9311-2023 RIB bijlage - Ontwerp Natura 2000-beheerplannen
Tekst van het document
KRW-maatregelen die bijdragen aan de Natura 2000-doelen zijn dan ook opgenomen als Natura 2000-maatregel (zie tabel 27). Andersom biedt 4
Verkennende vragen worden in het kader van het programma natuurherstel in samenwerking met Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier opgepakt.
45/98
uitvoering van de Natura 2000-maatregelen ook extra kansen voor het realiseren van de KRW-doelen voor bijvoorbeeld de oevervegetatie en macrofauna- en visgemeenschap. Werkenderwijs leren Verbetering van de kwaliteit van het watersysteem is niet alleen in dit gebied maar in heel Laag Holland een uitdagende opgave. Om de effectiviteit van maatregelen goed in beeld te krijgen en werkenderwijs te leren is monitoring dan ook onderdeel van het maatregelpakket voor waterkwaliteit (zie tabel 27). Het is verder wenselijk dat de waterbeheerder en de natuurbeheerders regelmatig informatie uitwisselen over maatregelen en de ontwikkeling van de waterkwaliteit. Het verdient aanbeveling de ervaring in vergelijkbare gebieden als bijvoorbeeld het Natura 2000-gebied Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, waar vergelijkbare problematiek speelt en vergelijkbare maatregelen worden genomen, hier eveneens bij te betrekken. Tabel 27.
Maatregelen voor de verbetering van de kwaliteit van het watersysteem
Deelgebied
Maatregel
Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld
Identificeren kerngebied Bij start van de waterkwaliteitsverbetering tweede en verlanding (inclusief beheerplanperiode uitvoeren monitoring)*
kerngebieden Opstellen uitvoeringsplan waterkwaliteitsverbetering voor kerngebieden en verlanding waterkwaliteitsverbetering en verlanding*
kerngebieden waterkwaliteitsverbetering en verlanding kerngebieden waterkwaliteitsverbetering en verlanding
Toelichting
Frequentie
Financieringsbron
Ilperveld: 350 ha Oostzanerveld: 200 ha Varkensland: 150 ha
Eenmalig
Programma Natuur/ Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027 Programma natuur/ Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027
In dit uitvoeringsplan worden de maatregelen die voor de kerngebieden worden benoemd verder uitgewerkt
Eenmalig
Aanpassing (waaronder reductie) bemesting
Eenmalig
Isolatie van de kerngebieden door waterhuishoudkundige maatregelen*
Ilperveld: 350 ha Oostzanerveld: 200 ha Varkensland: 150 ha
kerngebieden Visstandsbeheer waar waterkwaliteitsverbetering nodig* en verlanding
kerngebieden Hoog dynamisch slootpeil waterkwaliteitsverbetering door vasthouden en verlanding regenwater*/**
kerngebieden Vooroeververdediging waterkwaliteitsverbetering en verlanding
kerngebieden Monitoring waterkwaliteit waterkwaliteitsverbetering (inclusief nulmonitoring)* en verlanding
Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld (inclusief de kerngebieden
Omvang
Aangepast maaibeheer van oevers en watergangen: uitlopende
Om afkalving te voorkomen en ruimte voor ontwikkeling van de oeverzone te stimuleren In afstemming met KRW monitoring
Dit is ook een KRW-maatregel
Eenmalig
Programma natuur/ Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027 Eén keer in de Programma natuur/ tweede Regionaal beheerplanperiode Waterprogramma Noord-Holland 20222027 Programma natuur/ Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027 Eenmalig Programma natuur / Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027 Conform op te stellen monitoringsplan
Jaarlijks
Programma natuur/ Regionaal Waterprogramma Noord-Holland 20222027 KRW-maatregelen Hoogheemraadschap Hollands
46/98
Deelgebied
Maatregel
waterkwaliteitsverbetering oevervegetatie en en verlanding) verlandingsvegetaties waar mogelijk laten staan* Ilperveld, Varkensland en afrasteren van Oostzanerveld (inclusief oevers om de inloop van de kerngebieden vee tegen te gaan en waterkwaliteitsverbetering vegetatiegroei op en verlanding) gang te brengen
Ilperveld, Varkensland en uitvoeren actief Oostzanerveld (inclusief vegetatiebeheer* de kerngebieden waterkwaliteitsverbetering en verlanding)
Toelichting
Omvang
Frequentie
Financieringsbron Noorderkwartier 20222027
Dit is ook een KRW- maatregel. Maatregel ter beperking van de oeverafkalving en ontwikkeling van de oeverzone Dit is ook een KRW maatregel. Uitvoering door aanplant rietstekken. Ter stimulering van de ontwikkeling van de oevervegetatie, waarmee afkalving verder kan worden beperkt.
Eenmalig
KRW-maatregelen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 20222027
Jaarlijks
KRW-maatregelen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 20222027
* gezamenlijk nader uit te werken door HHNK en beheerders/ ** Van Diggelen et al., 2013.
47/98
5
Huidig gebruik en vergunningverlening
5.1
Uitgangspunten en definities
In dit hoofdstuk is weergegeven hoe het huidig gebruik getoetst is op het effect op de Natura 2000-doelen voor dit gebied. Nieuwe activiteiten worden niet in het beheerplan beoordeeld maar moeten worden getoetst aan de Natura 2000instandhoudingsdoelen. Indien negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, moet een vergunningprocedure in het kader van de Wet natuurbescherming worden doorlopen (zie verder paragraaf 2.2). Om te bepalen of de realisatie van de doelstellingen wordt belemmerd door menselijke activiteiten in het gebied is het ‘huidige’ gebruik geïnventariseerd en getoetst (zie bijlage 3). De conclusies van de toetsing zijn weergegeven in paragraaf 5.2. Voor het huidige gebruik kan deze toetsing worden gezien als een ‘voortoets’; als significante effecten van het gebruik zijn uitgesloten, kan het gebruik ongewijzigd en vergunningvrij worden voortgezet. Voor het gebruik waarbij effecten niet (van te voren) zijn uit te sluiten geldt dat dit gebruik óf vergunningplichtig is óf onder bepaalde voorwaarden uitgevoerd moet worden. Daarnaast kan (huidig) gebruik ook zogenaamd ‘bestaand gebruik’ zijn (zie tekstkader 2). Tekstkader 2. Bestaand gebruik: wat is het en wanneer is een vergunning nodig? Sinds 1 januari 2020 definieert de Wet natuurbescherming ‘bestaand gebruik’ niet meer.
Uit diverse Nederlandse en Europese jurisprudentie valt af te leiden dat ‘bestaand gebruik’ is ‘activiteit met een toestemming op de Europese referentiedatum’. Bij een toestemming kan het gaan om een natuurvergunning maar ook om een milieuvergunning of andere toestemming. De referentiedatum is de datum waarop het Natura 2000-gebied onder de bescherming van de Habitatrichtlijn (92/43/EEG) is gekomen. Dit geldt ook voor gebieden die op grond van de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) zijn aangewezen. Voor Habitatrichtlijngebieden geldt de datum waarop het gebied op de lijst van gebieden van communautair belang is geplaatst als referentiedatum. Voor de meeste Habitatrichtlijngebieden is dat 7 december 2004. Voor enkele Habitatrichtlijngebieden geldt een latere datum. Voor Vogelrichtlijngebieden geldt de datum waarop het gebied is aangewezen als referentiedatum, tenzij die datum voor 10 juni 1994 ligt. In dat geval is 10 juni 1994 de referentiedatum. Een complete lijst van de te hanteren referentiedata per Natura 2000-gebied is te vinden op de website van BIJ12. Bestaand gebruik is in principe vergunningvrij wanneer het gebruik rechtmatig plaatsvindt en sinds de referentiedatum ongewijzigd plaatsvindt. Ook een wijziging van bestaand gebruik, dat enige maar geen significante gevolgen heeft, is vergunningvrij toegestaan.
Voor gewijzigd gebruik of gebruik dat wisselt in omvang, locatie en/of tijdstip geldt wel een vergunningplicht bij mogelijk significante effecten op de Natura 2000-doelen. Bij de vergunningverlening worden dan alleen de effecten beoordeeld van de wijzigingen in het gebruik sinds de referentiedatum waarbij voor wat betreft stikstof de laagst vergunde emissie het uitgangspunt vormt. Het is niet altijd mogelijk om aan te tonen dat sprake is van al dan niet gewijzigd gebruik. Daarom zijn in dit beheerplan alle (menselijke) activiteiten die in en om het gebied plaatsvinden getoetst. Dit noemen we het ‘huidig gebruik’. Als in het beheerplan is beoordeeld dat het gebruik geen effecten op Natura 2000-doelen heeft als het wordt uitgevoerd zoals in het beheerplan omschreven, is het gebruik in beginsel vergunningvrij gedurende de looptijd van het beheerplan.
Europese referentiedatum Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is Vogelrichtlijngebied én Habitatrichtlijngebied. Voor het Habitatrichtlijngebied geldt 7 december 2004 als referentiedatum voor de bescherming van soorten en habitattypen die onder de
48/98
Habitatrichtlijn vallen, omdat op die datum de lijst met gebieden van communautair belang, waaronder Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, is vastgesteld door de Europese Commissie. Voor Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske als Vogelrichtlijngebied geldt 24 maart 2000 als referentiedatum zijnde het moment van aanwijzing onder de Vogelrichtlijn (zie paragraaf 1.1). De effecten van het huidig gebruik zijn beoordeeld ten opzichte van de referentietoetsingsdatum 24 maart 2000. Deze datum is hiermee impliciet ook van toepassing op de doelen voor het Habitatrichtlijngebied, dat hiermee ruimtelijk grotendeels overlapt.
5.2
Toetsing huidig gebruik
Bij de inventarisatie en toetsing van het huidige gebruik in en om Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske zijn alle bekende activiteiten meegenomen. De inventarisatie en resultaten van de toetsing zijn opgenomen in bijlage 3. Uitgangspunt voor de toetsing van deze activiteiten is dat deze realisatie van de Natura 2000-doelen niet in de weg mogen staan. Het gebruik is in verband met de juridische gevolgen voor toestemming ingedeeld in categorieën (zie tekstkader 3). Deze indeling wordt in alle Natura 2000beheerplannen in Noord-Holland gehanteerd. De resultaten van de toetsing zoals beschreven in bijlage 3 zijn samengevat in tabel 28. In bijlage 3 zijn -voor zover van toepassing- de specifieke voorwaarden bij de huidige activiteiten weergegeven. Tekstkader 3. Indeling van huidig gebruik in categorieën 1 Vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden Onder deze categorie vallen vergunningplichtige activiteiten waarvoor het beheerplan als vrijstelling van de vergunningplicht geldt zonder dat specifieke voorwaarden nodig zijn. Dit betreft activiteiten met mogelijk significante gevolgen, waarbij uit een passende beoordeling is gebleken dat geen significante effecten zullen optreden. Voor deze activiteiten geldt de generieke voorwaarde dat de activiteiten niet in betekenende mate mogen wijzigen, anders ‘herleeft’ de vergunningplicht.
2 Vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden Voor bepaalde vergunningplichtige activiteiten geldt het beheerplan eveneens als vrijstelling van de vergunningplicht, maar alleen indien specifieke voorwaarden opgevolgd worden. Dit betreft activiteiten met mogelijk significante gevolgen, waarbij uit een passende beoordeling is gebleken dat er geen significante effecten zullen optreden, mits specifieke voorwaarden opgevolgd worden. Houdt men zich niet aan deze voorwaarden of wijzigen de activiteiten in betekenende mate, dan ‘herleeft’ de vergunningplicht. 3 Activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig zijn en blijven Voor deze activiteiten vormt het beheerplan geen vrijstelling van de vergunningplicht. Deze activiteiten blijven dus gewoon vergunningplichtig. Vergunninghouders moeten zich aan de voorwaarden van de vergunning houden, anders wordt artikel 5.3, lid 4 van de Wet natuurbescherming overtreden. Na het verstrijken van de geldigheid van de vergunning zal opnieuw een vergunningprocedure gestart moeten worden. 4 Activiteiten die in huidige vorm of onder voorwaarden niet vergunningplichtig zijn Voor deze activiteiten geldt dat in dit beheerplan met een voortoets is bekeken of bij de uitvoering van de activiteit een negatief effect kan ontstaan.
Voor sommige activiteiten geldt dat effecten kunnen worden uitgesloten als de activiteiten op dezelfde wijze worden voortgezet. Voor andere activiteiten gelden voorwaarden. Deze activiteiten zijn onderverdeeld in twee categorieën, 4a en 4b.
49/98
4a Niet vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden Dit zijn de activiteiten die in hun huidige vorm niet vergunningplichtig zijn én geen of geen negatieve effecten hebben op het bereiken van de Natura 2000-doelen. Deze activiteiten hebben over het algemeen geen relatie met de Natura 2000-doelen. Er zijn dan ook geen beperkingen of maatregelen nodig, mits de activiteiten op dezelfde wijze worden voortgezet. Ook de (beheer)maatregelen die voor Natura 2000-doelen worden getroffen kunnen zonder vergunning plaatsvinden en worden ingedeeld in deze categorie. 4b Niet vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden Hieronder vallen alle activiteiten die – ten tijde van de toetsing en in de huidige vorm – op zichzelf geen significant effect hebben op de Natura 2000-doelen, maar die bij autonome ontwikkeling en/of in combinatie met andere activiteiten en/of zonder specifieke voorwaarden wel een negatief (rest-)effect kunnen hebben. Hiervoor worden in het beheerplan inhoudelijke voorwaarden opgenomen waardoor deze effecten worden voorkomen.5 Ook het (juridische) bestaand gebruik zoals omschreven in tekstkader 2 kan onder deze categorie vallen.
Tabel 28.
5
Samenvatting van de toetsing van het huidige gebruik op basis van de beschrijving en toetsing in bijlage 3. De categorieën zijn in kader 3 beschreven
Omschrijving van het huidige gebruik
Beoordeling categorie
Regulier natuurbeheer
4b
Monitoring en onderzoek in het kader van natuurbeheer
4b
Faunabeheer en schadebestrijding (vos, muskusrat en beverrat)
4b
Faunabeheer en schadebestrijding (ganzen en nijlgans)
2
Vigerend peilbeheer (met uitzondering van de toepassing van de zakkingsclausule)
4a
Onderhoud, kleinschalig schonen en baggeren van oppervlaktewateren
4b
Kleinschalig onderhoud waterhuishoudkundige werken
4b
Monitoring en ecologisch onderzoek in het kader van waterbeheer
4b
Vaarrecreatie en overige waterrecreatie
4b
Fietsen, wandelen, paardrijden en uitlaten van honden
4b
Zwemmen en duiken
4b
Schaatsen
4b
Gebruik bestaande verblijfsaccommodatie en bestaande recreatievoorzieningen
4a
Evenementen
3
Houden en verzorgen van dieren
4b
Daar waar deze voorwaarden niet altijd direct juridisch afdwingbaar zijn, biedt de Wet natuurbescherming en overige regelgeving een (aanvullend) juridisch instrumentarium waarmee handhaving in voldoende mate kan plaatsvinden. Er kunnen voor huidig gebruik passende maatregelen op basis van art. 2.4 (lid 1 en 3) Wet natuurbescherming worden opgelegd en er kan worden gehandhaafd op de zorgplicht van art. 1.11 Wet natuurbescherming. In sommige gevallen zal het niet naleven van voorwaarden bovendien alsnog tot een overtreding van art. 2.7 Wet natuurbescherming kunnen leiden.
50/98
Omschrijving van het huidige gebruik
Beoordeling categorie
Beweiding
4b
Bemesting
4b
Beregening en overige kleine wateronttrekkingen
4b
Grond/gewasbewerking (uitgezonderd scheuren van blijvend grasland in Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld en achterstallig of grootschalig onderhoud)
4b
Gebruik bestrijdingsmiddelen
4b
Weg-, vaar- en treinverkeer
4a
Regionaal vliegverkeer
4b
Landen van luchtballonnen
3
Beroepsvisserij
4b
Sportvisserij
4b
Wonen
4a
Werken
4a
Dronegebruik voor toezicht, monitoring en beheer
4b
Recreatief dronegebruik
3
51/98
6
Financiering
6.1
Kosten
Voor een deel van de in dit beheerplan opgenomen natuurherstelmaatregelen voor habitattypen zijn gelden aangevraagd en toegekend in het kader van Herstelmaatregelen 2.0 of Programma Natuur (zie tabel 29). De kosten voor de maatregelen voor vogelsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en een deel van de maatregelen voor habitattypen zijn nog niet geraamd en gedekt. De in dit beheerplan opgenomen maatregelen worden bovenop het reguliere beheer uitgevoerd. Regulier beheer wordt voornamelijk uitgevoerd door de terreinbeheerders (Staatsbosbeheer, Recreatie Noord-Holland, Landschap Noord-Holland en particuliere terreinbeheerders) en gefinancierd uit het subsidiestelsel Natuur en Landschap. Tabel 29.
Overzicht van aangevraagde middelen ten behoeve van Natura 2000natuurherstelmaatregelen in de tweede beheerplanperiode in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske.
Financieringsbron
Bedrag
Herstelmaatregelen 2.0
Ilperveld € 970.000,00 Varkensland en Oostzanerveld € 534.375,00
Programma Natuur
Deel van € 1.300.000,00* Ilperveld: € 800.00,00 (hydrologische maatregelen)** Varkensland en Oostzanerveld: ca. € 1.800.000,00 (hydrologische maatregelen)**
* Het gaat hier om de maatregel ‘verkenningen systeemherstel Laag Holland’, voor alle Laag Hollandse Natura 2000-gebieden/** de hydrologische maatregelen hebben naar verwachting ook een positief effect op de waterkwaliteit
In dit beheerplan zijn naast inrichtings- en beheermaatregelen extra onderzoeken en monitoring opgenomen waarvoor financiële middelen nodig zijn. In Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld is veel vaarland aanwezig. De huidige SNL-vergoeding is niet voldoende hoog om bijvoorbeeld maaisel af te voeren. Het is noodzakelijk voor een goede uitvoering van het reguliere beheer aanvullende middelen ter beschikking te stellen (zie ook paragraaf 4.1.6).. Dit is nodig voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen van de habitattypen vochtige heiden, veenmosrietlanden en ruigte en zomen en van de leefgebieden van de doelsoorten noordse woelmuis, meervleermuis, roerdomp, bruine kiekendief, snor en rietzanger.
6.2
Financiering
In het kader van het decentralisatie-akkoord tussen Rijk en provincies over het natuurbeleid (2011) zijn afspraken gemaakt over de beschikbare middelen voor aankoop, inrichting en beheer van het NNN en middelen voor aanvullende maatregelen voor Natura 2000, waaronder de stikstof-gerelateerde maatregelen. Daarboven zijn in het kader van het Programma Natuur (tranche 1 en 2) en Herstelmaatregelen 2.0 middelen beschikbaar voor herstelmaatregelen
52/98
voor Natura 2000 en voor een hoger doelbereik. Bovendien is afgesproken dat de provincies de middelen voor het NNN met prioriteit inzetten voor het halen van de Natura 2000-doelen. Naast de provinciale middelen besteedt Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier via de Kaderrichtlijn Water middelen aan waterkwaliteit en – kwantiteitsmaatregelen onder andere voor het bereiken van Natura 2000doelen. Voor financiering van Natura 2000-maatregelen kan ook een beroep worden gedaan op Life-subsidie vanuit Europa. Gaandeweg zal de financiering van de maatregelen duidelijk worden. Daarbij geldt dat bestaande provinciale budgetten niet zullen worden overschreden. De uitvoering van de meeste maatregelen vindt plaats door de terreinbeheerders (Landschap Noord-Holland, Recreatie Noord-Holland en Staatsbosbeheer) en door het hoogheemraadschap. Ook kleinere terreinbeheerders, zoals gemeenten en particulieren (waaronder agrariërs), kunnen natuurherstelmaatregelen uitvoeren. Dit wordt door de provincie financieel gefaciliteerd. Voor de onderzoeken en extra monitoring is de provincie over het algemeen verantwoordelijk. Voor de uitvoering van de reguliere monitoring (voor zover afgesproken in het kader van SNL) zijn de provincie en terreinbeheerders verantwoordelijk.
53/98
7
Handhaving
De provincie Noord-Holland is het bevoegd gezag voor de handhaving van de Wet natuurbescherming. Handhaving is nodig om het leefgebied van de soorten waarvoor een Natura 2000-doel is opgenomen te behouden. Deze taken worden namens de provincie/Gedeputeerde Staten van Noord-Holland door de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord (ODNHN) uitgevoerd. Naast de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord zijn er in Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland & Twiske ook nog andere handhavende instanties actief. Dit zijn onder andere gemeenten, politie, Staatsbosbeheer, Landschap Noord-Holland, Recreatie Noord-Holland en het hoogheemraadschap. De provincie heeft samen met deze partijen een handhavingsplan (2015-2020) opgesteld (Provincie Noord-Holland, 2015). Dit handhavingsplan is verlengd. Handhaving, afstemming en coördinatie van de handhaving is in Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland & Twiske een belangrijk punt van aandacht dat nader moet worden uitgewerkt.
7.1
Vormen van handhaving
Handhaving is geen doel op zich maar een middel om een doel te bereiken. Voor de provincie zijn voorlichting, toezicht en mediation belangrijke instrumenten om gebruikers, bewoners en bezoekers van het gebied te informeren over de maatregelen om de natuur in dit gebied te beschermen en de naleving van de regelgeving te bevorderen. Indien nodig zal de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord bij overtreding van de regelgeving handhavend optreden. De toezichthouders en/of buitengewoon opsporingsambtenaren van de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord kunnen zowel bestuurlijk als strafrechtelijk optreden. De afweging om op een bepaalde manier handhavend op te treden maken zij op basis van de ernst en het effect van de overtreding, het motief van de overtreder, afspraken die vastgelegd zijn in nalevingsstrategieën en afspraken met justitie (strafrechtelijke handhaving). Bij overtreding van het gestelde in de Wet natuurbescherming (Wnb) of bij het niet voldoen aan de voorschriften gesteld in een Wnb-vergunning (of bij een omgevingsvergunning afgegeven door de gemeente waarvoor de Gedeputeerde Staten een verklaring van geen bezwaar (VVGB) in het kader van de Wet natuurbescherming hebben afgegeven) kan toezichthoudend en handhavend worden opgetreden door het bevoegd gezag.
7.2
Relatie met andere wetgeving
Naast de Wet natuurbescherming is er in dit gebied een groot aantal andere wetten en regels van toepassing waarvoor verschillende handhavende instanties bevoegd gezag zijn. De samenwerking tussen deze handhavende instanties is nader uitgewerkt in het handhavingsplan Laag Holland 2015-2020 (Provincie Noord-Holland, 2015). In dit plan zijn ook prioriteiten gesteld.
7.3
Wat betekent dit voor u?
Wanneer u handelingen wilt verrichten die in het beheerplan zijn opgenomen als vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming, of niet zijn opgenomen en wel mogelijk significant negatieve effecten op de Natura 2000doelen hebben, dan dient u een vergunning aan te vragen. Hiervoor kunt u contact opnemen met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord. Wanneer u
54/98
zonder vergunning handelt of de voorschriften uit het beheerplan of de vergunning niet respecteert, kan handhavend worden opgetreden. Wanneer u van mening bent dat er (mogelijk) een overtreding in het kader van de Wet natuurbescherming plaatsvindt, adviseren wij u contact op te nemen met de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord.
55/98
8
Sociaal-economische afweging
Een beheerplan Natura 2000 kan in algemene zin op verschillende manieren sociaal-economische gevolgen hebben. Er kunnen gevolgen zijn van de maatregelen, van beperkingen in het huidige gebruik en van beperkingen bij nieuwe activiteiten. Deze worden achtereenvolgens hieronder beschreven.
8.1
Gevolgen van maatregelen
De herstelmaatregelen zoals opgenomen in hoofdstuk 4 hebben op voorhand geen sociaal-economische gevolgen. De meeste maatregelen worden door terreinbeherende organisaties en het hoogheemraadschap uitgevoerd en zijn in overleg met de terreinbeherende organisaties en andere belanghebbenden tot stand gekomen. De nadere uitwerking en uitvoering van maatregelen vindt bovendien in overleg en afstemming met belanghebbenden plaats. Indien bij de uitvoering blijkt dat er zich toch sociaal-economische gevolgen zullen voordoen, dan zullen de maatregelen worden aangepast, opdat dergelijke gevolgen worden beperkt.
8.2
Gevolgen voor huidige gebruik
Uit de toetsing van het huidige gebruik in hoofdstuk 5 komt naar voren, dat de huidige activiteiten voortgezet kunnen worden. Voor een aantal activiteiten zijn ten opzichte van het eerste beheerplan voorwaarden ten aanzien van het gebruik benoemd (zie bijlage 3). Er zijn dan ook beperkte sociaal-economische gevolgen voor het huidige gebruik.
8.3
Gevolgen voor nieuwe activiteiten
Nieuwe activiteiten binnen het gebied die in aard en omvang verschillen van de huidige activiteiten kunnen beperkingen ondervinden wanneer zij habitattypen en leefgebieden van Habitat- en Vogelrichtlijnsoorten aantasten. Deze beperkingen zijn echter een gevolg van de aanwijzing als Natura 2000-gebied en de wettelijke regelingen, maar niet als gevolg van dit beheerplan. Nieuwe activiteiten binnen en buiten het gebied kunnen ook beperkingen ondervinden wanneer zij tot de uitstoot van meer stikstof leiden of zorgen tot andere effecten die binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied merkbaar zijn (bijvoorbeeld vervuiling, verstoring of verlaging van de grondwaterstand binnen het Natura 2000 gebied).
8.4
Schadevergoeding en compensatie inkomstenderving
Gezien het bovenstaande wordt niet verwacht dat belanghebbenden schade zullen lijden door dit beheerplan. Als een belanghebbende toch van mening is dat het beheerplan een maatregel bevat waardoor hij schade lijdt, kan hij op grond van artikel 6.3 van de Wet natuurbescherming een verzoek om schadevergoeding bij Gedeputeerde Staten indienen. De schade moet dan wel rechtstreeks veroorzaakt worden door het beheerplan en niet door de aanwijzing als Natura 2000-gebied op zich of een ander besluit. Daarnaast moet sprake zijn van schade waarvan het onredelijk zou zijn als de belanghebbende deze schade zélf moet dragen. De schade moet dan ook
56/98
vallen buiten het normale maatschappelijke risico. Gelet op het feit dat het Natura 2000-gebied al in 2004 is aangemeld, hadden belanghebbenden er bovendien rekening mee kunnen en moeten houden dat deze aanwijzing wellicht in de toekomst gevolgen zou kunnen hebben voor hun bedrijfsvoering of andere activiteiten. Eventuele schade zal dan ook vaak als ‘voorzienbaar’ worden beschouwd. Dergelijke voorzienbare schade komt in beginsel niet voor vergoeding in aanmerking.
57/98
9
Monitoring en onderzoek
9.1
Monitoring
Monitoring is nodig om vast te kunnen stellen hoe de Natura 2000-doelen zich ontwikkelen. Verder is monitoring nodig om vast te stellen of de in het beheerplan opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd en te kunnen beoordelen of deze het beoogde resultaat hebben. Al deze gegevens zijn nodig om tussentijds bij te kunnen sturen op maatregelen en dit beheerplan te kunnen evalueren en actualiseren aan het einde van deze beheerplanperiode. Monitoringsgegevens kunnen daarnaast worden gebruikt bij het beoordelen van vergunningaanvragen.
9.1.1
Monitorings- en evaluatiecyclus en verantwoordelijkheden
De monitoring- en evaluatiecyclus is samengevat in figuur 3. De volgende stappen zijn onderscheiden: -
-
Monitoring van habitattypen en soorten: het verzamelen van informatie in het veld. De provincie is verantwoordelijk voor de monitoring. Data: de verzamelde ecologische gegevens worden door de beheerders die de monitoring hebben uitgevoerd, aangeleverd aan de Nationale Databank Flora- en Fauna (NDFF). Informatie: het bewerken van de data ten behoeve van de analyses. Hiervoor is de provincie verantwoordelijk. Analyse: analyseren van de informatie in relatie tot de gestelde doelen. Ook hiervoor is de provincie verantwoordelijk. Rapportage: rapporteren van de conclusies aan de relevante ontvangers. Hiervoor is de provincie eveneens verantwoordelijk.
Figuur 3.
Monitoring- en evaluatiecyclus
Het Rijk is verantwoordelijk voor de periodieke algemene rapportages aan de Europese Commissie over de staat van instandhouding van de soorten en habitattypen op landelijk niveau.
58/98
9.1.2
Monitoring van instandhoudingsdoelen en effecten van uitgevoerde maatregelen
In bijlage 4 is op hoofdlijnen opgenomen welke monitoring nodig is om de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelstellingen in beeld te brengen. Voor de monitoring wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de bestaande SNL- en NEM-monitoring6. Bij de evaluatie van het eerste beheerplan is echter geconstateerd dat niet altijd voldoende gegevens beschikbaar waren om de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelen te kunnen volgen op basis van de bestaande monitoring (Van Dijk et al. 2021). De aanvullende monitoringsbehoefte die blijkt uit de beheerplanevaluatie is in bijlage 4 opgenomen. Bij de start van de tweede beheerplanperiode wordt verder uitgewerkt op welke wijze (waar, wat, door wie en wanneer) aan de monitoringsopgave wordt voldaan (zie ook tabel 28). Voor de Habitatrichtlijnsoorten bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad en meervleermuis en voor meerkoet is het uitvoeren van protocollair onderzoek naar aantallen en trends als maatregel in dit beheerplan opgenomen (zie hoofdstuk 4.2). De effectiviteit van maatregelen is niet altijd goed te evalueren met alleen bestaande monitoring. Daarom moeten de uitvoeringsplannen van maatregelen worden voorzien van een monitoringsparagraaf.
Hierin worden de meetdoelen geformuleerd en wordt geïnventariseerd of de bestaande monitoring voldoende is om aan de meetdoelen te voldoen en of aanvullende gegevens moeten worden verzameld. Het gaat hierbij om zowel ecologische als abiotische gegevens.
9.1.3
Monitoring van gebruik en vergunningverlening
Een inventarisatie van vergunningsaanvragen en vergunningen voor de Wet natuurbescherming geeft inzicht in wijzigingen van het gebruik en nieuwe activiteiten. Vergunningsaanvragen en vergunningen worden per Natura 2000gebied geregistreerd door de Omgevingsdienst NHN. Door registratie van handhavingsactiviteiten en overtredingen ontstaat eveneens zicht op het gebruik.
9.2
Onderzoek
Uit hoofdstuk 4 komt een onderzoeksopgave voor de tweede beheerplanperiode naar voren. De in hoofdstuk 4 genoemde onderzoeken zijn opgenomen in tabel 30. In overleg worden de onderzoeken door de terreinbeheerders geïnitieerd en uitgevoerd. De provincie neemt het initiatief voor het nader uitwerken van de monitoring van de instandhoudingsdoelen. In het boek ‘Groeiend veen in Laag Holland’ (Van ’t Veer, 2022) zijn concepten beschreven voor de ontwikkeling van veenvormende habitats in natuurterreinen in Laag Holland. De ‘Groeiend veen’-concepten beogen de regeneratie van veen door vernatting. Het vasthouden van schoon water is hier het leidend proces en kan in combinatie met afplaggen worden toegepast. In het proefproject ‘omhoog met het veen’ in Ilperveld zijn praktijkproeven met dit soort maatregelen uitgevoerd. De ‘Groeiend veen’-concepten beogen onder andere de realisatie van Natura 2000-doelvegetaties als veenmosrietlanden en 6
SNL-monitoring is monitoring die wordt uitgevoerd in het kader van het Subsidiestelsel Natuur- en Landschapsbeheer, NEM-monitoring is de monitoring die wordt uitgevoerd in het kader van het landelijke Netwerk Ecologische Monitoring (NEM).
59/98
moerasheide en Natura 2000-doelsoorten als noordse woelmuis, watersnip, roerdomp, blauwborst, bruine kiekendief en rietzangers. Bij aanvang van de tweede beheerplanperiode worden de concepten verder uitgewerkt tot maatregelen voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen. Het aanvalsplan grutto biedt mogelijk kansen voor de realisatie van de maatregelen voor kemphaan en heeft tevens meerwaarde voor niet-broedvogels als smient, slobeend en grutto. Tabel 30.
Onderzoeken voor de tweede beheerplanperiode
Onderzoek
Ten behoeve van Natura 2000-doelen
Nader uitwerken monitoring instandhoudingsdoelen
Meerwaarde voor
Deelgebied
Planning
Alle
Alle
Start tweede beheerplanperiode
Inventarisatie van kansen uitbreiding veenmosrietland door successie via bestaande jonge verlanding
Veenmosrietland
Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland
Start tweede beheerplanperiode
Onderzoek oorzaken oeverafslag en beperkte ontwikkeling van de oevervegetatie*
vochtige heiden, ruigten en zomen, veenmosrietlanden
Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld
Eerste helft tweede beheerplanperiode
Onderzoek aantallen en trends Habitatrichtlijnsoorten
kleine modderkruiper, bittervoorn, rivierdonderpad, meervleermuis
Alle
Eerste helft tweede beheerplanperiode
Onderzoek beperken verstoring door recreatie: verstoringsvrije zone zonder waterrecreatie rondom geschikt broedgebied
Roerdomp, bruine kiekendief
Twiske
Eerste helft tweede beheerplanperiode
Gebiedsbreed onderzoek naar ontwikkellocaties voor roerdompbiotopen. Gezamenlijk met Wormeren Jisperveld
roerdomp
Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld, Twiske
Start tweede beheerplanperiode
Onderzoek naar aantalsontwikkeling en voedselbeschikbaarheid in de drie deelgebieden, in de omgeving en in vergelijking met andere gebieden. Ook verstoringsdruk door recreatie daarin meenemen
meerkoet
Twiske, Varkensland en Oostzanerveld
Eerste helft tweede beheerplanperiode
Uitwerken ‘Groeiend veen’concepten tot maatregelen.
n.t.b.
Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld
Eerste helft tweede beheerplanperiode
alle Habitatrichtlijnsoorten, roerdomp en rietzanger, KRWdoelen
Rietzanger, snor, bruine kiekendief
n.t.b.
* Dit onderzoek wordt gezamenlijk uitgevoerd voor de gebieden Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder, Polder Westzaan en Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske
60/98
10 Literatuur Fennema, M. 2021. KRW-Maatregelen en Doelen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2022-2027. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, 1 april 2021. Gebiedsanalyse-92. 2017. PAS-gebiedsanalyse Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske (92). Groenendijk, J., R. van 't Veer, F. Smolders, J. van Diggelen en T. van den Broek. 2012. Waterkwaliteit, mestgift en weidevogels in Laag Holland. Analyse van waterkwaliteits- en weidevogeldoelstellingen in relatie tot bemestingCentre on Biological Diversity. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. 2021. KRW-maatregelen en doelen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2022-2027. Howison, R.A., H. Belting, J. Smart, M. Smart, R. Schukard, O. Thorup, T. Piersma, en International Wader Study Group. 2019. Meadowbirds on the horizon of southwest Friesland. International Wader Study Group (Easterein). Krijgsveld, K.L., B. Klaassen en J. van der Winden. 2022. Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Vogelbescherming Nederland, Zeist. Ministeries van LNV, I&W en BZK, 2022. Startnotitie Nationaal Programma Landelijk Gebied. Non, W.C., en J. Diemeer. 2020. SNL-monitoring Ilperveld - Kartering flora 2019. Inclusief 64 verspreidingskaarten. Natuurlijke zaken (Heiloo). Provincie Noord-Holland. 2015.
Handhavingsplan Laag Holland 2015-2020. Provincie Noord-Holland. 2016. Natura 2000 beheerplan Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske 2016-2022. Schmidt, A. M., A. van Kleunen, L. Kuiters, J. A. M. Janssen, R. J. Bijlsma, M. van Roomen, en T. van Vreeswijk. 2017. Advies over de Natura 2000doelensystematiek en Natura 2000-doelen : Een oriënterende studie ter onderbouwing van de evaluatie van de Natura 2000-doelensystematiek en Natura 2000-doelen. Wageningen Environmental Research (Wageningen). https://edepot.wur.nl/404086. Van Dam, H., en N.G. Jaarsma. 2020. Doelen op maat 4.1 - Systeemanalyse (hoofdrapport). Rapport in opdracht van Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Van der Hut, R.M.G. 2021. Twiske moerasherstel inrichtingsschetsen. Notitie bureau Altenburg & Wymenga
61/98
Van der Hut, R.M.G. 2022. Ecologisch beheerplan Het Twiske. A&W-rapport 20-450. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek (Feanwâlden). Van Diggelen, J., F. Smolders, L. Lamers, R. Hendriks, D. Kleijn, L. Turlings en P.-J. Westendorp. 2013. Onderzoek naar een duurzaam beheer van het Wormer- en Jisperveld. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en Vereniging Natuurmonumenten, 2013.04. Van 't Veer, R, en N. Dekker. 2015. Florakartering Ilperveld 2013-2014. Jisp: Van ’t Veer & De Boer, Ecologisch adviesbureau. Van ’t Veer, R., 2022. Groeiend veen in Laag Holland. Conceptversie 14 juni 2022 Van der Winden, J., en R. van Beusekom. 2015. Riet en ruimte voor de roerdomp. Vogelbescherming Nederland. Van Dijk, G., Van ’t Veer, R., Cusell, C. en M. van Ursem, 2022. Onderzoek naar herstelmaatregelen voor het behoud van brakke natuur in het Guisveld. Tussentijdse rapportage. Van Dijk, R., D. de Vries, A. Bucholc, H. Löwenhardt, J.-W. Wolters, en E. de Swart. 2021. Evaluatie Natura 2000 beheerplan Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Sweco Nederland B.V. Witteveldt, M. en R. van' t Veer, 2003. Evaluatie Natuurherstelproject Plan Watersnip: Ilperveld 1997-2003. Uitg. Agens Raadgevend Buro, Hoorn, 2003, 108 pags. + bijlagen. Wolters, J.W., van Dijk, R., Prins, L. en de Swart, E., 2022. Ecologische analyse Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske.
Opdrachtgever provincie Noord-Holland.
62/98
Bijlage 1 Samenstelling projectgroep en klankbordgroep Bij de totstandkoming van dit beheerplan zijn de volgende partijen betrokken geweest: ·
Projectgroep bestaande uit: o Staatsbosbeheer o Landschap Noord-Holland o Recreatie Noord-Holland o Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier o Gemeente Landsmeer o Gemeente Waterland o Gemeente Oostzaan o Gemeente Wormerland o Gemeente Zaanstad o Omgevingsdienst Noord-Holland Noord o Provincie Noord-Holland
·
Klankbordgroep bestaande uit: o LTO Noord o Rijkswaterstaat o Hart voor het Twiske o Platform Zaanse Veenweidegebieden o Faunabeheereenheid Noord-Holland
63/98
Bijlage 2 Kaartbijlage
Figuur 1.
Begrenzing van het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske. Kaart behorende bij aanwijzingsbesluit PDN/2013-092. De status Beschermd Natuurmonument is met de invoering van de Wet natuurbescherming in 2017 vervallen. De status van Varkensland als Beschermd Natuurmonument geldt dus niet meer. Blauw: Vogelrichtlijngebied (644 ha); Geel: Habitatrichtlijngebied (320 ha): Groen en bruin: Vogel- en Habitatrichtlijngebied (1589 ha)
64/98
Figuur 2.
Eigendomssituatie Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Tevens is de ligging van kwalificerend habitat aangegeven
65/98
Figuur 3.
Habitattypenkaart. T0-kaart, versie N2K_HK_92_20170908_v7_HR
66/98
Figuur 4.
Ambitiekaart uit het Natuurbeheerplan 2022
67/98
Bijlage 3 Beschrijving en toetsing van het huidige gebruik 1
Werkwijze
Deze bijlage bevat de beschrijving en beoordeling van het huidige gebruik. De effecten van het huidig gebruik worden beoordeeld ten opzichte van de referentietoetsingsdatum 24 maart 2000, zijnde het eerste moment van aanwijzing van het gebied als Vogelrichtlijngebied. Deze datum is hiermee impliciet ook van toepassing op de doelen voor het Habitatrichtlijngebied, dat hier ruimtelijk met uitzondering van het zuidelijke deel van Oostzanerveld mee overlapt. In het kader van de beoordeling is onderzocht in hoeverre het ‘huidig gebruik’ sinds deze datum heeft geleid tot effecten op de kwaliteit en omvang van habitattypen en leefgebieden van soorten waarvoor het gebied is aangewezen. ‘Huidig gebruik’ dat voor de referentietoetsingsdatum al aanwezig was zal in de regel geen invloed hebben op de verandering van de kwaliteit ten opzichte van de referentiedatum, tenzij het gaat om na-ijleffecten, die pas op de langere termijn optreden. In het eerste geval behoeft geen toetsing te worden uitgevoerd, in het tweede geval wel. ‘Huidig gebruik’ dat pas na 2000 gestart of gewijzigd is, kan wel een effect op omvang en/of kwaliteit hebben gehad en vormt het belangrijkste deel van de toetsing in dit hoofdstuk.
Activiteiten waarvoor reeds een vergunning is verleend in het kader van de Wet natuurbescherming behoeven uiteraard niet opnieuw te worden getoetst en worden in de toetsing dan ook buiten beschouwing gelaten. Illegale of verboden activiteiten worden niet getoetst en zijn dan ook verder buiten beschouwing gelaten in de beschrijving en toetsing van het huidige gebruik. De effecttypen waarop wordt getoetst zijn: vernietiging/fysieke aantasting, vermesting en verzuring, verontreiniging, vernatting/verdroging en verstoring door licht/geluid/beweging/betreding. De selectie van effecten uit de effectenindicator heeft plaatsgevonden op basis van de gevoeligheid van habitattypen en soorten waarvoor Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske is aangewezen als Natura 2000-gebied. In tabel 1 zijn de mogelijke relaties tussen de Natura 2000instandhoudingsdoelen en effecttypen weergegeven. De relaties zijn afgeleid van de effectenindicator7 aangevuld met conclusies uit diverse onderzoeken en expert judgement.
7
Effectenindicator LNV
68/98
Tabel 1.
Gevoeligheid van de Natura 2000-doelen voor effecttypen ( oranje = gevoelig, groen = niet/beperkt gevoelig), op basis van de Effectenindicator van het ministerie van LNV, onderzoeken en expert judgement
Effecttype
Vernietiging fysieke aantasting
Vermesting /Verzuring
Verontreiniging
Vernatting/ Verdroging
Verstoring door geluid/licht/ beweging
H3140 Kranswierwateren H6430B Ruigten en zomen H4010B Vochtige heide H7140B Overgangs- en trilvenen H91D0 Hoogveenbossen H1134 Bittervoorn H1149 Kleine modderkruiper H1163 Rivierdonderpad H1318 Meervleermuis H1340 Noordse Woelmuis A021 Roerdomp A081 Bruine kiekendief A151 Kemphaan A153 Watersnip A193 Visdief A292 Snor A295 Rietzanger A043 Grauwe gans A050 Smient A051 Krakeend A056 Slobeend A0125 Meerkoet A156 Grutto
69/98
Kader 1.
Inkadering van effecten van verstoring door geluid/licht/beweging van huidig gebruik op verstoringsgevoelige Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten
Diverse vormen van het huidige gebruik kunnen een verstorend effect hebben. Als deze verstoring al op de referentiedatum in het gebied aanwezig was en niet is toegenomen, dan kan er in het algemeen van uit worden gegaan dat het voorkomen van (leefgebieden van) verstoringsgevoelige soorten hieraan is aangepast. Voortzetting van dit huidige gebruik zal daarmee in de regel niet leiden tot negatieve effecten op de betreffende soorten. Dit geldt voor soorten die niet onder hun instandhoudingsdoelstelling zijn en/of geen negatieve trend vertonen. Van de voor het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske aangewezen soorten zijn vooral (broed)vogels gevoelig voor verstoring door geluid, licht en beweging. Verstoringsafstanden van vogels zijn deels onderzocht en gerapporteerd in o.a. Livezey et al. (2016) en Krijgsveld et al. (2022). Deze gevoeligheid is met name van belang voor broedvogels, die sterk plaatsgebonden zijn. Deze kunnen maar beperkt uitwijken, omdat geschikt habitat niet overal voorhanden is en zij gedurende het broedseizoen aan hun nestplaats gebonden zijn. Voor foeragerende en rustende niet-broedvogels zijn er in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske weliswaar uitwijkmogelijkheden maar moet eveneens worden getoetst of verstoring niet leidt tot effecten op de omvang van de populatie.
Voor de aangewezen (verstoringsgevoelige) broedvogelsoorten die zich onder hun instandhoudingsdoelstelling bevinden en/of soorten die negatieve aantalstrends laten zien geldt dat er maatregelen in het kader van het beheerplan worden opgesteld om de doelen te behalen door het treffen van maatregelen vanuit andere beleidskaders (bijvoorbeeld maatregelen in het kader van de Kaderrichtlijn Water kunnen leiden tot verbetering van waterkwaliteit, wat vervolgens bij zou kunnen dragen aan uitbreiding van leefgebieden van de roerdomp). Bij het uitwerken van de maatregelen, waaronder het bepalen van geschikte locaties waar nieuwe leefgebieden en habitatherstel kunnen worden gerealiseerd, wordt er rekening gehouden met het huidige gebruik binnen het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Ook de kwalificerende Habitatrichtlijnsoorten zijn gevoelig voor verstoring. Voor de meervleermuis, die het gebied uitsluitend tussen zonsondergang en zonsopkomst gebruikt om te foerageren, betreft het met name gevoeligheid voor lichtverstoring. De meervleermuis mijdt veelal sterk verlichte wateroppervlaktes (Spoelstra et al., 2017).
Op de plassen en vaarten, langs oevers en boven vochtige weilanden waar de meervleermuis veelal foerageert zal een groot deel van het oppervlakte onverlicht zijn, waardoor er voldoende onverstoord foerageergebied voor de meervleermuis aanwezig blijft voor het behoud van de huidige populatie. De kwalificerende vissoorten kleine modderkruiper, bittervoorn en rivierdonderpad zijn gevoelig voor geluidverstoring (Van Opzeeland et al., 2007). Deze gevoeligheid betreft vooral harde onverwachte geluiden die tot grote drukverschillen onderwater kunnen leiden, zoals heiwerkzaamheden. Ook langsvarende motorboten kunnen vissen verstoren, maar voor kleinere boten, zoals sloepen, geldt dat de effectafstand naar verwachting beperkt is en hiermee ook de gevoeligheid. Gevoeligheid van de noordse woelmuis voor verstoring door geluid, licht en beweging is naar verwachting beperkt. Zoogdieren lijken veelal beperkt gevoelig voor verstoring door geluid (Kleijn, 2008) en hoewel verlichting nachtelijke activiteit zou kunnen onderdrukken, is de afstand waarover dat een effect heeft veelal beperkt (Longcore & Rich, 2004, Spoelstra et al., 2015). Omdat de noordse woelmuis pas binnen enkele meters verstoord wordt, wordt deze als beperkt gevoelig beschouwd.
De toetsing van het huidige gebruik wordt beschreven per hoofdcategorie huidig gebruik. Per hoofdcategorie wordt een gegroepeerde beschrijving van mogelijke effecttypen weergegeven, toegespitst op de voor deze effecten gevoelige soorten en habitattypen en uiteindelijk te verwachten effecten. Indien geconcludeerd wordt dat er geen effecten zijn, dan geldt dat onder de aangegeven specificaties. In hoofdstuk 2 van deze bijlage is per hoofdcategorie huidig gebruik bij de toetsing aangegeven in welke categorie het betreffende gebruik valt: 1 Vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden 2 Vergunningplichtige activiteiten mét specifieke voorwaarden
70/98
3 Vergunningplichtige activiteiten die afzonderlijk vergunningplichtig zijn en blijven 4a Niet-vergunningplichtige activiteiten zonder specifieke voorwaarden 4b Niet-vergunningplichtige activiteiten met specifieke voorwaarden In hoofdstuk 5 van dit beheerplan zijn de categorieën nader omschreven.
2
Beschrijving en toetsing
2.1
Natuurbeheer
Regulier natuurbeheer Het natuurbeheer in het Natura 2000-gebied wordt voornamelijk uitgevoerd door Staatsbosbeheer (Oostzanerveld en Varkensland), Landschap NoordHolland (Ilperveld) en het Recreatieschap Twiske-Waterland (Twiske), veelal samen met agrariërs. Het reguliere natuurbeheer bestaat op hoofdlijnen uit maaien, begrazen, bestrijden exoten, verwijderen opslag, peilbeheer en rietbranden. Het gaat hierbij om regulier (jaarlijks) en periodiek beheer dat nodig is voor of direct verband houdt met het beheer van het Natura 2000-gebied. Deze activiteiten worden conform Gedragscode Natuurbeheer uitgevoerd. Voor rietbranden geldt bovendien dat het riet eerst gemaaid dient te worden en daarna buiten kwalificerend habitat en de uitbreidingslocaties verbrand dient te worden. Het deponeren van het maaisel mag alleen buiten de kwalificerende habitats en de uitbreidingslocaties. Voor maaien van rietland, zie paragraaf 2.3, kopje ‘Onderhoud, kleinschalig schonen en baggeren van oppervlaktewateren’. Maatregelen die nodig zijn voor of verbandhouden met het beheer van Natura 2000-gebieden zijn conform art. 2.7 lid 2 Wnb niet vergunningplichtig. De activiteiten in het kader van regulier natuurbeheer kunnen derhalve vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen, onder boven beschreven voorwaarde (Categorie 4b).
Monitoring en onderzoek in het kader van natuurbeheer De terreinbeheerders inventariseren het eigen beheergebied eens in de zes jaar in het kader van het SNL volgens de protocollen van BIJ12. Dit omvat een gerichte inventarisatie van kenmerkende flora en fauna (o.a. broedvogels, libellen, dagvlinders, sprinkhanen) eens per 6 jaar en vegetatiekartering eens per 12 jaar afhankelijk van de aanwezige beheertypen. Daarnaast zijn er landelijke en provinciale meetnetten, waarbinnen frequente monitoring plaatsvindt, o.a. een telling van overwinterende vogels volgens het protocol midwintertelling van Sovon. De terreinbeheerders doen verder onderzoek naar de meest geschikte locaties voor het uitvoeren van de natuurherstelmaatregelen. Daarnaast wordt er door derden (bijvoorbeeld universiteiten of vrijwilligers) met toestemming van en in overleg met de terreinbeheerders onderzoek gedaan. Het gaat bijvoorbeeld om flora- en vegetatieonderzoek, faunaonderzoek en hydrologische monitoring. Door rekening te houden met kwetsbare locaties van habitattypen en leefgebied van soorten en met kwetsbare perioden van verstoringsgevoelige soorten worden significante effecten van deze activiteiten voorkomen.
Voor activiteiten in het kader van monitoring en onderzoek geldt dat deze activiteiten door of onder toezicht van een terreinbeheerder worden uitgevoerd en in dat geval vergunningvrij kunnen plaatsvinden (categorie 4b).
71/98
Activiteit
Significante effecten uit te sluiten?
Categorie
Regulier natuurbeheer Monitoring en onderzoek in het kader van natuurbeheer
Ja, onder voorwaarden Ja, onder voorwaarden
4b 4b
2.2
Faunabeheer en schadebestrijding
Ganzen Schadebestrijding en populatiebeheer van ganzen binnen het Natura 2000gebied Ilperveld, Varkensland Oostzanerveld & Twiske vindt plaats door de uitvoering van verschillende activiteiten. Deze activiteiten zijn beschreven in het Faunabeheerplan Ganzen Noord-Holland 2021-20248, dat op 13 juli 2021 door GS is goedgekeurd. De activiteiten worden uitgevoerd op basis van: -
-
-
de door GS afgegeven provinciale ontheffing voor het populatiebeheer van grauwe gans, brandgans, grote Canadese gans (Branta canadensis) en kleinste Canadese gans (B. hutchinsii minima)9; de door GS afgegeven provinciale opdracht ten aanzien van de beperking van de populatie van de invasieve exoot nijlgans10; de landelijke vrijstelling ex artikel 3.15 van de Wnb, juncto artikel 3.1 van het Besluit natuurbescherming (Bnb) en artikel 3.1 t/m 3.4 van de Regeling natuurbescherming (Rnb) voor zover het betreft de grote Canadese gans (B. canadensis en B. hutchinsii hutchinsii) de provinciale vrijstelling ex artikel 315 van de Wnb, zoals opgenomen in artikel 4.7, 4.8 en 4.10 van de Omgevingsverordening NH202011 grauwe gans, brandgans en kolgans.
Uit de passende beoordeling gecoördineerd beheer ganzen Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (Hüsken en De Nijs, 2022) is gebleken dat negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen (habitattypen, Habitatrichtlijnsoorten, Vogelrichtlijnsoorten (broedvogels en niet-broedvogels)) kunnen worden uitgesloten bij uitvoering van de in tabel 2a genoemde activiteiten voor het beheer van de grauwe gans, brandgans, kolgans, Canadese gans (B. canadensis, B. hutchinsii hutchinsii en B. hutchinsii minima), nijlgans, inclusief verwilderde gedomesticeerde en hybride ganzen, in al hun verschijningsvormen, onder de in tabel 2b genoemde voorschriften en beperkingen. Koppel- en voorjaarsafschot en nazomerafschot wordt uitgevoerd met gebruikmaking van de volgende middelen: Hagelgeweer (kaliber 12), kogelgeweer (maximaal kaliber .243), geluiddemper en hond. Om op locatie te komen zal het Natura 2000-gebied met voertuigen en/of vaartuigen worden betreden. Tijdens het verplaatsen binnen het Natura 2000gebied wordt gebruik gemaakt van bestaande wegen en paden, waarbij kwetsbare habitattypen niet worden betreden. Ruivangsten worden uitgevoerd door te voet op het land, of met meerdere boten te water rustig ruiende ganzen op te drijven richting een op het land 8
Te vinden op https://fbenoordholland.nl/bibliotheek De ontheffing met kenmerk OD.357591, d.d. 1 februari 2022, geldig tot en met 31 januari 2024 10 De opdracht met kenmerk 1151887/1151928, d.d. 10 december 2018, geldig tot en met 30 november 2024 11 Zie https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR646089 9
72/98
opgebouwde vangkraal. Na de vangst worden ganzen in een container geleid waar ze worden gedood met behulp van CO2. De vanglocaties worden, voorafgaand in samenspraak met een ecologische deskundigen bepaald. De uitvoering van de activiteiten is in handen van een ‘Gecoördineerd Beheerteam’, wat onder de algehele coördinatie van de Faunabeheereenheid Noord-Holland staat. De uitvoering van de activiteiten wordt afgestemd met een ter zake ecologisch deskundige12. De in tabel 2a genoemde ganzenbeheeractiviteiten nestbehandeling, ruivangsten en (koppel)afschot (zie tabel 2a) kunnen voor zover getoetst in de passende beoordeling gecoördineerd beheer ganzen Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske (Hüsken en De Nijs, 2022) vergunningvrij worden uitgevoerd conform de in tabel 2b genoemde voorschriften en beperkingen. De tabel 2a-activiteiten zijn als vergunningvrij in het beheerplan opgenomen, waarbij het beheerplan de vergunning vormt (categorie 2). Op terreinen die in beheer zijn bij terreinbeheerders geldt steeds de voorwaarde dat faunabeheer en schadebestrijding door of in afstemming met de terreinbeheerder wordt uitgevoerd. Tabel 2a.
# 1
Ganzenbeheeractiviteiten, weergegeven per type, periode, tijd en soort. Soort: grauwe gans (1), brandgans (2), Canadese gans (groot en klein) (3), nijlgans (4) en verwilderde gedomesticeerde en hybride ganzen in al hun verschijningsvormen (5).
2
Maatregel Koppel- en voorjaarsafschot Nazomerafschot
3
Nestbehandeling
4
Ruivangsten
Tabel 2b.
Periode 1 februari t/m 30 april 1 augustus t/m 30 september 1 maart t/m 30 september 1 mei t/m 31 juli
Restricties 1 uur voor zonsopkomst tot 1 uur na zonsondergang 1 uur voor zonsopkomst tot 1 uur na zonsondergang Overdag
Soort 1,2,3,4, 5 2,3,4,5 1,2,3,4,5
Overdag
1,2,3
Voorschriften en beperkingen
Algemene voorschriften 1. Aan alle binnen de beschreven vrijgestelde activiteiten werkzame personen, waaronder het personeel van derden, dient een toereikende schriftelijke instructie te zijn verstrekt door de FBE die is gericht op het voorkomen en uitsluiten van activiteiten die tot gevolg (kunnen) hebben dat de hier genoemde voorschriften niet worden nageleefd. 2. Alle door of namens gedeputeerde staten gegeven aanwijzingen dienen onverwijld te worden opgevolgd. 3. Indien bij de uitvoering van de vergunde handelingen incidenten plaatsvinden waardoor onbedoeld schade aan het Natura 2000-gebied optreedt, waaronder ook het vrijkomen van schadelijke stoffen valt, dient hiervan onverwijld melding te worden gemaakt aan de Omgevingsdienst Noord-Holland Noord via postbus@odnhn.nl, onder overlegging van alle relevante gegevens. 4. De uitvoering van de activiteiten dient te worden afgestemd met een ter zake ecologisch deskundige12. De uitvoerder dient van deze afstemming een documentatie bij te houden 12
Onder een ecologisch deskundige verstaan we een persoon die in een bepaalde situatie en voor specifieke soorten gevraagd wordt te adviseren en/of begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. Hij voldoet aan een of meer van deze punten: · hij heeft een afgeronde hbo- of universitaire opleiding, met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; · hij heeft een afgeronde mbo-opleiding, met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; · hij is werkzaam voor een ecologisch adviesbureau, zoals een bureau dat is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; · hij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de soortenbescherming en is werkzaam of aangesloten bij de volgende Nederlandse organisaties: Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting
73/98
5.
waaruit duidelijk blijkt welke uitkomsten, afspraken of overige relevante informatie uit deze afstemming zijn gevormd. Onderstaande dient jaarlijks in ieder geval te worden afgestemd en geregistreerd: a) Jaarlijks dient voorafgaand aan de start van de activiteiten afstemming plaats te vinden omtrent de variatie in plas-drasgebieden en de daarbij behorende verwachte ‘hotspots’ van foerageer/pleister/slaapplaatsen van de grutto. b) Jaarlijks dient, voorafgaand aan de start van de activiteiten afstemming plaats te vinden omtrent de variatie in broedlocaties van de roerdomp en bruine kiekendief. c) Jaarlijks dienen de kaarten van de verstoringsvrije zones als bedoeld in voorschriften 11, 13, 21 en 27 te worden geactualiseerd. De documentatie en registratie zoals opgenomen in voorschrift 4 dient jaarlijks voor 1 februari van het betreffende kalenderjaar te worden verzonden naar het bevoegd gezag. Het dient verzonden te worden naar Natura2000@noord-holland.nl.
Habitattypen- en soorten 6. Habitattypen H4010B - Vochtige heiden (laagveengebied), H6430B - Ruigten en zomen (harig wilgenroosje), H7140B - Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) en H190D - Hoogveenbossen zoals weergegeven in figuur 3, bijlage 2 van dit beheerplan mogen bij de uitvoering van de vergunde activiteiten niet worden betreden. 7. Golfslag en aantasting van drijvende en/of onderwatervegetatie en verstoring van soorten dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Boten die voor het beheer en de schadebestrijding worden gebruikt dienen zich daarom met een snelheid van maximaal 5 km/u door het Natura 2000-gebied ‘Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske’ te verplaatsen. 8. Bij de uitvoering van de activiteiten wordt geen gebruik gemaakt van verlichting. Dit om verstoring van de meervleermuis te voorkomen. Voorschriften afschot 9. Nazomerafschot (van 1 augustus tot en met 30 september) dient niet te worden toegepast op de grauwe gans. 10. Koppel- en voorjaarsafschot van de grauwe gans dient enkel uitgevoerd te worden op standganzen. 11. Koppel- en voorjaarsafschot (februari t/m april) wordt niet uitgevoerd in de verstoringsvrije zones van de watersnip, kemphaan, slobeend en grutto, zoals weergegeven in figuur 5-1 op pagina 81 van de Passende Beoordeling (PB)13. Voor de slobeend geldt dit alleen tussen maart en april. 12.
Rondom de hotspots van de grutto, zoals vastgesteld op grond van voorschrift 4a, en de broedgebieden van de roerdomp en bruine kiekendief, zoals vastgesteld op grond van voorschrift 4b, dient koppel-, voorjaars- en nazomerafschot uitsluitend op meer dan 300 meter afstand te worden uitgevoerd. Voor de bruine kiekendief en de grutto geldt dit enkel in de maanden maart en april. 13. Nazomerafschot (augustus t/m september) wordt niet uitgevoerd in de verstoringsvrije zones van de slobeend en watersnip, zoals weergegeven in figuur 5-4 op pagina 84 van de PB. 14. In het deelgebied Twiske (zie figuur 1) dient het koppel- en voorjaarsafschot vanaf 1 februari tot en met 31 maart enkel plaats te vinden na zonsopgang en vóór zonsondergang. Dit om verstoring van smienten te voorkomen. 15. Bij afschot dient te allen tijde gebruik gemaakt te worden van een geluiddemper. 16. Uitvoering van afschot mag maximaal op 2 dagen per week plaatsvinden per deelgebied (zie figuur 1). 17. Er zijn bij afschot maximaal twee uitvoerders actief per deelgebied (zie figuur 1) en deze dienen gezamenlijk op te treden. 18. Uitvoering van afschot vindt in maximaal twee deelgebieden (zie figuur 1) tegelijk plaats, waarbij bij elk uitvoerend deelgebied in minimaal één aangrenzend deelgebied niet wordt uitgevoerd.
Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN, EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied; en/of hij zet zich aantoonbaar actief in op het gebied van de monitoring en/of bescherming. 13 Hüskens, K en de Nijs, N., 2022. Passende beoordeling gecoördineerd beheer ganzen Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. In opdracht van de Stichting Faunabeheereenheid NoordHolland. Datum 03-10-2022
74/98
19. Er worden per dag per deelgebied (figuur 1) maximaal 40 schoten genomen. Voorschriften nestbehandeling 20. Rondom de hotspots van de grutto, zoals vastgesteld in voorschrift 4a, en de broedgebieden van de roerdomp en bruine kiekendief, zoals vastgesteld in voorschrift 4b, dient nestbehandeling uitsluitend op meer dan 100 meter afstand te worden uitgevoerd. Voor de bruine kiekendief en grutto geldt dit enkel in de maanden maart en april. 21. Nestbehandeling dient niet worden uitgevoerd in de verstoringsvrije zones van de watersnip, snor, kemphaan, slobeend, grutto en visdief, zoals weergegeven in figuur 5-2 op pagina 82 van de PB. Voor de slobeend geldt dit enkel in de maanden maart, april, augustus en september. 22. Nestbehandeling ten tijde van voorjaars-, koppel- en nazomerafschot wordt uitsluitend uitgevoerd door de uitvoerders als bedoeld in voorschrift 17. 23. Nestbehandeling wordt in de periode van mei tot en met juli per deelgebied maximaal 3 dagen uitgevoerd. 24. Bij nestbehandeling in de periode van mei tot en met juli zijn maximaal twee uitvoerders actief per deelgebied (figuur 1) en deze dienen gezamenlijk op te treden. 25. Uitvoering van nestbehandeling in de periode van mei tot en met juli vindt in maximaal twee deelgebieden (zie figuur 1) tegelijk plaats, waarbij bij elk uitvoerend deelgebied in minimaal één aangrenzend deelgebied niet wordt uitgevoerd.