CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

B6 TOE Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 (25-08-22) vastgesteld.

Raadsvergadering 29 september 2022, gemeente landsmeerBij agendapunt: Het gewijzigd vaststellen van een bestemmingsplan voor de realisatie van 47 woningen aan Den Ilp 14-16, Den Ilp AANGENOMEN22.867 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

(2008) 2 in combinatie met waarnemingen van meervleermuizen die ogenschijnlijk geen hinder ondervinden in enigszins lichtverstoorde situaties, aangenomen dat de kritische grens waarbij effecten kunnen ontstaan vermoedelijk ergens tussen 0,6 en 3,2 LUX ligt.3 In een andere studie van Altenburg & Wymenga4 waarbij veldexperimenten met verlichting op o.a. vliegroutes en foerageergebieden van meervleermuizen in Friesland zijn uitgevoerd, werden op vlieg- en migratieroutes van meervleermuizen op 5 verschillende plekken in Friesland geen duidelijke verstoringseffecten van verlichting vastgesteld door lichtbronnen met sterktes variërend van 1 tot 30 Lux. Het aantal passerende dieren op de vlieg- en migratieroutes was bij aangebrachte verlichting niet wezenlijk anders dan bij de nulmeting zonder verlichting. Voorgaande toont aan dat in situaties waarbij geen sprake is van een fysieke barrière zoals een brug of sluis die door over het water vliegende meervleermuizen gepasseerd hoeft te worden, een verstoringswaarde van ca. 1 Lux (gemiddelde waarde in het buitengebied waarin meervleermuizen overwegend foerageren) een reële

1 Van der Vegte 2005. Belvédère Oude Rijn. Meervleermuizen en verlichting. Haskoning Nederland. 2 Kuijper, P.J., J.Schut, D. van Dullemen, H. Toorman, N. Goossens, J. Ouwehand, H.J.G.A. Limpens 2008. Experimental evidence of light

disturbance along the commuting routes of pond bats (Myotis dasycneme). Lutra 51 (1): 37-49. 3

L.W. Bruinzeel & J. Schut 2009. Nulmeting lichtverstoring Bonkevaart. A&W-rapport 1339. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden. 4 Kuijper, D.P.J., J. Schut, A-J. Haarsma, J. Ouwehand, H.J.G.A. Limpens & D. van Dullemen 2006. Meervleermuizen in Fryslan;

kennisontwikkeling voor soortenbescherming. A&W-rapport 748. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek, Feanwâlden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld waarde is die aangeeft dat de meervleermuis een lichtgevoelige soort is. Voor de watervleermuis wordt een verstoringswaarde van 1,1 Lux aangegeven in het kennisdocument van BIJ12. Met de inrichting van het plangebied is op voorhand rekening gehouden met de aanwezigheid van vleermuizen boven het omliggende water. Zo is ter plaatse waar koplampen van auto’s op het water zouden kunnen schijnen op rijroutes in het plangebied voorzien in dicht struweel en bankjes/meubilair die ervoor zorgen dat er geen directe lichtuitstraling van auto’s op het wateroppervlak optreedt. Rondom de waterkant is voorzien in ‘lichtdode zones’ waarin geen openbare buitenverlichting aanwezig is. Verder blijft een deel van de aanwezige begroeiing langs de waterkant behouden door pluksgewijs elzenstobben te laten staan of aan te brengen die zorgen voor afscherming van verlichting en luwte op het aangrenzende wateroppervlak. De betreffende inrichtingsmaatregelen zijn op onderstaande tekening weergegeven.

Door de inrichtingsmaatrelen die worden getroffen wordt directe lichtuitstraling op de foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis zo veel mogelijk voorkomen. Bovendien is er in de huidige situatie ook verlichting op het terrein aanwezig (o.a. hoge lichtmasten) en staan er elders langs de Ringvaart ook op diverse plekken woningen en/of andere gebouwen met verlichting langs het water. De aanwezige foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis worden door het voorgenomen plan niet zodanig verstoord dat deze hun functie zullen verliezen. Conclusie Door de inrichtingsmaatrelen die worden getroffen wordt directe lichtuitstraling van het voorgenomen plan op de foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis zo veel mogelijk voorkomen. De aanwezige foerageerroutes van de meervleermuis en de watervleermuis worden door het voorgenomen plan inclusief inrichtingsmaatregelen voor vleermuizen niet zodanig verstoord dat deze hun functie zullen verliezen. Elders langs de Ringvaart zijn vergelijkbare situaties wat betreft verlichting aanwezig en dat leidt er ook niet toe dat vlieg-/foerageerroutes niet meer worden gebruikt door meervleermuizen en watervleermuizen. De functionaliteit van de elders gelegen verblijfplaatsen van de meervleermuis en de watervleermuis komt niet in het geding.

De bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van vleermuizen staan derhalve niet aan de uitvoerbaarheid van het voorgenomen plan in de weg als de inrichtingsmaatregelen ten aanzien van vleermuizen worden toegepast. Er hoeft geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd ten aanzien van vleermuizen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Aanbeveling gebruiksfase bewoners Bewoners van woningen die grenzen aan het water kunnen rekening houden met aanwezigheid van vleermuizen bij het plaatsen van lichtbronnen in hun tuin. Verlichting vanuit gebouwen zal niet snel een directe uitstraling op het water hebben. Bij tuinverlichting kan dit wel het geval zijn, zeker wanneer deze achter in de tuin direct langs het water wordt geplaatst. Bij voorkeur vindt er geen directe lichtstraling en een maximale verlichtingswaarde van ca. 1 Lux op het water plaats door tuinverlichting. Indien mogelijk kan een verlichtingsvrije zone langs de waterkant worden opgenomen in de bestemmingsplanregels. Als dat niet mogelijk is dient verlichting zodanig geplaatst te worden dat er geen directe lichtuitstraling op het water plaatsvindt door: •

•

5.6.3

Het plaatsen van een afschermkap bij lampen die achter in de tuin worden geplaatst aan de zijde van het water. Het licht schijnt dan van het water af de tuin in en er vindt geen directe lichtuitstraling op het wateroppervlak plaats. Gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting (amberkleurig) die geen negatief effect heeft op vleermuizen. Conclusie

Het plan heeft geen negatieve effecten op Natura 2000-gebieden of het NNN. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten, mits de benodigde inrichtingsmaatregelen worden getroffen om lichtuitstraling op de vliegroute(s) van vleermuizen te voorkomen. In de regels van voorliggende bestemmingsplan is hiervoor een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

5.7

Archeologie & Cultuurhistorie

5.7.1

Archeologie

5.7.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.7.1.2 Situatie plangebied In het kader van het voorliggende bestemmingsplan is door Laagland Archeologie een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen en conclusies van het onderzoek. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat de gronden binnen het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden wordt geadviseerd om geen vervolgonderzoek uit te voeren en het plangebied vrij te geven.

Mochten bij graafwerkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan geldt conform de Erfgoedwet (art. 5.10) een meldingsplicht.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld 5.7.2

Cultuurhistorie

5.7.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.7.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich, op basis van de Leidraad landschap en cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan. 5.7.3

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in het kader van dit plan geen archeologisch onderzoek noodzakelijk is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.8

Besluit milieueffectrapportage

5.8.1

Algemeen

De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is.

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen).

•

Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 5.8.2

Situatie plangebied

5.8.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op korte afstand van Natura 2000-gebied (circa 25 meter). Uit de stikstofberekening (bijlage 4) en de effectenbeoordeling (bijlage 5) is gebleken dat de niet leidt tot een toename van stikstofdepositie of tot significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Aangezien binnen de berekening gebruik is gemaakt van een zogenaamde interne saldering, dient een Wet natuurbeschermingsvergunning te worden aangevraagd bij de provincie Noord-Holland. 5.8.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. Voor wat betreft het gehele plangebied wordt voorzien in directe eindbestemmingen waardoor, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden, sprake is van een m.e.r-beoordelingsplichtig plan. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn.

Wel is sprake van een activiteit die is opgenomen in onderdeel D van het Besluit m.e.r., namelijk: ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject.’ Aangezien hier in dit geval sprake van is dient te worden getoetst of sprake is van m.e.r-beoordelingsplicht. Hier is sprake van indien de activiteiten de volgende drempelwaarden uit onderdeel D overschrijden: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden (2000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat de in voorliggend bestemmingsplan besloten ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.rbeoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 9 bij deze toelichting. Uit deze notitie blijkt dat voorliggend bestemmingsplan geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt.

Opgemerkt wordt dat nadat het ontwerpbestemmingsplan ter inzage heeft gelegen een aantal aanvullende onderzoeken zijn uitgevoerd en onderzoeken zijn geactualiseerd. Ook hieruit blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.procedure noodzakelijk maakt. 5.8.3

Conclusie

Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen belangrijk nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

HOOFDSTUK 6

WATERASPECTEN

6.1

Vigerend beleid

6.1.1

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Streefdatum voor het bereiken van gewenste waterkwaliteit is 2015. Eventueel kan er, mits goed onderbouwd, uitstel (derogatie) verleend worden tot uiteindelijk 2027. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald. 6.1.2

Rijksbeleid

Het Rijksbeleid op het gebied van waterbeheer is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP) 2016-2021 (vastgesteld 17 december 2015). Het plan geeft op hoofdlijnen de ambities weer van het Rijk ten aanzien van het nationale waterbeleid en het daaraan gerelateerde ruimtelijke beleid. De belangrijkste ambities richten zich op waterveiligheid, zoetwater en waterkwaliteit. Maar ook de Deltabeslissingen en enkele waterafhankelijke thema’s als natuur en duurzame energie hebben in het plan een plek gekregen. De doorwerking van de beleidsambities/uitgangspunten naar lagere overheden is geregeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012), het Bestuursakkoord Water (2011) en de Waterwet (2009). 6.1.3

Provinciaal beleid

De Watervisie 2021 bevat het waterbeleid van de provincie Noord-Holland. In de Watervisie 2021 worden kaders gesteld voor wateropgaven in Noord-Holland. Dit is gedaan op basis van de thema’s veilig en schoon & voldoende. In het waterveiligheidsbeleid wordt landelijk een overstap naar een risicobenadering, waarbij ook het effect van een overstroming op het achterland wordt meegewogen. Met de waterpartners zorgt de provincie voor veilige dijken en keringen en met het waterrobuust inrichten van de omgeving en goede evacuatiemogelijkheden wordt het effect van een eventuele overstroming beperkt. Schoon en voldoende water is onmisbaar voor een gezonde, productieve en aangename leefomgeving en een soortenrijke natuur. De provincie zorgt ervoor dat het grond- en oppervlaktewater duurzaam kan worden gebruikt en dat voorraden zorgvuldig worden beheerd, zonder uitputting of verontreiniging. Diepe, watervoerende lagen kunnen worden gebruikt voor energieopslag. 6.1.4

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen

6.2

Waterparagraaf

6.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.2.2

Watertoetsproces

6.2.2.1 Algemeen Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de normale procedure van de watertoets van toepassing is. Voor het volledige watertoetsresultaat wordt verwezen naar bijlage 10 bij deze toelichting. 6.2.2.2 Wateradvies en bijbehorende waterparagraaf Watersysteembeschrijving Het plangebied bevindt zich in het peilgebied van het waterlandsboezem met een streefpeil van NAP-1,56 meter. Het plangebied is vrijwel rondom begrenst met oppervlaktewater waarbij de west- en zuidzijde een hoofdwaterloop betreft. Aan de overzijde van de westelijk gelegen hoofdwaterloop ligt een regionale waterkering. De ontwikkeling bevindt zich echter buiten de beschermingszone A van deze regionale waterkering waardoor de kering geen invloed op de voorgenomen ontwikkeling heeft. Watercompensatie Om waterneutraal te ontwikkelen dient een eventuele toename van verharding en/of demping van een waterloop gecompenseerd te worden. De inschatting is dat de huidige situatie van de houthandel een groter verhard oppervlak heeft dan de toekomstige situatie met woonbestemming zodat er dus geen verhardingstoename is. Verder wordt er in het kader van voorgenomen ontwikkeling extra oppervlaktewater toegevoegd ten behoeve van ligplaatsen van bootjes.

Hiermee wordt de voorgenomen ontwikkeling minimaal waterneutraal uitgevoerd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Uiteindelijk is er voor de ontwikkeling (o.a. het graven van water) een watervergunning noodzakelijk waar de oppervlakten van verharding en water nader zijn uitgewerkt ten behoeve de waterboekhouding voor de polder. Riolering Uitgangspunt voor de riolering is een gescheiden stelsel waarbij het regenwater (vertraagd) wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater (via regenwaterstelsel of oppervlakkige afvoer). Om de doorstroming in de doodlopende secundaire/tertiaire waterloop aan de oost- en noordzijde te verbeteren adviseert het hoogheemraadschap om de regenwateruitlaten op (de kop van) deze waterloop te laten lozen. Het huishoudelijk afvalwater zal aangesloten moeten worden op het gemeentelijke rioolsysteem. Beheer en onderhoud In de bestaande situatie is het hoogheemraadschap onderhoudsplichtig voor de hoofdwaterloop aan de westen zuidzijde van het plangebied. Dit onderhoud betreft onderhoud op zuiverheid en onderhoud op afmetingen (baggeren). De waterdiepte in deze hoofdwaterlopen is circa 1 meter. De waterlopen aan de noord- en oostzijde van het plangebied zijn secundaire/ tertiaire waterlopen. Bij deze waterlopen is het onderhoud (zuiverheid en baggeren) voor de aangrenzend eigenaar.

Deze waterloop heeft in de bestaande situatie een leggerwaterdiepte van slechts 0,40 meter en zal in de praktijk waarschijnlijk slecht bereikbaar zijn voor varend onderhoud. In de planopzet is er langs deze ondiepe waterloop een verbreding van de waterloop voorzien ten behoeve van het aanleggen van bootjes. Deze verbreding biedt kansen om ook de waterdiepte te vergroten. Bij het verdiepen van de waterloop is het belangrijk dat de oevers stabiel blijven en de oeverbescherming zwaarder uitgevoerd gaat worden. Waterbodemkwaliteit Bij het verbreden en eventueel verdiepen van de waterloop is het belangrijk dat er geen vervuiling in contact met de waterloop komt waardoor de vervuiling kan uitlogen naar het oppervlaktewater. Kadastrale eigendommen HHNK De hoofdwaterlopen aan de west- en zuidzijde van het plangebied zijn tevens kadastraal eigendom van het hoogheemraadschap. Dit betreft de percelen: LMR02M11 en LMR02M111. Uitgangspunt voor de ontwikkeling moet zijn dat deze percelen water blijven en de oeverbescherming op de kadastrale grens wordt geplaatst. Oeverinrichting Positief van het plan is dat er veel openbare oevers langs de waterlopen aanwezig zijn waardoor het uitvoeren van onderhoud beter kan worden uitgevoerd en de beleving van het water wordt vergroot. Uitgangspunt voor particuliere steigers is een maximale afmeting van 6 bij 1 meter.

Indien de steigers op het eigendom van het HHNK worden aangebracht dienen hier nadere afspraken over worden gemaakt met onze afdeling Grondzaken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

HOOFDSTUK 7 7.1

JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt bij het maken van de keuzes voor het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels door aan te geven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2

Opzet van de regels

7.2.1

Algemeen

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 7.2.2

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 7.2.3

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.:

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld • • • •

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouwhoogte, goothoogte etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde(n) mag afgeweken worden van de aangegeven bouwregels. Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn;

In paragraaf 7.3 wordt de bestemming nader toegelicht en wordt aangegeven waarom voor het plangebied voor deze bestemming is gekozen. 7.2.4

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 8) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van (bijvoorbeeld) een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 9) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven. In dit artikel staan bepalingen opgenomen omtrent bestaande afmetingen en het ondergronds bouwen. Algemene gebruiksregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Hierin is opgenomen dat het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor de aanleg van een paardenbak niet is toegestaan, met uitzondering van bestaande paardenbakken. Algemene afwijkingsregels (Artikel 11) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om onderdelen van de regels in het bestemmingsplan te wijzigen.

Overige regels (Artikel 13) In dit artikel zijn bepalingen ten aanzien van het realiseren van voldoende parkeergelegenheid opgenomen. 7.2.5

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In het overgangsrecht is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

7.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Groen (artikel 3) De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor groenvoorzieningen, fiets- en wandelpaden, ontsluiting van aangrenzende gronden, parkeervoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ter plaatse mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde worden gebouwd.

Verkeer (artikel 4) De voor ‘Verkeer’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wegen met een functie voor het doorgaande verkeer en de ontsluiting van aanliggende gronden, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, openbare nutsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en/of overkappingen worden gebouwd. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, ander dan voor de verkeerstechnische uitrusting, mag niet meer dan 3 meter bedragen.

Water - 1 (artikel 5) De voor ‘Water – 1’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wateren met doorzichten, oppervlakte water en openbaar bevaarbaar water, waterlopen ten behoeve van wateraanvoer en –afvoer en waterberging, aanlegplaatsen voor pleziervaartuigen en bruggen. Ten aanzien van de aanlegplaatse voor pleziervaartuigen geldt dat deze binnen de bestemming ‘Water – 1’ uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van water – aanlegplaats’, met dien verstande dat: • •

het aantal aanlegplaatsen niet meer mag bedragen dan 20; bedrijfsmatige verhuur van pleziervaartuigen niet is toegestaan;

Voor bouwwerken geen gebouwen en geen overkappingen zijnde geldt dat de bouwhoogte van bruggen niet meer mag bedragen dan 5,5 meter en de doorvaarthoogte niet minder dan de bestaande doorvaarhoogte.

Wonen - 1 (artikel 6) De voor ‘Wonen – 1’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen in de vorm van appartementen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het bouwvlak gebouwd dienen te worden. Door middel van aanduidingen is aangegeven hoeveel appartementen er zijn toegestaan (10) en de maximaal toelaatbare bouwhoogte. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Hierbij is aangesloten op de regels van het “Bestemmingsplan Het Lint 2015”. Aanvullend zijn er regels opgenomen voor balkons. Zo zijn balkons uitsluitend toegestaan ter plaatse van de ‘specifieke bouwaanduiding – balkon’ en is per appartement maximaal 1 balkon toegestaan. Tot slot is in de bouwregels opgenomen dat bij het bouwen een lichtplan overlegd waaruit blijkt dat de lichtbelasting op grens van de aanduiding 'overige zone - lichtuitstraling' niet meer bedraagt dan 1 lux, dan wel niet meer dan de bestaande lichtbelasting indien deze meer bedraagt. Tot slot is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het treffen van inrichtingsmaatregelen ter bescherming van het foerageergebied van vleermuizen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld Wonen - 3 (artikel 7) De voor ‘Wonen – 3’ aangewezen gronden zijn onder andere bestemd voor wonen in de vorm van grondgebonden woningen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen of bedrijven. Voor hoofdgebouwen geldt dat deze binnen het bouwvlak gebouwd dienen te worden. Door middel van aanduidingen is aangegeven hoeveel woningen er zijn toegestaan, de maximale goothoogte, de maximale bouwhoogte en de maximale oppervlakte van een hoofdgebouw. Daarnaast zijn bouwregels opgenomen ten aanzien van de bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Tot slot is in de bouwregels opgenomen dat bij het bouwen een lichtplan overlegd waaruit blijkt dat de lichtbelasting op grens van de aanduiding 'overige zone - lichtuitstraling' niet meer bedraagt dan 1 lux, dan wel niet meer dan de bestaande lichtbelasting indien deze meer bedraagt. Tot slot is in de specifieke gebruiksregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van het treffen van inrichtingsmaatregelen ter bescherming van het foerageergebied van vleermuizen.

Waarde – Archeologie 1 (artikel 8) De voor ‘Waarde – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen (basisbestemming) mede bestemd voor behoud en/of herstel van de aan deze gronden eigen zijnde archeologische/cultuurhistorische waarde(n).

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico van planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten worden verhaald middels een anterieure overeenkomst en de legesverordening, waardoor het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

HOOFDSTUK 9 9.1

Vooroverleg

9.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG EN INSPRAAK

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 9.1.2

Provincie Noord-Holland

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is het voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Noord-Holland. De provincie Noord-Holland heeft aangegeven dat vanuit ruimtelijke kwaliteit het wenselijk is dat het groene karakter en de natuurvriendelijke inrichting van de oever aan de zuidzijde van het plangebied wordt vastgelegd. Hiertoe is aan de zuidzijde, langs de oevers, de bestemming ‘Groen’ toegekend. Met inachtneming van het vorenstaande gaat de provincie akkoord met het voorliggende bestemmingsplan. 9.1.3

Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier

In het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben ertoe geleid dat de zogenoemde ‘normale procedure’ van toepassing is op de in dit plan voorgenomen ontwikkeling. In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft advies uitgebracht wat heeft geleidt tot de waterparagraaf zoals opgenomen in 6.2.2.2. Daarnaast wordt op advies van het Hoogheemraadschap de noordelijk gelegen watergang verdiept tot 1,0 meter om een goede doorvaart van bootjes mogelijk te maken. Dit in verband met de beoogde aanlegplaatsen aan de noordzijde van het plangebied.

9.2

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In het voorliggende geval wordt geen voorontwerp bestemmingsplan ter inzage gelegd.

9.3

Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 11 november 2020 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze inzagetermijn zijn er 5 zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de ‘Nota beantwoording zienswijzen’ zoals opgenomen in bijlage 11. De binnengekomen zienswijzen hebben aanleiding gegeven om het bestemmingsplan op een aantal punten te wijzigen. Kortheidshalve wordt hiervoor verwezen naar de ‘Nota beantwoording zienswijzen’. Aangezien er wijzigingen zijn doorgevoerd in de regels en verbeelding is het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING Bijlage 1:

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 2:

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 3:

Akoestisch onderzoek industrielawaai

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

59

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 4:

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

60

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 5:

Effectbeoordeling Natura 2000

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

61

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 6:

Quickscan natuurwaardenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

62

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 7:

Vleermuisonderzoek en effectbeoordeling vleermuizen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

63

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 8:

Archeologisch bureauonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

64

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 9:

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

65

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 10:

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

66

Bestemmingsplan Den Ilp 14-16 Vastgesteld

Bijlage 11:

Nota beantwoording zienswijzen

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

67

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=90e9e2e8-4e80-412d-af56-e2354585596d