CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Evaluatie N2000 beheerplan IVOT.

Commissievergadering (CV) 10 maart 2022, gemeente landsmeerBij agendapunt: Bespreeknotitie GroenLinks33.659 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Strenge winters kunnen leiden tot een forse sterfte en dus lagere aantallen broedvogels in het jaar volgend op de strenge winter. De soort is gevoelig voor verstoring en het gebrek aan rust vormt dan ook een belangrijk knelpunt. Wandelaars, vissers en waterrecreanten kunnen verstoring veroorzaken. Doordat het nest op de grond wordt gemaakt is de soort daarnaast ook gevoelig voor predatie (Provincie Noord-Holland 2016a). Aantal en trends Het belang van vochtige of natte omstandigheden betekent ook dat de aantallen broedvogels in een gebied laag kunnen zijn na een droog voorjaar, wanneer de vestigingsomstandigheden niet optimaal zijn. Ook een strenge winter met veel vorst kan ervoor zorgen dat de aantallen roerdompen een terugval laten zien. Voor de roerdomp in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske geldt sinds 1990 een significante toename van < 5% per jaar. In de afgelopen 12 jaar (2008 – 2020), echter, is er geen trend meer aantoonbaar en lijken de aantallen gestabiliseerd (Figuur 6.7a), terwijl er sinds de aanmelding van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 sprake is van een afgenomen aantal broedparen roerdomp. De afgelopen vijf jaar ligt het aantal met gemiddeld 12 broedparen onder het instandhoudingsdoel van 17.

Landelijk is er echter zowel vanaf 1990 als over de afgelopen 12 seizoenen sprake van een significante toename van <5% per jaar (Figuur 6.1b). De ontwikkeling van de aantallen broedende roerdompen in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske blijft daarmee achter bij dat in de rest van Nederland.

56 (104)

(a)

Figuur 6.1

(b)

(a) Vastgestelde aantallen roerdompen als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De groene lijn geeft het doelaantal (17 broedparen) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal over de afgelopen vijf jaar. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende roerdompen in Nederland. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De roerdomp komt verspreid door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske voor met de hoogste aantallen broedparen in het Ilperveld, waar van 2002 tot 2007, net als in het Twiske (van 1999 tot 2005), nieuw nat biotoop is ontwikkeld4, geschikt als broedbiotoop voor de roerdomp (Provincie Noord-Holland, 2016a). Dit heeft echter niet geleid tot een duidelijke toename van het aantal broedparen in het gebied. De openheid, die nodig is voor het weidevogelbeheer in grote delen van het gebied, is mogelijk een knelpunt voor de roerdomp. Daarbij gaat het om het jaarlijks maaien van rietzomen voor de openheid van het gebied in het kader van het weidevogelgebied. Dit kan ten koste gaan van het foerageergebied en soms van het broedgebied van de roerdomp. Verstoring van rust door recreatie vormt binnen de gebiedsbegrenzing, en met name in het Twiske, een knelpunt voor de verstoringsgevoelige roerdomp. Het leefgebied van de roerdomp ondervindt geen negatief effect van stikstofdepositie. Conclusie De aantallen broedende roerdompen in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen onder het IHD van 17 broedpaar en de aantalsontwikkeling blijft achter bij de ontwikkeling op landelijk niveau.

Als waarschijnlijke oorzaken van de te lage aantallen roerdompen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske worden in het beheerplan de volgende drie oorzaken genoemd: · achteruitgang van broedhabitat door enerzijds de veroudering van bestaand jong rietland als anderzijds het uitblijven van nieuwe jonge verlanding; · achteruitgang van broedhabitat door het meer maaien van rietlanden voor openheid (weidevogels) en · predatie door vossen door minder faunabeheer.

4

“Plan Roerdomp”, Biotoopherstel voor Botaurus stellaris, Anas penelope en Limosa limosa in de SBZ “Ilperveld” LIFE02NAT/NL/8486

57 (104)

Daarbij wordt ook aangegeven dat hiervoor meer onderzoek nodig is, en dat er nieuwe petgaten gegraven worden die nieuw broedbiotoop zouden moeten bieden. De resultaten daarvan in termen van toenemende aantallen broedende roerdompen zijn op dit moment nog niet waarneembaar. Hoewel de ontwikkeling van geschikt biotoop mogelijk meer tijd nodig heeft, zijn er mogelijk ook aanvullende maatregelen nodig om meer geschikt broedgebied te creëren en te voldoen aan de instandhoudingsdoelstelling. Meer uitgestrekte velden met overjarig, nat rietland zulllen daarbij een positief effect kunnen hebben. Bij het creëren van geschikt leefgebied in de vorm van moerasontwikkeling op natte laagveenpercelen is het van belang dat verruiging en wilgopslag, waardoor het leefgebied weer ongeschikt zal worden, wordt voorkomen (Sovon Vogelonderzoek Nederland 2021). Ook een verminderde verstoring door recreatie, met name in Vogelrichtlijngebied het Twiske, zou een positieve bijdrage kunnen hebben op de aantalsontwikkeling (de andere deelgebieden zijn minder toegankelijk voor recreanten, zodat verstoring daar in mindere mate een knelpunt zal vormen). A081 Bruine kiekendief Soortbeschrijving en eisen leefgebied De moerasgebieden, en in mindere mate ook akkergebieden, van West- en NoordNederland vormen belangrijke gebieden voor de Nederlandse populatie bruine kiekendieven.

De soort broedt daar vooral in de drogere overjarige rietlanden. Dichtheden kunnen hoog zijn doordat nesten zich op korte afstand van elkaar kunnen bevinden (Sovon Vogelonderzoek Nederland 2021). Foerageren doet de soort in zowel rietmoerassen als ook in de omliggende agrarische gebieden tot op ongeveer 7 km afstand van het nest (Provincie Noord-Holland 2016a). De bruine kiekendief is gevoelig voor verstoring door onder andere recreatie. Een gebrek aan voldoende rust vormt dan ook een knelpunt voor het leefgebied van de soort. De recentelijke dalende trend van de aantallen in Nederland wordt met name veroorzaakt door verdroging van moerassen, de daarmee gepaard gaande predatie van nesten door vossen, verminderde voedselbeschikbaarheid in het agrarisch gebied en lokaal ook vervolging (Sovon Vogelonderzoek Nederland 2021). Aantal en trends Voor de bruine kiekendief geldt zowel landelijk als in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske sinds 1990 een significante afname van < 5% per jaar. Landelijk, en ook provinciaal, geldt deze negatieve aantalsontwikkeling ook voor de afgelopen 12 jaar, terwijl er binnen de gebiedsbegrenzing geen trend aantoonbaar is (Figuur 6.2). Dat laatste wordt veroorzaakt door een gebrek aan telgegevens.

Sinds de aanmelding van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 zijn de aantallen echter afgenomen in overeenstemming met de landelijke trend (Figuur 6.2). Over de afgelopen vijf jaar ligt het aantal broedparen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske met gemiddeld 10 broedparen onder het doelaantal van 15 broedparen.

58 (104)

(a)

Figuur 6.2

(b)

(a) Vastgestelde aantallen bruine kiekendieven als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De groene lijn geeft het doelaantal (15 broedparen) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal over de afgelopen vijf jaar. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende bruine kiekendieven in Nederland. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De bruine kiekendief wordt verspreid door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske waargenomen met de hoogste aantallen broedparen in het Ilperveld. Er is voldoende leefgebied van goede kwaliteit aanwezig binnen de Natura 2000-begrenzing, waar ook het graven van nieuwe petgaten aan bijdraagt (Provincie Noord-Holland, 2016a). Verstoring van rust door recreatie vormt binnen de gebiedsbegrenzing een knelpunt. Conclusie De aantallen broedende bruine kiekendieven in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen onder het IHD van 15 broedpaar. Verstoring van rust, veroorzaakt door recreatie, vormt vermoedelijk een knelpunt voor het bereiken van dit doelaantal. Echter ook andere factoren, die ook landelijk een rol spelen, zoals verdroging en een verminderd voedselaanbod in het agrarisch gebied, zullen bijdragen aan de negatieve aantalstrend. Aanvullende maatregelen zijn daarom nodig om te kunnen voldoen aan de IHD. Een beperking van verstoring door recreatie zal, net als voor de roerdomp, een positief effect op de aantallen kunnen hebben. A151 Kemphaan Soortbeschrijving en eisen leefgebied Als broedvogel is de kemphaan vrijwel verdwenen uit Nederland. Het instandhoudingsdoel voor kemphaan voor dit gebied is 20 hennen.

Alleen extensief benutte graslanden in Friesland en Noord-Holland, veelal met aangepast beheer, zouden nog enkele broedparen kunnen herbergen. De kemphaan is dan ook een van de meest kritische weidevogels. Het broedbiotoop bestaat uit een complex van vochtige en zeer natte en schrale extensief gebruikte graslandgebieden in open landschappen. De nestplaats bevindt zich doorgaans in vochtig, laag productief hooiland met in mei tot in laat juli een lage vegetatie (Howison et al. 2019; van 't Veer, van der Geld, and Scharringa 2009; Sovon Vogelonderzoek Nederland 2021). De soort foerageert in greppels van natte graslanden met een hoog grondwaterpeil in het voorjaar, op plas-draspercelen, en in ondiepe sloten en poelen met slikranden.

59 (104)

Voor een broedpaar is daarbij ongeveer 5 ha geschikt broedbiotoop nodig, omgeven door tweemaal dat oppervlak aan vochtig schraal grasland (Provincie Noord-Holland 2016a). De soort heeft voedselarme bodems met een vertraagde grasgroei nodig met een hoge grondwaterstand tussen mei en juli (< 20 cm onder maaiveld) en uitgesteld maaibeheer (Howison et al. 2019). Het opbrengen van mest, in welke vorm dan ook, maakt weilanden ongeschikt voor kemphanen. De jongen foerageren, samen met de vrouwtjes, op kortgrazige graslanden met minder dan 15 cm hoge vegetatie rond eind mei en een tot 2025 cm hoge vegetatie tot eind juli. De verlaging van het grondwaterpeil, intensieve bemesting, zware beweidingsdruk en andere bijverschijnselen van de moderne landbouw worden aangewezen als belangrijkste oorzaken van het verdwijnen van deze broedvogel. Aantal en trends Voor de kemphaan geldt zowel landelijk als in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske sinds 1990 een significante afname van > 5% per jaar, met minimaal een halvering in 15 jaar tijd. Over de afgelopen 12 jaar is er landelijk geen aantalsverandering meer geweest (met zeer lage aantallen) en op gebiedsniveau is er geen trend aantoonbaar vanwege afwezigheid van de soort (Figuur 6.3).

In de periode tussen het moment van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 tot de vaststelling van de doelen zoals opgenomen in het ontwerpbesluit in 2008, zijn er geen broedende kemphennen vastgesteld. Dat geldt ook voor de afgelopen vijf jaar, waarmee het aantal broedparen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske dan ook aanzienlijk onder het doelaantal van 20 hennen ligt. Het aantal broedende kemphanen in Nederland wordt momenteel (2013 – 2015) op 15 tot 30 hennen geschat, een aantal dat in de meest recente jaren nog verder is afgenomen (www.sovon.nl). Ook het aantal doortrekkende kemphanen is met enkele honderden exemplaren in zowel het voorjaar als de winter nog een fractie van de aantallen in de jaren tachtig (Verkuil et al. 2012; Wymenga, van der Heide, and Koopmans 2013). (a)

Figuur 6.3

(b)

(a)Vastgestelde aantallen kemphanen als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De groene lijn geeft het doelaantal (20 broedende hennen) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal over de afgelopen vijf jaar. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende kemphanen in Nederland. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

60 (104)

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De kemphaan komt als broedvogel niet meer voor in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Er is momenteel onvoldoende kwalitatief goed leefgebied voor de kemphaan aanwezig. Aangepast, extensiever beheer is daarvoor nodig voor de ontwikkeling van geschikt leefgebied met minder hoge grasproductie en peilverhoging. Daarbij moet voldoende plas-dras aanwezig zijn. De herinrichting en adequaat beheer van voldoende leefgebied voor de kemphaan, bestaande uit optimalisatie van schraalgrasland, de aanleg van waterbeheersingswerken en het verbeteren en/of aanleggen van voldoende plas-draspercelen kan tot de succesvolle terugkeer van de kemphaan leiden (Howison et al. 2019). Voor het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske gaat het daarbij om realisatie van een mozaïek van SNL beheertypen vochtig weidevogelgrasland (N13.01) en vochtig hooiland (N10.02), waarvan tenminste 200 ha vochtig hooiland (zie paragraaf 7.3). Deze maatregelen hebben nog niet geleid tot de terugkeer van de kemphaan als broedvogel in het gebied.

Aanvullend op de aanwezigheid van voldoende totaal oppervlak aan leefgebied zal ook hooiland- en verschralingsbeheer, met een afwezigheid van bemesting en pas na eind juli maaien, moeten worden toegepast, terwijl voldoende grote oppervlakten van aaneengesloten schraal en nat hooiland van ten minste circa 25 ha aanwezig dienen te zijn (Howison et al. 2019; van der Geld and Leguijt 1996). Vanwege de sterke afname van zowel de totale populatie als het aantal doortrekkende kemphanen in Nederland, is de kans dat de soort zich in groot aantal zal gaan vestigen aanzienlijk kleiner geworden. Hoewel succes geboekt kan worden door gerichte maatregelen te nemen (Howison et al. 2019), lijkt zowel het broedareaal als de doortrekkende populatie te verschuiven van west naar oost (Rakhimberdiev et al. 2011; Verkuil et al. 2012). Het is daarom onzeker of de IHD in de toekomst nog gehaald kan worden. Conclusie De kemphaan is als broedvogel verdwenen uit het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en ligt daarmee onder het IHD van 20 hennen. Ontwikkeling van nieuw leefgebied heeft niet geleid tot de terugkeer van de kemphaan. Echter, ook landelijk is de kemphaan als broedvogel zo goed als verdwenen. Voor een belangrijk deel is dat toe te schrijven aan de intensivering van de landbouw, die ook buiten de begrenzing van het gebied van grote invloed is.

Bovendien bevindt Nederland zich aan de zuidelijke en westelijke rand van het verspreidingsgebied van de kemphaan. Naast een waargenomen oostwaartse verschuiving van het areaal, is het vanwege klimaatverandering waarschijnlijk dat het verspreidingsgebied ook naar het noorden opschuift, wat daarmee de aantallen broedende kemphanen in Nederland niet ten goede zal komen. Ook met voldoende geschikt leefgebied binnen de begrenzing van het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is de terugkeer van 20 broedende hennen kemphanen op korte termijn niet waarschijnlijk. Aanpassingen in het agrarisch landschap, met name verminderde bemesting, zullen daarvoor noodzakelijk zijn. Daarmee kan de terugkeer van de kemphaan worden bewerkstelligd. Noodzakelijke maatregelen om geschikt leefgebied te creëren bestaan uit hoge grondwaterstanden en afwezigheid van bemesting, waardoor afwisselende vegetatie kan ontstaan met voor kemphaan begaanbare open stukken (Howison et al. 2019). Door zeer beperkte begrazing en laat maaien kan dan geschikt leefgebied voor de kemphaan ontstaan. Deze maatregelen zullen zowel binnen als buiten de Natura 2000-begrenzing moeten worden uitgevoerd. Doordat binnen de begrenzing reeds voldoende leefgebied voor de kemphaan is gecreëerd, zijn aanvullende maatregelen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied niet nodig.

Een verminderde invloed van bemesting buiten de Natura 2000-begrenzing zal de kwaliteit van het leefgebied binnen de gebiedsgrenzen helpen te verbeteren.

61 (104)

A153 Watersnip Soortbeschrijving en eisen leefgebied Het leefgebied van de watersnip bestaat uit natte, drassige en ongelijke veengrond of natte graslanden met hoge vegetatie (tot 25 cm) op tenminste de helft van het areaal (Howison et al. 2019). Sloten zijn daarbij aanwezig nabij dit vochtig grasland. In het natte seizoen dient daarbij sprake te zijn van plas-dras. Dit betekent een mozaïek van water op veengrond, delen waar alleen ’s winters water op het land staat ten behoeve van zure, natte graslanden en een rand van grasland waar een kruidenrijke vegetatie wordt gestimuleerd door onder andere laat maaien of late begrazing. Een voedselarme bodemsituatie is daarbij van belang voor een gezond bodemleven en daarmee voedselbeschikbaarheid voor de watersnip. Per broedpaar is ongeveer 5 ha geschikt leefgebied nodig (Provincie Noord-Holland 2016a). De Zaanstreek was in het verleden een van de bolwerken van de watersnip, maar door ontwatering is de soort er in aantal afgenomen. Alleen op locaties waar het grondwaterpeil hoog gehouden wordt komt de soort nog in het agrarisch landschap voor. Aantal en trends Voor de watersnip geldt zowel landelijk als in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske sinds 1990 een significante afname van < 5% per jaar die zich ook na de aanmelding van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 heeft doorgezet.

Hoewel er landelijk over de afgelopen 12 jaar geen aantalsverandering meer is geweest, geldt op gebiedsniveau dat de soort als broedvogel verder is afgenomen met >5% per jaar (Figuur 6.4). De ontwikkeling van de aantallen broedende watersnippen binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied is daarmee relatief slecht ten opzichte van de landelijke, en ook provinciale, trend. Er zijn onvoldoende telgegevens van de watersnip als broedvogel in het gebied beschikbaar, maar gezien de negatieve trend ligt het aantal naar verwachting onder het IHD van 60 broedpaar. (a)

Figuur 6.4

(b)

(a) De trend in aantallen watersnippen als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende watersnippen in Nederland. 1990 ~ 100%. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

62 (104)

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Broedparen van de watersnip zijn vooral vastgesteld in het Oostzanerveld en het Ilperveld (Provincie Noord-Holland 2016a). Watersnip broedt in dit gebied voornamelijk in complexen van nat grasland waar stroken met veenmosrietland aanwezig zijn. De negatieve trend wordt waarschijnlijk vooral veroorzaakt door verdroging van de graslanden. Natte scharnierzones tussen het grasland de stroken met veenmosrietland zijn tegenwoordig in het broedseizoen grotendeels verdwenen, waardoor de kwaliteit van het leefgebied is verslechterd. Er is momenteel dan ook onvoldoende kwalitatief goed leefgebied voor de watersnip aanwezig. Aangepast, extensiever beheer en herstel van het leefgebied door vernatting is nodig voor de ontwikkeling van geschikt leefgebied. Om dit te bereiken is in de eerste beheerplanperiode de ontwikkeling van een mozaïek van vochtig weidevogelgrasland en vochtig hooiland voor uitgevoerd in het Ilperveld (zie paragraaf 7.3). Dit zou voldoende nieuw leefgebied van in totaal 150 ha voor de watersnip tot stand brengen tezamen met leefgebied voor de kemphaan. Deze ontwikkeling heeft nog niet geleid tot een toename in de aantallen watersnippen als broedvogel in het gebied. Conclusie Er is onvoldoende kwalitatief goed leefgebied voor de watersnip aanwezig.

Dit vertaalt zich in te lage aantallen ten opzichte van een IHD van 60 broedparen. Recent genomen maatregelen hebben nog niet geleid tot een toename van de aantallen watersnip. De ontwikkeling van de aantallen watersnippen binnen de Natura 2000-begrenzing blijft achter bij dat op landelijk en provinciaal niveau. Aanvullende maatregelen voor het creëren van geschikt leefgebied met voldoende schraal en nat grasland zijn dus noodzakelijk. Deze maatregelen kunnen bestaan uit extensief, aangepast beheer, verschraling en verhoging van de grondwaterstand. Vernatting van de bodem alleen, zal naar verwachting onvoldoende zijn. Verschraling door bijvoorbeeld het uitmijnen van voedingsstoffen is eveneens essentieel (Howison et al. 2019). A193 Visdief Soortbeschrijving en eisen leefgebied Visdieven broeden in kolonies in het kustgebieden en nabij visrijke wateren in het binnenland. De voorkeur voor een nestplaats gaat uit naar eilandjes of anderszins voor grondpredatoren moeilijk toegankelijke nestplaatsen op de grond op kale tot grazige bodems. Doorgroei van gras in de winter kan er toe leiden dat er een tekort aan schaars begroeide terreinen aanwezig is die als geschikte nestlocatie gebruikt zouden kunnen worden.

Bij aanwezigheid van geschikte nestlocaties, die moeilijk toegankelijk moeten zijn voor grondpredatoren, kunnen enkele tientallen vierkante meters al genoeg zijn voor meer dan 20 broedparen. Geschikte nestlocaties bestaan bijvoorbeeld uit kruidenrijk grasland met een zeer korte vegetatiestructuur, zoals schrale graslanden met lage zeggen en moerasstruisgras. Om te kunnen foerageren is verder helder, visrijk water nodig. De soort verschijnt vanaf eind maart in Nederland en trekt tussen juli en oktober weer weg richting de overwinteringsgebieden. Aantal en trends Voor de aantallen broedende visdieven in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is voor zowel de periode sinds 1990 als voor de afgelopen 12 jaar geen trend aantoonbaar (Figuur 6.5a). Met name voor de afgelopen 12 jaar heeft dat deels te maken met een gebrek aan telgegevens.

63 (104)

De afname lijkt vooral opgetreden in de periode 1990 tot de aanmelding van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000. Daarna heeft de negatieve trend zich mogelijk minder sterk voortgezet. Vanaf 2000 zou de trend daarmee vergelijkbaar zijn met die vastgesteld op landelijk niveau. Hoewel nauwkeurige telgegevens ontbreken, lijkt het doelaantal van 180 broedende visdieven niet gehaald te worden. Op provinciaal niveau zijn de aantallen ook sterk afgenomen de afgelopen 12 jaar met >5% per jaar. (a)

Figuur 6.5

(b)

(a)Vastgestelde aantallen visdieven als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende visdieven in Nederland. 1990 ~ 100%. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Broedparen van de visdief zijn vooral vastgesteld in het Oostzanerveld en in minder mate ook in het Ilperveld (Provincie Noord-Holland 2016a). Hoewel geschikt leefgebied aanwezig is, heeft de afname in het gebied, en ook in de provincie, te maken met nieuw ontstane kolonies in het IJsselmeer en Markermeer, waaronder De Kreupel en de Marker Wadden, waar predatiedruk lager is dan in het veenweidegebied. Predatie door vossen is dan ook een mogelijk knelpunt. Na een afname in de periode 2000 – 2005 lijkt het aantal broedende visdieven in het gebied, in ieder geval tot 2013, te zijn gestabiliseerd (Provincie NoordHolland 2016a). Dit is consistent met de kolonisatie van De Kreupel in die periode. Ook troebele sloten kunnen de foerageeractiviteit negatief beïnvloeden en daarmee een knelpunt vormen, maar dit is al aan de orde sinds de jaren ’70 en ’80 en daarmee onwaarschijnlijk een reden voor de recente afname van de aantallen visdieven in het gebied. Het is onduidelijk in hoeverre voldoende geschikt broedbiotoop aanwezig is in de vorm van kruidenrijk grasland met een zeer korte vegetatiestructuur, zoals schrale graslanden met lage zeggen en moerasstruisgras.

Conclusie Hoewel de aantallen broedende visdieven momenteel onder het IHD van 180 liggen, is er voldoende geschikt leefgebied aanwezig binnen de begrenzing van het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De afname in aantallen wordt waarschijnlijk vooral veroorzaakt doordat nieuwe kolonies buiten het gebied en de provincie worden gevestigd, zoals ook elders in de provincie is vastgesteld.

64 (104)

Daarnaast worden maatregelen gericht op het voorkomen van predatie uitgevoerd en gemonitord. Het is onduidelijk in hoeverre voldoende geschikt broedbiotoop aanwezig is in de vorm van kruidenrijk grasland met een zeer korte vegetatiestructuur, zoals schrale graslanden met lage zeggen en moerasstruisgras. A292 Snor Soortbeschrijving en eisen leefgebied De snor komt vooral voor in de natte rietlanden van Laag Holland. Het leefgebied bestaat uit brede, dichte, vochtige en natte vegetaties van jong en overjarig riet en zeggen. Een dichte ondergroei is daarbij van belang en vormt het belangrijkste foerageergebied. Jaarlijks kunnen de aantallen schommelen vanwege terreinbeheer in de broedgebieden en de hoeveelheid neerslag in de overwinteringsgebieden. Aantal en trends Voor de aantallen broedende snorren in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is voor zowel de periode sinds 1990 als voor de afgelopen 12 jaar geen trend aantoonbaar (Figuur 6.5a). Echter, na een afname van de aantallen in de periode circa 1996 – 2004, zijn de aantallen snorren in het gebied van 2005 tot 2012 toegenomen, waarna de aantallen lijken te fluctueren. Voor de landelijke trend geldt een significante toename van <5% voor zowel de periode sinds 1990 als voor de afgelopen 12 jaar, maar lijkt deze positieve trend zich vanaf circa 2005 door te zetten.

Daarmee lijkt het aantal broedparen binnen de begrenzing van het gebied iets achter te blijven bij de landelijke aantalsontwikkeling. Het aantal broedpaar lag aan het begin van de eerste beheerplanperiode rond de 40 en lijkt sindsdien te zijn toegenomen. Het IHD van 50 broedpaar wordt daarom waarschijnlijk gehaald. (a)

Figuur 6.6

(b)

(a) De trend in aantallen van de snor als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende visdieven in Nederland. 1990 ~ 100%. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

65 (104)

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De snor wordt als broedvogel verspreid door het gebied waargenomen, met de hoogste concentraties in het Ilperveld (Provincie Noord-Holland 2016a). In het Ilperveld (van 2002 tot 2007, “Plan Roerdomp”) en Twiske (1999 – 2005) is nieuw nat biotoop ontwikkeld dat geschikt broedgebied voor de snor vormt. Er is dan ook voldoende leefgebied van goede kwaliteit aanwezig in het gebied, bestaande uit grote rietvelden van 2 tot 5 ha, afgewisseld met sloten, petgaten of natte plekken in het rietland (Provincie Noord-Holland 2016a). Jonge verlandingen zijn van belang voor de soort. Voor het op gang brengen daarvan spelen echter verschillende knelpunten, waaronder waterkwaliteit. Daarnaast speelt ook de aanwezigheid van recreatie een knelpunt voor deze verstoringsgevoelige soort. Conclusie Aan de doelstelling van behoud van geschikt leefgebied voor de snor is voldaan. Het aantal broedparen van de snor lijkt zich daarbij enigszins te hebben uitgebreid en er wordt waarschijnlijk voldaan aan de IHD van 50 broedpaar. Aanvullende maatregelen zijn daarom niet nodig. A295 Rietzanger Soortbeschrijving en eisen leefgebied De rietzanger is een in Afrika overwinterende trekvogel, die in Nederland tijdens het broedseizoen aanwezig is in rietlanden en andere oevervegetaties. De broedperiode ligt daarbij tussen eind april en begin juni.

Het nest wordt bij voorkeur in landriet gebouwd. Het vrij gevarieerde leefgebied bestaat uit onder andere overjarig riet, rietruigtes, oevervegetaties en veenmosrietlanden, zoals deze bijvoorbeeld in de laagveenmoerassen voorkomen, maar de soort komt ook voor in smallere rietkragen langs sloten in zowel het landelijk gebied als stedelijk gebied. De soort heeft een voorkeur voor de drogere successiestadia van overjarige rietmoerassen en rietzomen, met een onderlaag van geknikte stengels (van 't Veer, van der Geld, and Scharringa 2009). Rietzangers broeden niet in nat rietland. Waterriet vormt daarom geen goed leefgebied voor de soort (Schotman and Kwak 2003; van 't Veer, van der Geld, and Scharringa 2009). Het voedsel van de rietzanger bestaat, tijdens het broedseizoen, uit insecten. Vanaf begin augustus tot eind september vertrekt de rietzanger naar zijn overwinteringsgebied. Aantal en trends De aantallen rietzangers in Nederland hangen sterk samen met de condities in de overwinteringsgebieden, met name met de hoeveelheid neerslag in West-Afrika. Voor de rietzanger in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske geldt over de periode sinds 1990 geen significante aantalsverandering, maar over de afgelopen 12 jaar is er sprake van een significante afname van < 5% per jaar (Figuur 6.7a).

Dit is opmerkelijk, omdat het aantal broedparen in Nederland consistent is toegenomen sinds de mid jaren ’80 van de vorige eeuw (Figuur 6.7b). Over de periode vanaf 1990 geldt landelijk dan ook een significante toename van <5% per jaar. De ontwikkeling van de aantallen broedende rietzangers in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske blijft daarmee achter bij dat in de rest van Nederland. Deze ontwikkeling heeft vermoedelijk te maken met een groter oppervlak aan overjarig rietland dat jaarlijks wordt gemaaid voor de openheid ten behoeve van de weidevogeldoelstelling voor het gebied.

66 (104)

In de periode tussen het moment van de aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 tot de vaststelling van de doelen zoals opgenomen in het ontwerpbesluit in 2008, was er sprake van een afname na een toename in de aantallen vanaf 1990. Het aantal broedparen van de rietzanger werd in 2006 echter op meer dan 1.000 geschat (Provincie Noord-Holland 2016a). Daarmee zou de huidige populatie van broedende rietzangers volgens de index in Figuur 6.7 ondanks de recente lichte afname rond het IHD van 800 broedpaar liggen (zie uitleg index in tekstkader 6.1. (a)

Figuur 6.7

(b)

(a) De trend in aantallen rietzangers als broedvogel in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen broedende rietzangers in Nederland. Bron: Meetnet Broedvogels (BMP), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De rietzanger komt verspreid door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske voor met vooral in Varkensland lagere dichtheden (Provincie Noord-Holland 2016a). In het beheerplan wordt aangegeven dat de kwaliteit van het leefgebied goed is met zowel grote (2 – 5 ha) en kleine (50 – 100 m2) overjarige rietlanden en zoomvormende ruigten langs meren en brede vaarten, en met riet dichtgegroeide graslanden. Er zijn geen effecten bekend van stikstofdepositie en andere negatieve invloeden op het leefgebied zijn niet bekend. De ten opzichte van de landelijke trend achterblijvende aantalsontwikkeling in het gebied heeft vermoedelijk te maken met het behoud van openheid ten behoeve van de weidevogeldoelstellingen in het gebied. Conclusie De aantallen broedende rietzangers in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske komen ongeveer overeen met het IHD van 800 broedpaar. Er is geen sprake van duidelijke knelpunten. De huidige situatie met voldoende overjarig rietland dient dan ook behouden te blijven. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig. De rietzanger zal daarbij kunnen profiteren van maatregelen ten behoeve van veenmosrietlanden.

67 (104)

6.3

Niet-broedvogels

A043 Grauwe gans Soortbeschrijving en eisen leefgebied De aantallen grauwe ganzen in Nederland zijn het hoogst in het najaar en de winter, wanneer de Nederlandse populatie wordt aangevuld met vogels uit Noord- en Oost-Europa. Het winterweer heeft daarbij nauwelijks invloed op de aantallen. Het foerageergebied voor overwinterende en doortrekkende grauwe ganzen bestaat voornamelijk uit oogstresten op akkers en stoppelvelden. De slaapplaatsen liggen daarbij vaak op enkele tientallen kilometers afstand van de foerageergebieden. Aantal en trends Er is vanaf 2001 tot aan ongeveer 2014 een aanzienlijke stijging waargenomen in de aantallen niet-broedende grauwe ganzen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (Figuur 6.8a). Vanaf 1980 geldt er dan ook een significante toename van >5% per jaar. Op het moment van aanmelden van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000 en het daarna vaststellen van de doelen in 2008 waren de aantallen grauwe ganzen nog aanzienlijk lager, zodat ook het IHD op een relatief beperkt aantal van 90 foeragerende grauwe ganzen is vastgesteld. Vanaf circa 2014 is de trend echter gekeerd en over de afgelopen 12 seizoenen is er in het gebied geen trend meer aantoonbaar. Wel ligt het aantal met gemiddeld 1912 individuen nog ver boven het IHD.

Deze aantalstrend in het gebied komt grotendeels overeen met de landelijke trend, waarvoor er sinds 1980, en vooral vanaf eind jaren negentig, ook sprake is van een significante toename van >5% per jaar (Figuur 6.8b). Wel geldt dat er landelijk over de afgelopen 12 jaar nog steeds sprake is van een significante toename (<5% per jaar). (a)

Figuur 6.8

(b)

(a) Vastgestelde aantallen niet-broedende grauwe ganzen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De rode stippen geven het seizoen gemiddelde. De groene lijn geeft het doelaantal (90 foeragerende grauwe ganzen) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal in de afgelopen vijf jaar. De donkerblauwe lijn geeft de trend van de aantalsontwikkeling aan met de 95% onzekerheid geïndiceerd met licht blauwe lijnen. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende grauwe ganzen in Nederland. Bron: Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

68 (104)

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De grauwe gans komt ’s winters verspreid door het gebied voor in agrarisch goed onderhouden graslanden met een matige tot intensieve bemesting en ook in de ruigere graslanden. In Twiske zijn de aantallen relatief laag (Provincie Noord-Holland 2016a). Gezien de sterke toename in aantallen grauwe ganzen, wordt de kwaliteit van het leefgebied als goed beschouwd. Conclusie De aantallen grauwe ganzen in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen, ondanks de recente afname, nog ruim boven het IHD. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden en er is geen sprake van knelpunten. Er zijn geen aanvullende acties nodig. A050 Smient Soortbeschrijving en eisen leefgebied In de winter is de smient talrijk aanwezig in Nederland, maar de aantallen variëren per winter. Met name in zachte winters zijn de aantallen in Nederland verblijvende smienten hoog, hoewel de grens van het winterverspreidingsgebied in recente jaren naar het noorden lijkt op te schuiven. Buiten het broedseizoen heeft de smient een voorkeur voor waterrijke graslandgebieden. De soort rust meestal overdag op grote meren en foerageert vooral ’s nachts op graslanden, waarbij aan water grenzende graslanden de voorkeur hebben. De smient foerageert vooral op eiwitrijke en goed verteerbare grassoorten op vochtige of deels geïnundeerde graslanden.

De soort is verstoringsgevoelig en de mate van verstoring, door bijvoorbeeld recreatie, beïnvloedt de keuze van rustplaatsen. Omdat de soort echter vooral ’s nachts foerageert leidt verstoring niet direct tot verlies van geschikte voedselgebieden. Aantal en trends De aantallen niet-broedende Smienten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen de afgelopen vijf jaar met gemiddeld 4829 exemplaren onder het doelaantal van 6400. Sinds 1980 is er over het geheel genomen sprake van een significante afname van <5% per jaar in het gebied, vooral vanaf 1990, maar over de afgelopen 12 jaar lijkt het aantal gestabiliseerd en is er geen significant aantalsverandering meer (Figuur 6.9a). Landelijk is het aantal smienten sinds 1980 significant toegenomen met <5% per jaar, hoewel ook de aantallen sinds 2000 zijn afgenomen. Over de afgelopen 12 jaar is er geen sprake meer van een aantalsverandering (Figuur 6.9b). De ontwikkeling van de aantallen niet-broedende smienten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske komen daarmee overeen met de landelijke ontwikkeling, maar de IHD van 4869 foeragerende of rustende smienten wordt niet gehaald. De IHD is echter vastgesteld op basis van de hoge aantallen smienten in het gebied en landelijk in de periode van ongeveer 1990 – 2000.

69 (104)

(a)

Figuur 6.9

(b)

(a) Vastgestelde aantallen niet-broedende smienten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De rode stippen geven het seizoen gemiddelde. De groene lijn geeft het doelaantal (6400 foeragerende en rustende smienten) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal in de afgelopen vijf jaar. De donkerblauwe lijn geeft de trend van de aantalsontwikkeling aan met de 95% onzekerheid geïndiceerd met licht blauwe lijnen. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende smienten in Nederland. Bron: Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De Stootersplas in het Twiske betreft een rustplaats voor de smient. Daar worden dan ook de hoogste concentraties waargenomen, hoewel de soort ook verspreid door het gebied voorkomt. Voedselgebieden liggen vooral in de agrarisch beheerde graslanden in het Oostzanerveld, het Ilperveld en Varkensland (Provincie Noord-Holland 2016a). Daarmee is er voldoende geschikt leefgebied voor de smient aanwezig in het gebied en ook buiten de Natura 2000-begrenzing is geschikt leefgebied aanwezig waar smienten rusten en foerageren. In de ruime omgeving van het gebied vindt dan ook uitwisseling van smienten plaats vanuit onder andere het Twiske. Er is geen sprake van een negatief effect van stikstofdepositie op het leefgebied van de smient. Conclusie De aantallen smienten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen onder de IHD. Voor een belangrijk deel heeft dit waarschijnlijk te maken met het moment van vaststelling van de IHD toen, rond het jaar 2000, de aantallen smienten in zowel het gebied als landelijk maximaal waren. Sindsdien is de landelijke populatie en de populatie in het gebied afgenomen. Daardoor is de huidige IHD wellicht niet meer realistisch gezien de verschuiving van de winterverspreiding van de soort. De aantallen smienten worden namelijk beïnvloed door de mate waarin strenge winters optreden.

De in toenemende mate voorkomende zachte winters leiden er daarbij toe dat smienten noordelijker overwinteren. In recente jaren lijken de aantallen zich echter te stabiliseren. Daarnaast speelt de aanwezigheid van geschikt leefgebied buiten de Natura 2000-begrenzing mogelijk een rol. Ook buiten de Natura 2000-begrenzing rusten en foerageren aanzienlijke aantallen smienten. De gedaalde en de ten opzichte van de IHD te lage aantallen in het gebied worden dan ook niet veroorzaakt door een gebrek aan voldoende omvang en kwaliteit van het leefgebied. Er zijn geen aanvullende acties nodig.

70 (104)

A051 Krakeend Soortbeschrijving en eisen leefgebied In de winter is de krakeend in toenemende mate aanwezig in Nederland, vooral in de maanden september, oktober en november. Bij strenge winters vindt er vaak een herverdeling plaats waarbij de open wateren, vooral in het zuidwesten van het land, worden opgezocht. Het voorkeursbiotoop van de krakeend is laaggelegen land met open zoetwatergebieden, langzaam stromend water en een ruige, soortenrijke oevervegetatie. Het voedsel van de krakeend bestaat vooral uit plantaardig materiaal, zoals zaden, wortels en waterplanten. Buiten de broedtijd eet de soort ook gras en bezoekt hij graanstoppelvelden. Vooral in de winter eet de krakeend ook dierlijk materiaal, zoals insecten en andere kleine waterdieren. Aantal en trends De aantallen niet-broedende krakeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen de afgelopen vijf jaar met gemiddeld 408 exemplaren ruim boven het doelaantal van 200. Vanaf 1980 is het aantal in het gebied significant toegenomen met >5% per jaar, en hoewel deze trend vanwege de grote onzekerheidsmarges over de afgelopen 12 jaar niet significant is, lijkt de trend zich te hebben voortgezet (Figuur 6.10). Ook landelijk is er sprake van een significante toename van >5% per jaar sinds 1980 en van <5% per over de afgelopen 12 jaar. (a)

Figuur 6.10

(b)

(a) Vastgestelde aantallen niet-broedende krakeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De rode stippen geven het seizoen gemiddelde. De groene lijn geeft het doelaantal (200 foeragerende krakeenden) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal in de afgelopen vijf jaar. De donkerblauwe lijn geeft de trend van de aantalsontwikkeling aan met de 95% onzekerheid geïndiceerd met licht blauwe lijnen. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende krakeenden in Nederland. Bron: Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De krakeend foerageert verspreid door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, met de hoogste concentraties in het Ilperveld en de Stootersplas in het Twiske, waar de soort op het open water en ook op de ruige tot pollige graslanden verblijft. Er is dan ook voldoende geschikt leefgebied aanwezig en er zijn geen knelpunten (Provincie NoordHolland 2016a).

71 (104)

Conclusie De aantallen krakeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen ruim boven de IHD en nemen net als de landelijke aantallen toe. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden en er zijn daarom geen aanvullende acties nodig. A056 Slobeend Soortbeschrijving en eisen leefgebied De slobeend is jaarrond aanwezig in Nederland, maar vooral talrijk in de maanden van augustus tot november en in maart en april. De aantallen in de winter kunnen erg schommelen en zijn afhankelijk van het winterweer. Streng winterweer leidt daarbij tot lagere aantallen, terwijl natte jaren de foerageermogelijkheden voor de slobeend ten goede komen resulterend in grotere aantallen. Het leefgebied van de slobeend bestaat uit ondiepe wateren in open gebieden met een voorkeur voor een brede rietkraag of andere oeverbegroeiing. De graslanden van de waterrijke veenweidegebieden vormen dan ook geschikt leefgebied. De soort foerageert door te filteren op plantaardig en vooral dierlijk plankton, maar ook op macrofauna en zaden. Aantal en trends De aantallen niet-broedende slobeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen de afgelopen vijf jaar met gemiddeld 48 exemplaren net onder het doelaantal van 50.

Sinds 1980 is er geen significante aantalsontwikkeling zichtbaar, maar over de afgelopen 12 jaar is er, na een duidelijke afname van eind jaren negentig, sprake van een significante toename van >5% per jaar binnen de begrenzing van het gebied (Figuur 6.11a). Landelijk geldt er, zij het met grote schommelingen, een positieve trend met een toename van <5% per jaar sinds 1980 en ook over de afgelopen 12 jaar (Figuur 6.11b). (a)

Figuur 6.11

(b)

(a) Vastgestelde aantallen niet-broedende slobeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De rode stippen geven het seizoen gemiddelde. De groene lijn geeft het doelaantal (50 foeragerende slobeenden) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal in de afgelopen vijf jaar. De donkerblauwe lijn geeft de trend van de aantalsontwikkeling aan met de 95% onzekerheid geïndiceerd met licht blauwe lijnen. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende slobeenden in Nederland. Bron: Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

72 (104)

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De slobeend komt jaarrond verspreid voor door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. In strenge winters zijn vooral in het Twiske grote aantallen aan te treffen (Provincie Noord-Holland 2016a). Verspreid door het gebied komt voldoende leefgebied van goede kwaliteit voor en er is dan ook geen sprake van een knelpunt. De soort zal bovendien naar verwachting profijt hebben van de maatregelen die getroffen worden ten behoeve van de kemphaan, watersnip en de veenmosrietlanden (Provincie Noord-Holland 2016a). Mogelijk hebben deze maatregelen in recente jaren al bijgedragen aan het herstel van de aantallen slobeenden in het gebied (zie hoofdstuk 7). Conclusie De aantallen slobeenden in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen momenteel nog net onder het IHD. Hoewel het IHD meest recentelijk net niet gehaald wordt, zal dat gezien de positieve landelijke en lokale trend waarschijnlijk in de komende jaren wel het geval zijn. Bovendien zullen de maatregelen die getroffen worden voor de kemphaan, watersnip en het veenmosrietland naar verwachting zorgen voor een verbetering van het leefgebied van de slobeend. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn daarmee behouden en er zijn geen aanvullende acties nodig.

A125 Meerkoet Soortbeschrijving en eisen leefgebied Het leefgebied van de meerkoet kent een grote verscheidenheid aan waterrijke gebieden. Hij komt zowel voor in grote ‘wetlands’ en moerassen als in kanalen, grachten en vaarten in stedelijk gebied. De meerkoet heeft voorkeur voor wateren die rijk zijn aan ondergedoken waterplanten of een goede bodemfauna hebben, maar foerageert ook in wateren die omzoomd zijn met een talud van gras of met cultuurgrasland. In het najaar zijn de grootste aantallen te vinden op de grote wateren met veel ondergedoken waterplanten, zoals het Veluwemeer en Markermeer. Richting de winter verspreidt de soort zich meer over Nederland. Aantal en trends Vanaf 1980 is er sprake van een significante afname van <5% per jaar van de aantallen meerkoeten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Deze afname heeft zich ook over de afgelopen 12 jaar voortgezet, zodat de huidige aantallen meerkoeten met gemiddeld 590 onder het IHD van 710 liggen (Figuur 6.12a). Recentelijk lijken de aantallen zich in het gebied te herstellen, overeenkomstig de landelijke aantalstrend. Landelijke ziet de aantalsontwikkeling er over de lange termijn anders uit zonder een significante aantalsverandering over de periode sinds 1980 en zelfs een lichte toename van <5% per jaar over de afgelopen 12 jaar (Figuur 6.12b).

De aantalsontwikkeling van de meerkoet als niet-broedvogel in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is dus lang achtergebleven ten opzichte van de landelijke ontwikkeling, maar herstelt zich momenteel mogelijk. In lijn met de landelijke ontwikkeling lijkt er in de afgelopen drie seizoenen weer een positieve lijn in de aantalsontwikkeling te zitten.

73 (104)

(a)

Figuur 6.12

(b)

(a) Vastgestelde aantallen niet-broedende meerkoeten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. De rode stippen geven het seizoengemiddelde. De groene lijn geeft het doelaantal (710 foeragerende meerkoeten) weer, de oranje lijn het gemiddelde aantal in de afgelopen vijf jaar. De donkerblauwe lijn geeft de trend van de aantalsontwikkeling aan met de 95% onzekerheid geïndiceerd met licht blauwe lijnen. (b) De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende meerkoeten in Nederland. Bron: Meetnet Watervogels (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De meerkoet is jaarrond verspreid in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske aanwezig. De combinatie van open water, moeras en vochtig weidevogelgrasland vormt geschikt leefgebied voor de meerkoet. Vooral op de grotere wateren, zoals de Stootersplas, en op de graslanden wordt de meerkoet aangetroffen. De huidige situatie lijkt daarmee te voldoen aan de ecologische vereisten van een leefgebied voor 710 foeragerende meerkoeten en er zijn geen duidelijke knelpunten. De soort is daarnaast niet gebonden aan natuurgebieden en ook buiten de Natura 2000-begrenzing is er voldoende geschikt leefgebied aanwezig waar de soort gebruik van maakt. Met name in de winter, wanneer de hoogste aantallen worden bereikt, foerageert de meerkoet ook op gras. Mogelijk is dit buiten de Natura 2000-begrenzing van hogere voedselkwaliteit, waardoor de aantallen binnen de begrenzing relatief laag zijn. Conclusie De aantallen meerkoeten in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske liggen onder de IHD en de aantalsontwikkeling is over het geheel genomen negatief ten opzichte van de landelijke trend. De reden daarvoor is onduidelijk, maar mogelijk speelt voedselbeschikbaarheid in de omgeving van het gebied een rol. Er lijkt echter voldoende leefgebied van ogenschijnlijk voldoende kwaliteit aanwezig en behouden te zijn.

Bovendien lijkt de recente positieve trend in landelijke aantallen gevolgd te worden door de aantallen meerkoeten binnen de gebiedsbegrenzing. Er zijn daarom waarschijnlijk momenteel nog geen aanvullende maatregelen nodig. Wel zou onderzoek naar de eerdere afname van de aantallen niet-broedende meerkoeten in het gebied van belang kunnen zijn om vast te stellen wat de oorzaak van deze afname is geweest.

74 (104)

Middels telgegevens zou onderzocht kunnen worden waar de geschikte oorspronkelijke en huidige/toekomstig potentiële foerageerlocaties liggen voor de niet-broedende meerkoeten. Door dit te beoordelen in samenhang met een analyse van de voedselkwaliteit, zou moeten blijken of beheer moet worden bijgesteld en of er aanvullende maatregelen nodig zijn om de kwaliteit van het leefgebied te verbeteren om het behalen van de IHD voor de meerkoet ook in de toekomst veilig te stellen. A156 Grutto Soortbeschrijving en eisen leefgebied De grutto is in Nederland vooral aanwezig in de periode maart tot en met augustus. Als nietbroedvogel is de grutto in het vroege voorjaar in grote groepen aanwezig rond ondiepe wateren of natte graslanden met plas-draslocaties (van 't Veer, van der Geld, and Scharringa 2009). In april vallen deze groepen uiteen voor het broeden. Individuen die niet succesvol tot broeden komen bezoeken vanaf mei gemeenschappelijke slaapplaatsen. Vanaf juni zijn daar ook jonge vogels bij aanwezig en tot in augustus vertrekken de grutto’s uit Nederland richting de overwinteringsgebieden in West-Afrika en Zuidwest Europa. Plas-draspercelen worden gebruikt als slaapplaats en open graslanden met een slappe bodem en een voldoende aanbod van geschikte prooidieren zijn van belang voor het foerageren (Howison et al. 2019).

Kritische factoren voor het leefgebied zijn open landschap, rust, bereikbaarheid van bodemfauna, aaneengesloten gebieden en plasdrassituaties verspreid over het gebied (1 – 2% van het oppervlak) (Provincie NoordHolland 2016a). Vanaf juni tot in augustus vertrekken de grutto’s uit Nederland richting de overwinteringsgebieden in West-Afrika en Zuidwest Europa. Aantal en trends De aantallen en trends van niet-broedende grutto’s in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske zijn niet goed bekend. In het beheerplan is aangegeven dat de aantallen grutto’s op slaapplaatsen fluctueren tussen 270 en 1.300 (Provincie NoordHolland 2016a). Landelijk is er sprake van een significante afname van <5% per jaar sinds 1984 en voornamelijk sinds de mid-jaren negentig en ook over de afgelopen 12 jaar (Figuur 6.13b). Op provinciaal niveau is er echter geen significante aantalsverandering zichtbaar (Figuur 6.13a). Omdat het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske samen met de rest van de regio Laag Holland het belangrijkste leefgebied voor de grutto in NoordHolland biedt, kan de stabiele provinciale trend gezien worden als een inschatting van het aantal niet-broedende grutto’s in het gebied (hoewel er aanzienlijke verschillen, bijvoorbeeld in de kwaliteit van de plasdras, tussen de gebieden in Laag Holland zouden kunnen bestaan).

De doelstelling voor de grutto in het gebied is behoud van de aantallen rustende grutto’s. Deze doelstelling is daarom waarschijnlijk behaald.

75 (104)

(a)

Figuur 6.13

(b)

De trend in de ontwikkeling van de aantallen niet-broedende grutto’s in (a) NoordHolland en (b) Nederland. Bron: Meetnet Slaapplaatsen (seizoen juli t/m juni), www.sovon.nl

Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Rustplaatsen voor de grutto bevinden zich verspreid door het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Daarbij bieden de plas-draspercelen en vochtige weidevogelgraslanden met een rijk bodemleven geschikte foerageerlocaties voor de soort. De huidige situatie lijkt qua areaal te voldoen aan de ecologische vereisten voor de grutto als niet-broedvogel en er is voldoende aaneengesloten leefgebied om de doelstelling van behoud van de aantallen niet-broedende grutto’s te behalen. Er zijn dan ook geen duidelijke knelpunten. Wel zijn delen van het leefgebied gevoelig voor stikstofdepositie, maar de KDW overschrijding is gering (Provincie Noord-Holland 2016a). Stikstofdepositie wordt dan ook niet verwacht de kwaliteit van het gebied negatief te beïnvloeden, zolang het huidige beheer van plas-draspercelen en open vochtige graslanden op orde blijft. Conclusie De aantallen grutto’s in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske voldoen waarschijnlijk aan de doelstelling van behoud van de aantallen. Aan het behoud van plasdraspercelen, open, vochtige graslanden en voldoende rust is voldaan, zodat de omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig zolang het open landschap van vochtige graslanden en plas-draspercelen wordt behouden.

6.4 Samenvatting Voor de broedvogels roerdomp, bruine kiekendief en kemphaan wordt het instandhoudingsdoel niet gehaald (Tabel 6.1). Voor de roerdomp zou daarom meer geschikt broedgebied bestaande uit overjarig, nat rietland gecreëerd moeten worden en ook een beperking van verstoring door recreatie zou een positief effect op de aantallen broedparen kunnen hebben. Dat laatste geldt ook voor de bruine kiekendief. Voor de kemphaan zijn vooral aanpassingen in het agrarisch landschap noodzakelijk, met name een verminderde bemesting, wil deze soort terugkeren als broedvogel in het Natura 2000-gebied. Een reductie van de voedselrijkdom en een toename in de grondwaterstanden zijn daarnaast ook noodzakelijk voor de watersnip. Voor de overige soorten broedvogels zijn de huidige aantallen niet duidelijk, maar zijn aanvullende maatregelen niet nodig. De afname van de visdief wordt waarschijnlijk vooral veroorzaakt doordat nieuwe kolonies elders bezet worden. Toch is voor deze soort niet duidelijk in hoeverre er voldoende geschikt broedbiotoop aanwezig is. Voor de snor en de rietzanger wordt waarschijnlijk voldaan aan de instandhoudingsdoelstelling.

76 (104)

Voor de niet-broedvogels wordt het instandhoudingsdoel gehaald voor de grauwe gans en de krakeend. Voor de grutto zijn er onvoldoende gegevens beschikbaar voor een nauwkeurige beoordeling, maar aan de behoudsdoelstelling wordt waarschijnlijk voldaan. De aantallen smient, slobeend en meerkoet liggen gemiddeld wel onder het instandhoudingsdoel. Voor de slobeend is er echter wel sprake van een positieve trend, zodat het instandhoudingsdoel waarschijnlijk in de komende jaren gehaald wordt. Voor de smient ligt de oorzaak in een verschuiving in het winterverspreidingsgebied en de beschikbaarheid van geschikt foerageergebied buiten de begrenzing van het Natura 2000gebied. Voor de slobeend en smient zijn aanvullende maatregelen dus niet nodig. Voor de meerkoet is de oorzaak onduidelijk en is nader onderzoek naar de relatie tussen de kwaliteit van het leefgebied en de lokale afname nodig om de oorzaak van de negatieve trend in het gebied op te helderen.

77 (104)

7

Evaluatie uitgevoerde maatregelen

Beschikbaarheid van gegevens: Matig 7.1 H4010B Vochtige heiden (laagveengebieden) Voor het habitattype H4010B Vochtige laagveenheiden geldt een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte en behoudsdoelstelling voor kwaliteit. Maatregelen voor uitbreiding worden conform het eerste beheerplan pas in de tweede beheerplanperiode genomen. De maatregelen die in de eerste beheerplanperiode zijn genomen, zijn dan ook gericht op behoud van kwaliteit. De ontwikkeling van vochtige laagveenheiden volgt in successie op dat van veenmosrietland, zodat de maatregelen ten behoeve van veenmosrietland ook gunstig zijn voor vochtige heiden. Tabel 7.1

Beheermaatregelen voor vochtige laagveenheide H4010B (Provincie NoordHolland 2016a). Rood = niet gerealiseerd, oranje = deels gerealiseerd, groen = gerealiseerd, grijs = onduidelijk

Maatregel

Oppervlak

Frequentie

Status

Opslag verwijderen (inclusief cranberry en appelbes)

2,50 ha

jaarlijks

Herfstmaaien

0,68 ha

jaarlijks

uitgevoerd (in 2020 en 2021) over een oppervlak van ca. 3,5 ha Uitgevoerd in 2021

Conclusie Maatregelen ten behoeve van H4010B zijn in 2020 en 2021 uitgevoerd. De beoogde frequentie in het eerste beheerplan was jaarlijks, dit is echter niet gebeurd. De uitgevoerde maatregelen leiden waarschijnlijk op korte termijn tot verbetering van de kwaliteit en mogelijk ook tot uitbreiding van het oppervlak H4010B. Voortzetting van deze maatregelen in de tweede beheerplanperiode is noodzakelijk. 7.2 H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Voor het habitattype H7140B veenmosrietlanden geldt een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte en behoudsdoelstelling voor kwaliteit. Maatregelen voor uitbreiding worden conform het eerste beheerplan pas in de tweede beheerplanperiode genomen. De maatregelen die in de eerste beheerplanperiode zijn genomen, zijn dan ook gericht op behoud van kwaliteit. Tabel 7.2

Realisatie van geplande (a) effectgerichte en (b) beheermaatregelen voor veenmosrietlanden. Rood = niet gerealiseerd, oranje = deels gerealiseerd, groen = gerealiseerd, grijs = onduidelijk.

(a) Maatregel

Oppervlak

Status

Plaggen (ondiep, tot 0,5 m)

3,00 ha

Plaggen (ondiep, tot 0,1 m)

4,50 ha

Plaggen (diep, tot 0,75 m)1

4,91 ha

Uitgevoerd (2020 en 2021), oppervlakte onbekend Uitgevoerd (2020 en 2021), oppervlakte onbekend Niet uitgevoerd

78 (104)

Nieuwe petgaten graven Dynamisch peilbeheer

4,53 ha 140 ha

Baggeren inpandig water Proef en monitoring afvoer maaisel schouw Onderzoek (kosten)effectiviteit maatregelen vermindering effecten bemesting

4,06 ha

Uitgevoerd (2021) In 2021 is in aantal vakken in Ilperveld onderzoek gestart, de maatregel is nog niet uitgevoerd Niet uitgevoerd Onduidelijk Niet uitgevoerd

1 het onderscheid tussen ondiep en diep plaggen is in de praktijk niet te maken en niet werkbaar. Diep

plaggen komt in dit gebied neer op het maken van petgaten

(b) Maatregel

Oppervlak

Frequentie

Status

Herfstmaaien

Ca. 60 ha

jaarlijks

Opslag verwijderen

10,00 ha

jaarlijks

Deels uitgevoerd (minimaal 5 ha per jaar in Oostzanerveld, in Ilperveld sinds 2019 uitgevoerd, oppervlak ca. 23,8 ha) Deels uitgevoerd (ca. 3,5 ha in 2020 en 2021)

Van de maatregelen in Tabel 7.2 is het plaggen en het graven van nieuwe petgaten op verschillende locaties uitgevoerd en is eenmalig opslag verwijderd op een beperkt oppervlak van circa 3,5 ha (Figuur 7.1 t/m Figuur 7.2). De status van het herfstmaaien is niet helemaal duidelijk, maar is in ieder geval in het Oostzanerveld op beperkte schaal jaarlijks uitgevoerd. In het Ilperveld wordt sinds 2019 ook herfstmaaien toegepast, over een oppervlak van ca. 23,8 ha. Voor de rest van het gebied wordt herfstmaaien tussen augustus en oktober 2021 uitgevoerd (Figuur 7.1 t/m Figuur 7.2). Conclusie Maatregelen ten behoeve van H7140B zijn in 2020 en 2021 uitgevoerd. De beoogde frequentie van de beheermaatregelen in het eerste beheerplan was jaarlijks; dit is echter niet jaarlijks gebeurd. Het oppervlak waarover is geplagd, is onbekend. De uitgevoerde maatregelen leiden waarschijnlijk op korte termijn tot verbetering van de kwaliteit en mogelijk ook tot uitbreiding van het oppervlak H7140B. Voortzetting van de beheermaatregelen en de uitvoering van effectgerichte maatregelen in de tweede beheerplanperiode is noodzakelijk. De gegevens over de uitvoering van de maatregelen zijn kwantitatief niet of lastig te relateren aan het maatregelenprogramma uit het eerste beheerplan.

79 (104)

Figuur 7.1

Uitgevoerde effectgerichte en beheermaatregelen in deelgebied Oostzanerveld.

80 (104)

Figuur 7.2

Uitgevoerde effectgerichte en beheermaatregelen in deelgebied Varkensland.

81 (104)

Figuur 7.3

7.3

Uitgevoerde effectgerichte en beheermaatregelen in deelgebied Ilperveld

Maatregelen Vogelrichtlijnsoorten

Beschikbaarheid van gegevens: Matig In het gebied is onvoldoende leefgebied aanwezig voor kemphaan en watersnip. Om tot een uitbreiding en verbetering van het leefgebied van deze vogels te komen is er in het Ilperveld een uitbreiding van het leefgebied van deze twee vogels gepland (Provincie Noord-Holland 2016a). In het eerste beheerplan is het uitbreidingsdoel uitgewerkt. In het Ilperveld gaat het om 150 ha nieuw leefgebied voor de watersnip. Voor kemphaan gaat het om het realiseren van 100 ha broedgebied en 200 ha foerageergebied. Dit houdt volgens het beheerplan in een mozaïek van SNL beheertypen vochtig weidevogelgrasland (N13.01) en vochtig hooiland (N10.02), waarvan tenminste 200 ha vochtig hooiland. Dit moet in het Ilperveld worden gerealiseerd. Hoewel er geen specifieke gegevens beschikbaar zijn over de realisatie van deze nieuwe leefgebieden voor kemphaan en watersnip, is er volgens de beheertypenkaart momenteel 156 ha vochtig hooiland en 235 ha vochtig weidevogelgrasland aanwezig in het Ilperveld. Er moet in het Ilperveld nog ca. 42 ha vochtig hooiland worden gerealiseerd en 46 ha vochtig weidevogelgrasland. Om als leefgebied te kunnen functioneren moeten deze graslanden adequaat worden beheerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=2b4f7975-1d0c-44bd-9aaa-d719ce32cb04