[T22.04687] Bestemmingsplan Buitengebied Bleiswijk 1e part. herziening Vastgesteld
Tekst van het document
Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat met zekerheid kan worden gesteld dat geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden door het gebruik van de voorgenomen ontwikkeling in het bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186”. Dit betekent dat significant negatieve effecten op de instandhouding van die gebieden kunnen worden uitgesloten en dat de Wet natuurbescherming niet leidt tot belemmeringen voor de ontwikkelingen in dit project.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
23
4.3
Conclusie De aanwezige populatie van de Muurhagedis dient uit de actuele verblijfplaats weggevangen te worden en in de alternatieve verblijfplaats te worden uitgezet. Deze handelingen dienen door een ecologisch medewerker uitgevoerd te worden. Tevens wordt het plangebied door vleermuizen gebruikt om te foerageren en als vliegroute. De groenstructuren worden veelal gebruikt om te foerageren maar ook als verbinding tussen andere foerageergebieden. Wanneer deze groenstructuren aangetast worden zal de essentiële functie als foerageergebied en vliegroute verkleind worden en/of verdwijnen. Hierdoor dient er, wanneer de groenstructuren aangetast worden, een ontheffing aangevraagd te worden en zullen mitigerende en compenserende maatregelen getroffen worden. Het aspect ‘stikstof’ vormt geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
24
5
Water
5.1
Kader Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet.
5.1.1. Europees en Rijksbeleid Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofd- watersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).
Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water (actueel) In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen.
De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
25
watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. In 2008 is het NBW geactualiseerd met als doel de watersystemen op orde te krijgen, met name op het gebied van wateroverlast en watertekort. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2015 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2015 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2015 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterbergingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2. Provinciaal beleid Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar.
Het waterbeleid met een ruimtelijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Voor de ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om Zuid-Holland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. 5.1.3. Beleid waterbeheerder Waterbeheerplan 2016–2021 Waterbeheerplan 2016 – 2021 – Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (HHSK).
Het Waterbeheerplan 2016-2021, dat op 19 juni 2016 is vastgesteld, vervangt het Waterbeheerplan 2010-2015. In het Waterbeheerplan geeft het hoogheemraadschap haar visie en ambities op het waterbeheer voor de lange termijn; het geeft richting aan het handelen van het Hoogheemraadschap en biedt burgers, bedrijven, partners en andere betrokkenen zicht op wat zij van het Hoogheemraadschap kunnen verwachten. Daarnaast biedt het ruimte voor eigen initiatief en verantwoordelijkheid.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
26
Het Waterbeheerplan 2016-2021 bevat nieuwe accenten, die de rode draad vormen voor de werkzaamheden in de komende planperiode: het Hoogheemraadschap staat daarbij voor doelmatig en duurzaam waterbeheer, in directe verbinding met de omgeving. Het Hoogheemraadschap voert haar taken uit tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten. Daarbij wordt zorg gedragen voor de leefbaarheid van het gebied en het vergroten van de toekomstbestendigheid en duurzaamheid van het watersysteem. Het hoogheemraadschap gaat actief in gesprek met de omgeving en staat open voor initiatieven van inwoners, bedrijven en partners. Daarnaast worden particuliere initiatieven gestimuleerd. Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen In de nota "Waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen" (Nota waterkwantiteitsbeheer, vastgesteld op 26 juni 2007 en aangevuld op 7 september 2007) is het beleid geformuleerd over de waterberging bij ruimtelijke ontwikkelingen. Samenvattend betekent het beleid het volgende: 1. aan ontwikkelingen die resulteren in een toename van het verharde oppervlak van minder dan 500 m2 worden geen waterbergingseisen gesteld; 2. bij de overige ontwikkelingen wordt aan de hand van de eigenschappen van het gebied vastgesteld hoeveel aanvullende waterberging benodigd is.
Keur en Legger Alle handelingen of werkzaamheden in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de ‘Keur van Schieland en de Krimpenerwaard’. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Hoogheemraadschap. De Legger van het Hoogheemraadschap is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van waterkeringen en bijbehorende beschermingszones, wateren (zoals sloten en vaarten) en bijbehorende beschermingszones (onderhoudsstroken), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de Legger de ligging van waterkeringen, wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is. 5.1.4. Gemeentelijk beleid Waterplan Lansingerland Op 29 april 2010 is het Waterplan Lansingerland vastgesteld. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn: a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; b.
een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Op 30 juni 2011 is de eindrapportage van het Waterplan vastgesteld. Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2020 In het vigerende Gemeentelijk Rioleringsplan staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen (BRP’s) en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
27
meten en monitoren. Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, de twee hoogheemraadschappen en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen. Verder hechten de gemeente belang aan het duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen. 5.2
Onderzoek Bestaande situatie Oppervlaktewatersysteem Het plangebied grenst ten zuiden aan een overige watergang. Het plangebied ligt in de Polder Bleiswijk. Het plangebied ligt in peilgebied GPG 1010, dat een vast streefpeil heeft van NAP 6,30 m tot NAP -6,20 m. Wateroverlast Vanuit het peilbeheer is het wenselijk om rondom het peilgebied GPG 1010 een peilvariatie van +5 cm /-5 cm in te stellen. Hiermee kan ingespeeld worden op de weersomstandigheden. Waterkwaliteit In het plangebied zelf zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt voor een klein deel in de beschermingszone van een regionale waterkering.
Afbeelding 5.1: Uitsnede leggerkaart waterschap Schieland en de Krimpenerwaard. Het plangebied is rood omkaderd.
Afvalwaterketen en riolering Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwa-
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
28
ter wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand. Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, niet-uitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK'shoudende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Waterkwantiteit Het plangebied kent in de vigerende situatie de bestemmingen ‘Bedrijf’ en ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. De bestemming ‘Agrarisch – Glastuinbouw’ wordt vervangen door de bestemming ‘Bedrijf’. Het bestaande bouwvlak in het vigerende bestemmingplan betreft circa 2.550 m2. De toekomstige bouwvlak betreft circa 1.652 m2. De totale oppervlakte van de bouwvakken neemt dus planologisch af met circa 898 m2. Binnen de vigerende bestemmingen is volledige verharding van het gebied mogelijk. In de huidige situatie is het plangebied dan ook vrijwel volledig verhard. In de toekomstige situatie blijft het plangebied grotendeels verhard. Watercompensatie is niet nodig. Aan de aangrenzende watergang vinden geen aanpassingen plaats. Veiligheid Het plangebied ligt deels binnen de beschermingszone van een regionale waterkering.
Het bestaande kantoorpand, die deels in de beschermingszone ligt, wordt gesloopt. Binnen de beschermingszone worden geen nieuwe bebouwingen gerealiseerd . De waterkering belemmert de voorgenomen ontwikkeling niet. Wel is de dubbelbestemming ‘Waterstaat – Waterkering’ op de verbeelding en in de regels opgenomen. Riolering Afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk riool (droogweerafvoer - DWA). Hemelwater dat op daken, parkeerverharding en opritten valt, moet als dat mogelijk is worden afgekoppeld van het DWA en afgevoerd naar het oppervlaktewater. Hemelwater dat op wegen valt, dient via bodempassages te worden afgevoerd naar het oppervlaktewater. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico’s van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.
Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Natte natuur / verdroging Het plangebied is niet gelegen in of nabij een (nat) natuurgebied of (natte) ecologische verbindingszone. Verdroging zal niet optreden door voorliggend plan, omdat het (grond)waterpeil niet zal worden aangepast.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
29
Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het gemeentelijke inzamelings- en transportstelsel ligt bij de gemeente, tot aan het eindgemaal, dat in beheer is van het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap is verantwoordelijk voor het transport vanuit het eindgemaal tot en met afvalwaterzuiveringsinstallatie en voor de zuivering. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het beheer van de sloten valt onder de keur van het hoogheemraadschap en zal daaraan dienen te voldoen. 5.3
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
30
6
Archeologie en cultuurhistorie
6.1
Archeologie Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die waarschijnlijk in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 20162019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: • Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten • Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie • Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid.
Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Lansingerland beschikt over eigen archeologiebeleid. Op basis van dit archeologiebeleid kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is.
6.1.2. Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bleiswijk’ kent een deel van het plangebied de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ en een klein deel de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’. Dit komt overeen met de laatste archeologische beleidskaart. Bij de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ hoort een vrijstellingsgrens van 100 m2 en een diepte van 0,3 meter beneden maaiveld. Bij de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 6’ hoort een vrijstellingsgrens van 1.000 m2 en een diepte van 2,5 meter beneden maaiveld.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
31
Afbeelding 6.1: Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart gemeente Lansingerland (versie maart 2017)
Er is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 3. De locatie van de nieuwbouw zal met 1,2 m worden opgehoogd om de grondslag op de bouwlocatie op hetzelfde niveau te krijgen als het momenteel bebouwde noordelijke deel van het plangebied. Op één locatie binnen het plangebied vindt verstoring van de ondergrond plaats, binnen een gebied van 75 m2, tot een diepte van 0,75 m in het aan te brengen ophogingspakket. Hiermee wordt de vrijstellingsgrens van zowel Zone II als Zone VI op de archeologische beleidskaart niet overschreden. Het op te brengen grondlichaam is beperkt, en zal slechts een geringe zetting van de ondergrond betekenen. Aangezien de geplande verstoring van de ondergrond (75 m2 tot 75 cm -mv) de vrijstellingsgrenzen niet overschrijdt, wordt door de gemeente Lansingerland archeologisch onderzoek niet nodig geacht. De vrijstellingsgrenzen blijven wel gehandhaafd, maar bij toekomstige ontwikkelingen kan rekening gehouden worden met het opgehoogde maaiveld. Ook wanneer het plangebied op enig moment op basis van de resultaten van archeologisch onderzoek wordt vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen, blijft de meldingsplicht archeologische toevalsvondst of waarneming van kracht (Erfgoedwet, artikel 5.10 Archeologische toevalsvondst).
Aangezien het nooit volledig is uit te sluiten dat tijdens eventueel grondverzet een archeologische toevalsvondst wordt gedaan, is het wenselijk de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht om hiervan zo spoedig mogelijk melding te doen bij het bevoegd gezag, de gemeente Lansingerland, en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. 6.1.3. Conclusie Het aspect ‘archeologie’ vormt geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
32
6.2.
Cultuurhistorie
6.2.1 Beleid Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.
Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk. Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie. Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld.
Waar mogelijk moeten de uitgangspunten uit de Nota worden vertaald in een juridische regeling in het bestemmingsplan. 6.2.2 Onderzoek en conclusie Visie erfgoed en ruimte In de visie erfgoed en ruimte worden geen concrete uitspraken gedaan die specifiek voor het plangebied van belang zijn. Regioprofielen cultuurhistorie Uit afbeelding 6.2 blijkt dat er binnen het plangebied geen waardevolle cultuurhistorische elementen aanwezig zijn. Wel is de Hoefweg aangeduid als ‘Landschap lijn’ met een hoge
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
33
waarde. De voorgenomen ontwikkeling doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarde, zie 2.2.1. Op het gebied van cultuurhistorie worden dan ook geen belemmeringen verwacht.
Afbeelding 6.2: Uitsnede van de provinciale cultuurhistorische verwachtingskaart (het plangebied is rood omkaderd).
Nota Cultuurhistorie Plus In de gebiedenkaart behorende bij de Nota Cultuurhistorie Plus is het plangebied ligt in het gebiedstype ‘Historische polderlinten’. In het bestemmingsplan dienen cultuurhistorisch waardevolle objecten en landschapselementen te worden aangeduid en beschermd. Het welstandsbeleid is in deze gebieden vrij. Voor monumenten of waardevolle bouwwerken geldt echter een bijzonder welstandsniveau. Het bestaande kantoorpand wordt gesloopt en hiervoor komt een nieuw pand terug. Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten op de huidige structuur en de beeldbepalende kenmerken van het gebied, zie 2.2.1. Direct ten zuiden van het plangebied ligt een cultuurhistorisch waardevol object (Hoefweg 182). Dit object wordt door dit plan niet aangetast. De nieuwbouw ligt door de tussengelegen sloot op voldoende afstand van het cultuurhistorisch waardevol object. Conclusie Het aspect ‘cultuurhistorie’ vormt geen belemmering voor het plan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
34
7
Milieu
7.1
Algemeen In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.
7.2
M.e.r.-beoordeling Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Gezien de beperkte omvang, vervangende nieuwbouw van een kantoorpand, geeft dit geen aanleiding om het project aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Daarnaast sluit de aard van de ontwikkeling aan bij het karakter en de huidige bouwmogelijkheden in de omgeving. Eventuele nadelige effecten zullen, t.o.v. de huidige situatie, dermate klein zijn dat deze niet significant zullen zijn. Om deze redenen wordt het geheel niet gezien als een stedelijke ontwikkeling waardoor een separate aanmeldnotitie niet noodzakelijk wordt geacht. Vanaf 16 mei 2017 is voor elk ruimtelijk plan verplicht om een expliciet besluit te nemen over het al dan niet opstellen van een milieurapport (m.e.r.). Het besluit hoeft niet te worden gepubliceerd, maar moet wel worden opgenomen in het besluitvormingsproces van dit ruimtelijk plan.
Uiteindelijk dient dit besluit over de m.e.r.-beoordeling opgenomen te worden in het ontwerpbesluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Dit besluit is opgenomen als bijlage 8 bij de toelichting.
7.3
Bodemkwaliteit
7.3.1 Kader Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (landof water-)bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd. Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
35
Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet. 7.3.2 Onderzoek In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bleiswijk’ zijn de gronden waarop de ontwikkeling voorzien is, bestemd als ‘Agrarisch – Glastuinbouw’. Dit is geen gevoelige functie. In de toekomstige situatie is de realisatie van een kantoorruimte voorzien. Gedurende een langere periode verblijven er mensen in het gebouw. De toekomstige functie wordt als ‘gevoeliger’ aangemerkt dan de huidige. Om deze reden is inzicht in de bodemkwaliteit ter plaatse van het nieuwe kantoorgebouw en loods benodigd. Door Terra Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als bijlage 5. Hieronder is de conclusie beschreven. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan worden geconcludeerd dat in de bodem verhogingen van kwik, lood, minerale olie en PAK’s ten opzichte van de achtergrondwaarde worden aangetroffen.
In het grondwater worden verhogingen van barium en nikkel ten opzichte van de streefwaarde aangetroffen. De hypothese ‘verdachte locatie’ wordt middels de analyseresultaten bevestigd. De resultaten van het bodemonderzoek geven echter geen aanleiding om een nieuw onderzoek met een gewijzigde onderzoeksstrategie uit te voeren. Verhogingen ten opzichte van de achtergrondwaarde, respectievelijk de streefwaarde worden vaker aangetroffen tijdens bodemonderzoeken en geven geen bezwaar voor het geplande gebruik van de locatie. Op basis van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande nieuwbouw. Op basis van het uitgevoerde onderzoek en de analyseresultaten kan ook worden geconcludeerd dat in de bodem geen asbest wordt aangetroffen. Indien op de locatie grond ontgraven en afgevoerd dient te worden dient rekening te worden gehouden met de regels volgens het Besluit Bodemkwaliteit. 7.3.3 Conclusie Op basis van het bodemonderzoek zijn er geen belemmeringen met betrekking tot de geplande nieuwbouw. Het aspect bodemkwaliteit leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. 7.4.
Akoestische aspecten
7.4.1 Kader De Wet geluidhinder verlangt inzicht in de akoestische effecten bij de realisatie van nieuwe geluidsgevoelige objecten, zoals de realisatie van woningen. 7.4.2 Onderzoek en conclusie In het vigerende bestemmingsplan ‘Buitengebied Bleiswijk’ zijn de gronden waarop de ontwikkeling voorzien is, reeds bestemd als ‘Agrarisch - Glastuinbouw’. Middels dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in een gevoeligere bestemming. In het kader van de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen nieuwe (openbare) weginfrastructuur aangelegd, en wordt de bestaande weginfrastructuur niet gewijzigd. Onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder is niet noodzakelijk. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
36
7.5
Luchtkwaliteit
7.5.1 Kader Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/m3. Daarnaast mag de PM10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m3 maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m3. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.
Naast de introductie van het NSL is het begrip ‘niet in betekenende mate bijdragen’ (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: - de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; - de ontwikkeling wordt aangemerkt als een NIBM-project; - de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit worden niet overschreden; - projectsaldering kan worden toegepast. 7.5.2 Onderzoek De realisatie van kantoorruimte, met een oppervlakte van minder dan 100.000 m2 b.v.o., is een ontwikkeling die past binnen de term ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de Wet luchtkwaliteit niet benodigd. Toch is de NIBM-tool ingevuld, zie afbeelding 7.1. Hier is worst-case uitgagaan van 90% aandeel vrachtverkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat het extra verkeer niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Uitgebreid luchtkwaliteitsonderzoek is niet benodigd.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
37
Afbeelding 7.1: uitsnede NIBM-tool
Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarnaast de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de omliggende wegen weergegeven voor het peiljaar 2019. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn.
Afbeelding 7.1: overzicht concentraties NO 2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2019 (NSL-monitoringstool)
Uit afbeelding 7.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 30,0 μg/m3, 19,5 μg/m3 en 11,8 μg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 μg/m3 (voor NO2 en PM10) en 25 μg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
38
de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. Gezien de omvang van de ontwikkeling en de achtergrondconcentraties kan gesteld worden dat er geen problemen ontstaan op het gebied van de luchtkwaliteit. 7.5.3 Conclusie De ontwikkeling in dit plan is aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan niet te verwachten. 7.6
Milieuzonering
7.6.1 Kader Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2 Onderzoek en conclusie In de omgeving van het plangebied, zijn naast (bedrijfs)woningen, verschillende andere functies/inrichtingen aanwezig. Daarnaast is het plangebied direct langs de hoofdinfrastructuur gelegen waardoor het gebied is aan te merken als ‘gemengd gebied’. Voor een dergelijk gebied mogen de VNG-richtafstanden, zoals genomen in de VNG-publicatie, worden gereduceerd (dat wil zeggen: één stap terug in de oorspronkelijke richtafstand). Met deze ontwikkeling wordt geen gevoelige functie mogelijk gemaakt. Wel moet onderzoek worden gedaan naar de impact van de voorgenomen ontwikkeling op gevoelige functies in de omgeving. Onder andere zijn er in de directe omgeving van het plangebied diverse (bedrijfs)woningen gelegen.
Er is een onderzoek verricht naar de te verwachten geluidniveaus in de omgeving ten gevolge van de geplande activiteiten van Dammes gelegen aan de Hoefweg 184-186 te Bleiswijk. Het volledige onderzoek is opgenomen als bijlage 2. Hieronder zijn de conclusies beschreven. Uit het onderzoek volgt dat wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus uit het 'Activiteitenbesluit milieubeheer' (Activiteitenbesluit) ter plaatse van nabijgelegen woningen. Verder blijkt dat de maximale geluidniveaus ten gevolge van piekgeluiden veroorzaakt door vrachtwagens leiden tot een overschrijding van de grenswaarde voor de nachtperiode ter plaatse van een woning. Teneinde te voldoen aan de geluidgrenswaarden voor het maximale geluidniveau uit het Activiteitenbesluit is een geluidscherm met een hoogte van 5 m voorgesteld op de grens tussen het terrein van Dammes en de tuin van de Anjerweg 2.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
39
Met inachtneming van de maatregel zijn de geplande (uitbreiding van de) activiteiten inpasbaar binnen de wettelijk gestelde grenswaarden. Hiermee is een goed akoestisch woon- en leefklimaat gewaarborgd. Derhalve bestaat vanuit akoestisch oogpunt geen belemmering voor de afwijking van het bestemmingsplan. Het onderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan de DCMR Milieudienst Rijnmond. De DCMR concludeert dat als op de erfgrens tussen het bedrijf en het perceel Anjerweg 2 een geluidscherm wordt geplaatst met een hoogte van 5 meter, kan worden voldaan aan de voorschriften van het Activiteitenbesluit. Ook is er dan sprake van een voldoende woon- en leefklimaat voor een woning in een gemengd gebied. 7.7
Externe veiligheid
7.7.1 Kader Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden. 7.7.2 Onderzoek Uit de risicokaart blijkt dat in de omgeving van de ontwikkellocatie verschillende risicobronnen aanwezig zijn, te weten: - Aardgastransportleiding W-539-01 - Worldwood B.V. - Flora Holland - Horticoop B.V. De aardgastransportleiding W-539-01 heeft een invloedsgebied van 200 meter. Het plangebied is hierbinnen gelegen, zie afbeelding 7.2. Formeel gezien zou het groepsrisico berekend moeten worden met het computerprogramma CAROLA. Tevens dient een motivatie opgesteld te worden over de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Echter gezien de lage bevolkingsdichtheid in het gebied, de grote afstand van het nieuwe pand tot de leiding (> 160 meter) en de relatief lage toevoeging van het aantal aanwezigen in het plangebied in de plansituatie, is de verwachting dat er in de plansituatie geen overschrijding van de oriëntatiewaarde zal plaatsvinden. In overleg met de Omgevingsdienst en Veiligheidsdienst kan daarom worden besloten om het groepsrisico niet te berekenen.
Dit plan is voorgelegd aan de Veiligheidsregio RotterdamRijnmond (VRR). De VRR adviseert geen aanvullende maatregelen. Op een afstand van minimaal 400 meter zijn verschillende bedrijven gelegen. Het plangebied bevindt zich echter buiten de PR 10-6 contouren van deze bedrijven. Daarnaast is de verwachting dat gezien de lage toevoeging van het aantal aanwezigen in het plangebied dit niet leidt tot belemmeringen.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
40
Afbeelding 7.2: EV-signaleringskaart (het plangebied is rood omkaderd).
7.7.3 Conclusie Het aspect externe veiligheid leidt niet tot belemmeringen voor voorgenomen ontwikkeling. 7.8
Overige belemmeringen Inleidend Naast de hiervoor beschreven milieuaspecten kunnen er nog andere belemmeringen in of nabij het plangebied aanwezig zijn die van invloed kunnen zijn op de planvorming. Het gaat bijvoorbeeld om de aanwezigheid van straalpaden, planologisch relevante kabels en leidingen (zoals waterleidingen of rioleringsleidingen), beschermingszones en dergelijke. Luchthaven Rotterdam The Hague Airport Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland Ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging van luchthaven “Rotterdam The Hague Airport”. zijn technische installaties en systemen op en in de omgeving van het luchtvaartterrein aanwezig. Deze zogenaamde Communicatie, Navigatie en Surveillance (CNS)-infrastructuur maakt gebruik van radiogolven die uitgezonden en/of ontvangen worden door antennesystemen. Obstakels, zowel vast (gebouwen, windmolens, et cetera) als mobiel (bouwkranen, heistellingen, et cetera) vormen in potentie een bedreiging voor de goede werking van de apparatuur omdat ze de uitgezonden radiosignalen kunnen verstoren. Verstoring van de apparatuur maakt de CNS apparatuur minder betrouwbaar of zelfs geheel onbruikbaar waardoor direct de veiligheid van het luchtverkeer wordt beïnvloed. Het is daarom in het belang van de veiligheid van de luchtvaart alles in het werk te stellen om de diverse systemen tegen verstorende obstakels te beschermen.
Aan de hand van de internationale burgerluchtvaartcriteria dient beoordeeld te worden of de voorgenomen bouwplannen en werktuigen van invloed zijn op de correcte werking van CNS-hulpmiddelen. Het plangebied bevindt zich buiten de toetsingsvlaken van de CNS-apparatuur. Het is daarom niet noodzakelijk dat er een beschermende regeling in het plan wordt opgenomen.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
41
VOR/DME Het plangebied bevindt zich buiten het toetsingsvlak behorende bij de VOR/DME RTM (Rotterdam). Een VOR (VHF Omni-Directional Radiorange) geeft een vliegtuig koersinformatie en een DME (Distance Measuring Equipment) geeft een vliegtuig afstandsinformatie. Het toetsingsvlak van de VOR/DME kent een 600 m vrije straal gemeten vanaf de basis van de antenne op maaiveldhoogte. Binnen deze straal van 600 m geldt een toetsingshoogte van 0 m; elk op te richten object kan verstoring veroorzaken. Vanaf het 0 meter vlak loopt het toetsingsvlak trechtervormig omhoog tot een hoogte van 47,66 m (NAP) op een afstand van 3 km. Het plangebied is buiten het toetsingsvlak VOR/DME gelegen. Er is om die reden ook geen vrijwaringszone opgenomen op de verbeelding. Invliegfunnel Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” hoort een aanvliegroute (invliegfunnel). In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken. In verband met de vliegveiligheid geldt er binnen de aanvliegroute een hoogtebeperking voor gebouwen en andere bouwwerken tot de aangegeven hoogtes. Omdat het voorliggende plangebied niet binnen de aanvliegroute is gelegen, is een hoogtebeperking niet aan de orde. Het is daarom niet noodzakelijk dat er voor de invliegfunnel een beschermende regeling in het plan wordt opgenomen.
Geluid Bij de luchthaven “Rotterdam The Hague Airport” speelt ook het aspect ‘geluid’ een rol. De maatgevende contour, waarbinnen geen geluidgevoelige bebouwing (zoals woningen) mag worden gerealiseerd, is weergegeven middels de zogenaamde 35 KE-contour. Voorliggend plangebied is gelegen buiten de geluidszones van de luchthaven. Er gelden ten aanzien van geluidhinder als gevolg van de luchthaven binnen voorliggend plangebied dan ook geen restricties.
7.9
Duurzaamheid
7.9.1 Kader Duurzaam bouwen Duurzaam bouwen staat voor het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu zodat kan worden voorzien in de behoefte van de huidige generatie zonder dat voor toekomstige generaties de mogelijkheid wordt ontnomen om ook in hun behoeften te kunnen voorzien. Duurzaam bouwen is daarmee onderdeel van de kwaliteit van de gebouwde omgeving. Gemeentelijk beleid De gemeente Lansingerland heeft de ambitie vastgesteld om in 2050 een CO2-neutrale gemeente te zijn. Hiervoor is de duurzaamheidsvisie ‘Lansingerland duurzaam’ opgesteld, die op 18 juli 2019 door de gemeenteraad is vastgesteld. Door inzet op de thema’s energietransitie, circulaire economie en klimaatadaptatie wil de gemeente ook voor de toekomst de kwaliteit van wonen en onze aantrekkelijke leefomgeving behouden en de impact op het milieu en het klimaat te minimaliseren. Dat betekent de overgang van fossiele bronnen naar energie uit hernieuwbare bronnen, gesloten grondstofkringlopen met een zo hoog mogelijk behoud van waarde en de aanpassing aan klimaatverandering om de negatieve effecten hiervan op te vangen, zodat een zekere mate van klimaatbestendigheid ontstaat. Daarbij geeft de gemeente zelf het goede voorbeeld, maar vraagt de gemeente ook iets van andere partijen.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
42
7.9.2 Afweging en conclusie Het voorliggende bouwplan zoekt aansluiting bij de ambities van de gemeente Lansingerland op het gebied van duurzaamheid. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is afgesproken de duurzaamheidseisen van het ‘minimaal aanvullend niveau’, zoals in bijlage 4, aan te houden.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
43
8
Uitvoerbaarheid
8.1
Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens dient, indien sprake is van ontwikkelingen waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze moeten worden verhaald op de initiatiefnemer c.q. ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld. Met betrekking tot voorgenomen ontwikkeling is tussen de gemeente en de eigenaar een anterieure overeenkomst gesloten. Het kostenverhaal is hiermee anderszins verzekerd en het opstellen van een exploitatieplan is niet noodzakelijk. Gezien het bovenstaande wordt de economische uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid is een verplaatsing gewenst. Deze ontwikkeling is tevens passend binnen de ruimtelijk kaders van de gemeente en heeft als uitgangspunt de bestaande ruimte beter in te richten en de kwaliteit van de leefomgeving te verbeteren. Daarmee wordt verondersteld dat er voldoende draagvlak is. Bovendien wordt in de bestemmingsplanprocedure de mogelijkheid geboden om zienswijzen in te dienen (zie ook hoofdstuk 9 van deze toelichting). Gezien het bovenstaande wordt de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan voldoende gewaarborgd geacht.
8.3
Handhavingsaspecten Inleidend Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening (Wro), de Woningwet (Ww) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling Bij het opstellen van dit nieuwe bestemmingsplan zijn de gronden vrij gedetailleerd bestemd.
Er zijn diverse voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Binnen de bestemmingen is daarmee
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
44
relatief veel rechtszekerheid en is daarmee weinig kans op interpretatieverschillen. Ook zijn de verbeelding, de regels en de toelichting zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
45
9
Procedure
9.1
Voorbereidingsfase Vooraankondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een procedure van een bestemmingsplan, waarin een ruimtelijke ontwikkeling wordt gefaciliteerd, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is, conform de gemeentelijke inspraakverordening, voorafgaand aan de formele bestemmingsplanprocedure voor inspraak vrijgegeven. Gedurende de inspraaktermijn is een ieder in de mogelijkheid gesteld schriftelijke en/of mondeling te reageren op het bestemmingsplan. De ontvangen inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in de “Nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan Buitengebied Bleiswijk, 1e part.herz. Hoefweg 184186”, zie bijlage 9. De wijzigingen zijn doorgevoerd in het ontwerpbestemmingplan.
Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de Rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het voorontwerpbestemmingsplan voor advies toegezonden aan diverse instanties. De ontvangen inspraakreacties zijn samengevat en beantwoord in de “Nota inspraak en overleg en staat van wijzigingen bestemmingsplan Buitengebied Bleiswijk, 1e part.herz. Hoefweg 184-186”, zie bijlage 9. De wijzigingen zijn doorgevoerd in het ontwerpbestemmingplan. 9.2
Ontwerpfase Na afronding van het vooroverleg wordt de formele bestemmingsplanprocedure gestart. De aanpassingen die eventueel volgen uit de inspraak- en overlegreacties worden verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Ook worden er – indien nodig – ambtshalve aanpassingen doorgevoerd. Op de voorbereiding van een bestemmingsplan is artikel 3.8 Wet ruimtelijke ordening (Wro) (gelezen in samenhang met afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht) van toepassing. De kennisgeving van het ontwerpbesluit tot vaststelling moet in de Staatscourant worden geplaatst en dient ook via elektronische weg te geschieden. Het ontwerpbestemmingsplan lag met ingang van 26 mei gedurende zes weken ter inzage. Gedurende de termijn van terinzageligging zijn twee zienswijzen ingediend. Eén zienswijze is ondertekend door 13 bewoners van de Hoefweg. In de Nota zienswijze en staat van wijzigingen Bestemmingsplan Buitengebied Bleiswijk, 1e partiele herziening Hoefweg 184-186 worden de zienswijzen behandeld. De Nota is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd. De zienswijzen leiden niet tot wijziging van het bestemmingsplan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
46
9.3
Vaststellingsfase Binnen twaalf weken na de termijn van terinzagelegging moet de gemeenteraad beslissen omtrent de vaststelling van het bestemmingsplan. Tegen het besluit tot vaststelling staat, voor belanghebbenden, direct beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Direct na de beroepstermijn treedt, indien tijdens de beroepstermijn geen verzoek om voorlopige voorziening is ingediend, het plan in werking waarna tot vergunningverlening kan worden overgegaan.
Bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Toelichting Vast te stellen, 24 augustus 2022
Bijlagen bij de toelichting
Bijlage 1: Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186”, KuiperCompagnons, 5 mei 2022
NOTITIE Betreft Locatie Opdrachtgever Werknummer Datum
Stikstofdepositie-onderzoek bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186” Bleiswijk Gemeente Lansingerland 620.116.80 5 mei 2022
Aanleiding In opdracht van de gemeente Lansingerland is door KuiperCompagnons een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor het bestemmingsplan “Buitengebied Bleiswijk, 1e partiële herziening Hoefweg 184-186”. Het plan omvat het verplaatsen van het kantoorgebouw en de realisatie van een loods voor de stalling van 5 vrachtwagens. Het resterende deel van het perceel wordt dan gebruikt voor het parkeren van de vrachtwagens en manoeuvreerruimte. Het huidige kantoorpand wordt met de herziening van het bestemmingsplan wegbestemd. Omdat deze ontwikkeling niet past binnen het vigerende bestemmingsplan, wordt een partiële herziening opgesteld. In deze notitie is de stikstofdepositie voor het gebruik van de nieuwe ontwikkeling beschouwd. Beoordeeld is of sprake is van een toename van de stikstofdepositie ter plaatse van stikstofgevoelige habitats gelegen binnen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plan. In de volgende hoofdstukken wordt eerst het wettelijk kader behandeld, waarna de ligging van het plangebied en de uitgangspunten van de berekeningen worden beschreven. Daarna worden de berekeningsresultaten gepresenteerd waarna de notitie wordt afgesloten met de conclusies van het onderzoek.
Wettelijk kader De wettelijke grondslag waarop toetsing van de planontwikkeling noodzakelijk is, betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Deze toets dient om vast te stellen of, en zo ja, onder welke voorwaarden een menselijke activiteit in en rondom een Natura 2000-gebied kan worden toegelaten. Meer concreet heeft deze toets de volgende twee doelen: 1 Zekerheid bieden dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet worden aangetast; 2 Zekerheid bieden dat een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten, dan wel een verstoring van soorten niet optreedt. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van de habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op de soorten, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Indien ter plaatse van stikstofgevoelige habitats binnen de Natura 2000-
1/3
gebieden geen stikstofdepositie wordt berekend, kunnen negatieve gevolgen in die gebieden worden uitgesloten. Wet stikstofreductie en natuurverbetering De Wet stikstofreductie en natuurverbetering is op 1 juli 2021 in werking getreden. Via het Besluit stikstofreductie en natuurverbetering, waarin de stikstofwet verder is uitgewerkt, geldt per 1 juli een vrijstelling voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten omdat de emissies tijdelijk en beperkt zijn. De aanlegfase hoeft niet langer te worden berekend. Een berekening voor de gebruiksfase blijft wel nodig.
Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Rondom het plangebied zijn diverse Natura 2000-gebieden gelegen. Voor de gebieden De Wilck (circa 9 km afstand), Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein (circa 14,5 km afstand) en Boezems Kinderdijk (circa 16,5 km afstand) geldt dat binnen deze gebieden geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn, zodat het onderzoek geen betrekking heeft op deze natuurgebieden. De meest nabij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden zijn Meijendel & Berkheide (circa 16 km afstand), Westduinpark & Wapendal (circa 19,5 km afstand) en Solleveld & Kapittelduinen (circa 21 km afstand).