincie een selectief vestigingsbeleid voor grote ruimtevragers. Uitgangspunt is dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Voor de vestiging van grote ruimtevragers zijn enkele locaties aangewezen. Het tekstblok onder het kopje ‘Grote ruimtevragers’ komt als volgt te luiden: Grote ruimtevragers De provincie wil gericht sturen op de vraag of, waar en hoe nieuwe grootschalige ontwikkelingen in Zuid-Holland ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden.
Het gaat daarbij vooral om de ruimtevraag van grote specifieke functies in de logistiek (xxl-logistiek) en de digitale economie (bijvoorbeeld hyperscale en co-locatie-datacenters), maar ook om andere bedrijfsfuncties die gehuisvest worden in een groot gebouwencomplex. Het beleid is niet gericht op nutsvoorzieningen voor maatschappelijk opgaven zoals bijvoorbeeld onderstations voor het elektriciteitsnetwerk of infrastructuur voor de drinkwatervoorziening. Het beleid zet in op het optimaal benutten van de schaarse ruimte door te prioriteren voor huidige en toekomstig wenselijke ruimtevragers
De provincie hanteert daarom als uitgangspunt dat nieuwe grote ruimtevragers alleen ruimtelijk gefaciliteerd kunnen worden wanneer onderbouwd is dat de functies en activiteiten maatschappelijke en economische waarde toevoegen en tegelijkertijd rekening houden met de ruimtelijke kwaliteit van Zuid-Holland. Een ontwikkeling zal dan aantoonbaar bij moeten dragen aan brede welvaart en toekomstbestendigheid in Zuid-Holland. Dit kan door aan te tonen hoe een ontwikkeling bij draagt aan duurzaamheid, energietransitie, welzijn, klimaatadaptatie en biodiversiteit en tegelijkertijd aan de versterking van het Zuid-Hollandse economische ecosysteem. Dit kan door kwalitatieve toevoeging van werkgelegenheid maar ook door bij te dragen aan innovatiekracht, vergroening, circulariteit en digitalisering van de economie. Doel is een slimmer gebruik van ruimte, infrastructuur, water en energie. Nieuwe locaties worden daarom daarnaast afgewogen ten opzichte van de multimodale bereikbaarheid, de capaciteit van onze infrastructuur (weg, water, spoor), de bijdrage aan slim ruimtegebruik en de capaciteit van het energienetwerk. De provincie kiest waar mogelijk, voor het samenbrengen (clusteren) en ruimtelijk combineren van grootschalige functies
33
Het beleid richt zich op grootschalige bedrijfsmatige ontwikkelingen in een samenhangend gebouwd complex op een bedrijfskavel met een oppervlak van 3 ha of meer. Hierbij wordt een uitzondering voor nutsvoorzieningen zoals bijvoorbeeld onderstations voor de energietransitie of infrastructuur voor de watervoorziening - gemaakt. Uitgangspunten De provincie hanteert de volgende uitgangspunten voor het mogelijk maken van deze grootschalige ontwikkelingen: •
Het optimaal benutten van de schaarse ruimte en het prioriteren voor huidig en toekomstig wenselijke ruimtevragers. Dit in samenhang met het bedrijventerreinbeleid en de inzet van de provincie Zuid-Holland op maatschappelijke opgaven zoals energietransitie, klimaatbestendigheid, en een circulair Zuid-Holland.
•
Verdichting, concentratie, bundeling van complementaire functies passend bij de hiërarchie van (logistieke) knooppunten in de betreffende infrastructuurnetwerken.
•
Versterken agglomeratiekracht met aandacht voor vestigingskwaliteit, nabijheid en diversiteit van functies en activiteiten. Hierbij wordt gebiedsgericht rekening gehouden met de lokale en regionale behoefte aan verschillende typen van logistiek (zoals stadslogistiek, hubs, bevoorrading, grote internationale vervoersstromen en hubs) Criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers Voornoemde uitgangspunten hebben we uitgewerkt en geconcretiseerd tot een aantal criteria voor het toelaten van grote ruimtevragers. De volgende vragen zijn relevant voor het antwoord op de vraag of het wenselijk is een grote ruimtevrager te accommoderen en zo ja, waar en hoe? • Is de ontwikkeling noodzakelijk in Zuid-Holland? • Is de ontwikkeling regionaal afgestemd? • •
Waarom op deze locatie? Draagt de ontwikkeling bij aan economische en maatschappelijke doelstellingen voor vergroening, circulariteit, digitalisering en verduurzaming van de economie?
•
Draagt de ontwikkeling bij aan het efficiënt gebruik van de bestaande infrastructuur, energie, water en ruimte? Draagt de ontwikkeling bij aan verduurzaming van de mobiliteit en logistiek (bijvoorbeeld
• • • •
emissievrije stadslogistiek)? Is de ontwikkeling een waardevolle en zinvolle toevoeging op reeds aanwezige economische ecosystemen en clusters ? Brengt de ontwikkeling waardevolle werkgelegenheid met zich mee? Is de inzet van arbeidsmigranten nodig en wat betekent dat voor de huisvesting? Is de ontwikkeling noodzakelijk of relevant voor andere bedrijven in de regionale keten?
•
Wordt door de ontwikkeling ruimte elders (bij voorkeur in Zuid-Holland) voor andere maatschappelijke opgaves (bijvoorbeeld woningbouw of betaalbare bedrijfsruimte in de nabijheid van inwoners, werknemers en voorzieningen) vrijgespeeld?
• • •
Worden mee-koppelkansen maximaal benut (meervoudig ruimtegebruik)? Is de ontwikkeling inpasbaar met hoge aandacht voor ruimtelijke kwaliteit? Is bij de ontwikkeling rekening gehouden met toekomstbestendig bouwen, zoals zonnepanelen op het dak, natuurinclusief bouwen en circulariteit?
Op basis van deze criteria wordt geconstateerd dat de vestiging van grote datacenters niet passend is, ook niet op de aangewezen clusters.
34
Ruimtelijke strategie De provincie stuurt vanuit een ruimtelijke strategie. Bovengenoemde uitgangspunten en criteria leiden tot een ruimtelijk structuurbeeld met knooppunten, bundelingslocaties en corridors. Op basis hiervan zijn locaties geselecteerd waar vestiging van grote ruimtevragers mogelijk blijft. Nieuwe grote ruimtevragers buiten deze locaties zijn uitgesloten. We zien dit als een gerichte sturing waarbij voldoende ruimte blijft voor gewenste ontwikkelingen. In overleg met de regio’s en het rijk zullen we het ruimtelijk structuurbeeld blijven verfijnen. De regionale visies voor bedrijventerreinen spelen hierin net als lopende trajecten met het rijk (GRIP op grote ruimtevragers) een rol. We vragen de regio’s daarom bovengenoemde criteria te hanteren bij het opstellen van de regionale visies. Het beleid richt zich op nieuwe ontwikkelingen. Het gaat dan in ieder geval om de locaties die op de 3 ha kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties) zijn aangeduid als ‘bedrijventerrein zachte plancapaciteit’. De ontwikkelingen van die bedrijventerreinen is nog niet opgenomen in een bestemmingsplan.
Het gaat ook om locaties voor bedrijventerreinen die al wel in een bestemmingsplan zijn opgenomen, maar waar via een herziening van het bestemmingsplan alsnog de vestiging van grote ruimtevragers mogelijk wordt gemaakt Daarnaast vraagt de provincie aan gemeenten en regio’s om te kijken naar bedrijventerreinen die al wel zijn opgenomen in een bestemmingsplan, maar waar nog uitgeefbare ruimte is. Als het vigerende bestemmingsplan vestiging van grote ruimtevragers mogelijk maakt, is het wenselijk dat opnieuw te bezien.
A5 Werelderfgoed Aanleiding Eind juli 2021 zijn zowel de Hollandse Waterlinies als de Neder-Germaanse Limes door het Werelderfgoedcomité op de lijst van UNESCO Werelderfgoederen geplaatst. Beide Werelderfgoederen liggen deels op het grondgebied van de provincie Zuid-Holland. Voor het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies gaat het om een klein deel van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De uitzonderlijke universele waarden van deze Werelderfgoederen moeten zo goed mogelijk beschermd worden om de status van Werelderfgoed te behouden. Ook de provincie heeft hierin een rol. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet treedt straks ook het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) in werking, waarin instructieregels over deze Werelderfgoederen zijn opgenomen voor de provinciale Omgevingsverordening. Actualisering van beleid en regels voor de Hollandse Waterlinies en de Neder-Germaanse Limes is daarom nodig om te voldoen aan de eisen van UNESCO, Omgevingswet en Bkl. Overigens is nu ook al een beschermingsregiem opgenomen in zowel de nu geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland (OVZH), als in de straks (onder de Omgevingswet) geldende ZuidHollandse Omgevingsverordening (ZHOV). Het huidige beschermingsregiem is gebaseerd op de geldende wetgeving in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Het gaat dus om actualisering van dit beschermingsregiem, in overleg en afstemming met alle direct betrokken partijen. Dit betreft onder meer de aanpassing van de begrenzing van gebieden, de benaming van gebieden en de daarbij behorende regels. Vanwege (inter)nationale, interprovinciale, regionale en lokale afstemming met direct betrokken partijen zoals de Nederlandse Limes Samenwerking (NLS), de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) en de 35
provincies Gelderland en Utrecht heeft de aanpassing van zowel het kaartmateriaal als de zorgvuldige formulering van de beleidsteksten en regels veel tijd gekost. Aangezien het hier gaat om het beschermen van toekomstbestendig erfgoed van wereldformaat inclusief de doorwerking van de nieuwe archeologische beschermingsregimes kan deze exercitie worden beschouwd als een waardevolle investering. Aanpassing beleid en regels Het beschermingsregime van Kernzone 1 en Kernzone 2 van de Neder-Germaanse Limes is van essentieel belang om de vorig jaar verworven status van UNESCO Werelderfgoed te behouden. We maken onderscheid tussen kernzone 1, als rijksmonument aangewezen bekende archeologische waarde, en kernzone 2, planologisch beschermd als kernzone maar geen rijksmonument.Voor Kernzone 1 gelden dus de Rijksregels. Voor de bescherming van de archeologische waarden in Kernzone 2 wordt in de Omgevingsverordening een beschermingsregeling opgenomen, gericht op behoud ‘in situ’. Daarbij geldt een verstoringsvrijstelling met een diepte van maximaal 30 centimeter en een oppervlakte van maximaal 100 m2. Voor de beschermingsregimes van de door UNESCO vastgestelde Bufferzone (verwachte archeologische waarden) wordt een onderzoeksplicht opgenomen, met eveneens een verstoringsvrijstelling met een diepte van maximaal 30 centimeter en een oppervlakte van maximaal 100 m2.
Indien behoud ‘in situ’ niet mogelijk is en sprake is van zwaarwegende belangen (zoals de aanleg van wegen, infrastructuur en warmtetransportleidingen en de realisering van de woningbouwopgave) die prevaleren, is behoud ‘ex situ’ bij uitzondering mogelijk. De archeologische afwegingscyclus moet dan volledig doorlopen worden, dat wil zeggen, is behoud ‘in situ’ mogelijk; zo niet, dan volgt er een verkenning tot planaanpassing inclusief de mogelijkheid tot archeologisch vriendelijk bouwen en de afweging of dit binnen het archeologisch proces kan leiden tot behoud ‘ex situ’ in de vorm van opgraven. Buiten de door UNESCO aangewezen Kernzone 1, Kernzone 2 en Bufferzone, onderscheidt de provincie ook nog een Verwachtingszone (verwachte archeologische waarden) voor de Neder-Germaanse Limes. Deze Verwachtingszone was al opgenomen in het provinciaal beleid en een deel daarvan is nu opgenomen in de door UNESCO aangewezen gebieden. Voor de Verwachtingszone geldt hetzelfde beleid als voor de Bufferzone. Daarnaast beschermt de provincie via de Omgevingsverordening ook andere bekende archeologische waarden, buiten de Kernzones van de Neder-Germaanse Limes. Het gaat om gebieden met een (hoge of zeer hoge) bekende archeologische waarde. Deze gebieden kunnen dus liggen in de Bufferzone en de Verwachtingszone van de Neder-Germaanse Limes, of geheel buiten de Neder-Germaanse Limes.
De bescherming hiervan wordt gecontinueerd.
Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. De wijziging van de Omgevingsvisie is hieronder opgenomen. De beleidskeuzes “Beleven en benutten van erfgoed” en “Beschermen van erfgoed” komen als volgt te luiden.
Beleven en benutten van Erfgoed Wat wil de provincie bereiken?
36
De kern van het erfgoedbeleid van Zuid-Holland is het behoud van erfgoed door het beschermen, beleven en benutten van erfgoed. Deze beleidskeuze is gesplitst in twee hoofdthema’s: A. Beschermen van erfgoed (apart beschreven) B. Beleven en benutten van erfgoed
Hoofdthema B bestaat uit drie onderdelen: 1. Erfgoedlijnen ontwikkelen en beleefbaar maken 2. Restaureren en herbestemmen (archeologische) Rijksmonumenten 3. Onderhouden en laten draaien van historische windmolens.
Ad 1. De provincie wil erfgoed ontwikkelen en beleefbaar maken. Hiervoor heeft de provincie zeven erfgoedlijnen aangewezen en stimuleert - samen met belanghebbende partijen binnen zogenoemde erfgoedtafels - de beleving en benutting hiervan. Ad 2. De provincie stimuleert het restaureren en herbestemmen van rijksmonumenten. Dit zorgt ervoor dat erfgoed voor de toekomst behouden blijft. De provincie doet dit door het verlenen van subsidies, door de inzet van de aanjagers voor herbestemming van rijksmonumenten, financieren van adviezen op maat voor herbestemming en het stimuleren van de werkgelegenheid en het vakmanschap in de restauratiebranche. Ad 3. De provincie heeft molenbiotopen opgenomen in het omgevingsbeleid om de historische windmolens te beschermen. Hierbij draagt de provincie zorg voor het onderhouden en laten draaien van historische windmolens. De provincie stimuleert dit door het verlenen van subsidies voor (groot)onderhoud. Aanleiding Bij behoud van erfgoed gaat het steeds om de betekenis van dat erfgoed voor de fysieke leefomgeving. Doel van het omgevingsbeleid is dat het erfgoed bijdraagt aan het behouden of versterken van de ruimtelijke kwaliteit, waarbij de identiteit van het landschap van belang is voor de leefbaarheid en het welbevinden van bewoners, werkenden en bezoekers.
Beschermen, beleven en benutten van erfgoed is een omvangrijke en complexe uitdaging die de provincie samen met betrokken partijen oppakt met als uitgangspunt het behouden of versterken van de fysieke leefomgeving. Ad 1. Verbeteren van de beleving van erfgoed Sinds 2012 maakt de provincie de geschiedenis van Zuid-Holland beter zichtbaar en beleefbaar met de zeven erfgoedlijnen. Voor het beleven van erfgoed is het van belang dat inwoners en bezoekers van Zuid-Holland bekend raken met het verhaal van onze geschiedenis en het erfgoed 37
kunnen bezoeken. Met de erfgoedlijnen wordt het ook mogelijk door restauratie en herbestemming van rijksmonumenten een verbinding te maken met gebiedsontwikkeling. Met de erfgoedlijnen wil de provincie belanghebbende partijen met elkaar verbinden. Het erfgoed in de provincie wordt onderhouden en beleefbaar gemaakt door veel vrijwilligers, stichtingen, overheden en ondernemers. De waardevolle inzet van al deze partijen wordt sterker door samenwerking en afstemming. Iedere erfgoedlijn heeft een erfgoedtafel. In de erfgoedtafels werken de betrokken partijen samen en wisselen zij kennis uit. Ad 2. Decentralisatie van de taak en middelen voor restauratie van rijksmonumenten naar provincies In 2012 decentraliseerde het Rijk de middelen voor de restauratie van rijksmonumenten (nietwoonhuizen) naar de provincies op basis van de bestuurlijke afspraken over restauratie van rijksmonumenten en het ruimtelijk beleid voor erfgoed (voorjaar 2012). Een van de overwegingen voor deze decentralisatie was dat provincies beter in staat zijn om de restauratie van rijksmonumenten te verbinden aan gebiedsopgaven. Monumenten zijn op zichzelf namelijk mooi en waardevol, maar de waarde kan nog veel groter worden in combinatie met bijvoorbeeld groen en water als onderdeel van stad en land. De restauratie en herbestemming wordt ingezet voor alle rijksmonumenten in Zuid-Holland, inclusief de 224 molens.
Om te bepalen welke opgave de provincie heeft op het gebied van rijksmonumenten, wordt de Erfgoedmonitor uitgevoerd. Uit de gegevens van de Erfgoedmonitor uit 2017 blijkt dat zo’n 15% van de Zuid-Hollandse rijksmonumenten in een matige tot slechte staat verkeert. Dit betreft de restauratieachterstand. De provincie streeft naar een maximale restauratieachterstand van 10%. Uit de Erfgoedmonitor blijkt ook dat de restauratiebehoefte groter is bij leegstand. Leegstand leidt vaak tot een slechte onderhoudsstaat van monumenten. De provincie wil leegstand van monumenten daarom tegengaan en voorkomen door herbestemming te stimuleren. Ad 3. Groot onderhoud windmolens De provincie telt 224 complete molens, maar liefst een vijfde van het Nederlandse molenbestand. Dat zijn iconen van Zuid-Holland. Zuid-Holland zonder zijn historische windmolens is ondenkbaar. Om het behoud van historische windmolens (rijksmonumenten) te garanderen en toekomstige restauraties te voorkomen wordt ingezet op (groot) onderhoud van deze molens. Provinciaal belang Ad 1. Erfgoedlijnen zijn opgebouwd uit de volgende twee kenmerkende elementen die helpen bij de afbakening ervan: 1. Een geografische structuur, zoals een rivier, de strandwallen of de kust die gemeentegrenzen overschrijdt; 2. Een gezamenlijk verhaal dat de monumentale objecten met bovengenoemde geografische structuur verbindt.
38
Iedere erfgoedlijn heeft een netwerk in de vorm van een erfgoedtafel. Ad 2. Op grond van de Bestuurlijke afspraken Rijk (OCW) – IPO restauratie rijksmonumenten en ruimtelijk beleid voor erfgoed (05-03-2012 ondertekend) en aanvulling daarvan (dd. 20-05-2015) zijn de rijksmiddelen van restauratie rijksmonumenten (niet-woonhuizen) gedecentraliseerd naar de provincie vanwege de relatie met provinciaal ruimtelijk beleid. De provincie is rijk aan cultuurhistorisch bouwkundig erfgoed, hiertoe behoren 9.289 rijksmonumenten en 65 van rijkswege beschermde stads- en dorpsgezichten. De provincie koestert deze monumenten, waaronder de molens, landgoederen, binnenstedelijke monumenten en kerkgebouwen. Om het behoud van deze rijksmonumenten te garanderen wordt ingezet op de restauratie en herbestemming van rijksmonumenten. Ad 3. Zie onder ad 2. De historische windmolens zijn in de vorm van molenbiotopen in het omgevingsbeleid opgenomen als een afzonderlijke categorie binnen de rijksmonumenten en vormen iconen en blikvangers in het landschap. Ze hebben op buitenlandse toeristen een grote aantrekkingskracht, de molens en Holland zijn voor hen vrijwel synoniem. De provincie kan het (groot) onderhoud van historische windmolens verbinden aan de kwaliteit van de leefomgeving. De historische windmolens vertellen het verhaal van de provinciale geschiedenis en geven identiteit aan de omgeving.
Toelichting en nadere uiteenzetting beleid Ad 1. Een erfgoedlijn is een geografische structuur (kust, trekvaart, oude duinenrij, eiland, etc.), die monumenten met één gemeenschappelijk historisch verhaal verbindt tot één lijn op de kaart. De erfgoedlijnen bestaan uit erfgoed, landschap en water, verbeteren de kwaliteit van de leefomgeving en zijn aantrekkelijk voor recreanten en toeristen. Er zijn 7 erfgoedlijnen die belangrijke hoofdstukken uit de geschiedenis van Zuid-Holland beleefbaar maken: De Neder-Germaanse Limes (leven in Romeinse tijd), de Waterdriehoek (St. Elisabethsvloed, watermanagement, baggerindustrie), Historische Haringvliet (leven met het water als vriend en vijand), de Landgoederenzone (de landelijke tegenhanger van de Hollandse grachtengordels uit de Gouden Eeuw), de Oude Hollandse Waterlinie (het Rampjaar 1672), de Trekvaarten (massavervoer over water vóór de komst van de trein) en de Atlantikwall (vijf jaar bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog). Het ontwikkelen van de erfgoedlijnen kan de provincie niet alleen. Daar zijn veel partijen bij betrokken. Elke erfgoedlijn kent een netwerk van belanghebbenden; de zogenoemde erfgoedtafels. Alle partijen die geïnteresseerd zijn in de erfgoedlijn of er belang bij hebben kunnen hieraan deelnemen.
De erfgoedtafels hebben met veel inzet voor elke erfgoedlijn een gezamenlijke ambitie en een meerjareninvesteringsprogramma. Het resultaat is een lijst met projecten, waarvoor een bijdrage van de provincie noodzakelijk is: het Maatregelenpakket erfgoedlijnen. Jaarlijks stellen Gedeputeerde Staten een nieuw maatregelenpakket vast op advies van de erfgoedtafels. Ad 2. 39
(Archeologische) Rijksmonumenten worden gerestaureerd en de herbestemming ervan wordt gestimuleerd. De provinciale inzet richt zich op rijksmonumenten die geen woonhuis zijn. Die groep van niet-woonhuizen telt ruim 4288 gebouwen en objecten. Voor woonhuizen kan een beroep worden gedaan op de Woonhuisregeling bij het Rijk of kan een lening worden aangevraagd bij het Nationaal Restauratie Fonds (NRF). Uit de Erfgoedmonitor blijkt dat 15% van de niet-woonhuis monumenten in Zuid-Holland in een matige tot slechte onderhoudsstaat verkeert (restauratieachterstand). Dit percentage is het hoogst bij de categorieën religieuze gebouwen, industrieel erfgoed en agrarische gebouwen. De gegevens uit de Erfgoedmonitor leverden in 2017 een restauratiebehoefte op van € 117,2 miljoen. In 2020 wordt de Erfgoedmonitor volledig geactualiseerd en is er zicht op de actuele restauratiebehoefte. Het Rijk stelt aan de provincie Zuid-Holland jaarlijks € 2,3 miljoen per jaar beschikbaar voor restauraties. Dit restauratiebudget wordt deels via de Subsidieregeling restauratie rijksmonumenten 2013, deels via de Subsidieregeling erfgoedlijnen Zuid-Holland 2020 toegekend aan de rijksmonumenten die hiervoor een aanvraag doen. De eigenaren dragen zelf minstens 50% bij aan elke restauratie. Voor eigenaren van archeologische Rijksmonumenten is een afzonderlijke subsidieregeling van toepassing. Ad.
3 De historische windmolens zijn iconen van Zuid-Holland. Onze provincie telt nog 224 complete molens, maar liefst een vijfde van het Nederlandse molenbestand. Via subsidie ondersteunt de provincie het onderhouden en laten draaien van deze historische windmolens. Daarnaast adviseert de provinciale consulent monumenten moleneigenaren over (groot) onderhoud en restauratie. Via het Erfgoedhuis Zuid-Holland ondersteunt de provincie de professionalisering van de vrijwillige molenwereld.
Beschermen van Erfgoed Wat wil de provincie bereiken? De kern van het erfgoedbeleid van Zuid-Holland is het behoud van erfgoed door het beschermen, beleven en benutten van erfgoed. Deze beleidskeuze is gesplitst in twee hoofdthema’s: A. Beschermen van erfgoed B. Beleven en benutten van erfgoed (apart beschreven)
Hoofdthema A. bestaat uit vier onderdelen: 1. Behouden en versterken werelderfgoed 2. Behouden en verbeteren kroonjuwelen cultureel erfgoed 3. Garanderen van windvang en zicht op historische windmolens 4. Instandhouden en verbeteren van de omgeving van landgoederen en kastelen
40
Ad 1. De provincie wil de unieke en universele waarden van werelderfgoed in Zuid-Holland behouden, versterken en beleefbaar maken. De provincie regelt dit door via de Omgevingsverordening de begrenzing en kernkwaliteiten van werelderfgoed uit te werken, alsmede regels te stellen aan omgevingsplannen gericht op instandhouding en versterking van de kernkwaliteiten. Ad 2. De provincie wil de waarden van de kroonjuwelen cultureel erfgoed in Zuid-Holland behouden en/of verbeteren en versterken. De provincie regelt dit door kroonjuwelen aan te wijzen in de omgevingsverordening, in de vorm van een beschermingscategorie voor ruimtelijke kwaliteit. Ad 3. De provincie wil voldoende vrije windvang van en het zicht op historische windmolens in ZuidHolland. De provincie regelt dit door kaders te stellen in de omgevingsverordening ten behoeve van het garanderen van vrije windvang van en het zicht op historische windmolens in Zuid-Holland, in de vorm van een molenbiotoop. Ad 4. De provincie wil de waarden van de landgoed- en kasteelbiotopen in Zuid-Holland in stand houden en/of verbeteren. De provincie regelt dit door in de omgevingsverordening kaders te stellen aan omgevingsplannen, voor de bescherming van landgoed- en kasteelbiotopen.