04 Bijlage Toelichting bij verordening jeugdhulp Landsmeer 2026
Tekst van het document
Pagina 44 van 81
Wat staat er in artikel 4.7 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag Jeugdwetvervoer? Soms moet een jeugdige reizen naar een plek waar hij of zij jeugdhulp krijgt. In sommige gevallen kan de gemeente helpen met vervoer. Maar: 🚗 Wat zijn de regels? 1. Ouders zijn in principe zelf verantwoordelijk Ouders moeten hun kind meestal zelf brengen en halen. 2. Alleen bij noodzaak De gemeente helpt alleen met vervoer als: • Er een medische reden is, • Of als de jeugdige niet zelfstandig kan reizen. 3. De gemeente beslist De gemeente bekijkt per situatie of vervoer echt nodig is. 4. Soms zit vervoer al in de hulp Als vervoer al onderdeel is van de toegekende hulp (bijvoorbeeld bij een verblijf), dan wordt het niet apart geregeld. 5. Goedkoopste passende oplossing Als vervoer nodig is, kiest de gemeente de goedkoopste manier die goed genoeg is. 🏥 Praktijkvoorbeeld 1 Situatie: Een jeugdige van 15 uit Edam moet twee keer per week naar een behandelgroep in Zaandam. Hij heeft een angststoornis en durft niet met het openbaar vervoer. Zijn moeder werkt overdag en kan hem niet altijd brengen. Wat gebeurt er? • De moeder vraagt vervoer aan bij het Lokale team. • De gemeente onderzoekt of de jeugdige echt niet zelfstandig kan reizen. • Er wordt vastgesteld dat er sprake is van een beperking in zelfredzaamheid.
• De gemeente besluit dat vervoer nodig is en regelt een taxi via een gecontracteerde vervoerder. • Omdat dit de goedkoopste passende oplossing is, wordt deze toegekend. 🏥 Praktijkvoorbeeld 2 Situatie: Een moeder uit Wormer vraagt vervoer aan voor haar 14-jarige dochter, die wekelijks naar een therapiegroep in Zaandam moet. De dochter heeft lichte sociale angstklachten, maar is lichamelijk gezond en kan zelfstandig reizen met het openbaar vervoer. De moeder heeft een auto en flexibele werktijden. Wat gebeurt er? • De gemeente onderzoekt of vervoer echt noodzakelijk is. • Er is geen medische noodzaak en de jeugdige is zelfredzaam genoeg om met de bus te reizen. • De moeder heeft bovendien de mogelijkheid om haar dochter te brengen als dat nodig is. • De gemeente beoordeelt dat er sprake is van voldoende eigen kracht. • De aanvraag voor vervoer wordt afgewezen.
Pagina 45 van 81
Artikel 4.8 Criteria voor de beoordeling aanvraag Dyslexiezorg Uit de parlementaire geschiedenis en rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep volgt dat de behandeling van ernstige dyslexie onder de wet valt, met dien verstande dat de wetgever bij de overheveling van de dyslexiezorg van de Zorgverzekeringswet naar de wet niet een ruimer of ander bereik van dyslexiezorg heeft beoogd. Hieruit volgt dat het college op grond van artikel 2.3, van de wet enkel verplicht is dyslexiezorg te verlenen als sprake is van de diagnose ED (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 50, 104 en 118; CRvB 24 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3454; CRvB 22 juni 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:1345; en CRvB 17 juli 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1430). Toegang tot dyslexiezorg is alleen aangewezen nadat via het Samenwerkingsverband voor de zorg op school is vastgesteld dat dit noodzakelijk is. Daarbij wordt het Protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling gehanteerd van het Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie Protocol Dyslexie Diagnostiek & Behandeling | Nederlands Kwaliteitsinstituut Dyslexie Zie ook de toelichting bij artikel 2.13 van deze verordening Het besluit tot toekennen van een individuele voorziening voor dyslexiezorg geeft recht op diagnostisch onderzoek door een erkende dyslexiebehandelaar.
Wanneer op basis van het onderzoek vastgesteld wordt dat het inderdaad om ernstige dyslexie gaat, kan de dyslexiebehandelaar ook gelijk verder met de behandeling. Hiervoor is dan geen tweede besluit nodig. Bij ernstige dyslexiezorg gaat het om ernstige hardnekkige achterstand op het gebeid van lezen en/ of spelling die ook met extra ondersteuning in de klas niet verholpen kan worden. Het onderzoek en de behandeling dient plaats te vinden conform de professionele (landelijk) standaard voor dyslexiezorg. Hierover worden afspraken gemaakt in de contracten met de aanbieders. Tweede lid. Een door het college aangewezen poortwachter of een trajectbegeleider dyslexie werkzaam binnen het samenwerkingsverband of schoolbestuur, is verantwoordelijk voor de controle van het leerlingdossier. Indien dit niet volledig is, koppelt de trajectbegeleider dyslexie dit terug naar de verwijzende school, zodat zij alsnog passende extra begeleiding kunnen inzetten. Indien het leerlingdossier op orde is, geeft de trajectbegeleider dyslexie goedkeuring aan de doorverwijzing en kunnen ouders en school contact leggen met een gecontracteerde dyslexieaanbieder naar keuze. Daarnaast spreekt de trajectbegeleider dyslexie scholen aan op het moment dat zij signaleren dat er veel onvolledige dossiers worden aangeleverd. De trajectbegeleider dyslexie meldt de goedkeuring bij de gemeente.
De gemeente neemt dit bindende advies op in de beschikking
Pagina 46 van 81
Wat staat er in artikel 4.8 over de criteria voor de beoordeling van een aanvraag dyslexiezorg? Sommige jeugdigen hebben ernstige dyslexie. Dat betekent dat ze grote moeite hebben met lezen en/of spellen, ook al hebben ze al extra hulp gekregen op school. In sommige gevallen kan de gemeente dan hulp bieden. 📝 Wat zijn de regels? 1. Alleen bij ernstige dyslexie (ED) De gemeente geeft alleen hulp als er echt sprake is van ernstige dyslexie. Dat moet blijken uit een officieel onderzoek. 2. School moet eerst helpen De school moet eerst zelf extra hulp geven. Pas als dat niet genoeg helpt, kan er een aanvraag gedaan worden voor dyslexiezorg. 3. Toegang via school en trajectbegeleider Een speciale begeleider (de trajectbegeleider dyslexie) controleert of het leerlingdossier compleet is. Alleen dan mag de school doorverwijzen naar een erkende behandelaar. 4. Onderzoek en behandeling in één Als de jeugdige wordt doorgestuurd, mag de behandelaar eerst een onderzoek doen. Als daaruit blijkt dat het om ernstige dyslexie gaat, mag de behandeling direct starten. Er is dan geen tweede aanvraag nodig. 5. Behandeling volgens landelijke richtlijnen De behandeling moet voldoen aan de landelijke regels voor goede dyslexiezorg. 🏥 Praktijkvoorbeeld Situatie: Een leerkracht van groep 6 merkt dat een leerling, Sam (9 jaar), grote moeite heeft met lezen en spellen.
Ondanks extra hulp op school blijft Sam achter. Wat gebeurt er dan? • De school schakelt de trajectbegeleider dyslexie in. • Die controleert of het leerlingdossier compleet is en of er genoeg extra hulp is geboden. • Het dossier is op orde. De trajectbegeleider geeft toestemming voor een onderzoek. • Sam wordt onderzocht door een erkende behandelaar. • Uit het onderzoek blijkt dat Sam ernstige dyslexie heeft. • De behandeling start direct, zonder dat er een nieuwe aanvraag nodig is. • De gemeente neemt het advies van de trajectbegeleider over en geeft een beschikking af. Artikel 4.9 Kinderopvang en buitenschoolse opvang In deze bepaling wordt geëxpliciteerd dat reguliere kinderopvang en buitenschoolse opvang geen jeugdhulp is waarvoor het college verantwoordelijk is. Kinderopvang en buitenschoolse opvang is de verantwoordelijkheid van ouder(s), werkgever en overheid. Het leren omgaan van leidsters van de kinderopvang met kinderen met een beperking is de verantwoordelijkheid van ouder(s) en de kinderopvang/buitenschoolse opvang. Kinderen die extra ondersteuning nodig hebben, kunnen ook terecht op een kinderdagverblijf. Dit is geregeld in de Wet op de kinderopvang. Alleen indien er ten gevolge van een hulpvraag aanvullende begeleiding vereist is die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan jeugdhulp worden ingezet.
Dit kan alleen in de situaties waarbij opvang niet het doel is, maar er sprake is van ontwikkelingsdoelstellingen. Daarbij kan gedacht worden aan (ernstige) gedragsproblematiek.
Pagina 47 van 81
Deze bepaling laat onverlet dat het college daarnaast verschillende vormen van dagbesteding beschikbaar kan hebben gesteld, waaronder het medisch dagverblijf, een kinderdagcentrum, een zorgboerderij of Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+). Wat staat er in artikel 4.9 over de kinderopvang en buitenschoolse opvang? De gemeente is niet verantwoordelijk voor gewone kinderopvang of buitenschoolse opvang (BSO). Dat is de taak van: • Ouders; • Werkgevers; • En de overheid via de Wet op de kinderopvang. 🧒 Wanneer wél jeugdhulp? Alleen als een jeugdige extra begeleiding nodig heeft die: • Niet door de leidsters van de opvang kan worden gegeven; • En niet van de ouders verwacht kan worden …dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten. Maar alleen als het gaat om ontwikkelingsdoelen, zoals hulp bij (ernstige) gedragsproblemen. De gemeente kan ook andere vormen van dagbesteding aanbieden, zoals: • Een medisch dagverblijf; • Een kinderdagcentrum; • Een zorgboerderij; • Of een Buitenschoolse Opvang Plus (BSO+). 🏥 Praktijkvoorbeeld Situatie: Een 5-jarige jeugdige uit gaat naar de BSO. Hij heeft autisme en vertoont soms agressief gedrag. De leidsters weten niet goed hoe ze hiermee om moeten gaan. De ouders vragen hulp aan bij het Lokale team. Wat gebeurt er dan? • De gemeente onderzoekt of de BSO de juiste plek is. • Er blijkt dat de begeleiding die nodig is te specialistisch is voor de BSO.
• De gemeente besluit om jeugdhulp in te zetten via een BSO+, waar speciaal opgeleid personeel aanwezig is. • De jeugdige krijgt daar begeleiding gericht op zijn ontwikkeling. Artikel 4.10 Inhoud beschikking individuele jeugdhulpvoorziening De beschikking zal gebaseerd zijn op het onderzoek naar de ondersteuningsbehoefte van de jeugdige of zijn ouders en de ingediende aanvraag. Dat dient dan ook terug te komen in de inhoud van de beschikking, opdat deze deugdelijk en begrijpelijk is gemotiveerd. De verordening stelt hiertoe een aantal basiseisen. De in het eerste lid opgenomen eisen vloeien al rechtstreeks voor uit de wet en de Awb, maar zijn hier opgenomen om een volledig beeld te schetsen. Nu het verslag van het onderzoek een belangrijk onderdeel van de voorbereiding en daarmee ook de motivering van het besluit vormt, wordt dit verslag of het perspectiefplan ook toegestuurd, bij voorkeur tegelijk met de beschikking. In het eerste lid is uitgelegd dat het besluit tot toekenning vastgelegd wordt in een beschikking. Een beschikking is een schriftelijk besluit dat op een concreet geval/een individuele persoon is gericht. De inhoud van de beschikking is beperkt. Alleen de keuze specialistische hulp of hoog specialistische hulp, het ondersteuningsprofiel en bij hoog-specialistische jeugdhulp ook de intensiteit, liggen in het besluit vast. Andere
Pagina 48 van 81
zaken – zoals omschrijving hulpvraag en het resultaat – worden vastgelegd in het perspectiefplan. Hiermee wordt ook voorkomen dat te veel privacygevoelige gegevens in de gemeentelijke beschikkingenadministratie vast komen te liggen. De jeugdige of diens ouders kunnen met het besluit zelf voor één van de door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieders kiezen. Het Jeugdteam kan hierbij adviseren. De keuze voor een bepaalde aanbieder ligt niet vast in het besluit. Als de jeugdhulpaanbieder en het college (de gemandateerde professional) het niet eens zijn over de intensiteit (of het ondersteuningsprofiel), is contractueel vastgelegd dat de jeugdhulpaanbieder, het Jeugdteam en het gezin er éérst in gezamenlijk overleg uit moeten komen. In het tweede lid van dit artikel zijn de onderdelen opgenomen die minimaal in een beschikking behoren te staan. Uit de beschikking moet voor de aanvrager immers duidelijk zijn waar zij recht op hebben en hoe tot dat besluit is gekomen. Ook als de individuele voorziening wordt afgewezen, moet de motivering van de afwijzing duidelijk toegelicht worden in de beschikking. Wat betreft de duur/looptijd van een beschikking geldt in beginsel voor zowel zorg in natura (ZIN) als bij een persoonsgebonden budget een maximale geldigheidsduur tot de jeugdige de leeftijd van 18 jaar heeft bereikt.
In beginsel omdat dit anders kan zijn als sprake is van verlengde jeugdzorg. Wanneer er sprake is van pleegzorg, loopt de beschikking wettelijk gezien door tot de jeugdige de leeftijd van 21 jaar bereikt. Een pleegzorgrelatie kan alleen eindigen voor het 21e levensjaar wanneer pleegkinderen dit zelf willen.
Wat staat er in artikel 4.10 over de inhoud van een beschikking individuele jeugdhulpvoorziening? Als een jeugdige of zijn ouders jeugdhulp krijgen, dan legt de gemeente dit vast in een beschikking. Dat is een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt toegekend. 📄 Wat staat er in de beschikking? • De beschikking is gebaseerd op het onderzoek en de aanvraag. • Er staat in: • Of het gaat om specialistische of hoog-specialistische hulp; • Welk ondersteuningsprofiel van toepassing is; • En bij hoog-specialistische hulp: de intensiteit van de hulp. • Andere informatie, zoals de hulpvraag en doelen, staan in het perspectiefplan (niet in de beschikking zelf, om privacy te beschermen). • De jeugdige of ouders mogen zelf kiezen uit de gecontracteerde jeugdhulpaanbieders. • Als er geen hulp wordt toegekend, moet de gemeente dit goed uitleggen in de beschikking. ⏳ Hoe lang geldt een beschikking? • In principe tot de jeugdige 18 jaar is. • Bij pleegzorg kan dit doorgaan tot 21 jaar, tenzij de jeugdige eerder wil stoppen. 🏥 Praktijkvoorbeeld Situatie: Een jeugdige van 16 heeft last van depressieve klachten. Na onderzoek door het Lokale team wordt besloten dat hij specialistische hulp nodig heeft. Wat gebeurt er dan? • De gemeente stelt een beschikking op.
• In de beschikking staat: • Dat het gaat om specialistische jeugdhulp, • Het gekozen ondersteuningsprofiel, • De duur van de hulp (bijvoorbeeld tot zijn 18e verjaardag). • Het perspectiefplan met doelen en afspraken wordt meegestuurd. • De jeugdige en zijn ouders kiezen zelf een passende hulpaanbieder uit de lijst van gecontracteerde organisaties. Pagina 49 van 81
Hoofdstuk 5
Aanvullende regels voor een individuele jeugdhulpvoorziening in de vorm van een pgb
In de wet zijn de pgb-vaardigheid, de motivatie en de kwaliteit randvoorwaardelijk voor het verkrijgen van een pgb. In dit hoofdstuk wordt geconcretiseerd op welke wijze hieraan uitvoering wordt gegeven bij de beoordeling van een verzoek om een pgb. Ook worden de randvoorwaarden die verbonden zijn aan de besteding van het pgb in dit hoofdstuk uitgewerkt. Artikel 5.1 Aanvullende regels om in aanmerking te komen voor een pgb Eerste lid Wanneer een jeugdige of zijn ouders naar aanleiding van het onderzoek in aanmerking komt voor een individuele voorziening, en de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger vervolgens aangeeft deze in de vorm van een pgb geleverd te willen hebben, is aan dit verzoek een aantal eisen verbonden. Zo stelt het college een format vast voor een pgb-plan dat de jeugdige of zijn ouder(s) dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger met de aanvraag voor een pgb moet indienen. In het eerste lid wordt bepaald wat er in het pgb-plan dient te zijn opgenomen. Uit de motivering in het pgb-plan moet duidelijk blijken dat men zelf de regie kan voeren, hoe men dit gaat doen en waarom men een pgb wil in plaats van gebruik te maken van het aanbod dat de gemeente heeft voor zorg in natura. Ook moet onderbouwd worden dat de beoogde voorziening van voldoende kwaliteit is.
Van belang is of de motivering doordacht en houdbaar is en verband houdt met de rechten, verplichtingen en vrijheden die een pgb met zich meebrengt. Het pgb-plan moet zijn van voorzien van een motivatie waarom is voldaan aan de 10 punten van pgb-vaardigheid als benoemd in artikel 5.2 van de verordening. Verder moet uit het pgb-plan blijken welke kosten er aan de inhuur van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp verbonden zijn. Het pgb-plan vormt een aanvulling op het perspectiefplan, maar vervangt deze niet. De hulpvraag en te bereiken resultaten liggen vast in het perspectiefplan. De details met betrekking tot onder andere de motivatie voor de aanvraag van een pgb, uitvoerder van de pgb-zorg en de kosten liggen vast in het pgbplan. Tweede lid De in het tweede lid van dit artikel opgenomen voorwaarden concretiseren de wettelijke verleningsvoorwaarden die staan in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. In de wet zijn de voorwaarden voor het verstrekken van een pgb in het kort als volgt geformuleerd: a. de jeugdige of zijn ouders zijn op eigen kracht of met gekwalificeerde hulp voldoende in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b.
de jeugdige of zijn ouders stellen zich gemotiveerd op het standpunt dat zij de individuele voorziening die wordt geleverd door een gecontracteerde aanbieder, niet passend achten; en c. de individuele voorziening die men in wil kopen is van goede kwaliteit. Derde lid In het derde lid wordt geregeld wanneer geen pgb wordt verstrekt, omdat er twijfels zijn met betrekking tot de integriteit van de beoogde uitvoerder van de jeugdhulp. De opsomming is niet limitatief. Deze gronden hebben betrekking op omstandigheden die tot de conclusie leiden,dat niet aan de voorwaarden van artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet is voldaan, in het bijzonder dat de kwaliteit voldoende zal zijn geborgd. De gronden zien op de betrouwbaarheid van de pgb-aanbieder. Indien deze twijfelachtig is, heeft het college ruimte om geen pgb te verstrekken omdat in die situatie niet geborgd kan worden dat de
Pagina 50 van 81
kwaliteit van de zorg van voldoende kwaliteit is. Daarmee wordt niet voldaan aan een van de verleningsvoorwaarden als bedoeld in artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet. Vierde lid Een pgb wordt geweigerd als er een wettelijke weigeringsgrond uit artikel 8.1.1, vierde lid, van toepassing is. Dit is dwingend geformuleerd omdat het van groot belang is dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura waarvoor in artikel 4.1.1, eerste lid, van de wet al eisen zijn gesteld, op een verantwoorde manier wordt verleend: ‘waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder’. Wat staat er in artikel 5.1 over het pgb? Als een jeugdige of ouder jeugdhulp nodig heeft, kan dat via zorg van de gemeente (zorg in natura) of via een pgb. Een pgb is een geldbedrag waarmee je zelf zorg kunt inkopen. 1. Wat moet je doen als je een pgb wilt? • Je moet een pgb-plan invullen. De gemeente heeft hiervoor een vast formulier. • In dat plan leg je uit: • Waarom je zelf zorg wilt regelen. • Hoe je dat gaat doen. • Dat de zorg die je kiest goed genoeg is. • Wat de zorg kost. • Dat je weet wat er bij een pgb komt kijken (zoals administratie en afspraken maken). 2.
Wanneer krijg je een pgb? Je krijgt een pgb als: • Je goed kunt inschatten wat je nodig hebt en wat je rechten en plichten zijn. • Je uitlegt waarom je de zorg van de gemeente niet passend vindt. • De zorg die je zelf kiest van goede kwaliteit is. 3. Wanneer krijg je géén pgb? • Als er twijfels zijn over de zorgverlener die je kiest (bijvoorbeeld als die niet betrouwbaar is). • Als je niet voldoet aan de regels uit de wet (bijvoorbeeld als de zorg niet veilig of goed genoeg is). ✅ Voorbeeld van goedgekeurde pgb-aanvraag Situatie: Liam is 14 jaar en heeft autisme. Zijn ouders merken dat hij het best geholpen is door een vaste begeleider die hem goed kent. De gemeente biedt zorg aan via een grote organisatie, maar daar wisselen de begeleiders vaak. Wat doen de ouders? Ze vragen een pgb aan. In het pgb-plan schrijven ze: • Waarom ze zelf zorg willen regelen (Liam heeft baat bij vaste gezichten). • Wie de zorg gaat geven (een ervaren begeleider die Liam al kent). • Wat de zorg kost. • Dat ze weten hoe ze het pgb moeten beheren. Wat zegt de gemeente? De gemeente ziet dat de ouders goed hebben nagedacht, dat de zorgverlener betrouwbaar is en dat de zorg past bij Liam.
Pagina 51 van 81
❌ Voorbeeld van afgewezen pgb-aanvraag Situatie: Sara is 16 jaar en heeft hulp nodig bij haar angstklachten. Haar oom biedt aan om haar te begeleiden. Haar ouders vragen een pgb aan om hem te betalen. Wat schrijft de gemeente? De gemeente wijst het pgb af, omdat: • De ouders geen goed plan hebben ingeleverd. • De oom geen ervaring of opleiding heeft in jeugdhulp. • Er twijfels zijn of de zorg van goede kwaliteit is. Uitkomst: De gemeente vindt dat de zorg via een professionele aanbieder beter past. Sara krijgt daarom hulp via zorg in natura. Artikel 5.2 Pgb-vaardigheid Eerste lid Om in aanmerking te komen voor een pgb moet een budgethouder of budgetbeheerder in staat zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, en in staat zijn de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren (artikel 8.1.1, tweede lid, van de wet). Het gaat daarbij om de vraag of de budgethouder (en/of met een vertegenwoordiger: de budgetbeheerder) voldoende zelfstandig beslissingen kan nemen over de ondersteuning en de financiering daarvan. De bekwaamheid voor het hebben van een pgb wordt in samenspraak met de aanvrager getoetst, het oordeel van het college is hierin leidend. Mocht het college van oordeel zijn dat de persoon niet bekwaam is voor het houden of beheren van een pgb, dan weigert het college de aanvraag voor het pgb.
Een goed beheer van een toegekend pgb vraagt volgens een in opdracht van het Ministerie van VWS opgesteld rapport om de volgende vaardigheden en basisvoorwaarden blg-833053.pdf: 1. Aanvragen van de ondersteuning (inclusief formuleren ondersteunings-, cq. zorgvraag); 2. Inkopen van de zorg/aansturen van de zorg (ook als de ondersteuningsvraag wijzigt); 3. Goed werkgeverschap; 4. Coördinatie van zorgverleners en betrokkenheid familie en mantelzorg; 5. Voeren van een administratie; 6. Verantwoording afleggen en contact met de gemeente; en 7. In algemene zin taalvaardig in de Nederlandse taal en ICT vaardig. Deze taken dienen als basis om op basis van een pgb-plan de benodigde kennis en vaardigheden van de cliënt vast te stellen. Deze taken zijn door VWS uitgewerkt in het document ‘10 punten pgb-vaardigheid’ 10 punten pgb-vaardigheid. In deze bepaling wordt daarbij aangesloten. Daarbij wordt in aanvulling op het belang van de beheersing van de Nederlandse taal gewezen op artikel 2:6, van de Awb, waaruit volgt dat er in de Nederlandse taal met bestuursorganen wordt gecommuniceerd. Mocht de cliënt, die zelf niet over deze vaardigheden beschikt, alsnog een pgb wensen, dan dient er een vertegenwoordiger te zijn die de aan het pgb verbonden taken kan uitvoeren (de budgetbeheerder).
Ook de budgetbeheerder dient te voldoen aan de gestelde eisen en wordt eveneens getoetst op de genoemde aspecten. Tweede lid In het tweede lid wordt uitgewerkt onder welke omstandigheden de budgethouder of een budgetbeheerder niet in staat wordt geacht de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te
Pagina 52 van 81
voeren. Deze omstandigheden geven het signaal aan de beoordelaar van de aanvraag van het pgb dat dóór de omstandigheden, de budgethouder niet in staat wordt geacht zelf een pgb te kunnen beheren. In de afwijzende beschikking dient deze beoordeling per geval goed onderbouwd en gemotiveerd te worden. Van een categorale uitsluiting is derhalve geen sprake. 1. Problematische schuldenproblematiek: Problematische schuldenproblematiek maakt de kans groot en aannemelijk dat de budgethouder of budgetbeheerder voor het beheren van een pgb belangrijke financiële vaardigheden en verantwoordelijkheden ontbeert. Het is daarom niet wenselijk dat deze persoon, zolang hij zijn financiële zaken niet goed en zelfstandig op orde heeft, een pgb beheert. Signalen die kunnen wijzen op problematische schulden zijn bijvoorbeeld dat de budgethouder of budgetbeheerder zelf aangeeft dat er verwijtbare schulden zijn, in de schuldhulpverlening of schuldsanering zit, onder bewind staat, dan wel een indicatie heeft gekregen voor het resultaatgebied ‘Financiën’. Voor de definitie van problematische schulden wordt verwezen naar de definitie zoals deze door NVVK wordt gehanteerd. Er is volgens deze definitie sprake van problematische schulden als sprake is van de situatie waarin te voorzien is dat een natuurlijke persoon schulden niet zal kunnen blijven afbetalen of is gestopt met afbetalen. 2.
Ernstige verslavingsproblematiek: Ernstige verslavingsproblematiek bij een budgethouder of budgetbeheerder maakt dat deze vanwege de verslaving niet in staat is regie te voeren over zijn eigen leven, laat staan over een pgb. Ook de omstandigheid van een problematische ex-verslaving of de omstandigheid dat de budgethouder of budgetbeheerder bezig is de verslaving de baas te worden maakt dat deze persoon minder in staat geacht wordt om regie te voeren over zijn eigen leven, of over een pgb. Bij vermoedens van ernstige verslaving kan daar in het onderzoek nader onderzoek naar gedaan worden, bijvoorbeeld door het opvragen van een medische verklaring dan wel inschakeling van het verslavingsteam, consultatie- en diagnoseteam, hierna: CDT of expertiseteam jeugd. Signalen die kunnen wijzen op verslavingsproblematiek bij budgethouder of budgetbeheerder, zijn bijvoorbeeld dat dit onderdeel is van de melding en uit het onderzoek komt, of dat cliënt verslaving gerelateerd gedrag vertoont. 3. Aangetoonde fraude begaan in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag: Wanneer budgethouder of budgetbeheerder eerder frauduleus heeft gehandeld, op welk terrein dan ook, is het aannemelijk dat de verleidingsrisico’s bij het verstrekken van een pgb te groot zijn.
Dit geldt te meer indien budgethouder of budgetbeheerder, dan wel het bedrijf waar de vertegenwoordiger werkt, dan wel de beoogde pgbaanbieder, eerder betrokken is geweest bij pgb-fraude. 4. Een aanmerkelijke verstandelijke beperking: Een indicatie voor een verstandelijke beperking is een laag of zeer laag IQ. Tevens zijn er beperkingen in de sociale aanpassing die - zonder ondersteuning participatie in de weg staan. Er is vaak sprake van moeite met concentratie en aandacht en een laag zelfbeeld; soms zijn er bijkomende lichamelijke problemen dan wel een kwetsbare gezondheid. 5. Een ernstig psychiatrisch ziektebeeld: Bij GGZ-problematiek die in ernstige mate aanwezig is, is de kans groot dat het vrijwel onmogelijk is voor de budgethouder of budgetbeheerder om op stabiele en consistente wijze de regie te kunnen voeren over een pgb. Met name de beoordeling of de geleverde zorg doeltreffend en professioneel is, zal ingewikkeld zijn. Dat maakt dat er een verhoogd risico is op niet wenselijke afhankelijkheidsrelaties tussen de budgethouder of budgetbeheerder en de pgb-aanbieder. Een aanbod van ZIN past vaak beter in het zorgbelang van de cliënt. 6. Vastgestelde blijvende cognitieve stoornis: Wanneer een budgethouder of budgetbeheerder een vastgestelde, blijvende cognitieve stoornis heeft, is het aannemelijk dat cliënt daarmee de regie over zijn
Pagina 53 van 81
leven niet in de hand heeft. Voorbeelden van blijvende cognitieve stoornissen zijn de diverse vormen van dementie, de gevolgen van ander niet-aangeboren hersenletsel. 7. Het onvoldoende machtig zijn van de Nederlandse taal, in woord en geschrift: Het beheren van een pgb is niet mogelijk wanneer budgethouder of budgetbeheerder de Nederlandse taal onvoldoende beheerst. Het voldoende kunnen begrijpen, en daarmee kunnen lezen, van alle voorwaarden en eisen ten aanzien van een pgb, is niet mogelijk bij een onvoldoende beheersing van het Nederlands. Ook het opstellen en afsluiten van bijvoorbeeld zorgovereenkomsten, is dan buiten bereik. Hiervan afgeleid kan tevens worden gesteld dat men voldoende kennis dient te hebben van de Nederlandse samenleving, zodat men bijvoorbeeld de vraag kan beantwoorden wat de Sociale verzekeringsbank (hierna: SVB) is en doet in relatie tot het pgb. 8. Het niet verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag waaruit blijkt dat er geen bezwaren bestaan tegen het uitvoeren van de werkzaamheden als budgethouder of budgetbeheerder. Wat staat er in artikel 5.2 over pgb-vaardigheid? Als iemand een persoonsgebonden budget (pgb) wil, moet diegene (of een vertegenwoordiger) goed kunnen omgaan met de taken die daarbij horen. De gemeente kijkt of iemand dat kan. Als dat niet zo is, kan de gemeente de aanvraag afwijzen.
Wat moet iemand kunnen? De persoon of vertegenwoordiger moet: 1. Weten welke hulp nodig is en die hulp kunnen aanvragen. 2. Zelf zorg kunnen regelen en aanpassen als dat nodig is. 3. Goed kunnen omgaan met zorgverleners (als werkgever). 4. Zorg kunnen afstemmen met anderen, zoals familie. 5. Een goede administratie bijhouden. 6. Verantwoording afleggen aan de gemeente. 7. De Nederlandse taal goed begrijpen en met een computer kunnen werken. Wanneer kan iemand géén pgb krijgen? De gemeente kan een pgb weigeren als iemand: • Grote geldproblemen heeft (bijvoorbeeld schulden of onder bewind staat). • Ernstige verslavingsproblemen heeft. • In de afgelopen 3 jaar fraude heeft gepleegd. • Een verstandelijke beperking heeft waardoor zelfstandig regelen niet lukt. • Ernstige psychische problemen heeft. • Een blijvende stoornis in het denken heeft. • De Nederlandse taal niet goed genoeg beheerst. • Geen Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) krijgt. 🧾 Voorbeeld van een ouder die geen pgb kan krijgen Mevrouw De Vries is moeder van een zoon van 10 jaar met een verstandelijke beperking. Ze wil graag een persoonsgebonden budget (pgb) om zelf hulp voor haar zoon te regelen. Maar de gemeente vindt dat zij niet pgb-vaardig is. Waarom niet? • Mevrouw De Vries heeft grote schulden en staat onder bewind. Ze mag zelf geen geld beheren.
• Ze heeft moeite met het begrijpen van brieven van de gemeente en kan niet goed met een computer werken. • Ze weet niet goed welke hulp haar zoon nodig heeft en vindt het lastig om dit uit te leggen. • Ze heeft eerder hulp gehad, maar de administratie niet goed bijgehouden. Daardoor kon ze geen verantwoording afleggen. De gemeente besluit daarom dat mevrouw De Vries geen pgb kan krijgen. Ze krijgt wel hulp in natura: de gemeente regelt de zorg voor haar zoon. Pagina 54 van 81
Artikel 5.3 Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere pgb-tarief en voor informele hulp geldt een lagere tarief. Zie artikel 5.5, eerste lid van deze verordening. Eerste en tweede lid Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep en volgens professionele standaarden. De hulp wordt dan verleend door een jeugdhulpaanbieder of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er), die onder toezicht staat van de in de wet aangewezen inspecties. Van formele hulp is ook sprake als de hulpverlener een BIG of SKJregistratie heeft. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloedof aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. (groot)ouders, broers, zussen en (adoptie)kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. In de praktijk gaat het dan om personen uit het sociale netwerk. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in lid 1 van deze bepaling; dan nog wordt hulp van deze bloed- of aanverwant in het kader van deze verordening als informele hulp beschouwd.
De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Professionals die hulp verlenen – ook vanuit een pgb – moeten geregistreerd zijn in het SKJ of BIG. Dat is een kwaliteitseis voor jeugdhulpverleners. De inspectie controleert de kwaliteit van jeugdhulpverleners. Ook als het gaat om hulpverleners die ingekocht worden met een pgb. Een voorwaarde voor toekennen van een pgb is dat de hulpverlening die ingekocht wordt van goede kwaliteit is. Hiervoor gelden de kwaliteitseisen uit de wet. Eén van deze eisen is de verplichte registratie (artikel 4.1.6, vijfde lid, van de wet en paragraaf 5.1, van het Besluit Jeugdwet). Professionele hulpverleners die via een pgb hulpverlenen moeten dus in beginsel geregistreerd zijn, in het SKJ of BIG (register voor beroepen in de individuele gezondheidszorg). In bijzondere situaties kan de hulp verleend worden door een professional die niet geregistreerd is. De gemeente mag de hulp alleen door deze niet-geregistreerde professionals laten uitvoeren, als aannemelijk gemaakt kan worden dat de kwaliteit van de uit te voeren taak daardoor niet nadelig wordt beïnvloed (zie artikel 5.1.1, tweede lid, Besluit Jeugdwet).
Let op: het gaat hier dan echt om een uitzondering op de hoofdregel dat de professional moet zijn geregistreerd. Derde en vierde lid Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociale netwerk. Bloedverwanten Bloedverwantschap ontstaat door: • geboorte; • afstamming van dezelfde voorvader; • erkenning; • gerechtelijke vaststelling van het vaderschap; • adoptie. Bloedverwanten zijn in de: Eerste graad: • (adoptie)ouders;
Pagina 55 van 81
• (adoptie)kinderen. Tweede graad: • Grootouders; • Kleinkinderen; • Broers en zussen. Wat staat er in artikel 5.3 over het verschil tussen formele en informele hulp bij het persoonsgebonden budget (pgb)? Formele en informele hulp Bij het aanvragen van een pgb wordt gekeken wie de hulp geeft. Dat bepaalt hoeveel geld je krijgt. Formele hulp • Wordt gegeven door professionele hulpverleners. • Deze mensen doen dit werk als beroep of bedrijf. • Ze zijn vaak geregistreerd in het BIG-register of bij het SKJ. • Ze werken volgens regels en kwaliteitseisen. • Voor formele hulp krijg je een hoger pgb-tarief. Informele hulp • Wordt gegeven door familie of mensen uit je eigen netwerk. • Bijvoorbeeld: je ouders, kinderen, broers, zussen, grootouders. • Ook als zij professioneel zijn, telt het als informele hulp als ze familie zijn. • Voor informele hulp krijg je een lager pgb-tarief. Waarom dit verschil? • Familie heeft vaak een emotionele band met degene die hulp krijgt. • Daarom wordt hun hulp anders beoordeeld dan hulp van een onafhankelijke professional. Voorbeeld van formele en informele hulp Situatie 1 – Formele hulp Lisa heeft jeugdhulp nodig vanwege psychische problemen. Haar ouders kiezen ervoor om hulp in te kopen via een pgb. Ze schakelen een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP’er) in die: • een SKJ-registratie heeft, • werkt als professional, • en niet familie is van Lisa.
➡️ Dit is formele hulp. Lisa krijgt het hogere pgb-tarief. Situatie 2 – Informele hulp Lisa heeft dezelfde hulp nodig. Haar tante, die toevallig ook BIG-geregistreerd psychiatrisch verpleegkundige is, biedt aan om te helpen. Ondanks haar opleiding en registratie is zij: • familie in de tweede graad, • en heeft een persoonlijke band met Lisa. ➡️ Dit is informele hulp. Lisa krijgt het lagere pgb-tarief, omdat de hulp komt van een familielid.
Pagina 56 van 81
Artikel 5.4 Kwaliteitseisen individuele voorziening in de vorm van een pgb Om te waarborgen dat jeugdhulp in de vorm van een pgb, evenals jeugdhulp in de vorm van zorg in natura, op een verantwoorde manier wordt verleend zijn in deze bepaling kwaliteitseisen uitgewerkt. Dit moet ervoor zorgen dat de jeugdhulp van goed niveau is en in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder (zie ook bij artikel 5.1). Eerste lid, a. In dit lid is opgenomen dat de informele hulpverlener beschikt over een geldige verklaring omtrent het gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. De verlener van informele hulp is verplicht de VOG desgevraagd te overhandigen aan het lokale team. De VOG mag niet ouder zijn dan drie maanden. Eerste lid, m. Deze bepaling is opgenomen ter voorkoming van overbelasting van de informele hulp. De overbelasting wordt getoetst aan de arbeidstijdenwet. Verricht een informele hulpverlener ook betaalde arbeid dan mag hij in totaal gemiddeld 48 uur per week werken, conform de Arbeidstijdenwet. Het pgb kan in deze gevallen (deels) geweigerd worden om zo overbelasting te voorkomen. Derde lid.
In dit lid is opgenomen dat als uit de toepassing van het afwegingskader voor een verantwoorde werktoedeling blijkt dat hulp geboden moet worden door een geregistreerde professional, dit de inzet van iemand uit het sociaal netwerk uitsluit.
Wat staat er in artikel 5.4 over de kwaliteitseisen die de gemeente moet stellen voor jeugdhulp via een pgb? Als een jongere of ouder jeugdhulp krijgt via een persoonsgebonden budget (pgb), moet die hulp veilig, goed en passend zijn. Daarom zijn er regels opgesteld. 1. Verklaring omtrent gedrag (VOG) Een informele hulpverlener (bijvoorbeeld een familielid of bekende) moet een geldige VOG hebben. Uitzondering: als de hulpverlener de ouder is van het kind. De VOG mag niet ouder zijn dan 3 maanden en moet getoond worden als het lokale team daarom vraagt. 2. Voorkomen van overbelasting Een informele hulpverlener mag niet te veel uren werken. Als iemand naast de hulp ook ander werk doet, mag hij of zij gemiddeld niet meer dan 48 uur per week werken. Als dat wel zo is, kan het pgb (deels) worden geweigerd. 3. Inzet van professionals Soms is het nodig dat de hulp wordt gegeven door een professionele hulpverlener. Als dat zo is, mag iemand uit het sociale netwerk (zoals familie of vrienden) deze hulp niet geven.
Pagina 57 van 81
Artikel 5.5 Hoogte van het pgb Eerste en tweede lid In de verordening moet in ieder geval worden bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld (artikel 2.9, onderdeel c, van de wet). Daarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn om de benodigde hulp in te kunnen kopen. Ook als de hulp wordt betrokken van het sociale netwerk. De essentialia van het voorzieningenpakket moeten in de verordening worden vastgelegd. Dit volgt onder andere uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 17 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803). Deze uitspraak betrof weliswaar de Wmo 2015, maar hetgeen in rechtsoverweging 4.5 is van gelijke toepassing op de wet (zie Rb. Noord-Nederland 28 maart 2018, ECLI:NL:RBNNE:2018:1092). Er wordt onderscheid gemaakt tussen een tarief voor formele hulp en een tarief voor informele hulp. Voor formele hulp gelden hogere pgb-tarieven en voor informele hulp geldt het lagere minimumtarief. De tarieven voor formele hulp zijn afgeleid van de tarieven zorg-in-natura. Voor formele hulp door kleine aanbieders, in elk geval zzp-ers, wordt een lager tarief gehanteerd. Het tarief voor een dergelijke zorgaanbieder is lager vanwege een lager opslagpercentage voor overheadkosten waarmee is gerekend.
In de praktijk hebben deze organisaties vaak lage overheadkosten en een hogere productiviteit als gevolg van minder beleidsmatige activiteiten en of zeer beperkt vast personeel. In deze verordening is het pgb-tarief voor informele hulp is hoger dan het wettelijk minimumloon. De jeugdige of ouder kan daarmee te allen tijde aan zijn arbeidsrechtelijke verplichtingen voldoen. Omdat het bij informele hulp vrijwel altijd gaat om hulp uit het sociale netwerk, waarbij de hulp op de eerste plaats voortvloeit uit de affectieve relatie, is dit tarief passend geacht. Eerste lid, onder d In dit lid is vastgelegd op welke wijze de hoogte van het pgb wordt vastgesteld door categorieën jeugdhulp te benoemen die kunnen worden ingezet bij een pgb. Aan de verschillende categorieën is een maximumtarief verbonden. Het tarief dat aan de categorie is gekoppeld, maakt de inzet van kwalitatief toereikende zorg mogelijk • Categorie ambulante jeugdzorg: Onder formele hulp als het gaat om ambulante jeugdzorg door inzet van specialistische begeleiding wordt verstaan: specialistische begeleiding gericht op jeugdige en gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag met een systemische aanpak.
• Categorie dagbehandeling jeugdzorg: Onder formele hulp als het gaat om dagbehandeling of –begeleiding in groepsverband door inzet van specialistische behandeling in groepsverband wordt verstaan: specialistische begeleiding in groepsverband gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag en/of waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. • Categorie verblijf jeugdzorg: Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische begeleiding wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op jeugdige en/of gezin waarbij het zwaartepunt ligt op het aanleren van vaardigheden en/of gedrag, in groepsverband aangevuld met individuele begeleiding. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. • Categorie generalistische basis ggz: Onder formele hulp als het gaat om generalistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Bij vermoeden van een DSM-IV benoemde stoornis met
Pagina 58 van 81
lichte/matige/ernstige/ chronische symptomen. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. • Categorie specialistische ggz: Onder formele hulp als het gaat om specialistische ggz door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) GGZ-behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Het betreft altijd een multidisciplinaire behandeling in een gespecialiseerde setting Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. • Categorie begeleiding individueel/groep: Onder formele hulp als het gaat om begeleiding in groepsverband en/of individueel door inzet van praktische begeleiding en ondersteuning wordt in het algemeen verstaan: het in groepsverband (langdurig) en/of individueel aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Één-op-één begeleiding aan het kind (geen gezinsondersteuning) betreft het bieden van activiteiten gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid. Groepsbegeleiding wordt ook wel dagbesteding of dagactiviteiten genoemd om vaardigheden te onderhouden, zoveel mogelijk zelfstandigheid te bewaren, om te het leren omgaan met gedragsproblemen.
• Categorie persoonlijke verzorging: Onder formele hulp als het gaat om persoonlijke verzorging door inzet van praktische ondersteuning en overname van verzorgingstaken wordt verstaan: het verzorgen, aansturen en/of stimuleren van verzorgende taken. • Categorie kortdurend verblijf: Onder formele hulp als het gaat om kortdurend verblijf wordt verstaan: 24-uurs verblijf gericht op ontlasting van het gezin en op aansturen en/of inslijten van gedrag, sociale vaardigheden en algemene dagelijks levensverrichtingen. Inclusief begeleiding en/of persoonlijke verzorging. Categorie behandeling (licht)verstandelijke beperking: Onder formele hulp als het gaat om behandeling (licht)verstandelijke beperking door inzet van specialistische behandeling wordt verstaan: (Kortdurende) behandeling waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk.
• Categorie verblijf (licht)verstandelijke beperking: Onder formele hulp als het gaat om verblijf binnen een jeugdhulpinstelling door inzet van verblijf met specialistische behandeling wordt verstaan: 24-uurs verblijf voor jeugdigen met (ernstige) (lichamelijke) beperkingen waarbij specialistische kennis nodig is en/of medische handelingen uitgevoerd moeten worden waarbij de bron/oorzaak aangepakt wordt om problemen op te lossen of hanteerbaar te maken. Hiervoor is betrokkenheid van een behandelverantwoordelijke (gedragsdeskundige en/of medisch specialist) noodzakelijk. Eerste lid onder e De pgb-tarieven, met uitzondering van de categorie overig die verwijst naar informele hulp, worden jaarlijks geïndexeerd. Het indexpercentage is hetzelfde als voor de tarieven in natura. Vierde lid Het tarief voor informele of niet professionele ondersteuning wordt niet meer jaarlijks geïndexeerd. Het tarief is maximaal € 27,56 per uur. Dit tarief ligt ruim hoger dan het minimumloon dat op peildatum 1 juli 2025 € 14,40 per uur bedraagt.
Pagina 59 van 81
Vijfde lid Het staat budgethouders vrij om een zorgverlener te contracteren die een hoger of lager tarief hanteert. Bij een hoger tarief dan het rekentarief dient de budgethouder zelf de extra kosten voor zijn/haar rekening te nemen (of genoegen te nemen met minder uren, dagdelen of etmalen inzet). Als uit het budgetplan blijkt dat de hulp voor formele hulp voor een lager tarief ingekocht kan worden dan genoemde tarieven voor formele hulp, dan mag het college bij de toekenning uitgaan van dit lagere tarief. Zevende lid Het college publiceert minimaal jaarlijks de tarieven.
Wat staat er in artikel 5.5 over hoe de gemeente bepaalt hoeveel geld iemand krijgt via een Persoonsgebonden budget (pgb) voor jeugdhulp? Belangrijke punten: • Toereikend bedrag: Het pgb moet genoeg zijn om goede hulp te kunnen inkopen, ook als iemand hulp krijgt van familie of vrienden. • Twee soorten hulp: • Formele hulp: Van een professionele zorgverlener. Hiervoor gelden hogere tarieven. • Informele hulp: Van iemand uit het sociale netwerk (bijvoorbeeld een familielid). Hiervoor geldt een lager tarief. • Verschillende categorieën hulp: Er zijn aparte tarieven voor verschillende soorten hulp, zoals: • Ambulante jeugdzorg (begeleiding thuis) • Dagbehandeling (in een groep) • Verblijf (24-uurs zorg) • GGZ (geestelijke gezondheidszorg) • Begeleiding individueel of in een groep • Persoonlijke verzorging • Kortdurend verblijf • Hulp bij verstandelijke beperking • Indexatie: De meeste tarieven worden elk jaar aangepast aan de kostenstijging. Het tarief voor informele hulp wordt niet meer jaarlijks verhoogd. • Maximale vergoeding voor informele hulp: € 27,56 per uur (ruim boven het minimumloon van € 14,40 per uur in juli 2025). • Vrijheid in keuze: De budgethouder mag zelf kiezen wie hij inhuurt. Als de zorgverlener duurder is dan het pgb-tarief, moet de budgethouder het verschil zelf betalen. • Publicatie: De gemeente maakt de tarieven minstens één keer per jaar bekend.
Artikel 5.6. Uitgesloten van pgb Niet alle kosten die worden gemaakt in het kader van de inkoop van jeugdhulp vanuit een pgb komen voor vergoeding vanuit het pgb in aanmerking. Deze kosten worden in artikel 5.6 opgesomd. Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon of organisatie die de jeugdige of ouder(s) helpt met het beheer van het pgb. Een vertegenwoordiger wordt derhalve niet betaald vanuit het pgb. Ook kosten als administratiekosten, intakekosten, bemiddelingskosten, worden niet vanuit het pgb betaald. Mochten dergelijke kosten zich voordoen, dan is de jeugdige of zijn ouder hier zelf verantwoordelijk voor aangezien hijzelf ook de keuze heeft gemaakt deze eventuele financiële verplichting aan te gaan.
Pagina 60 van 81
De jeugdige of zijn ouders heeft een inlichtingenplicht en moet het college vooraf informeren over een buitenlands verblijf. Indien besteding van het pgb in het buitenland gewenst is, is dat alleen mogelijk als hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven. Als er sprake is van jeugdhulp in een spoedeisende situatie, als bedoeld in artikel 2.5, derde lid, van de wet is er nog geen sprake van geïndiceerde jeugdhulp op basis van een onderzoek als bedoeld in artikel 4.1 van deze verordening. In zo’n geval is de jeugdhulp voorlopig niet mogelijk via een pgb. Zodra het reguliere onderzoek is afgerond en een individuele voorziening blijkt noodzakelijk, dan kan de jeugdige of zijn ouder uiteraard wel een verzoek indienen voor een pgb.
Wat staat er in artikel 5.6 over wat er niet vergoed mag worden uit het persoonsgebonden budget (pgb)? 📌 Wat wordt niet vergoed vanuit een pgb? 1. Hulp bij het beheren van het pgb Je mag geen geld uit het pgb gebruiken om iemand te betalen die je helpt met het regelen van het pgb. 2. Extra kosten Kosten zoals administratie, intake of bemiddeling worden niet vergoed. Als je deze kosten maakt, moet je die zelf betalen. 3. Jeugdhulp in het buitenland Wil je het pgb gebruiken in het buitenland? Dan moet je van tevoren toestemming vragen aan de gemeente. 4. Spoedeisende hulp In een noodsituatie kun je nog geen pgb gebruiken. Pas als er een onderzoek is gedaan en je recht hebt op hulp, kun je een pgb aanvragen. 🧾 Voorbeeld: Toelichting voor ouders over wat niet mag met een pgb Meneer de Kroon heeft een pgb gekregen om jeugdhulp voor zijn kind in te kopen. Hij wil iemand betalen die hem helpt met het regelen van het pgb, zoals het invullen van formulieren of het maken van afspraken. Deze persoon mag meneer de Kroon niet betalen met geld uit het pgb. Dit moet meneer zelf betalen.
Pagina 61 van 81
Hoofdstuk 6 opschorten
Herziening, intrekking, terugvordering en
Dit hoofdstuk in de verordening betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Het intrekken of herzien van een besluit kan ook het resultaat zijn van een gewijzigde (inschatting van de) situatie. Artikel 6.1. Inlichtingen Eerste lid Aan het ‘repareren’ van de gevolgen van ten onrechte ontvangen individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s gaan pogingen vooraf om onterechte voorzieningen en betaling van pgb’s te voorkomen. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de jeugdige en ouders en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid een ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.6, van de wet, waarin is bepaald dat het college de jeugdige en zijn ouder vooraf informeert over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening.
In deze verordening wordt de inlichtingenplicht van het college breder getrokken, zodat het college de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een individuele voorziening zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Tweede lid Deze bepaling berust mede op artikel 8.1.2, eerste lid, van de wet, waarin is vastgelegd dat de jeugdige of zijn ouders het college alle informatie verstrekt die van belang kan zijn voor de verlening van een pgb. In deze verordening wordt de toepassing van deze informatieplicht verbreed naar de voorzieningen in natura en de wettelijk vertegenwoordiger. Immers, ook van jeugdigen en/of ouders met jeugdhulp in natura en van de wettelijk vertegenwoordiger kan verlangd worden dat ze voldoende gegevens en inlichtingen verstrekken om het college in staat te stellen te beoordelen of terecht een beroep op de voorziening wordt of is gedaan.
Pagina 62 van 81
Wat staat er in artikel 6.1 over het geven en krijgen van informatie De gemeente moet ouders en jeugdigen goed uitleggen wat hun rechten en plichten zijn als ze jeugdhulp krijgen. Ook moet duidelijk zijn wat er gebeurt als iemand misbruik maakt van de hulp of het geld (pgb). Zo kunnen problemen worden voorkomen. Ouders en jeugdigen moeten de gemeente alle belangrijke informatie geven die nodig is om te bepalen of ze recht hebben op hulp. Dit geldt voor hulp in natura én voor een pgb. Ook een wettelijk vertegenwoordiger moet deze informatie geven als dat nodig is. 🧩 Voorbeeld uit de praktijk: Hulp voor Peter (11 jaar) Situatie: Peter is 11 jaar en heeft hulp nodig bij het omgaan met agressie. Moeder vraagt jeugdhulp aan bij de gemeente. Ze twijfelt tussen hulp via een zorgaanbieder (natura) of een persoonsgebonden budget (pgb), waarmee ze zelf hulp kunnen inkopen. Wat doet de gemeente? De gemeente legt duidelijk uit: • wat het verschil is tussen natura en pgb; • wat de verantwoordelijkheden zijn bij een pgb (zoals administratie en verantwoording); • wat er gebeurt als het geld verkeerd wordt gebruikt. •
Wat doet de moeder van Peter? Zij geeft alle informatie die belangrijk is, zoals: • eerdere hulp die Peter heeft gehad; • hoe ze het pgb wil gebruiken; • wie de hulp gaat geven. Resultaat: De gemeente en moeder bespreken dat er hulp nodig is van een formele zorgverlener uit het pgb omdat moeder hulp nodig heeft in de avonden en weekenden omdat het dan vaak moeilijk is. Artikel 6.2. Niet meewerken ouder(s) Deze bepaling geeft het college de bevoegdheid om een verstrekte individuele voorziening al dan niet in vorm van een pgb te weigeren, of te heroverwegen als de ouders niet meewerken aan onderzoek naar de noodzaak of doelmatige inzet van de jeugdhulp. Artikel 6.2 gaat erover dat als ouders niet willen meewerken aan een onderzoek naar jeugdhulp, de gemeente (het college) mag besluiten om: • geen hulp te geven, of • de hulp die al gegeven wordt te stoppen of aan te passen.
Artikel 6.3. Intrekking of herziening Eerste lid: Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Het eerste lid breidt deze opdracht uit naar alle
Pagina 63 van 81
individuele voorzieningen, ongeacht de vorm van de verstrekking. Ook wordt aan het college de bevoegdheid verleend om op dit punt nadere regels te stellen. Tweede lid: Deze bepaling regelt in welke gevallen het college een beslissing tot verlening van een individuele voorziening kan intrekken, herzien of opschorten. Bij herzien gaat het om het gedeeltelijk aanpassen van de aanspraak naar de toekomst toe of over het verleden. Intrekking ziet eveneens op het verleden: een aanspraak wordt dan echter volledig beëindigd vanaf een in het verleden gelegen datum. De bepaling is afgeleid van artikel 8.1.4, van de wet die de herziening en intrekking regelt van verstrekte pgb’s. Verder breidt de bepaling de herzienings-/intrekkingsbevoegdheid uit tot de individuele voorziening in natura. Het gaat hier om een 'kan'-bepaling. Het college is dus niet verplicht gebruik te maken van zijn bevoegdheid tot herziening of intrekking. Vanuit het grote belang van een rechtmatige besteding van publieke middelen vormt gebruikmaking van deze bevoegdheid uiteraard het uitgangspunt, maar de individuele situatie van de betrokkenen dient uitdrukkelijk ook in de afweging te worden betrokken. Uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep blijkt herziening en terugvordering van begunstigende beschikkingen indringender getoetst wordt aan het evenredigheidsbeginsel.
Bij de beoordeling of redelijkerwijs tot intrekking, herziening of opschorting is overgegaan, moet niet alleen rekening gehouden worden met de gevolgen van een dergelijk besluit, maar ook met de oorzaak daarvan. Daarbij spelen alle feiten en omstandigheden van het geval, en ook de evenredigheid, een rol. Het college is verplicht een belangenafweging te maken waarvan de uitkomst niet onevenredig mag zijn. Uitgangspunt hierbij zal een intensieve toetsing door de bestuursrechter zijn (CRvB 18 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:726). Derde en vierde lid: Van een jeugdige en/of zijn ouder(s) wordt verwacht dat ze binnen drie maanden gebruik maken van hun indicatie door zich te melden bij de jeugdhulpaanbieder. Of, als het gaat om een pgb, het pgb binnen zes maanden zullen inzetten voor de aangewezen jeugdhulp. Dit om te voorkomen dat een indicatie is verouderd en de situatie op termijn dusdanig is gewijzigd, dat de verstrekte voorziening niet langer passend is. Voldoen jeugdigen of ouders niet aan deze voorwaarde, dan kan dat een grond opleveren om de aanspraak op de individuele voorziening in te trekken.
Wat staat er in artikel 6.3 gaat over de regels bij het stopzetten of aanpassen van jeugdhulp? De gemeente controleert soms of hulp nog nodig is. De gemeente kijkt af en toe of de hulp die is gegeven nog past bij de situatie van de jongere. De gemeente mag hulp stoppen of veranderen Dat mag bijvoorbeeld als: • De situatie is veranderd. • De hulp niet goed is gebruikt. • Er verkeerde informatie is gegeven. De gemeente moet altijd goed nadenken of dit eerlijk is. De hulp moet op tijd beginnen: • Begin je niet binnen 3 maanden met hulp van een aanbieder? • Of gebruik je een pgb niet binnen 6 maanden? Dan mag de gemeente de hulp stopzetten.
Pagina 64 van 81
Artikel 6.4 Opschorting en terugvordering Eerste en tweede lid In de wet is geregeld dat het college een pgb kan invorderen als dit is herzien of ingetrokken in verband met onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de jeugdige/ouder (zie artikel 8.1.4, derde lid, van de wet). Alvorens tot invordering te kunnen overgaan, moet het college het bedrag echter eerst terugvorderen. Terugvordering is niet geregeld in de wet. Het is daarom van belang hiervoor een grondslag op te nemen in de verordening. Dit geldt ook voor het invorderen van de geldschade als gevolg van een onterecht verstrekte voorziening in natura. Net zoals bij herziening en intrekking gaat het bij terugvordering om een bevoegdheid van het college. Zesde lid In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Middels opschorting kan ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningbeschikking. Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting hier opgenomen. Dit in overeenstemming met artikel 8b, zesde lid, onder g, van de Regeling Jeugdwet.
Het college kan een verzoek enkel doen als een gegrond vermoeden is gerezen dat: 1) de jeugdige of zijn ouders onjuiste of onvolledige gegevens hebben verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid (onderdeel a); 2) de jeugdige of zijn ouders niet voldoen aan de voorwaarden van het pgb (onderdeel d); of 3) de jeugdige of zijn ouders pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het bestemd is (onderdeel e). Van de onder 2 genoemde omstandigheid is ook sprake als de jeugdige of diens ouders niet langer voldoende in staat zijn op eigen kracht, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van een vertegenwoordiger, de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren, en als niet langer is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan er voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort.