CConstaterende datLansingerland
Koppel je AI →
Document · PDF

T21.02001 Bestemmingsplan, toelichting en regels

Gemeenteraad 30 september 2021, gemeente LansingerlandBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Woningbouwlocatie Treurniet' (zienswijzen in ibabs map persoonsgegevens)30.913 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen. Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren. Gebieden Natura 2000 De Wnb ziet ook op de bescherming van Natura 2000-gebieden (Vrl- en Hrl-gebieden). Voor ieder Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen opgesteld voor één of meerdere soorten en/of habitats. Voor ruimtelijke ontwikkelingen binnen de Natura 2000-gebieden en tevens voor ontwikkelingen daarbuiten die van invloed kunnen zijn (door ‘externe werking’) op die beschermde natuurgebieden, gelden (strenge) restricties. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Middels een ‘habitattoets’ dient te worden onderzocht of een activiteit (significante) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000gebieden veroorzaakt.

De uitkomsten van de habitattoets dienen te worden beoordeeld door het bevoegd gezag.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

32

Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden (de voormalige Ecologische Hoofdstructuur / EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het doel van het NNN is de instandhouding en ontwikkeling van natuurgebieden om daarmee een groot aantal soorten en ecosystemen te laten voortbestaan. Sinds 2014 zijn de provincies het eerste verantwoordelijke bevoegde gezag voor het NNN (daarvoor was dat de rijksoverheid). De provincies hebben in een verordening regelgeving vastgelegd ten aanzien van het NNN.

4.2

Onderzoek

Soortenbescherming In het kader van de voorliggende ontwikkeling zijn verschillende onderzoeken naar de in het plangebied aanwezige flora en fauna uitgevoerd. In eerste instantie is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Uit het rapport kon worden geconcludeerd dat aanvullend onderzoek naar vleermuizen en broedvogels benodigd is. Ook het aanvullend onderzoek is inmiddels uitgevoerd. De resultaten van de onderzoeken worden hieronder beknopt weergegeven; de volledige quickscan is opgenomen als bijlage in de m.e.r. aanmeldnotitie (Bijlage 2) en het aanvullend ecologisch onderzoek is als Bijlage 8 bij de toelichting gevoegd. Resultaten ecologische quickscan De quickscan is in april 2018 afgerond door Adviesbureau Mertens. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen te rooien en de sloop, omvorming en renovatie van opstallen buiten het broedseizoen te starten. Op deze manier kan worden voorkomen dat verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming worden overtreden. Mogelijk foerageren er vleermuizen. Gedurende en na de realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Omdat de aanwezigheid van vleermuizen (verblijfplaatsen, vliegroutes) en vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen (huismus, gierzwaluw) niet kon worden uitgesloten is aanvullend onderzoek uitgevoerd.

Aanvullend ecologisch onderzoek Het aanvullend onderzoek is in februari 2019 uitgevoerd, eveneens door Adviesbureau Mertens. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat in het gebied gewone dwergvleermuizen vliegen en foerageren. Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Huismussen of overige vogels met vaste rust- en verblijfplaatsen komen niet voor. Er zijn geen voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Op grond van de bovenstaande analyse worden effecten op beschermde planten- en diersoorten uitgesloten; de ruimtelijke ontwikkeling op de hoek van de Laan van Romen en de Rodenrijseweg te Berkel en Rodenrijs is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

33

Gebiedsbescherming De beschermde natuurgebieden (Natura 2000/Natuurnetwerk Nederland) liggen op ruimte afstand van het plangebied. Voor de meeste criteria kunnen effecten daarom op voorhand worden uitgesloten. De realisatie van woningen zou mogelijk wel kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden in de (verre) omgeving. De minimale afstand tot de voor verzuring gevoelige gebieden bedraagt circa 15 km. Het plangebied ligt op circa 15 km afstand van de gebieden Meijendel & Berkheide en de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck. Gezien de afstand tot Natura 2000 gebieden kunnen emissies die samenhangen met de verkeersgeneratie worden uitgesloten. Het rekenmodel berekent op een afstand van meer dan 3 kilometer geen effecten ten gevolgen van emissies door verkeer. Om te kunnen bepalen of de emissies in verband met de verwarming van de appartementen (op basis van kengetallen bedraagt de emissie 1,11 kg NO x per appartement per jaar) tot een toename van stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied kunnen leiden is met het programma AERIUS-Calculator een berekening uitgevoerd. Deze berekening is opgenomen in de mer-aanmeldnotitie, opgenomen als Bijlage 3, en dateert van 2018. Uit de berekening blijkt dat er geen sprake is van een berekende depositietoename.

Ook significante negatieve effecten ten gevolge van een toename van stikstofdepositie konden worden uitgesloten. Op 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van dat het programma aanpak stikstof (PAS) als beoordelingskader niet juridisch houdbaar is. Deze ontwikkelingen vormden aanleiding om de eerdere berekening te actualiseren. Door Rho Adviseurs voor de leefruimte is hiertoe een onderzoek uitgevoerd om te bepalen of de eventuele toename van stikstofdepositie van voorliggend plan leidt tot significante negatieve effecten. Ook is gekeken welke maatregelen zo nodig kunnen worden getroffen om strijdigheid met de Wet natuurbescherming te voorkomen. De berekeningen in het rapport zijn uitgevoerd met het rekenmodel Aerius, waarbij onderscheid wordt gemaakt in de aanlegfase en de gebruiksfase van het plan. Uit de resultaten blijkt dat zowel in de gebruiksfase als tijdens de aanlegfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Dat betekent dat significante negatieve effecten ten gevolge van het bestemmingsplan voor de maalderijlocatie kunnen worden uitgesloten. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. In 2021 is de berekening door KuiperCompagnons geactualiseerd met de meest actuele versie van Aerius. Hieruit volgt dezelfde conclusie, namelijk dat er geen significante effecten plaatsvinden.

Het rapport en de oplegnotitie zijn opgenomen als bijlage 15 bij deze toelichting.

4.3

Conclusie

De aspecten 'natuur en landschap' leiden niet tot belemmeringen voor het voorliggende bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

34

Hoofdstuk 5 Water 5.1

Kader

Er is een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt één en ander uiteengezet. 5.1.1

Europees en Rijksbeleid

Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2009-2015 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP is op 10 december 2015 door de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken vastgesteld. Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie. Het NWP is zelfbindend voor het Rijk. Het Rijk is in Nederland verantwoordelijk voor het hoofdwatersysteem. In het Nationaal Waterplan legt het Rijk onder meer de strategische doelen voor het waterbeheer vast. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen. Binnen de planperiode gaan realistische maatregelen in uitvoering die een antwoord bieden op de opgaven voor de korte termijn en voldoende mogelijkheden openlaten om op langere termijn verdere stappen te zetten. Het kabinet sluit daarmee aan bij de resultaten van het Deltaprogramma. Met dit Nationaal Waterplan voldoet Nederland aan de Europese eisen die voortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingrisico`s (ROR) en de Kaderrichtlijn Mariene Strategie (KMS).

Waterwet De Waterwet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen. De waterschappen krijgen een nieuwe bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten krijgen verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

35

In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Uitvoering van de watertoets betekent in feite dat de gemeente en de waterbeheerder samenwerken bij het uitwerken van ruimtelijke plannen, zodat problemen in het gebied zelf en de omgeving worden voorkomen. De watertoets is opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en hiermee verplicht voor alle ruimtelijke plannen en besluiten. Waterbeheer 21e eeuw (WB21) In september 2000 heeft de commissie Waterbeheer 21e eeuw advies uitgebracht over het toekomstig waterbeheer in Nederland. Belangrijk onderdeel van WB21 is het uitgangspunt van ruimte voor water. Er mag geen afwenteling plaatsvinden. Berging moet binnen het stroomgebied plaatsvinden. Dit betekent onder andere het aanwijzen en instandhouden van waterberingsgebieden. Daarnaast wordt verdroging bestreden en worden watertekorten verminderd. 5.1.2

Provinciaal beleid

Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016 - 2021 De provincie herziet het regionaal waterbeleid eens in de 6 jaar. Het waterbeleid met een ruimtelijk component staat in de Visie Ruimte en Mobiliteit. Het beleid voor waterkwaliteit staat in de Voortgangsnota Europese Kaderrichtlijn Water 2016-2021. Voor de overige onderwerpen is het Provinciaal Waterplan 2010–2015 ongewijzigd van kracht gebleven. Voor het ruimtelijk component hanteert de provincie het volgende beleid: vanuit de ambitie om ZuidHolland een duurzame, concurrerende en leefbare Europese topregio te laten zijn, bevordert de provincie de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving. Die rode draad door de Visie ruimte en mobiliteit staat centraal in het beleid voor water, bodem en energie. Verordening Ruimte In de Verordening Ruimte is regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken. Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen. 5.1.3

Beleid waterbeheerder

Waterbeheerplan 2016 - 2021 Op 19 november 2015 is het Waterbeheerplan 2016 - 2021 vastgesteld. In het Waterbeheerplan heeft het Hoogheemraadschap van Delfland zijn strategie voor de uitvoering van de kerntaken voor de komende jaren beschreven. Het is de leidraad voor het handelen van het Hoogheemraadschap in de planperiode 2016 - 2021. Het waterbeheerplan is tevens een uitnodiging aan private, particuliere en publieke partijen om binnen de uitgezette koers met initiatieven te komen. Bij de uitvoering van het waterbeheerplan staan de kerntaken vanzelfsprekend voorop; de waterveiligheid, het waterbeheer, de waterkwaliteit en het zuiveren van afvalwater. Delfland zal hierbij nadrukkelijk kijken naar een doelmatige uitvoering daarvan waarbij ambities, kosten en het tempo op een evenwichtig manier zijn afgewogen.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

36

Handreiking watertoets Delfland heeft een Handreiking watertoets voor gemeenten. De handreiking biedt gemeenten, adviesbureaus en projectontwikkelaars handvatten voor de invulling van proces en inhoud van de watertoets voor ruimtelijke plannen op gemeentelijk niveau. De handreiking is gebaseerd op bestaand beleid van Delfland en sluit aan op de Wet ruimtelijke ordening, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Crisis- en herstelwet en de Waterwet. De handreiking bestaat uit een procesdeel en een inhoudelijk deel. In het procesdeel wordt ingegaan op het watertoetsproces voor elk van de volgende ruimtelijke planvormen: stedenbouwkundige plan; structuurvisie; bestemmingsplan; beheersverordening; omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing; en tot slot de planfiguren van de Crisis- en herstelwet, zoals het projectuitvoeringsbesluit. Het inhoudelijk deel bevat de vertaling van het actuele beleid van Delfland in ruimtelijke zin. 5.1.4

Gemeentelijk beleid

Waterplan Lansingerland Op 29 april 2010 is het Waterplan Lansingerland vastgesteld. Het doel van het Waterplan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn: a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen; b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering; c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen. De doelgroep van het stedelijk Waterplan bestaat uit bestuurders (van de gemeente en de hoogheemraadschappen), bewoners, beleidsmakers en beheerders. Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Op 30 juni 2011 is de eindrapportage van het Waterplan vastgesteld. Gemeentelijk Rioleringsplan 2015-2020 In het vigerende Gemeentelijk Rioleringsplan staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater.

De ambities voor de huidige planperiode concentreren zich met name op het in stand houden van het systeem, het vernieuwen van de basisrioleringsplannen (BRP’s) en het uitbouwen van kennis over het functioneren van het systeem door meten en monitoren. Ook wordt de samenwerking en afstemming binnen de (afval)waterketen tussen Lansingerland, de twee hoogheemraadschappen en andere gemeenten in de regio voortgezet en versterkt. Waar in de voorgaande planperiode de focus lag op maatregelen ter verbetering van het rioolstelsel zullen in deze planperiode nieuwe inzichten worden vergaard waar vervolgens weer nieuwe maatregelen uit zullen volgen. Verder hechten de gemeente belang aan het duurzaam verwerken van hemelwater, zoals het scheiden van schone en vuile waterstromen (daar waar kansen zijn) en het op locatie vasthouden/verwerken van hemelwater. Maar wel vanuit een realistisch oogpunt, waarbij ook de kosten die het met zich mee brengt worden meegewogen.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

37

5.2

Onderzoek

Bestaande situatie Bodem en grondwater Volgens de Bodemkaart van Nederland ligt het plangebied tussen gebieden met grondwatertrap II en IV. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand fluctueert tussen minder dan 0,4 m en meer dan 0,4 m beneden maaiveld en dat de gemiddelde laagste grondwaterstand varieert tussen 0,8 en 1,2 m beneden maaiveld. De maaiveldhoogte in het plangebied is redelijk constant met een NAP van -2,97 meter. Vrijwel het hele perceel is in de huidige situatie verhard met stelconplaten en klinkers. Damwand Rodenrijse Vaart In verband met kadeversterking is medio 2007 en/of medio 2008 de bestaande damwand (houten beschoeiing) langs de Rodenrijse Vaart vervangen door een stalen damwand. Door middel van grondankers die in de weg geplaatst zijn is de damwand horizontaal verankerd. Mede op verzoek van de bewoners zijn er op regelmatige afstand achter de damwand drainage leidingen aangelegd met afsluiters. Deze afsluiters staan open om ervoor te zorgen dat de grondwaterstand achter de damwand niet lager zou komen te staan. De werking van genoemde maatregelen wordt bevestigd door de metingen ter plaatse van het meetpunt bij de maalderij, zoals blijkt uit de rapportage van Royal Haskoning DHV (bijlage 14). De metingen uit het verleden (deels voor en deels na aanleg damwandvoorziening) laten grondwaterstanden zien tussen NAP -2,9 en -3,6 meter.

Er valt uit deze metingen geen duidelijke, structurele daling van de grondwaterstand op te maken als gevolg van de aanleg van de damwand. Waterkwantiteit In het plangebied is geen oppervlaktewater gelegen. Wel ligt aan de oostzijde van het plangebied en primaire waterloop, die door middel van een duiker is verbonden met het oppervlaktewater langs de Roderijseweg (afbeelding 5.1). Waterkwaliteit In het plangebied zijn geen KRW-waterlichamen aanwezig. Veiligheid en waterkeringen De Rodenrijseweg is een regionale waterkering. Het bestaande gebouw van de maalderij is op de waterkering gesitueerd. Naast de waterkering is sprake van een 15 meter brede beschermingszone. Het plangebied is niet gelegen in een gebied met een overstromingsrisico.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

38

Afbeelding 5.1. Uitsnede legger Hoogheemraadschap van Delfland ter hoogte van het plangebied

Afvalwaterketen en riolering Het hemelwater dat op de daken van de bebouwing (maalderij, silo’s en de zakgoedloods) en verharde terreindelen van perceel Rodenrijseweg 7-9 valt wordt deels afgevoerd naar het hemelwaterriool en gaat deels naar de sloot aan de achterzijde. Via een overstort aan de noordzijde van de sloot verdwijnt bij pieksituaties een deel van dit slootwater richting het vuilwaterriool. De bijdrage aan de afvoer via de duiker aan de zuidzijde van de sloot (de eigenlijke afvoerroute van het slootwater) is naar verwachting beperkt. Momenteel zijn geen klachten bekend omtrent wateroverlast in het gebied. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het uitgangspunt dat de waterhuishoudkundige situatie niet mag verslechteren. Dit betekent bijvoorbeeld dat de waterhuishouding kan worden verbeterd door het afkoppelen van schoon verhard oppervlak. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater wordt afgevoerd naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit betekent ook dat toename van het verharde oppervlak en/of dempingen binnen het gebied moeten worden gecompenseerd. Ook combinaties met andere functies zoals groen en recreatie liggen voor de hand.

Daarnaast is het van belang om bij eventuele ontwikkelingen diffuse verontreinigingen te voorkomen door het gebruik van duurzame, nietuitloogbare materialen (geen zink, lood, koper en PAK's-houdende materialen), zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Toekomstige situatie Bodem en grondwater De toekomstige situatie wijzigt als volgt: -

-

De nieuwe bebouwing wordt uitgerust met groene daken. Deze zorgen voor een vertraging van de afvoer van hemelwater en verlagen de piekafvoeren. De terreindelen worden grotendeels onverhard of half-verhard. Op het terrein worden voorzieningen aangelegd om het regenwater tijdelijk te bergen en vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater. Een klein deel van het hemelwater zal infiltreren naar het grondwater. Dit kan zorgen voor een verhoging van de grondwaterstand. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van de parkeerkelder voor geringe opstuwing van het grondwater aan de westzijde en een geringe verlaging van de grondwaterstand aan de oostzijde. Om negatieve effecten als gevolg van

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

39

hogere grondwaterstanden te voorkomen worden maatregelen genomen in de vorm van de aanleg van (peilgestuurde) drainage, al dan niet in combinatie met bodemverbetering. Het water uit deze drains wordt eveneens afgevoerd naar het oppervlaktewater. Onder de nieuwe gebouwen wordt een parkeerkelder gerealiseerd. De parkeeropgave die samenhangt met de voorgenomen ontwikkeling wordt deels ingevuld door een gedeelde parkeerkelder onder de twee nieuwe appartementengebouwen en het atrium. De parkeerkelder wordt onder het maaiveld gerealiseerd. De mogelijke effecten op de grondwaterstromen (en eventuele daarmee samenhangende wateroverlast) zijn een punt van zorg bij de omwonenden. Om de invloed van de parkeerkelder op de grondwaterstromen inzichtelijk te maken is een onderzoek uitgevoerd. (Bijlage 14). Uit het onderzoek volgt dat negatieve effecten ten gevolge van barrièrewerking vanwege de kelderbak kunnen worden voorkomen door één of meerdere maatregelen te nemen. Het meest voor de hand ligt de aanleg van een regelbare, vrij verval drainage aan de westzijde van de parkeerkelder, al dan niet in combinatie met grondverbetering rondom en onder de parkeerkelder. De te kiezen maatregel(en) dienen te worden uitgewerkt tot een ontwerp. In de planregels is geborgd dat de benodigde maatregelen ook daadwerkelijk worden getroffen.

De conclusies ten aanzien van de effecten van de herontwikkeling op oppervlaktewater en riolering zijn opgenomen onder het kopje ‘afvalwater en riolering’. Deze waterparagraaf, inclusief bijlagen, is in het kader van het wettelijk vooroverleg voor formeel advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. In samenspraak met het HHD zijn diverse wijzigingen in de waterparagraaf doorgevoerd. De maatregelen om negatieve effecten ten gevolge van barrièrewerking te voorkomen worden uitgewerkt tot een ontwerp. Om negatieve effecten op de waterhuishouding ten aanzien van de parkeergarage te mitigeren, heeft het HHD in een zienswijze verzocht om hiertoe en voorwaardelijke verplichting op te nemen. Dit advies is overgenomen in het bestemmingsplan. De vooroverlegreactie, zienswijze en het toetsingsadvies van het Hoogheemraadschap van Delfland is opgenomen in bijlage 22. Waterkwantiteit Het voorliggende bestemmingsplan voorziet in de herontwikkeling van een voormalig bedrijfsperceel tot een woongebied met maximaal 34 woningen. Bij een herontwikkeling dient er voor gezorgd te worden dat de waterhuishouding en met name de hemelwaterafvoer (HWA) toekomstgericht en duurzaam is. Algemene uitgangspunten hierbij zijn:  

De rioolaansluitingen van de woningen voor HWA gescheiden wordt, van die van de vuilwaterrioolaansluiting (DWA). Het realiseren van extra waterberging voor een toename van het verhard en bebouwd oppervlak in het plangebied, waarbij de omvang wordt bepaald met de watersleutel, die door het waterschap ter beschikking is gesteld. Retentie van hemelwater op locatie, middels de extra benodigde waterberging, met een geleidelijke afvoer vanuit de waterberging naar open water. Met de geleidelijke afvoer worden pieken en dalen in de HWA zo veel mogelijk afgevlakt.

In de bestaande situatie is het perceel nagenoeg geheel verhard. Na de herontwikkeling is ongeveer de helft van de locatie verhard en krijgt de andere helft een groene invulling. Van deze groene invulling is een deel gelegen bovenop de ondergrondse parkeergarage. Watercompensatie is dan ook niet noodzakelijk. Desondanks is met de ontwikkelaar afgesproken dat aanvullende maatregelen worden genomen waarmee de waterberging op de locatie verder kan worden vergroot.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

40

In de regels wordt daartoe voorgeschreven dat extra waterbergend vermogen van ten minste 100 m 3 wordt gerealiseerd. Dit vermogen kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door groene daken op de appartementengebouwen en de parkeergarage, door verbreding van de Wildert en door de aanleg van een wadi op het voorterrein langs de Laan van Romen. Met deze maatregelen zal het huidige watersysteem (sloot en riolering) worden ontlast, hetgeen de ontwikkellocatie en de directe omgeving ten goede komt. De herontwikkeling heeft zodoende positieve gevolgen voor de waterberging. Veiligheid en waterkeringen De bestaande maalderij is gelegen binnen de beschermingszone van de waterkering langs de Rodenrijseweg. Verder is voor wat betreft de nieuwbouw, de entree van de parkeergarage en een klein gedeelte van het westelijk gelegen appartementengebouw gesitueerd binnen de beschermingszone van de waterkering langs de Rodenrijse Vaart. Uit het onderzoek van RHDHV, alsmede hun aanvullende notitie in het kader van de nota zienswijzen, volgt dat de situering binnen de waterkering haalbaar is en geen afbreuk doet aan de beschermingswaarde van de kering. In het kader van de omgevingsvergunning zal dit nogmaals ter toetsing aan de beheerder van de waterstaat worden voorgelegd. Afvalwater en riolering De nieuwe bebouwing wordt uitgerust met groene daken.

Deze zorgen voor een vertraging van de afvoer van hemelwater en verlagen de piekafvoeren. De overige terreindelen worden grotendeels onverhard (of half-verhard). Op het terrein worden voorzieningen aangelegd om het regenwater tijdelijk te bergen en vertraagd af te voeren naar oppervlaktewater. Een klein deel van het hemelwater zal infiltreren naar het grondwater. Dit kan zorgen voor een verhoging van de grondwaterstand. Daarnaast zorgt de aanwezigheid van de parkeerkelder voor geringe opstuwing van het grondwater aan de westzijde en een geringe verlaging van de grondwaterstand aan de oostzijde. Om negatieve effecten als gevolg van hogere grondwaterstanden te voorkomen worden maatregelen genomen in de vorm van de aanleg van (peilgestuurde) drainage, al dan niet in combinatie met bodemverbetering. Het water uit deze drains wordt eveneens afgevoerd naar het oppervlaktewater. De nieuwe woningen worden aangesloten op het gemeentelijk rioolstelsel. De HWA rioolaansluitingen van de woningen worden gescheiden van die van de vuilwaterrioolaansluiting (DWA). Echter, bij pieksituaties wordt het hemelwater momenteel afgevoerd via het vuilwaterriool, als zogenoemde overstortvoorziening.

Om de afvalwaterketen in de toekomst te verbeteren, is het van belang om te zorgen voor een goede overstortvoorziening vanuit de sloot naar het hemelwaterriool, mits de capaciteit van het hemelwaterriool dit toelaat. In dat geval zijn de volgende voordelen te noemen voor de toekomstige situatie: ▪

Er gaat geen regenwater meer naar een vuilwaterriool, al het regenwater gaat naar een regenwaterriool;

▪

Een juiste waterstand in de sloot is blijvend geborgd via de overstort (geen risico op overlast voor de omwonenden);

▪

De bergende voorzieningen op de locatie zorgen ervoor dat de totale belasting op het oppervlaktewatersysteem (via het hemelwaterriool) en op het vuilwatersysteem afneemt.

Daarbij moet worden voorkomen dat infiltratie-/retentiemiddelen op de locatie en drainagemiddelen elkaar gaan beïnvloeden. Om de voorgenoemde middelen goed af te stellen, is de grondwatersituatie op een aantal punten gemonitord. De uitkomsten zijn verwerkt in het geohydrologisch rapport (bijlage

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

41

14). De conclusies ten aanzien van de effecten van de herontwikkeling op oppervlaktewater en riolering zijn als volgt: De resultaten van de berekeningen ten behoeve van de Watertoets ondersteunen het beeld dat door de veranderingen op de locatie het bergend vermogen wordt vergroot. Door de herontwikkeling van de locatie wordt de belasting op het hemelwater- en rioleringssysteem niet groter, maar neemt juist af. Met name de berging door infiltratie in de bodem neemt toe. Daarmee voldoet de ruimtelijke ontwikkeling wat betreft het ‘stand-still’ criterium aan de Watertoets. Via extra maatregelen zou de waterberging op de locatie verder kunnen worden vergroot. Dit heeft als voordeel dat het huidige watersysteem (sloot en riolering) verder kan worden ontlast. Ook kan daarmee de leefbaarheid van de appartementen verder worden verhoogd en de afwatering of het verwerken van piekbuien op het perceel worden verbeterd. Een eerste indicatie van drie mogelijke bergingsmaatregelen laat zien dat hiermee een significante hoeveelheid extra berging kan worden gerealiseerd. Door Royal Haskoning is nader onderzoek verricht naar de afwatering van hemelwater op de locatie. Daarbij is ook gekeken naar maatregelen die kunnen worden genomen om de situatie te verbeteren en eventuele wateroverlast te voorkomen. Het volledige rapport is opgenomen als bijlage 17.

Uit de resultaten blijkt dat het hanteren van een waterbergingsnorm voor de locatie zorgt voor een robuuster watersysteem met minder kans op wateroverlast. Op basis van de onderzoeksresultaten uit het rapport is bepaald dat een waterbergingsnorm van minimaal 40 mm moet worden behaald. Dit komt overeen met circa 100 m3 waterbergend oppervlak. Dit is in de regels geborgd met een voorwaardelijke verplichting. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. De gemeentelijke riolering moet bereikbaar zijn voor beheer en onderhoud. Het Hoogheemraadschap van Delfland is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. De gemeente is verantwoordelijk voor het beheer en onderhoud van de aan het plangebied grenzende watergang De Wildert. In het bestemmingsplan is rekening is gehouden met de benodigde onderhoudsstrook van 1,5 m. Volksgezondheid Door het afkoppelen van hemelwater van de DWA worden vuilwateroverstorten (in de omgeving) tegengegaan. De risico's van watergerelateerde ziekten en plagen worden hierdoor geminimaliseerd. Indien nieuwe wateren worden gerealiseerd en/of oevers van bestaande wateren worden vergraven, verdient het aanbeveling flauwe, natuurvriendelijke oevers te creëren.

Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater, dat wordt afgekoppeld naar het oppervlaktewater, wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen. Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die met hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem zullen voor de nieuwbouw duurzame, niet-uitloogbare materialen worden gebruikt.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

42

5.3

Conclusie

In de regels van het bestemmingsplan is een waterbergingsnorm van minimaal 100 m 3 vastgelegd om op de locatie een robuust waterbergingssysteem te realiseren. Ook is in de regels opgenomen dat de gemeente mitigerende maatregelen kan voorschrijven bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor de aanleg van de ondergrondse parkeergarage. Het aspect water vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan. Deze waterparagraaf is in het kader van het wettelijk vooroverleg voor formeel advies voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. In samenspraak met het HHD zijn diverse wijzigingen in de paragraaf doorgevoerd.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

43

Hoofdstuk 6 Archeologie en cultuurhistorie 6.1

Archeologie

6.1.1

Kader

Erfgoedwet In de Erfgoedwet d.d. 1 juli 2016 is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 20162021. Het gaat daarbij om de volgende zaken:   

Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie Bescherming van stads- en dorpsgezichten.

Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland De provincie Zuid-Holland hanteert het beleidsinstrument “Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland (CHS)”. In de CHS heeft de provincie bestaande en mogelijk te verwachten archeologische waarden in beeld gebracht. In het bijbehorende “Beleidskader Cultuurhistorische Hoofdstructuur ZuidHolland” zijn per waarderingscategorie algemene beleidsuitgangspunten geformuleerd. De waardering zoals vastgelegd in de cultuurhistorische hoofdstructuur geldt als uitgangspunt van beleid. Gemeentelijk archeologiebeleid De gemeente Lansingerland beschikt over eigen archeologiebeleid. Op basis van dit archeologiebeleid kan worden bepaald wat de verwachtingswaarde van een bepaald gebied is. 6.1.2

Onderzoek

Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie Zuid-Holland blijkt dat het gebied niet behoort tot een terrein waar sprake is van rijksbescherming of provinciaal belang. Wel is het plangebied deels aangemerkt als Stads- en dorpskernen (afbeelding 6.1). De huidige stads- en dorpskernen zijn vaak van middeleeuwse oorsprong (1500 tot 500 jaar geleden). Bewoningslagen van verschillende eeuwen liggen hier op elkaar. Het bodemarchief in deze kernen bevat zodoende zeer belangrijke informatie over hun ontstaansgeschiedenis.De eventuele archeologische waarden ter plaatse zijn door de gemeente Lansingerland uitgewerkt in een gemeentelijke beleidskaart.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

44

Afbeelding 6.1 uitsnede Cultuurhistorische atlas provincie Zuid-Holland. Het plangebied is zwart omkaderd.

Volgens de gemeentelijke beleidskaart (afbeelding 6.2) is het grootste deel van het plangebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Alleen in een smalle strook langs de Laan van Romen is archeologisch onderzoek noodzakelijk wanneer meer dan 50 m² en dieper dan 0,30 cm onder maaiveld wordt ontgraven.

Afbeelding 6.2 uitsnede gemeentelijke beleidskaart plangebied is rood omkaderd.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

45

Alle appartementen zijn voorzien in het gebied dat is vrijgesteld van onderzoek. Mocht er ten behoeve van de inrichting van de openbare ruimte meer dan 50 m² en dieper dan 0,30 cm worden ontgraven in de zone langs de Laan van Romen (ter hoogte van het parkeerterrein van de slagerij en de in-/uitrit van de parkeergarage onder de appartementengebouwen) zal archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - archeologie 2' het bestemmingsplan is een regeling opgenomen ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden aldaar. 6.1.3

Conclusie

Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan

6.2

Cultuurhistorie

6.2.1

Kader

Visie erfgoed en ruimte ‘Kiezen voor karakter’ In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaalculturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het Rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1. 2. 3. 4. 5.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Regioprofielen Cultuurhistorie De provincie Zuid-Holland wil waardevolle cultuurhistorische elementen behouden of inpassen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Om dit richting te geven, zijn Regioprofielen Cultuurhistorie opgesteld. De zestien regioprofielen dienen als een handreiking en sturingskader voor gemeenten, waterschappen, terreinbeheerders en adviesbureaus om cultuurhistorie op te nemen in ruimtelijke plannen. Ze zijn een uitwerking van de algemene richtlijnen voor cultuurhistorie in ruimtelijke plannen zoals die staan in de provinciale Structuurvisie.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

46

Nota Cultuurhistorie Plus De gemeente Lansingerland heeft de ambitie om uit te groeien tot een aantrekkelijke parkstad waarin het goed wonen, werken en recreëren is. Om die ambitie te verwezenlijken voert de gemeente een uitgesproken ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Als onderdeel van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is de Nota Cultuurhistorie Plus (vastgesteld d.d. 26 april 2012) opgesteld. Waar mogelijk moeten de uitgangspunten uit de Nota worden vertaald in een juridische regeling in het bestemmingsplan. Erfgoedverordening Lansingerland Om gemeentelijke waardevolle objecten te beschermen voor het nageslacht heeft de gemeenteraad op 19 februari 2009 de Erfgoedverordening gemeente Lansingerland 2009 vastgesteld. Deze verordening schept kaders en regels waarmee objecten aangewezen en beschermd kunnen worden als gemeentelijk monument. Ter uitvoering van deze taak is de Commissie cultureel erfgoed in de tweede helft van 2009 begonnen met het inventariseren van panden en overige objecten. Hiervoor zijn criteria opgesteld waaraan een toekomstig gemeentelijk monument moet voldoen. Op 15 november 2016 is de Erfgoedverordening Lansingerland 2016, een herziening van de bestaande verordening, vastgesteld. In deze verordening staan regels die bepalen voor welke werkzaamheden aan een gemeentelijk monument een omgevingsvergunning vereist is.

Het herstellen van een monument valt ook onder deze vergunningplicht. Vervolgens bepaalt de verordening dat advies gevraagd moet worden aan de Commissie cultureel erfgoed, alvorens te beslissen op een aanvraag om omgevingsvergunning. Monumentenoverzicht gemeente Lansingerland De maalderij van de firma Treurniet heeft een vooraanwijzing tot gemeentelijk monument. Na de overname van de grutterij in 1867 was het bedrijf betrokken bij de veeteelt in de omgeving en eindigde uiteindelijk als mengvoederfabriek. Maalderij “De Hoop” is in 1931 opgeleverd, nadat het vorige pand afbrandde. De molensteen van de oude korenmolen van de familie is in het pand ingemetseld. Het gebouw bestaat uit vier verdiepingen met stalen vensters. Het ontwerp past in de reeks opslag- en verwerkingsgebouwen uit die periode. Uiterst functioneel en zo georganiseerd dat efficiënt werken en opslaan goed mogelijk is. Aan de voorkant aan de Rodenrijseweg zijn grote openingen om de bevoorrading vanaf het water te vergemakkelijken. Het beleid omtrent monumenten is opgenomen in de gemeentelijke welstandsnota, zoals toegelicht in paragraaf 3.4. De bescherming van de maalderij is geregeld in de Erfgoedverordening van de gemeente Lansingerland, zoals hierboven toegelicht. 6.2.2

Onderzoek

Visie erfgoed en ruimte In de visie erfgoed en ruimte worden geen concrete uitspraken gedaan die specifiek voor het plangebied van belang zijn. Regioprofielen cultuurhistorie Uit de cultuurhistorische atlas van de provincie blijkt dat er aangemerkt in en rond het plangebied geen beeldbepalend erfgoed is toegekend.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

47

Uit afbeelding 6.3 blijkt wel dat het plangebied is gelegen op een tweetal oude polderlinten. In de loop der tijd zijn de linten verdicht en zijn er nieuwe woonwijken, kassen of industrieterreinen achter verrezen. Veel polderlinten zijn daardoor (gedeeltelijk) in latere bebouwing opgegaan. Aan de polderlinten is door de provincie geen cultuurhistorische waarde toegekend. In het gemeentelijk beleid zijn specifieke beeldbepalende elementen wel aangeduid als cultuurhistorisch waardevol.

Afbeelding 6.3 uitsnede van de provinciale cultuurhistorische verwachtingskaart Nota Cultuurhistorie Plus De Rodenrijseweg is in de Nota Cultuurhistorie Plus aangeduid als historisch polderlint. De polderlinten vinden hun oorsprong in de ontginningsassen in het veengebied. De ontginningsbasis functioneerde tegelijkertijd als weg, waarlangs in de 12e en 13e eeuw boerderijen werden gebouwd. Tussen de boerderijen verrezen tuinders- en arbeiderswoningen en bedrijfjes, vooral na 1850. Die verdichting gaat nog steeds door. De maalderij binnen het plangebied is door de gemeente aangemerkt als cultuurhistorisch waardevol object (vooraanwijzing tot monument). Ook de buiten het plangebied gelegen woningen Rodenrijseweg nummers 9 en 11 zijn aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. Aanwezige monumenten worden reeds beschermd door de Monumentenwet (Rijksmonumenten) respectievelijk de gemeentelijke monumentenverordening (gemeentelijke monumenten). Evenwel is voor deze panden in het bestemmingsplan een ‘specifieke vorm van waarde – cultuurhistorisch waardevol’ opgenomen. In de regels is hiertoe een sloopverbod opgenomen. Bij de uitwerking van het bouwplan moet rekening gehouden worden met de cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied. De maalderij blijft behouden en blijft een dominant, beeldbepalend object.

De herontwikkeling mag niet leiden tot aantasting van de cultuurhistorische waarden.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

48

Om te voorkomen dat de maalderij als historisch, markant en herkenbaar pand zonder nader toetsmoment (gedeeltelijk) wordt gesloopt of verbouwd, heeft het college in januari 2014 de maalderij een vooraanwijzing als gemeentelijk monument gegeven. Dat betekent dat voor de maalderij een sloopverbod geldt, en dat verbouwing enkel mogelijk is in overleg met de gemeentelijke Commissie cultureel erfgoed. Zij beoordelen onder meer de vormgeving van de opbouw op de Maalderij.

6.2.3

Conclusie

Het aspect 'cultuurhistorie' vormt daardoor geen belemmering voor de haalbaarheid van het plan.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

49

Hoofdstuk 7 Milieu 7.1

Algemeen

In dit hoofdstuk worden de ruimtelijke (on)mogelijkheden vanuit diverse milieuaspecten inzichtelijk gemaakt. Waar nodig moet een vertaling plaatsvinden naar de juridische regeling. Het uitgangspunt hierbij is dat de juridische regeling zowel de ruimtelijke kwaliteit als de milieukwaliteit voldoende dient te borgen.

7.2

M.e.r.-beoordeling

Het voorkómen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven, is het instrument milieueffectrapportage of te wel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.-beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in eerste kolom van de zogenaamde D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage. De herontwikkeling van het perceel aan de Rodenrijseweg 7-9 is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject, maar blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen. Dit neemt niet weg dat in dit geval een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Dit dient plaats te vinden aan de hand van drie criteria:   

Kenmerken van het project; Plaats van het project; Kenmerken van het potentiële effect.

In het kader van de voorliggende ontwikkeling is op 23 april 2018 een mer-aanmeldnotitie opgesteld (Bijlage 2) en ingediend bij het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Lansingerland. Uit de afweging is, op basis van advies van de milieudienst Rijnmond (DCMR), gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.-beoordeling of MER aan de orde is. De beslissing is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting.

7.3

Bodemkwaliteit

7.3.1

Kader

Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) voorziet in maatregelen indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging. Het doel van de Wbb is in de eerste plaats het beschermen van de (land- of water-) bodem zodat deze kan worden benut door mens, dier en plant, nu en in de toekomst. Via de Wbb heeft de Rijksoverheid de mogelijkheid algemene regels te stellen voor de uitvoering van werken, het transport van stoffen en het toevoegen van stoffen aan de bodem. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop deze ontwikkelingen gaan plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij nieuwbouwactiviteiten dient de bodemkwaliteit door middel van onderzoek in beeld te zijn gebracht. In het algemeen geldt dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op een schone bodem dienen te worden gerealiseerd.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

50

Besluit bodemkwaliteit Het doel van het Besluit bodemkwaliteit (2008) is de bodem beter te beschermen en meer ruimte te bieden voor nieuwe bouwprojecten. Ook geeft het besluit gemeenten en provincies meer verantwoordelijkheid om de bodem te beheren. Het Bouwstoffenbesluit (Bsb) is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Gemeentelijk bodembeleid De gemeentelijke Bodemkwaliteitskaart geeft een beeld van de diffuse bodemkwaliteit (ook wel achtergrondkwaliteit genoemd) van de gemeente. In het daaraan gekoppelde Bodembeheerplan is aangegeven welke regels gelden met betrekking tot grondverzet binnen de gemeente. Ook moet in dat kader rekening worden gehouden met de door gemeente Lansingerland vastgestelde bodembeleidsnotitie, als het gaat om grensoverschrijdend grondverzet. 7.3.2

Onderzoek

Tijdens een verkennend milieukundig bodemonderzoek in 2014 (Bijlage 11, Van der Helm Milieubeheer, d.d. 21 augustus 2014) zijn binnen het plangebied diverse verontreinigingen aangetroffen. In het kader van een eerder onderzoek is de situatie door de provincie Zuid-Holland beoordeeld en geconcludeerd dat er geen actuele risico's (voor gezondheid van mens of milieu) zijn als gevolg van de verontreiniging. Gezien de uitkomsten van het onderzoek is nader bodemonderzoek evenwel noodzakelijk. Dit onderzoek kan en zal plaatsvinden op het moment dat een deel van de aanwezige bedrijfspanden is gesloopt. Afhankelijk van de uitkomsten van het nader onderzoek dient waar nodig sanering plaats te vinden zodat de bodem geschikt is voor de beoogde transformatie naar wonen. Uit een actualisatie van het onderzoek in 2021, eveneens toegevoegd aan bijlage 11, blijkt dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat een verslechtering heeft plaatsgevonden van de bodemkwaliteit in de periode tussen 2014-2021. 7.3.3

Conclusie

Uit het bodemonderzoek volgt dat in het plangebied diverse verontreinigingen aanwezig zijn. Deze verontreinigingen zullen waar nodig worden gesaneerd zodra de huidige bedrijfsbebouwing is gesloopt, zodat de bodem geschikt zal zijn voor de beoogde woonfunctie.

7.4

Akoestische aspecten

7.4.1

Kader

Wegverkeer Op grond van artikel 74 Wgh bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone waarbinnen akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Voordat nieuwe woningen binnen deze zone kunnen worden geprojecteerd dient te worden onderzocht of aan de normen van de Wgh wordt voldaan. De zonebreedte is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk gebied). De definities van stedelijk en buitenstedelijk gebied zijn opgenomen in artikel 1 Wgh. Deze definities luiden:  

stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom (bepaald door komgrensborden) met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom en het gebied binnen de bebouwde kom dat is gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

51

7.4.2

Onderzoek

De maximale verkeersgeneratie van de beoogde woningen bedraagt 238 mvt/etmaal. De bijdrage van de nieuwe woningen aan de verkeersintensiteiten op de ontsluitende wegen is dermate beperkt (<10%), dat het verkeer direct opgaat in het bestaande verkeersbeeld. Er zal geen sprake zijn van een relevante (waarneembare) toename van geluid ter plaatse van de langs de ontsluitingsroutes aanwezige woningen. Ten opzichte van de vigerende planologische situatie en vergunning van Treurniet Mengvoeders BV is overigens sprake van een verbetering van de verkeers- en akoestische situatie door het wegvallen van het (vracht)verkeer van en naar de inrichting en het manoeuvreren van vrachtwagens op het terrein. In het kader van het op te stellen bestemmingsplan is door KuiperCompagnons akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van de beoogde woningen in beeld te brengen. Daarbij is de optredende geluidbelasting getoetst aan de normen uit de Wet geluidhinder en de voorwaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Het volledige rapport is opgenomen als Bijlage 9 bij deze toelichting. De conclusie van het rapport wordt hieronder beknopt toegelicht. Conclusie Het bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” voorziet in de bouw van maximaal 34 nieuwe woningen (appartementen).

Deze woningen zijn gelegen binnen de onderzoekszones van de route Klapwijkseweg/Boterdorpseweg en de HSL, zodat op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) akoestisch onderzoek noodzakelijk is. De in de omgeving van het plan gelegen 30 km-wegen zijn vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening eveneens in het onderzoek betrokken. Uit het onderzoek wordt geconcludeerd dat zowel de route Klapwijkseweg/Boterdorpseweg en de HSL niet leiden tot een geluidsbelasting die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. De maximale geluidsbelasting bedraagt respectievelijk 45 dB en 41 dB. Omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden, is een hogere waarden procedure niet aan de orde. Uit het onderzoek blijkt verder dat het verkeer op de 30 km-wegen leidt tot een geluidsbelasting die hoger is dan 48 dB tot maximaal 59 dB langs de Rodenrijseweg. Om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen te realiseren, zal de geluidwering van de gevels van de nieuwe woningen - in de lijn met het gemeentelijke hogere waardenbeleid - worden afgestemd op de cumulatieve geluidsbelasting vanwege het wegverkeer zonder de reductie van 5 dB ex artikel 110g Wgh.

Mede met verwijzing naar het advies van de DCMR (bijlage 13) betekent dit dat de binnenwaarde ten gevolge van het langtijdgemiddelde geluidniveau voor geluidgevoelige ruimten binnen woningen in de maalderij niet meer mag bedragen dan 38 dB(A). En voor geluidgevoelige ruimten binnen de overige woningen niet meer dan 33 dB(A). 7.4.3

Conclusie

De geluidsbelasting vanwege gezoneerde wegen en de HSL ligt beneden de voorkeursgrenswaarde. De geluidbelasting vanwege de Laan van Romen en Rodenwijseweg (beide 30 km/u) is evenwel boven deze grenswaarde gelegen. Om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen is in de planregels bepaald welke maximale binnenwaarde dient te worden behaald. De akoestische aspecten vormen geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

52

7.5

Luchtkwaliteit

7.5.1

Kader

Het onderzoek naar luchtkwaliteit wordt uitgevoerd op grond van hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ van de Wet milieubeheer. De titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’ is beter bekend als de Wet luchtkwaliteit. De kern van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Het NSL is een bundeling maatregelen op regionaal, nationaal en internationaal niveau die de luchtkwaliteit verbeteren en waarin alle ruimtelijke ontwikkelingen/projecten zijn opgenomen die de luchtkwaliteit in belangrijke mate verslechteren. Het doel van de NSL is om overal in Nederland te voldoen aan de Europese normen voor de luchtverontreinigende stoffen. Voor wegverkeer zijn stikstofdioxide (NO 2), fijnstof (PM10) en zeer fijn stof (PM2,5) de belangrijkste stoffen. De in de Wet luchtkwaliteit gestelde norm voor NO 2 en PM10 jaargemiddelde grenswaarde is voor beide stoffen 40 µg/³ . Daarnaast mag de PM 10 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/m³ maximaal 35 keer per jaar worden overschreden. De jaargemiddelde grenswaarde voor zeer fijnstof (PM2,5) bedraagt 25 µg/m³. Met het van kracht worden van het NSL zijn de tijdstippen waarop moet worden voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarden NO2 en PM10 aangepast. Voor PM10 is dat 11 juni 2011 en 1 januari 2015 voor NO2. De grenswaarde voor PM2,5 is vanaf 1 januari 2015 van toepassing.

Naast de introductie van het NSL is het begrip 'niet in betekenende mate bijdragen' (NIBM) een belangrijk onderdeel van de Wet luchtkwaliteit. Een project draagt NIBM bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m 3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. Een ruimtelijke ontwikkeling vindt volgens de Wet luchtkwaliteit doorgang als ten minste aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:    

de ontwikkeling is opgenomen in het NSL; de ontwikkeling aangemerkt wordt als een NIBM-project; de gestelde grenswaarden in bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit niet worden overschreden; projectsaldering kan worden toegepast.

7.5.2

Onderzoek

Een project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit als de NO2 en PM10 jaargemiddelde concentraties niet meer toenemen dan 1,2 µg/m3. In dat geval is de ontwikkeling als NIBM te beschouwen. In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan een ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit bestemmingsplan maakt maximaal 34 woningen mogelijk en valt dan ook ruim binnen de NIBM-regeling zodat onderzoek op grond van de Wet luchtkwaliteit niet noodzakelijk is.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

53

Afbeelding 7.1 Overzicht concentraties NO2, PM10 en PM2,5, peiljaar 2017 (NSL-monitoringstool) Goede ruimtelijke ordening (NSL-monitoringstool) In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn daarnaast de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald ter plaatse van het projectgebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen (de Rodenrijseweg, Laan van Romen en Boterdorpseweg) de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. In de afbeelding 7.1 zijn de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 weergegeven voor het peiljaar 2017. Dit zijn de rekenpunten die het dichtst bij het plangebied gelegen zijn. Uit afbeelding 7.1 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties NO 2, PM10 en PM2,5 ter hoogte van het plangebied voor de voorgenoemde stoffen niet meer bedragen dan respectievelijk 26,5 µg/m 3, 19,6 µg/m3 en 11,7 µg/m3. De jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/m 3 (voor NO2 en PM10) en 25 µg/m3 (voor PM2,5) wordt dan ook niet overschreden. Daarnaast is de trend dat in de toekomst de emissies en de achtergrondconcentraties van deze stoffen zullen dalen, waardoor geen overschrijdingen van de grenswaarden zijn te verwachten. 7.5.3

Conclusie

De ontwikkelingen in dit plan zijn aan te merken als een project dat NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Toetsing aan de grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit is dan ook niet nodig. Geconcludeerd kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen oplevert voor de voorgenomen ontwikkelingen in dit bestemmingsplan (artikel 5.16, lid 1 aanhef en onder c Wm). Daarnaast zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van het plan de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10 en PM2,5 bepaald. Deze waarden zijn veel lager dan de gestelde grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet luchtkwaliteit. Een overschrijding van de grenswaarden is dan ook niet te verwachten.

Bestemmingsplan “Woningbouwlocatie Treurniet” Vast te stellen, d.d. 30 september 2021

54

7.6

Milieuzonering

7.6.1

Kader

Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies. In de brochure “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (versie 2009) zijn deze richtafstanden opgenomen. Van deze richtafstanden kan gemotiveerd worden afgeweken. 7.6.2

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied, zijn naast woningen, verschillende andere functies / inrichtingen aanwezig waardoor het gebied is aan te merken als 'gemengd gebied'. Voor een dergelijk gebied mogen de VNG-richtafstanden, zoals genomen in de VNG-publicatie, worden gereduceerd (dat wil zeggen: één stap terug in de oorspronkelijke richtafstand). Hierna wordt getoetst aan de in de omgeving van het plangebied geleden functies. Huidige situatie In de huidige situatie heeft het perceel de enkelbestemming 'Bedrijf'. Binnen deze bestemming is in principe een bedrijf tot en met categorie 2 van de als bijlage bij de regels opgenomen 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' mogelijk. Aan het perceel is tevens een aanvullende functieaanduiding, specifieke vorm van bedrijf - mengvoedersbedrijf, toegekend. Hierdoor is op het perceel tevens een mengvoederbedrijf met categorie 4.1 mogelijk. Het mengvoederbedrijf gaf geur- en geluidsoverlast en gezondheidsrisico's voor de woonomgeving. Met het verdwijnen van de bedrijfsbestemming neemt deze overlast aanzienlijk af. De nieuwe woonfunctie zorgt voor meer sociale veiligheid, minder zwaar verkeer en een prettigere woonkwaliteit. Bestemming 'Detailhandel' Rodenrijseweg 5 (slagerij) Ten noordoosten van het plangebied, aan de Rodenrijseweg 5, is de bestemming 'Detailhandel' opgenomen. Deze bestemming grenst direct aan het plangebied.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Lansingerland&id=d40600fd-dd5b-4b0b-a370-331239155519