CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T21.07769 SCP Rapport 'Lang niet Toegankelijk'

Commissie Samenleving 7 oktober 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Controlerende taak van de gemeenteraad ten aanzien van toegankelijkheid - Machiel Crielaard42.124 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

‘Kinderkopjes zijn zo mooi om te zien, dat we ze toch echt niet weg gaan halen voor die rolstoelers.’ Heel vaak wordt er gewerkt met oh dat staat

92

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

leuk, een trapje hier en een trapje daar, want dat is mooi voor het straatbeeld, maar dat dat met een rolstoel ook niet handig is, vergeten ze nog weleens. Uit dit citaat blijkt dat het Veerle hier niet alleen gaat om de toegankelijkheid zelf, maar ook om het gevoel dat het aanzicht van de stad belangrijker gevonden wordt dan toegan­ kelijkheid. Vanuit het perspectief van de door haar ingebeelde stadsplanners geeft ze met de term ‘die rolstoelers’ de neerbuigende houding aan die ze hun toedicht. Een deel van de respondenten voelt zich desondanks aangetrokken tot de binnensteden. Dit gaat dan om de sfeer, maar ook omdat veel sociale activiteiten, zoals het bezoek aan een theater met vrienden, een dagje uit met het gezin en sommige werkgerelateerde bijeenkomsten, zich juist vaak in binnensteden afspelen. Dat veel binnensteden slecht toegankelijk zijn voor mensen met een handicap heeft tot gevolg dat zij uitsluiting ervaren op momenten die voor anderen juist samenzijn en gezelligheid markeren. Sinan, een veertiger die een kruk en soms een rolstoel gebruikt, noemt dit ‘de grote, persoonlijke plekken’, waarmee hij aangeeft dat dit de centrale plaatsen zijn waar mensen elkaar graag ontmoeten.

Hij beschrijft deze plekken als volgt: ‘Als je met vrienden bent, een dagje uit of zo, je landt in een café, of je wandelt langs de gracht in Utrecht, de routes waar horeca is.’ Maar ook hij geeft daarbij aan hoe slecht toegankelijk deze zijn: Binnensteden zijn voor mij heel moeilijk. Je hebt binnensteden met heel mooie tegels en vloeren en keien en dat soort dingen, maar dat is dramatisch. Daar moet je niet overheen lopen en zeker niet met een rolstoel gaan. Dan stuiteren al je kiezen eruit. Dus dat soort historische pleinen, dat is kansloos. Vaak zit de horeca aan die pleinen en die zijn steeds vaker autovrij, dus je moet verder lopen. Eerder in het interview zei hij dat hij de binnenstad vaak uit de weg gaat bij het plannen van een uitje: ‘Als je een weekend wilt relaxen dan denk ik wel: een dagje Amsterdam, dat ga ik niet doen. Dat kan echt niet. Amsterdam als stad is niet ingericht voor invaliden.’ Hij ervaart de binnenstad als een plaats waar hij weinig toegang toe heeft, waardoor hij ook sociale ontmoetingen moet missen. 7.3

De supermarkt en winkels Als ik een slechte dag heb dan vraag ik het gewoon. Van de week was het heel erg warm en dan geven alle koelkasten pijnreacties, dus had ik een lijstje bij me. Ik kom bij de winkel aanrijden en ze zien me al graaien. Dan komt er eentje aanlopen van: ‘Is het zo laat?’ Dan zeg ik: ‘Ja, het is zo laat.’ En dan pakken zij alles voor me uit de koelkasten. (Interviewer: ‘Dus je vindt de bejegening daar ook wel prettig?’) Ja, je moet over je eigen schroom heen.

Hulp in de supermarkt In het hiervoor genoemde citaat vertelt Mark, die eerder in dit hoofdstuk al aan het woord kwam, dat hij bekend is bij de supermarkt en daardoor goed geholpen wordt. Veel deelnemers zijn positief over de supermarkt en de manier waarop ze daar bejegend en 93

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

geholpen worden. Van de 38 gaan twintig respondenten zelfstandig naar de supermarkt en vier gaan met iemand anders samen, bijvoorbeeld met hun partner. Voor acht deelnemers doen anderen de boodschappen, terwijl vier hun boodschappen meestal online bestellen. Vanwege de coronapandemie waren dit er tijdelijk wat meer. Boodschappen doen kan soms ingewikkeld zijn, bijvoorbeeld omdat spullen te hoog staan of omdat het met een hulpmiddel lastig is om een karretje te duwen en veel boodschappen tegelijk mee te nemen. Hulp is soms dus nodig. Net als Mark zijn ook sommige andere deelnemers bekend bij het personeel, wat de toegankelijkheid van de supermarkt ten goede komt. Zo heeft de supermarkt van Veerle voor haar een handig karretje opzijgezet met haar naam erop. Geert, de veertiger met een visuele beperking die eerder aan het woord kwam, vertelde dat hij bij de kassa vraagt of iemand met hem kan meelopen. Hoewel hij dan soms wel even moet wachten tot iemand beschikbaar is, zei hij dat hij ‘allang blij [is] dat iemand wil helpen’. Net als Mark voelt ook Geert zich niet altijd gemakkelijk bij hulp, waardoor hij er soms van afziet: Het is niet: ik ben een pak melk vergeten, ik race even naar de supermarkt. [...] Ik voel me toch wat bezwaard als ik iemand voor een pak melk van zijn werk afhou. Dan denk ik: nou ja dan gebruik ik maar geen melk.

Veel participanten geven aan anderen niet te veel tot last te willen zijn. Omdat het niet voor iedereen makkelijk is om hulp te vragen, is het prettig als personeel dit soms zelf aanbiedt. Naast personeel bieden ook andere supermarktbezoekers regelmatig hulp aan, vooral als ze zien dat iemand ergens niet bij kan. Bejegening in andere winkels In tegenstelling tot de positieve waardering voor de toegankelijkheid van de supermarkt, zijn de respondenten juist vrij negatief over andere winkels. Vooral kleinere winkels zijn fysiek vaak niet goed toegankelijk met een rolstoel of ander hulpmiddel. Paden zijn te smal en er staat van alles in de weg. Daarnaast geven zij over andere winkels relatief veel voorbeelden van ongelijke behandeling, onbegrip of onwil om te helpen. Anna, een twintiger met hypermobiliteitssyndroom die in de Randstad woont, gaat daar­ om altijd goed voorbereid op pad door eerst uit te zoeken of ze een winkel wel in kan. Soms gaat haar partner eerst kijken. Als ze namelijk ergens heen gaat waar ze vervolgens niet naar binnen kan, heeft ze een groot deel van haar energie verspild. Maar ook als een winkel goed toegankelijk is, betekent dat niet automatisch dat ze ook naar binnen kan. Anna gebruikt als hulpmiddel een loopfiets die er hip uitziet.

Als ze met deze loopfiets de winkel binnen wil gaan, gelooft het winkelpersoneel haar niet altijd: Dan zei ik: ‘Het is een loopfiets’, en zij: ‘Er zit een accu op.’ [...] In het begin wil je daar heel netjes over blijven en uitleggen: ‘Joh dit is het en dit heb ik.’ Maar sommige mensen zijn gewoon heel bot, die reageren van: ‘Ja zo kan ik het ook wel’, of: ‘Ik geloof het niet, ga de winkel maar uit.’

94

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

Gelukkig kon Anna soms de hulp van beveiligingspersoneel inschakelen dat haar situatie kent, maar de vervelende ervaringen maakten toch dat Anna soms de winkels ging mijden. In haar nieuwe woonplaats ervaart ze winkelpersoneel als toleranter en netter, wat het veel fijner maakt. Ook nam ze een meer standvastige mentaliteit aan, maar het blijft pijnlijk om zo negatief aangesproken te worden, zoals blijkt uit het volgende citaat: Zeker op de dagen dat je niet lekker in je vel zit en daar komt weer zo-iemand. Je ziet het gelijk al aan iemands gezicht en dan voel je zo’n sfeer in je omhoogkomen van: ik hoop dat dit niet een vervelend gesprek wordt. Ja dat is gewoon een donkere wolk boven de rest van je dag, want je voelt je niet alleen aangesproken maar ook alsof iemand met een vingertje naar je wijst van: zo jij staat hier een partij te liegen. En alsof ik het mensen moeilijk maak of zo. Ook andere mensen vertelden dat zij soms onprettig worden benaderd in winkels en niet voor vol worden aangezien. Zo vertelde Marlou, een dertiger uit een kleine plaats, dat zij soms heel lang staat te wachten en door niemand geholpen wordt omdat winkelpersoneel ervan uitgaat dat zij niet aanspreekbaar is en wel met een begeleider zal zijn. Marlou is spastisch en gebruikt een elektrische rolstoel. De eerdergenoemde Mark merkt in winkels duidelijk verschil in hoe hij tegemoet getreden wordt.

Als zijn vrouw de rolstoel duwt, wordt hij bijna nooit zelf aangesproken en heeft hij het gevoel dat mensen denken dat hij niet normaal aanspreekbaar is. Ook toen hij met zijn broer naar een winkel ging, kreeg hij het gevoel dat hij niet opgemerkt werd. Hij loste dit op met een grap, waarin hij de draak stak met het vooroordeel dat mensen met een beperking alles maar gratis krijgen: Verleden jaar moest ik eigenlijk een andere telefoon hebben en mijn broer ging gezellig mee, want die vond het wel leuk. Op een gegeven ogenblik maakte ik de opmerking: ‘Volgens mij kan ik wel een Samsung of een iPhone 11 uitzoeken, want ik hoef toch niet te betalen.’ Degene met wie mijn broer stond te praten kreeg zo’n hoofd, die had echt zoiets van: hé, doe even normaal. En mijn broer moest gewoon heel erg lachen. Ja, op die manier moet je mensen aanspreken, op een gewone manier of op een humoristische manier. Dat is eigenlijk bijna de enige manier om mensen aan het verstand te krijgen dat je er bent. En dat vind ik eigenlijk wel erg triest. Kassa’s en pinautomaten Een veelvoorkomend praktisch probleem in winkels (en elders) is dat kassa’s en pinauto­ maten veel te hoog zijn voor rolstoelgebruikers. Dit is niet alleen onprettig, maar ook onveilig omdat een persoon die een rolstoel of ander hulpmiddel gebruikt de pinautomaat niet kan zien, terwijl alle omstanders er juist extra zicht op hebben.

Veerle, een vrouw van begin veertig met Ehlers-Danlos-syndroom, ervaart hierin een achteruitgang: Je kunt niet verwachten van de maatschappij dat ze allemaal maar weten wat iedereen nodig heeft, maar standaarddingen zoals […] pinautomaten… Die waren vroeger wel bewe­ gelijk, waardoor je ze naar je toe kon halen, maar tegenwoordig nergens meer. Ik kan nooit zien wat ik pin. Ze zitten allemaal te hoog. Ze zitten allemaal vast. Dat is hartstikke fijn maar ik moet maar gokken dat het goed gaat. 95

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

Ook hier heeft gebrekkige fysieke toegankelijkheid sociale gevolgen: in dit geval zorgt dit voor gevoelens van te sterke afhankelijkheid, onveiligheid en extra opvallen. Samenvattend worden supermarkten door de participanten aan dit onderzoek over het algemeen als goed toegankelijk beschreven, zowel fysiek als sociaal. Mede omdat het personeel hen kent, voelen mensen met verschillende soorten beperkingen zich vaak goed geholpen, wat het voor hen mogelijk maakt op een prettige manier zelf hun boodschappen te doen. Dat mensen met een ernstige beperking toch relatief weinig in een supermarkt komen (zie hoofdstuk 6), zou daarom eerder veroorzaakt kunnen worden door de route ernaartoe (zie § 7.1). De toegankelijkheid van andere winkels dan de supermarkt laat volgens respondenten echter veel te wensen over. Winkels zijn vaak slecht fysiek toeganke­ lijk en personeel is weinig begripvol of toeschietelijk. Dit zorgt voor vervelende situaties voor respondenten, waar zij zich tegen moeten wapenen met assertiviteit en humor, maar wat ook leidt tot stress of vermijding van winkels. 7.4

Natuur, bos en strand

De natuur kwam relatief weinig aan de orde tijdens de interviews en lijkt voor veel mensen niet zo makkelijk toegankelijk te zijn. Zeven van de 38 participanten vertelden graag de natuur in te gaan, maar daar wel de goede omstandigheden voor nodig te hebben. Voor mensen met een visuele beperking is het bijvoorbeeld moeilijk de weg te vinden en sommigen gaan daarom liever met iemand samen de natuur in. De eerdergenoemde veertiger Geert kon vroeger wel goed zien en vertelde hierover: Ik ging altijd zomers met het gezin naar de Veluwe op vakantie, lekker in het bos fietsen. Dus dat is wel een beetje jeugdsentiment. En ja, nu vind ik het alleen maar leuk om het samen met iemand te doen. Als ik zelf ergens in een stukje bos ga lopen [dan moet ik de route leren]. Dan ben ik zo bezig met: waar loop ik? Waar ben ik? En vind ik de weg nog terug? Leonard, een vijftiger met een visuele beperking, is een echte natuurliefhebber en organi­ seert zelf excursies. Hij gaat er dus veel met anderen op uit: Ik heb wel iemand nodig die mij begeleidt en die de route een beetje kent. Dus als ik een excursie doe, dan doe ik het ook altijd samen met iemand anders. Dat we het ook een keer met z’n tweeën voorgelopen hebben en dat we dus ook een beetje kunnen inschatten wat we allemaal tegen kunnen komen. [...] Ik heb een tijdje een wandelvriendin gehad waar we samen echt dagtochten mee deden.

[...] Mijn man begeleidt me normaal ook, ik vind het ook geen probleem om met anderen te gaan, maar hij doet het als het uitkomt. Voor rolstoelgebruikers is de toegang van strand en natuur ook niet altijd eenvoudig. Ilse, een natuurliefhebster van in de vijftig die vanwege myalgische encefalomyelitis (me) een scootmobiel gebruikt, is bezig een organisatie en website op te zetten om natuur toegankelijker te maken voor mensen met een lichamelijke beperking. Natuurgebieden kunnen bijvoorbeeld bosrolstoelen beschikbaar stellen. Het valt Ilse op dat veel mensen wel graag de natuur in zouden willen, maar er uiteindelijk toch niet terecht komen: 96

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

Ontmoet ik mensen ergens met een rolstoel in de trein, dan vraag ik altijd: ‘Mag ik je iets vragen? Waar ga je naartoe? Kom je ook wel in de natuur?’ En heel vaak hoor ik dan: ‘Nou nee, want ik vind het te druk’, of: ‘Op de fietspaden met een rolstoel is heel lastig.’ Of: ‘Mensen willen dat ik uitwijk en dat kan niet altijd’, of dat het emotioneel te belastend is om elke keer maar aan de kant te moeten. Of mensen kunnen nergens naar de wc in hun omgeving, dus randvoorwaarden zijn een heel apart hoofdstuk. Wat moet je hebben om mensen in een rolstoel toch naar je gebied te krijgen? Er is heel veel frustratie, bijvoorbeeld dat de rolstoelpaden soms [kort zijn]. Het maximum is tien kilometer. Voor drie kilometer ga ik niet letterlijk heel veel pijn lijden en ook heel veel moeite doen. Vooral fietsers kunnen het mensen lastig maken die een scootmobiel of rolstoel gebruiken, omdat ze vaak dezelfde paden gebruiken. Ilse komt daarbij regelmatig mensen tegen die haar het gevoel geven dat ze de weg blokkeert met haar scootmobiel. Daardoor voelt ze zich niet welkom en gaat ze liever op rustige momenten op pad. Charlotte, een vrouw van in de dertig, is inventief in het vinden van oplossingen om toch met haar rolstoel de natuur in te gaan: Ik ga ook veel naar de duinen. Meestal neem ik wel een vriendin mee.

[...] In de duinen werkt je gps niet altijd, dus dat doe ik meestal met iemand samen, maar ik hou er ontzettend van. De meeste paden zijn ook redelijk toegankelijk. We gaan ook weleens offroad, maar dan nemen we ook plankjes en rubberen matten mee, zodat ik over de meeste mulle stukken wel kan komen. Maar ja, mijn droom is nog altijd dat er een keer iemand rupsbanden uitvindt die je op een gewone elektrische rolstoel kan klikken. Barbara, een zestiger die een rolstoel gebruikt, gaat graag naar het strand en heeft zich ingezet voor het verzamelen van informatie over toegankelijke stranden en het organise­ ren van strandrolstoelen. Als strandrolstoelen aanwezig zijn, kunnen mensen in plaats van alleen op de boulevard te vertoeven ook echt het strand op of de zee in. Voor mensen die weinig energie hebben, kan de elektrische fiets een uitkomst zijn waardoor ze toch de natuur in kunnen (zie ook hoofdstuk 5 en 8). Lydia bijvoorbeeld, die een ernstige chronische longziekte heeft, kreeg hierdoor meer vrijheid waardoor zij ook de natuur in gaat: Het is bijna als lopen. Het is niet lopen, maar dat wat ik kwijt was, het gevoel dat ik in mijn eentje er gewoon op uit kan gaan zonder dat ik daar grote wegen of weet ik wat allemaal voor nodig heb. Uit de interviews kunnen we dus opmaken dat de natuur volgens onze respondenten moeilijk begaanbaar is voor mensen met een lichamelijke beperking.

Mensen moeten veel organiseren om erheen te kunnen gaan, zoals iemand om mee samen te gaan en vervoer. Paden zijn niet altijd toegankelijk of te druk waardoor mensen met een rolstoel of scoot­ mobiel door anderen soms als een hindernis worden beschouwd en toegankelijke toiletten zijn niet aanwezig of moeilijk te bereiken. De introductie van strand- en bosrolstoelen zijn positieve ontwikkelingen die de natuur veel toegankelijker kunnen maken. 97

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

7.5

Buurthuis

In hoofdstuk 6 kwamen buurthuizen naar voren als toegankelijke plekken, maar ook als plekken waar maar weinig mensen regelmatig komen. Ook door de deelnemers aan de interviews werd het buurthuis nauwelijks genoemd als plek waar zij heen gaan. Enkele participanten die gevraagd werden of zij een buurthuis bezoeken, antwoordden daarop negatief. Het buurthuis als plek heeft onder hen een lage status. Didem, een Turks-Neder­ landse vrouw van in de vijftig die woont in de Randstad, was uitgenodigd door een kennis, maar het beviel haar niet: Er zitten Turkse vrouwen [...]. Er zitten ook Surinamers apart tegenwoordig. Vroeger was het gemengd [...]. Dat vind ik zelf veel beter. Bij Turkse vrouwen is het alleen maar roddelen en ze hebben nooit gewerkt. Waar moet ik over praten met hen, over kleinkinderen? Ik ga echt niet hoor, zonde van mijn tijd. Als het een cursus is of zoiets, dan lijkt het me leuk maar... Didem maakt duidelijk dat zij zich onderscheidt van de bezoekers van buurthuizen. Ze ziet zichzelf als een hardwerkende, actieve vrouw die geen tijd heeft voor roddels. Ze verwoordt hier een beeld van buurthuizen dat breder leeft. Wel maakt ze onderscheid tussen gewoon naar het buurthuis gaan en daar een activiteit ondernemen (zoals blijkt uit dit deel van haar citaat: ‘Als het een cursus is of zoiets, dan lijkt het me leuk’).

Op een ander moment tijdens het interview vertelde ze ook dat ze bij een koor zit en dat het koor het buurthuis gebruikt als oefenruimte. Ze geeft daarbij aan dat deze ruimte goed toegankelijk is, omdat het een buurthuis is. Als ruimte waardeert ze het buurthuis dus wel. Het negatieve beeld van buurthuizen zal niet door iedereen gedeeld worden, vermoedelijk bijvoorbeeld niet door de bezoekers met wie Didem weinig opheeft. Ook zijn sommige participanten wel actief in de buurt op plekken die vergelijkbare doelstellingen hebben als een buurthuis, maar waaraan voor de respondenten niet dezelfde vooroordelen kleven. Zo heeft Monica, een vrouw van eind dertig, het over ‘een soort buurthuisachtig gebeuren’ als ze vertelt over de ontmoetingsplek die ze met medebewoners organiseert. Monica heeft me en erg weinig energie, maar het vrijwilligerswerk dat ze voor deze ontmoetingsplek doet geeft haar veel voldoening. We hebben hier in de wijk een hoekhuis kunnen bemachtigen. Dat is vrije sector, dus het is niet zo dat we een sociale huurwoning bezet houden. Daar hebben we normaal gesproken twee keer in de week een koffieochtend voor wie wil. Eén keer in de maand hebben we een papa- en mamacafé. Twee keer in de maand hebben we een aanschuiftafel en dan krijgen mensen een driegangenmenu voor een klein bedrag. Eén keer in de week een kindermiddag.

[…] Er is een mogelijkheid tot het zelf neerzetten van een leuk idee, van wijkgenoten die dan zelf naar ons toekomen van: ‘Goh kunnen we niet een bloemschikcursus of iets doen?’ Nou prima, zet maar neer, wij regelen communicatie, regelen jullie de activiteit maar. Dus het is eigenlijk heel breed. Het is van en voor de wijk zeg maar, dat is de bedoeling. Het negatieve imago lijkt dus vooral het klassieke buurthuis te betreffen. In veel buurt­ huizen spelen bewoners tegenwoordig een actieve rol. Het door Monica beschreven initia­ 98

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

tief kan worden aangeduid als ‘huiskamer’, een van de nieuwe vormen die buurthuizen aannemen (Ter Avest 2016). 7.6

Overheidsgebouwen Mijn ervaring is dat de grote overheidsgebouwen het wel hebben opgelost. De grote bedrij­ ven waar ik gewerkt heb ook, maar je hebt een megagrote groep van privéorganisaties, de particuliere sector […]. Dat kun je niet zo een-twee-drie even regelen.

Overheidsgebouwen werden maar in weinig interviews genoemd en de vier mensen die hierover spraken, zeiden dat die over het algemeen fysiek goed toegankelijk zijn. Ook Sinan, een veertiger die slecht ter been is, geeft dat in het citaat hiervoor aan. Hoewel overheidsgebouwen dus relatief goed toegankelijk zijn, liggen de standaards ook hoog omdat deze gebouwen een publieke functie hebben. Barbara beschrijft haar ervarin­ gen bij een debat in de Tweede Kamer over het vn-verdrag Handicap. Zestiger Barbara, die eerder over natuur vertelde, zet zich actief in voor toegankelijkheid in Nederland (zie portret 8.1). Haar ervaringen in de Tweede Kamer waren voor haar een grote teleurstelling: Er was een oproep en ik dacht: daar wil ik nou eens naartoe, dus ben ik er naartoe gegaan. Wij waren er met een man of tien rolstoelgebruikers. Er mochten er geloof ik maar vijf in de plenaire zaal en de rest moest op een scherm kijken. Toen hebben een aantal hun rolstoel buiten de zaal gelaten en zijn kruipend over de vloer op stoelen gaan zitten, voor zover ze de mogelijkheid hadden. Voor de mensen die met enthousiasme naar het debat toe gingen was het een enorme domper dat ze er niet zelf bij konden zijn. Barbara volgde het eerste gedeelte op het scherm, en is daarna alsnog naar binnen gegaan, ondanks het feit dat dit officieel niet toegestaan was.

Het spreekt voor zich dat het een vernederende ervaring was dat sommi­ gen alleen kruipend naar binnen konden. Na deze ervaring heeft zij met anderen die daar aanwezig waren een klacht ingediend. Vervolgens is er een gesprek georganiseerd om hierover door te praten: Wij zijn daar in februari geweest en toen hebben we daar met z’n allen in een kring over gepraat. We wilden onze frustratie van december achter ons hebben en dat er beter over nagedacht werd [...]. Die dingen geven voor mij het beeld van de rolstoelgebruiker in Nederland. Wij willen graag betrokken worden bij de verbouwing. Maar ook de gastvrijheid van de beveiligers [liet te wensen over]. De opmerking van een beveiliger dat we ook thuis hadden kunnen kijken viel verkeerd. Het kostte Barbara emotioneel werk om met de boosheid over die dag om te gaan. Daarbij beschouwt zij, zoals blijkt uit het citaat, haar ervaringen in de Tweede Kamer als represen­ tatief voor de houding in Nederland ten opzichte van mensen met een handicap. Wanneer plekken fysiek niet toegankelijk zijn, heeft dat vaak een sociale betekenis. Anderen vinden het immers niet belangrijk genoeg dat jij daar kan zijn (zie hoofdstuk 4). In het geval 99

de openbare ruimte en publieke voorzieningen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=ca05a21b-3a5d-4a2c-8af5-97baf5c27134