Agendabundel
Tekst van het document
Dus de gesprekken starten nu weer. Dan wordt er ook gewerkt aan de startplekken bij verschillende werkgevers. Ook terecht dat mevrouw Heijblom aangaf: we hebben toch ook statushouders met een hoog opleidingsniveau. Is Koppert dan ook een mooie werkgever. Ja, die horen er ook allemaal bij. Ik ben voor de coronatijd bij Koppert geweest om te zien hoe zij met statushouders werken en hoe hun loopbaan vorm gegeven werd binnen het bedrijf Koppert. Dus daar wordt heel breed naar gekeken. Je kan denken aan logistiek, techniek, zorg, maar zeker ook de innovatieve bedrijven, die wij in Lansingerland hebben. Al die voorbereidingen voor de startplekken gaan we organiseren. De afgelopen periode heb ik veel gesprekken gehad, dan wel digitaal, maar daarvoor veel werkbezoek. We hebben veel sociale ondernemers, dus ik verwacht ook dat dat een mooie aanvulling is juist om die plekken te realiseren. Meneer Hoek vroeg: doen we dat maatwerk en de juiste inspanning, als ze een oud beroep hebben gehad in land van herkomst, om dat te faciliteren. Ja, dat is juist goed. We zien ook veel potentieel, dat nodig is. Als dat bij de statushouders is, dan wil je juist die verbinding maken. Dan kan het ook nog zijn, dat ze een onderwijsroute ingaan, zodat ze middels het leren van de taal ook hier de opleidingen zijn, die vaak wel voorwaarde zijn voor een baan in wat hogere sectoren.
De heer Lieverse geeft aan: goed plan, maar wel twee zorgen. Wordt er goed rekening gehouden met de situatie? Hoe wordt dat dan bedoeld? Juist in de beginfase wordt er heel veel geïnvesteerd om een goed beeld te krijgen van de statushouders. Er wordt ook gekeken wat deze statushouder nodig heeft en welke leerroute daar het beste bij past. Is dat de B1 route, is dat zelfredzaamheid of is dat de onderwijsroute? De ene inburgeraar is natuurlijk al verder dan de andere, dus daar moet inderdaad goed rekening gehouden worden met de hele context. Vandaar dat één van de uitgangspunten is: de integrale aanpak. Dat we niet alleen kijken in het proces van het inburgeren, maar ook op het gebied van gezondheid,
31/36
welzijn, gezinssituatie. U weet al hoe intensief de financiële ondersteuning wordt gegeven. Dus dat wordt integraal bekeken. U stelde ook goede vragen over de implementatie. In het stuk staat in algemene zin op blz.17 en 18 de vormgeving van de implementatie. Maar zeker ons eigen personeel moet er goed op toegerust zijn. Dat is ook in volle gang, daar waar je een nieuwe wetgeving invoert of uitvoert, dan betekent dat ook dat je eigen personeel daarop toegerust moet zijn. Mevrouw Heijblom gaf ook nog terecht aan: de menselijke maat. Wordt er niet wat betuttelend gesproken? De voorbeelden en de wijze hoe dat is beschreven, dat is wel gebaseerd op de input van de uitvoering op dit moment en wat het nodig heeft. Dan kunt u zeggen: het is betuttelend beschreven. Maar het gaat er met name om dat we het juist heel serieus nemen en heel dichtbij willen zijn in elke stap die de inburgeraar gaat nemen, dat we dat op een heel zorgvuldige manier moeten doen. U stelde vragen: directe start, is dat een gezonde instelling en actieve houding? Ja, wat wij wel weten is als je meedoet, dus als je een dagritme hebt, dat je van waarde bent, dat er waarde aan je wordt gegeven, omdat je elke dag op je werk of op je stageplek komt, dat je die interactie met elkaar hebt, dat doet zoveel in het welbevinden en het goed voelen van elk mens.
Dat betekent niet alleen iets voor iemand met een inburgering of statushouders in dit geval, maar ook andere mensen. Voor iedereen ongelooflijk belangrijk. Daarmee creëer je een actieve houding. Ik sprak vanmiddag nog iemand, die op het COA heeft gewerkt en die zei: hoe langer die periode duurt, je ziet gewoon iemand aftakelen in inspiratie, in welbevinden. Het is juist heel belangrijk om vooral in het begin direct ook aan de slag te gaan. Mevrouw Gabin gaf ook twee zorgpunten aan. Aan de ene kant de taaleis: is die niet te hoog, wordt het niet te sterk ingezet? Het is een taaleis vanuit het rijk. Dus dat zit in die wetgeving en wij voeren die uit. Het is niet zo, dat elke statushouder ook op dat niveau moet uitkomen. Dat is wel het streven, omdat daarmee de startkwalificatie om richting arbeid te gaan en de kansen daarop veel hoger worden, maar er is natuurlijk ook een zelfredzaamheidsroute. Als blijkt dat iemand die taaleis niet weet te halen, dan kan dat omdat het nog heel jong is en een onderwijsroute ingaat, of anders de zelfredzaamheidsroute. Daar is echt goed rekening mee gehouden, dat daar een specifieke aanpak voor is en die heet de zelfredzaamheidroute. Dan ten aanzien van het maatwerk als het gaat om financiële ondersteuning. Dat betreft echt gezinsmigranten, maar niet de partner van een Nederlandse burger. Daar zit het onderscheid in.
De heer Xhemaili ging heel snel en had heel veel vragen. Ik hoop dat ik ze allemaal heb. Ik heb al iets gezegd over de gesprekken met de werkgevers, die gestart worden, dat die eerder gepland stonden en die toen uitgesteld werden. Het oormerken van de eerste helft of de tweede helft van de financiën: daar is een keuze in gemaakt. Een deel is geoormerkt en een deel niet. Voor ons is dat heel fijn, omdat we het integraal willen doen binnen het sociaal domein, dus dan kan je ook schuiven daar waar meer aandacht voor nodig is. Ook met de extra statushouders, die dan op ons afkomen. Even voor de duidelijkheid: we krijgen voor 2021 een verhoogde taakstelling. Daar bent u over geïnformeerd. Dat is nu definitief gesteld op 96. Maar de wet is dit jaar nog niet ingegaan, dus die gaat volgend jaar in. De verwachting is, dat dan de taakstelling weer een stuk lager is. COA heeft nu heel veel weg gewerkt en de IND. Dat gaat nu naar de gemeenten toe, dit jaar. Voor volgend jaar verwacht ik dat het een stuk lager is. Helaas kunnen degenen, die nu bij ons intreden nu nog niet profiteren van die nieuwe wetgeving. Ten aanzien van de huisvesting, dat is echt een ander vraagstuk, wat we met 3B Wonen oppakken, maar dat staat los van de inburgering en de nieuwe wet. De heer Crielaard had ook een rij van vragen.
Ik denk dat ik een aantal punten al heb behandeld bij de beantwoording van de andere fracties. De handhavingsmogelijkheden, ja, die zijn er, we kunnen ook een boete geven, maar dat is natuurlijk allemaal wat je niet wilt. Wat we willen is juist heel preventief. Ervoor zorgen dat iemand goed in staat is, met begeleiding, dat die daar ook open voor staat, om hier op een goede manier maatschappelijk eigen te worden, lekker aan de slag te gaan en dat het helemaal niet nodig is om handhaving of een boete op te leggen. Alles staat in het teken om dat te voorkomen en juist naast de inburgeraar aan de slag te gaan. Ik vind het ook een goede opmerking: kan de inburgeraar ook een onderdeel zijn van de monitoring en ook aangeven wat wel werkt en wat niet werkt. Die neem ik zeker mee, ook in de evaluatie en ook in de monitoring: wat heeft de kandidaat er zelf aan, wat waardeert hij eraan? Of meer vragen voor ons als gemeente of van degene die voor ons de trajecten gaan uitvoeren. Ook een vraag over de financiën: die extra, hoe vaak is dat, die duidelijkheid? Wat belangrijk is, is dat het echt een investering is in de maatschappelijke begeleiding. Als ze dien aan de voorkant doen, dan voorkomt dat duurdere WMO trajecten op een later moment. Daar hebben we nu al veel ervaring in, dus we willen dat juist heel erg in het begin van het traject doen en daar een goede investering op doen.
Die middelen worden nu al wel binnen de WMO gedaan, dus het is wel een verschuiving om niet meer aan de voorkant dat in te zetten. Ook een vraag rondom de zwemvaardigheden, dat is nu nog niet mee genomen, maar die ga ik wel intern bespreken om te kijken of we die nog mee kunnen nemen, want we zitten in Nederland met een waterrijk landschap. En we hebben ook de voorbeelden gehoord van mensen die geen zwemvaardigheden hebben, mensen uit andere landen, en dat dat in veiligheid echt een risico met zich meebrengt. Ik vind dat een goede suggestie, dus die ga ik intern bespreken. Mevrouw Draak, ik noemde al even die hogere taakstelling van 96, die voor dit jaar geldt. Dat valt nu nog niet onder de wet, want die is nog niet in werking. We verwachten vanaf volgend jaar weer een lagere taakstelling. Een hogere taakstelling is op zich niet erg, in die zin, dat het programma en de trajecten met een iets grotere groep misschien nog wel makkelijker zijn dan met een
32/36
beperkte groep, dus in die zin, voor alle trajecten heeft dat geen negatieve invloed als we een hogere taakstelling zouden hebben. Dan zouden we het misschien makkelijker kunnen uitvoeren, ook met groepsgerichte aanpakken. Iedereen direct aan de slag, ook dat maatwerk, helemaal mee eens. Ook de financiële zorgen. Ik begrijp die vraag van mevrouw Draak heel goed. We hebben natuurlijk meerdere decentralisaties en we hebben zeker de financiële impact op de jeugdzorg en de WMO. U heeft daar vanavond ook over gesproken, ook over de gemeenschappelijke regeling, die we hebben. Dus dat is zeker een zorgpunt. Alvorens de wet naar ons toekomt, heeft de VNG er heel secuur naar gekeken. Die zei ook: de middelen die u als rijk wilt overhevelen naar de gemeenten, dat is echt te laag, dus we gaan eerst onafhankelijk onderzoeken wat de financiële gevolgen zijn of wat nodig is alvorens u de wet daadwerkelijk gaat invoeren en daar de gemeente verantwoordelijk voor maakt. Dat heeft gemaakt dat er een onderzoek is geweest. Dat heeft het rijk overgenomen voor 90%. Daar is de VNG mee akkoord gegaan. Dus wij verwachten ook daadwerkelijk dat er voldoende financiële middelen zijn, maar u kent mij, dat ik ook goed op de centjes wil letten. Mocht het echt uit de hand lopen of mis gaan, uiteraard trekken wij dan aan de bel.
Dan zullen we in de regio de ervaringen van anderen horen en het effect naar Den Haag daar op geven. De verwachting is echt, dat er voldoende financiële middelen tot ons komen. Dank u wel. Tweede termijn Mevrouw Bouman, CDA: Ik zal het kort houden. Allereerst bedankt voor de beantwoording. Ik hoorde de wethouder zeggen, dat de gesprekken weer worden opgestart met de werkgevers. Toen schrok ik even. Volgens mij hebben wij de afgelopen jaren ook inburgeraars en statushouders gehad en was de participatiewet ook op hen van toepassing. Vandaar dat ik zeg: hebben wij onvoldoende inspanningen gepleegd in deze? U heeft er vertrouwen in dat het nu met de nieuwe wet allemaal gaat lukken, omdat de regie er nu is. Ik heb dan toch mijn zorg of het allemaal gaat lukken. Ik hoop het van ganser harte, want u bent ook afhankelijk van de werkgevers. Wat het verleden heeft aangegeven, ben ik toch niet zo positief gestemd, gelet op de ervaring en het bijstandspotentieel, dat we nu hebben. Over de monitoring gaf u iets aan. Ik hoop, dat u ons daarover de nodige resultaten kan gaan geven op termijn X, t.a.v. de inkoop van het traject en of het goed loopt, met name ook t.a.v. de participatie, of dat allemaal geslaagd is, de resultaten die het allemaal met zich meebrengt en zeker ook de financiële uitnutting.
Want dat zei ik: wat hebben we allemaal nodig om die inburgering tot een goed resultaat te laten leiden? Ik hoop, dat de verwachtingen die u heeft, uitkomen maar ik heb nog wel enige zorg. Dank u. De heer Hoek, WIJ: Geen verdere aanvullingen. Hamerstuk. De heer Lieverse, CU: Hamerstuk. Mevrouw Heijblom, D66: Ik wil de wethouder vooral bedanken voor haar reactie op het gebied van werkgevers, want daar spreekt ook wel een soort passie uit. Dat ze echt wel op zoek gaat naar die plekken voor deze mensen. Wat mij betreft is het echt geen hamerstuk, want ik blijf me schamen voor die tekst. Hoe u dit weg wimpelt, ik vind gewoon dat het eigenlijk echt niet kan. Dit moet echt zorgvuldiger. Net zei u ook: ze moeten gewoon lekker aan de slag gaan. Dat is toch geen taal, die hierbij past? Ik vind dat echt lastig, dus ik ga toch kijken welk voorstel wij kunnen doen m.b.t. die tekst in dit stuk. Met betrekking tot het punt van mevrouw Draak, over die kosten, kijk, ik snap wel wat u zegt. Als je één opleiding inkoopt en er doen meer mensen aan mee, dan wordt het per persoon goedkoper. Maar als we een migratiecrisis krijgen, zoals in 2015, dat is nog niet zo lang geleden, waarbij ze met bussen rond reden, dan hebben we te maken met mensen die geen plek konden krijgen bij gemeenten. Natuurlijk, dan komt er wel weer een zak geld bij, maar dan hebben we echt wel een andere situatie.
Dat hoor ik niet in uw verhaal, maar je weet niet hoe het in de toekomst gaat lopen. Dat. De heer Lieverse: Ik ben benieuwd of mevrouw Heijblom een voorstelling heeft van wat er dan wel moet gebeuren, als er bussen rond rijden met mensen die in nood zijn. Mevrouw Heijblom: Wat bedoelt u met die vraag? De heer Lieverse: U schetst een situatie, dat er weleens een heel ernstige situatie zou kunnen komen. Wat zou dan wel uw insteek zijn in zo’n situatie? Mevrouw Heijblom: Dan komt er natuurlijk een verzoek bij gemeenten om meer mensen op te nemen. Uiteindelijk resulteert dat ook in hogere aantallen inburgeringsplichtige mensen. Het gaat mij erom, dat er nog andere perspectieven zijn, dan de reactie die mevrouw Arends nu geeft. Zij zegt iets over de wet van de grote aantallen, hoe meer mensen er aan een traject mee doen, hoe goedkoper het wordt. Dat begrijp ik, maar het kan ook zo zijn dat het daar niet meer in past, dat het aantal misschien nog verder omhoog gaat. Wat ik vertelde over die migratiecrisis, dat was natuurlijk echt wel een crisis. Dan zie je dat de centrale overheid bijspringt, ook richting gemeenten. Dat is wel helemaal het uiterste, maar ik zeg het omdat er ook andere toekomstige scenario’s te bedenken zijn, daar ging het mij eigenlijk om. De heer Lieverse: Ik vind het niet duidelijk, maar ik begrijp dat het inderdaad terug komt.
33/36
Mevrouw Gabin, GL: Om even terug te komen op de reactie van de heer Crielaard, ik kon namelijk niet interrumperen in de eerste termijn. Maar goed Nederlands leren kan mensen alleen maar helpen en een steun in de rug geven bij hun burgerschap. Het is op zich een goede gedachte. Tegelijk moet je ook reëel zijn. Gemeenten geven aan, dat ongeveer 35% van de inburgeraars niveau B1 zullen gaan halen. Vervolgens moet een inburgeraar het, met hoge uitzondering daar gelaten, eerst allemaal wel op het hoogste niveau geprobeerd hebben. Daar zit nou juist onze zorg, want het eerst op het hoogste niveau moeten proberen, betekent dus ook dat je op het hoogste niveau moet falen voordat je terug mag schakelen. Dat lijkt ons eerlijk gezegd psychologisch, maar ook qua effectiviteit van inzet en qua motivatie niet zo’n goede benadering. Wij vinden het dus belangrijk, dat het verwerkt wordt in het persoonlijke inburgeringsplan van een inburgeraar. De heer Crielaard: In de tweede termijn kan ik gelukkig wel interrumperen. Volgens mij is het zo, als ik het goed begrijp, dat er wordt gekeken naar het hoogst haalbare niveau en niet perse van: gij zult B1 doen. Zo heb ik de leerroutes begrepen.
Wat ik aan mevrouw Gabin zou willen vragen: heeft u geen vertrouwen in de brede intake, die de gemeente gaat doen? Mevrouw Gabin: Hoe ik de wet heb geïnterpreteerd is dat een inburgeraar het eerst moet proberen op het hoogste niveau. Als dat te hoog blijkt te zijn, dan kan een inburgeraar terugschakelen naar een lager niveau. Misschien kan de wethouder ons het juiste antwoord daarop geven. De wethouder ging er snel doorheen, maar als ik het goed heb gehoord, wordt er dus wel maatwerk geleverd voor mensen die voor gezinshereniging naar Nederland komen. Ze zei dat even snel in een zinnetje, ik heb daar geen helder antwoord op gekregen. De heer Xhemaili, PvdA: Ik wil ook graag terugkomen op de heer Crielaard, want ik mocht ook niet in de eerste termijn interrumperen. De obsessie van de heer Crielaard over handhaving vind ik wel bijzonder. Gezien de misstanden van afgelopen jaren lijkt een obsessie meer gepast om de misstanden aan te pakken, maar dat is de afgelopen jaren niet echt gebeurd, ondanks dat wij in 2017 een bespreekstuk hiervan hebben gemaakt in de commissie samenleving. Daarbij zijn statushouders zeker welwillend om te integreren en om de inburgering te halen, maar dan moet er wel goed beleid zijn en dat was de afgelopen jaren kansloos. Gelukkig komt er nu wel goed beleid op tafel en daar zijn we al te blij mee. Dus wat ons betreft een hamerstuk.
Ik wil de heer Crielaard wel bedanken, dat hij de zwemlessen toch heeft ingebracht, dat vind ik een heel goede suggestie, die ik ook wel graag aan de wethouder wil meegeven, omdat Nederland toch een waterrijk land is. Volgens mij is het vaak in het nieuws geweest, dat jonge asielzoekers verdrinken. Als dat met zwemlessen voorkomen kan worden, dan is dat mooi meegenomen. Ik heb nog wel een extra vraag aan de wethouder. De nieuwe statushouders, die dit jaar komen, vallen net buiten de boot met de nieuwe wet, die in 2022 ingaat. Kunnen zij nog iets vanuit de gemeente verwachten qua begeleiding om een goede school te vinden en niet nu afhankelijk te zijn van de markt, die niet heel goed werkt. Mijn vraag is: kan de gemeente de huidige statushouders die dit jaar extra binnen komen erin begeleiden om gelijk een goede start te maken? Dank u wel. De heer Crielaard, L3B: Ik moet even iets recht zetten. Er wordt mij nu verweten een obsessie te hebben met handhaving. De wethouder ging ook in op de technische mogelijkheden tot handhaving, maar dat was geenszins de bedoeling van mijn vraag. Het ging mij er juist om, reflecterend op de discussie uit november: wat kunnen we nou doen om bestuurlijke boetes überhaupt te voorkomen? We hebben een traditie op preventie, wat kunnen we nou doen om überhaupt zulke stappen te voorkomen? Dat was mijn vraag en dat bedoel ik in mijn eerste termijn.
Verder heb ik de wethouder horen zeggen, dat intern de opmerking over de zwemlessen en inburgeraars meenemen in de evaluatie wordt meegenomen. Dat is erg fijn. Verder wat betreft de toon van dit beleidsplan, daar is het ook over gegaan. Mijn fractie ziet eerlijk gezegd het probleem niet v.w.b. die toon in het beleidsplan. Wij denken dat het juist goed aansluit op het sociaal domein, op de participatiewet, die vraagt ook een tegenprestatie naar vermogen. Dus vooruitlopend op een discussie in de raad kan ik alvast melden, dat wij nog niet echt warm lopen voor eventuele aanpassingen aan het beleidsplan. Voor ons zou het een hamerstuk zijn. Dank u wel. Mevrouw Draak, VVD: Dan ga ik aansluiten bij de woorden van meneer Crielaard en D66 om een suggestie (…) te doen. Ik hoor van alle fracties, behalve D66, dat het een hamerstuk zou kunnen zijn. Het staat jullie uiteraard vrij om het te bespreken en natuurlijk ook om een amendement voor te bereiden, maar je zou ook kunnen kiezen voor een stemverklaring over je gevoel bij de toonzetting en daarmee de bespreking besparen. Ik voel niet echt veel draagvlak voor een herschrijving van die paragraaf. Dat is verder aan D66, maar het zou misschien een goede manier kunnen zijn om jullie punt toch te maken. Ik hoor namelijk dat D66 op zichzelf wel blij is met de nieuwe wet inburgering en hoe de gemeente het gaat aanvliegen.
De wethouder heeft al mijn vragen beantwoord. Daar wilde ik het bij laten. Wethouder Arends: Er is nog een aantal vragen gesteld, die ik langs wil lopen. Het is inmiddels tien minuten over twaalf, maar ik ga ze netjes langs, want ik wil echt wel recht doen aan de vragen. Mevrouw Bouman gaf aan: ik mag er toch vanuit gaan, dat er nu ook contact met werkgevers is. Ja, daar kan ik u gerust stellen. Uiteraard hebben we die. Het gaat meer over de nieuwe vorm van de startplekken, dat
34/36
daar de gesprekken op gestart worden, ook met het WSP en hun netwerk en al die werkgevers en om dat voor meerdere werkgevers dat mogelijk te maken, maar uiteraard lopen er al heel lange tijd goede contacten met verschillende werkgevers en zijn er ook opleidingen, ook voor statushouders, intern bij bedrijven. Zeker ook de resultaten van de monitoring en van de effecten, daar krijgt u een rapportage van. Dat zal vanaf 2022 zijn, dan is het een jaar in werking als het goed is. Dan krijgt u ook informatie over het aantal statushouders per route en dus ook het effect van de wetgeving. Dat kunnen we dan met elkaar uitgebreid bespreken. Mevrouw Heijblom noemde nog even, of zij citeerde mij, over meer aantallen, dat het dan goedkoper wordt. Op die manier heb ik dat niet gezegd. Ook al zouden we een hogere taakstelling kunnen krijgen, dan kunnen we dat gewoon heel goed organiseren. Zeker ook als we grotere groepen hebben, dan kunnen we dat gewoon doen. Het is niet zo dat we met dit beleidsplan daarmee risico lopen. Het gaat er niet om of het goedkoper wordt, dat is niet het belang bij deze wetgeving. We willen natuurlijk wel de financiële middelen van het rijk krijgen om het goed te doen. Maar als het meer is, dan kunnen we dat goed organiseren.
Mevrouw Gabin vroeg zich af: hoe is de wet nou, is het zo dat ze eerst het hoogste niveau moeten doen? Meneer Crielaard interrumpeerde haar en zei: volgens mij is dat niet zo. Het klopt wat de heer Crielaard zegt. We beginnen in een vroeg stadium eigenlijk al, op het moment dat ze binnen het AZC weten dat deze persoon bijvoorbeeld naar de gemeente Lansingerland gaat, dan wordt er een uitgebreide uitvraag gedaan. Dan wordt er een hele goede inschatting gemaakt welke leerroute daar het beste bij past. Dus het is niet zo, dat iedereen eerst naar leerroute B1 moet. Als de zelfredzaamheidsroute beter passend is, dan begint iemand daarmee. Dan kan hij uiteindelijk toch nog het niveau halen, als hij zegt: ik wil naar B1 qua taaleis, omdat dan de kans op de arbeidsmarkt wel vele malen groter is. Dan het maatwerk bij gezinshereniging. U gaf aan, dat het nog niet helemaal duidelijk is voor u. De gezinsmigranten moeten de leerroute zelf betalen, maar dit gaat om partners uit Thailand, Brazilië eventueel van een Nederlander. Maar familie van statushouders krijgen gewoon alles vergoed. Dus ik hoop daarmee u te voorzien van de juiste informatie, die u vroeg. De heer Xhemaili noemde nog even het belang van die zwemlessen. Daarvan had ik al aangegeven, dat ik dat intern ga bespreken.
U vroeg zich ook af: de intreders, die dit jaar komen, kunnen we daar nu al een ondersteuning in doen? Natuurlijk is daar nu ook de standaardroute, zoals we dat nu doen met Vluchtelingenwerk, alleen, dat is niet de extra wat we binnen de nieuwe wetgeving doen, omdat we daar de financiële middelen op dit moment niet voor krijgen. Dus dit jaar gaat door zoals we het altijd doen en vanaf volgend jaar gaan we deze nieuwe wet uitvoeren middels dit beleidsstuk. De heer Crielaard gaf voor zichzelf nog even aan wat hij bedoelde met het handhaven en vooral de preventie. Alles in het teken van deze wetgeving staat er juist zo in om preventief er goed mee om te gaan, zodat zeker handhaving of een boete niet nodig hoeft te zijn. Dank u wel. De voorzitter: Volgens mij heeft u alle vragen beantwoord. Mijn vraag is even, en dan kijk ik met name even naar D66, of dit een bespreekpunt of een hamerstuk wordt voor de raad. Mevrouw Heijblom: Mevrouw Draak doet een voorstel, een stemverklaring, daar ben ik eigenlijk wel blij mee, want ik sta hier helemaal in mijn upje, wat ik overigens echt niet begrijp, maar er gaat niemand mee, dus het heeft niet zoveel zin om netjes een amendement te gaan schrijven, dus dan doen we maar een stemverklaring. Nogmaals, ik begrijp het niet, maar dat kan een keer voorkomen zo. De voorzitter: De keuze is aan u, maar dan maken we er inderdaad een hamerstuk van.
Wethouder Arends: Ik kreeg nog wat informatie van mijn collega als het gaat over de zwemlessen. Ik zei: ik ga dat intern bespreken, maar ik heb inmiddels doorgekregen, dat over zwemlessen voor kinderen al afspraken zijn gemaakt met het zwembad en dat het betaald wordt uit het jeugdfonds sport en cultuur. Daar wordt gebruik van gemaakt. De heer Xhemaili weet dan ook, dat we er al mee bezig zijn en uit gaan voeren. De voorzitter: Gelukkig maar, want het is zoiets afschuwelijks. Dank u wel. 7a. Actualiteiten uit het college De voorzitter: Ik wil het college vragen om ons schriftelijk te melden over actualiteiten. Dat wil de griffie vast doorsturen. Ik had begrepen, dat de heer Kampinga ook nog een vraag had over de vorige lijst. Dat moeten we ook maar even op die manier doen, want volgens mij is niemand er meer echt bij. 7b. Actualiteiten uit de commissie De voorzitter: Hiervan durf ik te zeggen, dat die er niet zijn. 7c. Verbonden partijen De voorzitter: Ook niet vanuit verbonden partijen. 8. Rondvraag en sluiting De voorzitter, om 00.20 uur (9 april 2021): De rondvraag is reeds beantwoord. Ik wil wel voorstellen, dat ik in de volgende commissievergadering even een paar minuten een ordedebat heb over het fenomeen: wat doen we als het twaalf uur dreigt te worden. Willen we doorgaan zoals nu? Of wil u dan om half twaalf stoppen? Ik ben uw voorzitter, maar ik doe het voor u.
Ik wil dat in een volgende vergadering even
35/36
aan de orde stellen, dat we daar ook allemaal gelukkig mee zijn. Vanuit het gemeentehuis wens ik u nog een rustige nacht. Ik sluit de vergadering.
Verslag opgesteld door Marianne Jansen, Lothassa Secretarie, met behulp van geluidsopname.
36/36
5.a Rol gemeente bij controleren jeugdzorgaanbieders en bij voorrang urgente zorg - ingebracht door CU 1 T21.03640 Rol van de gemeente (1) bij het controleren van de gecontracteerde jeugdzorgaanbieders op kwaliteit van zorg en (2) bij het voorrang geven aan de meest urgente zorg.
AGENDEREN BESPREEKPUNT COMMISSIE SAMENLEVING Registratienummer : (In te vullen door de raadsgriffie) De commissie Samenleving in vergadering bijeen d.d. 20 mei 2021 Onderwerp: Rol van de gemeente (1) bij het controleren van de gecontracteerde jeugdzorgaanbieders op kwaliteit van zorg en (2) bij het voorrang geven aan de meest urgente zorg. Reden om onderwerp op agenda te plaatsen: Al langere tijd wordt onze gemeente net als veel andere in Nederland geconfronteerd met oplopende tekorten op de jeugdhulp. Zo gaven gemeenten in 2019 1,6 à 1,8 miljard euro meer uit aan jeugdzorg dan dat ze aan middelen vanuit het Rijk hiervoor ontvangen. Deze financiële zorgen kunnen afleiden van waar het bij deze zorgplicht om gaat. Laten we ons hierbij concentreren op jeugdhulp; jeugdzorg omvat naast jeugdhulp ook jeugdbescherming en jeugdreclassering. Jeugdhulp omvat een breed palet aan aandachtsgebieden met uiteenlopende complexiteit, van eenvoudige opvoedvragen tot jeugd-ggz. Tot de laatste behoren de 1 tot 1,5 duizend Nederlandse jeugdigen in gesloten jeugdzorg. De laatste tijd zijn meer en meer berichten verschenen dat zorgaanbieders misbruik maken van de ontstane markt:
Er is sprake van fraude, bijvoorbeeld in de zin van slechte zorg leveren. Zorgaanbieders shoppen in verschillende zorgwetten door bijvoorbeeld zorg te leveren via de Wet langdurige zorg nadat ze afgewezen zijn voor de Jeugdwet.
In de tussentijd nemen de problemen in de jeugdhulp toe zoals oplopende wachtlijsten. Het meest verontrustend is de selectie van jeugdigen met psychische problemen waarbij de jongeren die het meest dringend hulp nodig hebben onderaan de lijst komen. De wachttijd voor de specialistische ggz is opgelopen tot een jaar. Dit werd op 8 april in een rondvraag door collega-raadslid Leon Hoek gememoreerd. Op 6 april zegde de staatssecretaris Blokhuis in het vragenuurtje in de Tweede Kamer meer geld toe. Hij sprak over ‘extra geld’ maar weet nog niet hoeveel. Hij sprak over wetgeving ‘die eraan komt’, maar dat bleek een misrekening: deze ligt pas bij de Raad van State. Wel sprak hij onder andere over de situatie in Rotterdam waarvoor een bedrag van 4 miljoen nodig was om de honderden op de wachtlijst te kunnen helpen. Ook benoemde de staatssecretaris dat de gemeenten aan zet zijn, dat zij ‘de zorgcowboys dienen te ontmaskeren en buitenspel te zetten’ (mijn woordkeus). Hij ziet de oplossing deels in regionale samenwerking en ‘bovenregionale ondersteuningsteams’. Zie bijlage voor vier recente artikelen over deze problematiek. (De beide nieuwsbrieven citeren zonder commentaar uit andere bronnen zoals dagbladen en online periodieken.) Ook als bijlage vindt u het AEF-rapport naar financiële tekorten in de jeugdzorg, dat mede in opdracht van de VNG werd uitgevoerd.
Te bespreken in de commissie:
Herkent de commissie de hierboven geschetste problemen? Welke aanbevelingen heeft de commissie over de volgende zaken; is hierbij het overhevelen
van een deel van de verantwoordelijkheid naar de Jeugdregio voldoende garantie dat aan de vereisten van de Jeugdwet wordt voldaan – indien niet, hoe dient onze gemeente dan te handelen: o Hoe stelt onze gemeente fraude van zorgaanbieders vast? o Hoe voorkomt onze gemeente – al dan niet in de Jeugdregio Rijnmond – dat een frauderende of ondermaats presterende zorgaanbieder elders zijn slag slaat? o Hoe oefent onze gemeente druk uit op zorgaanbieders om de jeugdigen met de meest nijpende problematiek voorrang bij hulpverlening te laten krijgen? o Is onze gemeente in staat de jeugdpsychiatrische zorg te regelen? o Hoe sluit de gemeente aan bij de door de staatssecretaris genoemde Rotterdamse analyse om een deel te ontvangen van de hiervoor toegezegde 4 miljoen, of vloeit dit nog te ontvangen geld automatisch naar de GRJR? o Hoe organiseert onze Regio de door de staatssecretaris genoemde bovenregionale ondersteuningsteams? Beantwoording vragen door het college 1. Hoe stelt onze gemeente fraude van zorgaanbieders vast? Fraude binnen het sociaal domein kan worden vastgesteld en gehandhaafd door toezichthouders. In onze gemeente voert de toezichthouder sociaal domein het toezicht op rechtmatigheid van zorg uit. Deze toezichthouder onderzoekt op basis van signalen of er sprake is van bijvoorbeeld onrechtmatige declaraties of valsheid in geschrifte.
Indien nodig kan de toezichthouder op basis van zijn bevindingen handhaven op vastgestelde fraude. 2. Hoe voorkomt onze gemeente – al dan niet in de Jeugdregio Rijnmond – dat een frauderende of ondermaats presterende zorgaanbieder elders zijn slag slaat? Landelijk: Gemeente Lansingerland is aangesloten bij het InformatieKnooppunt Zorgfraude (IKZ) onder de vleugels van het regionaal platform fraudebestrijding. Dit landelijke platform bundelt en deelt fraudesignalen over zorgaanbieders die zorg leveren op grond van de WMO, Jeugdwet, Wet Langdurige Zorg en de Zorgverzekeringswet. Regionaal: In samenwerkingsverbanden tussen toezichthouders rechtmatigheid in zowel Rotterdam als Haaglanden worden fraude-signalen besproken. Op die manier probeert gemeente Lansingerland een frauderende of ondermaats presterende jeugdzorgaanbieder buiten de deur te houden. Andersom worden ervaringen uit Lansingerland ook gedeeld met het IKZ en gemeenten in de regio. 3. Hoe oefent onze gemeente druk uit op zorgaanbieders om de jeugdigen met de meest nijpende problematiek voorrang bij hulpverlening te laten krijgen? Jeugdigen met de meest nijpende problematiek hebben vermoedelijk het meest baat bij zorg vanuit de specialistische GGZ, dit kopen we in met de GRJR. Binnen de GRJR voeren we sowieso de reguliere contractmanagement gesprekken waarin dit aan bod komt.
Daarnaast hebben we voor alle percelen Zorglandschapstafels, zo ook voor perceel E, ZLT-E. Aan deze tafel zitten de zorgaanbieders, contractmanagers én een vertegenwoordiging van gemeenten en hier worden afspraken gemaakt rondom de jeugdigen op de wachtlijst om te zoeken naar passende oplossingen. Men is ook bezig met een voorstel rondom ‘Triage en trajectregie’ en het verbeteren van de monitoring van de wachtlijsten. Daarnaast zijn we aan de slag met Doorbraakaanpak voor jeugdigen die een jeugdbeschermingsmaatregel nodig hebben. Hier richten wij op het zo snel als mogelijk een doorbraak te realiseren en de juiste zorg in te zetten. 4. Is onze gemeente in staat de jeugdpsychiatrische zorg te regelen? Voorop staat dat onze gemeente er alles aan doet om de zorg voor de jeugdigen zo goed als mogelijk te regelen. Dit betekent dat wij zowel lokaal als regionaal altijd goed monitoren hoe de situatie in het jeugdhulplandschap er uit ziet. Dat gezegd hebbende, gaat helaas niet altijd alles alleen maar goed. Het is soms heel complex om de juiste passende zorg te organiseren omdat de vraag momenteel groter is dan het
aanbod, de Covid19 pandemie speelt hier een grote rol in. Zodra wij signalen door krijgen, handelen wij hier direct naar. Wij zijn als gemeente ook druk bezig om duurzame lange termijnoplossingen te bedenken, dit vraagt alleen wel tijd en menskracht en is niet van de ene op de andere dag geregeld maar wij voelen zeker de urgentie en handelen hier ook naar. 5. Hoe sluit de gemeente aan bij de door de staatssecretaris genoemde Rotterdamse analyse om een deel te ontvangen van de hiervoor toegezegde 4 miljoen, of vloeit dit nog te ontvangen geld automatisch naar de GRJR? Het is voor de beleidsadviseur onduidelijk om welke toegezegde 4 miljoen dit gaat en welke te ontvangen gelden worden bedoeld. Ook bij navraag is dit niet duidelijker geworden. 6. Hoe organiseert onze Regio de door de staatssecretaris genoemde bovenregionale ondersteuningsteams? Als hiermee de bovenregionale expertisecentra specialistische jeugdhulp wordt bedoeld dan geldt het volgende: Het expertisecentrum krijgt de taak om te zorgen dat er op de korte termijn passende oplossingen komen voor jongeren met complexe en meervoudige problematiek die nu vastlopen in de zorg. Op de lange termijn moet het expertisenetwerk bijdragen aan ketenbreed leren, het verbeteren van behandelingen en het tijdiger inzetten van passende hulp zodat het complexer worden van problematiek voorkomen wordt.
Rotterdam coördineert dit voor onze regio.
Ondertekening en naam, Paul Lieverse, ChristenUnie
1 T21.03641 Bijlage bij bespreekpunt Jeugdzorg
Bijlage bij bespreekpunt over Jeugdzorg Deze bijlage bevat vier artikelen: een uit Skipr (verzorgt nieuws over de zorg) en drie uit HuisartsVandaag (nieuwsbrief).
Blokhuis hint op extra geld voor jeugdhulp Skipr Redactie 6 april 2021
Staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid) denkt dat er extra geld naar de gemeenten moet om de jeugdhulpverlening te verbeteren, maar hij weet nog niet hoeveel. Tegelijk zei hij in de Tweede Kamer na vragen van GroenLinks dat er ook binnen het huidige budget nog veel organisatorisch valt te verbeteren om jongeren met acute zorgvragen sneller te kunnen helpen. Veel partijen willen dat er snel iets gebeurt aan de lange wachtlijsten voor jongeren, die soms in grote psychische nood verkeren, onder meer door depressieve en soms suïcidale klachten. De geestelijke gezondheidszorg (ggz) en de inspectie sloegen daar de afgelopen tijd alarm over. Blokhuis ziet deze problemen bij nogal wat gemeenten en vindt ook dat er iets moet gebeuren. “Het systeem dreigt uit zijn voegen te klappen.” Hij wees op een wetsvoorstel dat wordt voorbereid om het systeem te verbeteren. Geen plus Sinds 2015 krijgen gemeenten een zak geld om de jeugdhulp te verlenen. Het idee erachter was dat de zorg beter en sneller zou worden verleend, omdat de hulp dichterbij wordt georganiseerd. Maar volgens onder meer SP en PvdA is het alleen maar slechter geworden, ook omdat er tegelijk werd bezuinigd. Volgens Blokhuis is die besparing voor een deel hersteld maar kwam er “geen plus” bij. Te kort Jaarlijks gaat er 3,8 miljard euro naar de gemeenten voor jeugdhulp.
“In Nederland wordt hiervoor relatief veel geld uitgetrokken”, zei Blokhuis na afloop van het debatje. Volgens hem geven gemeenten elk jaar echter 1,6 tot 1,8 miljard euro meer uit aan de jeugdzorg. Hij denkt dat een deel van de problemen in de jeugdhulp echt wordt veroorzaakt door een financieel gat, maar ook deels door bijvoorbeeld te weinig samenwerking. Een commissie komt op korte termijn met een advies hierover. Ondersteuningsteams Om op korte termijn de jeugdzorg te verbeteren, kunnen gemeenten, ggz-instellingen en zorgverzekeraars wat Blokhuis betreft nog beter met elkaar samenwerken. Bovenregionale ondersteuningsteams helpen daarbij. Ook zijn er voorbeelden van instanties die ervaringsdeskundigen in stelling brengen om jongeren die het moeilijk hebben alvast te helpen. (ANP) Lees ook ‘Richt jeugdzorgpreventie op gezinnen die risico lopen’
1
Drie recente artikelen over de jeugdzorg uit HuisartsVandaag1 Markt met aanbieders voor jeugdzorg is geëxplodeerd Frauderende zorgbedrijven kunnen gewoon zorg blijven aanbieden en gecontracteerd worden Verontrustend rapport van de inspectie over de problemen in de jeugd-ggz
Markt met aanbieders voor jeugdzorg is geëxplodeerd 30 mrt 2021 Sinds gemeenten verantwoordelijk zijn voor jeugdzorg, is de markt geëxplodeerd. Voor de stelselwijziging in 2015 telde Nederland 384 jeugdzorgaanbieders. Volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd zijn dat er nu ruim 6000 met Gelderland als onbetwiste koploper. En dat leidt tot grote problemen, zo bericht de regionale krant De Stentor naar aanleiding van onderzoek regionale kranten in samenwerking met het journalistieke onderzoeksplatform Follow the Money. Meer dan verdriedubbeld De Kamer van Koophandel registreerde in 2014 in totaal 1180 vestigingen waar jeugdzorg wordt aangeboden. Nu zijn dat er 4186, meer dan een verdriedubbeling. In de provincie Gelderland is de groei cijfermatig het hardst toegenomen van 175 vestigingen in 2014 naar 857 in 2021. In Overijssel groeide het aantal vestigingen van 99 naar 286 en in Flevoland ging het van 24 naar 124. ‘Open huis’ Voor een belangrijk deel veroorzaakten gemeenten deze groei zelf door de manier waarop zij jeugdzorg inkopen. Tussen 2017 en 2020 deden veruit de meeste gemeenten dat via een ‘open huis’-constructie. Elke aanbieder die voldoet aan de door de gemeente gestelde eisen, krijgt een contract. Inwoners mogen vervolgens zelf kiezen bij welke zorgaanbieder zij in behandeling willen.
Versnipperde jeugdzorgmarkt De groei van het aantal aanbieders heeft geleid tot een versnipperde jeugdzorgmarkt. Gemeenten zijn hier niet blij mee omdat ze de grip op de uitgaven verliezen. Inwoners die aangewezen zijn op jeugdzorg zien door de bomen het bos niet meer. In een relatief bescheiden gemeente als Putten (ruim 24.000 inwoners) waren in 2018 bijvoorbeeld 67 aanbieders actief, een jaar later waren dat er zelfs 95. De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd noemt deze aanwas een onwenselijk. “De versnippering maakt de markt onoverzichtelijk, voor ons, maar ook voor gemeenten die zorg moeten inkopen”, zegt hoofdinspecteur Jeugd en Gezondheid Korrie Louwes. “We hadden bij de invoering van de decentralisatie het tegenovergestelde verwacht. In plaats daarvan is de markt geëxplodeerd.” 1
Let op: vanwege copyright is deze kopie alleen voor eigen gebruik van het commissielid.
2
Frauderende zorgbedrijven kunnen gewoon zorg blijven aanbieden en gecontracteerd worden 30 mrt 2021 Zorgbedrijven die fraude plegen of slechte zorg bieden, kunnen zaken blijven doen met de overheid, zo blijkt uit onderzoek van de regionale krant De Gelderlander en het platform voor onderzoeksjournalistiek Follow the Money. Zorgaanbieders die door een gemeente of zorgverzekeraar de deur uit gezet zijn omdat ze fraude pleegden of slechte zorg leverden, hebben bij andere overheden – zoals het ministerie van Justitie – gewoon weer nieuwe contracten gekregen. Daardoor bieden bedrijven die dus als ‘ongeschikt’ zijn bestempeld nu zorg aan ex-gevangenen en ex-tbs’ers. Wildwest voor zorgcowboys Tbs-deskundige Jos Poelmann, voorheen directeur van de tbs-Pompekliniek in Nijmegen, maakt zich zorgen over deze gang van zaken. “Als je ex-delinquenten plaatst bij een zorg instelling, moet je deze bedrijven extra goed screenen. Het verbaast me heel erg dat dit niet wordt gedaan. Het gevaar is dat er ongelukken gebeuren als de plaatsing niet goed is. Dan neem je maatschappelijke risico’s.” SP-Kamerlid Michiel van Nispen spreekt over een ‘wildwest voor zorgcowboys’.
“Door de bizarre marktwerking en inkooprelaties, door gebrekkige wetten en regels, inadequaat toezicht en een gemankeerde informatie-uitwisseling kan het gebeuren dat zorg die niet deugt toch kan en mag worden geboden aan een andere groep patiënten.” Tekort aan justitiële zorgplekken Uit het onderzoek van Follow the Money en De Gelderlander blijkt dat zorgaanbieders kunnen shoppen in vijf verschillende zorgwetten. Als ze voor de Jeugdwet of de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zijn afgewezen, kunnen ze gewoon nog zorg blijven leveren via de Wet langdurige zorg, de zorgverzekeringswet of de Wet forensische zorg. Het ministerie van Justitie en Veiligheid zegt in een reactie dat bij het maken van de zorgafspraken is gekeken hoe met zoveel mogelijk zorgbedrijven een contract afgesloten kon worden. Dit omdat er een tekort is aan justitiële zorgplekken. Uit een rapport van de Inspectie Justitie en Veiligheid blijkt dat bij de contractafsluitingen niet vooraf wordt gekeken hoe de kwaliteit van een zorgbedrijf is. Indien een gemeente of zorgverzekeraar een zorgbedrijf weigert, is dat voor Justitie niet direct een reden om in te grijpen. Overheid kijkt weg en is te laks Dat het ministerie van Justitie en Veiligheid zo laks omgaat met het selecteren van goede zorgverleners is ronduit ernstig, vindt Van Nispen.
“Het ministerie zou juist de sheriff moeten zijn die de cowboys tot de orde roept. Maar in plaats daarvan staat het erbij en kijkt het rustig toe terwijl de cowboys hun gang kunnen gaan.” Ook Tweede Kamerlid Attje Kuiken van de PvdA vindt dat de overheid wegkijkt en te laks is. “Er moeten duidelijke kwaliteitseisen komen en het toezicht van de inspectie mag geen tandeloze tijger meer zijn. Ik kan niet accepteren dat we zorgaanbieders rond laten shoppen waardoor frauderende organisaties ruim baan krijgen en kwetsbare cliënten de dupe zijn.”
3
Verontrustend rapport van de inspectie over de problemen in de jeugd-ggz 17 mrt 2021 De hulp aan jeugdigen met psychische problemen schiet volgens de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) op basis van eigen onderzoek tekort. “De knelpunten zijn vergroot en verscherpt. Instellingen hebben onvoldoende personeel en geld om aan de complexe hulpvragen te voldoen. De wachtlijsten worden steeds langer. Dit is een ernstige situatie”, schrijft de inspectie in haar rapportage waarover de redactie van de website Skipr bericht. De inspectie roept het kabinet, gemeenten en zorgaanbieders op om snel samen te werken om de problemen op te lossen. “Behalve de problemen in de hulp voor jeugdigen, zijn er ook stelselproblemen die vragen om een structurele bovenregionale aanpak.” Volgens de inspectie is de afstemming en samenwerking op regionaal niveau ‘onvoldoende’. De IGJ bezocht in januari en februari in zes regio’s twintig instellingen die werken met jeugdigen en ouders, onder andere ggz-instellingen, wijk- en jeugdteams, Veilig Thuisorganisaties, jeugdgezondheidszorg en kinder- en jeugdartsen. De mentale problemen van veel jongeren die voor de coronacrisis al in moeilijkheden zaten, zijn zo toegenomen dat zij “dringend hulp nodig hebben”, stelt de IGJ.
Doorstroming naar de juiste hulp loopt vast Er is sprake van toename in aantal en ernst van complexe en chronische problematiek bij jongeren. Dit gaat over suïcidaliteit, verslaving, gedragsproblematiek, eetstoornissen en zelfbeschadiging. De inspectie heeft daarnaast zorgen over de toename van jeugdigen onder de vijftien jaar die hulp nodig hebben. De IGJ verwacht dat de vraag naar psychische hulp onder jeugdigen de komende tijd verder toeneemt. De inspectie constateert verder een tekort aan specialistische behandelprogramma’s voor jeugdigen met ernstige problemen. Al voor de crisis waren er wachtlijsten voor de reguliere jeugd-ggz en de gespecialiseerde jeugd-ggz. Het aantal jeugdigen dat wacht op hulp is fors toegenomen. De ggz-aanbieders kunnen niet al deze jeugdigen opvangen en doorstroming naar de juiste hulp loopt vast. Wachttijden van een jaar of meer In een regio constateert de IGJ dat de wachttijd voor de specialistische ggz is opgelopen tot een jaar. Bij één instelling staan 700 jeugdigen op de wachtlijst en in een regio wachten 1000 jongeren op zorg. Bij een andere instelling loopt de wachttijd voor vervolgzorg op van dertig naar zestig weken. Hier gaat het om de doorstroom van jeugd-ggz naar volwassen ggz. Eén instelling heeft meer dan vijftig wachtenden onder de achttien jaar voor hulp bij hun eetstoornis.
Kritiek op bekostigingsmodel De IGJ bekritiseert de systematiek van het bekostigingsmodel: “Aanbieders krijgen betaald voor het resultaat. Het is dan aantrekkelijker om laag-complexe zorg te bieden, omdat resultaten voor de hulp aan jeugdigen met ernstige problemen onzeker zijn. Hierdoor ontstaat een tekort aan hulp voor complexe problemen. In een aantal regio’s zorgen budgetplafonds ervoor dat instellingen geen cliënten meer op kunnen nemen, omdat het geld op is.”
4
1 T21.03642 Bijlagen bij bespreekpunt Jeugdzorg Stelsel in groei
Een onderzoek naar financiële tekorten in de jeugdzorg daarmeekostenontwikkIrene
Stelsel in groei
Datum 15 december 2020
Opdrachtgever Ministerie van VWS, BZK, Financiën en JenV, en de VNG
Onderzoeksteam Aukje Hilderink, projectleider, a.hilderink@aef.nl Irene Niessen, eindverantwoordelijk partner Annemiek de Nooijer Carmen van Schoubroeck Djoeke Schoonenberg Gillian Lustermans Carlijn van Helmond Lieke Groen Vivian Hemmelder Thijs van den Broek Ruben Jansen
Foto voorblad Patricia Rehe / Hollandse Hoogte
Referentie GV572/eindrapportage
Inhoud Stelsel in groei 1 Inleiding: de achtergrond van het onderzoek
4
2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel
7
3 Ontwikkeling van kosten, budget en volume
12
4 Het effect van preventie en vroegsignalering
17
5 Andere uitgangspunten van de Jeugdwet
22
6 Sturingsmogelijkheden binnen de Jeugdwet
27
7 Mogelijkheden voor het Rijk
32
8 Conclusies en adviezen
35
Bijlagen
44
A Onderzoeksverantwoording
45
B Analyse van kosten, budget en volume
69
C Analysekader boeggolf
97
D Het effect van preventie en vroegsignalering
112
E Resultaten per maatregel
130
GV572
3
1 Inleiding: de achtergrond van het onderzoek
De verantwoordelijkheid voor jeugdzorg is sinds 2015 gedecentraliseerd naar gemeenten Sinds 2015 zijn gemeenten verantwoordelijk voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Een van de gedachten achter de decentralisatie was dat gemeenten deze jeugdzorg beter en efficiënter zouden kunnen organiseren, omdat zij dichter bij de jongeren en hun gezinnen staan en daardoor eerder en effectiever voor de juiste zorg zouden kunnen zorgen. Daardoor zou duurdere, meer gespecialiseerde zorg op termijn voorkomen kunnen worden. De afgelopen jaren is er veel discussie over het budget voor de Jeugdwet Direct na de decentralisatie leken de kosten nog stabiel te blijven, maar daarna leken ze eerder toe te nemen dan te dalen. Gemeenten hebben mede hierdoor in de afgelopen jaren te maken gekregen met tekorten. Het Rijk heeft daarop extra geld toegezegd; eerst voor de gemeenten met de grootste tekorten op de nieuwe taken jeugd en Wmo via het Fonds Tekortgemeenten, en later in een extra financiële bijdrage voor jeugd voor alle gemeenten (400 miljoen euro voor 2019, en 300 miljoen euro per jaar van 2020 tot en met 2022). Er is behoefte aan meerjarige zekerheid over het benodigde budget Eerdere onderzoeken1 hebben inzicht gegeven in de ontwikkeling van het jeugdhulpgebruik sinds de decentralisatie.
Op basis van die onderzoeken was het echter nog niet mogelijk om een eenduidig antwoord te geven op de vraag hoe het gebruik en de kosten zich in de komende jaren zullen ontwikkelen: is de stijging in kosten en volume structureel, of is er sprake van een boeggolf-effect? Ook was onvoldoende helder of de Jeugdwet op dit moment doelmatig en doeltreffend wordt uitgevoerd. Daarom was niet duidelijk of er structureel extra middelen nodig waren. Om zowel gemeenten als het Rijk meerjarige zekerheid te geven over het jeugdhulpbudget is dit onderzoek uitgezet. Het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van Rijk en VNG Het onderzoek is uitgevoerd onder gedeeld opdrachtgeverschap van de ministeries van VWS, BZK, Financiën en JenV, en de VNG. Voor het onderzoek zijn een begeleidingsgroep en een stuurgroep samengesteld. Belangrijke keuzes en aannames zijn steeds besproken in de begeleidings- en stuurgroep. In de begeleidingsgroep zaten naast de opdrachtgevers ook enkele leden namens de branches gespecialiseerde zorg voor jeugd (BGZJ) en enkele
Benchmarkanalyse uitgaven jeugdhulp in 26 gemeenten, Significant, 2019; Analyse volume jeugdhulp, Significant, 2019; Inzicht in besteding jeugdhulpmiddelen, KPMG, 2020. 1
GV572
4
individuele gemeenten. In de stuurgroep hadden vertegenwoordigers op directeurenniveau van de opdrachtgevers zitting. Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeks- en adviesbureau Andersson Elffers Felix (AEF) in samenwerking met het Verwey-Jonker Instituut. Het eindrapport is onder verantwoordelijkheid van AEF tot stand gekomen. Voor het onderzoek hebben we een breed team samengesteld met onderzoekers en adviseurs met kennis van zowel het jeugdstelsel (en knelpunten daarbinnen) als gemeentefinanciën, en brede ervaring met verschillende onderzoeksmethoden. Het Verwey-Jonker Instituut is betrokken om aanvullende kennis op te doen over de kwalitatieve effecten van de onderzochte maatregelen. Centrale vraag in het onderzoek is welk budget structureel nodig is bij een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet In dit onderzoek stond de vraag centraal of er structureel extra middelen nodig zijn om de Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uit te voeren, en welke maatregelen er genomen kunnen worden om de kosten te verminderen. Het onderzoek was daarmee bedoeld als solide basis voor het gesprek over de middelen die structureel nodig zijn voor jeugdhulp.2 Om dit doel te bereiken zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld: 1.
Hoeveel budget hebben gemeenten structureel nodig voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de huidige Jeugdwet, binnen de context van de transformatiedoelen van de Jeugdwet? 2. Welke (budgettaire) maatregelen kunnen worden genomen om te bereiken dat gemeenten de Jeugdwet doelmatig en doeltreffend uitvoeren? 3. Gegeven de uitkomst van vraag 1), zijn er structureel extra middelen nodig ten opzichte van het huidige budget, en zo ja in welke mate, gegeven een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet? 4. Welke aanpassingen in de Jeugdwet/jeugdstelsel kunnen bijdragen aan een beperking van de uitgaven vanuit de Jeugdwet? In het onderzoek is de huidige uitvoering van de Jeugdwet als vertrekpunt genomen, en zijn mogelijkheden onderzocht om de kosten te verlagen In het onderzoek is het huidige kostenniveau van gemeenten als uitgangspunt genomen. Met diverse onderzoeksmethoden is vervolgens bekeken in hoeverre de kosten verlaagd zouden kunnen worden door maatregelen om doelmatiger te werken, of door aanpassingen aan de Jeugdwet. In overleg met de begeleidings- en stuurgroep hebben we daarbij de volgende scope gehanteerd: - Het doel van het onderzoek is het budget te bepalen dat gemeenten nodig hebben voor een doelmatige en doeltreffende uitvoering van de Jeugdwet. Dat betekent dat maatregelen uitvoerbaar moeten zijn voor gemeenten.
Maatregelen die onvoldoende geoperationaliseerd konden worden of voor gemeenten geen sturingsmogelijkheden
Het gaat daarbij in dit onderzoek specifiek om het macro-budget, en niet om de verdeling daarvan over gemeenten. Ook lopende discussies over de financieringssystematiek in brede zin, bijvoorbeeld de trap-op-trap-af systematiek, het accres en opschalingskorting vallen niet binnen het bereik van dit onderzoek. 2
GV572
5
bevatten, zijn daarom niet meegenomen. Ook maatregelen die naar verwachting niet gekwantificeerd zouden kunnen worden zijn niet meegenomen.3 - In het onderzoek is uitgegaan van mogelijkheden binnen de huidige interpretatie van de Jeugdwet. Hoewel we wel gekeken hebben naar specifieke potentiële wetswijzigingen, is niet onderzocht wat het effect zou zijn als de huidige uitgangspunten van de Jeugdwet zouden worden losgelaten. - Binnen dit onderzoek kijken we specifiek naar interventies en effecten op kosten binnen het kader van de Jeugdwet. We beseffen ons dat we de werkelijkheid daarmee sterk versimpelen; inzet in andere wettelijke kaders kan immers invloed hebben op kosten van jeugdzorg, en andersom. Als deze relaties er zijn, beschrijven we ze wel kwalitatief. - Bij de start van dit onderzoek brak de coronacrisis uit. De effecten hiervan op jeugdhulpgebruik zijn niet meegenomen. Er waren ten tijde van het onderzoek alleen gegevens uit 2019 beschikbaar (vóór de coronacrisis) en er was nog onvoldoende bekend over de effecten van de coronacrisis. Op basis van de cijfers over jeugdhulpgebruik in de eerste helft van 2020 lijkt het jeugdhulpvolume verminderd te zijn,4 maar het is nog niet duidelijk wat dit op langere termijn betekent. In bijlage A Onderzoeksverantwoording staat in detail toegelicht hoe het onderzoek is uitgevoerd, en welke keuzes hieraan ten grondslag liggen.
In dit rapport beschrijven we de resultaten in de context van de uitgangspunten van de Jeugdwet We hebben een groot aantal aspecten van de (uitvoering van) de Jeugdwet onderzocht om tot een gedegen onderbouwing te komen. Het resultaat is een omvangrijk onderzoek, met een groot aantal details. Voor de leesbaarheid van deze rapportage hebben we geprobeerd deze hoofdtekst zo beknopt mogelijk te houden. De onderbouwing van de hoofdlijnen is te vinden in de bijlagen. We gaan in dit rapport eerst in op de beleidsdoelen en uitgangspunten van de Jeugdwet (hoofdstuk 2). Vervolgens bespreken we in hoofdstuk 3 de ontwikkeling van de kosten in de laatste vijf jaar, en duiden we die aan de hand van ontwikkelingen in het volume. Daarna gaan we nader in op de aanname dat deze kosten na verloop van tijd zouden moeten dalen door inzet van preventie en vroegsignalering (een effect dat ook wel de “boeggolf” wordt genoemd). We staan ook stil bij de andere uitgangspunten bij de Jeugdwet en de invloed die deze hebben op het kostenniveau (hoofdstuk 4 en 5). Vervolgens maken we in hoofdstuk 6 de stap naar de mogelijkheden die gemeenten hebben om kosten te verlagen binnen de bestaande wettelijke kaders, door de Jeugdwet doelmatiger uit te voeren. In hoofdstuk 7 kijken we naar mogelijke aanpassingen aan de wettelijke kaders om het budgettaire beslag van de Jeugdwet te verlagen.
Tot slot staan we stil bij de conclusies uit het onderzoek, en de adviezen op basis van de conclusies.
Daarmee is overigens niet gezegd dat deze niet effectief kunnen zijn; wel dat ze binnen de context van dit onderzoek geen bruikbare resultaten opleveren. 3
https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/44/ruim-1-op-de-12-jongeren-ontvangt-jeugdzorgin-eerste-helft-2020. 4
GV572
6
2 Jeugdzorg in een veranderend stelsel
Met het grootste deel van de Nederlandse jeugd gaat het goed Over het algemeen gaat het goed met de Nederlandse jeugd. Zo prijkt Nederland al bovenaan de ranglijst voor het welzijn van kinderen sinds het eerste onderzoek hiernaar in 2007.5 Deze eerste plaats is vooral te danken aan het mentale welzijn: 90% van de vijftienjarigen is tevreden met zijn of haar leven.6 Voor kinderen en jongeren waar het niet goed mee gaat, is er jeugdzorg Niet met alle kinderen gaat het vanzelf goed. Zo zijn er kinderen met een beperking, kinderen met GGZ-problematiek, en gezinnen waarin problemen zijn met opvoeden en opgroeien. Voor deze kinderen is er jeugdzorg. Om te zorgen dat ze kunnen meedoen aan de maatschappij, dat ze kunnen herstellen van mentale problemen, en dat ze veilig kunnen opgroeien. De bedoeling van de Jeugdwet van 2015 was om betere jeugdzorg te bieden voor minder kosten In de afgelopen decennia is er regelmatig discussie geweest over de jeugdzorg en is op verschillende manieren geprobeerd om de jeugdzorg te verbeteren. Het beeld was dat dit werd bemoeilijkt doordat de jeugdzorg versnipperd was over drie verschillende wettelijke stelsels, terwijl preventie bij gemeenten was ondergebracht. Tegelijkertijd namen de kosten tussen 2000 en 2010 toe, wat vragen opriep over de mate waarin de juiste kinderen bereikt werden.
Naar aanleiding van de gesignaleerde problemen werd besloten om de jeugdzorg naar gemeenten te decentraliseren. Gemeenten werden verantwoordelijk voor een breed palet aan jeugdzorg, met de bedoeling om op een nieuwe manier te gaan werken. Deze nieuwe werkwijze zou naast een toename van de kwaliteit ook tot een kostenbesparing moeten leiden; daarom hebben Rijk en gemeenten afgesproken om vanaf de decentralisatie in 2015 in drie jaar tijd oplopend 450 miljoen euro te bezuinigen op het jeugdzorgbudget. Naast deze algemene taakstelling zijn ook enkele specifieke kortingen toegepast op het budget. 7
Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef, 2020; Child well-being in rich countries, A comparative overview, Unicef, 2013; Child poverty in perspective: An overview of child well-being in rich countries, Unicef, 2017. 5
Worlds of influence, Understanding what shapes child well-being in rich countries, Unicef, 2020. 6
Het betrof bijvoorbeeld de korting op begeleiding, persoonlijke verzorging en PGB’s, zie bijvoorbeeld Macrobudget Jeugdwet en Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, Algemene Rekenkamer, 2014. 7
GV572
7
2.1 De doelen van de Jeugdwet In deze paragraaf gaan we in op de doelen van de Jeugdwet. Om deze beter invoelbaar te maken, hebben we in deze paragraaf ook de ervaringsverhalen van Kim8 opgenomen. Kim is een jongere die veel ervaring heeft met jeugdhulp, zowel voor als na de decentralisatie. Zij heeft in eigen woorden en aan de hand van haar eigen historie beschreven waarom zij de doelen belangrijk vindt. De woorden van Kim staan als illustraties bij de tekst. De Jeugdwet gaat meer uit van preventie en de eigen kracht van gezinnen Een van de problemen in de jeugdzorg was dat gezinnen het gevoel hadden dat zij werden ‘overgenomen’ door jeugdzorgmedewerkers waarvan de werkwijze niet aansloot bij het gezin. De jeugdhulp was daardoor vaak minder effectief dan mogelijk. In de nieuwe Jeugdwet stond aansluiten bij de eigen mogelijkheden en het eigen netwerk van het gezin daarom centraal. Door meer uit te gaan van de eigen kracht van het gezin zou Jeugdhulp effectiever kunnen worden, en zou het ook mogelijk worden om sneller af te schalen. Aansluitend op de nadruk op eigen kracht werd er veel nadruk gelegd op preventie. Door gezinnen te versterken vóór problemen optreden, zou de eigen kracht immers beter benut kunnen worden, en problemen voorkomen kunnen worden.
“Preventie is een van de belangrijkste dingen. Vroeg bij een probleem zijn, signalen herkennen van psychische problematiek of problemen in de thuisomgeving van een kind. Het kind de kans geven om er zelf aan te werken en zelf er verantwoordelijkheid in te nemen en ervoor te zorgen dat het niet ‘gek’ of ‘raar’ is. Het zou veel schelen als er een vroege herkenning is en het kind samen met de ouders hieraan kan werken bij organisaties in de buurt, die samen met hun en hun netwerk zoeken naar mogelijkheden. Op die manier kan er worden gezorgd voor preventie van ernstige problematiek, vroege herkenning en erkenning van problematiek en een snelle oplossing. Als de eerste mensen hierdoor al kunnen worden opgevangen, vermindert dit de wachttijden in de zorgorganisaties.” Kim, op basis van haar ervaringen in de jeugdhulp
Zowel het inzetten op eigen kracht als het inzetten op preventie zouden volgens de beleidstheorie tot lagere kosten voor jeugdzorg moeten leiden, omdat het jeugdhulptrajecten korter maakt of zelfs voorkomt. Demedicaliseren, ontzorgen en normaliseren zijn belangrijke doelen Als één van de oorzaken van het toenemende jeugdhulpgebruik werd de medicalisering van de samenleving genoemd. De indruk bestond dat zaken steeds sneller als probleem ervaren werden, en dat steeds eerder naar oplossingen in professionele hulpverlening gekeken werd. Een uitgangspunt van de Jeugdwet was daarom dat het van belang was om het algemene opvoedkundige klimaat te versterken, en meer de nadruk te leggen op welke gedragingen tot normale aspecten van opvoeden en opgroeien horen.