CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

B6 TOE Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 (25-08-22) vastgesteld.

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente landsmeerBij agendapunt: Het gewijzigd vaststellen van een bestemmingsplan voor de realisatie van 47 woningen aan Den Ilp 14-16, Den Ilp AANGENOMEN22.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

24

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld 4.3.1.3 Bevolkingsgroei De bevolking van Landsmeer is (als de gemeente dit faciliteert) nog niet uitgegroeid. Zowel de prognoses van het Centraal Bureau voor de Statistiek / Planbureau voor de Leefomgeving (CBS/PBL) als de Primos prognose van de Provincie Noord-Holland laten tot 2040 een groei van de bevolking en het aantal huishoudens zien. Op basis van de bevolkingsprognose is duidelijk dat vooral in de periode tot en met 2019 het aantal inwoners en huishoudens sterk toeneemt. In absolute aantallen ca. 50 tot 60 huishoudens per jaar. Deze toename vlakt daarna af naar jaarlijks ca. 10-40 huishoudens in de periode 2020-2025, om in 2040 tussen de 0 en 15 per jaar uit te komen. 4.3.1.4 Woningbehoefte De hierboven weergegeven prognose als uitgangspunt nemende, wordt ook een toename van de woningbehoefte verwacht. In het berekenen hiervan is gekeken naar de natuurlijke aanwas, het binnenlands migratiesaldo en het buitenlands migratiesaldo. Wanneer wordt gekeken naar de Waterlandse gemeenten, werd de groei in het verleden vooral bepaald door de ontwikkeling van Purmerend. Het binnenlands migratiesaldo van de regio was, is en blijft positief (al is deze kleiner dan vroeger). Er verhuizen vooral mensen vanuit Amsterdam naar Waterland. Het buitenlands migratiesaldo is beperkt.

De woningbehoefte in de gemeente Landsmeer zal zich in de periode 2015-2040 ontwikkelen op de wijze zoals weergegeven in onderstaande afbeelding.

Afbeelding 4.2

Ontwikkeling woningbehoefte Landsmeer 2015-2040 (Primos Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose, bewerking RIGO)

Wanneer de gemeente wil voorzien in deze toenemende woningbehoefte moet een groot aantal woningen worden gebouwd. In de periode tot 2020 gaat het om ca. 300 woningen. In de jaren daarna komen daar nog eens zo’n 100 woningen bij. In de jaren 2015-2030 moet om in de behoefte te kunnen voorzien rekening gehouden worden met een groei van ca. 400 woningen. De ontwikkelingen in Landsmeer met betrekking tot de bouw van nieuwe woningen heeft de laatste jaren niet stil gestaan. Zowel in koop als (sociale huur) zijn in de periode 2012-2015, 277 woningen toegevoegd, waarvan 200 huurwoningen. De komende jaren zullen nog 126 woningen op de uitleglocaties worden toegevoegd (Luijendijk-Zuid (100) en Breekoever (26)), daarna is Landsmeer aangewezen op inbreidingslocaties. Om goed

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

25

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld in te kunnen spelen op veranderende toekomstverwachtingen worden nieuwe prognoses steeds bezien wanneer deze beschikbaar komen. Als het aan de meeste woningzoekenden ligt, blijven zij liefst in hun eigen gemeente of deelgebied wonen. Gezien de woningmarktsituatie in de stad (Amsterdam), kunnen jonge dertigers echter lang niet allemaal slagen in de stad, ook al willen ze daar graag blijven. Wie veel geld heeft of genoegen neemt met een kleine woning maakt kans. Voor heel veel anderen is de stap naar Landsmeer, andere delen van de regio, of naar Haarlem en omgeving een voor de hand liggend alternatief. 4.3.1.5 Speerpunten van het woonbeleid De speerpunten van het gemeentelijke woonbeleid zijn verwoord in een aantal afzonderlijke thema’s. Aangezien in voorliggend geval sprake is van nieuwbouw van woningen is met name thema 3 ‘Nieuwbouw’ van belang. De gemeente Landsmeer ziet met betrekking tot nieuwbouw onder andere dat: •

•

Landsmeer de laatste jaren een grote productie heeft gerealiseerd. Hiermee zijn de uitleglocaties grotendeels benut. Nieuwe uitleglocaties zijn niet voorhanden omdat de ruimte hiervoor door de groene contouren beperkt worden. De gemeente wil het groen in de gemeente niet verder aantasten voor nieuwbouw. De gemeente richt zich zoveel als mogelijk op inbreiding; De beschikbare plancapaciteit maatgevend is voor verdere ruimtelijke ontwikkelingen. Er is nog een plancapaciteit van ca. 126 woningen op de bestaande uitleglocatie Breekoever (26) beschikbaar. Ten aanzien van haalbare ontwikkelingen op inbreidingslocaties schat de gemeente in dat het zal het gaan om ca. 116 woningen tot 2020.

De gemeente richt zich ten aanzien van nieuwbouw onder andere op het volgende: •

• •

• •

De gemeente wil het groen in de gemeente niet verder aantasten voor nieuwbouw. De gemeente richt zich zoveel als mogelijk op bouwen op inbreidingslocaties waarbij verbinding met de groene en waterrijke omgeving centraal staat; Dat de instroom van jonge huishoudens in stand blijft om tegenwicht te bieden aan de effecten van vergrijzing; Dat Landsmeer een gedifferentieerd woningaanbod biedt. Naast woningen in de vrije sector wordt gestreefd naar een aanvulling van de woningvoorraad met middeldure-woningen en betaalbare starterswoningen; Dat nieuwbouw zoveel mogelijk doorstroming teweeg brengt; Dat de aanwezige (groene) kwaliteiten meer zichtbaar worden gemaakt vanuit de kernen, ofwel er naar buiten wordt gebouwd, het water wordt omarmd en de kernen in fysiek opzicht meer worden geopend.

4.3.1.6 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van 47 woningen van uiteenlopende woningtypes op een inbreidingslocatie in één van de kernen (Den Ilp) van de gemeente Landsmeer. De nieuwbouw van dit aantal woningen past binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering waarmee wordt ingespeeld op de geprognotiseerde bevolkingsgroei en groei van de woningbehoefte. De voorgenomen ontwikkeling voorzien in een gevarieerd woningbouwprogramma, namelijk vrijstaande woningen, tweekappers, rijwoningen, rug aan rug woningen en appartementen. De rijwoningen en rug aan rug woningen zijn in het bijzonder geschikt voor starters en jonge gezinnen. Met de tweekappers en vrijstaande woningen wordt ingezet op de bevordering van de doorstroming van de woningmarkt in de gemeente Landsmeer. Door het toevoegen van deze woningen komen bestaande (rij)woningen in de gemeente Landsmeer vrij voor nieuwe starters. De appartementen zijn met name bedoeld voor huishoudens die bijvoorbeeld kleiner willen gaan wonen, hetgeen tevens bijdraagt aan de doorstroming. Gezien het type woningen en de locatie van deze woningen wordt tegenwicht geboden tegen de toenemende vergrijzing in de gemeente Landsmeer en wordt bijgedragen aan de doorstroommogelijkheden binnen de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld gemeente. In dit kader zal de verkoop van de woningen in eerste instantie worden gericht op inwoners van de gemeente Landsmeer om zodoende de doorstroommogelijkheden binnen de gemeente zelf op gang te helpen. Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling goed aansluit op het woonbeleid zoals verwoord in de Woonvisie Landsmeer 2016-2024. 4.3.2

Welstandsnota Landsmeer (2012)

4.3.2.1 Algemeen Op 30 december 2012 heef de gemeenteraad van de gemeente Landsmeer de ‘Welstandsnota Landsmeer 2012’ vastgesteld. Het welstandsbeleid van Landsmeer is opgesteld vanuit de overtuiging dat de lokale overheid het belang van een aantrekkelijke bebouwde omgeving dient te behartigen. De gevels van gebouwen en andere bouwwerken vormen samen met de openbare ruimte de dagelijkse leefomgeving van de mensen in Landsmeer. Dat betekent dat de verschijningsvorm van een bouwwerk geen zaak is van de eigenaar alleen; elke voorbijganger wordt ermee geconfronteerd, of hij nu wil of niet. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. Het doel van het welstandstoezicht is om, in alle openheid, een bijdrage leveren aan de schoonheid en de aantrekkelijkheid van Landsmeer. Het welstandsbeleid geeft de gemeente de mogelijkheid om de cultuurhistorische, stedenbouwkundige en architectonische waarden die in een bepaald gebied aanwezig zijn te benoemen en een rol te laten spelen bij de ontwikkeling en de beoordeling van bouwplannen. Door deze gebiedsgerichte aanpak wil de gemeente het karakter en de diversiteit van de bebouwing in Landsmeer bewaren en stimuleren. Het gebiedsgerichte welstandsbeleid kan uiteindelijk ook een opstapje zijn naar een intensiever ruimtelijk kwaliteitsbeleid.

4.3.2.2 Gebiedsgerichte welstandscriteria Voor de bouwplannen die niet voorkomen in de lijst van veel voorkomende kleine bouwwerken gelden de gebiedsgerichte welstandscriteria, en indien van toepassing de criteria voor bijzondere bouwwerken. Deze welstandscriteria, die gelden voor aanpassing van bestaande gebouwen zowel als voor nieuwe gebouwen, zijn minder ‘objectief’ dan de criteria voor veel voorkomende kleine bouwwerken. Het zijn geen absolute maar relatieve welstandscriteria die ruimte laten voor interpretatie in het licht van het concrete bouwplan. Die interpretatie kan in een vroeg stadium al onderwerp van gesprek zijn met de welstandscommissie, dit wordt zeker aanbevolen bij twijfel of grote afwijkingen van de criteria. In de welstandsnota zijn verschillende deelgebieden opgenomen. Het plangebied valt binnen het welstandsgebied ‘B1: Linten Landsmeer - Den Ilp’. 4.3.2.3 Welstandsgebied ‘B1: Linten Landsmeer – Den Ilp’ Het lint van Landsmeer naar Den Ilp behoort tot het lint dat vanaf de zuidelijker gelegen A10 in noordelijke richting naar de polder Purmerland loopt. De zuidelijke grens van dit gebied is de kruising van het Noordeinde met de Varenstraat (Landsmeer). Aan de noordzijde is de Molensloot de grens, het punt waar de tweezijdige bebouwing van het lint stopt, te weten bij de percelen Den Ilp 168 en 169.

Dergelijke lineaire structuren zijn kenmerkend voor Waterland en de Zaanstreek. Lintbebouwing komt vrijwel in het hele lint in een regelmatig patroon voor. Het lint langs het Noordeinde kenmerkt zich door een structuur van een bermsloot met daar overheen bruggen naar de individuele kavels. Tot het lint behoort ook de kern Den Ilp, omdat de karakteristiek van het lint sterker is dan de komvorming. In dit gebied is een regulier welstandsniveau van kracht. Het reguliere welstandsniveau moet een bijdrage leveren aan het behoud van de bestaande stedenbouwkundige, architectonische en culturele kwaliteiten van het lint Landsmeer en Den Ilp. De welstandcriteria voor dit deelgebied vallen uiteen in een drietal hoofdthema’s, te weten ‘Relatie met de omgeving’, ‘Massa en opbouw van het gebouw’ en ‘Detaillering, materiaal en kleur’.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld 4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de welstandsnota Landsmeer (2012) Ten tijde van de bouwaanvraag voor de bouw van de woningen zal het bouwplan door de gemeente worden getoetst aan de geldende welstandscriteria. 4.3.3

Groenbeleidsplan 2009-2019

4.3.3.1 Algemeen Het groenbeleidsplan gaat over het beheer en de ontwikkeling van het openbaar groen in de gemeente Landsmeer. In het beleidsplan wordt het belang van groenvoorzieningen benadrukt. Het groen in de gemeente is niet eenduidig te karakteriseren. De wijken zijn verschillend van opzet. Doel van de gemeente wat betreft groen is: Het behoud en de ontwikkeling van aantrekkelijk openbaar groen en openbare ruimte dat duurzaam bijdraagt aan een prettige woon- en werkomgeving. 4.3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het Groenbeleidsplan 2009-2019 Het gemeentelijke groenbeleid staat ten doel: een aantrekkelijk openbaar groen en openbare ruimte dat duurzaam bijdraagt aan een prettige woon- en werkomgeving. Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van de herontwikkeling van bedrijfsgronden naar een woonlocatie voor 47 woningen. De huidige bedrijfslocatie is nagenoeg geheel verhard met nauwelijks ruimte voor groen. In de toekomstige situatie is sprake van een kleine woonbuurt die is ingepast in samenhang met het omliggende water. Het voornemen is om de woonwijk groen in te richten en het groen langs de randen van het plangebied aan het water te versterken. Daarnaast krijgen alle woningen een ruime tuin waarmee sprake is van het nodige ‘groen’ binnen het plangebied zelf.

Een en ander heeft tot gevolg dat voorliggend plan een positieve bijdrage levert aan het ‘vergroenen’ van het plangebied. 4.3.4 Duurzaamheidsvisie gemeente Landsmeer 2018-2024 “Lokaal sturen richting een duurzamere samenleving” 4.3.4.1 Algemeen In de Duurzaamheidsvisie 2018-2024 van de gemeente Landsmeer staat de visie van de gemeente Landmeer op duurzaamheid, de ambities waarop de gemeente wil inzetten tot 2024, waarop zij resultaten verwacht te behalen en waarvoor in deze periode de ontwikkelprocessen in gang moeten zijn gezet. Een duurzamere samenleving is een samenleving waarin kwaliteit van leven voor nu en voor de komende generaties geborgd is. Klimaatverandering ten gevolge van CO2-uitstoot en uitputting van de aarde, met name betreffende de fossiele brandstoffen en mineralen, zijn de grootste zorg van de gemeente. Innovatie in duurzaam opwekken van warmte en elektriciteit, zonder nadelige effecten op het milieu (bodem, water en lucht) betreft de grootste opgave. De gemeente geeft op lokaal niveau sturing aan de ontwikkeling van een duurzamere samenleving. Met inbreng van de samenleving zelf, met ambtelijke ondersteuning, intern en/of extern aangetrokken, faciliteert de gemeente inwoners, bedrijven en organisaties om de algemene doelstellingen van duurzaamheid te verwezenlijken.

Daarnaast kijkt de gemeente naar de eigen organisatie en het gemeentelijk vastgoed om deze te verduurzamen en stimuleert daarmee anderen het zelfde te doen. 4.3.4.2 Toetsing van het initiatief aan de Duurzaamheidsvisie gemeente Landsmeer 2018-2024 Voorliggende woningbouwontwikkeling draagt bij aan de duurzaamheidsvisie van de gemeente door speciale aandacht te schenken aan aspecten als isolering en opwekken van duurzame energie. Daarnaast worden de woningen gasloos gebouwd. Voor het overige wordt terugverwezen naar paragraaf 4.2.1.3 waar eerder al werd ingegaan op de wijze waar binnen dit plan rekening wordt gehouden met het aspect duurzaamheid.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Geconcludeerd wordt dat voorliggend plan bijdraagt aan de gemeentelijke doelstellingen op het gebied van duurzaamheid zoals verwoord in de duurzaamheidsvisie. 4.3.5

Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid

De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ruimtelijke ontwikkeling is in overeenstemming met de gemeentelijke beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de voorgenoemde beleidsstukken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieukwaliteitseisen bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieuaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk worden de resultaten van het onderzoek naar de milieukundige uitvoerbaarheid beschreven. Het betreft de thema’s geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, ecologie, archeologie & cultuurhistorie en besluit milieueffectrapportage.

5.1

Geluid (Wet geluidhinder)

5.1.1

Wettelijk kader

5.1.1.1 Algemeen De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. 5.1.2

Situatie plangebied

In dit geval is sprake van nieuwbouw van geluidsgevoelige objecten, namelijk 47 woningen. 5.1.2.1 Wegverkeerslawaai De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Woningen worden aangemerkt als een geluidsgevoelig object. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Het akoestisch onderzoek bepaalt de geluidsbelasting aan de gevel van de geluidsgevoelige bestemming die vanwege de weg wordt ondervonden. Het onderzoek is alleen noodzakelijk als de geluidsgevoelige bestemming binnen de wettelijke geluidszone van de weg gelegen is. In artikel 74.1 van de Wgh is aangegeven dat een weg een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:

De hiervoor geldende zones gelden niet voor: • •

wegen die zijn aangeduid als woonerf (art. 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (artikel 74.2).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Het projectgebied ligt in “stedelijk” gebied binnen de wettelijk vastgestelde geluidszone (200 m), als bedoeld in art. 74 van de Wet geluidhinder, van de autoweg Den Ilp. Om de geluidsbelasting van de weg Den Ilp in kaart te brengen is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het volledige onderzoek is bijgevoegd in bijlage 1. Uit het onderzoek volgt dat de geluidsbelasting ten gevolge van de weg Den Ilp maximaal 47 dB bedraagt ter plaatse van de te realiseren woningen. Hiermee wordt de voorkeurswaarde van 48 dB niet overschreden. Er is daarmee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de te realiseren woningen. 5.1.2.2 Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat de dichtstbijzijnde spoorlijn op ruime afstand van het plangebied is gelegen. 5.1.2.3 Industrielawaai In de omgeving van het projectgebied is geen gezoneerd bedrijventerrein, zoals bedoeld in de Wet geluidhinder, aanwezig. Het aspect industrielawaai is niet van toepassing. Wat betreft de invloed van individuele bedrijven op de nieuwe woning wordt verwezen naar paragraaf 5.5 (milieuzonering). 5.1.3

Conclusie

De Wet geluidhinder vormt geen belemmering voor dit plan.

5.2

Bodemkwaliteit

5.2.1

Algemeen

Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de richtlijnen NEN 5740. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend en nader (asbest)bodemonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten van het onderzoek. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar het volledige rapport wat is opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting. 5.2.2

Situatie plangebied

Zintuiglijk is op de locatie een ophooglaag aangetroffen van 0,1 tot > 2,0 m-mv met zwakke tot sterke bijmengingen aan puin, beton, plastic, asfalt en hout. Lokaal zijn volledige puinlagen aangetroffen. In de bodem/puin is zintuiglijk geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. Zintuiglijk zijn in diverse boringen oliecomponenten waargenomen, vanaf maaiveld tot einde boordiepte (2,0 m-mv). Analytisch zijn in de vaste bodem licht tot sterk verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB’s, minerale olie en asbest aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten overschrijden de interventiewaarden. In het grondwater zijn overwegend licht verhoogde gehalten aan zware metalen, vluchtige aromaten, VoCl’s en minerale olie aangetoond. Lokaal zijn sterk verhoogde gehalten aan barium, molybdeen, zink en minerale olie aangetoond. De maximaal aangetoonde gehalten aan barium, molybdeen, zink en minerale olie overschrijden de interventiewaarden. De locatie (ca 17.000 m2) is tot minimaal 2 m-mv verontreinigd met diverse parameters. Lokaal zijn enkele oliespots aanwezig binnen de locatie. Het betreft een heterogeen nietspoedeisend geval van ernstige bodemverontreiniging. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld De bemonsterde waterbodem is bij toepassing op landbodem niet toepasbaar. Bij toepassing in oppervlaktewater is de bemonsterde waterbodem toepasbaar als klasse B. De bemonsterde waterbodem is niet verspreidbaar op een aangrenzend perceel of in zoet oppervlaktewater. 5.2.3

Conclusie

Na sanering van de saneringsplichtige verontreinigingen zijn er geen milieutechnische bezwaren tegen de voorgenomen ontwikkeling, aangezien de overige vastgestelde verontreinigingen geen risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt na sanering geschikt geacht voor het toekomstige gebruik (wonen met tuin).

5.3

Luchtkwaliteit

5.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Op grond van de Wet milieubeheer, gelet op artikel 5.16 lid 4 Wet Milieubeheer geldende de volgende regelingen:  

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet milieubeheer vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:   

woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet milieubeheer nodig.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld 5.3.2

Beoordeling

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een ontwikkeling van het plangebied waarbij 47 woningen worden gerealiseerd. Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot categorieën van gevallen zoals beschreven in paragraaf 5.3.1.1 kan worden gesteld dat voorliggend project 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Tot slot wordt geconcludeerd dat deze ontwikkeling niet wordt aangemerkt als een gevoelige bestemming in het kader van het ‘Besluit gevoelige bestemmingen’. 5.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.4

Externe veiligheid

5.4.1

Beleid ten aanzien van externe veiligheid

5.4.1.1 Algemeen Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's zware ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit; het Activiteitenbesluit

Voor vervoer gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszones en plasbrandaandachtsgebieden).

Het transporteren van gevaarlijke stoffen per buisleiding is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.1.2 (Beperkt) kwetsbare objecten Onder beperkt kwetsbare objecten worden onder andere verstaan verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal 2 woningen per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden, hotels, BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld restaurants, kantoren en winkels voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren en bedrijfsgebouwen en vergelijkbare objecten. Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen (met uitzondering van de beperkt kwetsbare objecten) en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of een deel van de dag kwetsbare groepen mensen bevinden. 5.4.1.3 Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk getroffen wordt door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag en gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting. De grenswaarde voor het PR is voor nieuwe kwetsbare objecten (op enkele uitzonderingssituaties na) gesteld op een niveau van 10-6 per jaar op het object. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze waarde een richtwaarde, wat wil zeggen dat hiervan alleen om gewichtige redenen van afgeweken kan worden. De norm 10-6 per jaar betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen op een te bebouwen plek maximaal één op de miljoen per jaar mag zijn.

5.4.1.4 Groepsrisico Het groepsrisico (GR) drukt de cumulatieve kans per jaar uit dat tenminste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Dit wordt vertaald in een dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde. 5.4.2

Situatie in en bij het plangebied

5.4.2.1 Risicokaart Nederland Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.

Afbeelding 5.1

Uitsnede Risicokaart (Bron: Nederland.Risicokaart.nl)

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: • • • •

5.4.3

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie

Het plan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving omtrent van externe veiligheid.

5.5

Milieuzonering

5.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;

•

het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan of wijzigingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden als harde eis gezien worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 5.5.2

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Gebieden waar in enige vorm sprake is van functiemenging, of in gebieden waar bewust functiemenging wordt nagestreefd (bijvoorbeeld om een grotere levendigheid tot stand te brengen), worden aangemerkt als 'gemend gebied'. Bij 'gemengde gebieden' moet gedacht worden aan: “Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.” De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een 'gemengd gebied'. Dit omdat het plangebied is gelegen in een zone langs lintbebouwing waar sprake is van functiemenging langs het lint. Er is sprake van een dynamisch gebied waar sprake is van een verhoogde milieubelasting. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

5.5.3

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

Situatie projectgebied

5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De functie ‘wonen’ is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe woningen hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld In de onderstaande tabel worden de activiteiten/functies benoemd welke zijn gelegen in de nabijheid van het plangebied. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de gevel van de nieuwe woning en het bestemmingsvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Functie

Categorie max. 3.1

Richtafstand gemengd gebied 30 m

Daadwerkelijke afstand (circa) 25 m

Bedrijvigheid Den Ilp 25 Autogarage (handel en reparatie) Den Ilp 20 Bedrijvigheid Den Ilp 15A Bedrijvigheid Den Ilp 5 Bedrijvigheid Den Ilp 8 Sauna Den Ilp 19

max. 2

10 m

10 m

max. 2

10 m

80 m

max. 2

10 m

20 m

max. 2

10 m

65 m

max. 2

10 m

55 m

Den Ilp 25 Zoals blijkt uit de tabel wordt ter plaatse van Den Ilp 25 niet aan de richtafstand voldaan. Hierna wordt nader ingegaan op de betreffende bedrijfslocatie. Aan de wegzijde van het bedrijfsperceel Den Ilp 25 bevindt zich de bedrijfswoning met daarachter een loods. De loods wordt gebruikt ten behoeve van het uitvoeren van reparatiewerkzaamheden voor speelautomaten. De bedrijfsmatige activiteiten vinden uitsluitend plaats binnen de betreffende loods. Ten westen van de loods is een tweede bedrijfswoning aanwezig. Ten zuiden van de loods en ten westen van de voorste woning, zijn de gronden in gebruik als tuin. Zoals uit het vorenstaande blijkt vinden de bedrijfsmatige werkzaamheden plaats binnen de op het perceel aanwezige loods. Wanneer wordt gemeten vanaf het bouwvlak behorend bij deze loods tot aan het dichtstbijzijnde bouwvlak waar als gevolg van het voorliggende bestemmingsplan milieugevoelige objecten (woningen) mogelijk worden gemaakt, bedraagt de afstand circa 35 meter. Den Ilp 5 In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten aanzien van de bedrijvigheid aan de Den Ilp 5. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in bijlage 3. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten.

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau De langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus (LAr,LT) ten gevolge van de planologische rechten van het bedrijfsperceel Den Ilp 5B-E bedragen ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen ten hoogste 46 dB(A) in de dagperiode, 41 dB(A) in de avondperiode en 36 dB(A) in de nachtperiode (etmaalwaarde 46 dB(A). Er wordt voldaan aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor woningen gelegen in een “gemengd gebied”. Maximaal geluidniveau Het maximaal geluidniveau (LAmax) ten gevolge van de planologische rechten van het bedrijfsperceel Den Ilp 5BE bedraagt ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen ten hoogste 66 dB(A) in de dag-, avond- en nachtperiode. In de dagperiode wordt wel en in de avond- en nachtperiode wordt niet voldaan aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor woningen gelegen in een “gemengd gebied”.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Echter op dit moment worden het bedrijfsperceel ook al omringd door woningen. De optredende maximale geluidniveaus worden hierdoor al begrensd. Met inachtneming van deze beperking zullen de maximale geluidniveaus ter plaatse van de beoogde nieuwe woningen voldoen aan de richtwaarde uit stap 2 van de VNG-publicatie voor woningen gelegen in een “gemengd gebied”. Verkeersaantrekkende werking Gezien de intensiteit op deze weg (> 5.000 motorvoertuigen per etmaal), de afstand van de weg ten opzichte van de beoogde woningen en de ligging van de toegang tot het bedrijfsperceel kan gesteld worden dat de indirecte hinder beperkt is en de voertuigen van en naar het bedrijfsperceel voor het gehoor niet meer herkenbaar zijn ten opzichte van andere voertuigen. Er zal voldaan worden aan de streefwaarde uit de VNGpublicatie van 50 dB(A) ten gevolge van de verkeersaantrekkende werking. Conclusie Gelet op het vorenstaande mag er van worden uitgegaan dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom vormt voorgenomen ontwikkeling geen onevenredige belemmering voor de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven. Temeer omdat er reeds woningen van derden aanwezig zijn die dichter op de omliggende bedrijven liggen en hiermee maatgevend zijn voor de ontwikkelmogelijkheden. 5.5.4

Conclusie milieuzonering

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

5.6

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.6.1

Gebiedsbescherming

5.6.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ dat is gelegen op circa 25 meter afstand van het plangebied. Stikstof Ten behoeve van het voornemen zijn, in het kader van de stikstofdepositie als gevolg van het project, door BJZ.nu berekeningen uitgevoerd met de AERIUS calculator 2021 (bijlage 4). Allereerst is een AERIUSberekening uitgevoerd voor de beoogde gebruiksfase. Vervolgens is een berekening uitgevoerd in het kader van intern salderen. Hierna worden de resultaten toegelicht. Uit de AERIUS-berekening met betrekking blijkt dat in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j (zie bijlage 1 van de rapportage). Echter blijkt, zoals eerder vermeld, dat als gevolg van de aanwezige N-emissie veroorzakende activiteit reeds sprake is van

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld stikstofdepositie (zie bijlage 2 van de rapportage). Deze depositie vervalt permanent als gevolg van het voornemen. Wanneer de depositie als gevolg van de gebruiksfase tegenover de depositie als gevolg van de aanwezige activiteit wordt gezet (intern salderen) is per saldo geen sprake van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarentegen per saldo sprake van een afname van de stikstofdepositie, waardoor geen sprake is van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Voor de verschilberekening wordt verwezen naar bijlage 3 van de rapportage. Hierin is de afname van de stikstofdepositie op de verschillende habitattypen weergegeven. Overige effecten op Natura 2000-gebieden Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een toetsing uitgevoerd van mogelijke effecten van het voornemen op Natura 2000-gebieden in het kader van de Wet natuurbescherming (niet zijnde stikstof). Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 5 bij deze toelichting. Mogelijke effecten op kwalificerende habitattypen Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000 ligt, is geen sprake van oppervlakteverlies op kwalificerende habitattypen door ruimtebeslag.

Habitattypen (vegetaties) zijn niet gevoelig voor verstoring door licht, geluid, trillingen of optische verstoring. Significante gevolgen voor kwalificerende habitattypen kunnen op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Mogelijke effecten op kwalificerende habitatsoorten Aangezien het plangebied buiten de begrenzing van Natura 2000 ligt, is geen sprake van oppervlakteverlies op leefgebieden van kwalificerende habitatsoorten door ruimtebeslag. Van de kwalificerende habitatsoorten zijn meervleermuis gevoelig voor verstoring door licht en zijn de vissoorten kleine modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad gevoelig voor trillingen (onderwatergeluid). Voor kwalificerende habitatsoorten zijn die delen van het Natura 2000-gebied van belang die zijn aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Het deelgebied ’t Twiske dat op korte afstand van het plangebied ligt is alleen aangewezen in het kader van de Vogelrichtlijn. Hier gelden geen doelstellingen voor kwalificerende habitatsoorten. Het ten oosten van het plangebied gelegen deelgebied Ilperveld is wel aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Hier gelden wel doelstellingen voor kwalificerende habitatsoorten. Tussen het plangebied en het deelgebied Ilperveld is bebouwing aanwezig aan weerszijden van de weg Nooreinde. Het betreft o.a. een autobedrijf en een saunacomplex, waar veel bedrijvigheid plaatsvindt.

Het Natura 2000 ligt op ca. 130 meter afstand van het plangebied. Zowel tijdens de aanlegfase als tijdens de gebruiksfase is geen sprake van directe lichtuitstraling vanuit het plangebied in het Ilperveld. De tussenliggende bebouwing zorgt voor afscherming van verlichting. Een significante verstoring van de kwalificerende habitatsoort meervleermuis door verlichting kan op voorhand worden uitgesloten. In het kader van soortenbescherming heeft vleermuisonderzoek plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de aan het plangebied grenzende Ringvaart een foerageerroute voor de meervleermuis vormt. Deze watergang ligt buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske, maar vormt wel een verbinding tussen de deelgebieden Oostzanerveld en ’t Twiske en het Ilperveld en Varkensland. Ter plaatse van het plangebied is een dwarsverbinding van de Ringvaart naar het Ilperveld aanwezig. Uit de effectbeoordeling voor vleermuizen blijkt dat de functionaliteit daarvan als foerageer-/vliegroute niet wordt aangetast. Bovendien zijn er elders in Den Ilp diverse andere dwarsverbindingen aanwezig van de Ringvaart naar het Ilperveld die door meervleermuizen als foerageer-/vliegrouteroute kunnen worden gebruikt. Het voorgenomen plan heeft dus geen invloed op de functionaliteit van het leefgebied van de meervleermuis binnen het Natura 2000-gebied.

Significante gevolgen voor de kwalificerende habitatsoort meervleermuis zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Voor de kwalificerende vissoorten kleine modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad geldt dat tijdens de aanlegfase tijdelijk sprake kan zijn van verstoring van leefgebied in het Ilperveld door trillingen als gevolg van heiwerkzaamheden. Tussen het plangebied en het deelgebied Ilperveld is bebouwing aanwezig aan weerszijden van de weg Nooreinde en het Natura 2000-gebied ligt op enige afstand van het plangebied. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Binnen het deelgebied Ilperveld is geen zodanige trillingshinder dat hierdoor sterfte van kwalificerende vissen door drukgolven in het water van het Ilperveld kan ontstaan. Dit kan vooral optreden binnen enkele tientallen meters (tot maximaal 50 meter) van de bron direct aangrenzend aan het water (Van Opzeeland et al, 2007). Het voorgenomen plan heeft dus geen invloed op de functionaliteit van het leefgebied van de kwalificerende vissoorten kleine modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad binnen het Natura 2000-gebied. Significante gevolgen voor kwalificerende vissoorten zijn op voorhand met zekerheid uitgesloten. Mogelijke effecten op kwalificerende broedvogels Met name tijdens de aanlegfase kan door inzet van (bouw)materieel sprake zijn van verstoring van de omgeving door licht, geluid, trillingen en/of optische verstoring. Dergelijke storingseffecten bij sloop- en bouwwerkzaamheden hebben in de regel een reikwijdte van maximaal enkele honderden meters. Ten westen van het plangebied ligt het deelgebied ’t Twiske op ca. 50 meter afstand van het plangebied. Ten oosten van het plangebied ligt het deelgebied Ilperveld op ca. 130 meter afstand van het plangebied. De broedvogels waarvoor het natura 2000-gebied zich kwalificeert zijn roerdomp, bruine kiekendief, kemphaan, watersnip, visdief, snor en rietzanger.

Roerdomp en bruine kiekendief broeden in uitgestrektere rietmoerassen die aanwezig zijn in het centrale deel van ’t Twiske rond de Stootersplas en langs de oevers van het Twiske en in het centrale en oostelijke deel van het Ilperveld. Geschikt broedbiotoop voor deze soorten ligt op > 1 km afstand van het plangebied. In de NDFF zijn er ook geen waarnemingen van territoria of van nestindicerend gedrag van roerdomp of bruine kiekendief op korte afstand van het plangebied, vanwege het ontbreken van geschikt broedbiotoop en/of aanwezigheid van verstoring vanuit bebouwing van Den Ilp op het westelijke deel van het Ilperveld. Een significante verstoring van de kwalificerende broedvogels roerdomp en bruine kiekendief kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Het broedbiotoop van watersnip bestaat uit moerassig laagveen, hoogveen en natte heiden en zeer vochtige schrale graslanden op veengrond of in uiterwaarden en open beekdalen. De nestplaats is gelegen in de verlandingszone van moerasgebieden of in gemaaide rietvelden. De broedbiotoop van de kemphaan bestaat uit vochtige en schrale graslanden in open landschappen, voornamelijk in veenweide- en klei-op-veengebieden die minstens 5 ha groot zijn. De nestplaats is gelegen in schrale, eventueel licht beweide graslanden met een gevarieerde en ‘pollige’ vegetatiestructuur.

Favoriet zijn daarbij graslanden die bovendien ’s winters onder water staan. Voor watersnip en kemphaan geschikt broedbiotoop is aanwezig in het centrale deel van ’t Twiske rond de Stootersplas en in het centrale en oostelijke deel van het Ilperveld, op > 1 km afstand van het plangebied. Hier zijn in de NDFF ook diverse waarnemingen van nestindicerend gedrag en/of vastgestelde territoria. In de NDFF zijn geen waarnemingen van territoria of van nestindicerend gedrag aanwezig van watersnip of kemphaan op korte afstand van het plangebied, vanwege het ontbreken van geschikt broedbiotoop en/of aanwezigheid van verstoring vanuit bebouwing van Den Ilp op het westelijke deel van het Ilperveld. Een significante verstoring van de kwalificerende broedvogels watersnip en kemphaan door aanlegwerkzaamheden kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. Broedbiotoop voor de visdief is aanwezig langs de noordzijde van de Stootersplas in ’t Twiske en in een plas langs de Batesloot in het oostelijke deel van het Ilperveld, op ruim > 1 km afstand van het plangebied. Hoewel jet instandhoudingsdoel voor de soort momenteel niet wordt gehaald, is er volgens het Natura 2000 beheerplan voldoende geschikt broedt- en leefgebied voor de visdief. Kolonies zijn waarschijnlijk verplaatst naar buiten het Natura 2000-gebied vanwege vossenpredatie.

Op korte afstand van het plangebied is geen geschikt broedbiotoop voor de visdief aanwezig. Een significante verstoring van de kwalificerende broedvogelsoort visdief door de aanlegwerkzaamheden kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. De rietbroedvogels snor en rietzanger broeden verspreid over het Natura 2000-gebied in (water)rietzones. Voor rietzanger geldt dat het instandhoudingsdoel (800 broedpaar) volgens het Natura 2000 beheerplan momenteel met 1.000 broedpaar ruim wordt gehaald. Het aantal broedpaar van de snor fluctueert aanzienlijk, het instandhoudingsdoel wordt veelal niet gehaald. Voor de snor geldt dat jonge stadia van verlanding nodig zijn. De soort broedt met name in verlandingsvegetaties van veenmosrietlanden. Beide soorten zijn volgens het Natura 2000 Profielendocument vanwege hun verborgen levenswijze in dichte rietvegetaties matig gevoelig voor verstoring. De verstoringsafstand van beide soorten is < 100 meter. Binnen 100 meter afstand van het plangebied zijn geen rietvegetaties aanwezig waarin rietzanger of snor kunnen broeden. Voor snor geschikte verlandingsvegetaties met waterriet liggen op grote afstand (> 1000 meter) van BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld het plangebied. Een significante verstoring van de kwalificerende broedvogelsoorten rietzanger en snor door de aanlegwerkzaamheden kan op voorhand met zekerheid worden uitgesloten. In het voorgenomen plan is voorzien in aanlegplaatsen voor bootjes voor de bewoners. Van daaruit kunnen zij snel het deelgebied Ilperveld bereiken. De andere deelgebieden van het Natura 2000-gebied zijn niet gemakkelijk bereikbaar vanuit het plangebied. In het Ilperveld zijn slechts een aantal doorgaande vaarroutes aanwezig waar gevaren kan en mag worden. In het Natura 2000 beheerplan is aangegeven dat deze routes zodanig zijn gekozen dat daarvan geen hinder optreedt op kwalificerende broedvogels. Op paar extra vaarbewegingen vanuit bewoners op deze vaarroutes zullen niet leiden tot een significante verstoring van kwalificerende broedvogelsoorten. Mogelijke effecten op kwalificerende niet-broedvogels Het Natura 2000-gebied is aangewezen als slaap- en rustplaats voor grutto en smient en als foerageergebied voor grauwe gans, smient, krakeend, slobeend en meerkoet. Slaapplaatsen van smient zijn grotere wateren in het gebied. Deze liggen op grote afstand van het plangebied. Slaap- en rustplaatsen van de grutto zijn slikkige oevers en natte graslanden in het Ilperveld en het Oostzanerveld. Ook deze liggen op grote afstand van het plangebied.

Foerageergebied voor grauwe gans, smient, krakeend, slobeend en meerkoet is verspreid over het Natura 2000-gebied aanwezig. In het Natura 2000 Beheerplan is aangegeven dat er momenteel geen knelpunten zijn voor kwalificerende niet-broedvogels en dat de omvang van het leefgebied voldoende is. Als gevolg van het voorgenomen plan kan tijdelijk tijdens aanlegwerkzaamheden sprake zijn van enige verstoring op de directe omgeving. In de randzones van de deelgebieden ’t Twiske en het Ilperveld kan tijdelijk sprake zijn van enige verstoring in een kleine deel van het Natura 2000-gebied. In deze delen is momenteel al sprake van verstoring door aanwezigheid van bebouwing en wegen. Er is geen sprake van een zodanige verstoring dat daardoor de draagkracht van het gebied voor kwalificerende niet-broedvogels afneemt. De instandhoudingsdoelstellingen voor kwalificerende niet-broedvogels kunnen ondanks het voorgenomen project gehaald worden. Van een significante verstoring van kwalificerende niet-broedvogels is geen sprake. Cumulatie Er zijn geen reeds vergunde maar nog niet uitgevoerde projecten bekend die gelijktijdig met de aanleg van het voorgenomen project worden uitgevoerd en die een overlap hebben qua beïnvloedingsgebied met het in omvang zeer beperkte beïnvloedingsgebied van het voorgenomen plan.

Van een significant effect door cumulatie met eventuele andere reeds vergunde maar nog niet (volledig) gerealiseerde projecten is dan ook geen sprake. Conclusie Het voorgenomen plan voor de bouw van woningen op het terrein van houthandel Sneek in Den Ilp leidt met zekerheid niet tot significante gevolgen voor het nabijgelegen Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske of voor andere omliggende Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing in de vorm van een passende beoordeling of het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. De Wet natuurbescherming staat voor wat betreft het aspect gebiedsbescherming niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg. 5.6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’ - principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Zoals waar te nemen in afbeelding 5.3 is het plangebied (rode contour) niet gelegen binnen de begrenzing van het NNN (groene arcering) . De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als GNN zijn gelegen op circa 15 meter afstand van het plangebied.

Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het NNN en gezien de aard en omvang van dit plan wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en dientengevolge van het NNN.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Afbeelding 5.3

5.6.2

Uitsnede kaart Natuurnetwerk Nederland (Bron: Provincie Noord-Holland)

Soortenbescherming

Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. Natuurwaardenonderzoek In het kader van soortenbescherming is door Natuurbank Overijssel een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd voor voorliggend plan. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 6 bij deze toelichting. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels in het plangebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats. Er zijn in het plangebied geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen in het plangebied duiden. De bebouwing in het plangebied wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd.

In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Werkzaamheden moeten daarom afgestemd worden op de voortplantingsperiode van vogels. Voor de grondgebonden zoogdier- en/of amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, vleermuizen en grondgebonden zoogdieren, niet aangetast. De waterpartij rondom het plangebied en de Ringsloot ten westen van het plangebied, wordt mogelijk door sommige vleermuissoorten benut als foerageergebied en vliegroute. Indien er geen direct kunstlicht op de BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld waterpartij wordt geschenen tijdens de actieve periode van vleermuizen, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect van de omgeving als foerageergebied en vliegroute. Vleermuisonderzoek en effectbeoordeling vleermuizen In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een vleermuisonderzoek en effectbeoordeling uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste bevindingen en conclusies weergegeven. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 7 bij deze toelichting. Conclusie vleermuisonderzoek Het plangebied zelf (terrein houthandel) vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen en herbergt geen landschappelijke elementen die fungeren als vliegroute voor vleermuizen. De aan het plangebied grenzende wateren (Ringvaart en afslag daarvan naar het Ilperveld) zijn van belang als foerageerroute voor zowel meervleermuis als watervleermuis. Effectbeoordeling De aan het plangebied grenzende wateren (Ringvaart en afslag daarvan naar het Ilperveld) zijn van belang als foerageerroute voor zowel meervleermuis als watervleermuis. Deze wateren blijven fysiek behouden, maar zouden door lichtuitstraling wel verstoord kunnen worden. Door Altenburg & Wymenga is specifiek onderzoek gedaan naar de lichtgevoeligheid van meervleermuizen in Friesland (Kuijper et al. 2006, 2008).

Dit onderzoek toont aan dat meervleermuizen een reactie vertoonden bij lichttoenames van 0,6 tot 3,2 Lux (Kuijper et al. 2008), met 0,6 Lux als laagst gemeten lichtwaarde waarbij meervleermuizen afwijkend gedrag gaan vertonen bij verlichte fysieke obstakels zoals bruggen en sluizen en 3,2 Lux als waarde waarbij vrijwel altijd afwijkend gedrag werd vastgesteld. Daarbij geeft Altenburg & Wymenga aan dat in deze studie het effect van langduriger blootstelling van vliegroutes aan kunstlicht, en daarmee mogelijk gepaard gaande gewenning, niet is onderzocht. Dat er mogelijk gewenning op kan treden, blijkt uit de aanwezigheid van vliegroutes van meervleermuizen op kunstmatig verlichte plaatsen (zie Van der Vegte 2005)1. Ook uit eigen waarnemingen van A&W zijn dergelijke situaties bekend: bijvoorbeeld het Hoornse Diep in de stad Groningen en de Luts in het Friese dorp Balk. Meervleermuizen gebruiken zeer lange foerageerroutes waarbij ze regelmatig verlichte delen in dorpen, steden, haventjes en bij bruggen en sluizen moeten passeren. Dit weerhoudt ze er niet van om dergelijke routes te blijven gebruiken. Door Altenburg & Wymenga wordt op basis van het onderzoek van Kuijper et al.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=90e9e2e8-4e80-412d-af56-e2354585596d