Evaluatie N2000 beheerplan IVOT.
Tekst van het document
Dit houdt in dat deze graslanden, in aanvulling op het reguliere beheer dat geldt voor de natuurbeheertypen vochtig hooiland en vochtig weidevogelgraslanden, na de broedtijd worden gemaaid en dat het maaisel wordt afgevoerd. Aanvullend is in het beheerplan opgenomen dat: · Plas-dras oppervlakten van april tot in juni beschikbaar moeten zijn. · Nabeweiding van schraal hooiland door schapen moet plaatsvinden bij grote grasgroei (in plaats van extensief beweiden).
82 (104)
· ·
Realisatie van een drooglegging van 0-20 cm in de periode half april tot juni noodzakelijk is. Verschraling en beperking van de mestgift.
Niet bekend is in hoeverre deze aanvullende beheermaatregelen zijn gerealiseerd. Uitvoering van deze maatregelen in de tweede beheerplanperiode zijn nodig om voldoende omvang én kwaliteit van het leefgebied voor watersnip en kemphaan te realiseren.
83 (104)
8
Relevante ontwikkelingen en knelpunten voor de instandhoudingsdoelen
8.1
Verleende vergunningen
Voor het uitvoeren van activiteiten die mogelijk een significant negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is een vergunning vereist. Bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord zijn alle vergunningsaanvragen en verleende vergunningen in het kader van de Wet natuurbescherming voor de eerste beheerplanperiode (2016 tot heden) opgevraagd (tabel 8.1). Nieuwe activiteiten zijn alleen vergund wanneer significante effecten op de instandingsdoelen zijn uitgesloten. Tabel 8.1
Vergunningsaanvragen ingediend bij de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord van 2016 tot heden
Aspect
Vergunningssoort
Verleend
Opmerkingen Uitbreiding inrichting steigercapaciteit 2 nieuwe aanlegplaatsen Mauritshaven en verlengen pieren
Stikstof
PAS vergunning
5-sep-17
Stikstof
PAS vergunning
9-okt-17
Stikstof
PAS vergunning
12-dec-17
Recreatie
Vergunning
8-mrt-18
Tweedaagse festiviteit
Stikstof
PAS vergunning
21-mrt-18
Veehouderij
Stikstof
Vergunning
17-mei-18
Melkveehouderij
Stikstof
VVGB
26-jul-18
Bouw nieuwe ligboxenstal
Stikstof
PAS vergunning
5-sep-18
Melkveehouderij
Stikstof
PAS vergunning
30-okt-18
Wijziging jongvee opfokbedrijf
Stikstof
PAS vergunning
4-dec-18
Veehouderij
Stikstof
PAS vergunning
7-jan-19
Veehouderij
PAS vergunning
21-feb-19
Wijziging dieraantallen
Stikstof
PAS vergunning
11-mrt-19
Veehouderij
Stikstof
PAS vergunning
23-apr-19
VVGB/advies OD
5-sep-19
Stikstof
Vergunning
Onbekend
Infrastructuur
Vergunning
Onbekend
Aanvraag ingetrokken.
Stikstof
Vergunning
Onbekend
Woningbouwproject
Stikstof
Stikstof vergunning
Onbekend
Stikstof
Stikstof vergunning
Onbekend
Woningbouwproject
Stikstof
Stikstof vergunning
Onbekend
Woningbouwproject
Voortoets
Advies
Onbekend
Advies dijkverbeteringsproject
8.2 Handhaving Om de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en de overige Natura 2000-gebieden in Laag Holland te realiseren is door de verschillende handhavingsinstanties een handhavingsplan opgesteld (Provincie Noord-Holland 2015). In dit handhavingsplan wordt achtereenvolgens handhavingsprioriteit gegeven aan beheer en schadebestrijding, illegale onderbemaling, bemesting, stikstofemissie, recreatie (loslopende honden en snelle boten) en evenementen (inclusief vuurwerk).
84 (104)
Voor zover bekend is het aantal procesverbalen en waarschuwingen tijdens de eerste beheerplanperiode niet vastgelegd, waardoor deze niet geëvalueerd kunnen worden. Wel wordt er door de verschillende handhavingsinstanties aangegeven dat er in dit gebied veel overlast door verschillende vormen van recreatie wordt ervaren, hetgeen ook te verwachten valt voor dit drukbezochte recreatiegebied. Het meest voorkomend zijn loslopende honden op plekken waar dat niet is toegestaan. Daarnaast wordt er tegenwoordig ook steeds meer overlast ervaren door drones, nu hiervoor strengere regels voor zijn opgesteld in de bebouwde kom. Het gebruik van drones door particulieren is in beginsel vergunningplichtig binnen Natura 2000-gebieden. Ook vormt hard varen, met name door jongeren, nog een belangrijke bron van overlast. Het is wenselijk om in een nieuw beheerplan een toetsing uit te voeren op gemotoriseerde vaarrecreatie waarbij de vaarsnelheid wordt meegenomen. Vernieling door jongeren vormt eveneens een knelpunt. Bovendien zijn er ook regelmatig meldingen bij de beheerder binnengekomen over windsurfers die ’s winters de rustende smienten op het water verstoren, wat een nadelig effect op de instandhoudingsdoelstelling van deze vogel zou kunnen hebben.
Ook hier geldt weer dat deze vorm van recreatie in principe is toegestaan doordat het in het beheerplan is opgenomen als bestaand gebruik waarbij geen onderscheid is gemaakt tussen recreatieve activiteiten in de zomer dan wel de winterperiode. Het is wenselijk dit aan te passen. Verder wordt geluidsoverlast door vliegverkeer als knelpunt genoemd. Tot slot is de afstemming over handhaving tussen de verschillende handhavende partijen beperkt waardoor handhavings-issues blijven liggen of worden doorgeschoven. 8.3 Knelpunten en drukfactoren Een aantal factoren hebben de realisatie van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen mogelijk beïnvloed. Deze worden in deze paragraaf besproken. Toekomstige ontwikkelingen die de realisatie van de doelen mogelijk gaan beïnvloeden, worden daarbij eveneens besproken. Het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is grotendeels begrensd als NNN (figuur 1.2). De Natura 2000-doelen en NNN-doelen overlappen en versterken elkaar grotendeels. Realisatie van het NNN draagt dan ook bij aan de realisatie van de Natura 2000-doelen. Soms zijn natuurdoelen voor een gedeelte strijdig met elkaar. Zo vereisen weidevogels bijvoorbeeld een open landschap hetgeen strijdig kan zijn met de aanwezigheid van een habitattype als veenmosrietland of biotoop voor roerdomp of rietzanger.
Ruimtelijke differentiatie van natuurdoelen kan bijdragen aan de realisatie van de verschillende natuurdoelen binnen het Natura 2000-gebied. Waterkwaliteit De waterkwaliteit in het Natura 2000-gebied is slecht. De gemiddelde concentraties totaal stikstof, totaal fosfaat en sulfaat in het oppervlaktewater zijn te hoog. Naast de nutriëntenconcentraties is ook de nutriëntenbelasting van belang voor de oppervlaktewaterkwaliteit. De huidige fosfaatbelasting van het oppervlaktewater is 1,2 maal hoger dan de kritische belasting voor oppervlaktewater en de huidige stikstofbelasting van het oppervlaktewater is lager dan de kritische belasting voor oppervlaktewater (van Dam and Jaarsma 2020). Het doorzicht in het gebied is onvoldoende en het chlorofyl-a gehalte is te hoog. Ander knelpunt voor de waterkwaliteit is de potentiële nalevering vanuit de fosfaatrijke waterbodem.
85 (104)
Verreweg het grootste aandeel stikstof en fosfaat is afkomstig van uit- en afspoeling. Inlaatwater is in veel beperktere mate verantwoordelijk voor de belasting. Een deel van de belasting door uit- en afspoeling is natuurlijke achtergrondbelasting. Daarnaast is interne nalevering (interne eutrofiëring) vanuit de veenbodem een belangrijke bron. De ecologische waterkwaliteit is onvoldoende. Met name in het Ilperveld is nagenoeg geen watervegetatie meer aanwezig. Ook elders is de water- en oevervegetatie matig ontwikkeld en is er sprake van een matig ontwikkelde macrofauna gemeenschap. In 2012 werd een deel van de gronden in het Natura 2000-gebied bemest (Groenendijk et al, 2012). Het ging in het Oostzanerveld om een groot deel van het noordelijke Oostzanerveld en de weidevogelgraslanden in het Ilperveld. Het Twiske en het Varkensland zijn hierbij niet onderzocht. Er werd voornamelijk ruige mest en paardenmest toegepast. Met uitzondering van het Twiske is aan een aanzienlijk deel van het NNN binnen het Natura 2000-gebied het natuurbeheertype vochtig weidevogelgrasland (N13.01) toegekend. Vochtig weidevogelgrasland wordt vaak bemest als onderdeel van het beheer.
Een conclusie van onderzoek naar mestgift in weidevogelgraslanden in Laag Holland was dat jaarlijks mesten niet noodzakelijk is voor de instandhouding van geschikt weidevogelgrasland terwijl mestgift (huidig en historisch) de belangrijkste fosfaatbron voor het oppervlaktewater in dit gebied is (Groenendijk et al, 2012). In het onderzoek wordt verder aangegeven dat het stoppen van de bemesting niet zal leiden tot een snelle verbetering van de waterkwaliteit gezien de grote fosfaatvoorraad in de bodem. Op de lange termijn kan het fosfaatgehalte in het oppervlakte wél lager worden. Een goede oppervlaktewaterkwaliteit is van belang omdat nieuwe verlanding onder zeer voedselrijke omstandigheden niet optreedt. Om op de lange termijn alle stadia van de verlandingsreeks, waaronder vochtige laagveenheide en veenmosrietland, te behouden, is het nodig dat er nieuwe verlanding in open water optreedt waaruit de verschillende verlandingsstadia zich kunnen ontwikkelen. Door plaggen kan -afhankelijk van de dikte van de kragge en de afstand tot het oppervlaktewater- de invloed van oppervlaktewater op de wortelzone van de vegetatie toenemen. Het succes van maatregelen als plaggen kan daardoor mede samenhangen met de oppervlaktewaterkwaliteit. Het habitattype kranswierwateren komt voor in matig voedselrijk, helder water met een lage fosfaatbelasting.
In grote delen van het Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland is het water te voedselrijk en te troebel voor kranswiervegetaties (zie tekstkader 8.1). Tekstkader 8.1 Knelpunten en kansen voor kranswiervegetaties Heldere wateren, welke van groot belang zijn voor kranswiervegetaties, komen maar weinig voor en zijn in dit gebied beperkt tot pioniersituaties: pas uitgegraven petgaten, geïsoleerde en gebaggerde sloten of regelmatig geschoonde smalle weilandslootjes. Helaas is ook de helderheid van het water in geïsoleerde sloten en in de petgaten tijdelijk. Uit het Watersniponderzoek (Witteveldt & Van 't Veer 2003) werd al duidelijk dat de geïsoleerde wateren helderder waren dan de niet-geïsoleerde wateren en dat de meeste nutriënten en macroionen een lagere concentratie bezaten. Echter, opgelost fosfaat was steeds significant hoger in de geïsoleerde wateren en petgaten. Dit fosfaat is afkomstig uit de veenbodem van de aangrenzende graslanden en accumuleert jaarlijks als de sloten niet worden geschoond of het water wordt doorgespoeld. Op termijn wordt de fosfaatconcentratie zo hoog, dat de heldere geïsoleerde wateren troebel worden en de watervegetatie weer afneemt (Van 't Veer & Dekker 2015). Uit het Ilperveld onderzoek kan worden opgemaakt dat gunstige condities in afgesloten wateren en in petgaten zo'n 10-15 jaar aanwezig zijn.
Om de condities in deze regenwater gevoede geïsoleerde wateren gunstig te houden is regelmatig verwijdering van de slibbodem (slootschonen) noodzakelijk; ook het regelmatig doorspoelen van geïsoleerde watersystemen waarin veel fosfaat is opgehoopt is waarschijnlijk een optie.
86 (104)
Daarnaast is de oppervlaktewaterkwaliteit van invloed op verschillende habitatsoorten waaronder bittervoorn, kleine modderkruiper en rivierdonderpad. Naar verwachting zijn de beste kansen voor een goede waterkwaliteit aanwezig in pas uitgegraven petgaten, geïsoleerde en gebaggerde sloten of regelmatig geschoonde smalle weilandslootjes die niet worden bevaren, ver van de waterinlaat liggen en die liggen langs percelen waar geen bemesting plaatsvindt. In Varkensland en het Oostzanerveld is veel bemest weidevogelgrasland aanwezig, dit is in delen van het Ilperveld minder het geval. Hier liggen mogelijk dan ook de beste kansen voor de verbetering van de waterkwaliteit. Realisatie van de Natura-2000 doelen heeft in dit gebied een grote overlap met het realiseren van de Kaderrichtlijn Waterdoelen. Dit betekent dat er sprake is van een grote overlap in de uitvoering van Kaderrichtlijn Water en Natura 2000-maatregelen. Stikstofdepositie Atmosferische stikstofdepositie kan een negatief effect op de natuurkwaliteit hebben. Door de stikstofdepositie kunnen houtige gewassen als cranberry, appelbes en berk sneller in het veenmosrietland en de moerasheide kiemen, waardoor de kwaliteit afneemt.
Kenmerkende soorten van bijvoorbeeld het veenmosrietland of vochtige laagveenheide kunnen daardoor verdwijnen en overgenomen worden door bijvoorbeeld appelbes, cranberry of andere snel groeiende struiken en grassen. De successie van waardevolle vegetaties van het laagveenmoeras verloopt door de stikstofdepositie versneld. De effecten van stikstofdepositie kunnen versterkt worden door andere factoren zoals verdroging. Omdat de stikstofdepositie ook aan het einde van de eerste beheerplanperiode nog ruim boven de KDW ligt en de concentratie ammoniak waarschijnlijk is toegenomen, zijn bronmaatregelen noodzakelijk om stikstofdepositie te verminderen. Bovendien zijn er aanvullend herstel- en beheermaatregelen nodig om te voorkomen dat er een afname in oppervlakte en kwaliteit van vochtige laagveenheide optreedt door te hoge stikstofdepositie. Beheer Goed beheer is van essentieel belang voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen. Dit geldt voor alle instandhoudingsdoelen maar vooral voor het behoud van de habitattypen veenmosrietland en vochtige laagveenheide is intensief beheer zoals maaien en afvoeren, en het verwijderen van opslag en exoten als appelbes en cranberry. De hoge stikstofdepositie veroorzaakt een noodzaak tot intensivering van het beheer zoals bijvoorbeeld het verwijderen van opslag.
Het beheer in dit Natura 2000-gebied is extra uitdagend omdat percelen alleen varend te bereiken zijn. Dit bemoeilijkt de uitvoering van het beheer en de afvoer van groenmateriaal dat vrijkomt bij het beheer. De beheervergoeding is hierop onvoldoende afgestemd. Bovendien is het vergoedingensysteem onvoldoende afgestemd op kleine oppervlakten met veenmosrietland en moerasheide. Klimaatverandering Een veranderend klimaat zal naar verwachting in het gebied onder meer leiden tot een toename van langere droge periodes in het voorjaar en zomer, zoals zichtbaar was in de jaren 2018, 2019 en 2020 (van Dijk et al. 2020). Hierdoor zal de veenbodem sneller afbreken en dalen, waardoor er onherstelbare schade aan de natuur toegebracht zal worden. Dit proces kan nog verder versneld worden door de verwachte hogere temperaturen in de toekomst.
87 (104)
Door de afbraak van veen zal meer CO2 vrijkomen (Roos and Woudenberg 2004), maar zal het ook nog lastiger worden om het waterpeil op orde te houden om de verlandingsvegetaties van de laagveenmoerassen en de plas-drassituaties ten behoeve van leefgebieden van onder andere weidevogels in stand te houden. Verder worden de negatieve effecten van verzuring en vermesting veroorzaakt door stikstofdepositie en bemesting door droogte versneld. Dit betekent dat de droogte zal leiden tot een toename van verruiging. Naast een toename van droge periodes, voorspellen de KNMI-klimaatmodellen ook een toename van nattere periodes aan het eind van de winter en in het vroege voorjaar (KNMI 2015). Dit zou de ontwikkeling van vegetatie in het vroege voorjaar kunnen vertragen en ten goede kunnen komen aan de openheid van het gebied. De grondwaterstand in de winter (GHG) zal in Laag Holland naar verwachting in de toekomst echter weinig veranderen (van Dijk et al. 2020). In het licht van klimaatverandering is het daarom wenselijk, zo niet noodzakelijk, om maatregelen gericht op de waterhuishouding (voorraadvorming, grondwaterstanden) en het tegengaan van verruiging te intensiveren. Exoten In het Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland vormt de uitbreiding van de exoot cranberry een bedreiging voor de kwaliteit en het oppervlak van de vochtige laagveenheiden.
Een te hoge voedselrijkdom, onder andere veroorzaakt door atmosferische stikstofdepositie, leidt tot een toename van deze exoot. Cranberry kan worden bestreden door plaggen en nabeheer. In jaarlijks gemaaide en verdroogde veenmosrietlanden vormt de exoot appelbes een probleem. Toename is met maaien en afvoeren vrijwel niet te voorkomen; handmatig verwijderen van opslag en met name het ca. 15-30 cm afplaggen van verdroogde en soortenarme veenmosrietlanden vormen een effectieve maatregel om deze soort te bestrijden. Predatie Predatie door zoogdieren en vogels is aanwezig in het gehele Natura 2000-gebied en vormt met name voor weidevogels, maar ook voor roerdomp, een belangrijk knelpunt. Voor het behalen van de Natura 2000-instandhoudingsdoelstellingen in dit gebied heeft predatie naar verwachting echter geen significant effect, met uitzondering van de kemphaan wanneer anderszins voldoende geschikt leefgebied aanwezig zou zijn en deze soort terug zou keren in dit Natura 2000-gebied.
88 (104)
9
Analyse van de kernopgave
Voor het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is een vijftal kernopgaven geformuleerd, aan de hand waarvan de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied zijn geformuleerd (tabel 9.1). In dit hoofdstuk wordt de voortgang van het realiseren van deze kernopgaven kort en kwalitatief besproken. 9.1 Landschappelijke samenhang en interne compleetheid Bij deze kernopgave is het concrete doel tweeledig. Ten eerste dient er een goede verbinding en ruimtelijke samenhang tussen de foerageergebieden en slaapplaatsen van meervleermuizen en grasetende watervogels zoals de smient te zijn. Ten tweede dient er een goed ontwikkelde mozaïek van de verschillende laagveenverlandingsstadia aanwezig te zijn, samen met een gradiënt aan verschillende watertypen tabel 9.1). Gezien het oppervlakte aan open water en de verschillende typen grasland die geschikt zijn voor weidevogels, en de goede ruimtelijke samenhang daartussen in het gebied, is het eerste doel van de kernopgave voor grasetende watervogels momenteel al gerealiseerd. Het open landschap, gecombineerd met de lijnvormige elementen in het gebied, vormt een zeer geschikt foerageergebied voor de meervleermuis. De kanalen en ringvaarten buiten het gebied worden gebruikt om te navigeren tussen dit foerageergebied en de verblijfplaatsen buiten het Natura 2000-gebied.
Ook voor de meervleermuis is het eerste deel van deze kernopgave momenteel daarom al gerealiseerd. Het tweede doel van de kernopgave is echter nog niet volledig gerealiseerd door het ontbreken van (perspectief voor) nieuwe jonge verlandingssituaties en de verschillende successiestadia door de gebrekkige waterkwaliteit in het gebied (zie ook de volgende paragraaf). In totaal is deze kernopgave momenteel dus slechts ten dele gerealiseerd. 9.2 Compleetheid in ruimte en tijd Voor deze kernopgave is het van belang dat alle successiestadia van laagveenverlandingen binnen het gebied aanwezig zijn. Binnen het Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland komen momenteel vrijwel alle verlandingsstadia van laagveengebieden voor, variërend van jonge stadia in de vorm van voedselrijke rietlanden van de rietklasse en bloemrijke rietlanden van het Dotterbloem-verbond, middenstadia als veenmosrietland tot latere stadia als moerasheiden en ruigtes tot het climaxstadium van hoogveenbossen. Verlanding in open water treedt echter nog maar op zeer beperkte schaal op door de slechte waterkwaliteit. Door het nagenoeg ontbreken van de vroegste verlandingsstadia is deze kernopgave momenteel dus slechts gedeeltelijk gerealiseerd. Kansen voor verlanding in open water liggen in dichtgegroeid kleine en geïsoleerde sloten en recent gegraven petgaten.
9.3 Plas-dras situaties Voor deze kernopgave is het van belang dat er voldoende plas-dras graslanden aanwezig zijn in het gebied, die kunnen dienen als leefgebied voor kemphaan, smient en noordse woelmuis. Zowel voor de smient als de noordse woelmuis is momenteel voldoende leefgebied van goede kwaliteit aanwezig, waarbij er geen sprake is van een negatieve trend. Voor de kemphaan is dit echter nog niet het geval. Voor zover bekend zijn er in de eerste beheerplanperiode niet de noodzakelijke maatregelen genomen om voldoende plasdras situaties voor kemphaan te realiseren (paragraaf 7.3). Evenmin is bekend of de gewenste drooglegging van 0-20 cm min maaiveld in de periode april tot juni wordt gerealiseerd. Deze kernopgave is momenteel dus slechts gedeeltelijk gerealiseerd.
89 (104)
9.4
Herstel grote oppervlakten/brede zones overjarig riet door herstel dynamiek en tegengaan verdroging Voor deze kernopgave is het van belang dat er voldoende nat leefgebied voor noordse woelmuis aanwezig is. Het gaat daarbij niet alleen om natte rietlanden maar ook om natte ruigten, graslanden en veenmosrietlanden die allemaal zeer geschikt leefgebied vormen. In Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland is voldoende nat leefgebied van voldoende omvang en kwaliteit aanwezig waarbij er geen sprake is van een negatieve trend. Deze kernopgave is voor Noordse woelmuis momenteel dus voldoende gerealiseerd. Voor roerdomp en snor is herstel van voldoende overjarig rietland van voldoende kwaliteit om zodoende voldoende broedbiotoop te realiseren van belang. Voor roerdomp is in het eerste beheerplan veroudering van bestaand rietland en het huidige beheer van rietland als knelpunten aangegeven. In de eerste beheerplanperiode zijn voor deze knelpunten geen maatregelen geformuleerd en uitgevoerd. Maatregelen die gericht zijn op het realiseren van natte, overjarige rietlanden en zeggenvegetaties als broedbiotoop van snor zijn evenmin uitgevoerd. Voor roerdomp en snor is deze kernopgave dus niet gerealiseerd.
9.5 Behoud en herstel van brakke variant van H6430B Ruigten en zomen De huidige chloridegehalten zijn veel te laag voor duurzaam behoud en herstel van de brakke variant van H6430B Ruigten en zomen. Kenmerkende soorten voor brakke ruigten zijn in de eerste beheerplanperiode achteruitgegaan. Deze kernopgave wordt op dit moment dan ook niet gerealiseerd. Het duurzaam behoud van brakke ruigten is in dit gebied niet realiseerbaar door de voortgaande verzoeting (zie ook Provincie Noord-Holland, 2016b). Er is voldoende leefgebied voor noordse woelmuis aanwezig. Het gaat daarbij niet alleen om natte ruigten maar ook om natte rietlanden, graslanden en veenmosrietlanden die allemaal zeer geschikt leefgebied vormen. In Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland is voldoende nat leefgebied van voldoende omvang en kwaliteit aanwezig waarbij er geen sprake is van een negatieve trend. Deze kernopgave is voor Noordse woelmuis momenteel dus voldoende gerealiseerd. Tabel 9.1
Kernopgaven en de daaruit voortvloeiende instandhoudingsdoelstellingen. Rood = niet gerealiseerd, oranje = deels gerealiseerd, groen = gerealiseerd, grijs = onduidelijk
Kernopgave
Instandhoudingsdoelstelling
Opgave landschappelijke samenhang en interne compleetheid (Meren en moerassen)
Behoud en herstel van samenhang tussen slaapplaatsen en foerageergebieden in het bijzonder voor grasetende watervogels en Meervleermuizen (de belangrijkste kraamkamerfunctie en slaapfunctie van de Meervleermuis ligt vooral in gebouwen buiten de Natura 2000-gebieden). Voor afgesloten zeearmen en randmeren behoud van de specifieke betekenis van de verschillende onderdelen voor habitattypen en vogels. Herstel van mozaïek van verlandingsstadia van open water tot moerasbos en herstel van gradiënt watertypen (inclusief brak) met name in het deellandschap Laagveen.
Compleetheid in ruimte en tijd (4.09)
Alle successiestadia laagveenverlanding in ruimte en tijd vertegenwoordigd: veenmosrietlanden H7140_B en vochtige heiden laagveengebied, H4010_B en hoogveenbossen *H91D0, in samenstelling met gemeenschappen van open water
Plas-dras situaties (4.11)
Plas-dras situaties voor Smienten A050, Kemphaan A151 en Noordse woelmuis *H1340.
90 (104)
Overjarig Riet (4.12)
Herstel van grote oppervlakten/brede zones overjarig Riet, inclusief waterriet, door herstel van natuurlijke peildynamiek en tegengaan verdroging voor rietmoerasvogels, zoals Roerdomp A021, Snor A292 en voor de Noordse woelmuis *H1340.
Brakke ruigtes (4.13)
Behoud en herstel van brakke variant van ruigten en zomen (Harig wilgenroosje) in de laagveengebieden boven het IJ, mede als leefgebied voor de Noordse woelmuis.
91 (104)
10
Uitbreidingsdoelstelling
De habitattypen H3140, H4010B en H7140B hebben een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte en de kemphaan en watersnip hebben een uitbreidingsdoelstelling voor de omvang en een verbeteringsdoelstelling voor de kwaliteit van het leefgebied. 10.1 Uitbreidingsdoelstelling H3140 Kranswierwateren In zijn algemeenheid kan worden gezegd dat H3140 kranswierwateren in dit Natura 2000gebied zijn beperkt tot heldere en afgesloten sloten of petgaten (Gebiedsanalyse, 2017). Ook kwam het habitattype voor in heldere sloten met een verlengde aanvoerweg, zoals de doodlopende ringvaart tussen de Wijde Wormer en het Oostzanerveld. Het gaat vooral om kleine oppervlakten met kranswiervegetaties in heldere wateren met doorzicht tot de bodem en zonder of een beperkte hoeveelheid andere ondergedoken waterplanten dan kranswieren. De omvang en kwaliteit van dit habitattype kan van jaar tot jaar wisselen, afhankelijk van sloten die worden geschoond of het maken/ophalen van sloten of petgaten met helder water. Er is weinig inzicht hoeveel hectare kranswierwateren op dit moment voorkomt. In het eerste beheerplan wordt uitgegaan van 7,6 ha goed ontwikkeld kranswierwater, op de T0kaart staat nog maar 0,03 ha goed ontwikkeld kranswierwater. In de gebiedsanalyse uit 2017 wordt ingeschat dat in 2015 6,4 ha matig ontwikkelde kranswierwater voorkwam.
In 2019 is het Ilperveld gekarteerd op de aanwezige flora (Non en Diemeer, 2020). Uit een vergelijking van deze kartering met voorgaande florakarteringen blijkt dat waterplanten sterk zijn afgenomen en dat het water op veel plaatsen vegetatieloos is. Er zijn dan ook aanzienlijke knelpunten voor watervegetaties door de slechte waterkwaliteit. Kranswiervegetaties zijn eigenlijk pioniervegetaties die zich cyclisch ontwikkelen door open plekken op de waterbodem te koloniseren. Na verloop van tijd groeit de waterbodem dicht met draadvormige groenwieren, smalbladige fonteinkruiden, groot nimfkruid of andere waterplanten (Gebiedsanalyse 2017). De kranswiervegetaties nemen dan weer af. Dit is bijvoorbeeld duidelijk gebleken bij een aantal petgaten die in 1997 in het Ilperveld zijn gegraven. Aanvankelijk nam hier het oppervlak kranswierwateren sterk toe. Na 2011 is het oppervlak echter sterk afgenomen en in 2015 werd nagenoeg geen H3140 meer aangetroffen in het Ilperveld (Gebiedsanalyse 2017). Door de sloten en petgaten cyclisch te schonen kunnen kranswieren weer nieuwe plekken koloniseren, zoals in de periode 19972002 is gebeurd (Witteveld & Van ’t Veer 2003). In Varkensland is ca. 0,1 ha nieuw oppervlak ontstaan door het graven van een scheidingssloot tussen grasland en veenmosrietland.
In 2020-2021 zijn er in het Ilperveld nieuwe petgaten gegraven over een oppervlakte van ongeveer 4,5 ha. Dit biedt mogelijkheden voor de uitbreiding van het habitattype kranswierwateren. Hiervan zijn echter nog geen gegevens beschikbaar. In het eerste beheerplan zijn zoekgebieden aangegeven in het Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland die kansrijk zijn voor waterkwaliteitsverbetering en jonge verlanding. Maatregelen als hydrologische isolatie, baggeren en het graven van petgaten zouden volgens het eerste beheerplan moeten leiden tot kwaliteitsverbetering, kansen voor kranswiervegetaties en jonge verlanding in deze zoekgebieden.
92 (104)
Uit het succes dat het graven van petgaten en nieuwe sloten in het verleden heeft gehad, blijkt dat uitbreiding van habitattype H3140 kranswierwateren snel kan plaatsvinden. Dit vraagt echter wel om maatregelen die leiden tot een verbetering van de waterkwaliteit zoals hydrologische isolatie en baggeren en geen invloed van bemesting. Omdat kranswierwateren in dit gebied vooral voorkomen als pioniersvegetatie moeten geschikte locaties voor kranswierwateren cyclisch worden gecreëerd. Op dit soort locaties ontstaan dan ook kansen voor jonge verlanding. Een totaal oppervlak H3140 dat varieert tussen de 5 en 10 ha zou in dit gebied realiseerbaar moeten zijn waarbij het oppervlak in de tijd kan variëren. Dit vergt echter een aanzienlijke inspanning en veel meer inzicht in waar en de wijze waarop herstel en uitbreiding kan worden gerealiseerd. 10.2 Uitbreidingsdoelstelling Vochtige heide (laagveengebied) H4010B De landelijke staat van instandhouding van het habitattype vochtige laagveenheiden H4010B is op de aspecten oppervlakte en kwaliteit beoordeeld als “matig ongunstig” (zie profieldocument voor H4010). De oppervlakte aan vochtige laagveenheide is sinds de jaren 50 min of meer stabiel, maar gering en mede hierdoor kwetsbaar. Met het oog op duurzaam behoud wordt de oppervlakte moerasheide als matig ongunstig beoordeeld.
De landelijke doelstelling voor dit habitattype is uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. De uitbreiding oppervlakte vindt plaats met het oog op duurzaam behoud van vormen met een goede kwaliteit (verbetering van structuur & functie). Op basis van potenties is de landelijke doelstelling per gebied vertaald. In dit Natura 2000-gebied heeft dit geresulteerd in de doelstelling uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Deze uitbreiding is niet gekwantificeerd. Hoe kan vochtige heide zich ontwikkelen? Vochtige heide ontwikkelt zich uit veenmosrietland. Het is een stadium in de successiereeks dat door een maaibeheer moet worden behouden omdat het anders overgaat in hoogveenbos. Om op de lange termijn alle stadia van de verlandingsreeks te behouden is het nodig dat er nieuwe verlanding in open water optreedt waaruit de verschillende verlandingsstadia zich kunnen ontwikkelen. Karakteristiek voor Laag Holland is verlanding vanuit de oever door riet, ruwe bies en kleine lisdodde. Het gaat om meso-eutrofe verlanding. Door de productie van organisch materiaal en de invang van slib in deze oevervegetatie, ontstaat vanuit verlanding vanuit de oever een kragge. Voor het ontstaan van veenmosrietland is het belangrijk dat er voldoende mesoeutroof verlandingsoppervlak aanwezig is.
Dit kunnen jonge en initiële stadia van het veenmosrietland zijn, bestaande uit voedselrijke rietlanden van de rietklasse met beginnende veenmosgroei (Phragmition/Caricion nigrae), of rietverlanding met echte koekoeksbloem (Lychnido-Hypericetum tetrapteri subass typicum) en bloemrijke rietlanden van het dotterbloem-verbond. Hier en daar vindt nog verlanding vanuit de Ruwe biesassociatie (Scirpetum tabernaemontani) plaats en ook deze gemeenschap kan zich via maaien tot veenmosrietland ontwikkelen. Vochtige heiden (H4010B) ontstaan door het regelmatig maaien van verlandingsvegetaties, waardoor aanvankelijk eerst habitattype H7140B veenmosrietland ontstaat (Gebiedsanalyse 2017). Als het maaibeheer wordt voortgezet ontstaat hieruit vervolgens vochtige laagveenheide H4010B. Wanneer het maaibeheer wordt gestaakt, ontstaat er successie richting hoogveenbos. Vochtige laagveenheiden beslaan doorgaans kleine oppervlakten en zijn daardoor gevoelig voor randinvloeden als verdroging, vermesting en versnippering. Bemesting, regelmatige beweiding en het achterblijven van het gewenste beheer hebben een negatieve invloed op het habitattype.
93 (104)
Bij regulier beheer (maaien en afvoeren, boompjes trekken) kunnen verdroging en vermesting als de belangrijkste bedreigingen van vochtige laagveenheide worden gezien: beide processen versterken elkaar. De overbelasting door stikstofdepositie komt met name tot uiting in de opslag van houtige gewassen en uitbreiding van soorten als cranberry. In dit Natura 2000-gebied komen vooral kleinschalige gradiënten voor die gerelateerd zijn aan zowel de invloed van ingelaten boezemwater en door af- en uitspoeling belast oppervlaktewater als de hydrologische gradiënt (dikkere en dunnere kraggen in verlandingsvegetaties). Veenmosrietlanden zijn daarbij aanwezig op de dunnere kraggen waar de invloed van het oppervlaktewater groter is, vochtige heiden op de dikkere kraggen waar de invloed van oppervlaktewater kleiner is en de invloed van neerslag groter. In gebiedsdelen die relatief geïsoleerd zijn van boezemwater en door uit- en afspoeling belast oppervlaktewater treedt eerder verlanding op dan in delen die meer onder invloed staan van deze watertypen. Voor het realiseren van de gewenste verlandingsreeks met een ontwikkeling tot vochtige laagveenheide, zijn in de kragge voedselarme, tot matig voedselrijke milieucondities nodig en een goede waterkwaliteit. De ontwikkeltijd van vochtige laagveenheiden via verlanding uit open water, wordt op minimaal 50 tot 100 jaar geschat (van 't Veer 2011).
Toename van het oppervlak vochtige laagveenheide vindt vooral plaats op reeds bestaande standplaatsen met heidesoorten. Vochtige laagveenheiden ontwikkelen zich uit oudere veenmosrietlanden, onder invloed van een maaibeheer in de nazomer en herfst. Daarnaast kan de heide zich ontwikkelen door het afplaggen van aangrenzende verdroogde veenmosrietlanden (van 't Veer 2011). Voor nieuwvorming van heide is het belangrijk dat er in het veenmosrietland nieuwe vestigingen van heidesoorten ontstaan. Dit is het beste te realiseren door de aangrenzende veenmosrietlanden gefaseerd te maaien en jaarlijks de houtige opslag te verwijderen. Onder invloed van maaien en afvoeren van het aangrenzende veenmosrietland is in het Guisveld binnen 30 jaar een kraaiheideoppervlak van 200 m² ontstaan (van 't Veer, Kisjes, and Smynia 2012). In Waterland-Oost is na plaggen van het aangrenzende en verdroogde veenmosrietland, de dopheidevegetatie binnen 10 jaar met ongeveer 25 m² toegenomen (van 't Veer 2010). De uitbreidingsdoelstelling voor vochtige laagveenheide In het eerste beheerplan zijn in de eerste beheerplanperiode geen maatregelen voor uitbreiding voorzien en is de uitbreidingsdoelstelling voor vochtige laagveenheide niet gekwantificeerd. In het Ilperveld is ongeveer 0,6 ha vochtige laagveenheide aanwezig.
Dit is veel minder dan bijvoorbeeld in een gebied als het Wormer- en Jisperveld waar 1 ha aanwezig is. Er is in het hele Natura 2000-gebied echter een aanzienlijk oppervlakte veenmosrietland aanwezig (52,8 ha) dat zich onder invloed van een maaibeheer in de nazomer en herfst tot vochtige laagveenheide kan ontwikkelen. Dit is het meest kansrijk in oudere veenmosrietlanden die al dan niet kwalificeren als H7140B. In het Oostzanerveld was rond 2009 naar schatting ongeveer 13,5 ha oud veenmosrietland aanwezig, in het Ilperveld ongeveer 16 ha en in Varkensland ongeveer 0,5 ha (van 't Veer et al. 2009). Naar schatting 13 ha van dit oppervlakte kwalificeerde als veenmosrietland. Dit is een aanzienlijk oppervlak dat potentieel kan worden omgevormd naar vochtige laagveenheide. Vanwege de geringe dispersiecapaciteit van inheemse heidesoorten wordt de uitbreiding het meest kansrijk geacht in het Ilperveld waar nu ook al kwalificerend H4010B aanwezig is.
94 (104)
Vanwege het grote oppervlakte verouderd veenmosrietland dat aanwezig is, is naar schatting een uitbreiding van het oppervlak vochtige laagveenheide van ongeveer 1 ha op een termijn van 25 jaar mogelijk. 10.3 Uitbreidingsdoelstelling Veenmosrietland H7140B De landelijke staat van instandhouding van het habitattype veenmosrietland H7140B is beoordeeld als “matig ongunstig” (zie profieldocument voor H7140B). De beoordeling voor alle aspecten (verspreiding, oppervlakte, kwaliteit en toekomstperspectief) was daarbij matig ongunstig. De landelijke doelstelling voor dit habitattype is verbetering verspreiding, uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit. Op basis van potenties is de landelijke doelstelling per gebied vertaald. In dit Natura 2000-gebied heeft dit geresulteerd in de doelstelling uitbreiding van oppervlakte en behoud van kwaliteit. Deze uitbreiding is niet gekwantificeerd. In het rapport ‘Gunstige referentiewaarden voor oppervlakte en verspreidingsgebied van Natura 2000-habitattypen in Nederland’ is bepaald hoe groot het gewenste oppervlakte van het habitattype H7140 in Nederland zou moeten zijn om duurzaam behoud te garanderen (Bijlsma et al, 2014). Dit gewenste oppervlakte is gebaseerd op de afname van dit habitattype vanaf de jaren 50. Bepaald is dat het gewenste oppervlakte van dit habitattype 60% groter is dan het huidige oppervlakte.
Wanneer dit als maatgevend wordt beschouwd voor de uitbreidingsopgave in de Natura 2000-gebieden waar dit habitattype voorkomt zou het oppervlakte veenmosrietland in dit gebied 31,7 ha groter moeten zijn (60% van het huidige oppervlakte van 51,8 ha). Dit is een forse uitbreiding maar gezien het grote oppervlak dat nu al aanwezig is in dit gebied, zijn er op een termijn van 25-30 jaar wel degelijk mogelijkheden voor een forse uitbreiding. In paragraaf 10.2 is beschreven op welke wijze veenmosrietland door verlanding uit open water kan ontstaan. Voor een betere inschatting over de haalbaarheid van deze uitbreiding is het wenselijk meer inzicht te krijgen in het oppervlak jonge verlanding dat nu aanwezig is. Voor uitbreiding van jonge verlanding op aanzienlijke schaal is een forse verbetering van de waterkwaliteit nodig (paragraaf 8.3). Deze kan volgens het eerste beheerplan mede worden gerealiseerd door baggeren, hydrologische isolatie en het graven van petgaten. 10.4 Uitbreidingsdoelstelling kemphaan Voor de landelijke broedvogelpopulatie van de kemphaan wordt de staat van instandhouding als zeer ongunstig beoordeeld, omdat zowel de bezettingsgraad als de omvang van de populatie vanaf 1981 sterk achteruit is gegaan (zie profieldocument voor Kemphaan A151).
De landelijke instandhoudingsdoelstelling is behoud van de omvang en kwaliteit van het leefgebied met een draagkracht voor een populatie van gemiddeld 39.500 vogels (seizoensmaximum). Vereist is een herstel van de populatiegrootte en het verspreidingsgebied waarbij de broedvogelpopulatie van de kemphaan ten minste 20 sleutelpopulaties omvat met ieder tenminste 50 hennen (> 1.000 paren). Gezien de manier van voortplanting zijn relatief grote sleutelpopulaties gewenst. Er dient voor de streefpopulatie voldoende aan geschikt, extensief beheerd, agrarisch leefgebied aanwezig te zijn. Dit moet zich vertalen in hoge grondwaterstanden en afwezigheid van bemesting. Daardoor ontstaat een afwisselende vegetatie met open stukken begaanbaar voor jonge kemphanen. Bijzonder belangrijk is ook een langer uitstel van de eerste maaidatum. Dit zou niet voor eind juli moeten zijn wanneer de meerderheid van de kuikens pas groot genoeg is (Howison et al. 2019). Het maaien gebeurt momenteel ook in weidevogelreservaten veelal voor de kemphaan te vroeg in het voorjaar.
95 (104)
Een herstel van de kemphaanbroedpopulatie is moeilijk realiseerbaar omdat de achteruitgang ook op landelijk niveau onverminderd door lijkt te gaan. Naast de effecten van de intensieve landbouw (Howison et al. 2019) lijkt ook zowel het broedareaal als de doortrekkende populatie zich richting het oosten te verschuiven (Rakhimberdiev et al. 2011; Verkuil et al. 2012). Desalniettemin blijkt uit voorbeelden uit onder andere Duitsland en Denemarken dat gericht beheer kan leiden tot de terugkeer van de kemphaan of zelfs het creëren van nieuw broedgebied (Howison et al. 2019). In het aanwijzingsbesluit is aangegeven dat gezien de landelijk zeer ongunstige staat van instandhouding en de negatieve lokale trend een uitbreidingsdoel is geformuleerd voor omvang en/of verbetering kwaliteit leefgebied. Het gebied levert volgens het aanwijzingsbesluit onvoldoende draagkracht voor een sleutelpopulatie, maar draagt wel bij aan de draagkracht in de regio Zaanstreek ten behoeve van een regionale sleutelpopulatie. Het instandhoudingsdoel is een populatie van 20 hennen. Of dit aantal realistisch is zal samenhangen met de landelijke en internationale ontwikkelingen van de populatie, maar het realiseren van het gewenste lokale beheer kan zeker bijdragen aan de uitbreiding van de omvang en verbetering van de kwaliteit van het leefgebied. In het eerste beheerplan is het uitbreidingsdoel uitgewerkt.
Het gaat om het realiseren van 100 ha broedgebied en 200 ha foerageergebied. Dit houdt volgens het beheerplan in een mozaïek van SNL-beheertypen vochtig weidevogelgrasland (N13.01) en vochtig hooiland (N10.02), waarvan tenminste 200 ha vochtig hooiland. Dit leefgebied moet in het Ilperveld worden gerealiseerd. Hoewel er geen specifieke gegevens beschikbaar zijn over de realisatie van deze nieuwe leefgebieden voor kemphaan en watersnip, is er volgens de beheertypenkaart momenteel 156 ha vochtig hooiland en 235 ha vochtig weidevogelgrasland aanwezig in het Ilperveld. Er moet in het Ilperveld nog ca. 42 ha vochtig hooiland worden gerealiseerd en 46 ha vochtig weidevogelgrasland. Het potentiële areaal leefgebied is daarom -na realisatie van het NNN- groot genoeg. Om als leefgebied te kunnen functioneren moet de kwaliteit van dit potentiële leefgebied worden vergroot door adequaat beheer voor wat betreft mestgift en maaidatum. Bovendien moet voldoende oppervlakte plas-dras aanwezig zijn in het voorjaar en een voldoende hoge voorjaarsgrondwaterstand. Voor zover bekend zijn al deze voorwaarden nog niet of nog niet in voldoende mate gerealiseerd (zie paragraaf 7.3 en 9.2). Dit is wél nodig om de uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied te realiseren.
10.5 Uitbreidingsdoelstelling watersnip Voor de landelijke broedvogelpopulatie van de watersnip wordt de staat van instandhouding als zeer ongunstig beoordeeld (zie profieldocument voor watersnip A153). De landelijke instandhoudingsdoelstelling is herstel van omvang en kwaliteit van het leefgebied gewenst met herstel van de oorspronkelijke broedgebieden van de watersnip tot een populatie van 4.000 paren verdeeld over ten minste 20 sleutelpopulaties. Vanuit populatie-ecologisch oogpunt wordt gesproken over minimaal 20 sleutelpopulaties met ieder ten minste 40 paren (>800 paren). Er dient voldoende geschikt leefgebied voor de streefpopulatie aanwezig te zijn, dat wil zeggen niet-verruigde moerassige gebieden en nat, schraal en extensief beheerd grasland. Het instandhoudingsdoel voor dit Natura 2000gebied is een populatie van 60 broedparen.
96 (104)
In het eerste beheerplan is het uitbreidingsdoel uitgewerkt. Aangegeven wordt dat er 150 ha extra leefgebied voor watersnip nodig is. In het beheerplan is verder aangegeven dat het leefgebied voor kemphaan ook geschikt is voor watersnip. Er is -na realisatie van het NNNvoldoende potentieel leefgebied voor watersnip aanwezig (zie ook paragraaf 10.4). Om als leefgebied te kunnen functioneren moet de kwaliteit van dit potentiële leefgebied worden vergroot (zie paragraaf 10.4). Voor zover bekend zijn al deze voorwaarden nog niet of nog niet in voldoende mate gerealiseerd (zie paragraaf 7.3 en 9.2). Dit is wél nodig om de uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit van het leefgebied voor watersnip te realiseren.
97 (104)
11
Aanbevelingen
11.1
Monitoring
Omvang en kwaliteit habitattypen Voor een evaluatie van de omvang en kwaliteit van de habitattypen in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is in voorliggende evaluatie gebruikgemaakt van de habitattypenkaart uit 2013. Om de ontwikkeling na de eerste beheerplanperiode goed in kaart te brengen en te kunnen evalueren, zouden de habitattypen in de tweede beheerplanperiode opnieuw gekarteerd moeten worden. Daarbij zou de kartering zich kunnen richten op locaties waar relatief veel typische soorten voorkomen, wat locaties zouden kunnen zijn waar zich mogelijk kwalificerend habitattype heeft ontwikkeld. Daarnaast is de kwaliteit van de H3140 Kranswierwateren onvoldoende bekend. Een kartering van de omvang én kwaliteit van specifiek dit habitattype is daarmee aan te bevelen. Voor wat betreft de structuur en functie van de habitattypen blijkt uit de evaluatie dat er veelal te weinig en te kleine PQ’s aanwezig zijn in de habitattypen, waarmee onvoldoende informatie beschikbaar is om gefundeerde uitspraken te kunnen doen over de ontwikkelingstrends van de habitattypen. Idealiter zou er gebruikgemaakt moeten worden van meerdere PQ’s van circa 20 m2 op verschillende locaties binnen de begrenzing van de habitattypen, die eens per drie jaar worden opgenomen.
Daarnaast zou voor een volgende evaluatie ook gebruikgemaakt kunnen worden van het vlakkenbestand uit 2009 (Tauw), welke als nulmeting zou kunnen fungeren voor de habitattypen H4010B Vochtige heiden en H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (voor H6430B Ruigten en zomen ontbreekt deze monitoring nog). Een T1-meting ten opzichte van deze T0 uit 2009 zou goed inzicht kunnen geven in de ontwikkeling van de habitattypen sinds het begin van de eerste beheerplanperiode met betrekking tot de kwaliteit en aanwezigheid van typische soorten. Typische soorten De monitoring en evaluatie van typische soorten zou op verschillende manieren moeten worden verbeterd om de ontwikkeling daarvan beter in te kunnen schatten. Ten eerste kan het aantal gemonitorde en geëvalueerde soorten worden vergroot. In het algemeen geldt dat de monitoring en evaluatie zich ook zou kunnen richten op karakteristieke soorten, waaronder SNL kwaliteitssoorten, die nu nog niet in het gebied voorkomen, maar al wel in de omgeving. Soorten als wateraardbei, poelruit, krabbenscheer of moerasspirea komen al elders in Noord-Holland en in de omgeving van het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske voor en zijn goede indicatoren van ruigtes of verlandingsvegetaties. Voor H4010B Vochtige heide is nu alleen, als enige typische soort voor dit (sub)habitattype, de ronde zonnedauw beoordeeld.
Op basis van één soort is het echter lastig om iets over de ontwikkeling van de kwaliteit van het habitattype te kunnen zeggen. Er zouden daarom meer karakteristieke soorten van de vochtige heide aan kunnen worden toegevoegd om de ontwikkeling beter te kunnen volgen en evalueren, zoals gewone dophei, wateraardbei, graspieper en/of moerassprinkhaan. Ook opnames van negatieve soorten, als bramen, brandnetels, cranberry, houtige gewassen of pijpenstrootje, zullen waardevolle informatie over de kwaliteitsontwikkeling kunnen verschaffen.
98 (104)
Paddenstoelen kunnen ook waardevolle typische soorten zijn. De veenmosgrauwkop, bijvoorbeeld, is een goed herkenbare typische soort voor H7140B Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden). De trefkans van paddenstoelen tijdens een flora-inventarisatie is echter laag. Zo kan de veenmosgrauwkop in natte jaren vrij algemeen zijn in voldoende vochtige tot natte veenmosrietlanden, maar kunnen de aantallen jaarlijks aanzienlijk fluctueren, afhankelijk van de hoeveelheid neerslag die er tijdens de zomer en herfst valt. Hoewel de trend in het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske waarschijnlijk stabiel is, is het lastig om goede uitspraken over de trend te doen. Het uitvoeren van een op mycoflora gerichte monitoring met voldoende frequente opnames op vaste meetpunten is voor paddenstoelen dus van belang. Voor habitattype H3140 geldt dat er veel kranswieren als typische soort voor dit gebied zijn benoemd die niet of nauwelijks voorkomen. Daarom is de lijst met typische soorten die voor dit gebied door de provincie Noord-Holland specifiek voor dit gebied en voor dit habitattype is opgesteld aan herziening toe. Tot slot is het belangrijk de typische soorten voor de habitattypen zoals vermeld in de Natura 2000-profieldocumenten zorgvuldig te beoordelen.
Soorten als kamvaren en bosrietzanger zijn weliswaar karakteristiek voor het habitattype H7140B veenmosrietlanden, maar beide kunnen ook duiden op verruiging. De bosrietzanger heeft zelfs een voorkeur voor ruigtevegetaties met enkele bosjes en komt ook vrij wijdverspreid voor buiten de kwalificerende habitattypen. Bij de beoordeling van typische soorten is daarom ook het voorkomen van de bosrietzanger in dit gebied buiten beschouwing gelaten. Kamvaren neemt toe bij verruiging van veenmosrietland, ook als de oppervlakten minder frequent worden gemaaid. Alleen wanneer er sprake is van een toename van kamvaren in combinatie met een toename van ronde zonnedauw én het aandeel aan haarmossen in de veenmosrietlanden is niet toegenomen, duidt een toename van kamvaren op een positieve ontwikkeling. Om dezelfde reden hoeft een afname van kamvaren als typische soort geen indicatie te zijn voor kwaliteitsverlies. Een toename van ronde zonnedauw wordt niet geconstateerd; de ontwikkeling van haarmos is niet bekend. Daarom is de typische soort kamvaren in dit gebied buiten beschouwing gelaten. Habitatrichtlijnsoorten Voor alle vijf habitatrichtlijnsoorten waarvoor het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is aangewezen geldt dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn over de aantallen en verspreiding van de soorten in het gebied.
De evaluatie is daarom gebaseerd op beperkte waarnemingen, regionale trends en inschattingen van de kwaliteit en de omvang van het leefgebied. Om de ontwikkeling van de habitatrichtlijnsoorten in het gebied beter te kunnen evalueren en informatie over de aantalstrend te kunnen verzamelen is meer gerichte monitoring volgens een monitoringsplan noodzakelijk. Hiervoor zullen er een aantal vaste meetpunten verspreid door het gebied moeten worden aangewezen waarvoor volgens protocol de methode en frequentie van monitoren is vastgelegd. In het Ilperveld, bijvoorbeeld, is voor de bittervoorn onderzoek uitgevoerd in kader van het herstelplan Roerdomp (Straaten van, Sluis, and Nederpel 2006). Daaruit bleek dat de bittervoorn in Laag Holland in verschillende typen wateren voorkomt. In kleine aantallen komt de soort voor langs de oevers van plassen en brede wateren, daar waar in het water staand riet (zelden) of kleine lisdodde (regelmatig) aanwezig is. Het meest optimale habitat vormen kleine, heldere sloten waar helofyten en/of ondergedoken waterplanten aanwezig zijn. In heldere sloten die geïsoleerd of ondiep (<0.5 m) zijn, komt de soort niet of maar weinig voor.
99 (104)
Het is voor monitoring van de bittervoorn van belang om gericht dit soort sloten mee te nemen, waarbij een aantal geschikte oevers van brede wateren en plassen, en een aantal smalle heldere sloten met waterplanten consequent wordt geïnventariseerd op bittervoorn. Daarbij worden ook gegevens over de waterdiepte, de troebelheid, het aandeel aan helofyten en de aanwezigheid van drijvende en ondergedoken waterplanten genoteerd, zodat er ook lokale en gestandaardiseerde informatie over de kwaliteit van het leefgebied wordt verzameld. Vergelijkbare aanbevelingen voor monitoring gelden ook voor de kleine modderkruiper en rivierdonderpad. Voor de meervleermuis kan gericht gezocht worden naar en gemonitord worden op de locaties en het gebruik van verblijfplaatsen in de omgeving en van vliegroutes langs rietzomen in het gebied. Voor de noordse woelmuis kan protocollair onderzoek worden uitgevoerd met behulp van inloopvallen op vaste locaties in natte rietlanden, strooiselruigten, graslanden en veenmosrietlanden verspreid door het gebied. 11.2 Doelenevaluatie soorten Voor de mobiele habitat- en vogelrichtlijnsoorten geldt dat, naast een evaluatie op gebiedsniveau, de aantalstrends beoordeeld zouden moeten worden op het niveau van het veenweidegebied in Laag Holland.
Daarbij zouden verschillen tussen de gebieden, ook buiten de Natura 2000-begrenzing, aanknopingspunten kunnen bieden voor de verklaring waarom de trends in de verschillende gebieden soms van elkaar afwijken. Ook zou op deze manier beoordeeld kunnen worden wat de aantalstrend van de (meta)populatie in het veenweidegebied van Laag Holland als geheel is. Een voorbeeld zijn de aantallen slobeenden in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, sinds circa 2010 een positieve aantalstrend vertonen, terwijl deze toename in het Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder niet zichtbaar is en het aantal daar aanzienlijk onder de instandhoudingsdoelstelling blijft. Onderzocht zou moeten worden waar deze verschillen tussen de gebieden door veroorzaakt worden. De kernopgave behoud en herstel van brakke variant van H6430B Ruigten en zomen is in dit gebied vanwege de voortgaande verzoeting niet haalbaar en komt ook niet terug in het instandhoudingsdoel voor dit habitattype. Het is wenselijk deze kernopgave te laten vervallen. 11.3 Uitbreidingsopgave Om de mogelijke uitbreiding van H4010B Vochtige heide (laagveengebied) beter in beeld te krijgen, bevelen we aan, te karteren waar vegetaties aanwezig zijn die omgevormd kunnen worden tot vochtige laagveenheiden.
Het betreft bijvoorbeeld verdroogde veenmosrietlanden, ‘verouderde’ veenmosrietlanden die al lang worden gemaaid, en daarom in de successie opschuiven naar vochtige laagveenheiden. Om het behoud van vochtige laagveenheide en veenmosrietland op de lange termijn in te schatten en de uitbreidingsdoelstelling beter te kwantificeren moet het areaal jonge en initiële verlandingstadia eveneens worden gekarteerd. Voor het realiseren van de uitbreidingsdoelstelling voor H3140 kranswierwateren is een waterkwaliteitsverbetering noodzakelijk. Daarnaast is het onduidelijk waar en op welke wijze de uitbreidingsdoelstelling voor kranswierwateren kan worden gerealiseerd. Om goede maatregelen te kunnen formuleren is het wenselijk hier meer inzicht in te hebben.
100 (104)