CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T23.00497] Ontwerp Herziening Omgevingsbeleid module wonen, werken, en werelderfgoed

Commissie Algemeen Bestuur 8 februari 2023, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Brief van het college d.d. 18 januari 2023 ‘Actualiteiten Bleizo-West’ - ingebracht door L3B39.976 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 5

Herziening Omgevingsbeleid Module Wonen, Werken & Werelderfgoed Partiële wijziging Omgevingsvisie, Omgevingsverordening en Omgevingsprogramma Ontwerp - GS 20 december 2022

Onderwerpen Wonen Bedrijventerreinen Detailhandel Grote ruimtevragers Werelderfgoed Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 ha kaart)

Inhoud Herziening Omgevingsbeleid Module Wonen, Werken & Werelderfgoed ........................................... 3 Inleiding ........................................................................................................................................................ 3 Participatie ................................................................................................................................................... 4 A Wijziging Omgevingsvisie..................................................................................................................... 6 A1 Wonen ...................................................................................................................................................... 6 A2 Bedrijventerreinen ........................................................................................................................... 21 A3 Detailhandel ........................................................................................................................................ 23 A4 Grote ruimtevragers ......................................................................................................................... 32 A5 Werelderfgoed ....................................................................................................................................

35 A6 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen ......................................................................... 47 B Wijziging Omgevingsverordening ...................................................................................................... 52 B1 Wonen .................................................................................................................................................... 52 B2 Bedrijventerreinen ........................................................................................................................... 56 B3 Detailhandel ........................................................................................................................................ 57 B4 Grote ruimtevragers ......................................................................................................................... 59 B5 Werelderfgoed .................................................................................................................................... 60 B6 Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen ......................................................................... 66 B7 Mutaties 3 hectare kaart - bedrijventerreinen ....................................................................... 70 B8 Mutaties 3 hectare kaart - woningbouwlocaties ....................................................................

73 B9 Overige wijzigingen .......................................................................................................................... 74 C Wijziging Omgevingsprogramma ....................................................................................................... 82 C1 Wonen .................................................................................................................................................... 82 C2 Bedrijventerrein................................................................................................................................. 83 C3 Detailhandel......................................................................................................................................... 88 Bijlage 1 Wijzigingsbesluit Omgevingsverordening Zuid-Holland......................................................... 96 Bijlage 2 Kaartwijzigingen Omgevingsverordening Zuid-Holland ....................................................... 103 Bijlage 3 Kaartwijzigingen Omgevingsvisie Zuid-Holland .................................................................... 103 Bijlage 4 Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV): regels ....................................... 104 Bijlage 5 Wijziging Zuid-Hollandse Omgevingsverordening (ZHOV): toelichting ............................... 113

2

Herziening Omgevingsbeleid Module Wonen, Werken & Werelderfgoed Inleiding Het is wenselijk het Omgevingsbeleid actueel, toepasbaar en opgavegericht te houden. Nieuwe ontwikkelingen en nieuwe inzichten kunnen daarom aanleiding geven tot vernieuwing en aanpassing van het Omgevingsbeleid. In de Lange Termijn Agenda van Provinciale Staten is aangekondigd voor welke onderwerpen (beleidsmodules) heroverweging of aanpassing van het Omgevingsbeleid aan de orde is en op welke termijn. Deze herziening heeft betrekking op de beleidsmodule Wonen, Werken & Werelderfgoed en omvat een aantal onderwerpen binnen de thema’s wonen, werken, werelderfgoed, ruimtelijke ordening of met directe raakvlakken daarmee. De herziening heeft betrekking op de volgende onderwerpen • Wonen • • •

Bedrijventerreinen Detailhandel Grote ruimtevragers

• • •

Werelderfgoed Toekomstbestendig bouwen en ontwikkelen Mutaties 3 ha kaart (grote buitenstedelijke bouwlocaties)

•

Overige kleine en technische aanpassingen

Het onderwerp Werelderfgoed is pas toegevoegd na vaststelling van de startnotitie. Om recht te doen aan de verbreding van deze herziening met dit onderwerp, is ook de titel van deze herziening hierop aangepast. Dit was eerst “Wonen en Werken” en is nu “Wonen, Werken en Werelderfgoed”. De wijzigingen zijn in dit document gegroepeerd per instrument van het omgevingsbeleid: Deel A: Omgevingsvisie, Deel B: Omgevingsverordening Deel C: Omgevingsprogramma. Sommige onderwerpen leiden tot wijziging van meerdere of alle instrumenten. Deze onderwerpen komen daarom meerdere keren terug. Ieder onderwerp is kort toegelicht, waarna is aangegeven tot welke wijzigingen dit leidt in teksten, regels en op kaarten. De wijzigingen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening worden vastgesteld door Provinciale Staten. De wijzigingen van het Omgevingsprogramma worden vastgesteld door Gedeputeerde Staten.

3

In bijlage 1 is het wijzigingsbesluit opgenomen van de Omgevingsverordening Zuid-Holland. Dit bevat de wijziging van de regels van de verordening. De wijziging van de toelichting van de verordening, is telkens bij ieder onderwerp in deel B aangegeven. In de losse bijlagen 2 en 3 zijn de kaartwijzigingen van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening opgenomen. Digitale besluiten De wijzigingen worden conform de wettelijke eisen in digitale vorm vastgesteld. In juridische zin gaat het om verschillende digitale besluiten: • wijziging van de Omgevingsvisie, • •

wijziging van de Omgevingsverordening Zuid-Holland wijziging van het Omgevingsprogramma.

Onderhavig document kan gezien worden als een gebundelde papieren versie van de drie genoemde digitale besluiten. Wijziging Omgevingsverordening: OVZH en ZHOV Naast de geldende Omgevingsverordening Zuid-Holland (OVZH), moet ook de straks geldende ZuidHollandse Omgevingsverordening (ZHOV) gewijzigd worden. De ZHOV wordt van kracht vanaf de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Dit is nu voorzien op 1 juli 2023. De ZHOV is al wel vastgesteld, vandaar dat deze ook gewijzigd moet worden. De wijziging van de ZHOV is opgenomen in bijlage 4 (wijziging van de regels van de ZHOV) en bijlage 5 (wijziging van de toelichting van de ZHOV).

Participatie Deze herziening omvat meerdere onderwerpen. Deze onderwerpen kennen een afzonderlijk voorbereidingstraject, waar participatie een onderdeel van is. De gekozen vorm van participatie verschilt per onderwerp en is daarop toegesneden. In de startnotitie is hier op ingegaan. In het kader van deze herziening vindt de verdere procedure gecombineerd plaats. Het gaat daarbij ook om participatie en formele terinzagelegging. Na vaststelling van het startdocument voor deze module van het Omgevingsbeleid, is een hoofdlijnendocument naar buiten gebracht, voor een informele internetconsultatie. Dit gaf geïnteresseerden de gelegenheid om nog voordat de module in ontwerp wordt voorgesteld door Gedeputeerde Staten, te reageren op de voorgenomen wijzigingen van het Omgevingsbeleid. De internetconsultatie vond plaats van 28 september tot 13 oktober 2022. De internetconsultatie heeft 19 reacties opgeleverd. Al deze reacties zijn in de eerste week van november 2022, ambtelijk, van antwoord voorzien. De internetconsultatie heeft tot gevolg gehad dat de conceptteksten op onderdelen zijn aangepast en aangevuld. Daarnaast bestond een deel van de reacties ook uit vragen die tot verheldering van de voornemens moeten leiden.

Ook waar niet tot aanpassing van het ontwerp is overgegaan, is er wel waardevolle kennis opgedaan met betrekking tot de zienswijze van de reageerders op het voornemen van de provincie.

4

Het ontwerp zal na bespreking in de Integrale Commissie van Provinciale Staten ter inzage worden gelegd, waarbij een ieder in de gelegenheid wordt gesteld om een zienswijze in te dienen.

5

A Wijziging Omgevingsvisie A1 Wonen Aanleiding De grote woningbouwopgave, zowel in kwantitatieve als in kwalitatieve zin, vraagt om enkele aanpassingen van het provinciaal omgevingsbeleid over wonen. In de Nationale Woon- en Bouwagenda en het Programma Woningbouw heeft de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening een landelijke doelstelling aangegeven van het toevoegen van bruto 900.000 woningen in de periode 20222030 Het Rijk zet hier op in om zowel de toename van het aantal huishoudens als de vervangingsvraag door onder andere sloop op te vangen én het woningtekort terug te dringen tot een gezond evenwicht. Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen, wil het Rijk ernaar streven dat ten minste twee derde van de nieuwe woningen vanaf 2025 op regionale schaal betaalbare huur- en koopwoningen zijn, waarvan de helft door woningcorporaties wordt gebouwd. Ook wil het Rijk inzetten op het betaalbaar houden van de nieuwe en bestaande woningen. Met het oog op de behoefte aan passende woningen voor mensen met een laag inkomen, wil het Rijk toewerken naar een meer evenwichtige verdeling van sociale huurwoningen over alle gemeenten. Om te zorgen dat de sociale huurvoorraad evenwichtig verspreid is over gemeenten, stelt het Rijk een streven vast van ten minste 30 procent sociale huur in de woningvoorraad van elke gemeente.

Aanpassing beleid Uit de verschillende beleidsprogramma's van het ministerie van BZK blijkt dat provincies binnen de volkshuisvesting een sterkere regierol krijgen. Het Rijk kondigt aan dat daar waar nodig de instrumenten van de Omgevingswet zullen worden ingezet om te zorgen dat gemeenten en provincies hun deel van de taak en verantwoordelijkheid nemen op het terrein van de volkshuisvesting. Het Rijk zal waar nodig instructieregels opstellen (bijvoorbeeld via het Besluit kwaliteit leefomgeving). Het Rijk stelt dat om de woningbouw te versnellen richtinggevende bouwdoelstellingen nodig zijn voor medeoverheden, woningcorporaties en marktpartijen. Deze regierol zal worden vormgegeven in de Wet versterking regie Volkshuisvesting. Dit is geen op zichzelf staande wet maar een verzameling van aanpassingen van bestaande wetten (o.a. Omgevingswet, Woningwet en Huisvestingswet). Deze aanpassingen zullen de regierol van de provincie versterken en daarbij de rol van de provincie en het bijbehorend instrumentarium verder duiden. De beoogde inwerkingtreding is voorzien op 1 januari 2024. Op het moment van schrijven van deze tekst (november 2022) is nog niet duidelijk hoe het Rijk deze regierol exact wil doorvoeren. De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft aangegeven dat hij in 2022 afspraken wil maken met de provincies over woningbouw.

Het Rijk wil meer regie op wat wordt gebouwd, voor wie wordt gebouwd en waar wordt gebouwd: passend bij de woonwensen en –behoeftes van mensen. De provincies moeten deze afspraken vervolgens doorvertalen naar gemeenten, die in regionaal verband samenwerken. De provincie wil dit doen via het spoor van de regionale realisatieagenda's. Als provincie omarmen we de doelstellingen van het Rijk. Het woningtekort is nijpend: onze provincie heeft met het Rijk op 13 oktober 2022 afgesproken dat we ons samen inspannen om bruto 235.460 woningen (dat wil zeggen aantal toe te voegen woningen vóór aftrek door sloop) toe te voegen in de periode 2022 tot en met 2030. Daarnaast heeft de provincie de ambitie onderschreven voor het bouwen van 2/3 betaalbare woningen vanaf 2025 en de ambitie om te streven naar tenminste 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente. De provincie vertaalt deze afspraken vervolgens door naar gemeenten, die in regionaal verband samenwerken. De provincie wil dit doen via het spoor van de regionale realisatieagenda's.

6

De genoemde 235.460 woningen is ruim een vijfde van de landelijke opgave en betekent een toevoeging van ruim 10% op onze bestaande voorraad. Er is vraag naar allerlei type nieuwe woningen. De actuele Woningbehoefteverkenning is voor de provincie uitgangspunt voor gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. De provincie wil samen met gemeenten en andere partijen op regionaal niveau voorzien in voldoende passende woningen voor verschillende doelgroepen. De provincie ziet dat met name extra aandacht nodig is voor sociale huurwoningen, middenhuurwoningen en betaalbare koopwoningen. Dit is de reden om de Rijksdoelstellingen over te nemen en verder te vertalen naar provinciale doelstellingen. Het gaat hierbij om de volgende doelstellingen: minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale -

woningbouwprogramma; waarvan de helft in portefeuille van woningcorporaties, dus minimaal 1/3 in portefeuille van woningcorporaties vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma;

-

streven naar minimaal 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente.

Met ‘vanaf 2025’ wordt bedoeld dat wanneer Provinciale Staten over deze herziening hebben besloten (naar verwachting in het 4e kwartaal van 2023) het dan ingediende regionale woningbouwprogramma vanaf de jaarschijf 2025 aan de genoemde doelstelling moet voldoen. Gedeputeerde Staten stellen in het voorjaar telkens het regionaal woningbouwprogramma vast. Na vaststelling door Provinciale Staten van deze herziening in het 4e kwartaal van 2023 stellen Gedeputeerde Staten in het voorjaar 2024 de regionale woningbouwprogramma’s vast. In de praktijk betekent dit dat het regionale woningbouwprogramma dat in 2023 in concept met de provincie worden besproken aan de genoemde doelstelling moeten voldoen. Betaalbare huurwoningen zijn (volgens rijksdefinitie) woningen met een huur tot aan 1000 euro per maand; betaalbare koopwoningen zijn woningen tot 355.000 euro. De grens van betaalbare huur (middenhuur) wordt momenteel door het Rijk onderzocht op basis van actuele ontwikkelingen in zogenaamde botsproeven in het kader van huurprijsbescherming en wordt indien nodig herijkt. In de samenwerkingsafspraken woningbouw Rijk-provincie is afgesproken om voor betaalbare koop de NHGgrens van 2022 (max. € 355.000) te hanteren en deze de komende jaren niet te indexeren. De provincie sluit aan bij de rijksdefinitie van betaalbare huur- en koopwoningen.

Waar in de omgevingsvisie en omgevingsverordening wordt gesproken over sociale huur, gaat de provincie uit van huurwoningen tot de liberalisatiegrens die in het bezit zijn van woningcorporaties. Hiermee wijkt de provincie af van de nu vaak gehanteerde definitie, namelijk alle sociale huurwoningen onder de liberalisatiegrens. De provincie hanteert deze definitie omdat sociale huurwoningen in portefeuille van woningcorporaties de garantie geven dat deze woningen langjarig beschikbaar zijn als sociale huurwoning voor de doelgroep. Bovendien zijn deze woningen eenvoudiger te monitoren, omdat op de particuliere voorraad moeilijk te sturen valt. Het Rijk werkt momenteel (november 2022) aan een nieuwe definitie voor sociale huur. Voor de provincie geldt dat zij ook wil monitoren wat de voorraadontwikkeling doet voor de (lagere) provinciale definitie van betaalbare koop: de bovengrens voor betaalbare koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met anderhalf keer modaal inkomen gebaseerd op de NIBUDfinancieringslastennormen. De bovengrens voor sociale koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met één modaal inkomen volgens diezelfde NIBUD-financieringslastennormen. De provincie wil dit monitoren om zicht te houden op de kansen op een koopwoning voor de doelgroep met een modaal inkomen.

7

Gemeenten hebben verschillende instrumenten om te sturen op de bouw van betaalbare woningen. Waar nodig wordt door het Rijk bezien of daarbij ondersteuning of aanvulling op de bestaande instrumenten nodig is, zoals het vastleggen van eisen aan de betaalbaarheid in het omgevingsplan. Woningcorporaties zijn toegelaten instellingen, zoals bedoeld in de Woningwet. In de Woningwet staat dat de Minister verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid en stichtingen die zich ten doel stellen uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn en beogen hun financiële middelen uitsluitend op het gebied van volkshuisvesting in te zetten, kan toelaten als instellingen, uitsluitend in het belang van de volkshuisvesting werkzaam. Voor de leesbaarheid staat in de tekst woningcorporaties, in plaats van toegelaten instellingen. Woningcorporaties moeten zorgen voor huurwoningen voor mensen met lagere inkomens. Dit is het belangrijkste artikel voor woningcorporaties uit de Woningwet. Per jaar mogen woningcorporaties maximaal 10% investeren in werkzaamheden die niet behoren tot de diensten van algemeen economisch belang (niet-DAEB). In deze herziening zal nog geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die de Omgevingswet biedt voor een grotere inzet van het omgevingsprogramma.

Daarnaast is het Rijk bezig met een wetsvoorstel over versterking regie volkshuisvesting waarin meerdere wetten (o.a. Omgevingswet, Woningwet en Huisvestingswet) worden aangepast. In het concept wetsvoorstel krijgt het omgevingsprogramma een belangrijke rol. Het wetsvoorstel kan aanleiding zijn om onderdelen van het omgevingsbeleid voor wonen bij de vaststelling van deze herziening of in een volgende herziening aan te passen, Conclusie: Dit onderwerp leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en het Omgevingsprogramma. In de Omgevingsvisie wordt de Beleidskeuze Wonen aangepast. In de Omgevingsverordening wordt een paragraaf Wonen toegevoegd, met daarin een vertaling van de doelstellingen in de regels, zie B1. Het Omgevingsprogramma wordt op een aantal onderwerpen geactualiseerd, zie C1. De aanpassingen in de Omgevingsvisie zijn hieronder opgenomen. De beleidskeuze Wonen komt als volgt te luiden: Beleidskeuze Wonen De provincie geeft doelstellingen aan om op regionaal niveau en een enkele op gemeentelijk niveau, om samen met gemeenten, marktpartijen en woningcorporaties, te voorzien in voldoende en passende woningen op de juiste plekken en in het bijzonder voor aandachtsgroepen, de doelgroepen van woningcorporaties en ouderen.

Tot de aandachtsgroepen behoren volgens definitie van het Rijk: sociaal/medisch urgenten, uitstromers uit zorginstellingen, statushouders (vergunninghouders), arbeidsmigranten, dak- en thuislozen, woonwagenbewoners en studenten. Tot de doelgroepen van woningcorporaties behoren personen die door hun lage inkomen (primaire en secundaire doelgroep) of andere omstandigheden (aandachtsgroepen) moeilijkheden ondervinden bij het vinden van passende huisvesting.

8

Tot de doelgroep ouderen behoort iedereen vanaf 55 jaar. De huisvestings- en zorgvraag binnen deze doelgroep is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie. Gemeenten stellen geënt op de gegeven doelstellingen jaarlijks gezamenlijk een regionaal woningbouwprogramma op. Regionale woonvisies bevatten de algemene uitgangspunten voor de regionale woningbouwprogramma’s. Zowel de regionale woonvisies als de regionale woningbouwprogramma’s worden door gemeenten en GS vastgesteld. Het door GS vastgestelde regionale woningbouwprogramma biedt voor gemeenten een onderbouwing voor de Ladder voor duurzame verstedelijking voor het onderbouwen van de behoefte binnen gemeentelijke omgevingsplannen. Aanleiding Wonen is een primaire levensbehoefte en als (sociaal) grondrecht verankerd in artikel 22 lid 2 van de Grondwet. Het wettelijk kader voor wonen ligt vast in onder andere de Woningwet en de Huisvestingswet 2014. Motivering Provinciaal Belang Het voorzien in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen in Zuid-Holland is van provinciaal belang. Omdat het aanbod van woningen onvoldoende aansluit op de vraag en de ontwikkelingen op de woningmarkt zich niet beperken tot gemeente- en/of regiogrenzen is een samenhangende aanpak op bovenlokale en bovenregionale schaal noodzakelijk.

Ook hebben de woonopgaven nauwe samenhang met andere (ruimtelijke) opgaven op het vlak van bijvoorbeeld regionale economie, groen en recreatie en infrastructuur. De provincie houdt toezicht op de gemeentelijke uitvoering van de Huisvestingswet 2014. Toelichting en nadere uiteenzetting provinciaal beleid Voorraadontwikkeling en voorraadbeheer naar behoefte De provincie hecht waarde aan de vestigingswens van haar (toekomstige) inwoners en hanteert het uitgangspunt dat woningen daar worden gebouwd, waar de behoefte zich manifesteert: de juiste woningen op de juiste plekken en op het juiste moment. Om in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien, wordt de regionale behoefteraming door de provincie vastgesteld. Op basis van de regionale behoefteraming vraagt de provincie (samenwerkende) gemeenten een (regionaal) woningbouwprogramma op te stellen dat past bij die behoefte. Voor de verdeling over de regionale woningbouwprogramma’s (de lijst projecten per regio) zijn vitale dorpen en steden een relevante invalshoek. Dat gaat allereerst over voorraadontwikkeling en voorraadbeheer. De toevoeging en onttrekking van woningen dienen bij te dragen aan een adequate en gedifferentieerde woningvoorraad, de regionale schaal van de woningmarkt en de lange termijn in ogenschouw nemend.

Daarnaast gaat het over de ruimtelijke ordeningskant van het wonen: het toekomstbestendig bouwen en woningen zo situeren dat het, in samenhang met (investeringen in) infrastructuur, klimaatadaptatie en -mitigatie, werklocaties en een aantrekkelijke groenblauwe leefomgeving, bijdraagt aan de maatschappelijke opgaven en transities waarvoor de provincie staat. Het toevoegen van woningen als de enige of primaire oplossing voor behoud van de sociaaleconomische vitaliteit in steden en dorpen is in de ogen van de provincie geen duurzame lange termijnstrategie. Voor sociaaleconomische vitaliteit zijn namelijk ook andere aspecten, zoals werkgelegenheid en bereikbaarheid van belang. 9

Betaalbare woningbouw Bij betaalbare woningbouw gaat het om huisvestiging voor de doelgroepen van de sociale huursector en om woningen voor de middeninkomensgroep. De minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeft op 13 oktober 2022 met de provincie Zuid-Holland samenwerkingsafspraken woningbouw gemaakt over het aandeel toe te voegen woningen in de provincies. De afspraak is dat in provincie Zuid-Holland bruto 235.460 nieuwe woningen worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de provincie de ambities van het Rijk onderschreven voor het bouwen van 2/3 betaalbare woningen vanaf 2025 en het streven per gemeente naar tenminste 30% sociale huur in de woningvoorraad per gemeente. Deze afspraken worden in regionale realisatieagenda’s, conform de eerder geschetste doelstellingen, verder uitgewerkt. Deze regionale realisatieagenda’s worden naar verwachting in het eerste kwartaal van 2023 vastgesteld. De regionale realisatieagenda’s geven wat er nodig is om het actuele regionale woningbouwprogramma te realiseren en wat er nodig is om meer betaalbare woningen conform de aangegeven doelstellingen. De regionale realisatieagenda is hiermee aanvullend op het regionale woningbouwprogramma.

Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen, streven het Rijk en provincie ernaar dat vanaf 2025 ten minste twee derde van de nieuwe woningen op regionale schaal uit betaalbare huur- en koopwoningen bestaat. Het is de bedoeling dat hiervan de helft door woningcorporaties wordt gebouwd. Dit wordt geïnterpreteerd als ‘1/3 van het totaal aantal woningen moet worden toegevoegd aan de portefeuille van woningcorporaties’. Aanvullend aan de bouw van meer betaalbare woningen, willen Rijk en provincie ook inzetten op het betaalbaar houden van nieuwe en bestaande woningen in de toekomst. Met het oog op de behoefte aan passende woningen voor mensen met een laag inkomen, willen Rijk en provincie toe naar een meer evenwichtige verdeling van sociale huurwoningen over alle gemeenten. Dit vereist dat vooral in gemeenten die nu verhoudingsgewijs een kleine sociale huurvoorraad hebben die sociale huurvoorraad toeneemt. Om te zorgen dat de sociale huurvoorraad toeneemt in juist die gemeenten, streven Rijk en provincie naar ten minste 30 procent sociale huur in de woningvoorraad van elke gemeente, zodat gemeenten en woningcorporaties kunnen komen tot een meer evenwichtige verdeling van de sociale huurvoorraad. Het Rijk en provincie willen sturen op de volgende doelstellingen: minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale -

woningbouwprogramma (nieuwbouw); waarvan de helft in portefeuille van woningcorporaties, dus minimaal 1/3 in portefeuille van woningcorporaties vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouw);

-

streven naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

Het Rijk werkt aan het Wetsvoorstel versterking regie volkshuisvesting waarin de bovenstaande doelstellingen en de doorwerking wordt vastgelegd. De verdere uitwerking op Rijksniveau en de doorvertaling daarvan naar het provinciaal instrumentarium kan in de toekomst nog gevolgen hebben voor (de toepassing van) Provinciaal omgevingsbeleid en mogelijk leiden tot wijziging van het beleid. Indien na de inspraakprocedure van deze herziening in 2023 meer duidelijk is het wetsvoorstel zal dat in de definitieve herziening worden opgenomen. 10

Vooralsnog gaat de provincie ervan uit dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen die nieuwe woningen mogelijk maken die vanaf 1 januari 2024 in ontwerp ter inzage worden gelegd nog te beïnvloeden zijn en dus voldoen aan de genoemde nieuwe doelstellingen. Zo kan vanaf 2025 de doelstelling van 2/3 deel betaalbare woningen in het regionale woningbouwprogramma vertaald zijn. Het regionale woningbouwprogramma is een overzicht van voornemens en plannen van de gemeente, al dan niet afgestemd met woningcorporaties en initiatiefnemers. De doelstellingen waaraan het regionale woningbouwprogramma moet voldoen worden zichtbaar in het gemeentelijk woningbouwprogramma en vervolgens verwerkt in het omgevingsplan. Flexwonen [Deze tekst is verplaatst, de geldende tekst wordt niet gewijzigd] Prioritaire doelgroepen De provincie zet haar instrumentarium, zoals beleid, subsidies en kennisdeling in voor goede en betaalbare huisvesting van aantal doelgroepen die in de huidige woningmarkt moeilijk aan een passende woning kunnen komen. In de onderstaande tekst wordt nader ingegaan op deze prioritaire doelgroepen. 1.

Doelgroepen van de sociale huursector

De provincie vindt, net zoals het Rijk, passende huisvesting voor de doelgroepen van woningcorporaties van groot belang. De urgentie is groot en de wachtlijsten voor een sociale huurwoning zijn lang. Ook door de instroom van vergunninghouders en zorgdoelgroepen en het verdwijnen van sociale huurwoningen uit de voorraad door sloop of verkoop is het van groot belang dat er voldoende sociale huurwoningen worden gebouwd. De doelstellingen van het Rijk zorgen ervoor dat er nog meer noodzaak is tot sturing op het bouwen voor specifieke doelgroepen, voor wie deze woningen worden gebouwd en hoe deze woningen zich verhouden tot de bestaande woningvoorraad. Als er sprake is van schaarste aan een bepaald type woningen kan dat reden zijn om aanpassingen aan de woningvoorraad te doen. De provincie heeft inzicht wat kwantitatief en kwalitatief nodig is: aan de ene kant voor de ontwikkeling van de sociale huurvoorraad, onderscheiden naar prijsklassen, en het aanbod sociale huurwoningen en aan de andere kant de ontwikkeling van de omvang van de doelgroepen en de actief woningzoekenden die daarop aangewezen zijn. In het bijzonder is er aandacht voor een passende voorraad en een passend aanbod van huurwoningen met een huurprijs onder de liberalisatiegrens voor de primaire en secundaire doelgroepen van woningcorporaties.

Waar in de omgevingsvisie en omgevingsverordening wordt gesproken over sociale huur, gaat het om woningen met een huur tot de liberalisatiegrens voor woningen die in het bezit zijn van woningcorporaties. 2.

Woningen voor de middeninkomensgroep: middenhuur en betaalbare koop

De provincie wil ook zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen voor de middeninkomensgroep. Op de woningmarkt behoeven middeninkomens als doelgroep extra aandacht. Deze doelgroep heeft een te hoog inkomen voor de sociale huursector en is

11

aangewezen op de geliberaliseerde huursector en betaalbare koopvoorraad. Woningen van dit type kunnen ook de doorstroming bevorderen waarmee een deel van het sociale segment vrijkomt. Betaalbare woningbouw heeft te maken met de betaalmogelijkheden van het huishouden. De provincie hanteert een definitie van middeninkomens die ligt tussen de toewijzingsnorm voor woningcorporaties in de sociale huursector en anderhalf keer modaal. Het Rijk heeft aangegeven dat vanaf 2025 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) in het regionale woningbouwprogramma moet zijn opgenomen. Betaalbare huurwoningen zijn woningen met een huur tot aan 1000 euro per maand (prijspeil 2022); betaalbare koopwoningen zijn woningen tot 355.000 euro. In de samenwerkingsafspraken woningbouw Rijk-provincie is afgesproken om de maximale NHG-grens van 2022 te hanteren als maximumgrens voor betaalbare koopwoningen en deze de komende jaren niet te indexeren. De grens van betaalbare huur (middenhuur) wordt momenteel door het Rijk onderzocht op basis van actuele ontwikkelingen in zogenaamde botsproeven in het kader van huurprijsbescherming en dit voorjaar indien nodig herijkt.

Voor de provincie geldt dat zij ook wil monitoren wat de voorraadontwikkeling doet voor de (lagere) provinciale definitie van betaalbare koop: de bovengrens voor betaalbare koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met anderhalf keer modaal inkomen gebaseerd op de NIBUDfinancieringslastennormen. De bovengrens voor sociale koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met een modaal inkomen volgens diezelfde NIBUD-financieringslastennormen. In de praktijk hanteert de provincie de maximale grens van € 250.000 voor sociale koop. De provincie wil dit monitoren om zicht te houden op de kansen op een koopwoning voor de doelgroep met een modaal inkomen. 3.

Aandachtsgroepen

In het programma ‘Thuis voor iedereen’ geeft het Rijk de urgentie aan van goede huisvesting van aandachtsgroepen. Volgens definitie van het Rijk zijn dit: sociaal/medisch urgenten, uitstromers uit zorginstellingen, statushouders (vergunninghouders), arbeidsmigranten, dak- en thuislozen, woonwagenbewoners en studenten. De provincie onderschrijft deze urgentie. Een aantal van deze aandachtsgroepen hebben een zorgbehoefte. De provincie heeft echter geen rol in het sociaal domein. Daarom richt de provincie richt zich primair op de huisvestingsvraag van deze aandachtsgroepen in de vorm van voldoende betaalbare woningen of flexwoningen. -

Arbeidsmigranten

Een specifieke aandachtsgroep zijn arbeidsmigranten. [geldende tekst wordt niet gewijzigd] 4.

Ouderen

Tot de doelgroep ouderen behoort iedereen vanaf 65 jaar. De huisvestings- en zorgvraag binnen deze doelgroep is sterk afhankelijk van de persoonlijke situatie. Het aantal ouderen neemt de komende jaren toe. Tegelijkertijd neemt ook de levensverwachting toe, waardoor sprake is van een dubbele vergrijzing. In 2020 was in Nederland 1 op de 21 mensen 80-plus en in 2040 is dit 1 op 12. Dit leidt tot een toename van de ondersteunings- en zorgvraag. Voldoende woningen die 12

voorzien in de ondersteunings- en zorgvraag van ouderen is van belang om zo te zorgen voor doorstroming op de woningmarkt. Bij een goede doorstroming komen er betaalbare woningen op de woningmarkt voor starters en gezinnen. In juli 2022 heeft het Rijk het Programma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen gepubliceerd. Hierin staat het perspectief om een brede maatschappelijke omslag te maken in de organisatie van ondersteuning en zorg en wonen voor ouderen. Daarin is onder andere aangegeven om landelijk voor 2030 250.000 woningen te realiseren die geschikt zijn voor ouderen, onderverdeeld in 170.000 nultredenwoningen en 80.000 geclusterde ouderenwoningen. Het Rijk heeft aangegeven in het najaar 2022 met een uitwerking van het eerdere genoemde programma te komen. Indien na de inspraakprocedure van deze herziening in 2023 meer duidelijk is over de het programma voor ouderenwoningen zal dat in de definitieve herziening worden opgenomen. Instrumenten Onder het huidige recht geven (samenwerkende) gemeenten veelal uitvoering aan het provinciaal woonbeleid (opgenomen in deze omgevingsvisie) door het opstellen van regionale woonvisies en het jaarlijks actualiseren van de regionale woningbouwprogramma’s in samenspraak met de provincie. In de regionale woonvisie geven de gemeenten de kaders weer voor het woonbeleid.

Het regionale woningbouwprogramma is een overzicht van planvoornemens (hard en zacht), waarin (de optelsom van) verschillende woningbouwplannen en -projecten moet voldoen aan de gestelde doelstellingen. De omgevingsverordening vormt hierbij het juridisch sluitstuk, indien de doelstellingen niet vertaald kunnen worden in een regionaal woningbouwprogramma. Vanuit de Huisvestingswet kunnen gemeenten in het geval van schaarste een huisvestingsverordening vaststellen waarmee de lokale toewijzing van woningen kan worden geregeld. Veel gemeenten stellen in regionaal verband een huisvestingsverordening op. De provincie houdt toezicht of de gemeente voldoet aan de voorwaarden uit de Huisvestingswet. In de onderstaande tekst worden de verschillende instrumenten toegelicht. -

Regionale woonvisie

Gemeenten, regio en provincie stellen, zo mogelijk ook met woningcorporaties en huurdersorganisaties, periodiek een regionale woonvisie vast, waarin de gewenste kwalitatieve en kwantitatieve ontwikkelrichting voor de bestaande en gewenste woningvoorraad binnen de regio wordt bepaald. Om in voldoende en passende woningen op de juiste plekken voor de verschillende doelgroepen te voorzien, wordt de regionale behoefteraming door de provincie vastgesteld. De regionale woonvisie vormt vervolgens het kader voor en de onderbouwing van het door de regio op te stellen en jaarlijks te actualiseren regionale woningbouwprogramma en de beoordeling daarvan door de provincie. Gemeenten in de regio brengen hun lokale woonvisies in lijn met de regionale woonvisie. In het programma ‘Thuis voor iedereen’ heeft het Rijk aangegeven dat elke gemeente per 1 januari 2024 een woonzorgvisie moet hebben, waarbij de provincie een coördinerende rol heeft. Gemeenten zijn verplicht om lokaal en in regionaal verband een woonzorgvisie op te stellen voor alle aandachtsgroepen en ouderen die aansluit bij het regionale woningbouwprogramma. Daarom adviseren wij gemeenten wanneer een traject gestart wordt voor nieuwe gemeentelijk of regionale woonvisie de elementen vanuit de woonzorgvisie meteen mee te nemen en een integrale woonzorgvisie op te stellen.

Indien nodig kan de provincie ondersteuning bieden bij het opstellen

13

van een integrale woonzorgvisie. Waar in de tekst van het omgevingsbeleid wordt gesproken over een regionale woonvisie wordt een integrale regionale woonzorgvisie bedoeld. Regionale afspraken met betrekking tot de evenwichtig spreiding van sociale woningbouw worden beschouwd als een uitwerking van de regionale woonvisie, mits die afspraken de instemming hebben van of zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten. Regionale woonvisies moeten actueel zijn. Zowel de gemeenten als de provincie kunnen het initiatief nemen tot actualisatie van een regionale woonvisie. De regionale woonvisie bevat in ieder geval de volgende onderwerpen: 1.

Voorraadontwikkeling en planrealisatie

De voorraadontwikkeling binnen het regionale woningbouwprogramma dient te passen binnen het door GS vastgestelde woningbehoefteraming per regio. Voor het akkoord van GS op de plannen uit het gezamenlijk vastgestelde regionaal woningbouwprogramma vormt Planregistratie wonen het middel om dat aan te geven. De regio geeft een minimumpercentage aan dat ze van de planvoorraad in de planperiode van het regionaal woningbouwprogramma wil en kan realiseren op basis van uitgangspunt dat programmeren is toegestaan tot 130% en realisatie tot 100% van de provinciale behoefteraming. Dit minimumpercentage is een criterium voor realisatie en biedt de mogelijkheid om het gesprek met de provincie aan te gaan over mogelijke versnellingsmogelijkheden en knelpunten. 2.

Voorraadontwikkeling voor specifieke inkomensgroepen

a) Voorraadontwikkeling sociale huur . Voor de invulling van deze doelstelling sluit de provincie aan bij doelstellingen van het Rijk:

• •

tenminste 30% sociale huur in de voorraad per gemeente; vanaf 2025 moet het regionale woningbouwprogramma voor 2/3 uit betaalbare woningbouw bestaan, waarvan de helft van de nieuwbouwwoningen (sociale huur/middenhuur) opgenomen wordt in de portefeuille van woningcorporaties (= 1/3 van het totale regionale woningbouwprogramma).

De gemeenten geven in de regionale woonvisie aan hoe zij zich zullen inspannen om deze doelstellingen te halen, b) Voorraadontwikkeling middenhuur en betaalbare koop Voor de invulling van deze doelstelling sluit de provincie aan bij doelstelling van het Rijk. Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf 2025 voor 2/3 uit betaalbare woningbouw bestaan, waarvan de helft bestaat uit middenhuur en betaalbare koop (=1/3 van totale regionale woningbouwprogramma). De gemeenten geven in de regionale woonvisie aan hoe zij zich zullen inspannen om deze doelstellingen te halen.

14

3.

Voorraadontwikkeling voor specifieke doelgroepen

a. Voorraadontwikkeling woningen voor ouderen In de regionale woonvisie is een concrete doelstelling opgenomen in percentage van de voorraadontwikkeling voor levensloopbestendige woningen, specifiek geschikt voor ouderen met bijzondere aandacht voor het aantal nultredenwoningen en geclusterde ouderenwoningen. Belangrijk om op deze doelstelling te kunnen sturen is vanwege het belang van doorstroming op de woningmarkt en de toenemende vergrijzing. b. Huisvesting van aandachtsgroepen Volgens de definitie van het Rijk zijn dit: sociaal/medisch urgenten, uitstromers uit zorginstellingen, statushouders (vergunninghouders), arbeidsmigranten, dak- en thuislozen, woonwagenbewoners en studenten. Aangegeven is wat de omvang van deze aandachtsgroepen is, wat hun zorg- en ondersteuningsbehoefte en hoe welke aandachtsgroepen gehuisvest gaan worden. Deze woonbehoefte wordt vertaald in de (regionale) woningbouwprogramma. Op regionaal niveau vindt de afstemming over de woonopgave plaats.

Omdat de grenzen van de woningmarkregio, zorgkantoren, maatschappelijke ondersteuningen/of arbeidsmarktregio niet altijd overeenkomen, vindt de afstemming plaats op het schaalniveau van de gemeenten die samenwerken aan de regionale woonvisie / het regionale woningbouwprogramma en zal pragmatisch moeten worden omgegaan met de afstemming van zorg, welzijn, ondersteuning en werk waarbij de woonopgave/behoefte wordt betrokken. In het najaar 2022 zijn in Nederland verschillende koploperregio'’s aangewezen voor het opstellen van een integrale woonzorgvisie. In Zuid-Holland doet de regio Haaglanden mee als koploperregio voor het uitwerken van de woonzorgvisies. Indien na de inspraakprocedure van deze herziening in 2023 meer duidelijkheid is de rol over de provincie met betrekking tot de woonzorgvisies zal dat in de definitieve herziening worden opgenomen. c. Voorraadontwikkeling Flexwonen [Het geldende beleid blijft ongewijzigd] Tevens gaat de regionale woonvisie in op de volgende punten: 4.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Een beschrijving van hoe wordt omgegaan met het uitgangspunt van de Ladder voor duurzame verstedelijking en van het verstedelijkingsbeleid van de provincie om binnenstedelijk te bouwen en/of binnen de invloedsfeer van hoogwaardig openbaar vervoer. Voor zover locaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied of buiten de invloedsfeer van HOV nodig zijn, worden de ruimtelijke aspecten (waaronder de ontsluiting) van die locaties onderbouwd. 5.

Beter benutten

Een weergave van de potenties om gebouwen en locaties zowel kwalitatief als kwantitatief beter en adequater te benutten door ingrijpende woningverbetering, sloop-nieuwbouw, herstructurering, flexwonen, verdichting en transformatie. Dit vanuit de wens om te komen tot betere benutting van de gebouwde omgeving.

15

6.

Relatie van wonen met andere opgaven

Een onderbouwing van de keuzes en maatregelen voor de woonopgaven in relatie tot energietransitie, natuurinclusiviteit, klimaatadaptatie en -mitigatie, bodemdaling, circulariteit en gezonde leefomgeving.

-

Regionaal woningbouwprogramma

Het regionale woningbouwprogramma wordt jaarlijks geactualiseerd door gemeenten en de provincie. Het provinciaal omgevingsbeleid en de regionale woonvisie vormen daarvoor het kader. In het regionale woningbouwprogramma wordt aangegeven welke plannen de komende periode van tien jaar worden uitgevoerd om de gewenste woningvoorraadtoename te realiseren. Het actualiseren van het regionale woningbouwprogramma gebeurt via het digitale systeem Planregistratie wonen en bevat een toelichting over de daarin opgenomen ontwikkelingen. Een regionaal woningbouwprogramma bevat ten minste de volgende informatie:

• • • • • • •

Het aantal voorgenomen te realiseren woningen in relatie tot de gewenste woningvoorraadtoename. De provinciale woningbehoefteramingen zijn hierin leidend. De beoogde woningdifferentiatie, in ieder geval naar eigendomsvorm, woningtype, prijsklasse en woonmilieu. Een inzicht in de programmering van het aantal sociale huurwoningen. Een inzicht in het aandeel middenhuur en betaalbare koop. Een inzicht in de programmering van het aantal woningen dat door woningcorporaties in portefeuille wordt genomen (sociale huur / middenhuur). De ligging van de locaties binnen en buiten bestaand stads- en dorpsgebied, nabij HOV. De beoogde te huisvesten doelgroepen.

Andere punten die van belang zijn bij het regionale woningbouwprogramma:

• •

De provincie geeft waar nodig ruimte voor 30 procent overprogrammering in het woningbouwprogramma in verband met planuitval. De provincie sluit aan bij de rijksladder voor duurzame verstedelijking. Dit maakt dat de transformatie van bestaand stads- en dorpsgebied, zoals kantoren, winkels en cultuurhistorische waardevolle gebouwen, binnen de invloedssfeer van Hoogwaardig Openbaar Vervoer vaak niet ladderplichtig zijn en met het oog op de woningbehoefte altijd kan worden gestart. Ook als deze transformatie nog niet in overeenstemming is met het regionale woningbouwprogramma. Bij de jaarlijkse actualisering van het regionale woningbouwprogramma moet vervolgens rekening worden gehouden met deze

•

transformatieprojecten, ook als die daarvoor nog niet in overeenstemming waren met het regionale woningbouwprogramma. Waar het gaat om het omzetten van de functies van gronden met niet-woongebouwen naar wonen binnen BSD en nabij HOV en deze omzetting cijfermatig niet past binnen het regionale woningbouwprogramma, gaat de provincie samen met de initiatiefnemende gemeente graag het gesprek aan met de regio om deze ontwikkeling in het regionale woningbouwprogramma

•

op te nemen. De provincie monitort het percentage sociale huur in de voorraad per gemeente en legt dit naast het percentage sociale huur in het woningbouwprogramma. De provincie kan gemeenten die nog niet voldoen aan de 30% sociale huurvoorraad vragen om een toelichting op eventuele benodigde maatregelen. 16

•

Naast de reguliere programmaruimte is er onder voorwaarden extra programmaruimte voor initiatieven met ‘Flexwoningen’. Dit met het doel om te bezien of het bieden van specifieke (programma)ruimte hiervoor ook daadwerkelijk gaat leiden tot extra ’Flexwoningen’. Deze voorwaarden zijn: o Het gaat om nieuwe woningen, te weten (on)zelfstandige woningen of ‘woonunits’, die

o o

voor de duur van minimaal vijf jaar tijdelijk (= voor bepaalde duur) verhuurd worden conform de wettelijke regels; De gemeente heeft de afspraken met de eigenaar of exploitant over het voorgaande in een overeenkomst vastgelegd; De woningen moeten binnen vijf jaar opgeleverd worden (vanwege de actuele spanning op de woningmarkt);

o

In de Huisvestingsverordening moet bij het opleveren van de allereerste Flexwoningen opgenomen zijn dat het bepaalde in artikel 11.a. en 11.b. van de huisvestingswet 2014 van toepassing is;

o

Voor de huisvesting van arbeidsmigranten in flexwoningen gelden kwaliteitseisen die zijn beschreven in de paragraaf Prioritaire doelgroepen, onderdeel arbeidsmigranten.

Om een totaalbeeld van de stand van zaken van het regionale woningbouwprogramma mogelijk te maken, dient het woningbouwprogramma jaarlijks te worden geactualiseerd. Regionaal onderzoek naar de mogelijkheden voor de ontwikkeling van de woningvoorraad kan deel uitmaken van de voorbereiding tot actualisatie van de regionale woonvisie. De actuele Woningbehoefteverkenning is voor de provincie uitgangspunt voor gesprek over de kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte. De provincie wil samen met gemeenten en andere partijen op regionaal niveau voorzien in voldoende passende woningen voor verschillende doelgroepen. De plannen voor ‘Flexwoningen’ moeten in het regionale woningbouwprogramma opgenomen worden (inclusief markering als ‘Flexwoning’), waarbij in een aanvullende projectbeschrijving ingegaan wordt op de wijze waarop aan bovenstaande voorwaarden is of wordt voldaan. Door de markering ‘Flexwoning’ kan het aantal Flexwoningen dat voldoet aan de voorwaarden los worden gezien van de andere woningen in het woningbouwprogramma. Het regionale woningbouwprogramma vormt ook de basis voor de periodieke actualisatie van lijst met de grote buitenstedelijke bouwlocaties (3 hectare-kaart).

Bij het ontbreken van een actuele regionaal woningbouwprogramma beoordeelt de provincie per plan of de behoefte voldoende is onderbouwd met toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking en het provinciale omgevingsbeleid. Wanneer er geen sprake is van een door de provincie (volledig) vastgestelde regionale woonvisie en/of vastgesteld regionaal woningbouwprogramma hebben Gedeputeerde Staten de mogelijkheid om zelf een woonvisie en/of een regionaal woningbouwprogramma vast te stellen. De provincie zal het regionaal woningbouwprogramma beoordelen op het behalen van de volgende doelstellingen: • minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale

•

woningbouwprogramma (nieuwbouw); waarvan de helft in portefeuille van woningcorporaties, dus minimaal 1/3 in portefeuille van woningcorporaties vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma (nieuwbouw);

•

streven naar minimaal 30% sociale huur in de totale woningvoorraad per gemeente.

17

Onderstaand is per doelstelling uitgewerkt wat de provincie van belang vindt bij deze beoordeling:

•

minimaal 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma;

Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf het jaar 2025 2/3 bestaan uit betaalbare woningen (huur en koop). Het gaat om het totaalpercentage van de hele regio. Bij de jaarlijkse vaststelling door GS van het regionale woningbouwprogramma wordt op regionaal niveau beoordeeld of de samenwerkende gemeenten binnen de regio dit percentage halen. Indien zij voldoen kan het regionale woningbouwprogramma worden vastgesteld. Indien zij niet voldoen, dan gaat de provincie in overleg met de samenwerkende gemeenten. In dit gesprek wordt inzichtelijk gemaakt wat de mogelijkheden zijn om meer betaalbare woningbouw op te nemen in het regionale woningbouwprogramma en wat de stappen en fasering kunnen zijn om door te groeien naar 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025. Indien overeenstemming wordt bereikt over hoe de doelstelling (op termijn) kan worden behaald, dan worden de afspraken vastgelegd en toegevoegd aan de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma. Dit regionaal woningbouwprogramma wordt eveneens lokaal vastgesteld en doorvertaald in de concrete planvorming. Indien geen overeenstemming bereikt wordt tussen de provincie en de samenwerkende gemeenten, zal de provincie niet instemmen met het regionaal woningbouwprogramma of onderdelen daarvan.

In dat geval gaat de provincie ervan uit dat elke stedelijke ontwikkeling voor wonen op zichzelf dan voorziet aan de doelstelling 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025 zoals opgenomen in de omgevingsverordening. •

minimaal 1/3 in portefeuille van woningcorporaties vanaf 2025 in het regionale woningbouwprogramma

Elk regionaal woningbouwprogramma moet vanaf het jaar 2025 voor 1/3 bestaan uit woningen (sociale huur/middenhuur) die door woningcorporaties in portefeuille worden genomen. Het gaat om het totaalpercentage van de hele regio. Bij de jaarlijkse vaststelling door GS van het regionale woningbouwprogramma wordt op regionaal niveau een motivering verwacht of de samenwerkende gemeenten binnen de regio dit percentage halen. Indien zij niet voldoen, dan gaat de provincie in overleg met de samenwerkende gemeenten. In dit gesprek wordt inzichtelijk gemaakt wat de mogelijkheden zijn om meer woningen sociale huur/middenhuur die door woningcorporaties in portefeuille worden genomen op te nemen in het regionale woningbouwprogramma en wat de stappen en fasering kunnen zijn om door te groeien naar 2/3 betaalbare woningbouw (huur en koop) vanaf 2025. Indien overeenstemming wordt bereikt over hoe de doelstelling (op termijn) kan worden behaald, dan worden de afspraken vastgelegd en toegevoegd aan de regionale woonvisie en het regionale woningbouwprogramma. Dit regionaal woningbouwprogramma wordt eveneens lokaal vastgesteld en doorvertaald in de concrete planvorming. Deze flexibiliteit is opgenomen als tussenstap om in een reëel scenario toe te werken naar de doelstellingen. Dit is uitdrukkelijk geen permanente afwijking/ontheffing op de vastgestelde doelstellingen in de omgevingsvisie.

18

Indien geen overeenstemming bereikt wordt tussen de provincie en de samenwerkende gemeenten, zal de provincie niet instemmen met het regionaal woningbouwprogramma. In dat geval gaat de provincie ervan uit dat elke stedelijke ontwikkeling voor wonen op zichzelf dan voorziet aan de doelstelling van 30% sociale huur vanaf 2025 zoals opgenomen in de omgevingsverordening. Omdat in een omgevingsplan niet kan worden aangegeven welke partij de woningen bouwt of in portefeuille neemt is er voor gekozen deze doelstelling op deze manier in de omgevingsverordening op te nemen. •

30% sociale huur in de voorraad per gemeente

In elk regionaal woningbouwprogramma moet aangetoond zijn dat elke gemeente ten minste 30% sociale huurvoorraad heeft of gaat halen. Van een gemeente die boven dit percentage zit wordt verwacht dat deze de huidige sociale voorraad op peil houdt. Gemeenten kunnen gemotiveerd een verzoek aan GS indienen om af te wijken van het in stand houden van het percentage sociale huurvoorraad (zoals dat op dat moment op meer dan 30% sociale voorraad is) indien dit bijdraagt om evenwichtige spreiding in de regio te bevorderen en deze voornemens regionaal zijn afgestemd. Via de doelstelling dat 1/3 van de nieuwbouw door woningcorporaties op regionaal niveau in portefeuille moet worden genomen blijft het percentage op minimaal 30%. Van een gemeente die onder dit percentage van 30% zit wordt verwacht dat zij bij de indiening van het regionale woningbouwprogramma bij GS aangeeft welk ‘ingroeipercentage’ en welk tempo deze gemeente voor de periode van de duur van het regionaal woningbouwprogramma hanteert om in de richting van de 30% sociale huur in de voorraad te komen. Van gemeenten met een klein bouwprogramma en een laag percentage sociale huur kan niet verwacht worden dat zij meteen al toe groeien naar de 30%. De provincie verwacht van elke gemeente immers het maximale, niet het onhaalbare.

Met ingroeipercentage wordt bedoeld: bijvoorbeeld de stap van 20% naar 22% in de periode van 5 jaar van het regionaal woningbouwprogramma en welk percentage sociale huur de gemeente dan per plan hanteert. Bij het indienen van het regionaal woningbouwprogramma gaat de provincie er dan ook van uit dat dit met de overige gemeenten in de regio besproken is en dat zij akkoord gaan met het ingroeipercentage en tempo van de desbetreffende gemeente (en woningcorporaties). Bij de beoordeling van het regionale woningbouwprogramma kan GS de regionale koepel van actieve woningcorporaties (dan wel de actieve woningcorporatie(s) in een gemeente waar geen regionale koepel is) op basis van de slaagkans voor sociale huurwoningen in de betreffende regio/gemeente een advies vragen over het door de gemeente voorgestelde ingroeipercentage. Bij een negatief advies van de regionale koepel stellen GS het voorgestelde woningbouwprogramma van de betreffende gemeente niet vast totdat er overeenstemming is tussen provincie en gemeente over de te nemen maatregelen zoals beleidsaanpassingen, het ingroeipercentage of het beoogde tempo. Tot die tijd gaat de provincie ervan uit dat elke nieuwe stedelijke ontwikkeling voor wonen dan op zichzelf voldoet aan de doelstelling dat 30% sociale huur wordt gerealiseerd zoals dit is opgenomen in de omgevingsverordening.

De provincie heeft met een aantal gemeenten en regio’s bestuurlijke afspraken gemaakt over locatie, kwantiteit, kwaliteit en tempo van woningbouw. Dit neemt niet weg dat locaties waarvoor bestuurlijke afspraken met de provincie zijn gemaakt op het gebied van wonen moeten voldoen aan het provinciale omgevingsbeleid. Gewijzigde omstandigheden kunnen voor alle partijen 19

aanleiding geven voor heroverweging. Een overzicht van deze afspraken is opgenomen in het omgevingsprogramma. -

Regionale realisatieagenda

Het Rijk heeft aan de provincie gevraagd om afspraken te maken met gemeenten in regionaal verband op basis van de doelstellingen uit de Nationale Bouw- en Woonagenda in de vorm van regionale woondeals. In Zuid-Holland worden de regionale woondeals uitgewerkt als regionale realisatieagenda's omdat de nadruk ligt op de realisatie van de regionale woningbouwprogramma's. In het najaar 2022 worden de regionale realisatieagenda's opgesteld met betrokkenheid van Rijk, provincie, gemeenten, waterschappen, woningcorporaties en marktpartijen. Besluitvorming door GS over de regionale woningbouwprogramma’s en regionale realisatieagenda’s gebeurt gelijktijdig. -

Huisvestingsverordening

In het wetsvoorstel (september 2022) tot wijziging van de Huisvestingswet wordt bepaald dat burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening advies vragen aan Gedeputeerde Staten van de provincie over de gevolgen voor de regionale woningmarkt, de woningbouwopgave en de toepassing van artikel 14 van de Huisvestingswet. Indien de gemeenteraad voornemens is een huisvestingsverordening vast te stellen vanuit het oogpunt van het bestrijden van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan woonruimte, onderbouwen burgemeester en wethouders in de woonvisie de maatregelen die zij nemen om deze schaarste tegen te gaan en de inzet van de gemeente op het gebied van de lokale en regionale woningbouwopgave. Wij vragen de gemeenten om dit ook in de lokale en regionale woonvisie toe te lichten. De lokale en regionale woonvisie bevat dan tenminste het volgende: • Een definitie van het begrip schaarste aan woonruimten. Deze definitie dient aan te sluiten bij

• •

de bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimteverdeling. Eén of meer indicatoren waarmee de schaarste wordt gemeten. Een kwantitatief uitbreidingsprogramma om de voorraad goedkope woonruimten af te stemmen op de omvang van doelgroepen, gericht op een significante afname binnen een benoemde termijn (vier jaar) van onevenwichtige en onrechtvaardige effecten van schaarste aan goedkope woonruimte. De bevindingen van het gebruik van de huisvestingsverordening en de monitor woonruimteverdeling leveren informatie op voor dit uitbreidingsprogramma. Bij dit uitbreidingsprogramma wordt rekening gehouden met de specifieke woningbehoeften van bepaalde doelgroepen, bijvoorbeeld goed toegankelijke woningen voor senioren.

Het Rijk heeft het voornemen dat elke gemeente voor bepaalde aandachtsgroepen verplicht een urgentieverordening heeft, waarbij de provincie een coördinerende rol krijgt. Indien na de inspraakprocedure van deze herziening in 2023 meer duidelijk is over de voorgestelde wijziging in de Huisvestingswet en de rol van de verschillende overheidslagen duidelijk is zal dat in de definitieve herziening worden opgenomen. -

Toezichthouden

20

De provincie is toezichthouder op uitvoering van de gemeentelijke taken op basis van de Huisvestingswet 2014. Daarbij gaat het om toezicht op de wettelijke taak van gemeenten om vergunninghouders te huisvesten en om toezicht op de toepassing van de Huisvestingswet in het geval dat gemeenten een huisvestingsverordening vaststellen. In het omgevingsprogramma is dit nader toegelicht. -

Monitoring

Om de realisatie van onze gezamenlijke beleidsdoelstellingen te kunnen volgen, is inzicht nodig in de ontwikkeling van de bestaande en toekomstige woningvoorraad en de onderwerpen die daar verband mee houden. Provincie, gemeenten en regio zijn gebaat bij een actueel woningbouwprogramma en een woningvoorraad die voldoen aan de kwantitatieve en kwalitatieve vraag en passen bij de doelstellingen van de regionale en provinciale visies. Gemeenten registreren hun plannen in het provinciale digitale systeem Planregistratie Wonen. De provincie geeft met de Woonbarometer periodiek inzicht in de kwantitatieve en kwalitatieve ontwikkeling van de woningvoorraad. Daarnaast zet de provincie periodiek de stand van de veranderingen in de woningvoorraad en de verleende bouwvergunningen voor nieuw te bouwen woningen op de provinciewebsite Staat van Zuid-Holland. Waar de Woningbehoefteverkenning Zuid-Holland ook vooruitkijkt, kijkt de Woonbarometer vooral terug. Voor de monitoring gaat de provincie regelmatig in overleg met de regio's over welke informatie en indicatoren relevant zijn en wie hiertoe gegevens kan leveren. Monitoring kan dan eventueel gezamenlijk worden opgepakt. Monitoring wordt gebruikt voor de context en duiding ofwel voor het bijsturen van beleid.

A2 Bedrijventerreinen Aanleiding De nieuwe behoefteraming voor bedrijventerreinen is nog niet verwerkt in het Omgevingsbeleid. De cijfers van de vorige behoefteraming moeten nog vervangen worden. Daarnaast is in de bedrijventerreinenstrategie opgenomen dat twee instrumenten nader worden uitgewerkt, te weten: (1) minimale milieucategorie: ondergrens voor milieucategorie op een hoge milieucategorie bedrijventerrein; en (2) te behouden terreinen: bedrijventerreinen aanwijzen die nooit getransformeerd zullen worden naar woningbouw. De uitwerking van deze instrumenten leidt nu tot aanpassing van het beleid, waarbij tevens het instrument functiemenging (mengen van functies in een gebied, bijv. wonen/werken) is toegevoegd. Immers, alle drie de instrumenten leveren een bijdrage aan efficiënter ruimtegebruik en geven ondernemers meer investeringszekerheid. Op deze manier dragen deze drie instrumenten, zowel direct als indirect, bij aan diverse provinciale opgaven. Actualisering behoefteraming bedrijventerreinen De nieuwe behoefteraming voor bedrijventerreinen is al afgerond. De aanpassing die nu nog nodig is betreft het verwerken hiervan in het Omgevingsbeleid (vervangen cijfers vorige behoefteraming). Participatie heeft al plaatsgevonden. De behoefteraming is de basis voor de regionale bedrijventerreinenvisies.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=afc3cbb6-ddb3-4c47-9d11-1563515c14c2