CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

04 Bijlage Toelichting bij verordening jeugdhulp Landsmeer 2026

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente landsmeerBij agendapunt: Verordening jeugdhulp Landsmeer 2026 (Z/2025/046823)33.836 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56, van de Awb en onder de Wlz. Op grond van het zesde lid kan het college daarnaast de SVB gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 6.3, tweede lid, onder g. Deze bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een jeugdige tijdelijk geen gebruik van een individuele voorziening in de vorm van pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de individuele voorziening of het pgb tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling langdurige zorg.

Pagina 65 van 81

Wat staat er in artikel 6.4 over de opschorting en terugvordering van het pgb 1. Terugvorderen van pgb Als iemand verkeerde of onvolledige informatie geeft bij het aanvragen van een pgb, kan de gemeente het pgb terugvragen. Dit heet terugvordering. De gemeente moet dit eerst doen voordat ze het geld echt kan invorderen (terughalen via bijvoorbeeld een deurwaarder). Dit geldt ook als iemand een voorziening in natura (zoals hulp of hulpmiddelen) onterecht heeft gekregen. 2. Opschorten van betalingen Soms is het beter om tijdelijk te stoppen met het uitbetalen van het pgb dan om het helemaal te stoppen. Dit heet opschorting. Dit kan bijvoorbeeld als: • Er twijfel is over de juistheid van de informatie. • De pgb-houder zich niet aan de regels houdt. • Het pgb niet goed of voor iets anders wordt gebruikt. • Ook als iemand tijdelijk is opgenomen in een instelling en geen gebruik kan maken van het pgb, kan de gemeente de betaling tijdelijk stopzetten. 3. Hoe lang mag opschorting duren? De gemeente mag de betaling maximaal 13 weken opschorten. In die tijd kan onderzocht worden wat er aan de hand is. 4. Wat moet de gemeente doen? De gemeente moet goed uitleggen waarom ze de betaling wil stoppen en dit melden aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB), die de betaling uitvoert. Ook moet de pgb-houder hierover schriftelijk worden geïnformeerd.

🧾 Voorbeeld: Tijdelijke stop van pgb-betaling Situatie: Sophie is moeder van een zoon van 10 jaar met het syndroom van down. Ze heeft een pgb gekregen om zelf hulp in te kopen. Ze heeft een contract gesloten met een begeleider. Wat gebeurt er? De gemeente krijgt een melding dat de begeleider al een paar maanden geen hulp meer geeft, maar dat er wel pgb-geld wordt gedeclareerd. De gemeente denkt dat er misschien iets niet klopt. Wat doet de gemeente? De gemeente vraagt aan de SVB om de betaling van het pgb tijdelijk te stoppen. Dit heet opschorting. Zo kan de gemeente eerst goed onderzoeken wat er aan de hand is. Waarom is dit handig? • De gemeente hoeft het pgb niet meteen helemaal te stoppen. • Sophie krijgt de kans om uitleg te geven of dingen te herstellen. • Als blijkt dat alles toch klopt, kan de betaling weer doorgaan. Hoe lang duurt dit? De betaling mag maximaal 13 weken worden gestopt. Daarna moet er een besluit komen.

Pagina 66 van 81

Hoofdstuk 7

Controle en toezicht

Artikel 7.1. Onderzoek naar recht- en doelmatigheid individuele voorzieningen in natura en in de vorm van pgb’s Deze bepaling betreft grotendeels een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.9, aanhef en onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een individuele voorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid In de wet is geregeld dat de landelijke inspectie toezicht houdt op de kwaliteit van de jeugdhulp. Toezicht op de rechtmatigheid is in de wet niet geregeld. In het eerste lid is opgenomen dat het college ook voor de wet toezichthouders aanwijst, die specifiek zien op de rechtmatigheid. Daarmee is voor dit toezicht de wettelijke basis gelegd. Tweede en derde lid: Op grond van artikel 8.1.3, van de wet moet het college periodiek onderzoeken of er aanleiding is om een beslissing aangaande een pgb te heroverwegen. Soms bestaat er echter twijfel over de kwaliteit, doelmatigheid en rechtmatigheid van geleverde ondersteuning, het onderzoek in het kader van artikel 8.1.3, van de wet biedt dan onvoldoende houvast om hier goed naar te kijken. Daarom is artikel 7.1, tweede en derde lid toegevoegd.

Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen een rechtmatigheids- en doelmatigheidsonderzoek met betrekking tot individuele voorzieningen in natura en in de vorm van een pgb. Op grond van het derde lid moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 8.1.3, van de wet ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een pgb-houder of beheerder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de jeugdige of de ouders, bezoek aan de locatie waar de jeugdige of de ouders ondersteuning krijgen en gesprekken met de aanbieder.

Pagina 67 van 81

Wat staat er in artikel 7.1 over de controle van de gemeente op de juiste en goede inzet van jeugdhulp De gemeente wil zeker weten dat jeugdhulp: • • •

op de juiste manier wordt ingezet (rechtmatigheid), goed werkt en nuttig is (doelmatigheid), en dat er geen misbruik van wordt gemaakt.

Daarom controleert de gemeente regelmatig hoe de hulp wordt gebruikt. 🕵️ Wie controleert? De gemeente wijst speciale toezichthouders aan. Zij controleren of: • • •

de hulp echt nodig is, het geld goed wordt besteed, de hulp van goede kwaliteit is.

🔍 Wat wordt onderzocht? • • •

Of het persoonsgebonden budget (pgb) goed wordt gebruikt. Of de hulp die is afgesproken ook echt wordt gegeven. Of de hulp past bij wat het kind of gezin nodig heeft.

Dit kan via: • • •

Gesprekken met ouders of jongeren, Bezoek aan huis of aan de zorglocatie, Inzien van dossiers of administratie.

Artikel 7.2 Toezichthouders Lid 1 en 2 De gemeente kan iemand aanwijzen die controleert of de regels van de wet goed worden gevolgd. Deze persoon noemen we een toezichthouder. De toezichthouder mag: • Vragen stellen en informatie opvragen. • Administratie bekijken van zorgverleners en mensen met een persoonsgebonden budget (pgb). • Identiteit controleren van mensen. • Documenten en gegevens inzien. • Gebouwen betreden, behalve woningen. • Controleren of zorgverleners zich aan de afspraken houden. • Nakijken of de pgb-overeenkomsten kloppen met wat is aangevraagd. Lid 3 Iedereen moet meewerken als de toezichthouder iets vraagt of controleert. Als iemand dat niet doet, kan de gemeente een boete opleggen. Lid 4 De gemeente mag zelf nog extra regels maken over wat de toezichthouder precies mag doen.

Pagina 68 van 81

Wat staat er in artikel 7.2 over wat een toezichthouder mag doen? De gemeente kan een toezichthouder aanstellen. Deze persoon controleert of de regels van de Jeugdwet goed worden gevolgd. 👮 Wat mag een toezichthouder? • • • • • • •

Vragen stellen en informatie opvragen. Administratie bekijken van zorgverleners en mensen met een persoonsgebonden budget (pgb). Identiteit controleren van mensen. Documenten en gegevens inzien. Gebouwen betreden (behalve woningen). Controleren of zorgverleners zich aan de afspraken houden. Nakijken of de pgb-overeenkomsten kloppen met wat is aangevraagd.

🤝 Meewerken is verplicht Iedereen moet meewerken als de toezichthouder iets vraagt of controleert. Doet iemand dat niet, dan kan de gemeente een boete opleggen. 🧾 Extra regels De gemeente mag zelf nog extra regels maken over wat de toezichthouder precies mag doen. Voorbeelden 🧾 1. Controle op administratie van zorgaanbieders Een toezichthouder vraagt bij een zorgaanbieder de cliëntadministratie op. Bijvoorbeeld om te controleren of de zorg die is gedeclareerd ook echt is geleverd. Als blijkt dat er uren zijn gedeclareerd terwijl de jeugdige lange tijd afwezig was, kan dit leiden tot een waarschuwing of terugvordering. 👩👦 2. Onderzoek bij vermoeden van misbruik pgb Een toezichthouder onderzoekt een situatie waarin een ouder een persoonsgebonden budget (pgb) ontvangt, maar er signalen zijn dat de zorg niet wordt geleverd. De toezichthouder vraagt de zorgovereenkomsten op, controleert of de zorgverlener daadwerkelijk werkt, en spreekt eventueel met de jeugdige of het netwerk. 🏢 3. Onaangekondigd bezoek aan zorglocatie Bij een aanbieder van dagbesteding komt de toezichthouder onaangekondigd langs. Ze bekijkt of de jeugdige aanwezig is, of de begeleiding voldoet aan de afspraken in de beschikking, en of de locatie veilig en passend is. 📄 4.

Inzage in documenten bij signalen van fraude Bij een vermoeden van fraude vraagt de toezichthouder documenten op zoals facturen, zorgplannen en communicatie tussen ouder en aanbieder. Zo wordt gecontroleerd of de geleverde zorg overeenkomt met wat is afgesproken. 🤝 5. Gesprek met cliënt of ouder De toezichthouder kan ook in gesprek gaan met een jongere of ouder om te controleren of zij weten welke zorg ze horen te krijgen, of ze tevreden zijn, en of er signalen zijn van misbruik of onduidelijkheid. Pagina 69 van 81

Artikel 7.3. Overige maatregelen ter voorkoming oneigenlijk gebruik, misbruik en niet gebruik Zowel landelijk als gemeentelijk wordt ingezet op het tegengaan van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Daartoe treft het college de nodige maatregelen om de doelmatigheid en rechtmatigheid van de verstrekte individuele voorzieningen in natura [en in vorm van pgb’s] te waarborgen en fraude te voorkomen. In dit artikel is opgenomen dat wordt gestuurd op een correcte declaratie en verantwoording van de geleverde jeugdhulp. Door regelmatig te toetsen of de indicatie nog correct is en of de resultaten die zijn afgesproken ook worden behaald, wordt aandacht geschonken aan de doelmatigheid van individuele voorzieningen.

Wat staat er in artikel 7.3 over de maatregelen die de gemeente neemt tegen misbruik of verkeerd gebruik van jeugdhulp De gemeente wil voorkomen dat jeugdhulp verkeerd wordt gebruikt of dat mensen misbruik maken van de regels. Daarom neemt de gemeente extra maatregelen. 🛡️ Wat doet de gemeente? • • • •

Controleert of de declaraties (rekeningen) van zorgaanbieders kloppen. Kijkt of de hulp die is afgesproken ook echt wordt gegeven. Controleert of de doelen van de hulp worden behaald. Voert regelmatig heronderzoeken uit.

Artikel 7.4 Fraudepreventie De gemeente wil voorkomen dat mensen misbruik maken van hulp of ondersteuning die zij krijgen. Daarom doet de gemeente aan fraudepreventie. Dat betekent: zorgen dat er geen fraude gebeurt. De gemeente doet dit op drie manieren: 1. Uitleg geven aan inwoners De gemeente geeft informatie aan inwoners. Vooral aan mensen die hulp of ondersteuning krijgen. Zo weten zij wat ze kunnen verwachten. 2. Rechten en plichten uitleggen Inwoners krijgen uitleg over wat hun rechten zijn (wat ze mogen) en wat hun plichten zijn (wat ze moeten doen). Ook vertelt de gemeente wat er gebeurt als iemand misbruik maakt van de hulp. Bijvoorbeeld: als iemand verkeerde informatie geeft of hulp gebruikt waarvoor het niet bedoeld is. 3. Vroeg signaleren van problemen De gemeente probeert op tijd te zien of er iets niet klopt. Bijvoorbeeld als iemand hulp krijgt die hij of zij eigenlijk niet nodig heeft. Zo kan de gemeente snel ingrijpen.

Pagina 70 van 81

Wat staat er in artikel 7.4 over hoe de gemeente fraude met jeugdhulp wil voorkomen De gemeente wil voorkomen dat mensen misbruik maken van jeugdhulp of een persoonsgebonden budget (pgb). Daarom werkt de gemeente aan fraudepreventie. Dat betekent: zorgen dat er geen fraude gebeurt. 🛡️ Hoe doet de gemeente dat? 1. Goede uitleg geven a. Inwoners krijgen duidelijke informatie over wat ze mogen en moeten doen. b. Bijvoorbeeld: wat mag je met een pgb betalen en wat niet? 2. Vroeg signaleren van problemen a. De gemeente let goed op signalen dat er iets niet klopt. b. Bijvoorbeeld: als iemand hulp krijgt die eigenlijk niet nodig is. 3. Controle en samenwerking a. De gemeente controleert regelmatig of de hulp nog nodig is. b. Ze werkt samen met andere instanties, zoals de Belastingdienst. c. Nieuwe zorgaanbieders worden vooraf gecontroleerd. 🏠 Voorbeelden van fraudepreventie 1. Duidelijke uitleg geven • De gemeente stuurt brieven in eenvoudige taal. • Inwoners krijgen uitleg over wat ze wel en niet mogen doen met hun hulp of PGB (persoonsgebonden budget). 2. Gesprekken aan de keukentafel • Bij het aanvragen van hulp komt een medewerker thuis langs. • Zo kan de gemeente beter inschatten wat iemand echt nodig heeft. 3. Heronderzoeken • De gemeente controleert regelmatig of iemand nog steeds recht heeft op hulp. • Bijvoorbeeld: is de situatie veranderd? Is er nog steeds hulp nodig? 4.

Controle op zorgaanbieders • De gemeente kijkt of zorgaanbieders goede en eerlijke zorg leveren. • Nieuwe aanbieders worden vooraf gescreend (bijvoorbeeld via een waarschuwingsregister). 5. Samenwerken met andere instanties • Gemeenten werken samen met bijvoorbeeld de Belastingdienst of zorgkantoren. • Zo kunnen ze sneller zien of er iets niet klopt. 6. Huisbezoeken bij twijfel • Als er een vermoeden is van misbruik, kan de gemeente onverwacht langskomen. • Bijvoorbeeld als ouders zeggen veel tijd kwijt te zijn aan de verzorging en begeleiding van hun kind, maar vaak niet thuis zijn. 7. Gebruik van signalen • Medewerkers letten op opvallende dingen, zoals veel declaraties of tegenstrijdige verhalen.

Pagina 71 van 81

Hoofdstuk 8

Afstemming met andere voorzieningen

In dit hoofdstuk wordt de afstemming tussen de jeugdhulpplicht ten opzichte van andere wettelijke voorzieningen geregeld. Artikel 8.1. Voorliggende voorzieningen Eerste en tweede lid Op grond van artikel 1.2, eerste lid, onder a, van de wet is het college niet gehouden een voorziening te treffen op grond van de wet als er met betrekking tot de problematiek een recht bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Wlz, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een zorgverzekering als bedoel in de Zorgverzekeringswet. Evenmin is het college gehouden een voorziening op grond van de wet te treffen indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een maatwerkvoorziening inhoudende begeleiding als bedoeld in artikel 1.1.1, van de Wmo 2015. Kan de jeugdige aanspraak maken op zorgverlening op grond van één van deze wetten, dan is de wet niet van toepassing. Wel geldt volgens dit artikel dat als (i) meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de problemen en stoornissen en (ii) de jeugdige daardoor aanspraak kan maken op zorgverlening uit een recht op zorg uit de Wlz, een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw én de wet, het college gehouden is een voorziening te treffen op basis van de wet.

Uit de parlementaire geschiedenis bij de wet volgt in dat kader: “Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige hulp is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening” (Kamerstukken II 2012/13, 33 684, nr. 3, p. 127). Het eerste en tweede lid maken, in het kader van de afbakening van de jeugdhulpplicht (zie de algemene toelichting bij deze verordening), duidelijk dat op het moment dat het college op grond van de wet niet gehouden is een voorziening te verstrekken, er ook geen jeugdhulpvoorziening wordt verstrekt. Derde en vierde lid Op het moment dat er een aanvraag wordt gedaan, terwijl er aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke regeling dan worden de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger naar de juiste instantie verwezen. Daarmee wordt voorkomen dat ze tussen de wal en het schip vallen. Bij een verwijzing naar zorg op grond van de Wlz wordt tevens cliëntondersteuning ingeschakeld om de jeugdige of zijn ouders dan wel wettelijk vertegenwoordiger te ondersteunen bij het aanvraagproces.

Pagina 72 van 81

Wat staat er in artikel 8.1 over andere wetten die soms voorgaan op jeugdhulp? Soms heeft een kind of jongere recht op hulp via andere wetten dan de Jeugdwet. In dat geval hoeft de gemeente geen jeugdhulp te geven via de Jeugdwet. 🧾 Voorbeelden van andere wetten: • Wlz (Wet langdurige zorg): voor mensen met een zware beperking. • Zorgverzekeringswet: bijvoorbeeld voor psychische hulp via de huisarts. • Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo): voor volwassenen. • Onderwijswetgeving: zoals Passend Onderwijs. Als een kind hulp kan krijgen via één van deze wetten, dan is die hulp voorliggend. Dat betekent: die hulp gaat vóór jeugdhulp via de gemeente. 🔄 Wat als meerdere wetten tegelijk gelden? Als een kind hulp nodig heeft die onder meerdere wetten valt (bijvoorbeeld Wlz én Jeugdwet), dan moet de gemeente toch jeugdhulp geven. Zo voorkomt de gemeente dat het kind nergens terecht kan. 📤 Verwijzen naar de juiste plek Als blijkt dat een andere instantie verantwoordelijk is voor de hulp, dan verwijst de gemeente het gezin daar naartoe. Bij ingewikkelde situaties helpt de gemeente ook met cliëntondersteuning. 🏥 Voorbeeld: Wlz voorliggend bij een jeugdige met een verstandelijke beperking Casus: Een meisje van 12 jaar heeft een ernstige verstandelijke beperking, gecombineerd met autisme en epilepsie.

Zij heeft 24/7 toezicht nodig omdat ze situaties niet goed begrijpt, zichzelf niet kan verzorgen en regelmatig risicovol gedrag vertoont zoals weglopen en zichzelf verwonden. Haar ouders kunnen deze intensieve zorg niet zelfstandig bieden. Beoordeling: • De zorgvraag is levenslang en levensbreed. • Er is sprake van een blijvende behoefte aan permanent toezicht. • Het meisje kan niet zelfstandig hulp inroepen. • De beperking is primair verstandelijk, met bijkomende problematiek. Uitkomst: Het CIZ beoordeelt dat de zorgvraag voldoet aan de criteria voor de Wlz. De Wlz wordt toegekend en is daarmee voorliggend op de Jeugdwet. De gemeente is niet langer verantwoordelijk voor de zorg; deze wordt overgenomen door het zorgkantoor via de Wlz.

Pagina 73 van 81

Artikel 8.2. Afstemming met voorliggende voorzieningen en andere vormen van hulp en ondersteuning Op grond van artikel 2.9, aanhef en onder b, van de wet moet in de verordening ook geregeld zijn op welke wijze de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Afstemming met andere voorzieningen is belangrijk in het kader van het perspectiefplan. Wanneer een jeugdige of ouder op grond van de wet ondersteuning vraagt van het college, moet afstemming plaatsvinden met het andere aanbod vanuit de gemeente. Afstemming betekent samenwerking met uitvoerders van andere wet- en regelgeving om de problematiek binnen het gezin te verminderen of zelfs op te lossen. Als de hulp vanuit de wet niet (langer) volstaat, dan zal de overgang naar hulp vanuit een andere wet goed afgestemd moeten worden. Jeugdigen mogen niet in een gat vallen waar aanspraken uit de gelijktijdig toepasselijke wet- en regelgeving niet naadloos op elkaar aansluiten. Op grond van artikel 8.2 van de verordening is het college ervoor verantwoordelijk dat een jeugdige of diens ouder(s) zoveel mogelijk de juiste hulp op grond van de wet ontvangt en dat wordt voorkomen dat de jeugdige of diens ouder(s) tussen de wal en het schip vallen.

Eerste lid Het eerste lid bevat een opsomming van wetten op basis waarvan recht zou kunnen bestaan op voorzieningen die ook relevant kunnen zijn bij het inzetten van jeugdhulp. Met de opname van deze wetten krijgt het college een uitdrukkelijke opdracht en bevoegdheid om de inzet van jeugdhulp in elk geval hierop af te stemmen. De lijst is niet limitatief. Eerste lid onder h Een andere belangrijke wettelijke afbakening is te vinden met onderwijswetgeving. Ondersteuning gericht op het doorlopen van het onderwijsprogramma dat primair gericht is op het leerproces, het behalen van onderwijsdoelen of om de jeugdige verder te helpen in de onderwijsontwikkeling, valt niet onder de jeugdhulpplicht van de wet. Als een jeugdige recht heeft op ondersteuning vanuit onderwijswetgeving is deze wetgeving voorliggend op de wet en hoeft het college geen voorziening te treffen op grond van de wet. De wet Passend onderwijs legt een zorgplicht bij scholen. Dat betekent dat scholen ervoor verantwoordelijk zijn om alle leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben een goede onderwijsplek te bieden. Hiervoor werken reguliere en speciale scholen in het primair en voortgezet onderwijs samen in samenwerkingsverbanden. Het onderwijs besluit niet over de inzet van specialistische jeugdhulp, dit is voorbehouden aan de lokale toegang of derde verwijzer. Betrokkenheid van Leerplicht is dan voorliggend.

Alle verrichtingen die behoren bij Passend onderwijs zijn niet declarabel vanuit de contracten met specialistische jeugdhulpaanbieders, bijvoorbeeld (niet limitatief): o Meting cognitief niveau; o Klasse observaties; o Interventies ten behoeve van klassenmanagement (zoals Taakspel en Beter bij de Les); o Schrijfoefeningen; o Ondersteuning bij ernstige lees-, spellings- en/of rekenproblemen; o Ondersteuning vanwege hoogbegaafdheid in de onderwijssetting; o Logopedisch onderzoek; o Diagnostiek en behandeling met betrekking tot dyslexie (niet zijnde ernstige dyslexie) en dyscalculie; o Begeleiding van leerkrachten; o Stagebegeleiding; o Hulp bij plannen van schoolwerk o Intelligentietesten die worden afgenomen voor onderwijs en het vaststellen van de behoefte aan behandeling van leerstoornissen, huiswerkbegeleiding, remedial teaching of motorische remedial teaching (MRT), begeleiding op school (voor zover gericht op het leerproces), dyscalculie,

Pagina 74 van 81

behandeling stoornis op gebied van leren en begeleiding bij ernstige taal- en spraakmoeilijkheden, vallen niet onder jeugdhulp. Tweede en derde lid Het tweede en derde lid bakenen het doel van het zoeken van afstemming af. Zij normeren de inzet van het college bij de afstemming. Vierde lid Het zorgen voor afstemming van voorzieningen is een uitdrukkelijke opdracht aan het college. Het college is daarbij echter afhankelijk van de medewerking van de jeugdige of zijn ouders dan wel zijn wettelijk vertegenwoordiger. Het vierde lid maakt duidelijk dat het niet verlenen van de noodzakelijke medewerking kan leiden tot het beëindigen van het onderzoek naar het recht op een individuele voorziening en het weigeren van een individuele voorziening. Het college is daarmee niet gehouden het onderzoek zonder medewerking voort te zetten of een voorziening te verstrekken. Het college maakt hier wel een afweging, waarbij de onderzoeksbelangen en de eventueel opgegeven redenen om medewerking te weigeren een rol kunnen spelen. Vijfde en zevende lid Het vijfde en zevende lid regelen de afstemming van het recht op voorzieningen bij de overgang naar volwassenheid. Het is belangrijk dat jeugdigen bij het bereiken van het achttiende levensjaar, of het eenentwintigste of drieëntwintigste levensjaar bij verlengde jeugdhulp, niet plotseling zonder passende voorzieningen komen te zitten.

Deze bepaling regelt dat er daarom al vanaf het zestiende levensjaar van de jeugdige bij de inzet van voorzieningen wordt gekeken naar de afstemming van de in te zetten voorziening op de mogelijk in de toekomst in te zetten voorzieningen. Zesde lid, a. De aanbieder heeft de verplichting om samen met cliënten die in zorg zijn vanaf het 16e jaar een toekomstplan naar volwassenheid op te stellen met een duidelijk omschreven en haalbare tijdslijn naar volwassenheid, waarin ze meer verantwoordelijkheden krijgen en zich voorbereiden op zelfstandig leven, wonen, werk/school, inkomen en welzijn, ook wel de "Big 5" genoemd. Ook wordt hierin aangegeven of en zo ja welke hulp en/of ondersteuning nog nodig is en hoe deze vanuit de Wmo 2015, Wlz, Zorgverzekeringswet wordt ingezet vanaf de 18e verjaardag. De aanbieder betrekt minimaal een half jaar voordat een jongere de leeftijd van 18 jaar (voor pleegzorg en gezinshuis 21 jaar) bereikt, de verwijzer bij (het opstellen van) het toekomstplan. Belangrijke uitgangspunten voor de overgang naar volwassenheid zijn: - Toekomstgericht werken. De big 5 als basis. Op tijd en voldoende aandacht besteden aan de overgang voor jongeren. - Werk integraal. Zorgen dat jongeren een stabiele en passende oplossing krijgen. - Jongeren helpen bij wettelijke veranderingen. Werk relationeel samen. - Help de overgang voor jongeren verkleinen.

Zet de juiste mensen op de juiste plek.

Pagina 75 van 81

Wat staat er in artikel 8.2 over de samenwerking met andere hulp en voorzieningen Kinderen en jongeren krijgen soms hulp uit meerdere wetten tegelijk. Bijvoorbeeld jeugdhulp én hulp via school of de Wmo. Het is dan belangrijk dat deze hulp goed op elkaar wordt afgestemd. 🤝 Wat regelt dit artikel? •

•

De gemeente moet zorgen dat jeugdhulp aansluit op andere hulp, zoals: o zorg, o onderwijs, o maatschappelijke ondersteuning, o werk en inkomen. Dit gebeurt via het perspectiefplan, waarin alle hulp en doelen samenkomen.

🧭 Wat als een jongere bijna 18 wordt? • •

•

Vanaf 16 jaar moet er al worden nagedacht over de toekomst. Er wordt dan een toekomstplan gemaakt, waarin staat: o waar de jongere wil wonen, o hoe hij of zij inkomen krijgt, o welke hulp nog nodig is na het 18e jaar. De gemeente zorgt dat de overgang naar volwassen hulp goed verloopt, zodat niemand zonder hulp komt te zitten.

🧒 Voorbeeld: Toekomstplan voor Sam (17 jaar) Sam is 17 jaar en woont in een gezinshuis. Hij krijgt hulp van een jeugdzorgorganisatie. Over een jaar wordt hij 18. Samen met zijn begeleider maakt hij een toekomstplan. Wat staat er in het plan? • Wonen: Sam wil graag op zichzelf wonen. De begeleider helpt hem zoeken naar een kamer en vraagt samen met Sam een woning aan. • School/werk: Sam zit op het mbo. Hij wil zijn opleiding afmaken en daarna werken in de techniek. De begeleider helpt hem bij het zoeken van een stage. • Inkomen: Sam krijgt nu zakgeld en kleedgeld. In het plan staat dat hij leert omgaan met geld. Ze oefenen met een budget en kijken of hij recht heeft op studiefinanciering. • Welzijn: Sam voelt zich soms alleen. In het plan staat dat hij hulp krijgt van een coach via de Wmo, ook na zijn 18e. • Verantwoordelijkheid: Sam leert zelf afspraken maken met instanties, zoals de gemeente of de zorgverzekeraar. Wie helpt Sam? • Zijn begeleider uit het gezinshuis. • Een Wmo-consulent/Sociaal wijkteam van de gemeente. • Zijn verwijzer (bijvoorbeeld het lokaal team of de jeugdbeschermer), die al een half jaar voor zijn 18e meedenkt.

Pagina 76 van 81

Hoofdstuk 9

Waarborging prijs-kwaliteit

Artikel 9.1. Verhouding prijs en kwaliteit aanbieders jeugdhulp en uitvoerders kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de jeugdige of zijn ouders, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van de continuïteit van de jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering en een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.11, tweede lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Artikel 2.3, eerste lid, van het Besluit Jeugdwet voorziet in nadere criteria, zogenoemde kostprijselementen, voor het bepalen van een reële prijs bij de inkoop van jeugdzorg door gemeenten, die in de verordening moeten worden opgenomen. Artikel 9.1 voorziet hierin. Het college bepaalt, met inachtneming van deze kostprijselementen, de te betalen prijzen voor de in te kopen jeugdhulp.

Artikel 2.3, van het Besluit Jeugdwet geldt voor alle inkoop door het college en voor door hen verleende subsidies voor zover deze het daadwerkelijk verlenen van jeugdzorg volledig bekostigen. Overeenkomstig dit besluit wordt in het tweede en derde lid verplicht gesteld dat in contracten tussen het college en aanbieders, of in de subsidievoorwaarden, wordt opgenomen dat een aanbieder in geval van uitbesteding van zorg aan onderaannemers, een reële, met behulp van de kostprijselementen tot stand gekomen prijs betaalt. Wat staat er in artikel 9.1 over de balans die er moet zijn tussen prijs en kwaliteit van jeugdhulp? De gemeente koopt jeugdhulp in bij organisaties. Daarbij is het belangrijk dat er een goede balans is tussen de prijs en de kwaliteit van de hulp. 💶 Wat betekent dit? • De gemeente betaalt een eerlijke prijs voor de hulp die wordt geleverd. • Die prijs moet genoeg zijn om: o goede hulp te kunnen bieden, o deskundige medewerkers te betalen, o en te zorgen voor continuïteit (de hulp moet kunnen doorgaan). 📋 Wat staat er in de afspraken? • De gemeente maakt duidelijke afspraken met aanbieders over: o wat de hulp precies inhoudt, o welke kwaliteit wordt verwacht, o en hoeveel dat mag kosten. • Als een aanbieder een deel van de hulp uitbesteedt aan een andere organisatie, moet ook die organisatie een eerlijke prijs krijgen.

🧒 Voorbeeld De gemeente sluit een contract met een organisatie die specialistische jeugdhulp biedt. In het contract staat: • Dat de hulp wordt gegeven door medewerkers met een SKJ-registratie (kwaliteitseis), • Dat de hulp beschikbaar moet blijven, ook als er veel vraag is, • En dat de prijs die de gemeente betaalt genoeg is om deze kwaliteit te kunnen leveren. Zo zorgt de gemeente ervoor dat kinderen en jongeren goede en betrouwbare hulp krijgen, zonder dat de kosten onnodig hoog zijn. Pagina 77 van 81

Hoofdstuk 10

Klachten en medezeggenschap

Artikel 10.1. Klachtenregeling Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht in het kader van de wet. De gemeente is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van bestuursorganen en personen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9, van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsman te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze verordening met een enkele bepaling worden volstaan. In de regel zal de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. De klachtmogelijkheid tegenover de aanbieder is geregeld in artikel 4.2.1 e.v., van de wet. Pas wanneer dit klachtrecht niet logisch is, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, of wanneer de aanbieder niet adequaat op de klacht reageert of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen aanbieder en klager, komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht.

Wat staat er in artikel 10.1 over de mogelijkheid om een klacht in te dienen? Als je niet tevreden bent over hoe je bent geholpen door de gemeente of een medewerker, dan kun je een klacht indienen. 📝 Waar kun je een klacht over indienen? • Over het gedrag van een medewerker van de gemeente. • Als je vindt dat je niet goed bent behandeld. • Als je geen goede reactie krijgt van een zorgaanbieder. De gemeente moet jouw klacht serieus behandelen. Dit is geregeld in de wet (de Algemene wet bestuursrecht). 📌 Meestal dien je een klacht eerst in bij de zorgaanbieder. Alleen als dat niet kan of niet helpt, kun je bij de gemeente terecht.

Artikel 10.2. Betrekken van ingezetenen bij het beleid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over de medezeggenschap bij de gemeente. De mogelijkheid tot medezeggenschap tegenover de aanbieder is al geregeld in artikel 4.2.4 e.v., van de wet. Regeling van de medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10, van de wet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10, van de wet worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet. Met het derde lid wordt het aan het college overgelaten om de exacte invulling van de medezeggenschap vorm te geven.

Pagina 78 van 81

Wat staat er in artikel 10.2 over hoe inwoners kunnen meedenken over het beleid? De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners kunnen meedenken over het jeugdhulpbeleid. 🗣️ Wat kun je doen? • • • • •

Voorstellen doen voor beter beleid. Advies geven over plannen van de gemeente. Meepraten in overleggen over jeugdhulp. Ondersteuning krijgen om je mening goed te kunnen geven. Informatie ontvangen die je nodig hebt om mee te doen.

De gemeente organiseert dit via de Adviesraad sociaal domein.

Hoofdstuk 11

Slotbepalingen

Artikel 11.1. Hardheidsclausule Dit artikel bepaalt dat het college in bijzondere gevallen ten gunste van de jeugdige of zijn ouders kan afwijken van de bepalingen van deze verordening (en dus niet van de in de wet zelf genoemde bepalingen). Zo nodig wordt hierbij advies ingewonnen. Afwijken kan alleen maar ten gunste, en nooit ten nadele van de betrokken jeugdige of zijn ouders. Verder is met nadruk gemeld: in bijzondere gevallen. Het gebruik maken van de hardheidsclausule moet beschouwd worden als een uitzondering en niet als een regel. Gaat het om het verlenen van individuele jeugdhulpvoorzieningen, dan verplicht artikel 2.3 van de wet het college reeds maatwerk te verrichten. In uitzonderingsgevallen zou het bijvoorbeeld kunnen spelen bij de regels rondom het verstrekken van een pgb. Bij toepassing van de hardheidsclausule moet het college uitgebreid motiveren waarom in de desbetreffende situatie van de verordening wordt afgeweken.

Wat staat er in artikel 11.1 over wanneer de gemeente mag afwijken van de regels (Hardheidsclausule)? Soms past een situatie niet goed binnen de regels van de verordening. In zulke bijzondere gevallen mag de gemeente afwijken van de regels, maar alleen ten gunste van het kind of de ouders. 📌 De gemeente mag dus niet strengere regels toepassen dan in de verordening staat. Voorbeeld: Een gezin heeft dringend hulp nodig, maar voldoet nét niet aan alle voorwaarden. De gemeente kan dan toch hulp geven als dat beter is voor het kind.

Pagina 79 van 81

Artikel 11.2. Evaluatie Het lokale beleid wordt getoetst middels het meerjarenbeleidsplan sociaal domein en de P&C cyclus. De uitvoering van deze verordening wordt getoetst via het clienttevredenheidsonderzoek van de gemeente. Daarnaast meten de zorgregisseurs de resultaten van de hulpverlening via een tussen- en eindevaluatie op individueel niveau. Regionaal contractmanagement bewaakt en monitort resultaat en kwaliteit van de geboden specialistische jeugdhulp. Daarnaast wordt een keer in de twee jaar regionaal getoetst of de artikelsgewijze toelichting in de verordening toereikend is.

Wat staat er in artikel 11.2 over de evaluatie van het beleid van de gemeente? De gemeente moet regelmatig evalueren of het beleid goed werkt. Dat betekent: • • •

Kijken of de regels goed worden toegepast. Onderzoeken of de hulp echt helpt. Zo nodig het beleid aanpassen of verbeteren.

Artikel 11.3. Overgangsrecht, intrekking oude verordening Het is noodzakelijk om duidelijke overgangsbepalingen vast te stellen voor met name de situatie dat er sprake is van: • Een verstrekte voorziening op grond van een bepaling die niet meer geldend is; • Een bezwaarschrift over een besluit dat betrekking heeft op een periode waar afwijkende regelgeving gold dan op het moment van indiening van het bezwaarschrift; • Terugvordering. Dat is met deze bepaling geregeld. Een besluit voor een verstrekte individuele voorziening blijft gehandhaafd totdat het besluit wordt ingetrokken of de looptijd van het besluit is verstreken. Bij aanvragen waarop nog geen besluit is genomen geldt deze verordening. Bij de behandeling van een bezwaarschrift wordt de regelgeving toegepast die gold op het moment waarop het besluit is genomen c.q. de periode waarop de terugvordering betrekking heeft, tenzij heroverweging op basis van de nieuw vastgestelde verordening leidt tot een gunstiger resultaat voor de bezwaarmaker of geadresseerde van het terugvorderingsbesluit.

Wat staat er in artikel 11.3 over de overgangsregels bij een nieuwe verordening? Als er een nieuwe verordening komt, gelden er overgangsregels. Dat betekent: • • •

Hulp die al is toegekend, blijft geldig tot het besluit afloopt of wordt aangepast. Bezwaarprocedures worden behandeld volgens de regels die golden op het moment van het besluit. Als nieuwe regels gunstiger zijn voor het gezin, mogen die worden toegepast.

Artikel 11.4. Inwerkingtreding, citeertitel en overgangsbepalingen. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026 onder gelijktijdige intrekking van de Verordening jeugdhulp gemeente Landsmeer 2022.

Pagina 80 van 81

Wat staat er in artikel 11.4 over de inwerkingtreding van de verordening? In dit artikel staat wanneer de nieuwe verordening ingaat en welke oude regels vervallen.

Pagina 81 van 81

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=4d3705ec-64ff-48e9-8694-893a0c7f552f