CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

9311-2023 RIB bijlage - Ontwerp Natura 2000-beheerplannen

Raadsvergadering 20 april 2023, gemeente landsmeerBij agendapunt: RAADSINFORMATIEBRIEVEN33.961 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Maatregelen Kranswierwateren zijn op dit moment alleen aanwezig in Varkensland (zie tabel 6). De uitbreidingsdoelstelling voor kranswierwateren is 5 tot 10 ha (zie tabel 5) (Van Dijk et al., 2021). In de beheerplanevaluatie wordt geconcludeerd dat deze uitbreiding mogelijk is in Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland (Van Dijk et al., 2021). Op basis van ervaring in Ilperveld (plan Watersnip) blijkt dat kranswiervegetaties zich na de uitvoering van maatregelen ontwikkelen maar na beperkte tijd weer verdwijnen. De aanwezigheid van kranswiervegetaties is dus in Laag-Holland niet bestendig. Dit komt overeen met het gegeven dat kranswiervegetaties veelal pioniervegetaties zijn. Onder voedselrijke omstandigheden als in Laag-Holland is de levensduur van deze vegetaties bovendien relatief kort. In het Ilperveld worden in de tweede beheerplanperiode in de pilot ‘bestendige uitbreiding habitattype H3140’ herstel- en uitbreidingsmaatregelen genomen ten behoeve van kranswiervegetaties (zie tabel 7). De maatregelen bestaan uit hydrologische isolatie van deelgebieden om de nutriëntenbelasting te verminderen en doorzicht te verbeteren en baggeren. In de pilot ‘bestendige uitbreiding habitattype H3140’ wordt geëxperimenteerd met slootschonings- en baggerfrequentie en doorspoelen van vakken om kranswiervegetaties voor langere tijd te kunnen behouden.

Het effect van deze maatregelen op de ontwikkeling van watervegetatie moet worden gemonitord. De uitbreiding van kranswierwateren in Varkensland en Oostzanerveld wordt afhankelijk van de uitkomsten in Ilperveld- in de derde beheerplanperiode uitgevoerd (zie tabel 7).

23/98

Tabel 7.

Maatregelen ten behoeve van kranswierwateren (H3410)

Doel

Deelgebied

Maatregel

Omvang (ha) Frequentie

Uitbreiding oppervlakte

Ilperveld

Uitvoering pilot bestendige uitbreiding habitattype H3140: hydrologische isolatie, baggeren, monitoring

1,67 - 3,33

Uitbreiding oppervlakte

Varkensland en Hydrologische isolatie en Oostzanerveld baggeren t.b.v. uitbreiding habitattype, na succesvolle pilot Ilperveld Ilperveld, Monitoring t.b.v. uitbreiding Varkensland en in beheerplanperiode 3 Oostzanerveld Ilperveld, Verbeteren kwaliteit Varkensland en watersysteem Oostzanerveld

3,33 - 6,67

Uitbreiding oppervlakte Behoud kwaliteit en uitbreiding oppervlakte

4.1.2

Financieringsbron

Eenmalig, Programma natuur, beheerplanperiode IBP Vitaal 2 Platteland Ilperveld en Versneld natuurherstel Rijk (RVO) Eenmalig, beheerplanperiode 3 Gedurende 6 jaar

Programma natuur

Zie paragraaf 4.5.

Vochtige heiden (laagveengebieden) (H4010B)

Omvang en kwaliteit Het habitattype vochtige heiden H4010B komt alleen voor in het Ilperveld (zie tabel 8). In de eerste beheerplanperiode is er sprake van kwaliteitsverlies van het habitattype vochtige laagveenheide in het Ilperveld. Voorafgaand aan de eerste beheerplanperiode heeft in het Oostzanerveld een afname plaatsgevonden van de kwaliteit vochtige laagveenheiden waardoor kwalificerende vochtige laagveenheiden in het Oostzanerveld niet meer voorkomen (pers. med. Van ’t Veer). Voor vochtige heiden geldt een behoudsdoelstelling voor kwaliteit en een uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte (zie tabel 3). Naar schatting is een uitbreiding van het oppervlak vochtige laagveenheide van ongeveer 1 ha op een termijn van 25 jaar mogelijk (Van Dijk et al., 2021) (zie tabel 5). Vanwege de geringe verspreidingscapaciteit van inheemse heidesoorten wordt de uitbreiding het meest kansrijk geacht in het Ilperveld waar nu ook al kwalificerende vochtige heiden aanwezig is. In Varkensland is door gericht beheer, in combinatie met plaggen, het oppervlak aan dophei recent toegenomen (periode 2016-2021). Hier zijn eveneens kansen voor uitbreiding van nieuw kwalificerend oppervlak vochtige heiden (pers. med. Van 't Veer & Dekker).

Aangezien kwalificerende vochtige heiden in het recente verleden in het Oostzanerveld ook nog aanwezig waren, zijn er ook hier kansen voor uitbreiding van dit habitattype. Tabel 8.

Areaal en kwaliteit van H4010B Vochtige heiden in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld

Deelgebied

Goede kwaliteit (ha)

Matige kwaliteit (ha)

Totaal (ha)

Ilperveld

0,57

0,01

0,58

Ontwikkeling en knelpunten De kritische depositiewaarde van het habitattype vochtige heiden wordt in het Ilperveld op 100% van het oppervlak vochtige laagveenheide overschreden (Wolters et al., 2022). Daarnaast vormt de oppervlaktewaterkwaliteit een knelpunt voor dit habitattype.

24/98

Door de slechte waterkwaliteit treedt nieuwe verlanding niet meer op. Daarnaast leidt de hoge stikstofdepositie tot een afname van de kwaliteit en soortenrijkdom en een versnelde successie. Plaatselijk is er sprake van vergrassing, een beperkte soortenrijkdom van de mossen- en korstmossenflora en een afname van heidesoorten door een toename van houtige opslag (berk), appelbes en cranberry. In het Ilperveld zullen de in 2020 en 2021 uitgevoerde herstelmaatregelen naar verwachting leiden tot kwaliteitsverbetering en uitbreiding van het areaal vochtige heiden. Het betreft het verwijderen van cranberry en appelbes en (herfst)maaibeheer. In Varkensland zijn eveneens kansen ontstaan voor uitbreiding van vochtige heiden door gepast beheer in combinatie met plaggen. Maatregelen In tabel 9 zijn de maatregelen ten behoeve van vochtige heiden (H4010B) opgenomen. Voortzetten van herfstmaaien en het verwijderen van opslag blijft nodig om te kunnen voldoen aan de behoudsdoelstelling voor kwaliteit. Daarnaast is waterkwaliteitsverbetering nodig voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen van vochtige heiden. In de beheerplanevaluatie wordt uitgegaan van een uitbreiding van 1 ha vochtige laagveenheide in de komende 25 jaar (zie ook tabel 5). Dit vindt in Ilperveld voornamelijk plaats door herfstmaaien van verouderd veenmosrietland grenzend aan vochtige heide.

Aangezien vochtige heide alleen voorkomt in Ilperveld zijn de kansen voor uitbreiding het grootst in het Ilperveld, maar ook in Varkensland en Oostzanerveld zijn kansen. Om 1 ha uitbreiding te realiseren moeten maatregelen en het noodzakelijke beheer op een groter oppervlak worden ingezet. Tabel 9.

Maatregelen ten behoeve van vochtige heiden (H4010B)

Doel

Deelgebied

Uitbreiding oppervlakte

Ilperveld

Uitbreiding oppervlakte Uitbreiding oppervlakte

Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit

4.1.3

Herfstmaaien verouderd veenmosrietland grenzend aan vochtige heide Varkensland Gepast nabeheer plaglocaties en herfstmaaien veenmosrietland Oostzanerveld Grondruil, bomen/opslag verwijderen, appelbes verwijderen, eventueel plaggen, nabeheer Ilperveld Herfstmaaien Ilperveld

Behoud kwaliteit, uitbreiding oppervlakte

Maatregel

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Handmatig verwijderen opslag (waaronder cranberry, appelbes en bosopslag) Verbeteren kwaliteit watersysteem

Omvang (ha) 5 ha

Frequentie Financieringsbron

3 ha

Jaarlijks

6 ha

0,6 ha

Eenmalig herstel, jaarlijks nabeheer Jaarlijks

0,6 ha

Jaarlijks

Jaarlijks

Zie paragraaf 4.5

Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) (H6430B)

Omvang en kwaliteit Het habitattype ruigten en zomen is volgens de habitattypenkaart vrijwel geheel van matige kwaliteit (zie tabel 10). De grootste oppervlakten ruigten en zomen liggen in het Ilperveld. Ook in het Oostzanerveld komt het habitattype verspreid

25/98

voor. In het Varkensland is het areaal ruigten en zomen zeer beperkt. Vegetaties die voldoen aan de kwaliteit goed worden gekenmerkt door de aanwezigheid van de soorten heemst, selderij en echt lepelblad. Deze soorten zijn in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld zeer zeldzaam of afwezig. Voor het habitattype ruigten en zomen geldt een behoudsdoelstelling voor kwaliteit en oppervlakte (zie tabel 3). Tabel 10.

Areaal en kwaliteit van H6430B Ruigten en zomen in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld

Deelgebied

Goede kwaliteit (ha)

Matige kwaliteit (ha)

Totaal (ha)

Ilperveld

0,01

7,13

7,14

Varkensland

0,02

0,02

Oostzanerveld

2,35

2,35

9,50

9,51

Totaal

0,01

Ontwikkeling en knelpunten Een afname van de bedekking met ruigtekruiden en van typische soorten als selderij en moerasmelkdistel wijst in dit gebied op een afname van de kwaliteit van het habitattype ruigten en zomen H6430B. Vanwege de verzoeting van het gebied zullen de brakke soorten naar verwachting verder afnemen. Op termijn zullen er waarschijnlijk rietzomen ontstaan met echte valeriaan en moerasspirea en kan de vegetatie zich ontwikkelen tot het zoete subtype H6430A. Plaatselijk treedt opslag van braam en houtige gewassen en oeverafslag op. Daarnaast blijft er plaatselijk maaisel en strooisel liggen in de ruigten en zomen, waardoor stikstof-minnende soorten als grote brandnetel en kleefkruid kunnen toenemen. Opslag, de accumulatie van strooisel en oeverafslag kunnen leiden tot een afname van kwaliteit en oppervlak van ruigten en zomen H6430B. De ruigten en zomen in Ilperveld hebben verder te maken met verdroging waardoor de meeste ruigtes te droog zijn en een goede kwaliteit niet kan worden gehaald. Voor behoud van de ruigten en zomen is een periodiek beheer van maaien en afvoeren nodig. De benodigde frequentie is afhankelijk van het aanwezige vegetatietype (Van Dijk et al., 2022). Passend beheer is echter in de praktijk niet altijd goed geregeld. Dit leidt plaatselijk mogelijk eveneens tot een afname van de omvang en kwaliteit van dit habitattype.

Maatregelen Om de behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit te realiseren is het nodig periodiek opslag te verwijderen om ruigtesoorten te behouden, geaccumuleerd strooisel af te voeren en een beheer van gefaseerd maaien en afvoeren uit te voeren (zie tabel 11). Om oeverafslag te beperken is het nodig om plaatselijk oeverbescherming te realiseren. In Ilperveld worden hydrologische herstelmaatregelen genomen om de verdroging van ruigten en zomen tegen te gaan. Verder wordt de toegang in delen van het gebied beperkt voor gemotoriseerde vaartuigen teneinde het illegaal betreden van kwalificerend habitat en de afslag van oevers door te hard varen te beperken (zie verder bijlage 3). Dit wordt uitgevoerd in niet doorgaande wateren en in afstemming met de grondgebruikers.

26/98

Tabel 11.

Maatregelen ten behoeve van ruigten en zomen (H6430B)

Doel

Deelgebied

Maatregel

Omvang

Frequentie

Financieringsbron

Behoud van kwaliteit en oppervlakte Behoud van kwaliteit en oppervlakte Behoud van kwaliteit en oppervlakte

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld

Verwijderen opslag

9,5 ha*

Minimaal eens per 3 jaar Eenmalig

Programma natuur

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Strooisel verwijderen (in Ilperveld i.c.m. hydrologisch herstel) Gefaseerd maaien en afvoeren. Frequentie is afhankelijk van de aanwezige vegetatie (Van Dijk et al., 2022) Oeverbescherming

Behoud van Ilperveld, kwaliteit en Varkensland, oppervlakte Oostzanerveld

Behoud van kwaliteit en oppervlakte Behoud van kwaliteit en oppervlakte

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Hydrologisch herstel

Eens in de zes jaar

9,5 ha

Toegangsbeperking ten behoeve van recreatieve zonering

Ca. eens in de twee tot drie jaar

Deels via SNL, deels niet geregeld

Eenmalig

Programma natuur (Varkensland en Oostzanerveld)

Eenmalig

* Uitgaande van een frequentie van minimaal eens in de drie jaar komt dit neer op ca. 3,5 ha per jaar

4.1.4

Overgangs- en trilvenen (veenmosrietlanden) (H7140B)

Omvang en kwaliteit De grootste oppervlakten veenmosrietlanden komen voor in het Ilperveld. Daarnaast komt het habitattype veenmosrietlanden verspreid in het Oostzanerveld en Varkensland voor. De omvang van het habitattype is volgens de habitattypekaart 52,8 ha, waarvan 31,8 ha van goede kwaliteit en 20,9 ha van matige kwaliteit (zie tabel 12). Voor veenmosrietlanden geldt een behoudsdoelstelling voor kwaliteit en uitbreidingsdoelstelling voor oppervlakte (zie tabel 3). Tabel 12.

Areaal en kwaliteit van H7410B Veenmosrietlanden in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld

Deelgebied

Goede Matige kwaliteit (ha) kwaliteit (ha)

Totaal (ha)

Ilperveld

20,3

17,2

37,5

Varkensland

3,2

0,5

3,7

Oostzanerveld

8,4

3,2

11,6

Totaal

31,9

20,9

52,8

Ontwikkeling en knelpunten In de eerste beheerplanperiode was er sprake van kwaliteitsverlies onder andere door een toename van opslag en de ontwikkeling van de moslaag. Het voorkomen van een typische soort als veenmosorchis is in de eerste beheerplanperiode afgenomen hetgeen eveneens wijst op een afname van de kwaliteit van veenmosrietlanden. In de oeverzone wordt de kwaliteit door goed beheer (afvoeren van maaisel, laat in het jaar maaien en afvoeren) behouden of

27/98

zelfs verbeterd (Non en Diemeer, 2020). Ook de in 2020 en 2021 uitgevoerde maatregelen als plaggen en het verwijderen van opslag leiden naar verwachting tot kwaliteitsverbetering en uitbreiding van het oppervlak veenmosrietlanden. Knelpunten voor het habitattype bestaan onder andere uit een te hoge stikstofdepositie en een slechte waterkwaliteit. De kritische depositiewaarde van het habitattype veenmosrietlanden wordt in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld op 100% van het oppervlak veenmosrietlanden overschreden. Stikstofdepositie leidt door verzuring en eutrofiëring tot een afname van de kwaliteit en omvang van veenmosrietlanden (zie tekstkader 1). Tekstkader 1. Effecten van stikstofdepositie voor veenmosrietland H7410B De oudere stadia van het habitattype zijn ten opzichte van jongere stadia vanwege een dikkere kragge meer geïsoleerd van het bufferende oppervlaktewater en daardoor relatief vatbaar voor verzuring. Als gevolg hiervan ontstaan toenemende oppervlakten haarmos en een afname van typische soorten, zoals glanzend veenmos en elzenmos. Ook leidt stikstofdepositie door toenemende eutrofiëring tot vegetatieverdichting, zoals een toename van grassen en een snellere kieming van houtige gewassen, zoals berk, appelbes, lijsterbes, krentenboompje en bramen (Gebiedsanalyse-92, 2017). De effecten van verzuring en eutrofiëring worden versterkt door verdroging.

Verder nemen onder invloed van zure stikstofdepositie (ammoniak) sommige veenmossoorten sneller toe. De jonge, gebufferde stadia gaan hierdoor sneller over in oude, verzuurde stadia dan via natuurlijke successie het geval zou zijn geweest.

Door te hoge fosfaatconcentraties in het oppervlaktewater kunnen in de kraggen met veenmosrietlanden dikke en soortenarme pakketten met gewoon veenmos ontstaan. Dit leidt tot een afname van de kwaliteit van veenmosrietlanden. Ook leidt een slechte waterkwaliteit tot een toename of plaatselijke dominantie van ruigtekruiden. Dit is met name zichtbaar langs de oevers van de geplagde veenmosrietlanden. Een goede oppervlaktewaterkwaliteit is van belang om nieuwe verlanding op gang te brengen. Verlanding is nodig om op de lange termijn alle stadia van de verlandingsreeks (waaronder veenmosrietlanden) te behouden. Plaatselijk hebben ongewenste exoten als appelbes en cranberry zich gevestigd en treedt opslag op bomen op. Een deel van de veenmosrietlanden heeft bovendien last van vraatschade en verruiging met pitrus door beweiding. Dit kan leiden tot kwaliteitsverlies. Tot slot leidt afkalving van de oevers plaatselijk tot een afname van het oppervlak veenmosrietland. Maatregelen De maatregelen die in de eerste beheerplanperiode zijn genomen leiden waarschijnlijk in de tweede beheerplanperiode tot verbetering van de kwaliteit en uitbreiding van het oppervlak veenmosrietlanden. Om de instandhoudingsdoelen te realiseren is het noodzakelijk om aanvullende maatregelen te nemen. Waterkwaliteitsverbetering is nodig voor de realisatie van de instandhoudingsdoelen van veenmosrietlanden.

In tabel 13 zijn de maatregelen ten behoeve van het habitattype veenmosrietlanden opgenomen. In de beheerplanevaluatie wordt uitgegaan van een uitbreiding van 37,1 ha, te verdelen over de drie deelgebieden in de komende 25-30 jaar (zie tabel 5). De beheerders geven aan dat dit een forse opgave is. Een deel van de uitbreiding kan worden gerealiseerd via successie van jonge verlanding. Dit kunnen jonge en initiële stadia van het veenmosrietland zijn, bestaande uit verlanding van riet met beginnende veenmosgroei of rietverlanding met echte koekoeksbloem (zie paragraaf 3.3.2). Jonge verlanding is echter nauwelijks aanwezig in Ilperveld,

28/98

Varkensland en Oostzanerveld. De kansen voor uitbreiding van veenmosrietland door successie via bestaande jonge verlanding moet bij aanvang van de tweede beheerplanperiode verder in beeld worden gebracht. Daarnaast kan uitbreiding gerealiseerd worden door kwaliteitsverbetering van veenmosrietland dat niet kwalificeert. Hiervan is in Ilperveld, Oostzanerveld en Varkensland een aanzienlijk oppervlak aanwezig. Maatregelen die leiden tot uitbreiding door kwaliteitsverbetering zijn bijvoorbeeld het verwijderen van opslag, plaggen en maaien (zie tabel 13). Inrichtingsmaatregelen in het kader van de ‘Groeiend veen’-concepten (Van ‘t Veer, 2022) (zie ook paragraaf 9.2) kunnen eveneens bijdragen aan het realiseren van de uitbreiding. Bij aanvang van de tweede beheerplanperiode moet door de beheerders nader worden bepaald welke maatregelen nodig zijn. Verder wordt de toegang in delen van het gebied beperkt voor gemotoriseerde vaartuigen teneinde het illegaal betreden van kwalificerend habitat en de afslag van oevers door te hard varen te beperken (zie verder bijlage 3). Dit wordt uitgevoerd in niet doorgaande wateren en in afstemming met de grondgebruikers. Tabel 13.

Maatregelen ten behoeve van veenmosrietlanden (H7140B)

Doel

Deelgebied

Maatregelen

Uitbreiding oppervlakte

Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland Ilperveld, Oostzanerveld, Varkensland

Inventarisatie van kansen uitbreiding door successie via bestaande jonge verlanding Uitbreiding door kwaliteitsontwikkeling van niet kwalificerend veenmosrietland: verwijderen opslag, plaggen en maaien

Behoud kwaliteit

Ilperveld

Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit

Ilperveld

Nabeheer plaglocaties: verwijderen cranberry en andere ongewenste soorten Baggeren & hydrologische isolatie van watergangen Kwaliteitsimpuls Varkensland: verbeteren detailwaterhuishouding, historische greppels herstellen, vervangen greppelbuizen. Handmatig verwijderen appelbes en cranberry

Uitbreiding oppervlakte

Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit

Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit Behoud kwaliteit

Varkensland

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Omvang

Frequentie

Nader te Ilperveld ca. bepalen 10 ha*, Oostzanerveld ca. 10 ha*, Varkensland ca. 17 ha* 11,3 ha Jaarlijks

Financieringsbron

Herstelmaatregelen 2.0

Eenmalig

Programma natuur

28 ha**

Eenmalig

Programma natuur

52,8 ha

Jaarlijks

Herstelmaatregelen 2.0

Herfstmaaien en afvoeren

37,5 ha

Jaarlijks

Herstelmaatregelen 2.0

Meerdere malen maaien pitrus (inclusief afvoer)

Ca. 17 ha in Meerdere Ilperveld malen per Ca. 2 ha in jaar Varkensland Ca. 5 ha in Oostzanerveld Eenmalig

Oeverbescherming

Plaatsen rasters of aanleg sloten in beweide percelen om inloop van veen tegen te gaan Verwijderen opslag

Ca. 10 km

Eenmalig

17 ha

Eenmalig, nabeheer jaarlijks

Herstelmaatregelen 2.0 (Varkensland en Oostzanerveld)

Herstelmaatregelen 2.0

29/98

Doel

Deelgebied

Maatregelen

Behoud kwaliteit

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Verbeteren kwaliteit watersysteem

Behoud van kwal. en opp.

Omvang

Frequentie

Financieringsbron Zie paragraaf 4.5

Toegangsbeperking ten behoeve van recreatieve zonering

Eenmalig

* dit betreft een ruwe schatting. In het Oostzanerveld en Varkensland is dit gebaseerd op de aanname dat 50% van het niet kwalificerende natuurbeheertype N06-01 (veenmosrietland en moerasheide) om te vormen is naar kwalificerend veenmosrietland/** onder dit oppervlakte vallen ook maatregelen voor andere habitattypen

4.1.5

Hoogveenbossen (H91D0)

Omvang en kwaliteit Het grootste areaal hoogveenbossen bevindt zich in het Ilperveld. Hier komen in het noordwesten verschillende grote percelen goed ontwikkeld hoogveenbos voor. Daarnaast komt het habitattype op beperkte schaal voor in Varkensland en in het Oostzanerveld (zie tabel 14). Tabel 14.

Areaal en kwaliteit van H91D0 Hoogveenbossen in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld

Deelgebied

Goede kwaliteit (ha)

Matige kwaliteit (ha)

Totaal (ha)

Ilperveld

5,9

10,9

16,8

Varkensland

0,5

0,5

Oostzanerveld

0,4

0,4

Totaal

6,8

10,9

17,7

Voor het habitattype hoogveenbossen geldt een behoudsdoelstelling voor kwaliteit en oppervlakte (zie tabel 3). Ontwikkeling en knelpunten Opslag van appelbes en braam vormt een probleem en kan leiden tot kwaliteitsverlies van het habitattype hoogveenbossen. Met name aan de randen van bospercelen kan voedselrijk oppervlaktewater bijdragen aan de vestiging van deze soorten. Daarnaast is uit veldwaarnemingen gebleken dat veenbossen plaatselijk zijn verdroogd. Daardoor is er plaatselijk sprake van een afname van de veenmosbedekking (pers. med. W. Non). In hoeverre deze drukfactoren leiden tot een afname van kwaliteit en oppervlakte van het habitattype is niet bekend. Maatregelen Om de behoudsdoelstelling voor oppervlakte en kwaliteit te realiseren is het nodig om de oppervlaktewaterkwaliteit te verbeteren en opslag van onder andere appelbes en braam te verwijderen (zie tabel 15).

30/98

Tabel 15. Maatregelen ten behoeve van hoogveenbossen (H91D0) Doel

Deelgebied

Maatregelen

Kwaliteit

Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld

Verwijderen appelbes en braam

Behoud kwaliteit

4.1.6

Omvang (ha)

Frequentie

Financieringsbron

Jaarlijks

Verbeteren kwaliteit watersysteem

Zie paragraaf 4.5

Beheer

Goed beheer is belangrijk voor het realiseren van de instandhoudingsdoelen en tegelijkertijd een grote uitdaging in Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld, & Twiske. Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld bestaan overwegend uit vaarland en het oppervlakte kwalificerend habitat per perceel is veelal beperkt. Daardoor is het beheer kostbaar en niet efficiënt uitvoerbaar en is de afvoer van bijvoorbeeld gemaaid riet niet altijd goed geregeld. De SNL-vergoeding voor het reguliere beheer van kwalificerend habitat is te laag om de beheerkosten te dekken. Staatsbosbeheer en Landschap Noord-Holland beheren een groot deel van het areaal kwalificerend habitat (zie tabel 16). Het beheer is echter niet voor het gehele oppervlak kwalificerend habitat geregeld. Dit geldt bijvoorbeeld voor gronden van overheden, het hoogheemraadschap en particuliere gronden. Gezien het belang van goed beheer en de geconstateerde knelpunten, vraagt beheer in de tweede beheerplanperiode om nadere aandacht. Daarom is per habitattype een aantal maatregelen opgenomen die betrekking hebben op beheer. Aanvullend zijn de volgende acties noodzakelijk: · · ·

Een jaarlijkse gebiedsbrede evaluatie van het beheer van kwalificerend habitat (inclusief uitbreiding) onder regie van de provincie. Communicatie over beheer en instandhoudingsdoelen- en maatregelen en het organiseren van het beheer van kwalificerend habitat bij particulieren. Het agenderen van aanvullende beheergelden voor kwalificerend habitat door de provincie.

Tabel 16.

Eigendom en beheer van kwalificerend habitat

Staatsbosbeheer

Onderdeel van de beheertypen kaart (2022) Ja

H3140 Kranswierwateren

H4010B Vochtige heiden

0,03

Nee

H7140B – Veenmosrietlanden

H91D0 – Hoogveenbossen

1,57

13,04

0,50

0,06

0,30

Landschap NoordHolland

Ja

4,43

34,73

Nee

0,59

0,91

HHNK

Ja

0,28

0,66

0,30

Nee

1,24

0,68

0,04

Ja

<0,01

<0,01

Nee

0,14

Ja

1,16

0,18

Nee

0,33

0,72

Overheid

Overig (waaronder particulier)

0,58

H6430B Ruigten en zomen

15,96

0,50

31/98

4.2

Habitatrichtlijnsoorten

Het instandhoudingsdoel voor de Habitatrichtlijnsoorten in het gebied (bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad, meervleermuis en noordse woelmuis) is behoud van de populatieomvang en behoud van het oppervlakte en de kwaliteit van het leefgebied. De beschrijving van de ontwikkeling en knelpunten in dit hoofdstuk is gebaseerd op de evaluatie van het eerste beheerplan (Van Dijk et al., 2021). In tabel 17 zijn de conclusies met betrekking tot de ontwikkeling van de instandhoudingsdoelen samengevat. In het eerste beheerplan zijn de kaarten met de leefgebieden van Habitatrichtlijnsoorten opgenomen (Provincie Noord-Holland, 2016). Tabel 17.

Doelrealisatie Habitatrichtlijnsoorten: groen: doel gerealiseerd, oranje: doel mogelijk niet gerealiseerd, rood: doel niet gerealiseerd

soort

Doel populatie

H1134 Bittervoorn H1149 Kleine modderkruiper H1163 Rivierdonderpad H1318 Meervleermuis H1340 Noordse woelmuis

4.2.1

= = = = =

Realisatie

Doel leefgebied

Realisatie leefgebied

Behoud populatieomvang

omvang/kwaliteit

Behoud omvang

behoud kwaliteit

=/= =/= =/= =/= =/=

Bittervoorn

Ontwikkeling en knelpunten Er vindt een matige afname in aantallen bittervoorn plaats op provinciaal niveau, die ook binnen de begrenzing van het gebied zichtbaar lijkt te zijn. De doelstelling van behoud van de populatie lijkt daarmee niet te zijn gerealiseerd. De verslechterde kwaliteit van het leefgebied van de bittervoorn (met name een afname van watervegetatie en slechte waterkwaliteit in het Ilperveld) is hiervan mogelijk de oorzaak. De behoudsdoelstelling voor de kwaliteit van het leefgebied is dan ook niet gerealiseerd. De omvang van het leefgebied is gelijk gebleven. Maatregelen Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, is het noodzakelijk om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek. Daarbij moeten ook de verspreiding van de zoetwatermossel, geschikte overwinteringsplaatsen, of mogelijkheid tot uitwisseling met open water in kaart worden gebracht (zie tabel 18). Daarnaast komt verbetering van de watersysteemkwaliteit ten goede aan deze soort.

4.2.2

Kleine modderkruiper

Ontwikkeling en knelpunten Omdat er op gebiedsniveau weinig data van kleine modderkruiper beschikbaar zijn, wordt ervan uitgegaan dat de trend op provinciaal niveau eveneens geldt op gebiedsniveau. Op provinciaal niveau is een matige afname te zien. Daardoor wordt de behoudsdoelstelling voor de populatieomvang in dit gebied waarschijnlijk evenmin behaald.

32/98

De afnemende ecologische waterkwaliteit zorgt voor een afname in de kwaliteit van het leefgebied van de kleine modderkruiper. De omvang van het leefgebied is gelijk gebleven. Maatregelen Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, is het noodzakelijk om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek (zie tabel 18). Daarnaast komt verbetering van de watersysteemkwaliteit deze soort ten goede.

4.2.3

Rivierdonderpad

Ontwikkeling en knelpunten Op provinciaal niveau is de rivierdonderpad sterk afgenomen. De aantalstrend van rivierdonderpad in het gebied is daardoor waarschijnlijk eveneens negatief. Daarmee wordt de behoudsdoelstelling voor de populatieomvang waarschijnlijk niet behaald. De ecologische waterkwaliteit is afgenomen, wat betekent dat ook de kwaliteit van het leefgebied van de rivierdonderpad achteruit is gegaan. Maatregelen Aangezien concrete monitoringsgegevens ontbreken, is het wenselijk om zowel de aantallen als de verspreiding van de soort beter in kaart te brengen met protocollair, gedetailleerd onderzoek (zie tabel 18). Daarnaast komt verbetering van de watersysteemkwaliteit deze soort ten goede.

4.2.4

Meervleermuis

Ontwikkeling en knelpunten Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske worden als foerageergebied gebruikt door meervleermuis. Omdat Twiske niet als Habitatrichtlijngebied is aangewezen is meervleermuis geen instandhoudingsdoel voor Twiske. Op basis van de provinciale data is de verwachting dat in Ilperveld, Varkensland en het Oostzanerveld de populatie niet achteruit is gegaan. Er zijn echter aanwijzingen dat er minder kraamkolonies in de directe omgeving zijn. Dat kan van invloed zijn op de populatie die in het gebied voorkomt. Maatregelen Omdat lokale gegevens ontbreken is nader onderzoek naar kraamkolonies en de lokale aantallen foeragerende meervleermuis nodig. Daarnaast blijft behoud van voldoende oevers met windluwe rietzomen van belang (zie tabel 18). Hiervoor is een beheer van opslag verwijderen en gefaseerd maaien en afvoeren nodig. Bij het nader onderzoek naar foeragerende vleermuizen kan in beeld worden gebracht of de vliegroutes van voldoende kwaliteit zijn en voldoende worden beheerd.

4.2.5

Noordse woelmuis

Ontwikkeling en knelpunten Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske zijn leefgebied voor noordse woelmuis. Omdat Twiske niet als Habitatrichtlijngebied is aangewezen is noordse woelmuis geen instandhoudingsdoel voor Twiske.

33/98

In lijn met een stabiele provinciale aantalstrend, blijkt uit veldonderzoek uitgevoerd tijdens de eerste beheerplanperiode dat de noordse woelmuis verspreid door het gebied voorkomt en er geen negatieve aantalstrend geldt. Ook is er voldoende verbinding tussen de leefgebieden. De doelstellingen voor behoud van de populatie en de kwaliteit en omvang leefgebied worden dus waarschijnlijk behaald. Maatregelen voor de tweede beheerplanperiode In Laag Holland wordt momenteel onderzoek uitgevoerd naar de verspreiding van de noordse woelmuis met behulp van eDNA. Daarnaast is het van belang dat bestaand leefgebied wordt behouden middels gefaseerd maaien en afvoeren (zie tabel 18). Zie voor nadere beheervoorschriften met betrekking tot noordse woelmuis bijlage 3. Tabel 18.

Maatregelen voor Habitatrichtlijnsoorten in de deelgebieden Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld (Twiske is geen Habitatrichtlijngebied)

Doel

Maatregel

Locatie/frequentie (indicatief)

Bittervoorn

Protocollair onderzoek naar aantallen en trends: consequent geschikte oevers van brede wateren en plassen, en smalle heldere sloten met waterplanten inventariseren op bittervoorn.

1x per 6 jaar inventariseren*

In kaart brengen van:

Kleine modderkruiper

- aanwezigheid en verspreiding zoetwatermossel - geschikte overwinteringsplaatsen, of mogelijkheid tot uitwisseling met open water Protocollair onderzoek naar aantallen en trends: consequent inventariseren van een aantal vooral smalle sloten, vaak langs dijkbermen of in deels afgesloten wateren met waterplanten waar regenwater een dominante factor is.

1x per 6 jaar inventariseren*

In kaart brengen van aanwezigheid van geschikte overwinteringsplaatsen, of mogelijkheid tot uitwisseling met open water Rivierdonderpad

Protocollair onderzoek naar aantallen en trends. Consequent inventariseren van een aantal vooral brede sloten en plassen, vaak met kunstmatig substraat

1x per 6 jaar inventariseren*

Meervleermuis

Protocollair onderzoek naar aantallen en trends: gericht zoeken naar en monitoren op locaties en het gebruik van verblijfplaatsen en vliegroutes

verblijfplaatsen in de omgeving en vliegroutes langs rietzomen

Noordse woelmuis

Gefaseerd maaien en afvoeren t.b.v. behoud bestaand leefgebied

in natte rietlanden, strooiselruigten, graslanden en veenmosrietlanden verspreid door het gehele gebied

Bittervoorn, kleine modderkruiper, rivierdonderpad

Verbetering watersysteemkwaliteit

Zie paragraaf 4.5

* Daarbij moet ook inzicht zijn in de fysisch-chemische waterkwaliteit, waterdiepte, doorzicht, aanwezigheid en bedekking van oeverplanten en van drijvende en ondergedoken waterplanten. In KRW-monitoring worden deze parameters meegenomen. Bekeken moet worden of deze KRWmonitoring voldoende informatie biedt of dat aanvullend gegevens moeten worden verzameld.

34/98

4.3

Broedvogels

Voor alle doelsoorten broedvogels waarvoor het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske is aangewezen geldt een behoudsdoelstelling voor zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied. Een uitzondering hierop zijn de broedvogels kemphaan en de watersnip, waarvoor een uitbreidingsdoelstelling voor de kwaliteit en omvang van het leefgebied geldt. De beschrijving van de ontwikkeling en knelpunten per soort in dit hoofdstuk is gebaseerd op de evaluatie van het eerste beheerplan (Van Dijk et al., 2021). In tabel 19 zijn per soort de recente aantallen en doelaantallen weergegeven. De hier weergegeven aantallen zijn geactualiseerd ten opzichte van de evaluatie van het eerste beheerplan met gegevens beschikbaar op www.sovon.nl. Voor alleen de broedvogels snor en rietzanger wordt het instandhoudingsdoel in de huidige situatie gehaald. Voor de overige soorten is dat niet het geval. Wel wordt voldaan aan de doelstellingen met betrekking tot het leefgebied, met uitzondering van de uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor de broedvogels kemphaan en watersnip. Bij de beschrijving per soort in deze paragraaf wordt in de maatregelentabellen ook het belang van elk deelgebied voor de soort aangegeven (Wolters et al., 2022). Wanneer een deelgebied niet wordt genoemd, zijn de genoemde maatregelen niet van toepassing op dat deelgebied. Tabel 19

Doelrealisatie gedurende de eerste beheerplanperiode. Het gemiddelde aantal over zes seizoenen is weergegeven in relatie tot het instandhoudingsdoel (IHD). Groen: doel gerealiseerd; Rood: doel niet gerealiseerd; ? onvoldoende gegevens. Daarnaast is een kwalitatieve inschatting gemaakt of de doelstelling voor kwaliteit en omvang van het leefgebied is gerealiseerd. Groen (=): behoudsdoelstelling gerealiseerd; Rood (>):de doelstelling voor uitbreiding en verbetering is niet gerealiseerd. Bron Netwerk Ecologische Monitoring (Sovon, RWS, CBS, provincies) 2016

2017

2018

2019

2020

2021

gemiddeld*

IHD*

doelstelling leefgebied omvang

kwaliteit

Roerdomp

12

10

12

?

14

?

12

17

=

=

Bruine Kiekendief

8

12

?

?

?

?

10

15

=

=

Kemphaan

0

0

0

0

0

0

0

20

>

>

Watersnip

?

?

10

?

?

?

?

60

>

>

Visdief

80

?

?

?

?

?

?

180

=

=

Snor

?

37

?

?

?

?

?

50

=

=

Rietzanger

?

360

?

?

?

?

?

800

=

=

*de getallen in deze tabel betreffen een schatting op basis van onvolledige tellingen

**bij roerdomp gaat het om aantal territoria, bij kemphaan om aantal hennen, bij de overige soorten gaat het om het aantal broedparen

35/98

4.3.1

Roerdomp

Ontwikkeling en knelpunten De aantallen broedende roerdompen liggen momenteel met circa 12 broedparen onder het instandhoudingsdoel van 17. De positieve trend die landelijk voor roerdomp wordt waargenomen is in dit gebied niet aanwezig. De in de eerste beheerplan genomen maatregelen hebben nog niet geleid tot een duidelijke toename van de roerdomp. Verstoring van rust door recreatie vormt mogelijk, en met name in het Twiske, eveneens een knelpunt voor de verstoringsgevoelige roerdomp. Om het doelaantal te halen zijn daarom maatregelen nodig gericht op het behoud en de ontwikkeling van geschikt leefgebied en nieuw broedbiotoop met voldoende foerageergebied. Daarnaast kan het beperken van verstoring door recreatie bijdragen aan het herstel van de aantallen roerdompen.1 Maatregelen Maatregelen ten behoeve van de roerdomp richten zich op herstel en ontwikkeling van leefgebied (zie tabel 20). Hierbij is het van belang om verruiging en opslag tegen te gaan, te vernatten en voldoende overgangen naar structuurrijk grasland, riet, water en moerasvegetaties te ontwikkelen. Nieuw rietland kan worden ontwikkeld door huidig grasland te vernatten en door nieuwe verlanding te stimuleren middels verbetering van waterkwaliteit. Onderzoek moet gebiedsbreed inzicht geven waar geschikte ontwikkellocaties voor roerdompbiotopen zich bevinden (gezamenlijk met Wormer- en Jisperveld).

Een deel van de in tabel 20 genomen maatregelen kan mogelijk worden vervangen door de inrichtingsmaatregelen in het kader van de ‘Groeiend veen’-concepten (Van ‘t Veer, 2022) (zie ook paragraaf 9.2). Voor de roerdomp is het van belang om door herstel brede rietkragen te realiseren, waarvan minimaal 20% bestaat uit overjarig, voldoende dicht, nat riet. Ook zijn overgangen water / riet / moerasvegetaties / structuurrijk grasland van belang. Het natte riet vereist een waterdiepte van 10-50 cm. Op nestlocaties is de waterdiepte tot en met juni minimaal 15-20 cm diep. Binnen een territorium is een rietzone met een randlengte van circa 1 km nodig voor foerageren en broedhabitat (nat rietland) met een oppervlak van 1-2 ha. Binnen het leefgebied kan een nestplek in het veenweidegebied met een schakering aan kleine landschapselementen, zoals sloten, petgaten en grasland, van beperkte omvang zijn (10 x 10 m) (Van der Winden & Van Beusekom, 2015). Tot slot veroorzaakt waterrecreatie mogelijk verstoring, waardoor herstel van de aantallen roerdomp belemmerd wordt (zie bijlage 3). Om de verstoring van broedende en foeragerende roerdompen te beperken vindt waterrecreatie in Twiske plaats buiten een bufferzone van 200 meter vanaf geschikt broedgebied van de roerdomp. Onderzocht moet worden hoe dit kan worden ingepast.

1

Waterrecreatie kan soorten als roerdomp en bruine kiekendief verstoren (Krijgsveld et al., 2022). Voor de bruine kiekendief geldt dat de dichtheid afneemt bij ≥10 passanten per dag binnen verstoringsafstand van 100-300 m (Van der Hut, 2022)

36/98

Tabel 20.

Maatregelen ten behoeve van roerdomp

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Ilperveld** Varkensland** Oostzanerveld* Twiske***

verwijderen en afvoeren van bramen en opslag (houtige gewassen)

Locaties voor ontwikkeling aaneengesloten en voldoende dicht rietland, inclusief geschikt foerageergebied in nat grasland en op overgang water / riet / moerasvegetaties / structuurrijk grasland nader te onderzoeken. Mogelijke locaties (n.t.b.):

cyclisch, gefaseerd maaibeheer van (te) droog riet en ruigte 1x per 3-5 jaar, maaisel afvoeren voldoende overgangen naar structuurrijk grasland, riet, water en moerasvegetaties ontwikkelen door o.a. beperkte en gevarieerde (runder)begrazing

Ilperveld: Rondom Nieuwe Gouw ≥ 60 ha

afrasteren rietbiotoop tegen (ganzen)vraat en begrazing

Varkensland: Ten noorden van de Nonksloot ≥ 40 ha

peilbeheer bestaande roerdompbiotopen optimaliseren

Oostzanerveld: Ten noorden van de spoorlijn langs de A7

verbeteren van waterkwaliteit t.b.v. voedselbeschikbaarheid en op gang brengen nieuwe verlanding (zie paragraaf 4.5)

Twiske2: Ten zuidoosten van de Stootersplas (De Vennen)

afplaggen van strooisellaag ruigtes t.b.v. nat rietland met water op maaiveld in de zomer onderzoek naar mate van predatie door o.a. vossen en hoe dat eventueel kan worden tegengegaan

hele IVOT

uitvoeren gebiedsbreed onderzoek naar ontwikkellocaties voor roerdompbiotopen, Gezamenlijk met Wormer- en Jisperveld Twiske***

Onderzoek beperken verstoring door recreatie en realiseren verstoringsvrije zone zonder waterrecreatie rondom geschikt broedgebied

bufferzone van 200m van februari tot en met juni

†Het belang van elk deelgebied voor de roerdomp is aangegeven met een asterisk:

*beperkt, **groot, ***zeer groot

4.3.2

Bruine kiekendief

Ontwikkeling en knelpunten Het aantal broedparen bruine kiekendief in het gebied ligt met circa 10 broedparen onder het instandhoudingsdoel van 15. De hoogste aantallen worden waargenomen in het Ilperveld. Kwaliteit van het leefgebied vormt voor de soort een knelpunt, waarbij onder andere verstoring door recreatie en verdroging een negatief effect op de aantallen hebben. Maatregelen zijn daarom nodig om het leefgebied van de bruine kiekendief, bestaande uit drogere overjarige rietlanden, te verbeteren. Maatregelen Maatregelen om de kwaliteit van bestaand leefgebied te verbeteren moeten zich richten op het behoud en de ontwikkeling van overjarig rietland (zie tabel 21). Daarbij is het van belang om verruiging en opslag tegen te gaan en te vernatten om nieuw rietland te ontwikkelen op huidig grasland en predatie door vossen tegen te gaan. Een deel van de in tabel 21 genomen maatregelen kan

2

In Twiske vindt tussen 10-2021 en 10-2022 al 11 ha natuurherstel plaats t.b.v. leefgebied voor bruine kiekendief en roerdomp (zie ook Van der Hut, 2021). Aanvullende ontwikkeling van leefgebied voor de roerdomp in Twiske is daarom alleen nodig wanneer dit in de andere deelgebieden niet (succesvol) gerealiseerd kan worden en/of het doelaantal van 17 broedparen roerdomp nog niet wordt behaald.

37/98

mogelijk worden vervangen door de inrichtingsmaatregelen in het kader van de ‘Groeiend veen’-concepten (Van ‘t Veer, 2022) (zie ook paragraaf 9.2). Verstoring door (vaar)recreatie kan mogelijk vooral in de broedperiode optreden en zal daarom vooral dan moeten worden beperkt (zie bijlage 3)3. Om de verstoring van broedende en foeragerende bruine kiekendieven te beperken zou waterrecreatie alleen plaats mogen vinden buiten een bufferzone van 200m vanaf geschikt broedgebied van de bruine kiekendief. Onderzocht moet worden hoe dit kan worden ingepast. Tabel 21.

Maatregelen ten behoeve van bruine kiekendief

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Ilperveld*** Varkensland* Oostzanerveld** Twiske**

ontwikkeling overjarig riet 1,0 -1,5 m hoog met onderlaag van oud plantenmateriaal

Locaties voor herstel leefgebied (broedgebied ≥0,5 – 1,0 ha) nader te onderzoeken:

houtopslag verwijderen

Ilperveld: Rondom Nieuwe Gouw

cyclisch rietmaaibeheer, waarbij brede rietstroken behouden blijven, en tegengaan begrazing

Varkensland: Ten noorden van de Nonksloot

vernatten t.b.v. behoud bestaand rietland en ontwikkeling van nieuw riet op huidig grasland, en t.b.v. beperking predatie door vos Twiske**

Onderzoek beperken verstoring door recreatie2. Realiseren verstoringsvrije zone zonder waterrecreatie rondom geschikt broedgebied

Oostzanerveld: Ten noorden van de spoorlijn langs de A7 Twiske: Ten zuidoosten van de Stootersplas (De Vennen) Twiske: De Leers, Klaas Dobbers Droogte, De Ekkers, De Belt en De Vennen bufferzone van 200m breed van maart tot en met juni

†Het belang van elk deelgebied voor de bruine kiekendief is aangegeven met een

asterisk: *beperkt, **groot, ***zeer groot

4.3.3

Kemphaan

Ontwikkeling en knelpunten De kemphaan is als broedvogel verdwenen uit het gebied en de populatie ligt dan ook onder het instandhoudingsdoel van 20 hennen. Landelijk is de kemphaan eveneens als broedvogel zo goed als verdwenen. Intensivering van de landbouw, die zowel binnen als buiten de begrenzing van het Natura 2000gebied van grote invloed is, vormt een belangrijke oorzaak voor de afname. Het leefgebied van kemphaan bestaat uit een complex van aaneengesloten vochtige en zeer natte en schrale extensief gebruikte graslandgebieden en nat hooiland in open landschap. In de huidige situatie zijn veel graslanden echter te droog en te voedselrijk. Maatregelen Maatregelen richten zich op vernatting en verminderde voedselrijkdom van de bodem om zo de kwaliteit van het leefgebied te verbeteren (zie tabel 22). Hoge grondwaterstanden (< 30 cm -mv tussen mei en juli) en plas-dras zijn van belang om de groei van de vegetatie te vertragen, voedselbeschikbaarheid te vergroten en predatie door grondpredatoren tegen te gaan. Verder moet de voedselrijkdom van de bodem worden verminderd, waarbij de bemesting afgestemd moet zijn op de ontwikkeling van de kwaliteit van het leefgebied. Dit kan door aanvankelijk (zeer) beperkt te bemesten om de pH van 3

https://www.natura2000.nl/sites/default/files/profielen/Profielen_Vogels_Actueel/Profiel_vogel_A08 1.pdf

38/98

de bodem te verhogen en het bodemleven te verbeteren, gevolgd, waar mogelijk, door het stopzetten van bemesting. Verder kan maaien bijdragen aan verschraling (niet voor eind juli). Tabel 22.

Maatregelen ten behoeve van kemphaan

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Ilperveld** Varkensland** Oostzanerveld***

peilverhoging

weidevogelgraslanden

verminderen bemesting/voedselrijkdom gericht op ontwikkeling van de kwaliteit van het leefgebied

weidevogelgraslanden, mogelijke extra locaties conform ambitiekaart natuurbeheerplan 2022:

toepassen verschralingsbeheer door maaien

Ilperveld: 42 ha extra vochtig hooiland, 46 ha extra vochtig weidevogelgrasland

niet maaien voor eind juli (eventueel voorbeweiden met lage rundveedichtheden)

Varkensland: realisatie 91 ha extra vochtig weidevogelgrasland

aanleg van plas-dras

weidevogelgraslanden: minimaal 0,5 ha per 100 ha

Oostzanerveld: realisatie 47,2 ha extra nat/vochtig hooiland, 116 ha extra vochtig weidevogelgrasland

peilniveau sloten nabij locaties plas-dras circa <15cm onder maaiveld langs slootkant †Het potentieel belang van elk deelgebied voor de kemphaan is aangegeven met een

asterisk: *beperkt, **groot, ***zeer groot

4.3.4

Watersnip

Ontwikkeling en knelpunten De watersnip is momenteel (vrijwel) afwezig als broedvogel in het gebied en ligt dus aanzienlijk onder het instandhoudingsdoel van 60 broedpaar. Dit wordt waarschijnlijk vooral veroorzaakt door verdroging van de graslanden. Om het leefgebied te herstellen is in de eerste beheerplanperiode een mozaïek van in totaal 150 ha vochtig weidevogelgrasland en vochtig hooiland in het Ilperveld tot stand gebracht voor de watersnip en kemphaan. Dit heeft echter nog niet geleid tot een toename in de aantallen broedende watersnippen in het gebied. Maatregelen Aanvullende maatregelen moeten zich richten op het ontwikkelen van geschikt leefgebied, bestaande uit schraal en (zeer) nat, kruiden- en structuurrijk grasland waar gebroed kan worden en plas-draslocaties om te kunnen foerageren (zie tabel 23). Vernatting van de bodem alleen, zal naar verwachting onvoldoende zijn. Verschraling door de afvoer van voedingsstoffen is eveneens essentieel (Howison et al., 2019).

39/98

Tabel 23.

Maatregelen ten behoeve van watersnip

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Ilperveld** Varkensland* Oostzanerveld** Twiske*

onderzoek naar mogelijke locaties voor ontwikkeling plas-dras

Locaties plas-dras n.t.b.: weidevogelgraslanden en slikkige delen in pitrus/rietmoeras

aanleg van plas-dras die in broedseizoen geleidelijk droogvallen mozaïekbeheer van veengrond met peilverhoging: extensief, aangepast beheer, verschraling, uitmijnen van voedingsstoffen. Water boven maaiveld, delen met alleen ’s winters water boven maaiveld en rand van grasland met zure, kruidenrijke vegetatie door laat maaien of begrazen.

zie Kemphaan Varkensland en Oostzanerveld (voor watersnip totaal IVOT 150 ha) peilverhoging tot 0-20 cm -mv in april-mei

†Het belang van elk deelgebied voor de watersnip is aangegeven met een asterisk:

*beperkt, **groot, ***zeer groot . In de najaarstrek is Twiske ook van belang voor watersnip

4.3.5

Visdief

Ontwikkeling en knelpunten Hoewel nauwkeurige telgegevens ontbreken, ligt het huidige aantal broedende visdieven in het gebied onder het doelaantal van 180. Geschikt leefgebied is echter aanwezig en de afname in het gebied heeft te maken met nieuw ontstane kolonies in het IJsselmeer en Markermeer, waar predatiedruk lager is dan in het veenweidegebied. Predatie vormt dan ook een mogelijk knelpunt. Ook een tekort aan geschikt broedbiotoop, bestaande uit kruidenrijk grasland met een zeer korte vegetatiestructuur of afwezigheid daarvan in de vorm van grind of zand, vormt mogelijk een knelpunt voor de aantallen visdieven in het gebied. Maatregelen Onderzocht moet worden in welke mate er momenteel geschikt leefgebied aanwezig is in het gebied of dat aanvullend leefgebied gecreëerd zou moeten worden. Broedlocaties zouden kunnen worden gecreëerd middels het aanbrengen van vlotjes of pontons gevuld met grind op open water. Deze dragen ook bij aan een beperking van predatie. Geschikte locaties voor de vlotjes of pontons moeten nader worden bepaald, maar vanwege de omvang van de pontons (ca. 100m2) zouden dat voor de pontons de wat grotere open wateroppervlaktes zijn. Vlotjes, die elk één paar visdieven herbergen, kunnen ook in kleinere watergangen geplaatst worden (zie tabel 24).

Een zone van minimaal 100 meter rondom de vlotjes of pontons mag niet toegankelijk zijn voor vaarrecreatie om te voorkomen dat er verstoring door vaarrecreanten optreedt. Tabel 24.

Maatregelen ten behoeve van visdief

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Ilperveld** Twiske**

onderzoek naar aanwezigheid en geschiktheid als broedbiotoop van kruidenrijk grasland met zeer korte vegetatiestructuur

Ilperveld: n.t.b. Twiske: n.t.b. (pontons mogelijk in De Ekkers en De Vennen)

vlotjes/pontons op open water †Het belang van elk deelgebied voor de visdief is aangegeven met een asterisk:

*beperkt, **groot, ***zeer groot

40/98

4.3.6

Snor

Nauwkeurige telgegevens voor de snor in het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske zijn, afgezien van een telling in 2017 (37 broedpaar), niet beschikbaar. De doelstelling voor de snor met betrekking tot behoud van geschikt leefgebied wordt echter behaald en de soort vertoont landelijk en ook in de Provincie Noord-Holland sinds circa 2012 een sterk positieve aantalstrend. Er wordt daarom momenteel (waarschijnlijk) voldaan aan het instandhoudingsdoel van 50 broedpaar. Aanvullende maatregelen voor de snor zijn daarom niet nodig. De snor zal bovendien profijt hebben van maatregelen voor veenmosrietlanden en voor roerdomp en bruine kiekendief.

4.3.7

Rietzanger

Hoewel recente, nauwkeurige telgegevens ontbreken voor de rietzanger, komt het huidige aantal broedende rietzangers (waarschijnlijk) ongeveer overeen met het instandhoudingsdoel van 800 broedpaar. Het aantal in het gebied lijkt te fluctueren (zie figuur 2). Naast het relatief lage aantal in 2017, lijkt er sinds 2016 sprake van een sterk positieve aantalstrend. Ook op provinciaal en landelijk niveau neemt de soort sterk in aantal toe. In het gebied is er geen sprake van duidelijke knelpunten. De huidige situatie met voldoende overjarig rietland dient behouden te blijven, maar er zijn geen aanvullende maatregelen nodig. De rietzanger zal bovendien profijt hebben van maatregelen voor veenmosrietlanden en voor roerdomp en bruine kiekendief.

Figuur 2.

4.4

De aantalsontwikkeling van de rietzanger. De donkerblauwe lijn geeft de jaarlijkse indextrend van de broedpopulatie ten opzichte van 1990 weer ± standaard fout (lichtblauwe lijnen). De rode stippen geven jaarlijkse schattingen weer op basis van steekproeven in het gebied.

Niet-broedvogels

Voor niet-broedvogels waarvoor het gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld en Twiske is aangewezen geldt een behoudsdoelstelling voor zowel omvang als kwaliteit van het leefgebied. De beschrijving van de ontwikkeling en knelpunten per soort in dit hoofdstuk is gebaseerd op de

41/98

evaluatie van het eerste beheerplan (Van Dijk et al., 2021). In tabel 25 zijn per soort de recente aantallen en doelaantallen weergegeven. De hier weergegeven aantallen zijn geactualiseerd ten opzichte van de evaluatie van het eerste beheerplan met gegevens beschikbaar op www.sovon.nl. Voor de niet-broedvogels grauwe gans en krakeend wordt het instandhoudingsdoel in de huidige situatie gehaald. Voor de smient, slobeend, meerkoet en grutto is dat niet het geval. Met uitzondering van grutto wordt voldaan aan de doelstellingen met betrekking tot het leefgebied voldaan. Bij de beschrijving per soort wordt in de maatregelentabellen in deze paragraaf ook het belang van elk deelgebied voor de soort aangegeven (Wolters et al., 2022). Wanneer een deelgebied niet wordt genoemd, zijn de genoemde maatregelen niet van toepassing op dat deelgebied. Tabel 25.

Doelrealisatie gedurende de eerste beheerplanperiode. Het aantal per seizoen wordt weergegeven als het seizoens-maximum (max) of gemiddelde (gem.). Ook wordt het gemiddelde over de afgelopen zes seizoenen weergegeven in relatie tot het instandhoudingsdoel (IHD). Functie: f = foerageren, s = slaap- of rustplaats. Groen: doel gerealiseerd; Rood: doel niet gerealiseerd.; ? betekent onvoldoende gegevens. Daarnaast is een kwalitatieve inschatting gemaakt of de doelstelling voor kwaliteit en omvang van het leefgebied is gerealiseerd. Groen (=): behoudsdoelstelling gerealiseerd; rood (=): behoudsdoelstelling niet gerealiseerd. Bron Netwerk Ecologische Monitoring (Sovon, RWS, CBS, provincies) 15/16

16/17

17/18

18/19

19/20

20/21

gemiddeld

IHD

aantal

functie

doelstelling leefgebied omvang

kwaliteit

Grauwe gans

2257

1933

1828

1553

1840

2115

1921

90

gem.

f

=

=

Smient

5462

4818

4899

5110

4706

6217

5202

6400

gem.

s, f

=

=

Krakeend

365

400

330

454

426

335

385

200

gem.

f

=

=

Slobeend

38

39

49

46

31

37

40

50

gem.

f

=

=

Meerkoet

475

630

609

715

710

667

634

710

gem.

f

=

=

Grutto

166

131

?

60

23

44

85

behoud

max.

s

=

=

4.4.1

Grauwe gans

De aanwijzing voor grauwe gans (en ook de andere niet-broedvogels) betreft een bescherming als trekvogel (zie paragraaf 3.4). De grauwe gans bevindt zich momenteel ruim boven het instandhoudingsdoel met een positieve landelijke aantalstrend. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden en er is geen sprake van knelpunten. Er zijn daarom geen aanvullende maatregelen nodig voor de grauwe gans.

4.4.2

Smient

Ontwikkeling en knelpunten De smient bevindt zich in de huidige situatie onder het instandhoudingsdoel. Deels wordt dit waarschijnlijk verklaard door het moment van vaststelling van het doelaantal toen, rond het jaar 2000, de aantallen smienten in zowel het

42/98

gebied als landelijk maximaal waren. Sindsdien is de landelijke en lokale populatie afgenomen. De winterspreiding van de soort is verschoven, waarbij de smient in de zachtere winters noordelijker overwintert. Het huidige doelaantal is daardoor waarschijnlijk niet meer realistisch. In recente jaren lijken de aantallen zich echter te stabiliseren. Ook is er geschikt leefgebied buiten de Natura 2000-begrenzing aanwezig. Dit zou ook deels de lagere aantallen binnen de gebiedsbegrenzing kunnen verklaren. De reden waarom de smient zich momenteel onder het instandhoudingsdoel bevindt is dan ook niet een gebrek aan voldoende omvang en kwaliteit van het leefgebied. Wel veroorzaken recreatievormen als wind- en wingsurfen op de Stootersplas mogelijk aanzienlijke verstoring in de winter, wanneer grote aantallen smienten op deze locatie rusten (zie bijlage 3). Maatregelen De Stootersplas moet in de winterperiode (november tot en met februari) afgesloten zijn voor vormen van waterrecreatie als wind- en wingsurfen.

4.4.3

Krakeend

De krakeend bevindt zich momenteel ruim boven het instandhoudingsdoel en de aantallen nemen in dit gebied toe. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden. Er zijn dan ook geen aanvullende maatregelen nodig voor de krakeend.

4.4.4

Slobeend

De slobeend bevindt zich momenteel net onder het instandhoudingsdoel. Zowel de landelijke als de lokale trend is echter positief zodat het doelaantal waarschijnlijk in de komende jaren wél gehaald gaat worden. Bovendien kan de soort profiteren van maatregelen die worden getroffen voor de kemphaan, watersnip en veenmosrietlanden. De omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden. Er zijn dan ook voor de slobeend geen aanvullende maatregelen nodig.

4.4.5

Meerkoet

Ontwikkeling en knelpunten De meerkoet bevindt zich in het gebied na een langdurige negatieve trend momenteel onder het instandhoudingsdoel. Recentelijk lijken de aantallen zich in het gebied te herstellen, maar de aantalsontwikkeling van de meerkoet in het gebied is lang achtergebleven ten opzichte van de landelijke ontwikkeling. De huidige situatie van het leefgebied lijkt echter te voldoen aan de ecologische vereisten voor 710 foeragerende meerkoeten en het is daarom niet duidelijk waarom de afname heeft plaatsgevonden. Mogelijk speelt voedselbeschikbaarheid in de omgeving van het gebied een rol. Maatregelen Middels telgegevens moet onderzocht worden waar de geschikte oorspronkelijke en huidige/toekomstige potentiële foerageerlocaties liggen voor de niet-broedende meerkoeten (zie tabel 26). Door dit te beoordelen in samenhang met een analyse van de voedselkwaliteit, moet blijken of het beheer moet worden bijgesteld en/of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

43/98

Tabel 26.

Maatregelen ten behoeve van meerkoet

Deelgebied†

Maatregel

Omvang/locatie

Varkensland** Oostzanerveld* Twiske***

onderzoek naar aantalsontwikkeling en voedselbeschikbaarheid in de drie deelgebieden, in de omgeving en in vergelijking met andere gebieden: terreingebruik, dieet en aanbod waterplanten. Ook verstoringsdruk door recreatie daarin meenemen.

n.v.t.

†Het belang van elk deelgebied voor de meerkoet is aangegeven met een asterisk:

*beperkt, **groot, ***zeer groot

4.4.6

Grutto

De aantallen niet-broedende grutto’s voldoen niet aan de doelstelling van behoud van de aantallen. Voor niet-broedende grutto’s zijn het Oostzanerveld, Ilperveld en Varkensland van belang. De omvang en kwaliteit van het leefgebied in Oostzanerveld dreigt af te nemen doordat percelen dichtgroeien. In zijn algemeenheid wordt in dit Natura 2000-gebied aan het behoud van plas-draspercelen, open, vochtige graslanden en voldoende rust voldaan, zodat de omvang en kwaliteit van het leefgebied zijn behouden. Er zijn dan ook geen aanvullende maatregelen nodig zolang het open landschap van vochtige graslanden en plas-draspercelen wordt behouden. Dit behoud is voor de tweede beheerplanperiode voor het Oostzanerveld echter een specifiek punt van aandacht. De geplande maatregelen voor de broedvogels watersnip en kemphaan (vooral extra plas-dras) zullen ook een positief effect hebben voor de grutto als nietbroedvogel. Dit geldt zeker als er voor wordt gezorgd dat er voorafgaand aan het broedseizoen (eind februari/maart) voldoende plas-dras percelen aanwezig zijn in de verschillende deelgebieden.

4.5

Verbetering van de kwaliteit van het watersysteem

Knelpunten en maatregelen De waterkwaliteit is een knelpunt voor het realiseren van diverse instandhoudingsdoelen waaronder kranswierwateren, vochtige heiden en veenmosrietlanden (zie paragraaf 4.1). Een goede oppervlaktewaterkwaliteit is van belang om op de lange termijn alle stadia van de verlandingsreeks, waaronder vochtige laagveenheide en veenmosrietland, te behouden. Hiervoor is het nodig dat er nieuwe verlanding optreedt, waaruit de verschillende verlandingsstadia zich kunnen ontwikkelen. Verder is de waterkwaliteit voor deze habitattypen van belang omdat een slechte waterkwaliteit de kwaliteit van de habitattype kranswierwateren, vochtige heiden en veenmosrietlanden en het succes van herstel- en uitbreidingsmaatregelen negatief kan beïnvloeden (Van Dijk et al., 2021). De oppervlaktewaterkwaliteit is daarnaast van invloed op het habitattype hoogveenbossen en op verschillende Habitatrichtlijnsoorten, waaronder bittervoorn en kleine modderkruiper (zie paragraaf 4.1 en 4.2). Waterkwaliteitsmaatregelen ten gunste van de genoemde instandhoudingsdoelen moeten er op zijn gericht (zie paragraaf 3.3.1): · · ·

De fosfaatbelasting terug te dringen. Het doorzicht te verbeteren. Het afkalven van oevers te beperken.

44/98

· · ·

De opbouw van een sliblaag en transport van slib door het watersysteem te beperken. De invloed van inlaatwater te beperken en die van regenwater te vergroten. De ontwikkeling van de oever- en watervegetatie te stimuleren.

In tabel 27 zijn de bijbehorende maatregelen uitgewerkt. Maatregelen worden voornamelijk geconcentreerd in ‘kerngebieden waterkwaliteitsverbetering en verlanding’ (zie tabel 27). In deze kerngebieden wordt ingezet op waterkwaliteitsverbetering en verlanding waarbij ook Habitatrichtlijnsoorten als bittervoorn en kleine modderkruiper meeprofiteren. Daarnaast biedt het maatregelenpakket door herstel en ontwikkeling van de (riet)oeverzone extra leef- en foerageergebied voor andere doelsoorten als noordse woelmuis, meervleermuis en moerasvogels als roerdomp en rietzanger. De locatie en omvang van de kerngebieden moet bij de start van de tweede beheerplanperiode worden bepaald4. Bij het bepalen van de locaties moet onder andere rekening worden gehouden met de aanwezigheid van kwalificerend habitat, andere natuurdoelen die voor het gebied gelden zoals weidevogels, grondeigendom en (agrarische) functie, wensen met betrekking tot bevaarbaarheid, abiotische geschiktheid en waterbeheer-technische geschiktheid. Aangezien het realiseren van helder water in dit gebied een grote uitdaging is, zal verlanding vanuit de oever naar verwachting eerder optreden dan verlanding vanuit open water. De huidige verlandingsvegetaties zijn onder de voormalige brakke omstandigheden eveneens vanuit de oevers ontstaan (Gebiedsanalyse92, 2017).

Wanneer in de tweede beheerplanperiode blijkt dat de waterkwaliteitsmaatregelen uit dit beheerplan niet leiden tot verbetering van de waterkwaliteit en het op gang komen van verlanding, is dit een reden om verbrakking in dit Natura 2000-gebied te overwegen. De effecten van de waarschijnlijke verbrakking in Polder Westzaan zullen in deze overweging een belangrijke rol spelen. Relatie met de Kaderrichtlijn Water (KRW) Door Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier zijn de KRW-maatregelen en doelen voor de planperiode 2022-2027 uitgewerkt (Fennema, 2021). Uit de systeemanalyses van het hoogheemraadschap blijkt dat in Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld een helder plantenrijk watersysteem in het grootste gedeelte van het oppervlaktewater niet realistisch is (Fennema, 2021). In het KRW-maatregelenprogramma is aangegeven dat de KRW-maatregelen in dit gebied zijn gericht op het versterken van biodiversiteit in de oeverzone en helder water in geïsoleerde en/of luwe delen. De keuze in dit beheerplan om maatregelen te concentreren in geïsoleerde kerngebieden komt hiermee overeen. De ambities voor de KRW overlappen in het Ilperveld, Varkensland en Oostzanerveld in belangrijke mate met de gewenste waterkwaliteitsverbetering ten gunste van de Natura 2000-doelen. Het uitvoeren van KRW maatregelen in dit gebied biedt daarom ook kansen voor het realiseren van de Natura 2000doelen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=81957e63-f02b-45aa-9d22-16e40c77abde