CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

Evaluatie N2000 beheerplan IVOT.

Commissievergadering (CV) 10 maart 2022, gemeente landsmeerBij agendapunt: Bespreeknotitie GroenLinks33.659 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

29 (104)

4.3

H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

4.3.1

Omvang en kwaliteit op basis van de vegetatietypen

Beschikbaarheid van gegevens: Beperkt De oppervlaktes zijn berekend op basis van de meest recente habitattypenkaart (versie: N2K_HK_92_20170908_v7_HR). Deze kaart geeft de T0-situatie weer (rondom 2013), en betreft dezelfde situatie die in het eerste beheerplan in beeld is gebracht. Er is geen actuelere habitattypenkaart beschikbaar. Het bepalen van trends in oppervlaktes op basis van de habitattypenkaart is daarom niet mogelijk. Volgens het eerste beheerplan is het oppervlak ruigten en zomen 17,5 ha. Dat is aanzienlijk meer dan op basis van de T0-kaart blijkt. Dit heeft waarschijnlijk te maken met een meer nauwkeurige kartering ten opzichte van eerdere karteringen. Tabel 4.7

H6430B ZGH6430B

Figuur 4.5

Oppervlakte en bijbehorende vegetatiekwaliteit van H6430B op basis van de T0 kaart Kwaliteit goed

Kwaliteit matig

< 0,01 0,0

100% 0,2 ha

0,0 % 0%

0,0 % 30 %

Kwaliteit onbekend 0,0 ha 0,4 ha

0% 70 %

Totaal 9,5 ha 0,5 ha

Voorkomen en kwaliteit van vegetatie van (ZG)H6430B op basis van de T0 kaart.

30 (104)

4.3.2

Structuur en functie

Beschikbaarheid van gegevens: Matig Voor dit habitattype is één structuur en functie kenmerk opgesteld: dominantie van ruigtekruiden. Binnen het habitattype liggen 3 PQ’s met 2 meetjaren (NH1232, NH1233 en NH1234, 2016-2019) (tabel 4.8). Aan het kenmerk structuur en functie wordt voldaan hoewel er wel sprake is van een afname van de bedekking met ruigtekruiden. Bij de toetsing is gekeken naar ruigtekruiden uit de klasse der natte strooiselruigten (Convolvulo-Filipenduletea) en rietklasse (Phragmitetea) die kenmerkend zijn voor een hoge soortenrijkdom en vernatting. Ruigtesoorten die wijzen op accumulatie van strooisel, verbraming en opslag van struweel en bos zijn buiten beschouwing gelaten. Tabel 4.8

Structuur en functie kenmerk voor H6430B

Structuur en functie kenmerk

Voldaan aan kenmerk? (aantal opnames)

Trend

Dominantie van ruigtekruiden

Ja (6)

Over tijd afname in bedekking (3 van 3 pq-reeksen)

4.3.3

Abiotiek

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende Voor H6430B Ruigten en zomen van goede kwaliteit vormt verzoeting het grootste knelpunt (Provincie Noord-Holland 2016c). Door de verzoeting verdwijnen de brakke soorten en gaat daarmee de kwaliteit van het habitattype achteruit. Het nastreven van brakke omstandigheden is echter niet realistisch en vormt vanuit Natura 2000 geen doel voor dit gebied. De huidige lage chlorideconcentraties (250-750 mg Cl/l) zijn onvoldoende voor de instandhouding van zomen met echt lepelblad. Deze kortlevende soort moet jaarlijks kunnen ontkiemen op standplaatsen met een voldoende hoge chlorideconcentratie (minimaal > 1000 mg Cl/l, optimaal > 2500 mg Cl/l). Voor de langlevende soort heemst is de situatie minder ongunstig. Eenmaal gevestigd, blijft de soort nog decennialang in het gebied aanwezig, ondanks dat het oppervlaktewater tussentijds is verzoet. Wel is het belangrijk dat via beheer de standplaatsen worden gevrijwaard van opslag (met name braam en wilg, thans ook els) en dat het maaisel wordt verwijderd; begrazing dient te worden voorkomen. Voor H6430B Ruigten en zomen van matige kwaliteit, zonder de brakke soorten, worden in het beheerplan geen knelpunten met betrekking tot de abiotiek genoemd (Provincie NoordHolland 2016c).

Wel was de voedselrijkdom van het water ten tijde van het opstellen van het beheerplan mogelijk aan de hoge kant (namelijk voedselrijk ten opzichte van een gewenste situatie van matig voedselrijk – voedselrijk). In figuur 4.3 is te zien dat de concentraties stikstof, ortho-fosfaat, totaal fosfaat en sulfaat in het water iets zijn gedaald of gelijk zijn gebleven. De voedselrijkdom van het water lijkt daarmee niet wezenlijk veranderd te zijn in recente jaren en de abiotische omstandigheden blijven geschikt voor de zoete soortenarme natte ruigten. Voor rietzomen met heemst en/of moerasmelkdistel vormt voedselrijkdom van het oppervlaktewater geen groot probleem, tenzij er veel droog strooisel ophoopt en/of de rietzomen ernstig verdrogen. Beide effecten leiden tot toename van ruigtesoorten als grote brandnetel, kleefkruid en braam.

31 (104)

Door de ontstane verzoeting zullen er op termijn ook rietzomen ontstaan met echte valeriaan en moerasspirea. Beide soorten komen al in het gebied voor en kunnen zich op de lange termijn (>25 jaar) ontwikkelen tot zoete vormen van het habitattype Ruigten en zomen (subtype H6430A). 4.3.4

Typische soorten

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende Tabel 4.9

Selectie van typische soorten voor het habitattype H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske

Nederlandse soortnaam

Wetenschappelijke soortnaam

Soortgroep

trend

Echt lepelblad

Cochlearia officinalis ssp. officinalis

Vaatplanten

0

Heemst

Althaea officinalis

Vaatplanten

0

Moerasmelkdistel

Sonchus palustris

Vaatplanten

<

Selderij

Apium graveolens

Vaatplanten

<

Dwergmuis

Micromys minutus

Zoogdieren

=/0

Echt lepelblad Echt lepelblad is een kenmerkende soort voor goed ontwikkelde brakke zomen. In het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske komt deze soort zowel voor aan de Dorre Ilp aan de noordkant van het Ilperveld als op een paar eilandjes in het westen van het Ilperveld. De locatie aan de Dorre Lip valt eigenlijk net buiten het gebied en is daarom buiten beschouwing gelaten. Daarnaast werd echt lepelblad in 2013 waargenomen op één klein eilandje in het westen van het Ilperveld, waarbij deze soort in 2019 ook op de oevers van twee andere eilanden werd waargenomen. Het gaat hier dus om een reële toename (Non and Diemeer 2020). Al deze waarnemingen zijn echter gedaan buiten locaties die als H6430B classificeren, waardoor deze soort voor zowel de periode 2011-2015 als voor de periode 2016-2020 ontbreekt voor dit habitattype. In het Varkensland en het Oostzanerveld kwam de soort in het verleden wel voor, maar is hier inmiddels door verzoeting verdwenen (pers. med. Van 't Veer). Heemst Heemst is net als echt lepelblad een kenmerkende soort voor goed ontwikkelde brakke zomen (Provincie Noord-Holland 2016a). Van deze soort zijn slechts twee waarnemingen uit 2014 net ten westen en ten oosten van het Ilperveld bekend (Non and Diemeer 2020). Over zowel de periode 2011-2015 als de periode 2016-2020 ontbreekt deze soort dus voor het habitattype H6430B.

Heemst kwam in het verleden niet in dit gebied voor (Buijs 1991). Van het Ilperveld zijn twee groeiplaatsen bekend en dit betreffen beide aangeplante individuen. Recentelijk is één natuurlijke vindplaats uit het Varkensland bekend (pers. med. Van 't Veer). Moerasmelkdistel De moerasmelkdistel is een algemene soort. Wanneer deze soort samen met nietalgemene soorten als heemst, echt lepelblad en/of selderij voorkomt is er sprake van een goede kwaliteit van het habitattype (Provincie Noord-Holland 2016a). Als alleen moerasmelkdistel aanwezig is, samen met ruigtekruiden als harig wilgenroosje en koninginnekruid, dan is er sprake van een matige kwaliteit.

32 (104)

In het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske komt deze soort wijdverspreid voor en is in de periode 2011-2015 in 651 50 x 50 m (0,25 ha) hokken bekend als waarneming in de NDFF of als overige waarneming (Non and Diemeer 2020). Van 2016 tot 2020 gaat het om 345 0,25 ha hokken in het hele gebied. Binnen het habitattype H6430B gaat het om 358 hokken van 0,25 ha in de periode 2011-2015 en om 173 hokken in de periode 2016-2020. Hoewel dit dus een significante afname lijkt van deze typische soort, gaat het mogelijk om een afname in waarnemingsdichtheid, in plaats van om een afname in daadwerkelijk verspreidingsgebied. In Non & Diemeer (2020) is aangegeven dat de soort in de periode 2009-2108 in 318 hokken van 0,25 ha wordt waargenomen en in 2019 in 280 hokken van 0,25 ha. Er lijkt dus op basis van de NDFF waarnemingen en de waarnemingen van Non & Diemeer sprake te zijn van een afname van moerasmelkdistel en een afname in kwaliteit van H6430B. Selderij Ook selderij is net als echt lepelblad en heemst een zoutindicerende plant, voorkomend in natte ruigten en zomen. In 2014 is er één waarneming van deze plant bekend uit een locatie H6430B in het oostelijke Ilperveld, wat tevens de laatste waarneming van deze soort is in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (Non and Diemeer 2020).

Binnen het habitattype is deze typische soort dus verdwenen, waardoor er op basis van deze soort niet voldaan wordt voldaan aan de behoudsdoelstelling van kwaliteit van H6430B. Dwergmuis In de NDFF zijn er voor de periode 2011 – 2015 in totaal 17 waarnemingen van de dwergmuis geregistreerd binnen de begrenzing van het Habitatrichtlijngebied waarvan 7 in inloopvallen in kwalificerend H6430B. Voor de periode 2016 – 2020 zijn er elf waarnemingen van de soort geregistreerd, waarvan in 2018 en 2019 acht losse waarnemingen en in 2020 drie middels braakbalonderzoek. De locaties van de losse waarnemingen komen overeen met de locaties van kwalificerend H6430B. De soort is niet specifiek kenmerkend voor het habitattype H6430B Ruigten en zomen en kan in allerlei rietvegetaties worden aangetroffen, met name in eutrafent rietland. Aangezien in het gebied voor zover bekend geen afname heeft plaatsgevonden van het oppervlak aan riet, is het waarschijnlijk dat de populatie dwergmuis stabiel is. Daarmee voldoet deze typische soort aan de behoudsdoelstelling voor kwaliteit van H6430B. 4.3.5 Conclusie Voor het habitattype H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) geldt een behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit. Uit het voorkomen van typische soorten blijkt dat de kwaliteit van dit habitattype plaatselijk is afgenomen.

Het gaat dan niet alleen om een brakke soort als selderij maar ook om de algemene soort moerasmelkdistel. De afname van de bedekking met ruigtekruiden in PQ-opnamen wijst eveneens op een mogelijke afname van de kwaliteit van habitattype H6430B Ruigte en zomen. Een vegetatie behorend tot het verbond van harig wilgeroosje kan alleen kwalificeren als H6430B wanneer moerasmelkdistel als typische soort aanwezig is (kwaliteit matig), of soorten heemst, selderij en echt lepelblad (kwaliteit goed). In dit gebied zijn laatstgenoemde soorten zeer zeldzaam of ontbreken. Een afname van de verspreiding van moerasmelkdistel in H6430B leidt daarom niet alleen tot kwaliteitsverlies maar ook tot afname van het oppervlak.

33 (104)

4.4

H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

4.4.1

Omvang en kwaliteit op basis van de vegetatietypen

Beschikbaarheid van gegevens: Beperkt De oppervlaktes zijn berekend op basis van de meest recente habitattypenkaart (versie: N2K_HK_92_20170908_v7_HR). Deze kaart geeft de T0-situatie weer (rondom 2013), en betreft dezelfde situatie die in het eerste beheerplan in beeld is gebracht. Er is geen actuelere habitattypenkaart beschikbaar. Het bepalen van trends in oppervlaktes is daarom niet mogelijk. Kwalificerend veenmosrietland H7140B komt voor in het Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland. Volgens het eerste beheerplan is het oppervlakte H7140B 43,3 ha. Dat is minder dan op basis van de T0-kaart blijkt. De reden hiervan is dat een meer een uitgebreidere en nauwkeurige kartering van de vegetatie is uitgevoerd waardoor meer locaties met H7140B zijn geïdentificeerd. Tabel 4.10

H7140B ZGH7140B

Oppervlakte en bijbehorende vegetatiekwaliteit van H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietland) op basis van de T0-kaart Kwaliteit goed

Kwaliteit matig

31,8 ha 0,0

20,9 ha 0,0 ha

60 % 0%

40 % 0%

Kwaliteit onbekend 0,0 ha 0,4 ha

0% 100 %

Totaal 52,8 ha 0,4 ha

34 (104)

Figuur 4.6

4.4.2

Voorkomen en kwaliteit van vegetatie van (ZG)H7140B op basis van de T0 kaart.

Structuur en functie

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende Voor dit habitattype zijn vier structuur en functie kenmerken opgesteld. Binnen het habitattype liggen 3 PQ’s, 1 met 6 meetjaren (NH0419, 2001/2019), de anderen met 5 meetjaren (NH1047 en NH1054, 2001/2019). Aan drie van de vier kenmerken voor structuur en functie wordt voldaan. De soortenrijkdom is echter te laag. Dit was eerder echter ook al zo. Hoewel wel aan de criteria wordt voldaan is er in PQ-opnamen een toename te zien in de opslag van struweel en een verslechtering voor wat betreft de vegetatiestructuur en ontwikkeling van de moslaag. Desondanks wordt voor wat betreft structuur en functie aan de behoudsdoelstelling voldaan.

35 (104)

Tabel 4.11

Toetsing kenmerken voor structuur en functie voor H7140B

Structuur en functie kenmerk

Voldaan aan kenmerk? (aantal opnames)

Trend

Geen/weinig opslag struweel (<10%) Gelaagde vegetatiestructuur met een goed ontwikkelde moslaag (> 30%) Hoge soortenrijkdom (> 20 plantensoorten/m2) Jaarlijks gemaaid

Ja (9) Ja (16)

Over tijd toename (2 van 3 pq-reeksen) Over tijd voor 2 pq-reeksen vrij gelijk gebleven, 1 pq-reeks laatste jaar sterk afgenomen Vrij gelijk over tijd Wordt consequent uitgevoerd

4.4.3

Nee (13) Ja

Abiotiek

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende Knelpunten in de abiotiek voor H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) zijn volgens het beheerplan gelegen in een combinatie van een slechte waterkwaliteit en een te hoge stikstofdepositie (Provincie Noord-Holland 2016a). Daarnaast is goed beheer een belangrijke voorwaarde voor de instandhouding van dit habitattype. Waterkwaliteit Door te hoge fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater kunnen in de kraggen dikke en soortenarme pakketten met gewoon veenmos ontstaan. Ook ontstaan effecten van eutrofiëring eerder bij een lokaal slechte waterkwaliteit. Dit uit zich in een toename of plaatselijke dominantie van ruigtekruiden uit de klasse der Natte strooiselruigten (Convolvulo-Filipenduletea), met name langs de oevers van de verschillende geplagde veenmosrietlanden. Vooral haagwinde kan snel de geplagde oppervlakten domineren, waardoor er matige vormen van het habitattype H7140B ontstaan. Het succes van maatregelen als plaggen hangt (mede daardoor) af van de oppervlaktewaterkwaliteit. Een goede oppervlaktewaterkwaliteit is verder voor veenmosrietland van belang omdat nieuwe verlanding onder zeer voedselrijke omstandigheden niet optreedt.

Om op de lange termijn alle stadia van de verlandingsreeks waaronder veenmosrietland te behouden, is het nodig dat er nieuwe verlanding in open water optreedt waaruit de verschillende verlandingsstadia zich kunnen ontwikkelen. Voor een beschrijving van de huidige oppervlaktewaterkwaliteit wordt verwezen naar paragraaf 4.2.3. Samenvattend is het huidige oppervlaktewater te voedselrijk en te sulfaatrijk. Met name de hoge fosfaatconcentratie en -belasting vormt daarbij een knelpunt. Overschrijding van de KDW Naast een slechte kwaliteit van het oppervlaktewater, vormt ook stikstofdepositie een knelpunt voor de instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden). De KDW van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen is 714 mol N/ha/jaar. De gemiddelde stikstofdepositie in 2018 voor het habitattype veenmosrietland in dit gebied bedroeg 1072 mol N/ha/jaar (AERIUS monitor). In 2017 was de gemiddelde stikstofdepositie 1077 mol N/ha/jaar. De KDW in dit habitattype werd in 2018 dus nog ruim overschreden met 358 mol N/ha/jaar. De ontwikkeling van de ammoniakconcentratie in dit gebied is niet bekend, maar aangezien deze in vergelijkbare, nabijgelegen gebieden is toegenomen, zal dat in dit gebied naar verwachting ook het geval zijn.

36 (104)

Tekstkader 4.1 Effecten van stikstofdepositie voor veenmosrietland H7410B De oudere stadia van het habitattype zijn vanwege een dikkere kragge meer geïsoleerd van het bufferende oppervlaktewater en daardoor relatief vatbaar voor verzuring. Als gevolg hiervan ontstaan toenemende oppervlakten haarmos en een afname van typische soorten, zoals glanzend veenmos en elzenmos. Ook leidt stikstofdepositie door toenemende eutrofiëring tot vegetatieverdichting, zoals een toename van grassen en een snellere kieming van houtige gewassen zoals berk, appelbes, lijsterbes, krentenboompje en bramen (Gebiedsanalyse 2017). De effecten van verzuring en eutrofiëring worden versterkt door verdroging. Verder nemen onder invloed van zure stikstofdepositie (ammoniak) veenmossen sneller toe. De jonge, gebufferde stadia gaan hierdoor sneller over in oude, verzuurde stadia dan via natuurlijke successie het geval zou zijn geweest.

Omdat de stikstofdepositie ook aan het einde van de eerste beheerplanperiode nog ruim boven de KDW ligt en de concentratie ammoniak waarschijnlijk is toegenomen, zijn bronmaatregelen noodzakelijk om stikstofdepositie te verminderen. Bovendien zijn er aanvullend herstel- en beheermaatregelen nodig om te voorkomen dat er een afname in oppervlakte en kwaliteit van veenmosrietland optreedt door te hoge stikstofdepositie. 4.4.4

Typische soorten

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende Tabel 4.12

Selectie van typische soorten voor het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

Nederlandse soortnaam

Wetenschappelijke soortnaam

Soortgroep

trend

Elzenmos

Pallavicinia lyellii

Mossen

?

Glanzend veenmos

Sphagnum subnitens

Mossen

?

Broos vuurzwammetje

Hygrocybe helobia

Paddenstoelen

?

Veenmosvuurzwammetje

Hygrocybe coccineocrenata

Paddenstoelen

?

Veenmosgrauwkop

Tephrocybe palustris

Paddenstoelen

=

Ronde zonnedauw

Drosera rotundifolia

Vaatplanten

=

Veenmosorchis

Hammarbya paludosa

Vaatplanten

<

Watersnip

Gallinago gallinago ssp. gallinago

Vogels

<

Deelgebied: Ilperveld (Non & Diemeer 2020) Soort

2009-20181

20191

trend

verspreiding

Ronde zonnedauw

212

218

stabiel

wijdverspreid in het gebied op locatie van voorkomen H7140B

Veenmosorchis

12

6

negatief

opmerking

Verspreiding lijkt flink afgenomen. Het aantal exemplaren op de vindplaatsen is in 2019 groter dan in de eerdere kartering Verspreiding lijkt flink afgenomen. Het aantal exemplaren op de vindplaatsen is in 2019 groter dan in de eerdere kartering.

37 (104)

In 2021 waren alle aanwezige populaties sterk afgenomen, zowel in het Ilperveld als in Varkensland (R. van 't Veer, pers. comm) Elzenmos

7

03

Niet goed bekend

Glanzend veenmos

172

0

Niet goed bekend

In 2021 nog in het Ilperveld gezien (op een plaglocatie)4. De soort lijkt ook te profiteren van de nieuwe verse geplagde bodem

1 aantal betreft het aantal 0.25ha hokken waarin de soort is aangetroffen 2 waarnemingen niet betrouwbaar (Van 't Veer and Dekker 2015) 3 in 2019 niet volledig geïnventariseerd 4 pers. med. W. Non

Elzenmos Elzenmos komt vooral voor in soortenrijk veenmosrietland (Provincie Noord-Holland 2016a). In de periode 2011-2015 en 2016-2020 zijn er van deze soort incidentele waarnemingen verspreid over het gehele gebied bekend uit het NDFF en andere karteringen (Non and Diemeer 2020). De soort is in 2019 niet volledig geïnventariseerd. In 2021 is de soort aangetroffen in het Ilperveld op een recent geplagde locatie. De beschikbare gegevens zijn niet voldoende om een trend te bepalen. Glanzend veenmos Glanzend veenmos is een vaak bont gekleurde typische soort in veenmosrietlanden (Provincie Noord-Holland 2016a). Van deze soort zijn uit de periode 2011-2015 meerdere waarnemingen bekend uit een aantal noordelijke en westelijke locaties van het Ilperveld, waarvan het grootste deel ook uit kwalificerend H7140B. In de periode 2016-2020 zijn er voor dit gebied echter geen waarnemingen van deze soort bekend uit het NDFF en uit andere karteringen (Non and Diemeer 2020), waardoor deze soort als verdwenen kan worden gesteld voor het gebied. Omdat er echter twijfels zijn over de betrouwbaarheid van de eerdere waarnemingen van Glanzend veenmos in het gebied, is het niet geheel duidelijk of dit mos wel daadwerkelijk in het gebied voorkwam. Om deze reden is het niet mogelijk om betrouwbare uitspraken te doen over de trend van deze soort in het gebied.

Veenmosvuurzwammetje Net als broos vuurzwammetje behoort veenmosvuurzwammetje tot de roodkleurige wasplaten die in het veenmosrietland aangetroffen kunnen worden. Over het algemeen is de soort minder algemeen dan broos vuurzwammetje. Waarnemingen zijn uit de periode 2011-2015 bekend van het Ilperveld; uit de periode 2016-2020 uit het Varkensland. De soort wordt niet systematisch geïnventariseerd. Broos vuurzwammetje Broos vuurzwammetje behoort tot de oranje rode wasplaten die in het veenmosrietland kunnen worden aangetroffen. In zowel de periode 2011-2015 als in de periode 2016-2020 zijn van deze soort geen waarnemingen bekend uit de NDFF.

38 (104)

De soort is recentelijk (2021) zowel in het Oostzanerveld als het Varkensland op verschillende percelen aangetroffen. In de periode 2011-2015 is de soort ook op verschillende percelen in het Ilperveld aangetroffen (pers. med. Van 't Veer). De soort wordt niet systematisch geïnventariseerd. Veenmosgrauwkop De paddenstoel veenmosgrauwkop is vrij algemene soort van veenmosrietlanden. In de periode 2011-2015 zijn er van deze soort 2 losse waarnemingen bekend uit de NDFF; één aan de oostkant van het Ilperveld en één in het noorden van het Ilperveld in kwalificerend H7140B. In de buurt van deze laatste locatie is ook één waarneming uit de periode 20162020 bekend uit kwalificerend H7140B. In de veenmosrietlanden van het Oostzanerveld, Varkensland en Ilperveld wordt de soort regelmatig aangetroffen, maar de aantallen fluctueren jaarlijks (pers. med. Van ‘t Veer). De soort wordt niet systematisch geïnventariseerd. Hoewel de soort niet systematisch wordt geïnventariseerd en de jaarlijkse aantallen fluctueren lijkt deze soort redelijk constant aanwezig te zijn en wordt voor deze typische soort aan de behoudsdoelstellingen voor kwaliteit van H7140B voldaan. Ronde zonnedauw Ronde zonnedauw komt wijdverspreid voor en is in de periode 2011-2015 in 281 50 x 50 m (0,25 ha) hokken bekend als waarneming in de NDFF of van eerdere karteringen (Non and Diemeer 2020).

Van 2016 tot 2020 gaat het ook om exact 281 0,25 ha hokken in het hele gebied. Binnen het habitattype H7140B gaat het om 248 hokken van 0,25 ha in de periode 2011-2015 en om 250 hokken in de periode 2016-2020. Binnen dit habitattype is ronde zonnedauw dus stabiel aanwezig, waardoor er voor deze typische soort aan de behoudsdoelstelling van kwaliteit voor H7140B wordt voldaan. Veenmosorchis De veenmosorchis is een kieskeurige soort die voorkomt in vochtige veengebieden. Deze soort komt op enkele locaties in het Ilperveld en Varkensland voor en is in de periode 20112015 in 17 50 x 50 m (0,25 ha) hokken bekend als waarneming in de NDFF of van eerdere karteringen (Non and Diemeer 2020). Van 2016 tot 2020 gaat het om 9 0,25 ha hokken in het hele gebied. Binnen het habitattype H7140B gaat het om 16 hokken in de periode 20112015 en om 9 hokken in de periode 2016-2020. De verspreiding van veenmosorchis neemt op basis van deze waarnemingen dus af en op basis van deze soort is er sprake van een afname van de kwaliteit van H7140B. Op bestaande groeiplaatsen is het aantal individuen tijdens de kartering in 2019 overigens groter dan tijdens de kartering uit 2015 (Non and Diemeer 2020). In 2021 is er echter een zeer sterke achteruitgang op alle bekende groeiplaatsen waargenomen (pers. med. Van ’t Veer).

Watersnip Volgens het beheerplan komt de watersnip als typische soort voor de veenmosrietlanden met > 20 paar voor in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en geldt er een licht negatieve trend. In 2006 broedden er ongeveer 22 paar watersnippen en in 2011 waren dat er 11 (Natura 2000 beheerplan Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske 2016-2022).

39 (104)

Over de afgelopen 12 jaar geldt er echter een sterk negatieve trend voor de watersnip in het gebied met een afname van >5% per jaar (Figuur 4.7a). Middels SNL monitoring in 2013 zijn er nog 10 territoria van de watersnip vastgesteld. Deze bevonden zich allen in het Oostzanerveld, inclusief binnen de begrenzing van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden). In de afgelopen vijf jaar, sinds het begin van de eerste beheerplanperiode in 2015, komt de soort niet of nauwelijks meer als broedvogel voor in het gebied. In 2016 zijn er slechts twee territoria van de watersnip geregistreerd in de NDFF en in 2019 vier (SNL monitoring). Deze bevonden zich in het noorden van het Oostzanerveld op locaties waar geen kwalificerende veenmosrietlanden voorkomen. In 2017 zijn twee territoria van watersnip in het Ilperveld vastgesteld (SNL-monitoring) (pers. med. W. Non). De afname van de aantallen broedende watersnippen speelt echter al van voor de eerste aanmelding van het gebied als Vogelrichtlijngebied in 2000. Deze aantalsontwikkeling in het gebied is negatief ten opzichte van de landelijke aantallen en ook ten opzichte van de provinciale aantallen waarvoor er voor de afgelopen 12 jaar geen significante aantalsontwikkeling zichtbaar is (Figuur 4.7b). Laag Holland vormt op provinciaal niveau een belangrijk deel van het verspreidingsgebied van de watersnip.

De trend voor de soort in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is daarmee ook ten opzichte van de regionale aantallen negatief. Deze afname wordt hoofdzakelijk veroorzaak door verdroging van perceelcomplexen met nat grasland en veenmosrietland (pers. med. Van 't Veer). (a)

Figuur 4.7

(b)

De geïndexeerde aantalstrend voor de watersnip als broedvogel in (a) het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske en (b) Nederland (1990 ~ 100%).

De trend in kwaliteit van het habitattype op basis van de watersnip als typische soort kan daarmee als negatief beoordeeld worden en voldoet daarmee niet aan de behoudsdoelstelling voor de kwaliteit van het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden). 4.4.5 Conclusie H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) Voor het habitattype H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) geldt een uitbreidingsdoelstelling oppervlakte en een behoudsdoelstelling voor kwaliteit. Knelpunten voor het habitattype bestaan onder andere uit een slechte waterkwaliteit en een te hoge stikstofdepositie. Deze knelpunten zijn in de eerste beheerplanperiode (nagenoeg) gelijk gebleven.

40 (104)

In de eerste beheerplanperiode is er sprake van kwaliteitsverlies van het habitattype veenmosrietland. Hoewel wat betreft structuur en functie wel aan de behoudsdoelstelling voor kwaliteit wordt voldaan is er plaatselijk sprake van een toename in de opslag van struweel en een verslechtering voor wat betreft de vegetatiestructuur en ontwikkeling van de moslaag. Typische soorten als veenmosorchis en watersnip nemen af. In de oeverzone lijkt plaatselijk de kwaliteit te worden behouden of zelfs te verbeteren, mede als gevolg van goed beheer (afvoeren van maaisel, laat in het jaar maaien en afvoeren) (Non en Diemeer, 2020). Recent (2020/2021) zijn er maatregelen uitgevoerd als plaggen en het verwijderen van opslag. Deze maatregelen leiden waarschijnlijk op korte termijn tot verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het oppervlak H7140B. 4.5

H91D0 Hoogveenbossen

4.5.1 Omvang en kwaliteit op basis van de vegetatietypen De oppervlaktes zijn berekend op basis van de meest recente habitattypenkaart (versie: N2K_HK_92_20170908_v7_HR). Deze kaart geeft de T0-situatie weer (rondom 2013), en betreft dezelfde situatie die in het eerste beheerplan in beeld is gebracht. Er is geen actuelere habitattypenkaart beschikbaar. Het bepalen van trends in oppervlaktes is daarom niet mogelijk. Hoogveenbossen zijn vrijwel beperkt tot het Ilperveld (Gebiedsanalyse 2017). In het noordwesten van Varkensland komt daarnaast op een beperkt oppervlak goed ontwikkeld H91D0 voor. In Varkensland komt eveneens H91D0 voor, op zeer beperkte schaal. In het Ilperveld kwamen in de referentiesituatie in het noordwestelijk gedeelte verschillende grote percelen met goed ontwikkeld hoogveenbos voor. Het betreft zowel vegetaties van Veenmos-berkenbroek als Braam-berkenbroek. Een aantal veenmosrijke berkenboeklocaties was in de referentiesituatie zeer goed ontwikkeld en rijk aan paddenstoelen. Volgens het eerste beheerplan is het oppervlakte H91D0 13,9 ha. Dat is minder dan op basis van de T0-kaart blijkt. De oorzaak van deze afwijking is niet bekend en kan samenhangen met een herinterpretatie van de beschikbare vegetatiegegevens en/of het ter beschikking komen van nieuwe data. Tabel 4.13

H91D0

Oppervlakte en bijbehorende vegetatiekwaliteit van H91D0 Hoogveenbossen op basis van de T0 kaart Kwaliteit goed

Kwaliteit matig

Kwaliteit onbekend

6,8 ha

10,9 ha

0,0 ha

38 %

62 %

0%

Totaal 17,8

41 (104)

Figuur 4.8

Voorkomen en kwaliteit van vegetatie van H91D0 Hoogveenbossen op basis van de T0 kaart.

4.5.2 Structuur en functie Voor dit habitattype zijn twee structuur en functie kenmerken opgesteld (‘optreden van veenvorming’ en ‘aanwezigheid oude levende of dode dikke bomen en/of oude hakhoutstoven’). Hoewel er binnen het habitattype 5 PQ’s met 2 meetjaren (2017/2020) liggen, is er op basis van PQ-gegevens geen uitspraak te doen over de ontwikkeling van deze structuur en functiekenmerken. 4.5.3

Abiotiek

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende De KDW voor het habitattype H91D0 Hoogveenbossen wordt niet overschreden. Onder invloed van voedselrijk oppervlaktewater kunnen storingssoorten als appelbes, brandnetel en braam zich in de ondergroei vestigen en gaan woekeren (Gebiedsanalyse 2017). De ervaring in het Ilperveld is echter dat weinig randinvloed optreedt, omdat de hoogveenbossen een oppervlakte beslaan van meer dan 1 ha.

42 (104)

Ondanks de geringe randinvloed en het regelmatig weghalen van braam en appelbes is appelbes plaatselijk wel een probleem (pers. med. Rossenaar). Het is niet bekend in hoeverre dit leidt tot kwaliteitsverlies. Uit recente veldwaarnemingen blijkt echter dat veenbossen plaatselijk zijn verdroogd waardoor er sprake is van een afname en dat er plaatselijk sprake is van een afname van de veenmosbedekking (pers. med. W. Non). De schaal hiervan is niet bekend. 4.5.4

Typische soorten

Houtsnip Voor de houtsnip bestaan er onvoldoende gegevens om een trend in de lokale (gebied) of provinciale aantalsontwikkeling vast te stellen. Landelijk is er sprake van een significante toename van de houtsnip als broedvogel van <5% per jaar over zowel de afgelopen 12 jaar als over de periode sinds 2000 (Figuur 4.9). In de deelgebieden Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld wordt de soort als typische soort voor de hoogveenbossen in lage aantallen waargenomen in het Ilperveld en Oostzanerveld. Het betreft daarbij losse waarnemingen. De locaties van deze waarnemingen komen echter niet overeen met het voorkomen van kwalificerend H91D0 Hoogveenbossen. Volgens protocol vastgestelde waarnemingen van territoria van de houtsnip zijn voor de periodes 2011 – 2015, voor aanvang van de eerste beheerplanperiode, of 2016 – 2020 niet beschikbaar. Er kunnen daarmee geen uitspraken gedaan worden over de kwaliteitsontwikkeling van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen op basis van de houtsnip als typische soort.

Figuur 4.9

De geïndexeerde aantalstrend voor de houtsnip als broedvogel in Nederland (1990 ~ 100%).

Matkop Voor de matkop geldt er op provinciaal niveau een matige afname sinds 1990, terwijl de trend over de afgelopen 12 jaar onzeker is (NEM Sovon, CBS, 2021). Ook landelijk is er sprake van een significante afname van de matkop als broedvogel van <5% per jaar over zowel de afgelopen 12 jaar als over de periode sinds 1990 (figuur 4.10). Volgens het beheerplan gold er in 2011 een positieve trend voor de matkop als typische soort voor H91D0 Hoogveenbossen in het gebied (Provincie Noord-Holland 2016a). In de deelgebieden Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld zijn in de NDFF echter geen waarnemingen bekend van de matkop sinds 2011. Er kunnen daarmee geen uitspraken gedaan worden over de kwaliteitsontwikkeling van het habitattype H91D0 Hoogveenbossen op basis van de matkop als typische soort.

43 (104)

Waarschijnlijk is de typische soort als broedvogel afwezig of slechts sporadisch aanwezig in het gebied en kwalificeert het habitattype dus niet op basis van deze soort. Gezien de beperkte aantallen in Noord-Holland en de negatieve provinciale en nationale aantalstrend is de afwezigheid van de matkop echter waarschijnlijk niet toe te schrijven aan onvoldoende kwaliteit van het leefgebied voor de soort in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske.

Figuur 4.10

De geïndexeerde aantalstrend voor de matkop als broedvogel in Nederland (1990 ~ 100%).

4.5.5 Conclusie H91D0 Hoogveenbossen Voor het habitattype H91D0 Hoogveenbossen geldt een behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit. In de referentiesituatie was er een aanzienlijk oppervlak hoogveenbos van goede kwaliteit, met name in het Ilperveld. Ondanks de geringe randinvloed en het regelmatig weghalen van braam en appelbes is appelbes plaatselijk wel een probleem. Het is niet bekend in hoeverre dit leidt tot kwaliteitsverlies. Uit recente veldwaarnemingen blijkt echter dat veenbossen plaatselijk zijn verdroogd waardoor er sprake is van een afname en dat er plaatselijk sprake is van een afname van de veenmosbedekking (pers. med. W. Non). De schaal hiervan is niet bekend. Evenmin is bekend of dit heeft geleid tot een afname van kwaliteit en oppervlakte van dit habitattype.

44 (104)

4.6

Samenvatting

Tabel 4.14

Realisatie: groen: doel gerealiseerd, oranje: doel mogelijk niet gerealiseerd, rood: doel niet gerealiseerd, grijs: onbekend (niet voldoende data voor beoordeling). Veg.: vegetatietypen, S&F: structuur en functie, AC: abiotische condities, TS: typische soorten, Tot.: totaal

Habitattype

Doel oppervlak bhp 1/ishd

Realisatie oppervlakte t.o.v. doel bhp1

Doel kwaliteit bhp 1/ishd

H3140 Kranswierwateren

>/=

H4010B Vochtige heiden (laagveengebied)

>/=

=/=

H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

=/=

=/=

H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden)

>/=

=/=

H91D0 Hoogveenveenbossen

=/=

=/=

Realisatie kwaliteit t.o.v. doel bhp 1 Veg.

S&F

AC

TS

Tot.

Er is geen recente vegetatiekartering beschikbaar, zodat het huidige areaal van de habitattypen niet beoordeeld kan worden. Voor wat betreft de kwaliteit van habitattypen lijkt er voor alle habitattypen -al dan niet plaatselijk- een afname van kwaliteit te hebben plaatsgevonden. Dit hangt onder andere samen met een te slechte waterkwaliteit en stikstofdepositie. In hoogveenbossen is er daarnaast sprake van verdroging. Het is niet bekend in hoeverre kwaliteitsverlies ook heeft geleid tot oppervlakteverlies. Waarschijnlijk zal er als gevolg van de recent genomen maatregelen in de habitattypen vochtige heide en veenmosrietland de komende jaren een kwaliteitsverbetering optreden en mogelijk ook een uitbreiding van het oppervlakte.

45 (104)

5

Habitatrichtlijnsoorten

Beschikbaarheid van gegevens: Beperkt De evaluatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de habitatrichtlijnsoorten is grotendeels gebaseerd op provinciale gegevens. Voldoende data voor een kwantitatieve analyse op gebiedsniveau ontbreken. 5.1

Bittervoorn

Soortbeschrijving en eisen leefgebied De bittervoorn komt voor in helder, stilstaand of langzaam stromend water in beken, rivieren en natuurvriendelijke oevers van kanalen en weteringen. Ze stellen een aantal eisen aan hun habitat waaronder de aanwezigheid van sub- en emerse waterflora, rijk begroeide oevers, een minimale aanwas van slib en de aanwezigheid van structuren (waarop mosselen zich ook kunnen vestigen). Ze leven in kleine groepen en kunnen al in zeer kleine poldergebieden een duurzame populatie opbouwen. Voor hun voortplanting hebben ze grote zoetwatermossels nodig. In de veengebieden van Laag Holland komt bittervoorn vooral voor in smalle sloten met in het water staande helofyten (riet, lisdodde) of met ondergedoken waterplanten (fonteinkruiden, smalle waterpest, aarvederkruid). Langs bredere wateren komt de soort vooral voor op plekken waar riet of kleine lisdodde in het water staan, veelal in lagere dichtheden dan in smalle sloten met waterplanten. Aantal en trends De landelijke verspreiding van de soort is niet volledig bekend. Op landelijk niveau werd in 2019 de verspreidingstrend als “goed” beoordeeld (CBS 2019). Op provinciaal niveau is een matige afname waargenomen voor de periode van 2008 tot 2019. Het is echter niet duidelijk of die afname voornamelijk vóór of na de ingang van de eerste beheerplanperiodes plaatsvond.

Voor het bepalen van de lokale trend in aantallen zijn geen data beschikbaar. Er zijn geen onderzoeken bekend in het kader van de KRW en er zijn onvoldoende data beschikbaar vanuit de NDFF. Bij het ontbreken van lokale data gaan we ervan uit dat de matige dalende provinciale trend ook geldt voor de gebieden Oostzanerveld, Ilperveld & Varkensland. Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied In het beheerplan staat beschreven dat de bittervoorn een ruime verspreiding heeft in het Ilperveld en talrijk voorkomt in heldere, deels geïsoleerde wateren met een verlengde aanvoerweg. In het Oostzanerveld komt de soort ook regelmatig voor en in het Varkensland is de soort lokaal bekend. Er zijn geen data beschikbaar om huidige lokale verspreiding in beeld te brengen. Belangrijke kwaliteitseisen voor water van de bittervoorn is de helderheid, de aanwezigheid van zoetwatermossels en voldoende watervegetatie. In figuur 5.1 is te zien dat het doorzicht/de helderheid van het water slecht is en niet wezenlijk is veranderd over de afgelopen jaren. De kwaliteit van de water- en oevervegetatie in het KRW waterlichaam is onveranderd en matig evenals de kwaliteit van de visgemeenschap, de kwaliteit van de macrofaunagemeenschap is verbeterd en fytoplankton is verslechterd.

46 (104)

Uit een florakartering in het Ilperveld uit 2019 blijkt dat waterplanten sterk zijn afgenomen en dat het water op veel plaatsen vegetatieloos is geworden (Non en Diemeer, 2020). In het Ilperveld is de kwaliteit van het leefgebied dus verslechterd, het is niet bekend of dit in Varkensland en Oostzanerveld eveneens het geval is.

Figuur 5.1

Aspecten waterkwaliteit waterrijk Waterland. Groen = goed, geel = matig, oranje = ontoereikend, rood = slecht. Bron: Factsheet KRW – stroomgebiedbeheerplan SGBP 2022-2027. GEP = Goed Ecologisch Potentieel, EKR= ecologische kwaliteitsratio, dat is de ecologische score op de maatlat. Een goede kwaliteit wordt gehaald als de EKRscore gelijk is of groter is dan de GEP-waarde, zgm is zomergemiddelde

47 (104)

Figuur 5.2

Doorzicht in het gebied Waterland van 1975 tot 2015. Bron: hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier.

Conclusie Er vindt een matige afname van bittervoorn plaats op provinciaal niveau. De aantalstrend van bittervoorn in het gebied is daardoor waarschijnlijk ook matig dalend. De doelstelling van behoud van de populatie wordt daardoor waarschijnlijk niet gerealiseerd. De kwaliteit van het leefgebied is in het Ilperveld verslechterd, niet bekend is of dat voor Varkensland en het Oostzanerveld ook geldt. Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, kunnen de conclusies ten aanzien van de trend van de bittervoorn in het gebied slechts beperkt onderbouwd worden. Hiervoor is het van belang om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek. Ook is het van belang de aanwezigheid en verspreiding van de zoetwatermossel in kaart te brengen omdat deze van groot belang is voor de bittervoorn. 5.2

Kleine modderkruiper

Soortbeschrijving en eisen leefgebied De kleine modderkruiper vereist helder, zoet, ondiep water met waterplanten. De soort komt vooral voor in brede watergangen met een niet te dikke baggerlaag in combinatie met oever- en watervegetatie en is gespecialiseerd in het leven op de bodem. Aantal en trends Op landelijk niveau werd in 2019 de verspreiding als “goed” beoordeeld door het CBS. Op provinciaal niveau is gedurende de periode 2008 tot 2019 op basis van NEM data een matige afname te zien van de soort.

48 (104)

Op lokaal niveau is in de KRW visstandonderzoeken in 2011 en 2019 de kleine modderkruiper niet aangetoond waardoor ook op basis van deze data geen trend bepaald kan worden. Ook in de NDFF ontbreekt data over de kleine modderkruiper. Het is daarom niet mogelijk voor deze soort een trend te bepalen. Bij het ontbreken van lokale data gaan we ervan uit dat de matige dalende provinciale trend ook geldt voor de gebieden Oostzanerveld, Ilperveld & Varkensland. Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Kleine modderkruiper komt vooral voor in brede watergangen met een niet te dikke baggerlaag in combinatie met oever- en watervegetatie. Omdat monitoringsgegevens ontbreken kan er niks gezegd worden over de verspreiding van de soort in het gebied ten opzicht van het begin van de beheerplanperiode. Een van de belangrijke kwaliteitseisen voor de kleine modderkruiper is helder, plantenrijk water en de afwezigheid van een dikke baggerlaag. In figuur 5.1 en 5.2 is te zien dat het doorzicht/de helderheid van het water slecht is en niet wezenlijk is veranderd over de afgelopen jaren. De kwaliteit van de water- en oevervegetatie in het KRW waterlichaam Waterrijk Waterland is onveranderd en matig evenals de kwaliteit van de visgemeenschap, de kwaliteit van de macrofaunagemeenschap is verbeterd en fytoplankton is verslechterd.

Uit een florakartering in het Ilperveld uit 2019 blijkt dat waterplanten sterk zijn afgenomen en dat het water op veel plaatsen vegetatieloos is geworden (Non en Diemeer, 2020). In het Ilperveld is de kwaliteit van het leefgebied dus verslechterd, het is niet bekend of dit in Varkensland en Oostzanerveld eveneens het geval is. Conclusie Er vindt een matige afname van kleine modderkruiper plaats op provinciaal niveau. De aantalstrend van kleine modderkruiper in het gebied is daardoor waarschijnlijk eveneens matig dalend. De doelstelling van behoud van de populatie wordt daardoor waarschijnlijk niet gerealiseerd. De kwaliteit van het leefgebied is in het Ilperveld verslechterd, niet bekend is of dat voor Varkensland en het Oostzanerveld ook geldt. Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, kunnen de conclusies ten aanzien van de trend van de kleine modderkruiper slechts beperkt onderbouwd worden. Hiervoor is het van belang om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek. 5.3

Rivierdonderpad

Soortbeschrijving en eisen leefgebied De rivierdonderpad komt onder andere voor in kanalen, meren en sloten. De soort houdt voornamelijk van koele locaties met hoge zuurstofgehaltes en voldoende schuilplaatsen (boomwortels, oeverbeschoeiing, stenen). De soort is nachtactief en zoekt dan op de bodem naar kleine prooien zoals muggenlarven, visseneieren, waterpissebedden. In de paartijd worden beschutten plekken als nestholte gebruikt. Hier legt het vrouwtje haar eitjes in de periode maart-april. Aantal en trends Op landelijk niveau is de verspreiding van de rivierdonderpad in 2019 aangemerkt als “goed” (CBS 2019). Op provinciaal niveau heeft er echter een sterke afname plaatsgevonden in de periode van 2008 tot 2019. Op lokaal niveau is er door afwezigheid van voldoende data geen trend te bepalen.

49 (104)

Bij het ontbreken van lokale data gaan we ervan uit dat de dalende provinciale trend ook geldt voor de gebieden Oostzanerveld, Ilperveld & Varkensland. Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Er is weinig bekend over de verspreiding van de rivierdonderpad in het gebied. Slechts van Oostzanerveld is bekend dat de soort voorkomt langs plassen bij stenige oevers en in brede sloten met stevige bodems. Ook in Ilperveld komt de soort lokaal voor. In Varkensland zijn geen waarnemingen bekend. Omdat monitoringsgegevens ontbreken kan er niks gezegd worden over de verspreiding van de soort in het gebied ten opzichte van het begin van de beheerplanperiode. De kwaliteit van het leefgebied is voornamelijk afhankelijk van waterkwaliteit (helderheid en zuurstofrijkdom) en de aanwezigheid van schuilmogelijkheden. Het doorzicht van het water is onveranderd gebleven in de afgelopen periode. Het zuurstofgehalte van het water is goed (Figuur 5.1). In het Ilperveld zijn waterplanten sterk afgenomen en zijn wateren op veel plaatsen vegetatieloos geworden (Non en Diemeer, 2020). Dit kan een negatieve invloed hebben op de zuurstofcondities in deze wateren en kan hebben geleid tot een verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied van rivierdonderpad. Het is niet bekend of dit in Varkensland en Oostzanerveld eveneens het geval is.

Conclusie Er heeft een sterke afname van rivierdonderpad plaatsgevonden op provinciaal niveau. De aantalstrend van rivierdonderpad in het gebied is daardoor waarschijnlijk eveneens negatief. De doelstelling van behoud van de populatie wordt daardoor waarschijnlijk niet gerealiseerd. De kwaliteit van het leefgebied is in het Ilperveld verslechterd, niet bekend is of dat voor Varkensland en het Oostzanerveld ook geldt. Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, kunnen de conclusies ten aanzien van de trend van de rivierdonderpad slechts beperkt onderbouwd worden. Hiervoor is het van belang om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek. 5.4

Meervleermuis

Soortbeschrijving en eisen leefgebied De meervleermuis is een gebouw-bewonende soort. De soort is bijvoorbeeld te vinden in kerkzolders, spouwmuren en onder dakpannen. Jaaggebied kan tot zo’n 20 km van de verblijfplaatsen liggen en bestaat uit groot open water en oevers van plassen, meren, kanalen en vaarten. Om deze gebieden te bereiken worden kanalen, vaarten en brede sloten gevolgd. Over land maakt de soort gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen, houtwallen en dijken. Kraamverblijven zijn voornamelijk gevonden in het westen en noorden van het land, evenals in de veenweidegebieden van Oost-Nederland. Vleermuiskasten, woonhuizen en winterverblijfplaatsen worden gebruikt als paarverblijven. Er zijn concrete aanwijzingen dat het aantal kraamverblijven in de regio Laag Holland is afgenomen (R. van ’t Veer, pers. med.). De belangrijkste overwinterplaatsen voor de soort zijn de bunkers in de duinen van Zuid- en Noord-Holland en de mergelgroeven in Limburg. Het gebied Oostzanerveld, Ilperveld & Varkensland dient vooral als foerageergebied voor de meervleermuis. Om routes naar dit gebied te waarborgen is het daarom van belang om bij wegen die waterwegen en bomenrijen doorsnijden doorgangen onder wegen te behouden.

50 (104)

Ook is het behoud van onverlichte gebieden in en naar het Natura-2000 gebied van belang omdat meervleermuizen verstorende effecten ervaren van licht (Kuijper et al. 2008). Uit onderzoek in de Nieuwkoopse Plassen & De Haeck door de Zoogdiervereniging (2018) is gebleken dat de soort vooral jaagt in de luwte van de oever2. Vanwege het belang van rietzomen als aanvliegroute voor meervleermuizen is het dan ook van belang in en in de omgeving van het Natura 2000-gebied voldoende lengte aan rietzone te realiseren en te behouden. Aantal en trends Op landelijk niveau wordt de trend van de meervleermuis aangeduid als matig toenemend3. Op provinciaal niveau is op basis van NEM data over de periode 1995 tot 2019 eveneens een matige toename zichtbaar. De trend van 2008-2019 is aangegeven als “onzeker”, maar op basis van de landelijke trend is de verwachting dat ook in deze periode een matige toename heeft plaatsgevonden. In de periode van 2011-2015 zijn er ongeveer 34 losse waarnemingen van de meervleermuis bekend in de NDFF. In de periode van 2016-2020 is slechts 1 losse waarneming bekend van de meervleermuis in het Natura 2000-gebied. Op basis van deze losse waarnemingen kan geen trend bepaald worden voor de meervleermuis binnen dit gebied. Er zijn ook geen andere gegevens bekend op basis waarvan een trend bepaald kan worden.

Wel zijn er concrete aanwijzingen dat het aantal kraamverblijven in de regio Laag Holland is afgenomen (R. van ’t Veer, pers. med.). Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied De soort is alleen in de zomer en na zonsondergang aanwezig binnen het gebied. Het gebied wordt gebruikt als foerageergebied door de meervleermuis. De verspreiding van de meervleermuis in 2016 is weergegeven in figuur 6.3. Vanwege het open landschap en de lijnvormige elementen in het gebied, vormt het zeer geschikt foerageergebied voor de meervleermuis (Kapteyn 1995; Limpens, Mostert, and Bongers 1997). Kanalen en ringvaarten buiten het gebied worden gebruikt om te navigeren tussen het foerageergebied en verblijfplaatsen. Omdat er weinig waarnemingen van de meervleermuis bekend zijn in het gebied in de afgelopen vijf jaar, kunnen er geen conclusies worden getrokken over de huidige verspreiding van de soort. Het gebied is tevens moeilijk toegankelijk, waardoor er weinig geïnventariseerd is. Omdat het gebied zeer geschikt foerageergebied vormt voor de meervleermuis en significante barrières en significante lichtverstoring afwezig zijn, is de verwachting dat de kwaliteit en omvang van het leefgebied redelijk stabiel zijn gebleven gedurende de eerste beheerplanperiode.

Een afname van de ecologische waterkwaliteit in het Ilperveld heeft mogelijk gevolgen voor de prooibeschikbaarheid voor de meervleermuis. Verbetering van de waterkwaliteit is daarom gewenst. Tevens is het belangrijk om voldoende oevers met windluwe rietzomen te behouden omdat de soort deze locaties waarschijnlijk prefereert voor het foerageren.

2

https://www.zoogdiervereniging.nl/nieuws/2018/meervleermuizen-waaien-liever-niet-weg-op-de-nieuwkoopseplassen 3 https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/53/vervijfvoudiging-vleermuizen-sinds-1986

51 (104)

Figuur 5.3

Verspreiding meervleermuis (Atlas 2016).

Conclusie Er zijn onvoldoende data voor een lokale trendanalyse van zowel de populatie als het leefgebied. Op basis van de provinciale data is het de verwachting dat ook in Ilperveld, Varkensland en het Oostzanerveld de populatie niet achteruit is gegaan. Er zijn echter aanwijzingen dat er minder kraamkolonies in de directe omgeving zijn; dat kan van invloed zijn op de populatie die in het gebied aanwezig is. Het eventueel niet behalen van de doelstelling zou kunnen komen door vernietiging van kraamkolonies of vliegroutes buiten het gebied, maar door de Wet natuurbescherming zou dit voorkomen moeten worden. Omdat lokale gegevens ontbreken is nader onderzoek naar kraamkolonies, de lokale aantallen foeragerende meervleermuis en kwaliteit van het leefgebied nodig. 5.5

Noordse woelmuis

Soortbeschrijving en eisen leefgebied De noordse woelmuis heeft als belangrijkste vereiste voor zijn leefgebied een combinatie van natte en droge omstandigheden, zoals moeras, veenmosrietland of vochtig weidevogelgrasland, maar ook het ontbreken van de concurrerende soorten aardmuis en veldmuis. In Nederland wordt het voorkomen van de noordse woelmuis mede bepaald door concurrentie met deze soorten. De noordse woelmuis tolereert nattere en koudere omstandigheden dan de andere woelmuizen en zal zich bij concurrentie kunnen handhaven in natte vegetatietypen, waaronder natte graslanden van het Zilverschoonverbond, natte pitrusgraslanden, natte moerasruigten en veenmosrietlanden Wanneer voldoende natte leefgebieden aanwezig zijn, is concurrentie van andere soorten minimaal (la Haye, Drees, and van Apeldoorn 2008). Aantal en trends Op landelijk niveau lijkt de trend van de verspreiding van noordse woelmuis sinds 1995 stabiel (CBS 2019). Op provinciaal niveau lijkt er eveneens een stabiele trend te zijn van 2008 tot 2019 en een matige toename over de periode van 1995 tot 2019.

52 (104)

Op lokaal niveau zijn er geen trendgegevens beschikbaar. Wel is er onderzoek gedaan naar de verspreiding van noordse woelmuis in Wormer- & Jisperveld en Kalverspolder en in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Uit dit onderzoek komt naar voren dat genetische verschillen tussen deze twee gebieden klein zijn, wat mogelijk duidt op voldoende uitwisseling tussen de noordse woelmuizen en daarmee gezonde populaties en voldoende verbinding van leefgebied. Lokale verspreiding en kwaliteit van het leefgebied Veldonderzoek in Oostzanerveld uitgevoerd door de zoogdiervereniging in 2015 toonde aan dat de soort in het hele gebied aanwezig is. NDFF data van 2011-2015 toont dat er noordse woelmuizen zijn gevonden tijdens inventarisaties met inloopvallen in Oostzanerveld en Varkensland. Recentere data op basis van inloopvallen zijn niet beschikbaar. De natte rietlanden, natte strooiselruigten, natte tot sterk vochtige graslanden (inclusief pitrusgraslanden) en veenmosrietlanden bieden allemaal zeer geschikt leefgebied van voldoende omvang en kwaliteit voor de instandhouding van de noordse woelmuis populatie. Daarnaast zijn er slechts enkele waarnemingen bekend van de veldmuis en geen van de aardmuis. Deze soorten vormen dus vooralsnog geen bedreiging voor het oppervlakte aan leefgebied voor de noordse woelmuis.

Het hierboven genoemde onderzoek naar de verspreiding van de noordse woelmuis toont dat er voldaan wordt aan de vereiste voor voldoende verbinding tussen leefgebieden. Conclusie Er zijn onvoldoende monitoringsgegevens voor een analyse van de aantalstrend en ontwikkelingen in het leefgebied van de noordse woelmuis. Veldonderzoek dat in de eerste beheerplanperiode is uitgevoerd, suggereert dat er geen negatieve trend plaatsvindt. Dit is in lijn met provinciale gegevens die stabiel is. De ruim aanwezige natte rietlanden en strooiselruigten, natte tot sterk vochtige graslanden en veenmosrietlanden vormen zeer geschikt leefgebied voor deze soort. De doelstellingen voor behoud van de populatie en de kwaliteit en omvang leefgebied worden dus waarschijnlijk behaald. Omdat lokale monitoringsgegevens grotendeels ontbreken, kan deze conclusie niet met stelligheid worden getrokken. Daarvoor zou nader protocollair onderzoek naar de lokale aantallen en de kwaliteit van het leefgebied wenselijk zijn. 5.6 Samenvatting De aangewezen doelsoorten, de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen en de huidige trends in het Habitatrichtlijngebied Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld zijn weergegeven in Tabel 5.2Fout! Verwijzingsbron niet gevonden.. Voor alle soorten geldt een behoudsdoelstelling voor zowel aantallen als de omvang en kwaliteit van het leefgebied. Tabel 5.1

Realisatie: groen: doel gerealiseerd, oranje: doel mogelijk niet gerealiseerd, rood: doel niet gerealiseerd

Soort

Doel populatie

Realisatie populatie

Doel leefgebied leefgebied*

H1134 bittervoorn

=

Inschatting o.b.v. provinciale trend

omvang/kwaliteit

omvang

kwaliteit

=/=

=

<

53 (104)

H1149 kleine modderkruiper

=

Inschatting o.b.v. provinciale trend

=/=

=

<

H1163 rivierdonderpad

=

Inschatting o.b.v. provinciale trend

=/=

=

<

H1318 meervleermuis

=

o.b.v. mogelijke afname lokale kraamkolonies

=/=

=

=

H1340 noordse woelmuis

=

Inschatting o.b.v. provinciale trend en veldwaarnemingen

=/=

=

=

*De realisatie van de doelstellingen voor het leefgebied is niet kwantitatief beoordeeld, maar gebaseerd op een inschatting aan de hand van beschikbare informatie

Voor een belangrijk deel zijn de beschikbare gegevens ontoereikend om een onderbouwde conclusie met betrekking tot de realisatie van de behoudsdoelstellingen voor de habitatrichtlijnsoorten in het Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland te kunnen trekken. Op basis van beperkt beschikbare lokale gegevens in combinatie met provinciale trends, lijken de doelstellingen voor noordse woelmuis echter gerealiseerd te zijn. Voor meervleermuis kan een lokale negatieve trend niet worden uitgesloten aangezien er aanwijzingen zijn dat het aantal kraamkolonies in Laag Holland is afgenomen. Voor de drie vissoorten bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad ontbreken lokale gegevens eveneens maar is de trend op basis van de provinciale trend afnemend. De kwaliteit van het leefgebied is in het Ilperveld verslechterd, niet bekend is of dat voor Varkensland en het Oostzanerveld ook geldt. Voor een goed onderbouwde evaluatie is het wenselijk om gedetailleerdere, lokale informatie middels protocollaire monitoring te verzamelen ten aanzien van de kwaliteit en omvang van het leefgebied en vooral over de populatieomvang van de verschillende habitatrichtlijnsoorten.

54 (104)

6

Vogelrichtlijnsoorten

6.1

Doelsoorten Vogelrichtlijn

Beschikbaarheid van gegevens: Voldoende De aangewezen doelsoorten en de aantalsontwikkeling daarvan over de afgelopen vijf jaar in het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is weergegeven in Tabel 6.1. Voor alle soorten geldt een behoudsdoelstelling voor zowel de omvang als de kwaliteit van het leefgebied, met uitzondering van de kemphaan en watersnip waarvoor een verbetering in omvang en kwaliteit van het leefgebied geldt. In de volgende paragrafen worden deze soorten en de langjarige trends in meer detail besproken. Tabel 6.1

Monitoringsgegevens van (a) broedvogel en (b) niet-broedvogel doelsoorten. Voor niet-broedvogels wordt het aantal per seizoen weergegeven als het seizoensmaximum (max) of -gemiddelde (gem.). Ook wordt het gemiddelde over de afgelopen vijf seizoenen weergegeven in relatie tot het instandhoudingsdoel (IHD). Functie: f = foerageren, s = slaap- of rustplaats. De seizoenen of het gemiddelde aantal waarin het IHD niet wordt gehaald is rood gearceerd; waar dat wel het geval is, zijn de aantallen groen gearceerd. ? betekent onvoldoende gegevens

(a) Broedvogels doelstelling leefgebied omvang

2015

2016

2017

2018

2019

gemiddeld

IHD

kwaliteit

Roerdomp

=

=

?

12

10

12

?

12

17

Bruine Kiekendief

=

=

10

8

11

?

?

10

15

Kemphaan

>

>

0

0

0

0

0

0

20

Watersnip

>

>

?

?

?

?

?

?

60

Visdief

=

=

?

80

?

?

?

?

180

Snor

=

=

?

?

?

?

?

?

50

Rietzanger

=

=

?

?

?

?

?

?

800

14/15

15/16

16/17

17/18

18/19

gemiddeld

(b) Niet-broedvogels aantal

functie

doelstelling leefgebied omvang

IHD

kwaliteit

Grauwe gans

gem.

f

=

=

2241

2190

1865

1769

1493

1912

90

Smient

gem.

s, f

=

=

3784

5470

4831

4918

5142

4829

6400

Krakeend

gem.

f

=

=

384

387

423

355

490

408

200

Slobeend

gem.

f

=

=

36

44

46

56

56

48

50

Meerkoet

gem.

f

=

=

510

474

627

615

724

590

710

Grutto

max.

s

=

=

?

?

?

?

?

?

behoud

Tekstkader 6.1 Nadere informatie over de gebruikte gegevens Wat zegt de index in de grafieken van doelsoorten? Voor een aantal soorten zijn in de bijgevoegde grafieken geen aantallen weergegeven maar een index. Voor de landelijke trend is eveneens een index aangegeven. Weergegeven is de jaarlijkse index van de broedpopulatie t.o.v. een basisjaar (meestal 1990). M.a.w. hoeveel is het aantal in % gestegen of gedaald t.o.v. 1990. Voor de rietzanger bijvoorbeeld is te zien dat het aantal in 2019 rond de 100% ligt en daarmee overeenkomt met het aantal in 1990. In 2006 ligt de index op iets boven de 100%. In 2006 werd het aantal op 1000 broedparen

55 (104)

geschat. Daarmee zal het meest recente aantal, in 2019, daar iets onder liggen en naar schatting rond het instandhoudingsdoel van 800. Hoe worden telgegevens verzameld, jaarlijks? Trends zijn gebaseerd op volledige tellingen of, indien niet beschikbaar, een representatieve steekproef van telgebieden. De telgebieden worden jaarlijks volgens protocol geteld. Wanneer de exacte aantallen niet beschikbaar zijn, zijn vaak wel steekproeven van een deel van het gebied beschikbaar. Op basis hiervan kan geen (betrouwbare) totaalschatting van de aantallen in het gebied gemaakt worden, maar kan wel een schatting van de aantalsontwikkeling gemaakt worden die weergegeven wordt als een indextrend.

6.2

Broedvogels

A021 Roerdomp Soortbeschrijving en eisen leefgebied De roerdomp broedt in Nederland van april tot en met juni. De grote moerasgebieden van West- en Noord-Nederland vormen belangrijke gebieden voor de Nederlandse populatie roerdompen. Aanleg van nieuwe natte natuur heeft ertoe geleid dat de aantallen broedende roerdompen in Nederland sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw herstelden. Het leefgebied bestaat uit rietland met afwisselend droog en nat overjarig riet. Het ideale broedbiotoop wordt gevormd door overjarige natte rietlanden met een waterdiepte van 10-50 cm. Vaak vormen deze biotopen een afwisselend mozaïek met droge rietlanden en kleine plasjes (van 't Veer, van der Geld, and Scharringa 2009). H6430B Ruigten en zomen en zoekgebied H6430B in Vogelrichtlijngebied kunnen deel uitmaken van het leefgebied voor de roerdomp, doordat deze zomen extra beschutting bieden. De soort zoekt zijn voedsel in moerassige oevers van open water, in ondiep water in waterrietvelden en in de waterrietzones langs kleinschalig oppervlaktewater. Ook vochtig, maar ruig en beschut grasland wordt gebruikt. De dichtheid aan roerdompen is sterk gerelateerd aan de randlengte van geschikt foerageergebied (van der Hut 2001). Het voedsel bestaat uit vissen, amfibieën en kleine zoogdieren (voornamelijk woelmuizen), maar ook jonge vogels en grote waterinsecten maken deel uit van het dieet.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=2b4f7975-1d0c-44bd-9aaa-d719ce32cb04