CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

[T21.10016] Vast te stellen bestemmingsplan Rottezoom, 2e partiële herziening tussen Kruisweg 30-44

Gemeenteraad 24 februari 2022, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan “Rottezoom, 2e partiële herziening Kruisweg tussen 30 en 44”25.292 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

32

De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op circa 8 kilometer van het Natura-2000 gebied De Wilck, zie figuur 3.2.

Dit is het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied. De ontwikkeling leidt, gezien de ligging en de kleinschaligheid, niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding, verstoring, areaalverlies of versnippering van dit gebied. Voor de ontwikkelingen in de gemeente is een stikstofberekening uitgevoerd, zie bijlage 8. Uitgaande van een 'worst-case' scenario voor de bouw van woningen, kunnen binnen de gemeentegrenzen van Lansingerland te allen tijde 45 woningen worden gerealiseerd zonder dat dit een depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De ontwikkeling valt hieronder.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

33

,i * J- r.'.ij-. - ‘'tl.T 1,11

"JL- 1

Roomb Kj Nteuwhoopse Piassen ã OeHaecfc Knudekene aan den Ri|n

/'•-•InMMl w-POrp , .11

Ĵftlpw#

;

IV. i

KicuVitrdrug aan den Rqn

De Levert

Meerzicht

Zoetermee RtHL'u.viik Dorp

Kruisweg -ľľ, - ijl'.-- i*-

MoerkapeHe

OneŭruggBn - ii. . 'i|.

SmekiKlOen. Ifeitenbraek A Polder Stern

Figuur 3.2: Natura-2000 gebieden in de omgeving van plangebied (rode cirkel). Binnen en rondom het plangebied is geen Natuur Netwerk Nederland gebied (NNN-gebied) gelegen. Ook zijn er geen ecologische verbindingszones in de omgeving aanwezig. Soortenbescherming Op 26 maart 2018 heeft Bureau Stadsnatuur een quickscan ecologie uitgevoerd op de percelen direct naast het plangebied, zie bijlage 6. Hieruit blijkt dat de locatie mogelijk geschikt is voor broedvogels. Vanwege de nabije ligging is deze conclusie dan ook over te nemen voor het onderhavige plangebied. Naar aanleiding van de quickscan is een broedvogelcontrole uitgevoerd op de naastgelegen percelen, het onderhavige plangebied is in dit onderzoek ook meegenomen (bijlage 7). Voor het plangebied geldt dat wordt aanbevolen het veld half mei te maaien en de struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Deze maatregelen worden opgevolgd. Het aspect soortenbescherming staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg. Conclusie Het aspect ecologie levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

34

3.9

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3.3 weergegeven. Tabel 3.3: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) 24-uurgemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5)

grenswaarde 40 pgZm3 40 pgZm3 max. 35 keer per jaar meer dan 50 pg^3 25 pg^3

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Besluit niet in betekenende mate In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: » Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 ^ 1,2 pg/m3); » een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 4 grondgebonden woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden.

De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs zowel de N209 als de A12 ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Ook ter plaatse van de beoogde woningen zal worden voldaan aan de geldende grenswaarden.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

35

ďrrţ^ÿfi

AAdi

0'HİnbuţK‘Êçrìĩriura

c 35 ĮjgZm3 3S. 5 ĮjgZm3

40.5 ļjgZm3 42.5 |jţĵZFn3 ŕ 42,5 Įjg/iTlĴ

Figuur 3.3: Jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2020 (bron: NSL monitoringstool). Conclusie Het plan draagt 'niet in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast wordt ter plaatse van de woningen ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.

3.10

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

36

Onderzoek Hoste Milieutechniek heeft in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9. Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodem in het algemeen bestaat uit klei tot de maximale boordiepte van 2,30 m-mv. Op een aantal boorlocaties is onder de verharding (klinker) een laag zand aangetroffen van maximaal 0,90 m. Plaatselijk, bij boring 14, is een veenlaag aanwezig van 0,50 - 1,3 m-mv. De boringen ter hoogte van het pad aan de noordzijde van de locatie zijn allen gestaakt op puin en meerdere keren opnieuw gezet. Bij boring 23 is tussen de zandlaag en kleilaag op 0,7 tot 1,00 m-mv een puinlaag aangetroffen. Er zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen in de bodemopbouw. Op het maaiveld en/of in de bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt dat de bodem niet tot maximaal licht verontreinigd is met de onderzochte stoffen. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor het beoogde gebruik. Naar aanleiding van de aangetroffen bijmengingen met puin in de grond ter hoogte van de oprit is een verkennend asbestonderzoek in de bodem ter plaatse van deze bijmenging uitgevoerd, zie bijlage 10.

Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat de bovengrond tot circa 0,5 m-mv meter bestaat over het algemeen uit zwak tot sterk puinhoudend lichtbruin zand. Onder de weg is op deze diepte een oud puinpad aanwezig met een laagdikte van 0,2 à 0,3 meter. Dit betreft betonpuin. Onder deze laag is een dunne laag zeer fijn zand aangetroffen. In de berm bestaat de ondergrond vanaf 0,5 à 0,7 m-mv tot ten minste 0,9 m-mv uit kleiig veen. In de onderzochte mengmonsters van de grond en in het funderingsmateriaal onder de weg is geen asbest aangetoond. De locatie is voldoende onderzocht. Op basis van het onderzoek is de locatie niet langer verdacht op een verontreiniging met asbest in de bodem of funderingsmateriaal onder de weg. Conclusie Uit het verkennend bodemonderzoek en het aanvullend asbestonderzoek blijkt dat voor de functiewijziging milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.11

Archeologie en cultuurhistorie

3.11.1 Archeologie Toetsingskader Erfgoedwet De archeologische monumentenzorg is geregeld in de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' zijn in de Erfgoedwet nog steeds de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

37

Besluit ruimtelijke ordening Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied. Gemeentelijk beleid Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente Lansingerland een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone waar een hoge archeologische verwachting geldt en een onderzoeksplicht voor ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m -MV. Aangezien het hier om een bestemmingplanwijziging gaat, zijn deze voorschriften maatgevend. I ęqenda

f»’-—GonrcntegKîrïí ļ- — - -ļ Onderzoeksgebied met onderzoeksnummer

Zone I, vindplaatsen. ma*, verstomp: Dm2 Ã 03Cm -mv Zone II r-cine verwachu'lü, rTăx veralûhrû; 5ūm2 a 0.30fïì -MV Zone lil, hoge veroiacrtng man verstonng I00m2 è 0 50m -Mv Zone ÍV, moderoos verwachlirg, ma* verstoring 500m? A 030m

MV

a Zone V, mrtiBhogtf vorwadiling, mak. verstoring. 500m2 A 1.00m -MV f Zcne VI mlOdelioga varwac.ttrig ma* verstoring 1

OOOtt-2 A 2 50m -MV

Zona Vil, mddnlKJcje vervracht na man. veratoftrg. I.OOOmľ A S.OOti -Mv nr*r”

M LfķjMUtX

JVkŵ įnmrjtfi aên nac. ^trstnyjr

'í

I

Figuur 3.4: Archeologische beleidskaart Lansingerland en globale ligging plangebied (rode cirkel). Onderzoek Op 14 september 2020 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau- en een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage 11. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen is vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. Tijdens het onderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen. Conclusie Het aspect archeologie staat de bestemmingswijziging niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

38

3.11.2 Cultuurhistorie Het oude dorpslint de Kruisweg is cultuurhistorisch waardevol. Het behouden en versterken van de herkenbaarheid van het lint vergroot de aantrekkelijkheid van Lansingerland. Nieuwe ontwikkelingen mogen hieraan geen afbreuk doen. De bebouwing langs de Kruisweg heeft een divers karakter. Er is een duidelijk verschil tussen de bebouwing aan de westzijde en de oostzijde van de Kruisweg. De bebouwing aan de westzijde van de Kruisweg bestaat uit een variatie van woningen en bedrijvigheid en diverse ondergeschikte bijgebouwen. Tussen de erven door zijn diverse doorzichten richting het open polder landschap. In de structuurvisie Lansingerland is specifiek aandacht besteed aan linten. De linten zijn belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. De gemeente vindt het daarom ook van belang dat nieuwe ontwikkelingen in samenhang met de lintstructuur en landschappelijke structuur plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling versterkt de herkenbaarheid van het lint. Het plan sluit hiermee goed aan op de identiteit van het gebied.

3.12

Kabels en leidingen

Toetsingskader Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden. Bij ondergrondse hoogspanningsleidingen dient slechts rekening te worden gehouden met een beschermstrook. Onderzoek en conclusie Ten oosten van het plangebied is op meer dan 500 m afstand van de nieuwe woningen het tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding Zoetermeer-Beverwijk gerealiseerd. De woningen liggen ruimschoots buiten de relevante magneetveldzones. Ook voor het overige zijn er geen relevante leidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.13

Eindconclusie

Op basis van de onderzochte aspecten zijn geen bijzondere belemmeringen aanwezig voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten aanzien van de milieu- en overige aspecten.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

39

Hoofdstuk 4

4.1

Juridische planbeschrijving

Bestemmingsplansystematiek

Het bestemmingsplan is conform SVBP2012 opgesteld, om zodoende digitaal raadpleegbaar en conform de uniforme systematiek raadpleegbaar te zijn. Ook is rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In dit hoofdstuk wordt een koppeling gemaakt tussen de in de voorgaande hoofdstukken beschreven elementen en de verbeelding (plankaart en regels). De verbeelding vormt het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de plankaart zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de plankaart zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes. De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken. De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels (waaronder ook de parkeerregeling) zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels. In de navolgende paragrafen worden de regels hoofdstuksgewijs toegelicht.

4.2

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 van de regels bevat twee artikelen met algemene bepalingen die het gehele plan betreffen. In artikel 1 (Begrippen) worden in het plan voorkomende begrippen gedefinieerd. Met de gegeven begripsomschrijvingen kan bij de latere toepassing van het bestemmingsplan verschil van inzicht in de interpretatie van het bestemmingsplan zoveel mogelijk worden voorkomen. Over het algemeen is gebruik gemaakt van wettelijk voorgeschreven of algemeen gebruikelijke begripsomschrijvingen. In artikel 2 (Wijze van meten) wordt beschreven hoe in het bestemmingsplan gegeven afmetingen moeten worden bepaald. Ook deze bepalingen zijn bedoeld om een eenduidige toepassing van het bestemmingsplan te bevorderen. Er is sprake van omschrijvingen die algemeen gebruikelijk en geaccepteerd zijn.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

40

4.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 - bestemmingsregels - kent vijf bestemmingen en twee dubbelbestemmingen. Artikel 3 Agrarisch - Weide De voor 'Agrarische - weide' aangewezen gronden zijn bestemd voor kleine weides (schapen), boomgaarden, volkstuinen en/of sierteeltvelden, objecten van beeldende kunst, lokale openbare speelvoorzieningen en eventueel een schuurtje ten behoeve van de schapen. De oppervlakte en bouwhoogte van het schuurtje mogen niet meer bedragen dan 25 m2 en 3 m. Op de gronden mogen andere bouwwerken, geen overkappingen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 4 m ten dienste van de genoemde functies worden gebouwd. Artikel 4 Groen De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, objecten van beeldende kunst, speelplaatsen, speelvoorzieningen en speeltoestellen, bruggen en overige kunstwerken, dijken en taluds e.d. met daarbij behorende verhardingen. Artikel 5 Tuin De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en ongebouwde parkeervoorzieningen behorende bij de op de aangrenzende gronden gesitueerde bestemmingen met de daarbij behorende andere bouwwerken, werken en werkzaamheden. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd (geen gebouwen, carports of andere overkappingen met uitzondering van een erker, entree- of tochtportaal).

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verhardingen voor erfontsluiting, calamiteitenontsluiting, fietspaden en/of -stroken en voetpaden, ongebouwde parkeervoorzieningen, overdekte fietsenstallingen, nutsvoorzieningen en bermen, groenvoorzieningen en water met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder straatmeubilair, werken en werkzaamheden. Artikel 7 Wonen De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met beroep aan huis of een webwinkel. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, parkeervoorzieningen, water met de daarbij behorende bouwwerken, werken en werkzaamheden. Binnen het plangebied zijn maximaal 4 woningen met elk een inhoudsmaat van maximaal 750 m3 toegestaan. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken. Binnenen buiten de bouwvlakken kan erfbebouwing worden opgericht, onder de aangegeven voorwaarden. Bedrijf aan huis is via afwijking toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden. Artikel 8 Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden binnen de kernzone van de waterkering.

Op deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals borstweringen, hekwerken en daarmee gelijk te stellen constructies, niet zijnde bruggen, dammen met duikers, vlonders, aanlegplaatsen en/of kaden, worden gebouwd met een maximale hoogte van niet meer dan 1 m.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

41

Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen mogen - op enkele uitzonderingen na uitsluitend met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag worden gebouwd. Daarbij dienen de bij de bestemming betrokken bouwregels in acht te worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig te worden geschaad. Vooraf dient schriftelijk advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, tenzij reeds een watervergunning is verleend.

4.4

Algemene regels

In hoofdstuk 3 zijn bepalingen opgenomen die binnen het bestemmingsplan algemeen geldend zijn. Artikel 9 Antidubbeltelregel Deze bepaling is in artikel 3.2.4Bro voorgeschreven. Wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, mag het opengebleven terrein niet nog eens meetellen bij het toestaan van een ander gebouw waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels Over een gedeelte van het plangebied ligt de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering en dient ter bescherming van deze zone. Artikel 11 Algemene bouwregels Voor ondergeschikte bouwdelen van bebouwing mag in beperkte mate worden afgeweken van de afmetingen volgens dit bestemmingsplan. Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel is bepaald welke gebruiksvormen niet zijn toegestaan. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels Deze bepaling maakt kleine afwijkingen van het bepaalde in dit plan onder voorwaarden mogelijk. Artikel 14 Algemene wijzigingsregels Deze bepaling maakt aanpassing van de begrenzing van bestemmingen onder voorwaarden mogelijk. Artikel 15 Algemene procedureregels In deze bepaling is opgenomen welke procedure dient te worden gevolgd bij het stellen van nadere eisen.

Artikel 16 Overige regels In deze bepaling is de voorwaardelijke verplichting voor parkeren opgenomen.

4.5

Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat bepalingen voor overgangssituaties en een titelbepaling. Artikel 17 Overgangsrecht In dit artikel zijn de in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Bro voorgeschreven bepalingen omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken en het overgangsrecht voor gebruik opgenomen. Artikel 18 Slotregel Dit artikel geeft aan met welke naam het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

42

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

43

Hoofdstuk 5

5.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Met dit bestemmingsplan wordt de bestemmingswijziging mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling wordt een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De gemeente acht het plan economisch uitvoerbaar.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie De initiatiefnemer heeft de directe buren op de hoogte gesteld van de plannen. Uit de gesprekken bleek dat de omwonenden geen problemen hadden met het voorgenomen initiatief. Inspraak Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd. Overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd. Een verslag van de reacties en beantwoording hierop is opgenomen in bijlage 13. Terinzagelegging Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens deze periode is aan eenieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. In deze periode zijn geen reacties ontvangen.

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

44

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

Bijlagen bij de toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

Bijlage 1

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

BP KRUISWEG TUSSEN NR. 30 - 44 BLEISWIJK Vormvrije m.e.r.-beoordeling 29 juni 2021

RHO ADVISEURS

RHO ADVISEURS DATUM KENMERK

29 juni 2021 20210112-0003

PROJECT PROJECTLEIDER

BP Kruisweg tussen nr. 30 en 44 te Bleiswijk drs. G.M. Boiten

OPDRACHTGEVER

StudioZE

AUTEUR

ing. E.E. Barendregt

INHOUD 1.

2.

3.

4.

3/16

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer

4 4 4

Plaats en kenmerken van hetproject

5

2.1 2.2 2.3 2.4

5 7 9 9

Plaats van het plan Kenmerken van het plan Cumulatie met andere projecten Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn

Kenmerken van demilieueffecten

10

3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

10 10 10 11 13 13 13 14 15 15 15

Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Gezondheid Sloop- en aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen

Conclusies

16

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Aan de Kruisweg, tussen nummers 30 en 40, is het voornemen om 4 vrijstaande woningen te realiseren. De ontwikkeling past niet binnen de vigerende bestemmingsplan 'Rottezoom'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. Het planvoornemen kan worden gezien als 'stedelijk ontwikkelingsproject' zoals bedoeld in onderdeel D11.2 van de bijla­ gen van het Besluit milieueffectrapportage. Voor deze activiteit geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer; 2. een aaneengesloten gebied en 2.000 woningen of meer, of; 3. een bedrijfsvloeroppervlak van 200.000 m2 of meer. De beoogde ontwikkeling betreft maximaal 4 woningen in een gebied van circa 7.000 m2. Er wordt geen drempelwaarde overschreden. Daarom kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling. Dit document bevat die beoordeling.

1.2

Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen nood­ zakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ^ de plaats van het plan; • de omvang van het plan; ^ de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

1.3

Leeswijzer

In hoofdstuk 2 worden de plaats en omvang van het project beschreven. In hoofdstuk 3 worden de verwachte milieueffec­ ten voor de verschillende omgevingsaspecten beschreven. Hoofdstuk 4 bevat de conclusie van de m.e.r.-beoordeling.

4/16

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het plan

Het plangebied is gelegen binnen Bleiswijk en het buurtschap Kruisweg. De Kruisweg is een oude ontginningsas door het karakteristieke polderlandschap van Zuid-Holland. Het oorspronkelijke veenlandschap is vanuit deze as ontgonnen en ge­ schikt gemaakt voor agrarische activiteiten. Doordat deze ontginningsassen de basis vormden voor menselijke activiteiten, zijn er langs deze assen diverse dorpen en ontstaan, waaronder Bleiswijk en Bergschenhoek. In het noordwesten ligt Zoetermeer. In het oosten is Moerkapelle gelegen. Het plangebied ligt tussen de Kruisweg en de N209 (Nieuwe Hoefweg), met aan de noordzijde van het plangebied een toekomstig woonhof. In de huidige situatie is de locatie in gebruik als weide en is deze dus volledig onverhard. De locatie heeft een grondoppervlakte van circa 7.260 m2. Zie figuur 1 voor de ligging en begrenzing van het plangebied. :: aif įŭjlĵfļďfl ļJfcKUljJtOll liLaH&iţ.Kr.

ríīffi»ű.aiSi

VJU-

.

,

Figuur 1: Ligging en begrenzing plangebied (bron: google maps luchtfoto, 2021)

Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Archeologie Op de locatie ligt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 1'. De dubbelbestemming voor archeologie beschermt de archeologische waarden die mogelijk in de grond aanwezig zijn. Hier geldt dat uitsluitend bebouwing is toegestaan die niet dieper reikt dan 0,5 meter beneden maaiveld en die een grondoppervlakte bestrijkt die niet groter dan 100 m2 is. Indien deze maten worden overschreden, dient er eerst archeologisch onderzoek te worden verricht.

5/16

Natuur Het plangebied ligt niet in of in directe nabijheid van natuurgebieden, zie figuur 2. In de omgeving zijn geen NNN-gebieden of ecologische verbindingszones aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied (De Wilck) ligt op grote afstand (circa 8 kilometer), dit Natura 2000-gebied is niet stikstofgevoelig. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is Meijendel & Berkheide, gelegen op een afstand van circa 20 km vanaf het plangebied. vogelwijk

Hoogmade

Koneiaa/

Leiderdorp

Leiden

Roomburg Gastiuiswljk

Nreuwkoopst Zoaerwoude-Riļndiļk Koudekerk aan den Ri|n Hazerswoude-RijndiJk

Zoetenwude-Doip ļóē.wiŵi] Zuidbuun

Hawrswoude-Dorp

rseWerswwme

Bodegraven

Bemňuizen

ttuMtrug aan oen Bţr

oeLeyeos Tempel

waardin

Zoetermeer Rŕenvwjk-üoip Kruisweg

Moeikapeke

Drietrugger

Waddmxveen

Lansnghage

Sluipwijk

EfoekvetOen. Polair Sten ' ; ,. kferienöroe* SriogeuTiig Gouda N22S

Figuur 2: Ligging projectgebied (oranje cirkel) t.o.v. Natura-2000 gebieden

Het plangebied ligt niet in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden (figuur 3). Op het plangebied ligt gedeeltelijk de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze dubbelbestemming zorgt voor de bescherming van de functie van de waterkering (Kruisweg). Leiden

Leiderdorp

Zoetenwoude-Rijndijk naar

Legenda:

voorscholen

Grondwaterbescnermmgskaart 2018 Waterwingebied

Weipoort

Grondwaterbeschermingsgebied stomp* a «nadien lain

HcuersvM

100-jaars2one intrekĝĜbied op basis van omgevtngsverordenmg

voorburg

Bonthuizen

Borings vrije zone

s*Gravenhage

Zoetermed Nootdorp Rijswijk tonster

Poeldijk

Reeuwijk-Dorp oerkapelle

Jficbruqgen

^ahvijkerlaan Hoqetxug

wateringen

Gouda

KI nũCKOi

" V.V'Uilţ

J:l,l LÍ'.'VI "

1 lekmdorp

Bleiswijk Zevenhuizen

[^eltt De|f9ouw

^ Iiķt"' 'ľ

Berkel en Rodenrijs V. iOrdro;ht

De l iel Btoľ.v,|l

Nieuwerkerk aan den IJssel

■’•.Vi: I

'.laasdiik De Kapel

Berkenwoude Capelle aan den IJssel Vlanrdingon

UUÜC ũllű

i - 1 ‘inim

Beraam

Krimpen aan den IJssel

Rozenburg Lekkerkerk

Streefkerk

Figuur 3: Ligging plangebied t.o.v. waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden (bron: Atlas Leefomgeving)

6/16

Oi

Op de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Zuid-Holland wordt het plangebied aangeduid als een gebied met een redelijk tot hoge archeologische trefkans, zie figuur 4. Verder staat het gebied aangemerkt als droogmakerijlandschap en wordt de Kruisweg zelf gezien als een historische lijn van hoge waarde. In de structuurvisie Lansingerland is specifiek aandacht besteed aan linten. De linten zijn belangrijke dragers van de identi­ teit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt.

Waarde 0 -1 m onder maaiveld Waards: -oog Type afzett ng: STRO OM GORE: ELS EN GEULAFZETTINGEN Kenmerk: Buffe' stroomgordels en geulafzettingen Formatie: Format e van Echte d Waarde 3-5m onder maaiveld Waarde: -oog Type afzett ig: SĨROOMGQRDELS EN GEULAFZETTINGEN Kenmerk: Oude stroomgordels en geulafzetthgen Formatie: Format e van Echte d

Figuur 4: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Zuid-Holland

De milieukwaliteit binnen het plangebied wordt mede bepaalde door de infrastructuur in de omgeving (spoor en wegen) en de omliggende bedrijven. In hoofdstuk 3 is nader ingegaan op de milieusituatie (waaronder de optredende geluidbelas­ ting).

2.2

Kenmerken van het plan

Het planvoornemen is de realisatie van 4 vrijstaande woningen. Het parkeren bij de nieuwe woningen wordt opgelost op eigen terrein. Hiervoor is, ten behoeve van de bewoners zelf, op eigen terrein is per woning ruimte gereserveerd voor twee parkeerplaatsen aan de Kruisweg en twee parkeerplaatsen aan de achterzijde. De parkeerplaatsen worden ingericht naar behoefte van de toekomstige bewoners. De weg aan de achterzijde wordt verbreed, zodat hier voldoende parkeergelegen­ heid voor bezoekers is. Achter het plangebied loopt een erftoegangsweg die de achterzijden van de woningen ontsluit. De parkeerplaatsen worden via de Kruisweg en de achterliggende erftoegangsweg ontsloten.

7/16

Kavel A 1000 m2

Kavel C 1000 m2

Kavel D 1800 m2

onbebouwd uitzichtgebied

Kruisweg Figuur 5: Impressie beoogde ontwikkeling

ONTSLUITING De woningen ontsluiten via een erftoegangsweg op de Kruisweg. Deze weg is gecategoriseerd als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom en kent een maximum snelheid van 30 km/h. De weg heeft geen doorgaande functie en loopt in zuide­ lijke richting dood. In noordelijke richting sluit de Kruisweg aan op de Dwarslaan. Vanaf hier wordt verder ontsloten richting Moerkapelle of de N209 (Nieuwe Hoefweg). De fietser deelt op de Kruisweg de weg met het overige verkeer. In noordelijke richting kan de fietser, via de Achterlaan, aansluiten op een vrijliggend fietspad parallel aan de Prismalaan Oost. Voor de fietser is de Kruisweg in zuidelijke richting niet doodlopend en kan worden aangesloten op een fietsnetwerk in verschillende richtingen.

VERKEER EN PARKEREN Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. De huidige functie gene­ reert momenteel geen verkeer. Uit de berekening blijkt dat de verkeersgeneratie maximaal 33 mvt/etmaal (motorbewegingen per etmaal) bedraagt. Het parkeren bij de nieuwe woningen wordt opgelost op eigen terrein.

8/16

2.3

Cumulatie met andere projecten

In de omgeving van het plangebied vinden verschillende ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Met name de ontwikkeling van het Bedrijvenpark Prisma aan de overzijde van de N209 kan van invloed zijn op de milieusituatie binnen het studiegebied. Zoals blijkt uit de informatie in hoofdstuk 3 is in de milieuzonering voor het Bedrijvenpark (en horecacluster) rekening ge­ houden met het buurtschap aan de Kruisweg. Ook hierop wordt nader ingegaan in hoofdstuk 3. Naast het plangebied worden 8 woningen gerealiseerd. Door het slopen van het tuincentrum neemt de verkeersgeneratie, en hiermee de milieueffecten, af. Voor deze ontwikkeling is een separate mer-beoordelingsnotitie opgesteld, op basis waarvan door het college is besloten dat voor die ontwikkeling geen milieueffectrapport hoeft te worden opgesteld.. In totaal worden 12 (8 naastgelegen plangebied + 4 in het onderhavige plangebied) woningen gerealiseerd, dit aantal blijft ruimschoots onder de grenswaarde.

2.4

Criteria bijlage III van de EEG-richtlijn

Voor de realisatie van de beoogde woningen en herinrichting van het terrein worden de gebruikelijke bouwmaterialen en natuurlijke hulpbronnen benut. Verontreiniging en hinder, optredende risico's en eventuele gezondheidseffecten komen aan de orde in hoofdstuk 3.

9/16

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen.

3.1

Verkeer en parkeren

De verkeersgeneratie bedraagt maximaal 33 mvt/etmaal. De bestaande infrastructuur heeft voldoende capaciteit om het extra verkeer te kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Bij de naastgelegen ontwikkellocatie is er geen toename aan het aantal verkeersbewegingen. Het parkeren voldoet aan de 'Parupluherziening parkeernormering Lansingerland uit 2017' van de gemeente Lansingerland. Het parkeren bij de nieuwe woningen wordt opgelost op eigen terrein. Hiervoor is, ten behoeve van de bewoners zelf, op eigen terrein ruimte gereserveerd voor vier parkeerplaatsen per woning en is aan de achterzijde ruimte voor bezoekersparkeren.

3.2

Geluid

Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is akoestisch onderzoek uitgevoerd met als doel na te gaan of kan worden vol­ daan aan een (blijvend) goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het aspect geluidhinder geen belemmering vormt voor het onderhavige voornemen. Het laten vaststellen van hogere waarden is voor de woningen wel noodzakelijk. Uitstralingseffect Voor toetsing van het uitstralingseffect bestaat geen wettelijk kader. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toe­ name van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). Gezien de ontsluitende functie van de omliggende wegen zal de extra bijdrage van 33 mvt/et­ maal minder zijn dan 40% van de totale verkeersintensiteit over deze wegen. Relevante negatieve uitstralingseffecten naar de omgeving zijn dan ook uitgesloten. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.3

Luchtkwaliteit

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 4 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gege­ ven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht­ kwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Nieuwe Hoefweg ten noorden van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruim­ schoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020: 24,9 ^g/m3 voor NO2, 17,7 ^g/m3 voor PM10 en 10,3 ^g/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur ge­ middelde concentratie PM10 bedroeg 6,2 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt

10/16

voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen im­ mers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwik­ keling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.4

Externe veiligheid

De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Risicorelevante bedrijven Volgens de informatie op de provinciale risicokaart is in de omgeving van het plangebied een risicorelevante inrichting aan­ wezig. Het betreft het distributiecentrum van supermarkt Hoogvliet ten zuidwesten van het plangebied. Uit de QRA voor het distributiecentrum blijkt dat het plangebied buiten de PR 10-6-contour en de PR 10-8-contour is gelegen. Het invloedsgebied bedraagt 1.189 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Het groepsrisico ligt ruimschoots onder de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling is met 4 woningen beperkt te noemen. Hierdoor zal het groepsrisico niet signi­ ficant toenemen. Deze inrichting leidt niet tot ruimtelijke beperkingen ter plaatse van de woningbouwlocatie. Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich risicovolle inrichting Greenpoint waar sprake is van een LNG-installatie met daarbij een CNG-installatie. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning is een risicoanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plangebied zich niet in de PR 10-6-contour bevindt. Wel bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied. Uit het onderzoek blijkt tevens dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt.

De beoogde ontwikkeling is relatief klein­ schalig en betreft 4 woningen. Hierdoor zal het groepsrisico niet significant toenemen. Vanwege de ligging in het invloedsgebied van een tweetal inrichtingen is een beknopte verantwoording opgesteld, waarin nader is ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Deze verantwoording is opgenomen in de toelichting op het bestemmingsplan. Andere inrichtingen liggen op dermate grote afstand van het plangebied dat deze niet relevant zijn. Vervoer van gevaarlijke stoffen In de omgeving van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A12 (afstand tot plangebied circa 500 m). Uit de gegevens uit het Basisnet weg blijkt dat de A12 ter hoogte van het plangebied een PR 10-6-contour heeft van 0 meter en geen plasbrandaandachtszone kent. Het groepsrisico ligt in de huidige situatie meer dan een factor 10 onder de oriëntatiewaarde. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de A12 is gelegen, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Omdat voor de A12 de PR 10-6-contour niet buiten de weg is gelegen, vormt het plaatsgebonden risico geen knelpunt voor de be­ oogde woningbouwontwikkeling.

Gezien de afstand, aard en omvang van de ontwikkeling zal daarnaast geen sprake zijn van relevante gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico. Ook over de N209, direct ten westen van het plangebied, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 30 meter van de weg en bevindt zich in het invloedsgebied. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de N209. De beoogde realisatie betreft 4 wonin­ gen. In de Handleiding populatieservice wordt voor een woonfunctie groter dan 60 m2 het kental van 2,4 personen per wo­ ning gehanteerd. Dit geeft een populatie van 10 personen. Uit onderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd in het kader van de verbreding van de weg (meer zuidelijk gelegen deel van de N209) en de groepsverantwoording voor bestemmingsplan Hoefweg-Korenmolenweg blijkt dat over de N209 per

11/16

jaar 106 transporten van GF3 plaatsvindt. Verder blijkt dat er geen sprake is van een PR 10"6-contour en dat ook geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Er hoeft daarom slechts te worden getoetst of er sprake is van een toename van meer dan 10% van de oriëntatiewaarde door de beoogde ontwikkeling. In de HART worden de onderstaande vuistregels gehanteerd voor de toetsing van 10% van de oriëntatiewaarde voor een weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur). ^

Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.

^

Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (tweezijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden. Tabel 1-7 Drempelwaarden GF3-vervoer voor overschrijding 10"7o van de orientatiewaarde, weg buiten bebouwde kom, tweezijdige bebouwing. Afstand tot de as van de weg

Dicht­ heid /ha

10

20

30

40

50

60

70

80

90

100

125

150

175

200

10

8660

13190

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

20

2170

3300

5680

10740

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

30

960

1470

2520

4770

7160

9170

10390

11590

13590

-

-

-

-

-

40

540

820

1420

2680

4030

5160

5850

6520

7640

8520

13760

-

-

-

50

350

530

910

1720

2580

3300

3740

4170

4890

5450

8810

-

-

-

60

240

370

630

1190

1790

2290

2600

2900

3400

3790

6120

10300

-

-

70

180

270

460

880

1310

1680

1910

2130

2500

2780

4490

7570

-

-

80

140

210

360

670

1010

1290

1460

1630

1910

2130

3440

5790

11490

-

90

110

160

280

530

800

1020

1150

1290

1510

1680

2720

4580

9080

-

100

90

130

230

430

640

820

940

1040

1220

1360

2200

3710

7360

12670

200

20

30

60

110

160

210

230

260

310

340

550

930

1840

3170

300

10

10

30

50

70

90

100

120

140

150

240

410

820

1410

400

10

10

10

30

40

50

60

70

80

90

140

230

460

790

500

3

10

10

20

30

30

40

40

50

50

90

150

290

510

600

2

4

10

10

20

20

30

30

30

40

60

100

200

350

700

2

5

10

10

20

20

20

20

30

40

80

150

260

800

1

3 2

4

10

10

10

10

20

20

20

30

60

110

200

900

1

2

3

10

10

10

10

10

20

20

30

50

90

160

1000

1

1

2

4

10

10

10

10

10

10

20

40

70

130

Figuur 6: Drempelwaarden GF3-vervoer voor overschrijding 10X van de oriëntatiewaarde, weg buiten bebouwde kom, tweezijdige bebouwing

Over het betreffende wegvak wordt geen LT3, GT4 of GT5 vervoerd. Hierdoor kunnen de vuistregels worden toegepast. De afstand tot de N209 bedraagt circa 30 meter en het GF3-vervoer bedraagt 106 per jaar. Uit de tabel in figuur 6 blijkt dat bij deze afstand en hoeveelheid vervoer de 10% wordt overschreden bij een dichtheid van 100 personen per hectare. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevt - Bijlage, versie 1.2, 11 januari 2017 wordt geconcludeerd dat voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening het voldoende is om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 300 meter van de as van de weg. Op een afstand van 300 meter bevinden zich woonwijken en industriegebieden. Volgens de Publicatiereeks gevaar­ lijke stoffen 1 (december 2003) is de bevolkingsdichtheid voor (rustige) woonwijken 25 personen per hectare en voor indu­ striegebieden (personeelsdichtheid midden) 40 personen per hectare. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het groepsri­ sico niet met meer dan 10% zal toenemen. De afstand is voldoende en het aantal personen laag. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overschrijdt en het groepsrisico neemt niet met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde toe. Ook heeft de weg geen PR 10-6-contour. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt.

12/16

In het kader van het vooroverleg is het plan voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). Het advies van de VRR is bijgevoegd als bijlage bij het bestemmingsplan. Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van de N209 is een (beknopte) verantwoording van het groepsrisico uitge­ voerd. Daaruit blijkt dat de bereikbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid voldoende zijn. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. De verantwoording van het groepsrisico is op­ genomen in de toelichting op het bestemmingsplan. Hoogspanning Ten oosten van het plangebied is op meer dan 500 m afstand van de nieuwe woningen het tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding Zoetermeer-Beverwijk gerealiseerd. De woningen liggen ruimschoots buiten de relevante magneetveldzones.

3.5

Bodem

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in de bijlagen bij het bestemmingsplan. Volgens het onderzoek zijn er in de bodem enkele lichte verontreinigingen aange­ troffen. De aangetoonde gehaltes zijn dermate laag dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De onderzoeksre­ sultaten leveren geen beperkingen op ten aanzien van het gebruik en de ontwikkeling van de locatie tot woonbestemming. Negatieve effecten door, en ten gevolge van, de beoogde ontwikkeling kunnen worden uitgesloten.

3.6

Water

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater worden duurzame, niet-uitloogbare ma­ terialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem ter plaatse kunnen dan ook worden uitge­ sloten. Het planvoornemen is het bouwen van 4 nieuwe woningen, waarbij 3 woningen binnen deze kernzone wordt gebouwd. Voor de bouw van de woningen in de kering wordt een watervergunning aangevraagd. De beoogde ontwikkeling leidt tot een toename van het verhard oppervlak. Aan de noordkant van het plangebied is recent een waterpartij met 470 m2 uitgebreid ten behoeve van de watercompensatie. Naar verwachting is hiermee in voldoende watercompensatie voorzien. Negatieve effecten op de waterhuishoudkundige situatie zijn hiermee uitgesloten. Risico's op rampen door klimaatverandering De ontwikkeling betreft de ontwikkeling van een locatie in bestaand stedelijk gebied. Risico's op rampen door klimaatver­ andering nemen ten gevolge van de beoogde ontwikkeling dan ook niet toe.

3.7

Ecologie

GEBIEDSBESCHERMING Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het plangebied niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgeslo­ ten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verande­ ring van de waterhuishouding worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een toename van verkeersbewe­ gingen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op 8 kilometer. De ontwikkeling leidt, gezien de ligging en de

13/16

kleinschaligheid, niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding, verstoring, areaalverlies of versnippering van dit ge­ bied. Voor de ontwikkelingen in de gemeente is een stikstofberekening uitgevoerd. Uitgaande van een 'worst-case' scena­ rio voor de bouw van woningen, kunnen binnen de gemeentegrenzen van Lansingerland te allen tijde 45 woningen worden gerealiseerd zonder dat dit een depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden veroor­ zaakt. De ontwikkeling valt hieronder. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied kunnen daarmee worden uitgesloten.

SOORTENBESCHERMING Op 26 maart 2018 heeft Bureau Stadsnatuur een quickscan ecologie uitgevoerd op de percelen direct naast het plangebied. Hieruit blijkt dat de locatie mogelijk geschikt is voor broedvogels. Vanwege de nabije ligging is deze conclusie dan ook over te nemen voor het onderhavige plangebied. Naar aanleiding van de quickscan is een broedvogelcontrole uitgevoerd op de naastgelegen percelen, het onderhavige plangebied is in dit onderzoek ook meegenomen. Voor het plangebied geldt dat wordt aanbevolen het veld half mei te maaien en de struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Deze maatregelen worden opgevolgd. Het aspect soorten­ bescherming staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

3.8

Cultuurhistorie en archeologie

CULTUURHISTORIE Het oude dorpslint de Kruisweg is cultuurhistorisch waardevol. Het behouden en versterken van de herkenbaarheid van het lint vergroot de aantrekkelijkheid van Lansingerland. Nieuwe ontwikkelingen mogen hieraan geen afbreuk doen. De bebou­ wing langs de Kruisweg heeft een divers karakter. Er is een duidelijk verschil tussen de bebouwing aan de westzijde en de oostzijde van de Kruisweg. De bebouwing aan de westzijde van de Kruisweg bestaat uit een variatie van woningen en be­ drijvigheid en diverse ondergeschikte bijgebouwen. Tussen de erven door zijn diverse doorzichten richting het open polder landschap. In de structuurvisie Lansingerland is specifiek aandacht besteed aan linten. De linten zijn belangrijke dragers van de identi­ teit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. De gemeente vindt het daarom ook van belang dat nieuwe ontwikkelingen in samenhang met de lintstructuur en land­ schappelijke structuur plaatsvinden. De voorgenomen ontwikkeling versterkt de herkenbaarheid van het lint. Het plan sluit hiermee goed aan op de identiteit van het gebied. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten.

ARCHEOLOGIE Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente Lansingerland een archeologische beleidskaart. De ar­ cheologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toet­ singskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Volgens de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone waar een hoge archeologische verwachting geldt en een onderzoeksplicht voor ingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5 m -MV. Op 14 september 2020 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau- en een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage bij het bestemmingsplan. Op basis van de resultaten van

14/16

het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische resten worden bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen is vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage bij het bestemmingsplan. Tijdens het onderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetrof­ fen. Het verloren gaan van archeologische waarden is daarmee uitgesloten.

3.9

Gezondheid

Uit toetsing van de verschillende milieuthema's op het gebied van leefomgevingskwaliteit en verkeer blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot een belangrijke toename van risico's voor de menselijke gezondheid. Er wordt voldaan aan de normen voor geluid, externe veiligheid en luchtkwaliteit.

3.10 Sloop- en aanlegwerkzaamheden Gelet op de tijdelijkheid van sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten wor­ den. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

3.11 Mitigerende maatregelen Voor de beoogde ontwikkeling zijn geen aanvullende mitigerende maatregelen noodzakelijk.

15/16

4. CONCLUSIES Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een be­ schermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieueffecten. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure is zodoende niet noodzakelijk.

16/16

Bijlage 2

M.e.r.-beoordelingsbesluit

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

Mandaatbesluit

Datum

Behandelend ambtenaar

1 juli 2021 Registratienummer

T21.05772

Onderwerp

M.e.r. beoordelingsbesluit bestemmingsplan "Rottezoom, 2e part.herz. Kruisweg tussen 30 en 44" Ondergetekende, namens burgemeester en wethouders

Overwegende dat -

de gemeente Lansingerland van plan is het bestemmingsplan “Rottezoom, 2e part.herz. Kruisweg tussen 30 en 44” dat de bouw van 4 vrijstaande woningen mogelijk maakt ter inzage te leggen; voor de bouw van woningen in gevolge categorie D11.2 van bijlage D Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordelingsplicht geldt; als bijlage bij de toelichting van het bestemmingsplan een vormvrijwe m.e.r.-beoordeling is toegevoegd; uit de beoordeling is gebleken de aard en omvang van het plan niet leiden tot belangrijke nadelige milieueffecten; dat het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure zodoende niet noodzakelijk wordt geacht.

Gelet op -

het bepaalde in de Wet milieubeheer (artikel 7.16 t/m artikel 7.20) en het Besluit milieueffectrapportage de mandaatregeling Lansingerland 2020

Besluit Dat geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld ten behoeve van de bouw van 4 vrijstaande woningen die met het bestemmingsplan “Rottezoom, 2e part.herz. Kruisweg tussen 30 en 44” mogelijk worden gemaakt. Lansingerland, donderdag 1 juli 2021

Teammanager Omgevingsrecht

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

401372.20200329

CAUBERG HUYGEN

Bezoekadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam Postadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl W http://www.cauberghuygen.nl K.V.K. 58792562 IBAN NL71RABO0112075584

Kruisweg fase II te Bleiswijk, gemeente Lansingerland; akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai

Datum Referentie

8 december 2021 05639-53821 -02v3

Ter vervanging van 05639-53821-02v2 d.d. 17 maart 2021 naar aanleiding van aangepaste bouwvlakken.

CAUBERG HUYGEN

Referentie Rapporttitel

05639-53821-02v3 Kruisweg fase II te Bleiswijk, gemeente Lansingerland; akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai

Datum

8 december 2021

Opdrachtgever

Studio ZE Bovendijk 132 3045 PC ROTTERDAM De heer J. van Elzakker

Contactpersoon

Behandeld door

De heer ing. B. ter Haar Cauberg Huygen B.V. Bezoekadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam Postadres: Hoofdweg 76 3067 GH ROTTERDAM Telefoon 088-5152505

Kruisweg fase II te Bleiswijk, gemeente Lansingerland; akoestisch onderzoek weg- en spoorweglawaai

05639-53821 -02v3 8 december 2021 Pagina 2

CAUBERG HUYGEN

Inhoudsopgave 1

Inleiding

4

2

Wettelijk kader weg- en railverkeerslawaai

5

2.1 2.2 2.2.1 2.2.2 2.2.3 2.3

Situatie Wet geluidhinder Wegverkeerslawaai Spoorweglawaai Cumulatie geluidbelastingen Gemeentelijk beleid

5 5 5 6 6 7

3

Uitgangspunten weg- en railverkeerslawaai

8

3.1.1 3.1.2 3.2 3.3

Algemeen Rekenmethode Verkeersgegevens en schermen Rekenmethode

8 8 11 13

4

Berekeningsresultaten

15

4.1 4.2 4.2.1 4.3 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4 4.3.5 4.4 4.5 4.5.1 4.5.2

Inleiding Spoorweglawaai Spoorwegen HSL en traject Zoetermeer Gouda Wegverkeerslawaai Snelweg A12 (M00 km/uur) N209 Nieuwe Hoefweg (80 km/uur) Zoetermeerselaan en Prismalaan Oost (50 km/uur) Kruisweg (30 km/uur) Gecumuleerde geluidbelasting Samenvatting resultaten en advies aanvraag hogere waarden Beoordeling gemeentelijk beleid Beoordeling geluidluwe buitenruimen (gemeentelijk beleid) Beoordeling Geluidluwe gevels (gemeentelijk beleid)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=30777690-61a2-4002-8b21-dd2a18e46f3e