04 Bijlage Toelichting bij verordening jeugdhulp Landsmeer 2026
Tekst van het document
Duur Kort Lang Lang Lang
Hoeveelheid hulp Weinig Veel Weinig Veel
Doel Herstel / ontwikkeling Herstel / ontwikkeling Stabiliseren Stabiliseren
🧩 Wie bepaalt de intensiteit? • •
Bij lichtere hulp (bijvoorbeeld Segment B): de jeugdhulpaanbieder bepaalt dit samen met het gezin. Bij zwaardere hulp (Segment C of V): er moet eerst een perspectiefplan zijn, goedgekeurd door het Lokaal Team of een Gecertificeerde Instelling.
Zonder dit plan mag de hulp niet starten, behalve in een crisissituatie. Pagina 22 van 81
Artikel 2.16. Herbeoordeling Artikel 2.16 eerste lid Er kan, als dat nodig blijkt, van een lichtere naar een zwaardere intensiteit opgeschaald worden (of omgekeerd: afgeschaald). Artikel 2.16 tweede lid In dit lid is geregeld dat het college (de facto het Lokaal team) de noodzaak van de voortzetting van specialistische en hoog-specialistische jeugdhulp periodiek kan her beoordelen. Als bij de herbeoordeling blijkt dat hulp nog steeds nodig is, hoeft geen nieuw besluit genomen te worden. Wanneer er geen of andere zorg nodig is, wordt dit natuurlijk wel in een nieuw besluit vastgelegd. Wat staat er in artikel 2.16 over hoeveel hulp er nodig is en hoe lang? (Herbeoordeling van intensiteit) Als een kind of jongere specialistische jeugdhulp krijgt, wordt er gekeken naar: 1. Hoeveel hulp nodig is (de intensiteit), 2. Hoe lang die hulp nodig is. 🔁 ⬆️ Opschalen of ⬇️ afschalen • Als de situatie verergert, kan de hulp zwaarder worden (opschalen). • Als het beter gaat, kan de hulp lichter worden (afschalen). 🔍 Herbeoordeling • De gemeente (meestal het Lokaal team) kijkt regelmatig of de hulp nog nodig is. • Als dat zo is, hoeft er geen nieuw besluit te komen. • Als de hulp niet meer nodig is of moet veranderen, dan komt er wel een nieuw besluit.
Artikel 2.17 Stapelen en samenloop van Jeugdhulp Artikel 2.17 eerste lid Stapelen van SPIC’s (Specialistische Producten in de Contractering) Niet toegestaan: • Meerdere SPIC’s voor één jeugdige bij één jeugdhulpaanbieder, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode. • Twee crisis-SPIC’s tegelijkertijd. Wel toegestaan (uitzonderingen): • Crisis-SPIC naast reguliere SPIC. • Pleegzorg regulier gecombineerd met logeren. • Pleegzorg regulier gecombineerd met pleegzorg deeltijd. • Zak- en kleedgeld mag naast verblijf-SPIC’s lopen, volgens de voorwaarden in de factsheet. • Crisis buiten kantooruren mag naast een andere crisis-SPIC: • iHub via CH112 • Levvel via CH113 Artikel 2.17 tweede lid Samenloop van jeugdhulp is toegestaan in de volgende situaties: 1. Meerdere SPIC’s bij verschillende aanbieders binnen hetzelfde segment en periode, mits er een perspectiefplan is. 2. Combinatie van SPIC uit segment B of C met segment V bij dezelfde aanbieder. 3. Combinatie van SPIC uit segment B, C of V met een crisis-SPIC bij dezelfde aanbieder.
Pagina 23 van 81
📘 Toelichting stapelen SPIC’s Bij specialistische jeugdhulp in Zaanstreek-Waterland mag één aanbieder niet meerdere SPIC’s inzetten voor dezelfde jeugdige, binnen hetzelfde segment en dezelfde periode. Dit heet stapelen en is niet toegestaan, behalve in een paar specifieke gevallen. ‘
✅ Uitzonderingen op het verbod • Crisis-SPIC naast reguliere SPIC. • Pleegzorg regulier met logeren of deeltijd. • Zak- en kleedgeld naast verblijf-SPIC. • Crisis buiten kantooruren (CH112 of CH113) naast andere crisis-SPIC. 🎯 Praktijkvoorbeeld stapelen Casus: Een jeugdige zit in een pleeggezin via aanbieder X. De aanbieder wil daarnaast ook logeeropvang inzetten in weekenden. Toegestaan? ✅ Ja, combinatie pleegzorg regulier met logeren is een uitzondering op het stapelverbod. Niet toegestaan zou zijn: Als aanbieder X voor dezelfde jeugdige in dezelfde periode twee reguliere SPIC’s binnen segment B aanvraagt, bijvoorbeeld voor individuele begeleiding én groepsbegeleiding. Dat is stapelen en dus niet toegestaan. Praktijkvoorbeeld samenloop 🧠 Casus: Een jeugdige van 15 jaar heeft te maken met ernstige gedragsproblemen en een vermoeden van een licht verstandelijke beperking (LVB). Hij woont thuis, maar de thuissituatie is instabiel. Er is sprake van schooluitval en risico op uithuisplaatsing. Samenloop van SPIC’s: 1. SPIC uit segment C: Ambulante behandeling LVB. 2. SPIC uit segment V: Begeleiding in een kleinschalige woonvorm (tijdelijk verblijf) bij dezelfde aanbieder. 3. Crisis-SPIC: Kortdurende crisisinterventie in de thuissituatie na een agressie escalatie thuis, bij een andere aanbieder.
Waarom toegestaan? • De SPIC’s vallen onder de toegestane combinaties: segment C + V bij dezelfde aanbieder en een crisis-SPIC bij een andere aanbieder. • Er is een perspectiefplan opgesteld waarin duidelijk staat hoe de verschillende vormen van hulp elkaar aanvullen en wat het einddoel is (terugkeer naar huis, schoolherstel, stabilisatie). • Het lokaal team, zorgaanbieders en ouders werken samen aan het verbeteren van de situatie voor de jeugdige. Resultaat: Door deze samenloop kon de jeugdige in een veilige omgeving verblijven, werken aan zijn gedragsregulatie en tegelijkertijd ambulante behandeling in de thuissituatie krijgen. De crisisinterventie was kortdurend en gericht op het voorkomen van langdurige uithuisplaatsing.
Pagina 24 van 81
Artikel 2.18 Afspraken met aanbieders Op grond van artikel 2.6, eerste lid, onder a, van de wet is het aan het college om zorg te dragen voor een kwalitatief en kwantitatief aanbod. In dit artikel is bepaald over welke elementen het college in het kader van zijn inkoop- of subsidierelatie met de jeugdhulpaanbieders afspraken moet maken. Deze afspraken dragen bij aan duidelijkheid over het beschikbare voorzieningenpakket. De kwaliteitseisen waar jeugdhulpaanbieders aan moeten voldoen, die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden uitvoeren, vloeien rechtstreeks voort uit de wet. Deze zijn daarom niet in de verordening opgenomen, maar moeten uiteraard wel in de contractuele afspraken worden opgenomen.
Wat staat er in artikel 2.17 over de afspraken die de gemeente moet maken met jeugdhulpaanbieders? De gemeente koopt jeugdhulp in bij organisaties die deze hulp geven. Met deze organisaties maakt de gemeente duidelijke afspraken over: • • •
Welke hulp ze moeten bieden, Hoe vaak en hoe lang de hulp duurt, Wat de kwaliteit van de hulp moet zijn.
📋 Waarom zijn deze afspraken belangrijk? • • •
Ze zorgen ervoor dat kinderen en jongeren goede hulp krijgen. Ze maken duidelijk wat er beschikbaar is aan hulp. Ze helpen de gemeente om de hulp goed te regelen en te controleren.
🧠 Kwaliteitseisen De wet stelt eisen aan de kwaliteit van jeugdhulp. Bijvoorbeeld: • •
De hulp moet veilig, effectief en passend zijn. De hulpverleners moeten deskundig zijn.
Deze eisen staan niet in de verordening zelf, maar worden opgenomen in de contracten tussen de gemeente en de hulpverleners.
Hoofdstuk 3
Toegang tot jeugdhulpvoorzieningen
Artikel 3.1 Toegang jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts Eerste lid Naast de gemeentelijk georganiseerde toegang tot jeugdhulp (zie hierna), bestaat ook de directe verwijzingsmogelijkheid door de huisarts, medisch specialist en jeugdarts naar de jeugdhulp (artikel 2.6, eerste lid, onder e, van de wet). Dit laatste geldt zowel voor de vrij-toegankelijke (overige) voorzieningen als de niet vrij-toegankelijke (individuele) voorzieningen. Met een dergelijke verwijzing kan de jeugdige rechtstreeks aankloppen bij de jeugdhulpaanbieder. Tweede tot en met vierde lid De huisarts, medisch specialist en jeugdarts moeten in beginsel verwijzen naar een door de gemeente gecontracteerde jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdige of zijn ouders na een verwijzing door de huisarts
Pagina 25 van 81
kiezen voor een aanbieder van jeugdhulp die geen contract of subsidierelatie met de gemeente heeft, en de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan laten leveren door een jeugdhulpaanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, is de gemeente niet gehouden de andere keuze te vergoeden (Kamerstukken II 2013/14, 33 684, nr. 3, p. 149). De gemeente bepaalt bij de medische verwijsroute niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent (Rb. Oost-Brabant 26 maart 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:1761). De verordening sluit vergoeding van deze kosten in een dergelijke situatie dan ook uit. De jeugdige of zijn ouders kunnen in een situatie als deze wel een pgb aanvragen. Het college zal deze aanvraag dan beoordelen op basis van de aan de verkrijging van een pgb gestelde voorwaarden (zie hoofdstuk 5). Het staat medisch verwijzers vrij om naar jeugdhulp te verwijzen. De medisch verwijzer legt contact met een jeugdhulpaanbieder. Als de jeugdhulpaanbieder verwacht dat er sprake is van: • hoog-specialistische jeugdhulp, • specialistische jeugdhulp voor multi probleemgezinnen, • verblijf, • meer dan één voorziening tegelijk, dient de jeugdhulpaanbieder samen met de jeugdige/het gezin contact zoeken met het Lokaal Team om een toewijzing te krijgen. In deze gevallen dient het onderzoek zoals bedoeld in artikel 4.1.
te worden uitgevoerd en dit onderzoek moet vastgelegd worden in een perspectiefplan of een verslag zoals bedoeld in 4.4. Met deze werkwijze beoogt de gemeente dat de brede gezinssituatie een plek krijgt in het perspectiefplan, wat van belang is bij jeugdigen met een complexe ondersteuningsnoodzaak. Derde lid Wanneer de jeugdige en/of zijn ouders zwaarwegende bezwaren hebben tegen de betrokkenheid van het Lokale team, kunnen zij, indien er sprake is van een artsverwijzing, gebruik maken van een opt-out-regeling. Ook in die gevallen dient een perspectiefplan te worden opgesteld voordat de hoog-specialistische jeugdhulp kan starten, maar deze zal dan tot stand komen zonder betrokkenheid (accordering) van het Jeugdteam. Het college besluit dan tot de inzet van hoog-specialistische jeugdhulp op basis van de melding van de jeugdhulpaanbieder dat een arts verwezen heeft en een perspectiefplan aanwezig is, maar de jeugdige en/of zijn ouders van de opt-out-regeling wensen gebruik te maken.
Pagina 26 van 81
Wat staat er in artikel 3.1 over de toegang naar jeugdhulp via de huisarts, medisch specialist of jeugdarts? Soms heeft een kind of jongere hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Die hulp heet jeugdhulp. Je kunt jeugdhulp op twee manieren krijgen: 1. Via de gemeente (bijvoorbeeld via het Lokale team). 2. Via een verwijzing van een arts (zoals de huisarts, jeugdarts of medisch specialist) Bij een verwijzing van een arts/specialist stuurt hij/zij je door naar een jeugdhulpaanbieder. Je hoeft dan niet eerst naar het Lokale team van de gemeente. De gemeente betaalt de hulp alleen als de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Kies je een aanbieder zonder contract? Dan moet je, als de gemeente soortgelijke jeugdhulp wel kan geven door een aanbieder waarmee zij een contract of subsidierelatie heeft, de hulp zelf betalen of een persoonsgebonden budget (pgb) aanvragen. Soms is er meer ingewikkelde hulp nodig, zoals: • Verblijf (bijvoorbeeld in een instelling), • Hulp voor gezinnen met meerdere problemen, • Meerdere soorten hulp tegelijk. Dan moet de jeugdhulpaanbieder samen met het gezin contact opnemen met het Lokale team. Er wordt dan een breed plan gemaakt (perspectiefplan) waarin staat welke hulp nodig is op de verschillende leefgebieden. Wil je geen contact met het Lokale team, maar heb je wel een verwijzing van een arts? Dan mag je dat aangeven.
Er moet dan nog steeds een perspectiefplan komen, maar zonder hulp van het Lokale team. 🏥 Voorbeeld uit de praktijk Situatie: Een 13-jarige jongen heeft last van paniekaanvallen. Zijn moeder gaat met hem naar de huisarts. De huisarts verwijst hem naar een jeugdhulpaanbieder die gespecialiseerd is in angstklachten. Wat gebeurt er dan? De aanbieder doet een intake en stelt vast dat er hulp nodig is. Omdat het om gewone jeugdhulp gaat, hoeft het gezin niet eerst naar het Lokale team. De gemeente betaalt de hulp, omdat de aanbieder een contract heeft met de gemeente. Als later blijkt dat de jongen ook verblijf of intensieve hulp nodig heeft, dan schakelt de aanbieder alsnog het Lokale team van de gemeente in om samen een perspectiefplan te maken. Artikel 3.2 Toegang jeugdhulp via de gemeente Deze en volgende bepalingen regelen de toegang tot jeugdhulp via de gemeente. Dit artikel regelt in algemene zin het toegangs- en besluitvormingsproces en de daaraan verbonden beslistermijnen. De CRvB heeft geoordeeld dat de toegang tot jeugdhulp via de gemeente onderverdeeld kan worden in verschillende “stappen” (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Die stappen zijn in dit artikel en in artikel 4.1 verwerkt en zijn opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen.
Het college is daarbij verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en bevoegd om de toegang tot jeugdhulp te verlenen op grond van de wet. In de praktijk zal het college de beslissing over het inzetten van jeugdhulp niet altijd zelf uitvoeren, maar mandateren aan deskundigen. Eerste tot en met vierde lid Jeugdigen en ouders kunnen bij het college terecht met hun hulpvraag. Terecht kunnen, betekent ook dat zij geholpen worden bij het vaststellen wat de hulpvraag van de jeugdige of zijn ouders is. Het college is
Pagina 27 van 81
(mede)verantwoordelijk voor het verkennen of verhelderen van de hulpvraag. Dat kan door het voeren van een of meer gesprekken (zie artikel 4.1). Hierbij wordt overeenkomstig de jurisprudentie een zekere medewerking van de jeugdige of de ouders verlangd (CRvB 16 januari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:276). Vervolgens wordt op basis van een (geconcretiseerde) aanvraag een besluit genomen op de aanvraag, in overeenstemming met de Awb en de in de wet en de verordening opgenomen beoordelingskaders. Als de jeugdige of zijn ouders een pgb wensen dan zullen zij daartoe in het kader van de aanvraag ook een pgbplan in moeten dienen. Vijfde lid In dit geval wordt in algemene zin tien weken redelijk geacht om een besluit te nemen. Jeugdigen en ouders hebben in beginsel namelijk de gelegenheid om tot twee weken na de aanvraag een familiegroepsplan in te dienen. Dit plan betrekt het college vervolgens bij het onderzoek. Om dit onderzoek zorgvuldig uit te kunnen voeren én het plan hierbij te kunnen betrekken, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat het onderzoek uiterlijk zes weken na ontvangst van de aanvraag uitgevoerd moet zijn. Vervolgens heeft het college dan nog twee weken om de beschikking af te geven. Zodoende wordt een totale doorlooptijd van tien weken redelijk geacht.
Zesde lid Het college is verantwoordelijk voor de inzet van de noodzakelijke voorzieningen op het gebied van jeugdhulp. Een individuele voorziening wordt altijd toegekend (of afgewezen) op basis van een beschikking. Deze verplichting vloeit ook voort uit de Awb. Zevende lid Deze bepaling regelt de toeleiding naar jeugdhulp in spoedsituaties of crisissituaties. In gevallen waar onmiddellijke start van de hulp nodig is (en het besluit niet kan worden afgewacht) kan het besluit tot inzet van een individuele voorziening genomen worden na de daadwerkelijke start van de hulp. Het besluit tot inzetten van de hulp moet vervolgens binnen vier weken na de start van de hulp zijn vastgelegd in een beschikking.
Pagina 28 van 81
Wat staat er in artikel 3.2 over de toegang naar jeugdhulp via de gemeente? Soms hebben jeugdigen hulp nodig bij opgroeien of psychische problemen. Ouders of jeugdigen kunnen dan zelf contact opnemen met de gemeente voor jeugdhulp. Dit werkt op de volgende manier: 1. Melden van de hulpvraag Ouders of jeugdigen vertellen hun verhaal aan de gemeente. De gemeente helpt om duidelijk te maken wat precies het probleem is. 2. Gesprek en onderzoek Er volgt een of meer gesprekken met een medewerker van de gemeente (bijvoorbeeld van het jeugdteam). Samen kijken ze welke hulp nodig is. Soms wordt ook een familiegroepsplan gemaakt: een plan dat ouders en familie zelf opstellen. 3. Besluit van de gemeente De gemeente beslist of jeugdhulp nodig is. Als dat zo is, dan komt er een beschikking: een officieel besluit waarin staat welke hulp wordt gegeven. 4. Termijn De gemeente moet binnen 10 weken een besluit nemen. Soms kan het sneller, bijvoorbeeld bij spoed. 5. Spoedhulp Als er direct hulp nodig is (bijvoorbeeld bij een crisissituatie), mag de hulp al starten vóór het besluit. De gemeente moet dan binnen vier weken alsnog een officieel besluit nemen. 🏥 Voorbeeld uit de praktijk Situatie 1: Reguliere hulpvraag - Een moeder maakt zich zorgen over haar 10-jarige dochter. Ze is vaak boos, slaapt slecht en heeft moeite op school. De moeder belt het Lokale team van de gemeente.
Wat gebeurt er dan? • Een medewerker van het Lokale team plant een gesprek met de moeder en dochter. • Samen bespreken ze wat er aan de hand is en welke hulp nodig is. • De moeder maakt samen met haar familie een familiegroepsplan. • De gemeente bekijkt het plan en besluit dat er hulp komt van een jeugdhulpaanbieder. • Binnen 10 weken ontvangt de moeder een beschikking waarin staat welke hulp wordt ingezet. Situatie 2: Crisissituatie - Een vader belt in paniek het Lokale team: zijn 15-jarige zoon is agressief, dreigt met zelfbeschadiging en is weggelopen van huis. De situatie is onveilig. Wat gebeurt er dan? • Het jeugdteam schakelt direct een crisisdienst in. • De zoon wordt nog dezelfde dag opgevangen bij een crisisopvanglocatie. • De hulp start meteen, zonder dat er al een officieel besluit (beschikking) is. • Binnen vier weken na de start van de hulp moet de gemeente alsnog een beschikking afgeven waarin staat welke hulp is ingezet en waarom.
Pagina 29 van 81
Hoofdstuk 4
Behandeling van een aanvraag om een individuele voorziening; onderzoek en besluitvorming via de gemeente
Artikel 4.1. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Eerste lid Voor een zorgvuldig te nemen besluit is het van belang dat alle relevante feiten en omstandigheden van de specifieke hulpvraag worden onderzocht. Daarbij is het van belang dat het onderzoek in samenspraak met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger wordt verricht. Voor een zorgvuldig onderzoek is veelal persoonlijk contact nodig om een goed beeld van de jeugdige en zijn ouders en de gezinssituatie te krijgen. Het ligt daarom ook voor de hand dat er één of meerdere gesprekken gevoerd worden met de jeugdige en zijn ouders dan wel zijn wettelijke vertegenwoordiger. Mocht tijdens die gesprekken blijken dat het beter is om de aanvraag aan te passen, dan kan dit gedurende het onderzoek gebeuren. Een aanvraag hoeft dus niet afgewezen te worden als tijdens het onderzoek blijkt dat de oorspronkelijke aanvraag en oplossingsrichting bij nader inzien niet (volledig) passend zijn. Tweede lid Op grond van artikel 2.5, van de wet informeert het college jeugdigen, ouders en pleegouders tijdig over de mogelijkheid om gebruik te maken van een vertrouwenspersoon. Ter verduidelijking van deze tijdige informatieverplichting is deze verplichting in het tweede lid opgenomen.
Op grond van artikel 4.1.1, van het Besluit Jeugdwet heeft de informatie die het college verstrekt over de mogelijkheid gebruik te maken van de diensten van een vertrouwenspersoon in ieder geval betrekking op: • de onafhankelijke rol van de vertrouwenspersoon; • de aard van de ondersteuning door een vertrouwenspersoon; • de vertrouwelijkheid van die ondersteuning; • het feit dat de ondersteuning kosteloos is; en • de bereikbaarheid en beschikbaarheid van de vertrouwenspersoon. Op grond van artikel 2.2.4, van de Wmo 2015, stelt het college onafhankelijke cliëntondersteuning beschikbaar. Op grond van artikel 2.3.2, derde lid, van de Wmo 2015, wijst het college op de mogelijkheid om hier gebruik van te maken. Deze cliëntondersteuning beperkt zich niet tot de Wmo 2015, maar strekt zich onder andere ook uit tot de Jeugdwet. Dit betekent dat zowel de jeugdige als zijn ouders afzonderlijk (of samen) gebruik kunnen maken van cliëntondersteuning. Daarom is in het tweede lid, ter verduidelijking, deze informatieverplichting opgenomen. Derde lid Ouders hebben het recht een zelf (al dan niet met ondersteuning) opgesteld familiegroepsplan in te dienen. Het college betrekt dit plan bij zijn onderzoek. Om dit mogelijk te maken is er een termijn van twee weken gesteld om een familiegroepsplan in te dienen bij het college.
Ouders kunnen om een langere termijn verzoeken als zij instemmen met het aanhouden van de beslistermijn gedurende de extra tijd die zij nodig hebben om het familiegroepsplan bij het college in te dienen. Vierde lid Het is mogelijk dat een jeugdige of zijn ouders, na het indienen van de aanvraag tot de conclusie komt dat een (verder) onderzoek niet nodig is. Bijvoorbeeld omdat de jeugdige of zijn ouders zelf een oplossing heeft gevonden, of geholpen is met een algemene voorziening. Zij kunnen in dat geval hun aanvraag intrekken, waardoor het college geen besluit meer hoeft te nemen. Om misverstanden te voorkomen wordt dit schriftelijk bevestigd door het college.
Pagina 30 van 81
Vijfde lid De wet schept een jeugdhulpplicht voor gemeenten, maar die geldt alleen als de jeugdige en zijn ouders er zelf niet uitkomen. De jeugdhulp is bedoeld om de eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders te versterken en om het gezin en andere mensen die dichtbij de jeugdige staan te leren om de jeugdige (nog) beter te helpen en te verzorgen, zodat de jeugdige gezond en veilig op kan groeien en zo goed mogelijk mee kan doen in de maatschappij (CRvB 1 mei 2017, ECLI:NL:2017:1477, rov. 4.3.1.). Een zorgvuldig onderzoek vereist het achtereenvolgens doorlopen van de volgende stappen: Stap 1 - inventariseer de vraag. Wat is de jeugdhulpvraag van de jeugdige of zijn ouders? In dit verband moet opgemerkt worden dat uit artikel 1.1, van de wet voortvloeit dat jeugdhulp niet alleen de hulp aan de jeugdige is, maar ook dat de ouder zelf in aanmerking kan komen voor jeugdhulp. Hierbij wordt ook nadrukkelijk gekeken naar hoe de situatie is ontstaan waarom de jeugdige of zijn ouders nu een beroep doen op de gemeente. Stap 2 - breng de onderliggende problematiek minutieus in kaart leg dat vast. Welke opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zijn er? Bij deze stap in het onderzoek wordt nadrukkelijk ook beoogd om de oorzaken van de waargenomen problematiek in de context van de systeem- en gezinsdynamiek in kaart te brengen.
Stap 3 - stel de aard en de omvang van de noodzakelijke hulp vast. De vraag of hulp noodzakelijk is en zo ja, met welke omvang moet, met inachtneming van de bevindingen uit de eerste twee stappen, worden beantwoord op een wijze die rekening houdt met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de jeugdige, alsmede (zoveel mogelijk) met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders, met als doelstelling dat de jeugdige gezond en veilig kan opgroeien, dat hij kan groeien naar zelfstandigheid en dat hij voldoende zelfredzaam kan zijn en maatschappelijk kan participeren. Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en eigen kracht is. Onderzoek naar de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk en of de op basis van de eerste drie stappen als noodzakelijk bepaalde hulp hiermee al dan niet volledig kan worden ondervangen. Anders gezegd: het bepalen van de mate waarin de eigen kracht toereikend is. De stappen 1 tot en met 3 bouwen als het ware de jeugdhulpplicht eerst op tot een bepaald maximum. Stap 4 verkleint deze vervolgens weer, eventueel zelfs tot nul. Stap 5 - stel vast welke voorziening de geconstateerde discrepantie adequaat oplost.
Het is deze discrepantie tussen zorgvuldig geïnventariseerde noodzaak en eigen kracht die uiteindelijk de jeugdhulpplicht concretiseert, welke op het college rust. Ten aanzien van de afstemmingsplicht in lid 5 onderdeel e valt te denken aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015), Wet langdurige zorg (hierna: Wlz) of de Zorgverzekeringswet (hierna: Zvw) en een voorziening op het gebied van passend onderwijs (artikel 27 e.v.). Zesde lid Als de jeugdige of zijn ouder(s) een familiegroepsplan aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek. Bij het onderzoek wordt ook de jeugdige zoveel mogelijk betrokken en gehoord. Hiermee wordt artikel 12, van het Verdrag inzake de rechten van het kind in acht genomen. Op grond van de Wet geneeskundige behandelingsovereenkomst mogen jeugdigen vanaf 16 jaar over de eigen behandeling een beslissing nemen en is het mede afhankelijk van de wens van de jongere of de ouders al dan niet geïnformeerd mogen worden door de behandelaar.
Pagina 31 van 81
Wat staat er in artikel 4.1 over het onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren? Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, moet de gemeente eerst goed onderzoeken wat er precies nodig is. Dit gebeurt in gesprekken met de jeugdige en zijn ouders. Het doel is om een duidelijk beeld te krijgen van de situatie thuis en van de problemen. Wat gebeurt er tijdens het onderzoek? 1. Gesprekken voeren Er worden één of meer gesprekken gevoerd met de jeugdige en zijn ouders. Samen bekijken ze wat er speelt en wat nodig is. 2. Aanvraag eventueel aanpassen Als tijdens het gesprek blijkt dat een andere hulp beter past, kan de aanvraag worden aangepast tijdens het onderzoek. 3. Vertrouwenspersoon en cliëntondersteuning De gemeente geeft uitleg over de mogelijkheid om hulp te krijgen van een vertrouwenspersoon of cliëntondersteuner. Deze mensen helpen gratis en zijn onafhankelijk. 4. Familiegroepsplan Ouders mogen een eigen plan maken met familie of bekenden. Dit heet een familiegroepsplan. Ze hebben twee weken de tijd om dit in te dienen. 5. Zelf oplossen? Als de jeugdige of ouders zelf een oplossing vinden, mogen ze de aanvraag stoppen. De gemeente bevestigt dit schriftelijk. 6.
Stappen in het onderzoek Het onderzoek bestaat uit vijf stappen: • Wat is de hulpvraag? • Wat zijn de problemen? • Hoeveel hulp is nodig? • Wat kunnen de ouders en het netwerk zelf doen? • Welke hulp is dan nog nodig? 7. Afstemming met andere wetten Soms krijgt een jeugdige ook hulp via andere wetten, zoals de Wmo, Wlz of Zvw. De gemeente moet dit goed op elkaar afstemmen. 8. Rechten van de jeugdige De jeugdige wordt zoveel mogelijk betrokken bij het onderzoek. Vanaf 16 jaar mag hij zelf beslissen over zijn behandeling. Artikel 4.2. Deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming Het college is op grond van artikel, 2.3 eerste lid, van de wet verantwoordelijk voor het waarborgen van een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen jeugdhulpvoorziening. Voor iedere stap in artikel 4.1, lid 5 van deze verordening geldt dat het college de deskundigheid inzet die nodig is om de stap goed af te kunnen ronden. Ook kan (medisch) advies worden ingezet om bepaalde medische stukken te laten beoordelen. Als dit noodzakelijk is voor het onderzoek, zal de jeugdige of zijn ouder(s) hier aan mee moeten werken, omdat anders niet vastgesteld kan worden hoe een hulpvraag opgelost kan worden. De verschillende stadia van onderzoek vragen op die stadia aangepaste deskundigheid.
In artikel 2.1, van het Besluit Jeugdwet is nader uitgewerkt dat het gaat om relevante deskundigheid met betrekking tot:
Pagina 32 van 81
• • • • • •
opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; opvoedingssituaties waardoor jeugdigen mogelijk in hun ontwikkeling worden bedreigd; taal- en leerproblemen; somatische aandoeningen; lichamelijke of verstandelijke beperkingen; en kindermishandeling en huiselijk geweld.
Tweede lid Het college moet ervoor zorgen dat die deskundigheid gewaarborgd is en dat deze naar discipline van deskundigheid concreet kenbaar is voor de hulpvrager. De rechtspraak over de wet vereist dat adviseurs beschikken over de voor het uitbrengen van hun adviezen noodzakelijke deskundigheid en dat dit vereiste wordt vastgelegd in de verordening (CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097, rov. 4.9 (slot)). Daartoe bepaalt artikel 4.2, tweede lid, van de verordening dat adviezen worden uitgebracht door of onder verantwoordelijkheid van een adviseur die beschikt over een registratie bij Stichting Kwaliteitsregister Jeugd in het kwaliteitsregister jeugd, een registratie bij het Nederlands Instituut van Psychologen in het register Kinder- en Jeugdpsychologen, of een registratie op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg in het BIG-register. Daarmee is vastgesteld welke vakbekwaamheid van hen verwacht mag worden en is gezekerd dat de (eindverantwoordelijke) adviseur zich toetsbaar opstelt. Geregistreerden in de betreffende registers vallen namelijk onder het tuchtrecht.
Derde lid Het derde lid waarborgt de zorgvuldige voorbereiding van besluiten over de toekenning of afwijzing van jeugdhulp, door te bepalen dat (medewerkers van) de organisatie die de jeugdhulp uitvoert, niet ook adviseert en/of besluit over het al dan niet toekennen van jeugdhulp (vergelijk CRvB 29 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1096, rov. 4.11). Daarnaast blijft het college – in het kader van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit – ook altijd verplicht om zich ervan te vergewissen of het advies inzicht geeft op grond van welke vormen van onderzoek en op basis van welke gegevens de adviseur tot zijn bevindingen is gekomen, of de gegevens actueel en betrouwbaar zijn, of het onderzoek volledig is geweest en met de juiste deskundigheid is uitgevoerd en of de uit het onderzoek getrokken conclusies logisch voortvloeien uit het onderzoek.
Pagina 33 van 81
Wat staat er in artikel 4.2 over het deskundig oordeel, advies en voorbereiding van de besluitvorming? Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen, moet de gemeente goed onderzoeken welke hulp nodig is. Daarvoor is deskundigheid nodig. Dit betekent: 1. De juiste kennis bij elke stap Bij elke stap van het onderzoek (zoals beschreven in artikel 4.1) moet iemand met de juiste kennis meedenken. Soms is dat een arts of psycholoog, soms een andere specialist. 2. Medisch advies Als er medische informatie nodig is, kan de gemeente vragen om een medisch advies. De jeugdige of ouders moeten hieraan meewerken, anders kan de gemeente niet goed bepalen welke hulp nodig is. 3. Welke deskundigen? De deskundigen moeten geregistreerd zijn, bijvoorbeeld: • In het Kwaliteitsregister Jeugd; • In het register Kinder- en Jeugdpsycholoog; • Of in het BIG-register (voor medische beroepen). Zo weet je zeker dat het om mensen gaat met de juiste opleiding en ervaring. 4. Onafhankelijk advies De persoon die de hulp uitvoert, mag niet zelf beslissen of die hulp nodig is. Dat voorkomt belangenverstrengeling. De gemeente moet ook controleren of het advies goed is onderbouwd en actueel is. 🏥 Praktijkvoorbeeld Een jeugdige van 12 heeft moeite met leren en is vaak boos op school. Zijn vader meldt zich bij het Lokale team. Tijdens het onderzoek blijkt dat er mogelijk sprake is van ADHD of een leerstoornis.
Wat gebeurt er dan? • De medewerker van het Lokale team vraagt een psychologisch onderzoek aan. • Een geregistreerde kinderpsycholoog onderzoekt de jeugdige en schrijft een advies. • De gemeente controleert of het advies duidelijk is en of het goed is onderbouwd. • Op basis van dit advies beslist de gemeente welke hulp wordt ingezet. • De hulp wordt uitgevoerd door een andere organisatie dan degene die het advies gaf. Artikel 4.3. Identificatie Het college is verplicht de identiteit vast te stellen van de jeugdige en zijn ouders. Dit is noodzakelijk ten behoeve van het vast te stellen van de rechtmatigheid: komt de eventuele inzet van jeugdhulp bij de juiste persoon terecht. Deze bepaling voorziet hierin. Wat staat er in artikel 4.3 over identificatie? De gemeente moet zeker weten wie je bent als je jeugdhulp aanvraagt. Daarom moet de jeugdige en zijn ouders zich identificeren (bijvoorbeeld met een ID-kaart of paspoort). Zo weet de gemeente dat de hulp bij de juiste persoon terechtkomt. Dit is belangrijk om misbruik te voorkomen en om te zorgen dat de hulp rechtmatig wordt ingezet. 🏥 Praktijkvoorbeeld Een moeder meldt haar 15-jarige zoon aan bij het Lokale team voor jeugdhulp. Tijdens het eerste gesprek vraagt de medewerker om een legitimatiebewijs van de jeugdige en van de moeder. Waarom? • Om te controleren of de aanvraag klopt.
• Om zeker te weten dat de hulp aan de juiste jeugdige wordt gegeven. Zonder identificatie kan de gemeente geen beschikking afgeven voor jeugdhulp. Pagina 34 van 81
Artikel 4.4 Verslag Eerste en tweede lid In het kader van het onderzoek naar aanleiding van een hulpvraag, vindt een gesprek plaats. De bevindingen van het onderzoek en hetgeen in het gesprek aan de orde is gekomen, worden vastgelegd in een verslag. De inhoud van het perspectiefplan (of het verslag) is in de verordening niet in detail beschreven, behalve dat in het perspectiefplan de in artikel 4.1 genoemde onderwerpen aan de orde komen. De jeugdige en zijn ouders krijgen daarbij de gelegenheid om eventuele opmerkingen of aanvullingen aan het verslag toe te voegen, voordat het college dit verslag gebruikt als basis voor haar besluitvorming. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid vergewist het college zich ervan dat de jeugdige en diens ouders de uitleg over de uitkomsten van het onderzoek, zoals neergelegd in het verslag, hebben begrepen. Het perspectiefplan is van de jeugdige en/of zijn ouders. Als er tot de inzet van specialistische jeugdhulp besloten is, is het wel van het grootste belang dat de aldus betrokken jeugdhulpaanbieder weet heeft van de gezinssituatie en afspraken en doelen zoals vastgelegd in het perspectiefplan. De relevante informatie uit het perspectiefplan kan door de jeugdige en/of zijn ouders zelf of door het Loket Jeugd aan de betrokken jeugdhulpaanbieder overgedragen worden.
De ouders/jeugdige zijn hier in eerste instantie zelf de verantwoordelijke partij voor. Als het gaat om hoog-specialistische jeugdhulp heeft de gemeente ook in haar contracten met de jeugdhulpaanbieders bepaald, dat zij niet mogen starten met de hulpverlening voordat een perspectiefplan opgesteld is. Voor deze complexe en in de regel meervoudige jeugdhulp is het brede perspectief van het grootste belang om effectieve jeugdhulp te kunnen verlenen. Natuurlijk gelden bij het delen van het perspectiefplan de privacyregels zoals die onder andere vastgelegd zijn in hoofdstuk 7.3 van de wet. Ouders worden niet gedwongen privacygevoelige informatie te delen die niet van belang is voor de hulp aan een jeugdige. Het is aan de ouders om in samenspraak met het Jeugdteam (of arts) te bepalen welke informatie in het perspectiefplan terecht moet komen en gedeeld moet worden met de jeugdhulpaanbieder om een effectieve ondersteuning mogelijk te maken. Bij verschil van inzicht tussen de jeugdige en/of zijn ouders aan de ene kant en het Jeugdteam (of arts) aan de andere kant over de noodzaak om bepaalde informatie te delen dient het recht op privacy en het belang van de jeugdige tegen elkaar afgewogen te worden.
De principes van subsidiariteit (kan het doel ook op een andere manier bereikt worden), noodzakelijkheid en proportionaliteit (staat het doorbreken van het recht op privacy in verhouding tot het doel: effectieve hulp) staan daarbij centraal. In de privacy-protocollen van de uitvoerders zal hieraan aandacht besteed worden. Derde lid De voorwaarde van ondertekening en terugsturen van het verslag ziet op het compleet maken van de aanvraag. De ondertekening is immers een vormvoorschrift voor die aanvraag (artikel 4:2, eerste lid, van de Awb). Daarnaast moet ook duidelijk zijn wat er precies wordt aangevraagd, de aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd (artikel 4:2, eerste lid, onder c, van de Awb). De oorspronkelijke hulpvraag hoeft immers niet hetzelfde te zijn als de jeugdhulpvoorziening die uiteindelijk nodig is en wordt aangevraagd. Het is ook mogelijk dat de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de uitkomsten van het onderzoek van het college en vinden dat zij wel zijn aangewezen op een individuele voorziening, of dat zij vinden dat zij een andere individuele voorziening nodig hebben dan de individuele voorziening die het college op basis van het onderzoek aangewezen acht. De jeugdige en zijn ouders doen dan een afwijkende aanvraag, die schriftelijk voldoende concreet moet zijn voor het college om een besluit op te kunnen nemen.
Pagina 35 van 81
Vierde lid Het vierde lid stelt buiten twijfel dat ondertekening van het verslag ook nodig is als het college en (de ouders of wettelijk vertegenwoordiger van) de jeugdige het erover eens zijn dat de hulpvraag kan worden opgelost op eigen kracht, door het sociaal netwerk, door een andere voorziening of overige voorziening. In dat geval wordt de aanvraag niet verder doorgezet. De hulpvraag is namelijk opgelost en een individuele voorziening is niet nodig. Het verslag dient hier als weergave van het onderzoek en daarmee is de hulpvraag opgelost. Het ondertekende verslag geldt dan, voor zover er een aanvraag ligt, als intrekking van de aanvraag om een individuele voorziening, zodat het college op grond van de Awb ook niet langer gehouden is een besluit te nemen. Wat staat er in artikel 4.4 over het verslag? Als een jeugdige of zijn ouders hulp vragen bij de gemeente, wordt er een onderzoek gedaan. De uitkomsten van dit onderzoek worden opgeschreven in een verslag of perspectiefplan. Wat staat er in het verslag? • Wat er besproken is in de gesprekken; • Wat de hulpvraag is; • Wat de gemeente adviseert; • Welke hulp eventueel nodig is. Wat gebeurt er met het verslag? • De jeugdige en zijn ouders mogen het verslag lezen en aanvullen. • De jeugdige en zijn ouders moeten het verslag ondertekenen. Dat is nodig om de aanvraag compleet te maken.
• Als de jeugdige en/of zijn ouders het niet eens zijn met het advies in het verslag, mogen ze een eigen aanvraag doen. • Als blijkt dat er geen hulp nodig is of als blijkt dat de hulpvraag kan worden opgelost met het eigen netwerk, een andere of overige voorziening, dan geldt het ondertekende verslag als intrekking van de aanvraag. Delen van het verslag • Bij hoog-specialistische hulp mag de hulp pas starten als er een perspectiefplan is. • De jeugdige en/of ouders mogen zelf kiezen, in overleg met het Lokale team, welke informatie in het perspectiefplan komt en gedeeld wordt met de jeugdhulpaanbieder. • De gemeente moet rekening houden met de privacy van de jeugdige en zijn ouders. 🏥 Praktijkvoorbeeld Een jeugdige meldt zich met zijn vader bij het Lokale team. Hij heeft last van angstklachten en slaapproblemen. Er volgen gesprekken met een medewerker van het Lokale team. Wat gebeurt er dan? • De medewerker schrijft een verslag van het onderzoek. • De jeugdige en zijn vader lezen het verslag en voegen een opmerking toe. • De jeugdige en zijn vader ondertekenen het verslag. • De gemeente gebruikt het verslag om te beslissen welke hulp wordt ingezet. • Omdat het om hoog-specialistische hulp gaat, wordt het perspectiefplan gedeeld met de hulpaanbieder, maar alleen met de informatie die de jeugdige en zijn vader willen delen.
Pagina 36 van 81
Artikel 4.5. Criteria voor toekenning van een individuele voorziening In artikel 2.9, aanhef en onder a, van de wet is onder meer bepaald dat de raad bij verordening regels moet stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening. Daaraan is onder andere in dit artikel uitvoering gegeven, met de kanttekening dat het bij het verstrekken van een individuele voorziening altijd op maatwerk aankomt. Eerste lid Het eerste lid bevat de algemene beoordelingscriteria om in aanmerking te komen voor een individuele voorziening op grond van de wet. Deze criteria worden in volgende leden en artikelen verder uitgewerkt. Tweede lid Jeugdhulp is in artikel 1.1, van de wet gedefinieerd (zie ook de toelichting bij artikel 1). Met deze definitie wordt de taak van de gemeente in algemene zin afgebakend. Niet alle hulp en zorg, bevordering van deelname aan het maatschappelijk verkeer en ondersteuning bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging ten behoeve van een jeugdige valt onder de definitie van jeugdhulp. Om onder jeugdhulp te vallen moet er een psychisch probleem of stoornis, psychosociaal probleem, gedragsprobleem of beperking aan de behoefte ten grondslag liggen.
Deze bepaling maakt duidelijk dat de gemeente niet verantwoordelijk is voor het bieden van hulp en ondersteuning op grond van de wet als de noodzaak van die hulp en ondersteuning van de jeugdige past bij het normale ontwikkelingspatroon van die jeugdige, gezien zijn leeftijd. Dit betekent dat er bijvoorbeeld geen individuele voorziening voor het voeden van een baby wordt verstrekt. Om te bepalen welke hulp en ondersteuning niet geboden hoeft te worden vindt een beoordeling plaats op basis van de uitgangspunten voor gebruikelijke zorg uit hoofdstuk 4 van de geldende Beleidsregels indicatiestelling Wlz. Derde en vierde lid Inzet van een individuele voorziening vormt een laatste vangnet. Eerst wordt gekeken naar de mogelijkheid om de noodzaak voor de inzet van jeugdhulp te verminderen of weg te nemen met een andere of overige voorziening. Voorwaarde is wel dat deze voorziening daadwerkelijk beschikbaar is en passend en toereikend is voor de hulpvraag. Een andere of overige voorziening waarvoor bijvoorbeeld een wachtlijst geldt terwijl de hulp aan de jeugdige niet kan wachten, is geen voorziening die aan deze criteria voldoet. Omgekeerd, als de jeugdige wel even kan wachten voordat hij daadwerkelijk van de voorziening gebruik kan maken, dan voldoet de voorziening wel aan deze criteria.
Als er wel een individuele voorziening nodig is, dan kiest het college de goedkoopst adequate voorziening. Ook dan is van belang dat de jeugdige hier voor hem tijdig gebruik van kan maken. Dit betreft een individuele beoordeling van de situatie van de jeugdige en het gezin. Dit betekent ook dat als de voorziening in de vorm van pgb verstrekt wordt, het pgb-bedrag gebaseerd wordt op de goedkoopst passende voorziening. Vijfde en zesde lid Het vijfde en zesde lid sluiten aan bij de rechtspraak waarin is geoordeeld dat een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen, door het college geweigerd kan worden indien deze geen toegevoegde waarde heeft ten opzichte van beschikbare voorzieningen (bijv. CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en CRvB 26 januari 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:254). Het college zal bij de weigering van een individuele voorziening waarvan de effectiviteit niet wetenschappelijk is bewezen moeten motiveren waarom in die specifieke situatie een andere oplossing passender of eveneens passend is.
Bij toepassing van deze bepaling kan het college gebruik maken van de Databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugdinstituut (https://www.nji.nl/interventies), de zorgstandaarden van de GGZ Standaarden (https://www.ggzstandaarden.nl/), de databank voor interventies gericht op jeugdigen met een beperking (Databank erkende interventies gehandicaptenzorg ).
Pagina 37 van 81
Het college kan in beleid regelen welke vormen van jeugdhulp zij aantoonbaar niet effectief acht. Het college kan daarbij gebruik maken van de door de praktijk opgestelde zogenaamde ‘niet doen-lijst’ die in het kader van de Hervormingsagenda Jeugd zal worden gepubliceerd. Zevende en achtste lid Een opgave van de Hervormingsagenda 2023-2028 is dat de jeugdhulp beschikbaar moet zijn voor jeugdigen en gezinnen in de meest kwetsbare situaties. Er is geconstateerd dat deze groep nu onvoldoende passende jeugdhulp ontvangt. De Hervormingsagenda presenteert als onderdeel van de oplossing dat het voor jeugdigen en hun ouders helder moet zijn waarvoor ze in het kader van jeugdhulp bij de overheid terecht kunnen en waarvoor niet. Niet elke hulpvraag behoeft een zorgantwoord. Het moet duidelijker worden wat jeugdhulp precies inhoudt en wat binnen de huidige wettelijke kaders onder jeugdhulp moet vallen en wat niet. In deze bepaling wordt als uitgangspunt genomen dat de gemeente op basis van de wet louter aan zet is als er sprake is van een hulpvraag als bedoeld in de wet. Als er problemen zijn binnen een gezin, die met name bij de ouders liggen, zonder dat er een hulpvraag is vanuit het kind, is er geen verplichting om jeugdhulp te verstrekken.
Hierbij kan worden gedacht aan de situatie waarin ouders zich in een vechtscheiding bevinden en niet bereid zijn het gedrag aan te passen ten behoeve van de jeugdige, of geldproblemen binnen het gezin die direct effect hebben op de jeugdige en waar ouders via een andere weg dan de jeugdhulp deze geldproblemen kunnen verminderen. In die situatie is jeugdhulp mogelijk minder doelmatig dan een alternatieve optie zoals lotgenotencontact (bij een vechtscheiding) of schuldhulpverlening bij geldproblemen. In het achtste lid wordt dit uitgangspunt genuanceerd in die zin dat indien er sprake is van meervoudige problematiek in de context van het kind en gezin, en binnen die problematiek speelt ook een hulpvraag, de gemeente op grond van de wet dan wel verplicht is jeugdhulp te verstrekken. Deze bepalingen dwingen het college om bij problemen in de context van het gezin niet als automatisme jeugdhulp te verstrekken, maar om zich goed af te vragen of er daadwerkelijk sprake is van een hulpvraag en er sprake is van een jeugdhulpplicht.
Pagina 38 van 81
Pagina 39 van 81
🏥 Praktijkvoorbeeld 1 Een jeugdige van 13 heeft moeite met plannen en huiswerk maken. Zijn moeder meldt zich bij het Lokale team omdat ze denkt dat hij ADHD heeft en jeugdhulp nodig heeft. Wat gebeurt er? • Tijdens het onderzoek blijkt dat de jeugdige geen psychische stoornis heeft, maar vooral moeite heeft met structuur en motivatie. • De school biedt aan om extra begeleiding te geven via een interne coach. • De gemeente beoordeelt dat deze onderwijsvoorziening voldoende is en dat er geen individuele jeugdhulp nodig is. • De hulpvraag wordt opgelost via school, en er komt geen beschikking voor jeugdhulp. 🏥 Praktijkvoorbeeld 2 Een vader meldt zich bij het Lokale team. Hij zit in een vechtscheiding met zijn ex-partner. De communicatie is slecht en dit zorgt voor spanningen bij hun 10-jarige dochter. Hij vraagt jeugdhulp aan. Wat gebeurt er? • Tijdens het onderzoek blijkt dat de problemen vooral liggen bij de ouders en hun conflict. • Er is geen directe hulpvraag vanuit de jeugdige zelf, en de jeugdige functioneert verder goed op school en thuis. • De gemeente stelt voor om gebruik te maken van lotgenotencontact voor gescheiden ouders en eventueel mediation. • Er wordt geen jeugdhulp ingezet, omdat de situatie beter past bij andere vormen van ondersteuning. 🏥 Praktijkvoorbeeld 3 Een jeugdige van 11 heeft moeite met sociale contacten en is vaak verdrietig.
Zijn moeder vraagt jeugdhulp aan via het Lokale team. Wat gebeurt er dan? • De gemeente onderzoekt of er echt sprake is van een hulpvraag door psychische of sociale problemen. • Ze kijken eerst of de jeugdige geholpen kan worden via school of een algemene voorziening. • Omdat de problemen complex zijn en de schoolhulp niet voldoende is, wordt een individuele voorziening ingezet: begeleiding door een jeugdpsycholoog. • De gemeente kiest een passende en betaalbare aanbieder. • De hulp is opgenomen in een beschikking en start binnen enkele weken.
Pagina 40 van 81
Artikel 4.6. Beoordeling eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen Algemeen Artikel 2.3, van de wet legt als uitgangspunt vast dat het college op grond van de wet alleen een voorziening moet treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij zelf – zo nodig met hulp van het sociale netwerk en/of andere hulpverlenende instellingen – niet in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, moet de gemeente hulp bieden. De verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf. Van ouders mag worden verwacht dat zij de nodige aanpassingen doen om de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen te realiseren. Dat kan betekenen dat zij hun eigen loopbaanplannen, de wijze waarop zij hun betaalde arbeid hebben georganiseerd of hun financiële situatie moeten bijstellen om voor het kind beschikbaar te zijn en de noodzakelijke hulp te bieden. Als uit zorgvuldig uitgevoerd onderzoek blijkt dat de noodzakelijke hulp met eigen mogelijkheden en het eigen probleemoplossend vermogen kan worden geboden, hoeft het college geen voorziening te treffen.
Ouders behoren de tot hun gezin behorende minderjarige kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden, ook als het kind een ziekte, aandoening of beperking heeft. Ook bovengebruikelijke hulp kan in beginsel van ouders worden verwacht, zo blijkt uit rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht. Er was sprake van voldoende eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (CRvB 17 juli 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362). De in de wet bedoelde maatstaven eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen van de ouder(s) bieden geen ruimte voor een beoordeling van de financiële draagkracht van een gezin om zelf jeugdhulp te kunnen verlenen (CRVB 26 mei 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:1326). Dit laat onverlet dat het belang van de ouders om te voorzien in een inkomen wel door de Centrale Raad in de beoordeling wordt betrokken. Bij gescheiden ouders geldt als uitgangspunt dat beide ouders met gezag verantwoordelijk zijn voor het bieden van ondersteuning. Ook stiefouders zijn verantwoordelijk voor het bieden van ondersteuning aan tot het gezin behorende (stief)kinderen.
Ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 2.3, van de wet volgt dat het college alleen gehouden is een voorziening te treffen als de jeugdige en zijn ouders er op eigen kracht niet uitkomen. De eigen kracht van de jeugdige en zijn ouders staat voorop. Pas als zij er zelf niet uitkomen, moet de gemeente hulp bieden. De wetgever formuleert het als volgt: “(…) Allereerst is het college niet gehouden om voor een jeugdige of zijn ouders een voorziening op het gebied van jeugdhulp te treffen voor zover de jeugdige en zijn ouders de problemen zelf het hoofd kunnen bieden, eventueel met behulp van personen uit het sociale netwerk of andere instellingen die ondersteuning bieden. Om dit buiten twijfel te stellen is in het eerste lid opgenomen dat een gemeente alleen een voorziening hoeft te treffen voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en zijn ouder ontoereikend zijn. Dit zou ook strijdig zijn met het uitgangspunten van artikel 2.1, waarbij ervan uit wordt gegaan dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt en waarin tot uitdrukking komt dat moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouders en het sociale netwerk.
Hierbij past een actieve rol van de ouders en het kind om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen. (…) Als de jeugdige en zijn ouders zelf mogelijkheden hebben om de problemen op te lossen of het hoofd te bieden, is een voorziening niet nodig (…)” (Kamerstukken II, 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 135-136).
Pagina 41 van 81
Eerste lid Het eerste lid van dit artikel geeft invulling aan de hiervoor geformuleerde uitgangspunten. Daarbij wordt een ruime beoordelingsruimte aan het college toegekend. Het college maakt in de individuele situatie een beoordeling van de mogelijkheden en neemt daarbij de geformuleerde uitgangspunten als basis. Tweede lid Het tweede lid geeft nader invulling aan welke personen tot het sociale netwerk van de jeugdige of zijn ouders gerekend worden. Het college zal concreet moeten beoordelen welke hulp zij kunnen bieden, waardoor er geen of in mindere mate een beroep gedaan hoeft te worden op een individuele voorziening. De jeugdige en de ouder(s) verlenen, op grond van hun medewerkingsplicht, medewerking aan dit onderzoek. Derde lid Het derde lid bevat een concrete plicht van ouders om hun eigen mogelijkheden eerst te benutten. Op het moment dat ouders een aanvullende verzekering hebben afgesloten op basis waarvan zij (al dan niet gedeeltelijk) recht hebben op hulp (gefinancierd) vanuit de verzekeraar, dan moeten zij daar eerst gebruik van maken. Het gaat hierbij om een al afgesloten verzekering. Het derde lid verplicht ouders niet tot het afsluiten van een aanvullende verzekering, zodat zij daar vervolgens een beroep op zouden kunnen doen. Vierde lid De inzet van ‘eigen mogelijkheden’ is het uitgangspunt bij de uitvoering van de wet.
De in het Burgerlijk Wetboek (in de artikelen 1:82 en 1:247 BW) verankerde eigen verantwoordelijkheid van ouders en de jeugdige om problemen op te lossen, staat voorop. Daarbij geldt dat het aan ouders is om de tot hun gezin behorende minderjarig kinderen te verzorgen, op te voeden en toezicht op hen te houden. Als de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen toereikend zijn, wordt geen individuele voorziening verstrekt, zo bepaalt het eerste lid. Het vierde lid bevat de normerende hoofdrichting van de betekenis die de gemeenteraad wenst toe te kennen aan de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. In het vierde lid wordt uitgewerkt met welke factoren rekening wordt gehouden bij het bepalen van de eigen mogelijkheden, waaronder de draagkracht en belastbaarheid van de ouders. Deze factoren sluiten aan bij bestaande rechtspraak. Het onderzoek naar aanleiding van de hulpvraag wordt uitgevoerd op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze. Bezien wordt daarbij of noodzakelijke hulp door de ouder zelf geboden kan worden. Het college neemt daarbij indachtig het bepaalde in de artikelen 1:82 en 1:247 BW in aanmerking dat de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en jeugdigen zelf ligt en dat deze hulp in uitgangspunt ook geleverd kan worden.
Uit onderzoek kan blijken dat dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige en de ouder(s) tekortschieten, bijvoorbeeld omdat sprake is van: a. geobjectiveerde beperkingen om noodzakelijke hulp te bieden; b. een gebrek aan kennis of vaardigheden om noodzakelijke hulp te bieden; c. overbelasting of dreigende overbelasting, waardoor geen noodzakelijke hulp kan worden verwacht totdat deze belasting of dreigende overbelasting is opgeheven. Onderzocht moet worden welke mogelijkheden de ouder(s) hebben (heeft) om de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Onder andere mag verwacht worden dat zij bereid zijn maatschappelijke activiteiten te beperken en betaalde arbeid aan te passen om zo de overbelasting of dreigende overbelasting op te heffen. Vijfde lid Op de in artikel 4.1, vijfde lid, van de verordening beschreven wijze moet onderzocht worden of er aanleiding is om aan te nemen dat de hulp die de jeugdige behoeft, in een concreet geval niet door de ouder(s) geleverd kan worden. Daarmee wordt het noodzakelijke verband tussen de beoordeling van de
Pagina 42 van 81
hulpvraag en de eigen mogelijkheden met de toekenningscriteria gelegd. Als blijkt dat de draagkracht van het gezin de draaglast aankan is er geen noodzaak voor het college om een voorziening op basis van de wet toe te kennen. Dat is dus ook niet het geval als de jeugdhulp is aan te merken als bovengebruikelijke hulp. Als de noodzakelijke hulp in kaart is gebracht en duidelijk is dat het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en het sociale netwerk onvoldoende is om de noodzakelijke hulp te verlenen, dient de gemeente een voorziening te treffen. Van belang daarbij is dat de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of de noodzakelijke hulp door de ouders kan worden geleverd. Bij het onderzoek ter beantwoording van die vraag moet worden stilgestaan bij het onderscheid tussen onmacht en eventuele onwil of opvattingen over de eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen. Wat staat er in artikel 4.6 over de beoordeling van eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen? De gemeente kijkt eerst of een jeugdige en zijn ouders zelf of met hulp van anderen hun problemen kunnen oplossen. Pas als dat niet lukt, kan de gemeente jeugdhulp geven. Wat betekent dat? • Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de opvoeding en verzorging van hun kind.
• De gemeente kijkt of ouders en het netwerk (zoals familie of vrienden) zelf hulp kunnen bieden. • Ook wordt gekeken of ouders hulp (kunnen) krijgen via bijvoorbeeld een zorgverzekering of school. • Als ouders het echt niet zelf kunnen, dan kan de gemeente jeugdhulp inzetten. De gemeente kijkt bijvoorbeeld naar: • Of ouders overbelast zijn; • Of ze genoeg kennis of vaardigheden hebben; • Of er beperkingen zijn om de noodzakelijke hulp te bieden. 🏥 Praktijkvoorbeeld 1 Situatie: Een moeder vraagt jeugdhulp aan voor haar 8-jarige zoon, die moeite heeft met slapen, is snel boos en heeft last van onzekerheid. De moeder werkt parttime, heeft een druk gezin en heeft een klein sociaal netwerk. Wat gebeurt er? • Het Lokale team voert gesprekken met de moeder en haar zoon. • Er blijk sprake van lichte opvoedproblemen, maar geen psychische stoornis. • De gemeente beoordeelt dat de moeder voldoende probleemoplossend vermogen heeft om haar zoon te ondersteunen. • De moeder krijgt tips van het Centrum voor Jeugd en Gezin en volgt een opvoedcursus. • De hulpvraag wordt hiermee opgelost zonder inzet van een individuele voorziening. 🏥 Praktijkvoorbeeld 2 Situatie: Een vader zorgt alleen voor zijn 14-jarige dochter met autisme. Hij werkt fulltime en heeft geen familie in de buurt. Hij raakt overbelast. Wat gebeurt er? • De gemeente onderzoekt of hij het zelf kan oplossen.
• Er is sprake van overbelasting en weinig steun uit het netwerk. • De gemeente besluit dat er jeugdhulp nodig is, bijvoorbeeld begeleiding aan huis. • De vader krijgt ook hulp om zijn werkuren aan te passen.
Pagina 43 van 81
Artikel 4.7. Criteria voor de beoordeling aanvraag Jeugdwetvervoer In artikel 2.3, tweede lid, van de wet is bepaald dat voorzieningen op het gebied van jeugdhulp ook het vervoer van een jeugdige naar en van de locatie waar de jeugdhulp geboden wordt, omvatten. In deze bepaling worden de uitgangspunten voor verstrekking van vervoer geregeld. Eerste tot en met derde lid Als uitgangspunt geldt dat de ouders in beginsel zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer (lid 1). Dat vervoer moet dan wel noodzakelijk zijn in verband met een medische noodzaak of met beperkingen in de zelfredzaamheid van de jeugdige. Dit betekent dat het vervoer noodzakelijk moet zijn om de locatie van de jeugdhulp te kunnen bereiken (lid 2). Of daarvan sprake is staat ter beoordeling van het college (lid 3). Vierde lid Een vervoersvoorziening wordt niet verstrekt als aparte voorziening, als er bij de indicatie individuele voorziening een SPIC wordt afgegeven waar de vervoersvoorziening als onderdeel is opgenomen in de individuele voorziening.
Zesde lid Om te benadrukken dat het college daarbij de eigen verantwoordelijkheid van ouders als uitgangspunt neemt, wordt in het vierde lid expliciet gemaakt dat het college in elke individuele situatie een afweging moet maken of er specifieke omstandigheden zijn waardoor er (ondanks de eigen verantwoordelijkheid van de ouders) een vervoersvoorziening moet worden verstrekt. Wanneer de ouders in staat zijn de jeugdige zelf te vervoeren, is er sprake van ‘eigen kracht’ die aan de toekenning van een vervoersvoorziening in de weg staat (CRvB, 5 april 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:655). Tiende lid Daarnaast geldt het uitgangspunt dat de met het oog op de vervoerskosten goedkoopste adequate voorziening kan worden getroffen. Dit wordt ten uitdrukking gebracht in het tiende lid.