9311-2023 RIB bijlage - Ontwerp Natura 2000-beheerplannen
Tekst van het document
Voorschriften ruivangsten 26. Rondom de hotspots van de grutto, zoals vastgesteld op grond van voorschrift 4a, en de roerdomp, zoals vastgesteld op grond van voorschrift 4b, dienen ruivangsten uitsluitend op meer dan 100 meter afstand te worden uitgevoerd. 27. Ruivangsten dienen niet worden uitgevoerd in de verstoringsvrije zones van de visdief, kemphaan en watersnip, zoals weergegeven in figuur 5-3 op pagina 83 van de PB. 28. Bij uitvoering van ruivangsten dienen rietkragen van meer dan 3 meter breed en rietvelden niet te worden betreden. Dit om verstoring van roerdompen, snorren en rietzangers te voorkomen. 29. Ruivangsten worden per deelgebied (figuur 1) maximaal 4 keer per jaar uitgevoerd. 30. Er wordt niet meer dan 1 ruivangst tegelijkertijd op hetzelfde tijdstip uitgevoerd. Dit om te allen tijde voldoende rust te garanderen in andere deelgebieden (figuur 1). 31. Het opdrijven van ganzen naar de vangkraal wordt door maximaal 8 personen uitgevoerd.
Figuur 1.
Compartimentering Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske in deelgebieden
75/98
Vos Op grond van de landelijke vrijstelling wordt de vos overdag bestreden door gebruik te maken van het geweer, kunstburchten, en/of mobiele vangkooien. Door gebruik te maken van een meldsysteem in de kunstburchten en mobiele vangkooien kunnen vossen zodanig worden bestreden dat menselijke aanwezigheid in het veld overdag kan worden beperkt. In 2011, 2014 en 2021 hebben Gedeputeerde Staten, aanvullend op de landelijke vrijstelling, aan de FBE ontheffingen afgegeven om de vos te kunnen bestrijden met gebruik van een geweer met geluiddemper en nachtzichtapparatuur in de periode voor zonsopkomst en na zonsondergang. Door gebruik te maken van kunstburcht, mobiele vangkooi en geweer met geluiddemper en nachtzichtapparatuur is het beheer relatief stil, effectief en efficiënt uit te voeren met minimale verstoring op broedende vogels. Negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelen als gevolg van de verstoring tijdens het bestrijden van vos kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten. Er dient rekening te worden gehouden met betredingsgevoelige vegetatie (habitattypen). Voorwaarde is dat gevoelige percelen (groeiplaatsen van kwalificerende habitattypen), inclusief recent herstelde percelen en zoekgebieden, gemeden dienen te worden. Extensieve betreding hiervan is, indien noodzakelijk, alleen mogelijk in afstemming met de terreinbeheerder.
Het gebruik van landelijke vrijstelling en een provinciale ontheffing voor het beheer van de vos kan, mits uitgevoerd conform de bijbehorende voorschriften als zijnde vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen. Op terreinen die in beheer zijn bij terreinbeheerders geldt bovendien de voorwaarde dat faunabeheer en schadebestrijding door of in afstemming met de terreinbeheerder wordt uitgevoerd (categorie 4b). Bestrijding muskusratten en beverratten Langs de randen van de watergangen worden het gehele jaar rond muskus- en beverratten bestreden met behulp van klemmen, fuiken, vangkooien en eventueel honden en vuur-, gasdruk- en luchtdrukwapens. In principe betreedt één persoon het gebied. In geval van een hoge populatie kunnen er tijdelijk meer (enkele) personen in het gebied zijn. Omdat het plaatsen en legen van de klemmen en vangkooien ook buiten de reguliere infrastructuur plaatsvindt, dient er rekening gehouden te worden met locaties van kwetsbare habitattypen en leefgebieden/periodes van verstoringsgevoelige soorten om de effecten van aantasting en verstoring te voorkomen. Bestrijding van muskusratten en beverratten kan als vergunningvrije activiteit in het beheerplan worden opgenomen onder voorwaarde dat deze in overleg met de terreinbeheerder (met betrekking tot de periode, het tijdstip en de wijze van bemachtiging) wordt uitgevoerd (categorie 4b). Activiteit
Significante negatieve effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Faunabeheer en schadebestrijding (ganzen en nijlgans)
Ja, onder voorwaarden
2
Faunabeheer en schadebestrijding (vos, muskusratten en beverraten
Ja, onder voorwaarden
4b
76/98
2.3
Waterbeheer
Binnen het Natura 2000-gebied is Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) verantwoordelijk voor het waterbeheer (kwaliteit en kwantiteit). Vigerend peilbeheer Het waterbeheer wordt op basis van watergebiedsplannen en vastgestelde vigerende peilbesluiten uitgevoerd. De huidige peilbesluiten zijn vastgesteld door Gedeputeerde Staten en zijn onherroepelijk. Bij het vaststellen van de huidige peilbesluiten heeft een afstemming met (onder andere) de natuurfunctie plaatsgevonden en heeft een toetsing aan de instandhoudingsdoelen plaatsgevonden en zijn significant negatieve effecten uitgesloten. Een uitzondering hierop is de zakkingsclausule. Het huidige peilbeheer met uitzondering van de zakkingsclausule kan in het beheerplan vergunningvrij worden opgenomen (Categorie 4a). Nieuwe/herzieningen van peilbesluiten en de toepassing van de zakkingsclausule moeten afgestemd zijn op gebiedsfuncties en ecologische vereisten van habitattypen. Een toetsing deze activiteiten aan Natura 2000doelen moet plaatsvinden teneinde significante effecten te voorkomen. Nieuwe/herzieningen van peilbesluiten dienen per peilbesluit beoordeeld te worden evenals toepassing van de zakkingsclausule. Deze activiteiten zijn vergunningplichtig als ze significante gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3).
Onderhoud, kleinschalig schonen en baggeren van oppervlaktewateren Om de bergings- en afvoercapaciteit binnen het watersysteem op orde te hebben en ook (recreatief) varen mogelijk te houden, wordt periodiek onderhoud gepleegd aan de hoofdwatergangen en recreatief water. Deze werkzaamheden bestaan uit het maaien van overvloedige plantengroei (soms meerdere malen per jaar) en het verrichten van kleinschalige onderhoudsbaggerwerkzaamheden, waarbij de bagger op de kant wordt gezet. De werkzaamheden worden uitgevoerd conform de Gedragscode Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming, bestendig beheer en onderhoud (Unie van Waterschappen, 2019), tussen september en maart. De kavelsloten in het gebied worden jaarlijks door de grondgebruikers geschoond waarbij het plantenmateriaal op de kant wordt gezet. Schonen van het plantenmateriaal kan ontwikkeling van veenmosrietland belemmeren en moet daarom buiten locaties met verlandingsvegetaties plaatsvinden. Bij periodiek beheer en onderhoud wordt het maaisel en de bagger op de oevers geplaatst. Dit kan tot verruiging leiden. Wanneer ter plaatse van kwalificerende habitattypen het maaisel niet op de kant wordt gezet, worden deze effecten voorkomen.
Het plaatsen van het maaisel en de bagger direct op de oevers kan leiden tot te hoge nutriëntenbelasting van de oppervlaktewateren (door het afspoelen van het maaisel/de bagger terug in de watergang) en moet derhalve voorkomen worden. Bagger kan in de daartoe bestemde grondkwekerijen in depot worden gebracht. Indien bagger of maaisel niet gedeponeerd kan worden langs een watergang of grondkwekerij, dient de aanliggende eigenaar in afstemming met HHNK een vervangende locatie aan te wijzen, buiten de kwalificerende habitattypen en de uitbreidingslocaties.
77/98
Bij het baggeren, herprofileren en maaien kan gewerkt worden in leefgebied van noordse woelmuis. Om significant negatieve effecten op het leefgebied van noordse woelmuis te voorkomen dienen de volgende maatregelen getroffen te worden: 1) controleer of gewerkt wordt in leefgebied van noordse woelmuis en deponeer geen materiaal op het leefgebied van noordse woelmuis. 2) voer in leefgebied van noordse woelmuis een cyclisch gefaseerd beheer uit in rietvegetaties en trilveen- en natte (schraal)graslandvegetaties. Hierbij blijft 20% van de vegetatie twee jaar staan. Hiermee wordt bereikt dat er altijd minimaal één jaar oude ongemaaide delen zijn met voldoende dekking voor de noordse woelmuis en bovendien dat het riet niet verruigt. Uitgangspunt is dat de ongemaaide delen met elkaar in verbinding blijven staan, zodat de dieren (noordse woelmuis) zich gemakkelijk kunnen verplaatsen. Deze activiteiten dienen door of in afstemming met de natuurbeheerder te worden uitgevoerd. De activiteiten in het kader van beheer en onderhoud kunnen vergunningvrij worden opgenomen onder de voorwaarden dat deze buiten locaties met verlandingsvegetatie worden uitgevoerd (categorie 4b).
Daarbij moet tevens worden toegezien dat slootbagger of schoningsmateriaal niet op kwalificerend habitat of leefgebied van noordse woelmuis wordt gedeponeerd en dat er geen uit- en afspoeling van nutriënten naar oppervlaktewateren plaatsvindt. Verder mag het maaisel alleen buiten kwalificerend habitat en de uitbreidingslocaties worden gedeponeerd. Kleinschalig onderhoud waterhuishoudkundige werken De betreffende activiteiten bestaan uit het onderhoud aan kunstwerken als stuwen, dammen, duikers, beschoeiingen en dergelijke. Onder deze onderhoudswerkzaamheden vallen ook maaiwerkzaamheden. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier beheert ook de waterkeringen in het gebied. Het beheer betreft onder andere jaarlijks twee maal maaien. Daarnaast dienen deze waterkeringen elke twaalf jaar getoetst te worden aan de vigerende normen. Hiervoor worden grondboringen verricht, profielen ingemeten en aanwezige kunstwerken geïnventariseerd en onderzoek gedaan naar beschermde soorten en gebiedsdoelstellingen. Aan de hand van de resultaten wordt besloten of versterkingsmaatregelen noodzakelijk zijn. Het kan hierbij gaan om kleinschalige maatregelen als herstellen van oeverafkalving, verwijderen van dierlijke graverijen en het dichten van scheuren of lekkages dat erop is gericht de gewenste situatie te handhaven of herstellen.
De hierboven beschreven activiteiten kunnen tot aantasting van habitattypen en een tijdelijke verstoring leiden. Door rekening te houden met kwetsbare locaties van habitattypen en soorten en perioden van verstoringsgevoelige soorten worden significante effecten van verstoring voorkomen. Deze kleinschalige onderhoudsactiviteiten kunnen vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen onder de voorwaarde dat bij de uitvoering kwetsbare locaties van habitattypen (conform de in dit beheerplan opgenomen habitattypenkaart) en soorten worden ontzien en dat ze door of in afstemming met de natuurbeheerder worden uitgevoerd (categorie 4b). Monitoring en ecologisch onderzoek ten behoeve van waterbeheer Er worden verschillende vormen van monitoring en onderzoek uitgevoerd in het kader van het waterbeheer en de te bereiken waterkwaliteitsdoelen. Het hoogheemraadschap onderzoekt het gebied onder andere middels peilbuizen, waterkwaliteitsmetingen en inventarisatie van waterplanten, vissen, algen en
78/98
macrofauna. Het betreft een voor de KRW verplichte maandelijkse, jaarlijkse, 3 of 6 jaarlijkse operationele en toestandsmonitoring. Deze KRW bemonsteringen door het hoogheemraadschap worden uitgevoerd volgens landelijke voorschriften beschreven in Richtlijn KRW Monitoring Oppervlaktewater en Protocol Toetsen & Beoordelen (Ohm et al., 2014) en het Handboek Hydrobiologie (STOWA, 2010). Het hoogheemraadschap monitort elke maand op vaste locaties de waterkwaliteit. Jaarlijks wordt de ontwikkeling van de oever- en ondergedoken watervegetaties (ook kranswiervegetaties, krabbenscheer en fonteinkruiden) gemonitord. De activiteiten in het kader van monitoring en onderzoek kunnen leiden tot aantasting van de vegetatie (habitattypen en leefgebieden van soorten) en verstoring van soorten. Dit vindt echter slechts lokaal en incidenteel plaats. Door rekening te houden met de locaties van kwalificerende habitattypen en leefgebieden van soorten en met kwetsbare perioden van soorten en door de werkzaamheden uit te voeren in afstemming met de terreinbeheerder worden significante effecten van verstoring voorkomen. Deze activiteiten kunnen dan ook onder deze voorwaarden vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen (categorie 4b). Activiteit
Significante negatieve effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Vigerende peilbeheer (met uitzondering van de toepassing van de zakkingsclausule) Onderhoud, schonen en baggeren van oppervlaktewateren (met uitsluiting van grootschalig baggeren)
Ja
4a
Ja, onder voorwaarden
4b
Kleinschalig onderhoud waterhuishoudkundige werken Monitoring en ecologisch onderzoek ten behoeve van waterbeheer
Ja, onder voorwaarden
4b
Ja, onder voorwaarden
4b
2.4
Recreatie
Het Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland zijn voornamelijk bereikbaar over het water. Op enkele punten zijn verhuurbedrijven met fluisterboten. Ook veel bewoners hebben een bootje. Naast fietspaden is een aantal wandelpaden en een ruiterroute aanwezig. In het gebied lopen verschillende schaatsroutes waaronder de Oostzaner Poldertocht, Ilperveldtocht, Klein Waterland Oosttocht, Waterland West-tocht en de Midden Noord-Hollandtocht. Twiske is een druk bezocht recreatiegebied met vele voorzieningen. De recreatie concentreert zich grotendeels in het zuidwestelijke en noordoostelijke deel van Twiske. Het noordoostelijke deel van Twiske wordt in de zomer veel gebruikt vanwege het aanwezige strand. Het water wordt recreatief gebruikt met kano’s en SUP’s (Standup Paddle Boards) en de grote plas met zeilboten, waterfietsen en windsurfers (de laatste ook in de winter). Door Twiske lopen de fietsroutes Veenweide-Wormerroute en de Rondom Watergangroute en de landelijke fietsroute van Alkmaar naar Maastricht. Waterrecreatie Onder vaarrecreatie vallen de volgende activiteiten: gemotoriseerd varen, zeilen, roeien, windsurfen, wingfoilen, wingsuppen, kanoën en gebruik van SUP’s en waterfietsen. Het gebied is alleen toegankelijk voor boten en surfers op aangewezen locaties en routes. Voor kanoën, SUP’s en waterfietsen is het
79/98
gebied vrij toegankelijk. In het Twiske is varen met een verbrandingsmotor niet toegestaan. Bij hierboven beschreven activiteiten is betreding van de oevers niet toegestaan, met uitzondering van hiervoor bestemde locaties. Bij varen is de maximum snelheid 6 kilometer per uur. Varen kan leiden tot het in beweging brengen van slib en afkalving van de oevers. Afkalving van de oevers in Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland kan tot verlies en/of belemmering van de ontwikkeling van de habitattypen veenmosrietlanden, vochtige heiden en ruigten en zomen leiden. Omdat de maximum snelheid van 6 kilometer per uur lastig te handhaven is, zijn effecten van te snel varen in de praktijk niet uit te sluiten. Omdat, ondanks het verbod, oevers door gebruikers van gemotoriseerde vaartuigen illegaal worden betreden (buiten hiervoor aangewezen locaties), zijn effecten van aantasting van habitattypen en leefgebieden van soorten eveneens niet uit te sluiten. Om de significante effecten van betreding van kwalificerende habitattypen en leefgebieden van soorten en oppervlakteverlies van habitattypen door afslag van oevers uit te sluiten, dient in Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland de toegang in delen van het gebied voor gemotoriseerde vaartuigen beperkt te worden (maatregel uit dit beheerplan, zie hoofdstuk 4). Daarnaast dient op kwetsbare locaties oeverbescherming toegepast te worden.
Waterrecreatie kan tevens een verstorend effect hebben op vogels die in de moeraszone of in de omgeving van de watergangen broeden of op het open water rusten en foerageren en, bij betreding, op weidevogels. De roerdomp foerageert in de overgangszone water/riet en het nest wordt vaak nabij open water gemaakt in overjarig nat rietland. De bruine kiekendief kan ook zijn nest maken in rietkragen langs slootjes en open water en ook de rietzanger broedt in de rietkragen langs bevaren watergangen. De rietzanger is weinig gevoelig voor verstoring door recreatie (Krijgsveld et al., 2022), maar verstoring van de roerdomp en bruine kiekendief door vaarrecreatie is niet uit te sluiten. Frequente passages van waterrecreanten (vanaf 5-10 keer per dag voor roerdomp en ≥10 keer voor bruine kiekendief) kan namelijk tot een afstand van 200 m (voor roerdomp) of 300 m (voor bruine kiekendief) leiden tot een verminderde broeddichtheid (Van der Hut, 2022). Aangezien roerdomp en bruine kiekendief in het Natura 2000–gebied zich onder hun instandhoudingsdoelen bevinden, zijn significante effecten van verstoring door waterrecreatie dat plaatsvindt zonder beperkingen op deze soorten niet uit te sluiten. Het betreft Twiske, waar er sprake is van een intensieve waterrecreatie.
Waterrecreatie dient daarom in Twiske binnen een zone van 200 m vanaf geschikt broedgebied van de roerdomp en bruine kiekendief (huidige locaties en uitbreidingslocaties) in de voor deze soorten gevoelige periode (van februari tot en met juni) te worden uitgesloten. Waterrecreatie kan ook voor de smient (niet-broedvogel) leiden tot verstoring. Voor deze soort vormt winterrecreatie op de Stootersplas een knelpunt, omdat er dan grote aantallen smienten op deze locatie rusten, terwijl de soort zich momenteel onder het instandhoudingsdoel bevindt. De Stootersplas dient daarom in de winter afgesloten te zijn voor deze vormen van waterrecreatie om significant negatieve effecten op de soort te voorkomen. Voor overige broedvogels vormt verstoring door waterrecreatie geen knelpunt en zal het niet tot significant negatieve effecten leiden, omdat de broedlocaties voor het grootse deel buiten beïnvloedingszone hiervan liggen en/of omdat de soorten slechts beperkt gevoelig zijn voor verstoring. Voor de overige nietbroedvogels geldt dat er een beperkte overlap is tussen het recreatievaarseizoen en het gebruik van het gebied door grote aantallen niet-
80/98
broedvogels. De laatste jaren is er wel in toenemende mate overlap tussen het verblijf van wintervogels, die eerder komen en later vertrekken, en recreatief gebruik (langer vaarseizoen). In de huidige situatie is er geen sprake van actuele knelpunten. De hierboven beschreven activiteiten kunnen vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen onder de voorwaarden dat er in het gebied met een maximale snelheid van 6 km/uur gevaren mag worden, dat het betreden van de oevers niet is toegestaan, dat de Stootersplas in de winter voor vaarrecreatie (waaronder windsurfen en wingfoilen en -suppen) afgesloten wordt en dat er in Twiske van februari tot en met juni een bufferzone van 200 m vanaf geschikt broedbiotoop van de roerdomp en bruine kiekendief zonder waterrecreatie wordt aangehouden. Voor Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland gelden bovendien de voorwaarden dat oeverbescherming op de kwetsbare locaties wordt toegepast en de toegang in delen van het gebied voor gemotoriseerde vaartuigen wordt beperkt. De twee laatstgenoemde maatregelen zijn als noodzakelijke maatregel in dit beheerplan beschreven (hoofdstuk 4) (Categorie 4b). Fietsen, wandelen, paardrijden en uitlaten van honden Voor wandelen, fietsen en paardrijden wordt gebruik gemaakt van aangewezen paden en wegen.
Deze infrastructuur ligt, met uitzondering van deelgebied Twiske, buiten locaties met kwetsbare natuurwaarden. In Twiske is een aantal hondenlosloopgebieden aanwezig. Deze locaties bevinden zich buiten de belangrijke broedgebieden, slaapplaatsen en foerageergebieden voor aangewezen vogelsoorten (Van der Hut, 2022). Elders in het Natura 2000gebied moeten honden altijd aangelijnd zijn. Het noordelijk deel van de Stootersplas is een belangrijke slaapplaats voor smient (Van der Hut, 2022). Een verstorend effect van wandelen en honden uitlaten op de vlonders bij het Kure-Jan strand en ’t Schoorl strand is dan ook niet uit te sluiten. Gezien het belang van de Stootersplas voor deze soort in koude winterperioden en het feit dat de soort onder het instandhoudingsdoel zit, moeten deze vlonders in de winter (1 november tot 1 maart) worden afgesloten. Hoewel uit een recent onderzoek (Krijgsveld et al., 2022) blijkt dat effecten van verstoring door aangelijnde honden groter zijn dan eerder geschat leidt het uitlaten van honden in huidige situatie elders niet tot knelpunten en zijn significante effecten verder uit te sluiten. Honden dienen daarbij nabij rietkragen (biotoop voor noordse woelmuis, bruine kiekendief en roerdomp) echter kort aangelijnd te zijn om zo verstoring te voorkomen.
Excursies buiten aangewezen paden mogen alleen plaatsvinden onder begeleiding van een gids van de terreinbeheerder om betreding van habitattypen en kwetsbare leefgebieden te beperken en aantasting te voorkomen. De hierboven beschreven activiteiten kunnen onder voorwaarden (afsluiten van vlonders nabij Kure-Jan strand en ’t Schoorl strand in de periode 1 november – 1 maart, begeleiding van excursies en kort aanlijnen honden nabij rietkragen in Twiske) worden opgenomen in het beheerplan (categorie 4b). Zwemmen en duiken Zwemmen is op eigen risico toegestaan in vrij toegankelijke wateren. Op plaatsen waar mag worden gezwommen, mag in principe ook gedoken worden. De overlap tussen leefgebieden van vogels en Habitatrichtlijnsoorten en locaties waar mogelijk wordt gezwommen is beperkt. Verstoring zal incidenteel en lokaal plaatsvinden en hiermee niet leiden tot significante effecten. De
81/98
oevers in natuurgebied mogen niet worden betreden. Hiermee zijn effecten van aantasting van habitattypen en leefgebieden van soorten uit te sluiten. Zwemmen en duiken kunnen vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen onder de voorwaarde dat het betreden van oevers in natuurgebied niet is toegestaan (categorie 4b). Schaatsen Schaatsen in het gebied komt sporadisch voor: ongeorganiseerd of in de vorm van georganiseerde schaatstochten over aangewezen routes. Voor watervogels (slobeend en smient) geldt dat ze dan locaties opzoeken met open water. Andere vogels zijn dan in het gebied niet/beperkt aanwezig. Uitzondering vormt de roerdomp. Bij schaatsen dient de tijdelijke toegangsbeperking foerageergebied roerdomp zoals aangegeven door de terreinbeheerder in acht genomen te worden. Onder deze voorwaarden kan schaatsen vergunningvrij worden opgenomen in het beheerplan (categorie 4b). Gebruik bestaande verblijfsaccommodatie en bestaande recreatievoorzieningen Bestaande verblijfsaccommodaties en recreatievoorzieningen liggen buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied of zijn geëxclaveerd en liggen hiermee ook buiten het Natura 2000-gebied. Hierdoor zijn effecten van aantasting van de kwalificerende habitattypen of leefgebieden van soorten uit te sluiten. Effecten zijn alleen mogelijk in het kader van de externe werking.
Activiteiten in het kader van het gebruik van verblijfsaccommodaties en recreatievoorzieningen hebben een relatief kleine externe verstoringszone. De leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten zijn buiten het effectbereik van deze activiteiten (zie kader 1). In dit kader is er geen sprake van significant negatieve effecten van het betreffende gebruik op de voor het Natura 2000gebied aangewezen habitattypen en doelsoorten. Het gebruik van bestaande verblijfsaccommodaties en recreatievoorzieningen kan zonder nadere voorwaarden vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen (categorie 4a). Nieuwe verblijfsaccommodaties en recreatievoorzieningen of een gewijzigd gebruik van verblijfsaccomodaties en recreatievoorzieningen zijn vergunningplichtig. In de beoordeling moeten ook de effecten van een toename van bezoekersaantallen en verstoring van (nachtelijke) rust worden meegenomen (categorie 3). Evenementen (Sport)evenementen kunnen leiden tot verstoring van soorten en schade aan habitattypen. Bij de inventarisatie van (sport)evenementen die in en om Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske plaatsvinden is geconstateerd dat de opzet (frequentie, bezoekersaantallen, routes en bijkomende activiteiten) per evenement wijzigt. Zodoende vallen alle evenementen per definitie buiten huidig gebruik.
De evenementen dienen daarom afzonderlijk beoordeeld te worden en zijn vergunningplichtig als dit significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3). Activiteit
Significante effecten uit te sluiten?
Categorie
Waterrecreatie
Ja, onder voorwaarden
4b
Fietsen, wandelen, paardrijden en uitlaten van honden
Ja, onder voorwaarden
4b
Zwemmen en duiken
Ja, onder voorwaarden
4b
82/98
Activiteit
Significante effecten uit te sluiten?
Categorie
Schaatsen
Ja, onder voorwaarden
4b
Gebruik bestaande verblijfsaccommodatie en bestaande recreatievoorzieningen
Ja
4a
Evenementen
Nee
3
2.5
Landbouw
Het agrarisch grondgebruik binnen het Natura 2000-gebied bestaat overwegend uit weidebeheer, waarbij de natuuropgave leidend is. Veel agrarisch gebruikte percelen zijn weidevogelgraslanden waarvoor een beheerovereenkomst is afgesloten in het kader van het SNL. Tot de categorie landbouw worden de volgende activiteiten gerekend: houden en verzorgen van dieren, beweiding en bemesting, beregening en overige kleine wateronttrekkingen, grond/gewasbewerking, gebruik bestrijdingsmiddelen en transport naar en van bedrijven (beschreven onder categorie Verkeer). Houden en verzorgen van dieren Het houden en verzorgen van dieren betreft voornamelijk activiteiten op boerderijen (erven) die geëxclaveerd zijn en die zich hiermee buiten de begrenzing van het Natura 2000-gebied bevinden. Deze activiteiten kunnen tot effecten van verstoring door licht, geluid en beweging leiden. De leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten zijn echter buiten het effectbereik van deze activiteiten (zie kader 1). Bij het houden van dieren wordt ook stikstof uitgestoten in de vorm van ammoniak uit mest. Dit leidt tot stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied. Er zijn meerdere stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden aanwezig waarvan de kritische depositiewaarde wordt overschreden (zie hoofdstuk 4). Vermindering van de depositie is daarom nodig om de instandhoudingsdoelen te realiseren.
Een toename aan stikstofdepositie kan significante gevolgen hebben voor stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De aanleg van nieuwe stallen, het wijzigen van het staltype of het vergroten van de stalcapaciteit (en andere dierenverblijven) dient daarom per project beoordeeld te worden en is vergunningplichtig als dit significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3). Aanwezige stallen (en andere dierenverblijven) die na de referentiedatum in gebruik zijn genomen hebben een Wnb-vergunning nodig, indien de stalemissie leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in het Natura 2000-gebied (categorie 3). Dat geldt in beginsel ook voor stallen (en andere dierenverblijven) met een relevante stikstofdepositie die vielen onder een voormalige (PAS-) vrijstelling of zijn gerealiseerd tussen referentiedata en inwerkingtreding van het PAS (interimmers). Het Rijk en provincies werken aan een legalisatieprogramma voor deze bedrijven. De artikelen 1.13a, 1.13b en 1.13c van de Wnb bevatten de wettelijke opdracht voor de minister van Landbouw Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies om samen zorg te dragen voor het legaliseren van projecten of activiteiten waarvoor ten tijde van het PAS 2015–2021 geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
In de wet is opgenomen dat het legalisatieprogramma voor zowel de PAS-meldingen als de meldingsvrije
83/98
activiteiten geldt. Het legalisatieprogramma voor de PAS-meldingen geeft aan op welke wijze er alsnog toestemming kan worden verleend voor vergunning plichtige activiteiten. Stallen (en andere dierenverblijven) die al legaal in gebruik waren op de referentiedatum, waarvan het gebruik sinds die datum niet wezenlijk is gewijzigd en sinds die datum de stikstofdepositie vanuit de stallen (en andere dierenverblijven) op het Natura 2000-gebied niet is toegenomen zijn vergunningvrij (categorie 4b). Beweiding en bemesting In de PAS-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2019:1604) van 29 mei 2019 heeft de Raad van State vastgesteld dat de categorale vrijstelling van de vergunningplicht voor beweiden en bemesten in strijd is met de Habitatrichtlijn. In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2874, legt de Afdeling uit op welke manier beweiden beoordeeld kan worden. Voor beweiden en bemesten is een Wnb-vergunning nodig als blijkt dat uit deze activiteiten stikstof neerdaalt op overbelaste stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten in het Natura 2000gebied (categorie 3).
Voor beweiden en bemesten van landbouwgrond is er geen vergunningplicht als aangetoond kan worden dat dit gebruik al legaal aanwezig was op de referentiedatum, het gebruik van de grond sinds die datum niet wezenlijk is gewijzigd en sinds die datum de stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied vanuit de betreffende landbouwgrond niet is toegenomen (categorie 4b). Beregening en overige kleine wateronttrekkingen Beregening en overige kleine wateronttrekkingen in het kader van agrarisch gebruik kunnen een verdrogend effect hebben. Deze onttrekkingen zijn gereguleerd via de Waterwet- en regelgeving. De onttrekkingen voor de landbouw hebben alleen een meldingsplicht, ze zijn te klein voor een vergunningprocedure (drempelwaarde voor Noord-Holland <12.000m3/jaar). Individueel zijn dergelijke activiteiten zo kleinschalig dat een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied niet aan de orde is. Er hebben evenmin relevante wijzigingen in het agrarisch grondgebruik plaatsgevonden. In tijden van een watertekort geldt de verdringingsreeks. De verdringingsreeks geeft een rangorde voor de verdeling van de hoeveelheid water bij waterschaarste. Het is ter beoordeling van de waterbeheerder of er feitelijk sprake is van een tekort. Het voorkomen van onomkeerbare schade aan natuur valt daarbij in categorie 1 (de hoogste categorie).
De aanwezige kleine onttrekkingen met huidige onttrekkingshoeveelheden kunnen daarom als vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen, met inachtneming van de verdringingsreeks in tijden van een watertekort (categorie 4b). Nieuwe onttrekkingen of een toename van de onttrekkingshoeveelheden van bestaande kleine onttrekkingen vallen per definitie niet onder huidig gebruik en moeten getoetst worden aan de Wet natuurbescherming. Voor nieuwe onttrekkingen c.q. uitbreiding van bestaande onttrekkingen geldt categorie 3. Grond/gewasbewerking Grond- en gewasbewerking vindt plaats op agrarische gronden (in het gebied voornamelijk graslanden). Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het scheuren van graslanden, onderhoudswerkzaamheden voor het beweiden van
84/98
dieren (zoals herstel van vraatschade, inzaaien van bestaand grasland), maaien, hooien, oogsten e.d. Onder deze categorie vallen ook regulier gebruik en kleinschalig onderhoud van percelen en paden (reparatie van kleine verzakkingen en andere oneffenheden van het terrein, kleinschalig herstel en versterken van bestaande paden die in regulier gebruik zijn). Hierbij kunnen effecten van verontreiniging/vermesting optreden. Om deze effecten te voorkomen dient het gebruikte materiaal aan de eisen uit wet- en regelgeving te voldoen. Verder dient het gebruikt materiaal zodanig ver van de oevers geplaats te worden dat er geen uit- en afspoeling van nutriënten naar oppervlaktewateren plaats kan vinden. Hierboven genoemde activiteiten kunnen tot verstoring leiden door het gebruik van machines, met name in het voor- en najaar. De (potentiële) leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten liggen buiten het effectbereik van verstoring door deze activiteiten. Voor Natura 2000-gebieden geldt sinds 2015 een ploeg- en omzetverbod voor blijvend grasland. Dit is voor Habitatrichtlijngebieden sinds 2015 ongewijzigd. Scheuren en/of omzetten van blijvend grasland naar andere teelten is dan ook niet toegestaan binnen de deelgebieden Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld.
Grond- en gewasbewerkingsactiviteiten kunnen, uitgezonderd het scheuren van blijvend grasland, onder boven genoemde voorwaarden in het beheerplan worden opgenomen en zijn dan vergunningvrij (categorie 4b). Achterstallig onderhoud of incidenteel grootschalig onderhoud (zoals grootschalig aanbrengen van bodemmateriaal) dient per project beoordeeld te worden en is vergunningplichtig als dit significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3). Gebruik bestrijdingsmiddelen Bij de agrarische bedrijfsvoering wordt/werd gebruik gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen (biociden en gewasbeschermingsmiddelen). Deze kunnen leiden tot mogelijke effecten van verontreiniging door verwaaiing en/of uitspoeling naar het oppervlaktewater. Het toedienen van deze middelen wordt conform de hiervoor geldende wettelijke regels uitgevoerd (Activiteitenbesluit). Deze regels zijn er onder andere op gericht de verspreiding van deze stoffen naar de lucht, bodem en het grond- en oppervlaktewater zoveel mogelijk te beperken. De toepassing van bestrijdingsmiddelen vond al ruim voor de referentiedatum plaats.
Sinds de invoering van het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij in 2000 (sinds 2013 opgenomen in het Activiteitenbesluit) zijn de regels ten aanzien van het gebruik van deze middelen strenger geworden en erop gericht de verspreiding van bestrijdingsmiddelen naar de omgeving te beperken, waardoor het niet te verwachten is dat de eventuele verspreiding in dit gebied is toegenomen sinds de referentiedatum14. Als gevolg van de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zal overigens het areaal aan landbouwgrond de komende jaren verder afnemen en hiermee naar verwachting ook het gebruik van bestrijdingsmiddelen in het Natura 2000-gebied. Het gebruik van door het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) toegestane bestrijdingsmiddelen wordt vergunningvrij in het 14
Voor open teelten werd geconstateerd dat er in de periode 1998-2010 een reductie in de milieubelasting van 87% is bereikt voor open teelten, vooral als gevolg van een vermindering in driftemissie door de invoering van het Lozingenbesluit Open Teelt en Veehouderij (RIVM, 2019).
85/98
beheerplan opgenomen (categorie 4b). Voor niet bestaand gebruik is onderzoek nodig en eventueel een vergunningplicht (categorie 3). Activiteit
Significante negatieve effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Houden en verzorgen van dieren Beweiding en bemesting Beregening en overige kleine wateronttrekkingen Grond/gewasbewerking (m.u.v. scheuren van blijvend grasland in Ilperveld, Varkensland en Ooszanerveld en achterstallig of grootschalig onderhoud) Gebruik bestrijdingsmiddelen
Ja, onder voorwaarden Ja, onder voorwaarden Ja, onder voorwaarden
4b 4b 4b
Ja, onder voorwaarden
4b
Ja, onder voorwaarden
4b
2.6
Verkeer
Onder verkeer wordt wegverkeer, treinverkeer, vaarverkeer en regionaal vliegverkeer beschreven. Weg-, vaar- en spoorverkeer In de omgeving van het Natura 2000-gebied liggen diverse lokale wegen, provinciale wegen en Rijkswegen. De A7/A8 grenst tussen de Roemersloot en de ringvaart van de Wijde wormer (zuidzijde) direct aan het Natura 2000 gebied. De A10 ligt ten zuiden van het gebied (op circa 1 km afstand). Het Noordhollandsch Kanaal en de provinciale weg scheiden het Ilperveld van Varkensland. Binnen het gebied bevinden zich lokale wegen (voornamelijk in Twiske) en de spoorlijn Zaanstad-Purmerend (het doorkruist het Oostzanerveld). Wegen, het Noordhollandsch Kanaal en de spoorlijn liggen buiten het Natura 2000-gebied (buiten begrenzing of zijn geëxclaveerd). Het gebruik en regulier beheer en onderhoud van deze infrastructuur leidt tot mogelijke effecten van verstoring door geluid, licht en beweging. Het gebruik hiervan dateert echter al van voor de referentiedatum en de reikwijdte van effecten hiervan is sindsdien niet toegenomen. De actuele en potentiële leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten liggen derhalve buiten het effectbereik van deze infrastructuur. In dit kader zijn significante effecten uit te sluiten.
Het gebruik en regulier beheer en onderhoud van boven beschreven infrastructuur kan gezien het bovenstaande zonder nadere voorwaarden in het beheerplan worden opgenomen en is vergunningvrij (categorie 4a). De aanleg van nieuwe wegen of vergroten van de capaciteit van bestaande wegen dient per project beoordeeld te worden en is vergunningplichtig als dit significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3). Eenmalig/incidenteel onderhoud zoals een grote renovatie is eveneens vergunningplichtig (categorie 3). Regionaal vliegverkeer Het gaat hier om regionale luchtvaart. Toetsing van effecten van vliegverkeer van en naar Schiphol in het kader van huidig gebruik is geen onderdeel van dit beheerplan, omdat Provincie Noord-Holland hier geen bevoegd gezag voor is. Deze taak ligt bij het Rijk. Passerende vliegtuigen kunnen zowel optische als geluidsverstoring veroorzaken. Voor de kleine luchtvaart is landelijk een onderzoek uitgevoerd
86/98
door Bureau Waardenburg (Lensink et al., 2011). Hieruit bleek dat voor de Natura 2000-gebieden in Laag Holland geen significante effecten optreden. Uitgangspunt in deze beoordeling was dat de gedragscode van de kleine luchtvaart wordt gehanteerd. Deze houdt onder andere in dat bij de planning en tijdens de vluchtuitvoering natuurbeschermingsgebieden (waaronder Natura 2000-gebieden) zoveel mogelijk worden vermeden. Indien het overvliegen van deze gebieden niet valt te vermijden wordt een vlieghoogte van tenminste 1.000 ft (ca. 300 meter) aangehouden, behoudens beroepsmatige noodzaak. In Krijgsveld et al (2022) wordt aangegeven dat vogels over het algemeen niet wegvluchten vanaf een vlieghoogte van 300 meter van sportvliegtuigen hoewel alerte reacties wel optreden. Regionaal vliegverkeer dat sinds de referentiedatum niet wezenlijk is toegenomen is vergunningvrij onder de voorwaarden dat het vliegen over Natura 2000-gebieden zoveel mogelijk wordt vermeden en dat wanneer dit niet te vermijden valt een vlieghoogte van meer dan 300 meter wordt aangehouden (behoudens beroepsmatige noodzaak) (categorie 4b). Het landen van luchtballonnen is vanwege het verstorende effect op vogels en vanwege de kans op aantasting van kwalificerend habitat niet vergunningvrij (categorie 3).
Uitbreiding van luchthavens sinds de referentiedatum is niet vergunningvrij en moet apart beoordeeld worden (categorie 3). Activiteit
Significante negatieve effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Weg-, vaar- en treinverkeer Regionaal vliegverkeer Landen van luchtballonnen
Ja Ja, onder voorwaarden Nee
4a 4b 3
2.7
Beroeps- en sportvisserij
In het Natura 2000-gebied is sprake van recreatieve (sport)visserij en beroepsmatige visserij, beiden aangesloten bij de Visstand beheercommissie Hollands Noorder Kwartier (VBC HNK). Door de VBC HNK opgesteld visstandbeheerplan reguleert het visbestand in het gebied en sluit aan bij de doelstelling van het Natura 2000-gebied. Beroepsvisserij Beroepsvisserij heeft altijd in het gebied plaatsgevonden. De in het gebied actieve beroepsvissers betreffen beroepsvissers die een onderdeel van de Noord-Hollandse bond van beroepsvissers zijn en twee particulieren. Onder deze omstandigheid heeft het Natura 2000-gebied zijn natuurwaarden kunnen behouden. Vissoorten waarvoor Natura 2000 is aangewezen moeten terug gezet worden. Hierdoor treden geen directe significante effecten op de instandhoudingsdoelstelling van deze soorten op. Door het uitzetten van soorten kan bewust de soortensamenstelling in het gebied worden veranderd. In dit gebied mag alleen aal uitgezet worden. Deze soort komt van oorsprong in het gebied voor en daarom zal het uitzetten van aal geen negatief effect hebben in dit kader. De beroepsvisserij kan tot verstoring door vooral beweging en geluid leiden. Deze verstoring is echter heel beperkt omdat deze activiteiten (waaronder het vestigen en leeghalen van fuiken) een kleine beïnvloedingszone hebben en kortdurend en beperkt tot een aantal locaties zijn op enig moment.
Deze activiteiten hebben daardoor geen negatieve significante effecten op de verstoringsgevoelige soorten. De huidige beroepsvisserij kan onder voorwaarde
87/98
dat voor dit Natura 2000-gebied aangewezen vissensoorten terug worden gezet en dat alleen aal uitgezet mag worden vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen (categorie 4b). Sportvisserij Vissen mag alleen plaatsvinden op daarvoor aangewezen wateren en met een geldige VISpas. Daarbij is rekening gehouden met de ligging van kwetsbare habitattypen en leefgebieden van (verstoringsgevoelige)soorten. Betreden van de oevers is niet toegestaan. Dit betekent dat er geen sprake is van aantasting van de (kwaliteit) van habitattypen en leefgebieden van soorten door betreding/vernietiging en geen sprake van significante effecten van verstoring. Houders van een (kleine) VISpas mogen (geen of) in beperkte mate vis meenemen voor eigen consumptie. Vissoorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen moeten terug gezet worden. Directe effecten op de vissen zijn derhalve beperkt en niet significant. Tevens geldt een verbod op het achterlaten van loodgewichten e.d. De sportvisserij kan vergunningvrij worden opgenomen in het beheerplan onder voorwaarde dat de oevers buiten hiervoor bestemde locaties niet mogen worden betreden en dat vissoorten waarvoor het Natura 2000-gebied is aangewezen terug gezet moeten worden (categorie 4b). Activiteit Beroepsvisserij Sportvisserij
2.8
Significante effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Ja, onder voorwaarden Ja, onder voorwaarden
4b 4b
Wonen en werken
Wonen De meeste woningen/boerderijen liggen aan de randen van het gebied. Bebouwing die binnen de contouren van het Natura 2000-gebied is gelegen, is (met tuinen en erven) geëxclaveerd, mits het in het bestemmingsplan ook daadwerkelijk als bebouwing, tuin of erf is opgenomen. Daardoor vallen ze de facto buiten de begrenzing. Effecten zijn alleen mogelijk in het kader van de externe werking door activiteiten die in een tuin of op een erf plaatsvinden, zoals regulier onderhoud aan huis en tuin, onderhoud aan erfbeplanting, spelen en muziek. De leefgebieden van verstoringsgevoelige soorten zijn buiten het effectbereik van deze activiteiten (zie kader 1). Bewoning kan ook bijdragen aan stikstofdepositie, vooral door stoken van gas en verkeersbewegingen van en naar de woningen. Om effecten van stikstofdepositie tegen te gaan worden natuurherstelmaatregelen getroffen (hoofdstuk 4). Aanwezige woningen die na de referentiedatum in gebruik zijn genomen hebben een Wnb-vergunning nodig, indien gebruik daarvan leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in het Natura 2000-gebied (categorie 3). Dat geldt in beginsel ook voor woningen en boerderijen met een relevante stikstofdepositie die vielen onder een voormalige (PAS-)vrijstelling of zijn gerealiseerd tussen referentiedata en inwerkingtreding van het PAS (interimmers).
Het Rijk en provincies werken aan een legalisatieprogramma voor deze bedrijven. De artikelen 1.13a, 1.13b en 1.13c van de Wnb bevatten de wettelijke opdracht voor de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies om samen zorg te dragen voor het legaliseren van projecten of activiteiten waarvoor ten tijde van het PAS 2015–2021 geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In de wet is opgenomen dat het
88/98
legalisatieprogramma voor zowel de PAS-meldingen als de meldingsvrije activiteiten geldt. Het legalisatieprogramma voor de PAS-meldingen geeft aan op welke wijze er alsnog toestemming kan worden verleend voor vergunning plichtige activiteiten. Woningen/boerderijen die al legaal in gebruik waren op de referentiedatum, waarvan het gebruik, inclusief terugkerend/ regulier onderhoud, sinds die datum niet wezenlijk is gewijzigd en sinds die datum de stikstofdepositie vanuit deze woningen op het Natura 2000-gebied niet is toegenomen zijn vergunningvrij (categorie 4a). De realisatie van bebouwing en bewoning na de referentiedatum evenals incidenteel grootschalig onderhoud (renovatie) is vergunningplichtig als dit significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied (categorie 3). Werken De meeste bedrijven in het gebied bevinden zich aan de randen van het gebied en zijn actief binnen de dienstverlening en de handel. Ook hier geldt weer dat bebouwing (met tuinen en erven) geëxclaveerd is en de facto dus niet binnen de begrenzing valt. Effecten zijn alleen mogelijk in het kader van de externe werking. De aanwezigheid van bedrijven kan leiden tot effecten van verontreiniging/vermesting. Bedrijven worden middels omgevingsvergunningen, rijksregels en regels uit provinciale verordeningen gehouden aan beperking van de uitstoot van stoffen richting water, bodem en lucht.
Deze regels zijn erop gericht de verspreiding van stoffen naar het oppervlaktewater, de bodem en de lucht in de omgeving zoveel mogelijk te beperken. Een toename van effecten van de verspreiding van verontreinigende of vermestende stoffen door bijvoorbeeld lozen van het proceswater sinds de referentiedatum is niet te verwachten. De activiteiten die plaatsvinden op de terreinen van bedrijven kunnen ook leiden tot verstoring door licht, beweging en geluid en tot beperken van openheid in het gebied. Deze activiteiten hebben echter een beperkte overlap met het gebied, gezien het feit dat het gaat om dienstverlenende of handelsbedrijven, die zich aan de rand van het gebied bevinden. Daarbij liggen de leefgebieden van (verstoringsgevoelige) soorten buiten het effectbereik van deze activiteiten (zie kader 1). Dienstverlenende bedrijven kunnen ook bijdragen aan stikstofdepositie, vooral door stoken van gas en verkeersbewegingen van en naar deze bedrijven. Aanwezige dienstverlenende bedrijven die na de referentiedatum zijn gestart hebben een Wnb-vergunning nodig, indien het in gebruik zijn leidt tot stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden in het Natura 2000-gebied (categorie 3).
Dat geldt in beginsel ook voor bedrijven met een relevante stikstofdepositie die vielen onder een voormalige (PAS-)vrijstelling of zijn gerealiseerd tussen referentiedata en inwerkingtreding van het PAS (interimmers). Het Rijk en provincies werken aan een legalisatieprogramma voor deze bedrijven. De artikelen 1.13a, 1.13b en 1.13c van de Wnb bevatten de wettelijke opdracht voor de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en de provincies om samen zorg te dragen voor het legaliseren van projecten of activiteiten waarvoor ten tijde van het PAS 2015–2021 geen natuurvergunning nodig was vanwege hun geringe stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. In de wet is opgenomen dat het legalisatieprogramma voor zowel de PASmeldingen als de meldingsvrije activiteiten geldt. Het legalisatieprogramma voor de PAS-meldingen geeft aan op welke wijze er alsnog toestemming kan worden verleend voor vergunningplichtige activiteiten. Bedrijfsactiviteiten die al bestonden op de referentiedatum en waarvan de stikstof-emitterende activiteiten niet zijn toegenomen zijn vergunningvrij. Deze
89/98
activiteiten kunnen dan ook zonder nadere voorwaarden vergunningvrij in het beheerplan worden opgenomen (categorie 4a). Bedrijfsactiviteiten die zijn gestart na de referentiedatum of sindsdien zijn geïntensiveerd blijven vooralsnog vergunningplichtig evenals incidenteel grootschalig onderhoud (Categorie 3). Activiteit
Significante effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Wonen Werken
Ja Ja
4a 4a
2.9
Gebruik van drones
Drones en andere Remotely Piloted Aircraft Systems (RPAS) van alle gewichtsklassen kunnen door inliggende terreineigenaren, beheerders en toezichthouders ten behoeve van toezicht, monitoring, beheer en inrichting van de natuurterreinen worden ingezet. Drones kunnen verstoring van natuurdoelen veroorzaken wanneer deze zonder kennis van aanwezige natuurdoelen worden ingezet. De zorgplicht die volgt uit artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming is van toepassing. Onderdeel van die actieve zorgplicht is dat de professionele dronegebruiker zich op de hoogte stelt van de lokale situatie met betrekking tot de natuur en de wijze waarop verstoringsrisico’s kunnen worden voorkomen. Onder deze voorwaarde kan professioneel gebruik ten behoeve van noodzakelijk toezicht, monitoring, beheer, inrichting en onderzoek van het gebied van overheidswege, in opdracht van de overheid of van terreineigenaren, beheerders en toezichthouders vergunningvrij plaatsvinden (categorie 4b). Hieronder valt ook het gebruik van onbemande HEMS (Helicopter Emergency Medical Service)-, SAR (Search And Rescue) door politie en brandweer of kustwachtvluchten die daarom op eenzelfde manier vrijgesteld worden van de vergunningplicht. In algemene zin geldt in daadwerkelijke calamiteitssituaties het adagium ‘nood breekt wet’.
Toegang beperkende besluiten geldend voor het gebied kunnen nadere beperkingen opleggen aan drone gebruik. Voor ander (onder andere recreatief) drone gebruik is altijd toestemming nodig van het bevoegd gezag Wet natuurbescherming (categorie 3). Activiteit
Significante effecten op de IHD uit te sluiten?
Categorie
Drone gebruik voor toezicht, monitoring en beheer Recreatief dronegebruik
Ja, onder voorwaarden
4b
Nee
3
3
Literatuur
Hüsken, K. en de Nijs, N, 2022. Passende beoordeling gecoördineerd beheer ganzen Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Beheer van grauwe gans, brandgans, Canadese gans (in alle verschijningsvormen) en nijlgans binnen het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. Rapport Sweco Nederland B.V. In opdracht van de Stichting Faunabeheereenheid Noord-Holland. Kleijn, D. 2008. Effecten van geluid op wilde soorten - implicaties voor soorten betrokken bij de aanwijzing van Natura 2000 gebieden. Wageningen: Alterra.
90/98
Krijgsveld, K.L., B. Klaassen and J. van der Winden. 2022. Verstoring van vogels door recreatie. Literatuurstudie van verstoringsgevoeligheid en overzicht van maatregelen. Deel 1 hoofdrapport & deel 2 soortbesprekingen. Vogelbescherming Nederland, Zeist. Lensink, R., K.L. Krijgsveld and P.W. van Horssen. 2011. Verstorende effecten van groot vliegverkeer op broedvogels. Onderzoek op basis van bestaande gegevens verzameld rond de luchthaven Schiphol en op militaire vliegvelden. Rapport. Livezey, K.B., E. Fernández-Juricic and D.T. Blumstein. 2016. Database of bird flight initiation distances to assist in estimating effects from human disturbance and delineating buffer areas. Journal of Fish and Wildlife Managament 7: 181-191. Longcore, T., and C. Rich. 2004. "Ecological light pollution." Frontiers in Ecology and the Environment 2 (4):191-198. doi: 10.1890/15409295(2004)002[0191:ELP]2.0.CO;2. Ohm, D., R. ten Hulscher & R. Smits. 2014. Richtlijn KRW monitoring oppervlaktewater en protocol toetsen en beoordelen. Ministerie van Infrastructuur en Milieu, Rijkswaterstaat Water, Verkeer en Leefomgeving (RWS, WVL). RIVM, 2019. RIVM, 2019. Tussenevaluatie van de nota ‘Gezonde Groei, Duurzame Oogst’ Deelproject Milieu. RIVM rapport 2019-0044. Spoelstra, K., R.H.A. van Grunsven, J.J.C. Ramakers, K.B. Ferguson, T. Raap, M. Donners, E.M. Veenendaal, and M.E. Visser. 2017.
"Response of bats to light with different spectra: light-shy and agile bat presence is affected by white and green, but not red light." Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences 284 (1855):20170075. doi: 10.1098/rspb.2017.0075. Spoelstra, K., R.H. A. van Grunsven, M. Donners, P. Gienapp, M.E. Huigens, R. Slaterus, F. Berendse, M.E. Visser and E. Veenendaal. 2015. "Experimental illumination of natural habitat—an experimental set-up to assess the direct and indirect ecological consequences of artificial light of different spectral composition." Philosophical Transactions of the Royal Society B: Biological Sciences 370 (1667):20140129. doi: 10.1098/rstb.2014.0129. STOWA. (2010). Handboek hydrobiologie; Biologisch onderzoek voor de ecologische beoordeling van Nederlandse zoete en brakke oppervlaktewateren. Versie 2019, inclusief aanpassingen aansluiting actuele KRW-maatlatdocumenten. Van der Hut, R.M.G. 2022. Ecologisch beheerplan Het Twiske. A&W-rapport 20-450. Altenburg & Wymenga ecologisch onderzoek (Feanwâlden). Van Opzeeland, I., H. Slabbekoorn, T. Andringa, and C. ten Cate. 2007. Vissen en geluidsoverlast - effect van geluidsbelasting onder water op zoetwatervissen. Rijksuniversiteit Groningen, Universiteit Leiden.
91/98
Unie van Waterschappen. (2019). Gedragscode Wet Natuurbescherming Voor Waterschappen; Onderdeel Soortbescherming Bestendig beheer en onderhoud. Goedgekeurd door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit op 22 januari 2019.
92/98
Bijlage 4 Monitoring Deze bijlage bevat een overzicht van de monitoring die op hoofdlijnen nodig is om de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelen in de tweede beheerplanperiode te kunnen volgen (zie tabel 1). Tabel 1 geeft tevens een overzicht van de benodigde aanvullende monitoring. Deze aanvullende monitoringsbehoefte is afgeleid uit de evaluatie van het eerste beheerplan (Van Dijk et al., 202115). Daarnaast is een voorstel gedaan voor typische soorten die inzicht bieden in de kwaliteitsontwikkeling van habitattypen (zie tabel 2). Tot slot is per habitattype een evaluatie uitgevoerd van het aantal permanente kwadraten (PQ’s) dat aanwezig is (zie tabel 3). Tabel 1.
Overzicht monitoringsactiviteiten Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & ’t Twiske. De grijze arcering geeft aan welke monitoring van toepassing is
Vragen
Natura 2000-doelen
Methode
Frequentie
Benodigde aanvullende monitoring
Aantal soort
Diverse
1x per 6 jaar trend in beeld
Aanvullende monitoring van aantallen en trends is voor bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, meervleermuis en meerkoet in dit beheerplan opgenomen (hfst. 4)
Oppervlakte en kwaliteit leefgebied
Diverse
1x per 6 jaar trend in beeld
Areaal habitattype
SNL
1 x per 12 jaar
Gebiedsdekkende vegetatiekartering uiterlijk in 2026 is noodzakelijk. In Oostzanerveld is deze in 2027 gepland, in Varkensland in 2028. Eerder zou wenselijk zijn
Kwaliteit habitattype
o.a. SNL
1 x per 6/12 jaar
- eventueel: koppelen structuurkartering aan gebiedsdekkende vegetatiekartering - eventueel: extra monitoring van typische soorten (zie tabel 3) -extra PQ’s nodig (zie tabel 3)
Habitattypen
15
Habitatrichtlijn soorten, broedvogels en nietbroedvogels
Van Dijk, R., D. de Vries, A. Bucholc, H. Löwenhardt, J.-W. Wolters, and E. de Swart. 2021. Evaluatie Natura 2000-beheerplan Westzaan. Sweco Nederland B.V.
93/98
Vragen
Natura 2000-doelen
Methode
Frequentie
Voortgang natuurherstelmaatregelen / onderzoek
Diverse
jaarlijks
Proces natuurherstel PASmaatregelen
PAS Procesindicatoren
1 x per 3 jaar
Benodigde aanvullende monitoring
Typische soorten Tabel 2 geeft een overzicht van de typische soorten die gebruikt zijn bij de evaluatie van het eerste beheerplan. Tijdens de evaluatie is gebleken dat een aantal van de gebruikte typische soorten niet in de gebieden voorkomen of te verwachten zijn. Voor vochtige laagveenheiden (H4010B) was bijvoorbeeld maar één typische soort benoemd. In de evaluatie is dan ook aanbevolen om de typische soortenlijst aan te passen. De herziene typische soortenlijst is opgenomen in tabel 2. De keuze voor de soorten is hieronder gemotiveerd. Een aantal typische soorten is geschrapt. Dit zijn soorten die al langere tijd verdwenen zijn uit de Laag Hollandse Natura 2000-gebieden of daar nooit voorkwamen. Ook zijn er soorten geschrapt waarvoor momenteel geen monitoringsprogramma is opgesteld en waarvoor dit ook niet gaat gebeuren, zoals paddenstoelen en schietmotten. Tabel 2.
Overzicht van typische soorten. Oud: de soorten die in de beheerplanevaluatie zijn gehanteerd (Van Dijk et al., 2021). Nieuw: de aangepaste soortenlijst. Vetgedrukte soorten zijn kwalificerende SNL soorten voor het gerelateerde beheertype.
H3140 Oud
H4010B Nieuw
H6430B
H7140B
H91D0
Oud
Nieuw
Oud
Nieuw
Oud
Ronde zonnedauw
Ronde zonnedauw
Echt lepelblad
Echt lepelblad
Grote vuurvlinder
Smalbladig veenmos
Moerasgaffeltandmos
Heemst
Heemst
Anabolia brevipennis
Violet veenmos
Brokkelig kransblad
Stijf veenmos
Moerasmelkdistel
Moerasmelkdistel
Limnephilus incisus
Witte berkenboleet
Buigzaam glanswier
Hoogveenveenmos
Rivierkruiskruid
Brakwater kransblad Breekbaar kransblad
Breekbaar kransblad
Gebogen kransblad
Gebogen krans-blad
Rood veenmos
Selderij
Kustkransblad
Kustkransblad
Lavendelhei
Zomerklokje
Stekelharig kransblad
Stekelharig kransblad
Eenarig wollegras
Bosrietzanger
Sterkranswier
Sterkranswier
Rode bosbes
Dwergmuis
Groot nimfkruid
Selderij
Nieuw
Oud
Nieuw
Elzenmos
Elzenmos
Houtsnip
Houtsnip
Glanzend veenmos
Glanzend veenmos
Matkop
Matkop
Broos vuurzwammetje
Stijf veenmos
Bosrietzanger
Kaalveenmos klokje
Rood veenmos
Dwergmuis
Moerashoningzwam
Glanzend maanmos
Veenreukgras
Veenmosbundelzwam
Glanzend veenmos
Heelblaadjes
Veenmosgrauwkop
94/98
H3140 Oud
H4010B Nieuw
Oud
H6430B Nieuw
Oud
H7140B
H91D0
Nieuw
Oud
Nieuw
Slank veenmos
Poelruit
Veenmosvuurzwammetje
Gewone dophei
Moerasvaren
Gouden sprinkhaan
Kraaihei
Bruine kiekendief
Kamvaren
Kamvaren
Struikhei
Ronde zonnedauw
Ronde zonnedauw
Veenpluis
Veenmosorchis
Veenmos orchis
Watersnip
Watersnip
Oud
Nieuw
Toelichting typische soorten Kranswierwateren (H3140) Groot nimfkruid: groot nimfkruid is een hogere waterplant die vaak samen met kranswieren voorkomt, maar toleranter is voor hoge nutriëntenconcentraties. Hoewel deze soort prominenter voorkomt in de associatie van groot nimfkruid (niet kwalificerend voor H3140) is de soort toch opgenomen als typische soort vanwege zijn historische voorkomen in Laag Holland samen met sterkranswier. Daarnaast is deze soort recent waargenomen in de Kalverpolder, Polder Westzaan en alle deelgebieden van het Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland & ’t Twiske. Toelichting typische soorten Vochtige heiden (laagveengebied) (H4010B) Moerasgaffeltandmos: een van de mossen die als diagnostische rode lijst (RL) soorten voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent nog op meerdere plaatsen waargenomen in het Wormeren Jisperveld. Stijf veenmos: een van de mossen die als diagnostische RL soorten voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de standaardgegevensformulieren (SDF’s) voor H4010B. Deze soort is recent nog waargenomen in Polder Westzaan. Hoogveenveenmos: een van de mossen die als diagnostische RL soorten voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B.
Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in Polder Westzaan en het Ilperveld. Rood veenmos: een van de mossen die als diagnostische RL soorten voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in het Ilperveld. Lavendelhei: een van de hoogveensoorten die als representatief voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in het Ilperveld.
95/98
Eenarig wollegras: een van de hoogveensoorten die als representatief voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Deze soort is recent nog waargenomen in het Ilperveld. Rode bosbes: een van de hoogveensoorten die als representatief voor H4010B wordt gegeven voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in het Ilperveld. Glanzend maanmos: een van de indicatorsoorten voor oude stadia van H4010B voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in het Ilperveld en in het Wormer- en Jisperveld. Glanzend veenmos: een van de indicatorsoorten voor jonge stadia van H4010B voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in Laag Holland. Slank veenmos: een van de indicatorsoorten voor jonge stadia van H4010B voor het invullen van de SDF’s voor H4010B. Deze soort is recent waargenomen in Laag Holland. Gewone dophei: Gewone dophei is een karakteristieke climaxsoort voor goed ontwikkelde moerasheide. Het gaat hier tevens om een kwalificerende soort voor N06.01. Tot slot is deze soort recent waargenomen in Polder Westzaan, het Ilperveld en Varkensland.