CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T21.07769 SCP Rapport 'Lang niet Toegankelijk'

Commissie Samenleving 7 oktober 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Controlerende taak van de gemeenteraad ten aanzien van toegankelijkheid - Machiel Crielaard42.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 5

We hanteren hier de logit, een maat die gebruikt kan worden voor het weergeven van verschillen in een dichotome uitkomstvariabele (zoals hier het wel of niet regelmatig bezoeken van een bepaalde plek). Waar de logit nul is, bestaat geen verschil tussen de onderscheiden groepen. Als voorbeeld: wanneer de logit nul is bij de variabele ‘geen betaald werk’ betekent dit dat het aandeel van de deelnemers zonder betaald werk dat de betreffende plek regelmatig bezoekt ongeveer even groot is als onder de deelnemers met betaald werk (gecontroleerd voor de andere kenmerken). Een negatieve logit voor ‘geen betaald werk’ laat zien dat mensen zonder betaald werk minder geneigd zijn de betreffende plek te bezoeken dan mensen met betaald werk; een positieve logit betekent dat zij juist vaker op de plek komen. Welke verschillen we hier als significant en substanti­ eel beschouwen, wordt toegelicht in kader 6.2.

66

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Kader 6.2 Significante en substantiële verschillen Een verschil wordt doorgaans als significant beschouwd als kan worden aangenomen dat het niet op toeval berust. Aansluitend bij gebruikelijke conventies beschouwen we een verschil als significant wanneer de kans dat het gevonden verschil aan toeval toe te schrijven is kleiner is dan 5%. Maar niet elk verschil dat significant is, is ook substantieel ofwel groot genoeg om als betekenisvol beschouwd te worden. In deze analyses drukken we verschillen uit in een logit. Om een idee te geven van de grootte van een logit, rekenen we dit als voorbeeld om in procenten. Stel dat van de panelleden met een lichte beperking 30% een bepaalde plek regelmatig bezoekt. Een logit van -0,5 voor de variabele ‘matig of ernstig beperkt’ zou betekenen dat van de deelnemers met een matige of ernstige beperking 20% deze plek bezoekt. Dit verschil beschouwen we als een substantieel verschil en is in het huidige onderzoek ook meestal significant. Een logit van -0,2 zou betekenen dat van degenen met een matig of ernstige beperking 26% deze plek bezoekt. Dit veel kleinere verschil beschouwen we als niet substantieel en is binnen het huidige onderzoek ook vaak niet significant. Logits tussen de -0,2 en -0,5 (en 0,2 en 0,5) beschouwen we als enigszins substantieel.

Nadat de plekken aan de orde zijn geweest, volgen nog twee verdiepende paragrafen. In paragraaf 6.8 gaan we na of een lichamelijke beperking voor verschillende groepen op verschillende manieren doorwerkt in de kans dat bepaalde plekken bezocht worden. In paragraaf 6.9 verkennen we tot slot verschillen tussen meer en minder stedelijke woon­ omgevingen. Zouden bijvoorbeeld uitgaansgelegenheden toegankelijker kunnen zijn voor stedelingen dan voor plattelandsbewoners met een lichamelijke beperking? 6.2

Openbare plekken in de buurt

Omdat parken, stoepen, natuurgebieden en historische binnensteden ‘van iedereen’ zijn, mag van deze plekken bij uitstek verwacht worden dat zij goed toegankelijk zijn. Daarbij voert vrijwel elk bezoek aan elke plek buitenshuis door de openbare ruimte, waarmee een zelfstandig leven moeilijk voorstelbaar is wanneer deze openbare ruimte voor iemand niet goed toegankelijk is. Dit geldt in het bijzonder voor de directe woonomgeving, die begint waar het eigen huis eindigt en die begaanbaar moet zijn om een luchtje te scheppen, iemand in de buurt te bezoeken en om bijvoorbeeld een supermarkt te bereiken en zo te voorzien in de eigen dagelijkse levensbehoefte.

67

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Tabel 6.1 Bezoek openbare plekken in de buurt naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in procenten)a, b

een supermarkt parken en groenvoorzieningen een brievenbus en/of pinautomaat * a b

mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

90 40 66

84* 28* 61*

66* 23* 50*

= significant verschil met deelnemers met een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). Percentages geven aan hoeveel deelnemers regelmatig of vaker in de buurt een supermarkt, parken en groenvoorzieningen respectievelijk een brievenbus en/of een pinautomaat bezoeken. n = 1689 (supermarkt), 1567 (parken en groenvoorzieningen) respectievelijk 1647 (brievenbus en/of pinautomaat).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Van de deelnemers aan het panel bezoeken de meeste mensen met een lichamelijke beperking regelmatig een supermarkt en begeeft een meerderheid zich regelmatig naar een brievenbus of pinautomaat. Duidelijk minder mensen bezoeken regelmatig een park. Op zichzelf zegt dit meer over het belang van deze plekken in de levens van deelnemers dan over hun toegankelijkheid. Kijken we naar de verschillen tussen de groepen, dan blijkt voor elk van de drie soorten plekken dat mensen met een matige lichamelijke beperking deze plekken minder bezoeken dan mensen met een lichte beperking en mensen met een ernstige beperking nog eens minder (tabel 6.1). Afgelezen aan het gedrag van de deel­ nemers van het panel, lijken deze openbare plekken in de woonomgeving voor mensen met een lichamelijke beperking dus niet zo goed toegankelijk. Als we ook de andere kenmerken bij de analyse betrekken, blijft dit verschil bestaan, zo blijkt uit de negatieve logits (zie figuur 6.1). Om precies te zijn: deelnemers met een matige of ernstige lichamelijke beperking bezoeken vooral de supermarkt en parken substantieel minder vaak dan personen met een lichte beperking wanneer we deze groepen vergelijken bij gelijke waarden op de andere kenmerken. Bij het bezoeken van een pinautomaat of brievenbus is het verschil iets minder substantieel maar wel statistisch significant.

Bekijken we de andere persoonskenmerken, dan lijken deze plekken voor andere groepen die we onderscheiden redelijk goed toegankelijk. Alleen lageropgeleiden komen iets minder vaak in een supermarkt en een park dan hogeropgeleiden. Dat relatief veel alleenwonenden regelmatig een supermarkt dan wel een brievenbus of pinautomaat bezoeken, heeft ver­ moedelijk weinig te maken met toegankelijkheid. Mogelijk hebben zij minder gelegenheid om huishoudelijke taken met anderen te verdelen of meer behoefte aan een ommetje buitenshuis. Dat ouderen vaker een pinautomaat of brievenbus bezoeken, zou te maken kunnen hebben met het mindere gebruik van e-mail en online bankieren.

68

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Figuur 6.1 Verschillen in bezoek aan openbare plekken in de buurt, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 supermarkt

a

-0,5

0

0,5

park of groenvoorziening

1

1,5

brievenbus of pinautomaat

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, alleen wonen en opleidingsniveau (supermarkt), lichamelijke beperking, leeftijd en opleidingsniveau (park en groenvoorziening) en licha­ melijke beperking, leeftijd en alleen wonen (pinautomaat of brievenbus) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

6.3

Publieke voorzieningen

Met de term publieke voorzieningen doelen we op plekken die gefinancierd zijn uit publieke middelen en die veelal publieke doelen dienen. Hoewel het ook kan gaan om overheidsgebouwen, waar mensen bijvoorbeeld komen voor administratieve handelingen, bekijken we hier het bezoek aan plekken met een meer sociale functie: het buurthuis en de bibliotheek. Op deze plekken worden vaak activiteiten georganiseerd gericht op doel­ groepen voor wie participatie minder vanzelfsprekend is dan voor andere doelgroepen.

69

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Tabel 6.2 Bezoek publieke voorzieningen naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg (2018-2019) en ozg (2014-2016) (in procenten)a, b

een bibliotheek een buurthuis een buurthuis, gemeenschapshuis, dorpshuis of dienstencentrum * . a

b

mensen zonder lichamelijke beperking

mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

. . 15*

15 8 22

11* 10 28*

8* 9 29*

= significant verschil met mensen met een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). = cijfers ontbreken omdat aan het npcg geen personen zonder lichamelijke beperking deelnemen. Percentages in de bovenste twee rijen geven aan hoeveel deelnemers regelmatig of vaker in de buurt een bibliotheek respectievelijk een buurthuis bezoeken. De derde rij geeft het percentage mensen weer dat ‘ja’ antwoordde op de vraag: ‘Bezoekt u wel eens een buurthuis, gemeenschapshuis, dorpshuis of dienstencentrum?’ n = 1559 (bibliotheek), 1555 (buurthuis) respectievelijk 7658 (buurthuis, gemeenschapshuis, dorpshuis of dienstencentrum).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking; scp/cbs (ozg’14, ’15, ’16)

Anders dan bij de plekken in de openbare ruimte, bezoeken maar weinig deelnemers van het panel regelmatig een buurthuis of bibliotheek (tabel 6.2). Dat in het ozg het aandeel personen dat een buurthuis bezoekt hoger ligt, heeft in ieder geval voor een deel te maken met de ruimere vraagstelling. Toch bevestigen ook deze cijfers dat de meeste mensen (vrijwel) nooit een voorziening als een buurthuis bezoeken. Kijken we naar de verschillen, dan zien we bij de bibliotheek dat mensen met ernstiger beperkingen minder geneigd zijn hier te komen, wat zou kunnen wijzen op ontoegankelijk­ heid. Buurthuizen vormen een uitzondering op de regel: zij worden niet minder bezocht door deelnemers met ernstiger beperkingen. De cijfers van het ozg bevestigen dit en laten zelfs een stijgend verband zien: onder de mensen die te maken hebben met matige of ernstige lichamelijke beperkingen is het aandeel dat wel eens een buurthuis bezoekt groter dan onder degenen met een lichte beperking en al helemaal dan onder mensen zonder beperking.

Dit patroon is overigens voor meer dan de helft toe te schrijven aan de hogere leeftijd van mensen met ernstiger beperkingen.1 Als we de andere kenmerken bij de analyse betrekken, zien we opnieuw dat mensen met een ernstiger lichamelijke beperking minder een bibliotheek bezoeken en komt het buurthuis opnieuw naar voren als goed toegankelijk voor mensen met een lichamelijke beperking (figuur 6.2).

70

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Figuur 6.2 Verschillen in bezoek aan buurthuis en bibliotheek door volwassenen met een lichamelijke beperking naar zes persoonskenmerken, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 buurthuis

a

-0,5

0

0,5

1

1,5

bibliotheek

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, sekse, opleidingsniveau en betaald werk (bibliotheek) en alleen wonen (buurthuis) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Ook bij de andere kenmerken zien we wel duidelijke verschillen tussen groepen bij het bezoek aan de bibliotheek, maar niet als het gaat om het buurthuis. Bibliotheken worden relatief vaak bezocht door vrouwen en mensen zonder betaald werk, maar juist door wei­ nig deelnemers met een laag opleidingsniveau. Buurthuizen worden alleen vaker bezocht door alleenwonenden. De schijnbaar goede toegankelijkheid van buurthuizen sluit aan bij de sociale doelstellingen, maar kan ook wijzen op ontoegankelijkheid van andere plekken.2 6.4

Plekken om te sporten

Vanwege de fysieke aard van sporten vragen toegankelijke sportvoorzieningen – meer nog dan andere plekken – om aanpassingen. Hoewel veel mensen het als vanzelfsprekend 71

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

ervaren dat iedereen moet kunnen sporten, voert maar een vijfde van de verenigingen actie om de toegankelijkheid te verbeteren (Pulles et al. 2020). Mensen met een lichame­ lijke beperking sporten dan ook minder dan mensen zonder lichamelijke beperking en het aandeel van hen dat sport neemt, anders dan onder de algemene bevolking, ook niet toe (Van den Dool en Van Lindert 2018). Tabel 6.3 Bezoek sportvoorzieningen naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in procenten)a, b mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

29 11 16

24* 11 11*

12* 5* 4*

een sportclub een zwembad een sporthal * a

b

= significant verschil met mensen met een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). Percentages bij de categorie ‘een sportclub’ geven aan hoeveel deelnemers maandelijks of vaker sporten in georganiseerd verband of een vereniging. De volgende twee rijen geven het percentage aan dat regelmatig of vaker in de buurt een zwembad respectievelijk een sporthal bezoekt. n = 1616 (sportclub), 1618 (zwembad) respectievelijk 1616 (sporthal).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Ook de hier bekeken sportvoorzieningen worden door vrij weinig deelnemers bezocht (tabel 6.3). Een kleine minderheid van de mensen met een lichamelijke beperking bezoekt regelmatig een sporthal of een zwembad. Bekijken we de sportclubs (waaronder zowel verenigingen als sportscholen en andere georganiseerde verbanden gerekend worden) dan ligt het aandeel iets hoger, maar gaat het nog altijd om een minderheid. Dat deze typen plekken weinig bezocht worden, wil overigens niet zeggen dat mensen met een lichamelijke beperking weinig sporten. Individuele sporten, zoals fietsen, worden hier niet meegenomen maar kunnen vanzelfsprekend ook voor beweging zorgen. Kijken we naar de verschillen tussen mensen met een lichte, matige en ernstige beperking dan blijken deze aanzienlijk, wat erop kan wijzen dat de toegankelijkheid van deze plekken voor personen met een ernstige beperking niet goed is. Bekijken we het verschil tussen deelnemers met meer of minder ernstige lichamelijke beperkingen terwijl we dit controle­ ren voor de andere kenmerken in de analyse, blijft duidelijk naar voren komen dat mensen met ernstiger beperkingen duidelijk minder vaak sporten in georganiseerd verband en minder vaak een sporthal bezoeken. Voor zwembaden is het verschil niet significant, maar dit kan te maken hebben met het samennemen van mensen met een matige en een ernstige beperking.

Bij de andere kenmerken valt vooral op dat deelnemers met een laag opleidingsniveau minder vaak een sportclub dan wel een sporthal bezoeken dan mensen met een hoger opleidingsniveau (zie figuur 6.3). Ook in de algehele bevolking sporten mensen meer naarmate zij een hoger opleidingsniveau hebben (Wennekers et al. 2019). Verder zien we 72

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

dat vrouwen ook deze plekken veel vaker bezoeken dan mannen, met uitzondering van de sporthal. Figuur 6.3 Verschillen in bezoek aan sportvoorzieningen door volwassenen met een lichamelijke beperking naar zes persoonskenmerken, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 sportclub

a

-0,5

0

sporthal

0,5

1

1,5

zwembad

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, sekse en opleidingsniveau (sportclub), lichamelijke beperking en opleidingsniveau (sporthal) en sekse (zwembad) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

6.5

De civil society

Onder de civil society, ofwel de burgermaatschappij, wordt het deel van de samenleving verstaan dat zich bevindt tussen de markt, de staat en de privésfeer. Het gaat hierbij om de georganiseerde verbanden waarin mensen zich vrijwillig met elkaar verbinden vanuit een gemeenschappelijk doel of ideaal (Dekker 2002). In de vorige paragraaf kwamen sportverenigingen al aan de orde, samengenomen met andere sportclubs. Hier bekijken we het bezoeken van religieuze bijeenkomsten, bijvoorbeeld in een kerk, moskee of ander 73

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

gebouw, en het bezoeken van verenigingen waar mensen creatieve hobby’s beoefenen, zoals een koor, een schildercursus of een toneelgezelschap. Ook bekijken we sociale ver­ banden in de buurt. Het kan dan gaan om deelname aan een buurtvereniging of -initiatief, maar evengoed om ongeorganiseerde contacten. Waar we het eerder over fysieke plekken hadden, ligt de nadruk in de civil society dus meer op de groepen mensen die elkaar kunnen ontmoeten op verschillende plekken. Dit neemt niet weg dat ook deze sociale verbanden en de plekken waar deze groepen samenkomen meer of minder toegankelijk kunnen zijn. Als een van de functies van de civil society wordt wel het verbinden van mensen en groepen gezien (Dekker 2002). Daarbij biedt de civil society gelegenheid tot vrijwilligerswerk, wat voor mensen voor wie betaalde arbeid om welke reden dan ook niet haalbaar is, een waardevol alternatief kan zijn. Maar dat neemt niet weg dat ook in de civil society in- en uitsluitingsmechanismen aan het werk zijn, die vaak hardnekkiger zijn dan de openlijke welwillendheid om diversiteit te bevorderen zou doen vermoeden (Spaaij et al. 2019). Juist het wij-gevoel of de groepscultuur die als onmisbaar element beschouwd worden in veel verenigingen, brengen met zich mee dat er ook mensen zullen zijn die zich daarbij minder thuis voelen (Duyvendak en Wekker 2015).

Tabel 6.4 Deelname aan sociale verbanden in de civil society naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in procenten)a, b

ontmoeting met buren creatieve verenigingen religieuze bijeenkomsten * a

b

mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

85 22 14

78* 23 16

76* 16* 14

= significant verschil met mensen een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). Percentages geven weer hoeveel deelnemers maandelijks of vaker buren of mensen uit de straat ontmoeten, deelnemen aan verenigingen, zoals een zang-, muziek-, toneel- of hobbyvereniging dan wel aan religieuze bijeenkomsten. n = 1673 (ontmoeting met buren), 1645 (creatieve verenigingen) respectievelijk 1639 (religieuze bijeenkomsten).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Verreweg de meeste deelnemers hebben maandelijks of vaker contacten met buren (tabel 6.4). Dit betekent nog niet dat ook veel mensen goed contact hebben of betrokken­ heid bij elkaar voelen, maar het illustreert wel dat buren voor veel mensen bij hun leven horen. Creatieve verenigingen en religieuze bijeenkomsten worden door duidelijk minder mensen bezocht. Verschillen tussen mensen met een lichte, matige en ernstige beperking zijn op het eerste gezicht niet heel uitgesproken, maar wel aanwezig in het contact met buren en deelname aan creatieve verenigingen. Bij religieuze bijeenkomsten bestaat dit verschil niet: het aan­ deel mensen dat maandelijks of vaker een religieuze bijeenkomst bezoekt, is even groot 74

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

onder mensen met een lichte, matige dan wel een ernstige beperking. Bekijken we de relatieve verschillen waarbij ook de andere kenmerken in de analyses zijn opgenomen (figuur 6.4), dan zien we dat mensen met matige en ernstige beperkingen vooral duidelijk minder contact met buren hebben, wat aangeeft dat de sociale netwerken in de buurt mogelijk niet zo toegankelijk zijn voor mensen met matige en ernstige beperkingen. Voor creatieve verenigingen geldt dit niet meer. Mogelijk raakte het aanvankelijke verschil tussen mensen met een matige en ernstige beperking (tabel 6.4) door het samennemen van deze groepen buiten beeld. Voor de religieuze verbanden bleek opnieuw geen relatie te vinden tussen de ernst van de lichamelijke beperking en het bezoek aan religieuze bijeenkomsten. Figuur 6.4 Verschillen in bezoek aan sociale verbanden in de civil society door volwassenen met een lichamelijke beper­ king naar zes persoonskenmerken, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 buren

a

-0,5

0

creatieve vereniging

0,5

1

1,5

religieuze bijeenkomst

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, leeftijd (buren), leeftijd en sekse (religieuze bijeenkomsten) en leeftijd, sekse en opleidingsniveau (creatieve vereniging) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

75

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Duidelijk is verder dat oudere panelleden in elk van de drie verbanden vaker deelnemen dan panelleden jonger dan 60 jaar. Dit sluit aan bij bestaande patronen in de algehele bevolking (cbs 2020; De Hart en Van Houwelingen 2018). Het zou niet reëel zijn dit verschil geheel toe te schrijven aan ontoegankelijkheid van deze sociale verbanden voor jonge mensen (binnen het panel), want interesse in de hier bevraagde activiteiten zal ook mee­ spelen. Daarbij zullen andere activiteiten mogelijk onder jongere groepen populairder zijn. Aan de andere kant kan niet uitgesloten worden dat de civil society voor jongere mensen met een lichamelijke beperking minder toegankelijk is, bijvoorbeeld doordat ouderen de toon zetten en jongere groepen zich minder thuis voelen. Tot slot zien we ook hier dat vrouwen meer plekken bezoeken dan mannen: zij hebben even vaak contact met buren, maar vrouwen zijn vaker te vinden op een religieuze bijeenkomst en bij creatieve vereni­ gingen. 6.6

Uitgaansgelegenheden

Voor de mogelijkheid uit te gaan zijn zowel plekken in de horeca als culturele instellingen relevant. Mensen komen op deze plekken om lekker te eten en te drinken, een film of een voorstellingen te bekijken of iets anders bijzonders mee te maken. Daarnaast heeft uitgaan een belangrijke sociale functie. Dat uitgaan ervaren kan worden als een luxe, neemt niet weg dat uitgaansgelegenheden even toegankelijk moeten zijn voor personen met een lichamelijke beperking als voor personen zonder. We bekijken hier het bezoek aan cafés of restaurants, het bezoek aan bioscopen of theaters en het bezoek aan musea of attracties. Elk van deze drie typen plekken wordt maandelijks of vaker bezocht door een flink deel van de deelnemers (tabel 6.5). De verschillen tussen mensen met een lichte, matige en ernstige beperking zijn echter aanzienlijk: terwijl van de personen met een lichte beperking de helft regelmatig een bioscoop of theater bezoekt, is dat onder mensen met een ernstige beperking maar een kwart. Voor het bezoek aan horeca en aan musea en attracties gelden vergelijkbare cijfers. Tabel 6.5 Bezoek uitgaansgelegenheden naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in procenten)a, b

een restaurant of café een bioscoop of theater een attractie of museum * a b

mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

46 50 56

33* 40* 42*

26* 25* 26*

= significant verschil met mensen een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). Percentages geven weer hoeveel deelnemers maandelijks of vaker uitgaan naar een restaurant of café, uitgaan naar een bioscoop of theater dan wel een attractie of museum bezoeken. n =1654 (restaurant of café), 1649 (bioscoop of theater) respectievelijk 1622 (attractie of museum).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

76

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Figuur 6.5 Verschillen in bezoek aan uitgaansgelegenheden door volwassenen met een lichamelijke beperking naar zes persoonskenmerken, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 restaurant of café

a

-0,5

0

0,5

bioscoop of theater

1

1,5

museum of attractie

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, sekse, opleidingsniveau en betaald werk (restaurant of café), lichamelijke beperking, sekse, alleen wonen, opleidingsniveau en betaald werk (bioscoop of theater) en lichamelijke beperking, opleidingsniveau en betaald werk (museum of attractie) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Ook wanneer de andere kenmerken in de analyses worden opgenomen, zien we duidelijk dat mensen met een matige of ernstige beperking substantieel minder uitgaansgelegen­ heden bezoeken dan mensen met een lichte beperking. Dat kan betekenen dat deze plek­ ken voor hen niet goed toegankelijk zijn. Daarnaast zien we twee andere kenmerken die, binnen de hier onderzochte groep, ten koste gaan van uitgaan: een laag opleidingsniveau en het niet hebben van betaald werk. Bij de eerdere plekken zagen we dat de twee factoren maar weinig invloed hadden op het bezoek van plekken en daarbij in tegengestelde rich­ ting: waar een laag opleidingsniveau over de hele linie licht negatief uitwerkte, werkte het niet hebben van betaald werk eerder positief uit. Dat laatste zou te maken kunnen hebben 77

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

met de beschikbaarheid van tijd. Hier hebben beide factoren een substantiële negatieve relatie met het bezoeken van uitgaansgelegenheden. Het is waarschijnlijk dat financiële mogelijkheden hierbij een rol spelen. 6.7

Online ontmoeten

Tot slot kijken we naar online ontmoetingsplekken, die een steeds groter deel van het sociaal verkeer uitmaken. Hoewel online plekken niet voor iedereen even toegankelijk zijn, zouden zij voor veel mensen met een lichamelijke beperking een uitkomst kunnen zijn. Minder dan de helft van de deelnemers geeft aan maandelijks of vaker online contact te hebben met anderen, via sociale netwerksites als Facebook of bijvoorbeeld via WhatsApp of een forum (tabel 6.6). Dit opvallend lage aandeel in vergelijking met de gehele Neder­ landse bevolking is mogelijk gedeeltelijk te verklaren door het feit dat mensen met een lichamelijke beperking relatief oud zijn en ouderen minder vaak of uitgebreid online actief zijn (Schraper et al. 2019). Het aandeel mensen dat online contact zocht met lotgenoten ligt duidelijk nog lager. Tabel 6.6 Bezoek online plekken naar ernst lichamelijke beperking, deelnemers aan het npcg, 2018-2019 (in procenten)a, b

online contact online contact gezocht met lotgenoten * a

b

mensen met een lichte beperking

mensen met een matige beperking

mensen met een ernstige beperking

41 7

45 9

45 8

= significant verschil met mensen een lichte beperking (z-toets, p < 0,05). Bij ‘online contact’ geven percentages het deel van de deelnemers weer dat minimaal een van de volgende zaken maandelijks of vaker deed: (1) sociale netwerksites bezocht, zoals Facebook, Twitter, Instagram of LinkedIn, (2) nieuwe mensen leren kennen via internet, (3) gechat (bijvoorbeeld via Facebook of WhatsApp) of een forum bezocht. Bij ‘online contact gezocht met lotgenoten’ gaat het om het percentage deelnemers dat maandelijks of vaker online contact heeft gezocht met andere mensen met een lichamelijke beperking of chronische ziekte. n = 1372 (online contact) respectievelijke 1388 (online contact gezocht met lotgenoten).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Verschillen tussen mensen met een lichte, matige of ernstige lichamelijke beperking zijn er op het eerste gezicht niet. Bekijken we deze verschillen terwijl we voor de andere kenmerken controleren, dan zien we dat personen met een matige of ernstige beperking zelfs iets vaker online contact hebben dan mensen met lichte beperkingen (figuur 6.6). Dit suggereert dat online contactmogelijkheden in het algemeen goed toegankelijk zijn, maar aanvullende verklaringen zijn denkbaar. Mogelijk maakt de ernstige beperking online contact relatief aantrekkelijk, als compensatie voor het niet kunnen bezoeken van andere, slecht toegankelijke plekken. Verder zien we dat ouderen minder vaak online ontmoeten, 78

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

wat er waarschijnlijk mee te maken heeft dat zij minder vertrouwdheid hebben met digi­ tale communicatie dan jongere generaties. Verder blijkt dat vrouwen ook online plekken vaker bezoeken dan mannen. Tot slot zien we dat mensen die geen betaald werk hebben minder vaak online ontmoetingsplekken bezoeken, maar wel wat meer interesse lijken te hebben in het ontmoeten van lotgenoten (niet significant). Figuur 6.6 Verschillen in bezoek aan online ontmoetingsplekken door volwassenen met een lichamelijke beperking naar zes persoonskenmerken, 2018-2019 (in logits)a

lichte beperking

matige of ernstige beperking

jonger dan 60 jaar

60 jaar of ouder

man

vrouw

samenwonend

alleenwonend

gemiddelde of hoge opleiding

lage opleiding

geen betaald werk

scp.nl

betaald werk

-1,5

-1 online contact

a

-0,5

0

0,5

1

1,5

online contact met lotgenoten

Verschillen zijn significant (p < 0,05) voor lichamelijke beperking, leeftijd, sekse, betaald werk (online contact), leeftijd en sekse (online contact met lotgenoten) (zie tabel A.2 in bijlage A).

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

6.8

Intersecties: groepen binnen de groep

In het voorafgaande kwam al een aantal interessante verschillen naar voren tussen groe­ pen. Zo zagen we dat lageropgeleiden op veel plekken minder komen. In vergelijking met deelnemers die een hoger opleidingsniveau afrondden, komen minder laagopgeleiden 79

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

regelmatig in een park, bibliotheek, sporthal, sportclub, horecagelegenheid, bioscoop of theater, en museum of attractie. Ook hebben zij minder contact met buren. Dit geldt ook voor mannen. In vergelijking met vrouwelijke deelnemers bezoeken minder mannen regelmatig een bibliotheek, zwembad, sportclub, hobbyvereniging, religieuze bijeenkomst, horecagelegenheid, bioscoop of theater, of een online ontmoetingsplek. We weten nu niet of dit iets zegt over mensen in het algemeen, of dat dit groepen zijn die specifiek onder mensen met een lichamelijke beperking veel ontoegankelijkheid ervaren. In dat laatste geval zou de uitsluiting vooral de intersectie treffen, dus mensen met een lichamelijke beperking én een laag opleidingsniveau en mannen met een lichamelijke beperking. Omdat het gebruikte databestand geen gegevens bevat over mensen zonder lichamelijke beperking, gebruiken we opnieuw de relatie met de ernst van de beperking als indicatie. Als bijvoorbeeld vooral de combinatie van een lage opleiding en een matige of ernstige lichamelijke beperking met zich meebrengt dat mensen plekken minder bezoeken, concluderen we dat een (ernstige) lichamelijke beperking vooral voor deze groep gepaard gaat met belemmeringen bij het bezoeken van plekken. Om de intersecties te verkennen beginnen we met het construeren van een samenvattende variabele voor het aantal soorten plekken dat mensen bezoeken.

Dit doen we door de plekken die mensen bezoeken op te tellen. Deze variabele heeft dus een waarde nul voor personen die geen van de hierboven besproken plekken regelmatig dan wel maandelijks of vaker bezoeken en een waarde zestien voor wie elk van deze plekken bezoekt. Met inter­ actietermen onderzoeken we nu of de effecten van de aanvullende persoonskenmerken (leeftijd, sekse, alleen wonen, opleidingsniveau en betaald werk hebben) afhangen van de ernst van de lichamelijke beperking (zie tabel A.3 in bijlage A). Van de vijf interactietermen zijn er twee significant, maar niet de interactie van ernst van de beperking met het opleidingsniveau en ook niet die met sekse. Hoewel we dus zagen dat mannen en deelnemers met een laag opleidingsniveau op veel plekken minder komen dan anderen, lijkt het niet zo dat een ernstige lichamelijke beperking het bezoeken van plekken juist voor deze groepen sterker bemoeilijkt. Wat we wel zagen, is dat de ernst van het de beperking relatief sterk ten koste gaat van het aantal plekken dat mensen bezoeken onder ouderen (figuur 6.7). Onder de jongere deelnemers aan het panel (jonger dan 60 jaar) bezoeken degenen met een ernstige beperking gemiddeld 1,3 plekken minder dan degenen met een lichte beperking; onder de deelnemers van 60 jaar en ouder is dat verschil 1,9 plekken.

Kijken we naar de specifieke plekken waar het over gaat, dan zien we dat de combinatie van een matige/ ernstige beperking met een hoge leeftijd vooral ten koste gaat van het bezoek aan een sportclub, supermarkt en musea en attracties (zie tabel A.4 in bijlage A). Het is denkbaar dat toegankelijkheid hier een rol speelt. Mogelijk zijn er bijvoorbeeld wel sportclubs die zich richten op vitale ouderen en sportclubs die maatwerk willen leveren voor jongere mensen met ernstige beperkingen, maar valt deze doelgroep tussen de wal en het schip. Maar ook andere verklaringen zijn denkbaar: ouderen met een ernstige beperking zouden bijvoorbeeld minder moeite kunnen doen om barrières te overbruggen omdat zij ‘hun tijd gehad hebben’ en genoegen nemen met activiteiten die voor hen wel goed toegankelijk 80

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

zijn. Ook krijgen zij mogelijk meer hulp bij het boodschappen doen of vinden zij het minder vervelend om dit te moeten accepteren. Figuur 6.7 Aantal soorten bezochte plekken naar leeftijd en ernst beperking, 2018-2019 (in gemiddeld aantal plekken)a 6

5

4

3

2

scp.nl

1

0 licht jonger dan 60 jaar

a

matig

ernstig

60 jaar of ouder

Gecontroleerd voor sekse, alleen wonen, opleidingsniveau en het hebben van betaald werk.

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Ten tweede zagen we dat een ernstige beperking relatief sterk ten koste gaat van het aantal bezochte plekken onder mensen zonder betaald werk (figuur 6.8). Eerder zagen we dat deelnemers zonder werk vooral andere plekken bezoeken: zij bezoeken minder uitgaansgelegenheden, maar komen vaker in een park, bibliotheek of bij een hobbyclub en hebben meer contact online en met buren. Verklaringen hiervoor kunnen ermee te maken hebben dat mensen zonder betaald werk vaak minder geld maar meer tijd zullen hebben. Hier zien we dat onder degenen zonder betaald werk deelnemers met een ernstige beper­ king 1,8 plekken minder bezoeken dan deelnemers met een lichte beperking, terwijl dit onder degenen met betaald werk maar 0,9 is. Nadere analyses laten zien dat de ernst van de lichamelijke beperking onder degenen zonder betaald werk vooral afbreuk doet aan het bezoek aan uitgaansgelegenheden, plekken waar zij dus al weinig kwamen.

81

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Figuur 6.8 Aantal bezochte plekken naar het hebben van betaald werk en ernst beperking, 2018-2019 (in gemiddeld aantal plekken)a 6

5

4

3

2

scp.nl

1

0 licht betaald werk

a

matig

ernstig

geen betaald werk

Gecontroleerd voor sekse, leeftijd, opleidingsniveau en huishoudenssamenstelling.

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

Tot slot lichten we alleenwonenden uit. Het is niet zo dat een ernstige beperking onder hen meer ten koste gaat van het aantal plekken dat zij bezoeken dan onder degenen die samenwonen. Maar het heeft voor hen wel andere gevolgen voor de plekken die zij bezoeken. Onder alleenstaanden gaat een ernstige beperking meer ten koste van het bezoek aan een sportclub dan onder samenwonenden. Dit zou kunnen betekenen dat een partner of andere huisgenoot de gang naar een sportclub kan vergemakkelijken, bijvoorbeeld door mee te gaan of iemand te stimuleren. Maar hier staat tegenover dat onder alleenstaanden een ernstige beperking juist met zich meebrengt dat zij vaker naar een buurthuis gaan. Dit interactie­effect kwam naar voren in beide databestanden (zie tabel A.4 en A.8 in bijlage A). Omdat het ozg voor het bezoek aan buurthuizen meer waarnemingen bevat, waaronder ook van personen zonder beperking, tonen we een figuur op basis van dit bestand (figuur 6.9).

82

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Figuur 6.9 Bezoek buurthuis naar lichamelijke beperking en al dan niet samenwonen, 2014-2016 (in procenten)a 30

25

20

15

10

scp.nl

5

0 geen beperking woont samen

a

lichte beperking

matige beperking

ernstige beperking

woont alleen

Gecontroleerd voor leeftijd, sekse, migratieachtergrond, inkomen, opleidingsniveau en het al dan niet hebben van betaald werk.

Bron: scp/cbs (ozg’14, ’15, ’16)

6.9

Weinig verschillen tussen stad en land

Tot slot kijken we naar de verschillen tussen meer en minder stedelijke woonmilieus in de relatie tussen het hebben van een lichte, matige of ernstige lichamelijke beperking en het bezoek aan plekken.3 Ook hier veronderstellen we dat deze relatie een indicatie geeft van de toegankelijkheid van plekken voor mensen met een lichamelijke beperking. We onderzoeken daar met andere woorden mee of er verschil bestaat tussen meer en minder stedelijke woonmilieus in de toegankelijkheid van bepaalde typen plekken. Om een algemeen beeld te krijgen, beginnen we opnieuw met de variabele waarvoor we de plekken optelden. Wanneer we de relatie met stedelijkheid onderzoeken, waarbij we controleren voor de andere individuele kenmerken, zien we geen significant verschil. Ook wanneer we vervolgens met een interactieterm onderzoeken of de invloed van de ernst van de lichamelijke beperking op het bezoeken van plekken afhangt van de stedelijkheid van het woonmilieu, vinden we geen significant verschil (zie tabel A.5 in bijlage A). In het algemeen lijkt het voor mensen met een lichamelijke beperking dus weinig uit te maken of zij in een meer stedelijke of een meer landelijke gemeente wonen. Kijken we naar afzonderlijke plekken, dan komen wel kleine verschillen naar voren (zie tabel A.6 in bijlage A). Naarmate het woonmilieu stedelijker is, bezoekt een iets groter 83

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

deel van de deelnemers een park, een supermarkt, een café of restaurant en een theater of bioscoop. Het grotere aanbod van deze voorzieningen speelt hierbij waarschijnlijk een rol. Maar hoe goed zijn deze plekken toegankelijk voor mensen met de meest ernstige beperkingen? Of de relatie tussen de ernst van de beperking en het bezoek aan specifieke plekken verschilt tussen woonmilieus, lezen we opnieuw af aan een toegevoegde interac­ tieterm. Voor de meeste soorten plekken is dit niet het geval, waarmee dus ook de meest ernstig beperkte deelnemers voor de genoemde plekken een licht voordeel ervaren van stedelijkheid. Echter, voor het bezoek aan bioscopen en theaters is het verschil tussen mensen met lichte, matige en ernstige beperkingen relatief groot in de sterk stedelijke woonmilieus. Hoewel personen met een lichte beperking vaker naar een bioscoop of theater gaan wanneer zij stedelijker wonen, geldt dit niet voor mensen met een matige of ernstige beperking. Dit lijkt erop te wijzen dat voor personen met een relatief ernstige lichamelijke beperking bioscopen en theaters niet meer toegankelijk zijn naarmate zij meer stedelijk wonen (zie figuur 6.10). Let wel, voor cafés en restaurants, supermarkten en parken bestaat dit verschil niet en profiteren mensen met meer ernstige beperkingen dus evengoed mee van het (kleine) stedelijke voordeel.

Figuur 6.10 Bezoek bioscoop en theaters naar lichamelijke beperking en stedelijkheid woonmilieu, 2018-2019 (in procenten)a 70 60 50 40 30 20

scp.nl

10 0 niet stedelijk lichte beperking

a

weinig stedelijk

matig stedelijk

matige beperking

stedelijk

sterk stedelijk

ernstige beperking

Gecontroleerd voor leeftijd, sekse, alleen wonen, opleidingsniveau en het al dan niet hebben van betaald werk.

Bron: Nivel (npcg’18, ’19) scp-bewerking

84

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

Op het platteland is het buurthuis een plek voor iedereen Wat betreft het bezoek aan buurthuizen kwam in het ozg, waaraan dus ook mensen zonder een beperking deelnamen, nog een ander patroon naar voren. Bewoners van landelijke gemeenten bleken in het algemeen duidelijk vaker naar een buurthuis te gaan dan bewoners van stedelijke gemeenten. Dit sluit aan bij het bekende beeld dat buurt- en dorpshuizen op het platteland een belangrijkere plek in de sociale infrastructuur innemen dan in steden (Steenbekkers en Vermeij 2013). Een plausibele verklaring hiervoor is dat onder stedelingen minder animo bestaat voor het bezoeken van een buurthuis omdat de stad zoveel meer andere plekken te bieden heeft. Figuur 6.11 Bezoek buurthuis, gemeenschapshuis, dorpshuis of dienstencentrum naar lichamelijke beperking en stede­ lijkheid, 2014-2016 (in procenten)a 35 30 25 20 15 10

scp.nl

5 0 niet stedelijk

weinig stedelijk

geen beperking

a

lichte beperking

matig stedelijk

stedelijk

sterk stedelijk

matige of ernstige beperking

Gecontroleerd voor leeftijd, sekse, migratieachtergrond, laag inkomen, laag opleidingsniveau en het al dan niet hebben van betaald werk.

Bron: scp/cbs (ozg’14, ’15, ’16)

Maar bekijken we de interactie tussen stedelijkheid en het hebben van een lichamelijke beperking, dan zien we dat de relatie tussen het buurthuisbezoek en stedelijkheid afhangt van het al dan niet hebben van een lichamelijke beperking. Bij mensen met een matige of ernstige lichamelijke beperking zijn de verschillen tussen de woonmilieus weinig uit­ gesproken (figuur 6.11). Vooral mensen die geen lichamelijke beperking hebben, komen vaker in een buurthuis in de landelijke gemeenten. Dit zou erop kunnen wijzen dat buurthuizen in dunbevolkte gemeenten een meer algemene ontmoetingsfunctie hebben, 85

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

waarbij zij niet altijd goed toegankelijk zijn voor bewoners met een ernstige beperking (afgelezen aan het feit dat deze groep het buurthuis hier minder bezoekt). In stedelijke gemeenten zou het buurthuis zich vaker kunnen richten op specifieke doelgroepen. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat dorpelingen in het algemeen weinig alternatieven hebben voor ontmoetingen dicht bij huis, terwijl dit onder stedelingen alleen zo is voor degenen voor wie andere plekken niet goed toegankelijk zijn. 6.10 Conclusie: grote verschillen in toegankelijkheid In dit hoofdstuk onderzochten we de relatie tussen het hebben van een lichamelijke beperking en het bezoeken van verschillende typen plekken. Dat deze relatie overwegend negatief is, toont het gegeven dat veel plekken voor mensen met een ernstige lichamelijke beperking niet goed toegankelijk zijn en dat ook vervoer en ontbrekende hulpmiddelen mensen met een lichamelijke beperking vaak verhinderen veel plekken te bezoeken (zie hoofdstuk 4 en 5). Er zijn natuurlijk vele redenen denkbaar waarom iemand wel of niet naar een plek zou gaan, die bijvoorbeeld te maken hebben met smaak, beschikbare tijd of afspraken binnen het huishouden. Maar er zijn weinig redenen te geven die deze negatieve relatie kunnen verklaren, anders dan dat deze plekken voor mensen met lichamelijke beperkingen niet goed toegankelijk zijn.

Naast deze algemene conclusie kwam in dit hoofdstuk een aantal duidelijke verschillen tussen soorten plekken naar voren. Als opmaat voor de kwalitatieve hoofdstukken die hierna volgen zetten we de belangrijkste verschillen nu op een rijtje. Voor een aantal soorten plekken blijkt het onderzochte verband sterk negatief, waaruit we opmaken dat deze plekken waarschijnlijk slecht toegankelijk zijn voor mensen met een matige of ernstige lichamelijke beperking. Dit is het geval voor plekken waar mensen sporten en voor uitgaansgelegenheden. Uit eerder onderzoek kwam de toegankelijkheid van horecagelegenheden als problematisch naar voren, maar bleken theaters en bioscopen relatief toegankelijk (Meijer et al. 2019). Dat ook het niet hebben van betaald werk en een laag opleidingsniveau ervoor zorgen dat mensen veel minder uitgaan, suggereert dat financiële barrières een grote rol spelen, maar dat verklaart niet het grote verschil tussen mensen met lichte, matige en ernstige beperkingen. Voor andere plekken blijkt het verband iets zwakker, maar wel duidelijk aanwezig. Zo blijken mensen met ernstiger lichamelijke beperkingen relatief weinig gebruik te maken van de openbare ruimte in de buurt, waaronder hier ook de supermarkt werd gerekend. Dit is opmerkelijk omdat juist van deze nabije plekken verwacht zou kunnen worden dat zich er maar weinig fysieke of sociale barrières voordoen.

Een duidelijk verband treffen we ook aan in relatie tot de bibliotheek en het contact met buren. Dat relatief veel mensen met ernstige lichamelijke beperkingen geen contact met hun buren hebben, weerspreekt het beeld van de buurt als sociaal vangnet (zie ook Jager-Vreugdenhil 2012). Naast de vele plekken waar mensen met een ernstiger beperking minder komen, blijken er ook plekken te zijn waar dit niet het geval is en die daarmee goed toegankelijk lijken voor mensen met een lichamelijke beperking. Dit geldt ten eerste voor buurthuizen. Vooral 86

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

alleenstaanden met een lichamelijke beperking gaan relatief vaak naar een buurthuis. Hiermee lijken buurthuizen laagdrempelige gelegenheden voor contact te bieden aan per­ sonen die anders wellicht thuis hadden gezeten. Bedacht moet worden dat de schijnbare toegankelijkheid van het buurthuis ook kan wijzen op ontoegankelijkheid van andere plekken. In plattelandsgemeenten gaan mensen zonder lichamelijke beperking beduidend vaker naar een buurt- of dorpshuis dan in steden; ook dit kan het gevolg zijn van de beperkte alternatieven die zij hebben dicht bij huis. Ook vonden we geen negatieve relatie tussen de ernst van de lichamelijke beperking en het bezoek aan religieuze bijeenkomsten en online ontmoetingen. Tot slot vonden we een aantal verschillen binnen de grote heterogene groep mensen met een lichamelijke beperking. Zo vonden we dat panelleden met een laag opleidingsniveau op veel minder plekken komen dan deelnemers met een hoger opleidingsniveau. Dit verschil sluit aan bij verschillen in de algemene bevolking. Minder herkenbaar is de bevin­ ding dat mannen evenzeer op minder plekken komen. Om na te gaan in hoeverre deze bevinding specifiek iets zegt over mannen met een lichamelijke beperking, onderzochten we of het verschil groter is voor mensen met ernstigere beperkingen, maar dit was niet het geval.

Dit blijkt dan weer wel het geval voor leeftijd: vooral ouderen lijken meer gehinderd te worden door een ernstige beperking bij het bezoeken van plekken. Ook zien we een verband met het hebben van betaald werk: hoewel deelnemers met betaald werk niet meer plekken bezoeken, is dit wel het geval voor deelnemers met een meer ernstige beperking. In de kwalitatieve hoofdstukken die hierna volgen, zullen we meer zicht krijgen op de achtergronden van een deel van deze bevindingen. Noten 1

2

3

87

Afgaand op het ozg zijn mensen zonder een lichamelijke beperking gemiddeld beduidend jonger (45 jaar) dan mensen met een lichte (58 jaar), matige (63 jaar) dan wel een ernstige lichamelijke beperking (69 jaar) (gewogen). Overigens komen de verschillen tussen groepen die we aantreffen in het ozg niet helemaal overeen met die op basis van het npcg. Die gegevens laten zien dat mensen met een lichamelijke beperking, een laag opleidingsniveau en vooral ouderen vaker naar een buurthuis gaan, terwijl alleenwonenden niet vaker gaan. Het gaat hier echter om een andere steekproef, waarin personen zonder beperking de grootste groep zijn (zie bijlage A voor volledige resultaten). De maat voor stedelijkheid bestaat uit vijf categorieën en is gebaseerd op de omgevingsadressendicht­ heid. Het gaat in dit geval om het adres van de huisarts van de deelnemer.

de cijfers: wie komt op welk soort plek?

7

De openbare ruimte en publieke voorzieningen Wendelmoet Hamelink en Lotte Vermeij

Nu we een indicatie hebben gekregen van de toegankelijkheid van verschillende soorten plekken, gaan we in de volgende hoofdstukken na welke barrières personen met een lichamelijke beperking ervaren bij het bezoek aan verschillende typen plekken (onder­ zoeksvraag 2). Zoveel mogelijk aansluitend bij de indeling in het kwantitatieve gedeelte, gaan we in dit hoofdstuk in op de openbare ruimte en publieke voorzieningen. In de twee hiernavolgende hoofdstukken komen de andere publieke plekken aan bod. Overigens gingen we in de interviews vooral in op de plekken die voor deelnemers belangrijk bleken. Niet alle soorten plekken die in hoofdstuk 6 besproken zijn, kwamen in de interviews aan de orde, terwijl andere plekken wel besproken werden. Voor mensen met een lichamelijke beperking is een toegankelijke openbare ruimte een noodzakelijke voorwaarde voor het leiden van een zelfstandig leven. Mensen komen de straat en stoep als eerste tegen wanneer zij de deur uitgaan, en het kunnen bezoeken van een supermarkt is nodig om zelf te kunnen voorzien in de eerste basisbehoeften. Voor de buurt en de voorzieningen in de buurt geldt daarbij dat deze vaak een belangrijke rol krijgen toegekend voor bevolkingsgroepen die minder mobiel zijn (Van Dijk et al. 2015). Ook voor publieke voorzieningen geldt toegankelijkheid als een vanzelfsprekende vereiste.

Deze plekken zijn veelal publiek gefinancierd en hebben vaak een sociale functie die toegankelijkheid vereist. 7.1

Straat en stoep We hebben hele smalle stoepen. Als je er twee fietsen op zet dan kan iemand met een scootmobiel of rolstoel er al niet meer langs. En dan denk ik: waarom houden ze daar geen rekening mee? Waarom gaan mensen pas iets doen als je ze erop wijst? Dat is heel vermoeiend. Ik wil dat ook niet de hele tijd doen, dat kost heel veel emotional labor, maar het is wel storend [...]. Mijn wijkparkje heeft gelukkig bankjes, maar nu heeft de gemeente veel banken weggehaald. Ik heb moeite met lang lopen en dat ene bankje dat er dan staat is vaak al bezet als je even wilt rusten. Dus voor mij is de openbare ruimte in mijn eigen wijk al heel lastig.

Obstakels op de stoep Zoals Sunaina, een vrouw van in de veertig die slecht ter been is en weinig energie heeft, in het hiervoor genoemde citaat duidelijk weergeeft, ervaart ze het als vervelend dat mensen zich niet bewuster zijn van het ongemak dat ze veroorzaken als ze bijvoorbeeld een reclamebord of fiets midden op de stoep zetten. Het schept in haar beleving ook de verplichting anderen hierop te wijzen, iets wat ze zelf benoemt als emotioneel werk

88

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

(zie hoofdstuk 4). Ze ervaart het als vermoeiend om zulke confrontaties aan te gaan, ook omdat ze niet weet hoe anderen daarop gaan reageren. Onvoorspelbaarheid en onveiligheid Ook in andere interviews kwamen de straat en stoep naar voren als plekken die steeds in verandering en daardoor onvoorspelbaar zijn. Ergens naartoe gaan betekent daarom dat mensen bedacht moeten zijn op mogelijke problemen onderweg. Een obstakel op de stoep kan betekenen dat een rolstoelgebruiker de stoep af en weer op moet of misschien om hulp moet vragen om erlangs te komen, en dus extra tijd en energie kwijt is om ergens te komen. Het probleem van obstakels geldt voor alle mensen die hulpmiddelen gebruiken in meer of mindere mate, maar wel het meest voor mensen met een visuele beperking. Meer onvoorspelbaarheid op straat kan leiden tot onveilige situaties en tot gevoelens van onveiligheid en onzekerheid. Leonard bijvoorbeeld, een vijftiger uit een middelgrote stad met een visuele beperking, plant ruime tijd in om ergens heen te gaan, omdat hij moeilijk kan voorzien hoelang het gaat duren voor hij ergens aankomt. Dit kost hem bijna elke dag extra tijd, bijvoorbeeld als hij naar zijn werk gaat. Maria, een zeer slechtziende vrouw van in de vijftig die longpatiënt is en daardoor een scootmobiel gebruikt, noemt verschillende situaties die voor haar gevaarlijk kunnen uitpakken.

Zo kan zij grijze lantaarnpalen moeilijk onderscheiden, waardoor ze er makkelijk tegenop botst. In een greppeltje langs de rand van de weg kan het wiel van haar scootmobiel glijden, waardoor ze al meerdere keren viel. Ze blijft daarom vaak dicht bij huis en rijdt alleen over bekende wegen. Onveilige situaties op straat komen vooral voor in dichtbevolkte gebieden. Dit blijkt uit het verhaal van Clarissa, een veertiger die zowel slechthorend als zeer slechtziend is. Door de coronapandemie besloot zij, zelf een stedeling, een tijdje bij haar moeder door te brengen in een rustige plaats. Hierdoor besefte ze meer dan gewoonlijk dat het leven in de stad best nadelen heeft voor haar: Dat was wel heftig. Dat rustige [zuiden van het land] met rechte wegen zonder veel nieuwe invloeden, het is allemaal wat voorspelbaarder. […] Ik loop met een geleidehond en een herkenningsstok en in de stad vind ik het lastig om in te schatten of zij rekening houden met mij. Soms gebeurt dat wel en soms gebeurt dat niet. En dan moet je weer dat vertrouwen opbouwen. De eerste avond dat ik hier liep, waren jochies aan het skaten op de stoep. Die vliegen de hoek om en ze knallen heel hard tegen mij. Zij schrikken en ik schrik ook. Weet je, in het rustige [zuiden van het land] gebeurt dat niet zo snel.

Toen dacht ik: oh man, wat doe ik als slechtziende en slechthorende in een stad? Maar ja, de reuring en een terrasje kunnen pakken en zelf naar de bus en naar de trein gaan, is ook van grote waarde. Een rondje lopen kan dus niet alleen onveilige situaties opleveren en onzeker maken. De verwachting dat er obstakels kunnen zijn op straat, of dat andere mensen misschien niet opletten, geeft haar een gevoel van onveiligheid. Dit zorgt er ook voor dat ze minder vrij is om te gaan en staan waar ze wil. In steden wordt de openbare ruimte ook meer gebruikt door andere zaken die ruimte innemen, zoals terrassen en fietsen (rli 2020). 89

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

Ook het groeiend aantal deelscooters, die op willekeurige plekken achtergelaten mogen worden, kan makkelijk obstakels vormen op de stoep. Maar tegenover de nadelen staan voor Clarissa ook voordelen van het stadsleven, zoals de onafhankelijkheid die ze ervaart doordat ze zelf op stap kan gaan en zelfstandig het openbaar vervoer kan gebruiken. Hulp op straat Veel deelnemers geven ook voorbeelden van positieve benadering op straat en hulp die ze door onbekenden krijgen aangeboden, ook in de grote steden. Hoewel de mensen met een visuele beperking die wij hebben gesproken regelmatig negatieve bejegening ervaren op straat (zie verderop in deze paragraaf), gaven zij tijdens de interviews ook veel voorbeelden van hulp die zij aangeboden krijgen en die het voor hen makkelijker en prettiger maakt om ergens heen te gaan. Uit het verhaal van de eerdergenoemde Leonard blijkt dat deze hulp cruciaal kan zijn: Mensen helpen je over het algemeen goed, ook als er obstakels op de geleidelijnen zijn. Dan proberen ze je eromheen te helpen. Ze pakken je vaak wel bij de arm, terwijl het officieel niet mag natuurlijk [vanwege de coronapandemie], maar ik word daar niet boos om of zo. [...] Vragen is heel belangrijk, dat je gewoon durft te vragen. En op zich durf ik dat ook goed. Alleen, er moeten natuurlijk wel mensen in de buurt zijn. Ik was een keer even de weg kwijt, maar het was wel ’s avonds om half 12.

Dan heb je niet zoveel mensen meer om je heen. Uiteindelijk is het wel gelukt hoor, maar dan denk ik toch even: oh god. Vroeger zou ik in paniek geraakt zijn, maar nu bleef ik wel redelijk rustig. Het is voor hem dus prettig als er mensen in de buurt zijn die hulp kunnen bieden waar nodig. Ook Geert, een dorpsbewoner van in de veertig met een visuele beperking, is positief. Gevraagd naar zijn ervaringen als hij mensen aanschiet, vertelde hij: In het algemeen wel goed. Als ik mensen aanspreek heb ik altijd gewoon letterlijk mijn stok recht voor me, dus gewoon omhoog zodat ze hem goed zien. Dan zie ik er één die me aankijkt. Die zie ik dan denken: oh, die ziet niks. Ja, dan heb je wat dat betreft al een juiste binnenkomer. En ik heb eigenlijk nooit rare reacties gehad. Ze zeggen weleens: ‘de jeugd van tegenwoordig’, maar ik merk juist dat de jongeren veel behulpzamer zijn dan een hele hoop oudere mensen. Later in het interview schreef Geert de behulpzaamheid van jongeren toe aan een groeiend bewustzijn van de ervaringen en rechten van mensen met een handicap. Negatieve bejegening op straat Hoewel niet veel participanten hierover praatten tijdens het interview, blijkt uit sommige verhalen dat negatieve bejegening op basis van de lichamelijke beperking op straat regel­ matig voorkomt.

Het gaat dan om pesten, neerbuigende opmerkingen, geen rekening willen houden met iemand, iemand niet met respect behandelen of er bij voorbaat van uitgaan dat mensen niet kunnen nadenken en niet normaal mee kunnen doen. Vaak zijn het opmerkingen van voorbijgangers die niets van de situatie afweten. Sigrid gaf hier een 90

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

aantal voorbeelden van. Ze is begin dertig en heeft het Ehlers-Danlos-syndroom waardoor ze vaak een rolstoel gebruikt en kniebeugels om heeft: Ik was met mijn familie in een pretpark. Ik was in de rolstoel en omdat ik niet in een attractie wilde, hadden ze mij ergens aan de kant gezet. En dan komen mensen echt naar je toe alsof je gewoon geestelijk gehandicapt bent, terwijl ik ingenieur ben. […] Echt heel heftig, als je net voor het eerst een beetje met die rolstoel in aanraking komt. Ik krijg ook gewoon superveel nare opmerkingen. […] Ik heb kniebeugels, die luxeren voorkomen, en een tijdje terug kwam ik een parkeergarage uit en moest ik de trap oplopen. Ik zei tegen mijn schoonmoeder: ‘Oh, het is echt zwaar, ik heb al te veel gedaan vandaag, dat trek ik niet.’ Toen zei iemand: ‘Goh dat is vervelend voor je mevrouw.’ En die man daarachter: ‘Ja dan moet je maar meer gaan sporten.’ Terwijl de mensen in het pretpark ervan uitgingen dat ze verstandelijk beperkt is, gaf de voorbijganger in de parkeergarage blijk van het vooroordeel dat mensen met een beperking deze aan hun eigen gedrag te wijten hebben. Hoewel Sigrid hier duidelijk aan­ geeft hoe vervelend ze dit vindt, kwam in andere interviews naar voren dat participanten eraan gewend zijn geraakt, dat ze het normaliseren of dat het anderen meer opvalt dan henzelf.

Charlotte, een dertiger met cerebrale parese die een elektrische rolstoel gebruikt, zei hierover: Het zijn meestal mijn valide vriendinnen die dan zeggen: ‘Oh er wordt weer erg naar je gekeken.’ Ikzelf ben er door de jaren heen immuun voor geworden. Mij valt het niet meer op en ik vind het ook niet erg. Het zijn meer de mensen die dan bij je zijn die dat heel erg opvalt. Ook mensen met een visuele beperking komen regelmatig situaties tegen waarin ze bot, grof of openlijk beledigend worden aangesproken. Roza, een vrouw van in de vijftig met een visuele beperking, vertelde in wat meer detail over situaties op straat waarbij mensen tegen haar opbotsen en haar vervolgens uitschelden, ook al loopt ze met een taststok: Ik heb soms het gevoel dat zienden veel blinder zijn dan ik, want zij hebben blijkbaar alleen maar oog voor hun telefoon, en sluiten hun oren af, en dan zijn ze boos als je tegen hun benen aantikt met je stok. […] Ik heb wel gehad dat iemand riep: ‘Kan je niet uitkijken met die kutstok van je?’ En daar moesten mensen in mijn omgeving heel erg om lachen, maar ik was daar zo verbijsterd door. Die man kukelde over mijn stok toen ik een winkel uit wilde lopen en bleef al scheldend doorrennen. De omstanders hadden allemaal ook iets verbijsterds […]. Maar niemand had zin om die agressivo eens even duidelijk te zeggen waar het op stond.

[…] En vorige maand loop ik op de markt, en toen had ik weer dat iemand zei: ‘Kun je niet uitkijken?’ Ik denk: dat is nou juist toevallig iets wat ik niet kan. Afgezien van de boosheid en agressie van de personen zelf, blijkt ook dat de omstanders zich weinig raad weten met deze openlijke vorm van validisme. Hoewel Roza wel steun voelt van de aanwezigen, is er niemand die het daadwerkelijk voor haar opneemt. Ook Geert, uit de vorige paragraaf, noemde een voorbeeld waarin hem verweten werd dat hij moest uitkijken. Nadat hij de situatie had besproken, zei hij: ‘Maar ja, dat komt iedere 91

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

blinde of slechtziende weleens tegen.’ Met die opmerking bagatelliseerde hij zijn ervaring, alsof het niet veel voorstelt. In hoofdstuk 6 kwam al naar voren dat mensen met een ernstige lichamelijke beperking zich relatief weinig in de openbare ruimte begeven. Uit deze paragraaf blijkt dat mensen veel positieve ervaringen hebben met behulpzame voorbijgangers, maar dat er inderdaad nog veel te winnen is als het gaat om de toegankelijkheid van de straat en stoep. Verander­ lijke obstakels en drukte vormen lastige en onvoorspelbare hindernissen voor mensen die slecht ter been zijn, een rolstoel gebruiken of een visuele beperking hebben. Daarbij zijn mensen op straat onbeschermd tegen negatieve en zelfs agressieve bejegening. Dit alles zorgt ervoor dat zij extra energie en tijd nodig hebben om ergens te komen en dat ze zich onveilig of onzeker kunnen voelen. Het is ook een emotionele belasting om steeds om hulp te moeten vragen, anderen aan te spreken op onnadenkend gedrag en je te wapenen tegen respectloosheid. 7.2

De binnenstad Ik rolde voor corona ook midden op straat, op de regengoot, en dat doe ik nog steeds. Interesseert me gewoon niet. We hebben hier een oud centrum. We hebben veel kasseien. Kasseien doe ik bijna alleen maar op mijn achterwielen. Dan komen mijn voorwielen niet meer op de grond, omdat dat gewoon belabberd is. Mijn rolstoel is niet voor niets krom hè? (Mark, een vijftiger die door een zenuwaandoening afhankelijk is van een rol­ stoel)

Een aanzienlijk deel van de deelnemers (dertien personen) benoemt binnensteden als slecht toegankelijk. Eerder kwam al aan de orde dat het intensieve ruimtegebruik in de stad gepaard gaat met meer obstakels en mogelijke botsingen. Wat betreft de historische bin­ nensteden noemen deelnemers daarbij regelmatig de kinderkopjes, die slecht begaanbaar zijn voor mensen met een rolstoel. Ook historische gebouwen zijn vaak ontoegankelijk en mogen vanwege monumentenzorg niet aangepast worden. Toiletten zijn in deze gebou­ wen vaak ook niet aangepast, te klein of op een andere verdieping. Voor bezoekers van buiten zijn binnensteden vaak moeilijk bereikbaar met de auto omdat parkeerplaatsen ver weg zijn van de uiteindelijke bestemming. In het citaat hiervoor laat Mark zien dat hij in zijn woonplaats steeds weer die hindernis moet nemen vanwege de kasseien in het centrum waar hij vlak bij woont. Hij praat erover alsof het niks voorstelt (hij zegt bijvoorbeeld: ‘Interesseert me gewoon niet’), terwijl het hem wel extra moeite kost en hij hierdoor zelfs een kromme rolstoel heeft. Veerle, een vrouw van begin veertig met Ehlers-Danlos-syndroom die een rolstoel gebruikt, zegt over de binnenstad: Zodra je een oud centrum in komt, is eigenlijk het stadsbeeld belangrijker dan toegankelijk­ heid. Dat is bijna overal standaard.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=ca05a21b-3a5d-4a2c-8af5-97baf5c27134