CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Bijlage 1 Bestemmingsplan Van Beekstraat 249

Raadsvergadering 27 november 2025, gemeente landsmeerBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Van Beekstraat 249 (Z/2025/046862)24.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Er vinden derhalve reeds vervoersbewegingen plaats ten behoeve van de aanvoer van voer, zowel ruwvoer als krachtvoer, mestafzet en veevervoer. Wel vinden de vervoersbewegingen op een andere locatie plaats, daar de melkveestal en de ruwvoeropslagvoorziening aan de overzijde van de weg wordt gerealiseerd. Vervoersbewegingen binnen de inrichting moeten inzichtelijk worden gemaakt tijdens de representatieve bedrijfssituatie (RBS). Met de RBS wordt de bedrijfssituatie bedoeld die maximaal op een dag kan voorkomen. Geluidbelasting die voorkomt tijdens RBS zijn weergegeven in onderstaande tabel. Tabel 4.1 Geluidrelevante activiteiten

Activiteit en plaats

Bronvermogen in dB (A)

Voer laden Tractor rijden/laden/lossen Verladen vee Verladen mest met tractor Verladen mest met vrachtwagen Vullen silo RMO melk Zware motorvoertuigen 10 km/uur

103 103 95 105 105 108 101 102

Bedrijfsduur activiteit 7.00 en 19.00 en 19.00 uur 23.00 uur 1 1 2 1 1 0,5 2 1 2 1 0,5 0,25 0,25 0,25 1 1

23.00 en 7.00 uur 0 1 0,5 1 1 0,25 0,25 1

Activiteiten welke minder dan 12 keer per jaar voorkomen vallen onder uitzonderingssituaties en worden gezien als incidentele bedrijfssituaties (IBS). Activiteiten welke vallen onder IBS betreffen gras kuilen, maïs kuilen en mest rijden. Deze activiteiten komen voor in de dag- en avondperiode. Vervoersbewegingen van en naar de inrichting Daarnaast dienen de vervoersbewegingen van en naar de inrichting inzichtelijk gemaakt te worden. De vervoersbewegingen van en naar de inrichting zullen ongeveer gelijk blijven, daar in de huidige situatie reeds melk- en kalfkoeien en jongvee worden gehouden. In de gewenste situatie nemen de dieraantallen niet toe. In onderstaande tabel worden de vervoersbewegingen van en naar de inrichting inzichtelijk gemaakt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in licht, middelzwaar en zwaar vervoer.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

34

Tabel 4.2 Verkeersbewegingen van- en naar de inrichting

Maximaal aantal per: Dag Week Licht (auto’s) Middelzwaar (kleine vrachtwagens) Zwaar (vrachtwagens)

5 1

10 3

6

12

Aantal aan- en afvoerbewegingen tussen: 7.00 en 19.00 19.00 en 23.00 en uur 23.00 uur 7.00 uur 3 1 1 1 0 0 4

1

1

Verkeerstaantrekkende werking De verkeersaantrekkende werking van een veehouderij is gering. In de handreiking Bedrijven en Milieuzonering valt het fokken en houden van rundvee in categorie 3.2, dit betekent dat voor het aspect geluid een minimale afstand van 30 meter in acht genomen moet worden. De afstand van de grens van het nieuwe bouwvlak tot de dichtstbijzijnde woning, de woning aan de Van Beekstraat 272 te Landsmeer, betreft meer dan 30 meter, namelijk 50 meter. De afstand van de grens van het bestaande bouwvlak tot de dichtstbijzijnde woning, de woning aan de Van Beekstraat 245, betreft minder dan 30 meter. In Figuur 4.4 is de 30-meter contour vanaf de bestaande en het nieuwe bouwvlak weergegeven. Hierin is te zien dat binnen de 30-meter contour van het nieuwe bouwvlak geen woningen zijn gelegen. Binnen de 30-meter contour van het bestaande bouwvlak is wel een woning gelegen. Echter, dit betreft een bestaande locatie. In de gewenste situatie worden minder dieren gehouden op deze bestaande locatie. De melk- en kalfkoeien worden gehuisvest in de te realiseren melkveestal aan de overzijde van de weg. Derhalve zal op het bestaande bouwvlak minder geluid geproduceerd worden. Dit heeft een positief effect op de woning aan de van Beekstraat 245.

Figuur 4.4 30 meter-contour vanaf huidig en nieuw bouwvlak

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

35

Gezien het aantal akoestisch relevante activiteiten zijn er geen nadelige gevolgen te verwachten. Een akoestisch onderzoek hoeft derhalve niet opgesteld te worden. Daarnaast zal de uitbreiding van het bedrijf niet leiden tot een significante vergroting van de verkeersintensiteit. Conclusie Het aantal melk- en kalfkoeien nemen in de gewenste situatie af. Het aantal stuks jongvee neemt in beperkte mate toe. De geluidsproductie op de huidige locatie zal afnemen omdat hier geen melk- en kalfkoeien meer zullen worden gehouden. De nieuwe stal is op voldoende afstand gelegen van geluidgevoelige objecten. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de uitbreiding van het melkveebedrijf niet zal leiden tot een onevenredige toename van de geluidsproductie op de omliggende gevoelige objecten. 4.3.5 Geur De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is het toetsingskader voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv is 1 januari 2007 in werking getreden. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten bescherming tegen overmatige geurhinder. Deze waarden voor geurbelasting worden weergegeven in odour units per kubieke meter lucht. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom en binnen en buiten een concentratiegebied.

Het aantal dieren vermenigvuldigd met de geuremissiefactor levert een waarde voor de geuremissie op, waarna via het verspreidingsmodel V-stacks vergunning de geurbelasting kan worden bepaald. De geuremissiefactoren zijn in een ministeriele regeling vastgelegd. Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn bepaald, gelden wettelijk vastgestelde afstanden die ten minste moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. Gemeenten mogen bij verordening van de normen van de Wgv afwijken, binnen bepaalde grenzen. Dit is vastgelegd in artikel 6 wat de wet. Gemeente Landsmeer heeft geen geurverordening vastgesteld. Alvorens de toetsing kan plaatsvinden op de Wgv dienen de uitgangspunten bekend te zijn. Het betreft de volgende uitgangspunten: • • • • • •

Op de planlocatie zijn dieren aanwezig zonder een geuremissiefactor, te weten melk- en kalfkoeien (RAV A1.21) en vrouwelijk jongvee (RAV A3.100); Op de planlocatie zijn geen dieren aanwezig met een geuremissiefactor; De planlocatie is gelegen buiten de bebouwde kom; De omliggende geurgevoelige object zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Op grotere afstand zijn tevens geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom gelegen; De planlocatie en directe omgeving liggen buiten een concentratiegebied; In alle gebouwen is sprake van natuurlijke ventilatie.

Dieren zonder geuremissiefactor Voor dieren waarvoor geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld, gelden wettelijk vastgestelde afstanden die ten minste moeten worden aangehouden tot geurgevoelige objecten. In artikel 4 van de Wgv is vastgesteld dat de afstand van het emissiepunt van de stal tot de gevel van het geurgevoelig object binnen de bebouwde kom minimaal 100 meter dient te zijn en buiten de bebouwde kom minimaal 50 meter. Conform artikel 5, lid 1 van de Wgv dient de afstand van de gevel van de stal tot de gevel van het geurgevoelig object ten minste 50 meter te zijn binnen de bebouwde kom en 25 meter buiten de bebouwde kom. Deze laatstgenoemde afstanden gelden zowel voor dierenverblijven van dieren mét geuremissiefactor als zonder geuremissiefactor.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

36

Voor melk- en kalfkoeien (RAV-code A1.21) en vrouwelijk jongvee (RAV-code A3.100) zijn geen geuremissiefactor vastgesteld. Dit betekent dat alle stallen moeten voldoen aan de vaste afstanden genoemd in artikel 4 en artikel 5, lid 1 van de Wgv. De omliggende geurgevoelige objecten zijn gelegen buiten de bebouwde kom. Dit betekent dat de afstand vanaf een geurgevoelig object 25 meter moet bedragen tot de gevel van de stal en 50 meter tot het emissiepunt van de stal. Conclusie Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ten opzichte van de jongveestal, op de huidige locatie, betreft de woning aan de van Beekstraat 245. De afstand van de gevel van de stal tot deze woning bedraagt 30 meter. De afstand van het emissiepunt van de stal tot de woning bedraagt circa 60 meter. Het dichtstbijzijnde geurgevoelige object ten opzichte van de te realiseren ligboxenstal betreft de woning aan de van Beekstraat 272. De afstand van de gevel van de stal tot deze woning bedraagt circa 50 meter. Hieruit blijkt dat het bedrijf voldoet aan de vaste afstanden. In onderstaande figuur betreft de groene cirkel de 25 meter-contour vanaf de gevel van de bestaande stal en de te realiseren stal. De rode cirkel betreft de 50-meter contour vanaf het emissiepunt van de bestaande stal en de te realiseren stal. Hieruit blijkt dat binnen deze contouren geen geurgevoelige objecten zijn gelegen.

Figuur 4.5 25 meter-contour en 50 meter-contour vanaf bestaande stal en te realiseren stal 4.3.6 Luchtkwaliteit Onderhavig plan moet voldoen aan hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer. Dit wordt ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Hierin staat beschreven dat initiatieven die ‘niet in betekende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd mogen worden.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

37

Voor kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen die effect kunnen hebben op de luchtkwaliteit heeft VROM in samenwerking met InfoMil de nibm-tool (juni 2011) ontwikkeld. Daarmee kan op een eenvoudige en snelle manier worden bepaald of een plan niet in betekenende mate bijdraagt aan luchtverontreiniging. Met behulp van deze rekentool is de toename van de stoffen NO 2 en PM10 bepaald op basis van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de nieuwe ontwikkeling. Verkeersaantrekkende werking De emissie van PM10 door transportbewegingen van- en naar de inrichting is berekend a.d.h.v. rekeninstrument NIBM-tool. Door het gebruik van deze tool is aannemelijk te maken dat het plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. De toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is niet bekend. Ook zijn er voor agrarische bedrijven geen kengetallen met betrekking tot verkeersbewegingen beschikbaar. Omdat het exacte aantal verkeersbewegingen onbekend is, is in de berekening met de nibm-tool een worstcase berekening gemaakt. Extra transportbewegingen van- en naar de inrichting vinden plaats t.b.v. afvoer vee en aanvoer van voer. In de NIBM-tool wordt voor licht wegverkeer (personen- en bestelauto) als extra weekdaggemiddelde 25 voertuigen meegenomen.

Voor zwaar wegverkeer (vrachtwagen ± 20 ton en trekkers) wordt als extra weekdaggemiddelde tevens 25 voertuigen meegenomen.

Figuur 4.6 Worst case-scenario nibm-tool, planlocatie i.r.t. verkeersbewegingen In Figuur 4.6 is de berekening met de nibm-tool weergegeven. Uit bovenstaande motivatie blijkt dat de PM10 en NO2 emissie, afkomstig van de extra verkeersbewegingen van- en naar de inrichting, in de aangevraagde situatie met een maximale bijdrage van 0,37 μg/m 3 stikstofdioxide en 0,03 μg/m3 fijnstof niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Gezien de aard en omvang van de wijziging is het niet aannemelijk dat de ontwikkeling met een dergelijke toename van verkeer gepaard gaat. Fijnstof uit de inrichting Naast de toename van verkeer wordt de fijnstofemissie ook getoetst aan de uitbreiding in dieraantallen. Het bedrijf breidt uit met 10 stuks jongvee. In de gewenste situatie worden 25 melkkoeien minder gehouden ten opzichte van vergunde situatie. In tabel 4.3 is de fijnstofemissie van de vergunde situatie vergeleken met de fijnstofemissie van de gewenste situatie. Hieruit blijkt dat het initiatief een afname in fijnstofemissie geeft van (16.440 – 13.870) 2.570 gram per jaar.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

38

Tabel 4.3 Fijnstofemissie in vergunde en gewenste situatie Vergunde Fijnstof situatie emissie

Gewenste Fijnstof situatie emissie

Melkkoeien

120

14.160

95

11.210

Vrouwelijk jongvee

60

2.280

70

2.660

Totaal

16.440

13.870

In de ‘Handreiking fijn stof en veehouderijen’ (VROM, mei 2010) is een vuistregel opgenomen waarmee bepaald kan worden of bij een uitbreiding van een veehouderij sprake is van NIBM (zie onderstaande figuur, gebaseerd op de 3% NIBM grens). Afstand tot 70 m 80 m de toetsen plaats Totale emissie 324000 387000 in g/jr van uitbreiding/ oprichting Figuur 4.7 Afstand toetsing NIBM

90 m

100 m

120 m

140 m

160 m

473.000

581.000

817.000

1.075.000

1.376.000

In de tabel kan bij de betreffende afstand de hoeveelheid emissie worden afgelezen waarmee een veehouderij nog kan uitbreiden om niet in betekende mate bij te dragen. De getallen in de tabel zijn worstcase genomen inclusief een veiligheidsmarge. Indien bij een bepaalde afstand niet méér wordt geëmitteerd dan is opgenomen in de tabel dan is de oprichting/uitbreiding zeker NIBM. Met behulp van de emissiefactorenlijst, uitgegeven door het ministerie van I&M, kan uitgerekend worden of de totale toename in emissie onder de NIBM grens blijft. De gewenste situatie heeft een afname van fijnstofemissie tot gevolg. Derhalve kan met zekerheid geconcludeerd worden dat sprake is van NIBM. Het plan voldoet derhalve aan de Wet luchtkwaliteitseisen en de luchtkwaliteit van de omgeving is voldoende om in een gezond leefklimaat te voorzien. Conclusie Uit de nibm-tool blijkt de geringe toename van verkeersbewegingen niet in betekende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Tevens is de toename van fijnstofdeeltjes, als gevolg van de wijziging in dieraantallen, niet in betekende mate. De toename van verkeersbewegingen heeft met name een toename van NO 2 tot gevolg. De wijziging in dieraantallen heeft voornamelijk een toename in fijnstofdeeltjes als gevolg. Bovenstaand is beschreven dat de toename van NO2 en fijnstof NIBM zijn. De NO2 en fijnstofdeeltjes staan los van elkaar.

Derhalve is de wijziging van het gehele bedrijf NIBM. Het plan voldoet derhalve aan de Wet luchtkwaliteitseisen, derhalve vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen voor onderhavige planontwikkeling. 4.3.7 Natuur Het initiatief wordt getoetst aan de Wet natuurbescherming, zowel voor Natura 2000-gebieden als voor soorten, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de kwetsbare gebieden in het kader van de Wet ammoniak en Veehouderij gebieden (WAV-gebieden).

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

39

Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De drie voormalige wetten zijn in drie verschillende hoofdstukken van de nieuwe Wet natuurbescherming, min of meer, terug te vinden: in hoofdstuk 2 zijn regels opgenomen betreffende Natura 2000-gebieden, in hoofdstuk 3 regels betreffende Soorten en ten slotte zijn in hoofdstuk 4 regels opgenomen betreffende Houtopstanden, hout en houtproducten. Natura 2000-gebieden In 1992 is door de lidstaten van de Europese Unie (EU) een netwerk van beschermde natuurgebieden opgezet. Dit is het ‘Natura 2000 netwerk’. Het netwerk is bedoeld om zowel de vitaliteit als de biodiversiteit op Europees grondgebied te beschermen en te behouden. Hiervoor vormen de Europese Vogelrichtlijn uit 1979 en de habitatrichtlijn uit 1992 de basis. In hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming worden gebieden beschermd.

In artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming is opgenomen dat het verboden is om zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Regels voor een vergunningaanvraag voor een activiteit met stikstofdepositie zijn opgenomen in het Besluit natuurbescherming en de Regeling natuurbescherming. Hierin zijn regels opgenomen voor het programma aanpak stikstof. Voor elk Natura 2000-gebied is een kritische depositiewaarde (KDW) in mol N/ha vastgesteld. Deze KDW wordt vastgesteld voor het gevoeligste habitattype dat in het Natura 2000-gebied is gelegen. In de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en daarmee ook economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Individuele initiatiefnemers kunnen een beroep doen op de PAS bij hun vergunningaanvraag voor nieuwe en uitbreiding van bestaande activiteiten. Het bedrijf bevindt zich in de nabijheid van de volgende Natura 2000-gebieden: • • • •

Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske; Wormer- en Jisperveld & Kalverpolder; Polder Westzaan; Waterland Aeën en Drieën.

In onderstaande figuur is de ligging van het bedrijf ten opzichte van de beschermde natuur nader weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

40

Figuur 4.8 Ligging en depositie op omliggende Natura 2000-gebieden Voor onderhavige locatie is op 3 november 2015 een vergunning voor het verplaatsen, uitbreiden en exploiteren van de melkveehouderij verleend met kenmerk 642068/709567 voor het houden van 95 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee. Nadat deze vergunning is verleend is de beoogde situatie gewijzigd. De nieuwe stal wordt namelijk op een andere locatie gerealiseerd dan in de reeds vergunde situatie. De dieraantallen en huisvestingssystemen blijven ongewijzigd. De ammoniakemissie neemt niet toe ten opzichte van de reeds vergunde situatie. Echter dient de gewijzigde situatie wel gemeld te worden. Uit de verschilberekening van de referentiesituatie en de beoogde situatie blijkt dat er een kleine toename van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske plaatsvindt. De ontwikkelingsruimte hiervoor is beschikbaar, zie Figuur 4.9. Derhalve kan de melding in het kader van de Wet natuurbescherming geaccepteerd worden. Deze melding zal worden ingediend na vaststelling van het bestemmingsplan.

Figuur 4.9 Depositie op omliggende Natura 2000-gebieden

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

41

Conclusie Onderhavig planvoornemen voorziet in de realisatie van een agrarisch bouwvlak aan de overzijde van de Van Beekstraat 249 ten behoeve van de realisatie van een melkveestal en ruwvoeropslagvoorzieningen. De voorgenomen uitbreiding heeft geen negatieve effecten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Soorten Hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming vormt het wettelijk kader voor de bescherming van een groot aantal inheemse bedreigde dier- en plantensoorten. Hierin is opgenomen dat het verboden is om beschermde vogels en dieren te vangen, te doden, te verontrusten en om plantensoorten te plukken, verzamelen, af te snijden, ontwortelen of te vernielen. Bij nieuwe ruimtelijke ingrepen en activiteiten dient te worden nagegaan of deze ingrepen en/of activiteiten eventueel negatieve gevolgen hebben voor aanwezige dier- en plantensoorten in de omgeving. Ten behoeve van de ontwikkeling op de planlocatie is een ecologisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is opgenomen in het landschapsplan. Het landschapsplan is bijgevoegd in bijlage 1 van onderhavige toelichting. Het onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortenlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming.

Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. De locatie van de nieuwe stal bestaat in de huidige situatie uit weiland. In het weiland ligt een halfverharde weg die de toegangsweg gaat vormen naar de nieuwe stal. Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied mogelijk soorten voorkomen die een beschermde status hebben volgens de Wet natuurbescherming. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als landhabitat door algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb. De voorgenomen plannen hebben tot gevolg dat het leefgebied van deze soorten kleiner wordt. Voor deze algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb geldt in provincie Noord-Holland een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeven zodoende voor deze soorten geen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Door de bouw van de nieuwe stal gaat een deel van het foerageergebied van vogels verloren. In de directe omgeving blijft echter ruim voldoende foerageergebied behouden, zodat geen negatief effect optreedt.

Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De bouw van de nieuwe stal heeft geen negatief effect ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen. Dit blijft in het plangebied en de directe omgeving in voldoende mate aanwezig. In het plangebied ontbreken mogelijkheden voor verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er geen ontheffing noodzakelijk is in het kader van de Wet natuurbescherming. WAV gebieden De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) is het toetsingskader voor de emissie van ammoniak. Bij de beslissing inzake de omgevingsvergunning onderdeel Milieu, voor het oprichten of veranderen van een veehouderij, betrekt het bevoegd gezag de gevolgen van de ammoniakemissie uitsluitend op de wijze die is aangegeven in de Wav.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

42

Conclusie Slechts de nadelige gevolgen van de ammoniakdepositie op zogenaamde kwetsbare gebieden binnen 250 meter wordt beoordeeld. De planlocatie is gelegen op een afstand van circa 8,4 km van de WAVgebieden. De inrichting aan de Van Beekstraat 249 te Landsmeer heeft geen nadelige effecten op deze gebieden.

4.4

Verkeer en parkeren

In artikel 2.5.30 van de Bouwverordening is opgenomen dat voor het grondgebruik en functies afhankelijk van de omvang en de bestemming van het gebouw, voldoende parkeerplaatsen worden aangelegd. Met betrekking tot onderhavige planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen door de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt. Het nieuwe agrarische bouwvlak zal worden ontsloten via de Van Beekstraat te Landsmeer. Het perceel is reeds in de huidige situatie ontsloten op deze weg. Voor bewerkingen van percelen vinden dan ook reeds transportbewegingen plaats vanaf deze ontsluiting. Tevens vinden in de huidige situatie transportbewegingen voor bewerkingen van percelen plaats via een inrit circa 150 meter ten westen van de planlocatie. De transportbewegingen vanaf deze inrit voeren over de Van Beekstraat. Beide inritten zijn rood gearceerd in onderstaande luchtfoto. Bestaande locatie

Nieuwe locatie Figuur 4.10 Bestaande (rood) en beoogde (groen) ontsluitingen Van Beekstraat te Landsmeer In de gewenste situatie kunnen alle transportbewegingen voor bewerkingen van percelen plaatsvinden via de ontsluiting bij de nieuwe locatie. Als gevolg hiervan vinden geen transportbewegingen, voor bewerkingen van percelen, plaats tussen de woningen aan de Van Beekstraat. De te gebruiken ontsluitingen in de beoogde situatie zijn weergegeven middels de groene lijn in figuur 4.10. Transportbewegingen ten behoeve van aan- en afvoer van bedrijfsmiddelen vinden in de beoogde situatie plaats via de bestaande ontsluitingen van de bestaande alsook de nieuwe locatie. De kwantiteit van deze transportbewegingen zal niet significant wijzigen daar in de huidige situatie reeds melk- en kalfkoeien en jongvee wordt gehouden. De melk- en kalfkoeien zullen gehouden worden op de nieuwe locatie, het jongvee wordt gehouden op de bestaande locatie. Als gevolg van het plan zal de verkeersstructuur wijzigen in die zin dat de ontsluiting ten westen van de planlocatie minder of zelfs niet meer gebruikt wordt. Voor het overige zal de verkeersstructuur niet worden gewijzigd. Het plan leidt niet tot een gewijzigde situatie in het kader van afhandeling en verkeersveiligheid.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

43

Ten aanzien van parkeren kan worden gesteld dat de nieuwe bouwkavel voldoende ruimte biedt voor parkeren van voertuigen en het manoeuvreren van vervoermiddelen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer en parkeren geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

4.5

Waterhuishouding

Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. Waterrelevant beleid In 2000 hebben de EU-lidstaten de Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld. De belangrijkste doelen van de KRW zijn de algemene bescherming en verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewateren, van de grondwaterkwantiteit, de specifieke bescherming en verbetering van beschermde gebieden, met als drijfveer het duurzaam gebruik van water. Om deze doelen te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Het maatregelenprogramma bestaat in Nederland uit de optelsom van alle maatregelen voor de uitvoering van de KRW die zijn opgenomen in de waterplannen op grond van de Waterwet: het Nationale Waterplan, het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren, de regionale waterplannen en de beheerplannen voor de regionale wateren. Het Rijk voert de regie op hoofdlijnen en is verantwoordelijk voor het vastleggen van doelen en maatregelen voor de rijkswateren. Het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 is vastgesteld op 10 december 2015.

Dit nieuwe NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2012 is op 17 december 2015 in werking getreden. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw) beschrijft het beheer van de rijkswateren voor de periode 2016-2021 en is opgesteld door Rijkswaterstaat. Het plan vertaalt het Nationaal Waterplan 2016-2021 en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar beheer en onderhoud van de rijkswateren. Het Bprw en het Nationaal Waterplan zijn tegelijk opgesteld. Zo zijn beleid en uitvoering in samenhang voorbereid en op elkaar afgestemd. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.

Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) van 2009 is in artikel 4.2 vastgesteld dat een vergunning nodig is bij een toename van meer dan 800 m2 verharding. In de beleidsregel ‘Compensatie verhardingstoename’ is vastgesteld dat bij een toename van meer dan 2.000

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

44

m2 een maatwerkberekening wordt gemaakt door het waterschap om te bepalen hoe groot de compensatie van de toename van verhard oppervlak moet zijn. Beschrijving huidige situatie In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Het hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. De te realiseren melkveestal ligt niet direct grenzend aan een waterloop. Op grotere afstand is ten noorden en oosten van de melkveestal een secundaire waterloop gelegen. Ten westen van de melkveestal is een tertiaire waterloop gelegen. In onderstaande figuur is een uitsnede van de legger wateren weergegeven.

Huidige locatie

Te realiseren melkveestal Figuur 4.11 Uitsnede Legger Wateren, waterschap HHNK Het hemelwater ter plaatse van het nieuwe bouwvlak waar de melkveestal en de ruwvoervoorzieningen worden gerealiseerd infiltreert momenteel nog vrij in de bodem omdat het terrein op dit moment onverhard is. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur. Beschrijving gewenste situatie Het initiatief betreft de realisatie van een agrarisch bouwvlak van een grondgebonden veehouderij ten behoeve van de realisatie van een melkveestal en ruwvoeropslagen. In totaal zal het oppervlak van de agrarische bouwvlakken, en daarmee de mogelijkheid tot de aanleg van verharding, worden vergroot met 2.846 m2. Hierop zal een toename van 2.037 m2 dakoppervlak worden gerealiseerd. De toename van verhard oppervlak heeft gevolgen voor de waterhuishouding en daarmee is het plan waterhuishoudkundig relevant. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Indien de toename van het verhard oppervlak meer dan 800 m2 bedraagt dan is het plan op grond van het waterschapsbeleid vergunningplichtig. De toename van

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

45

verhard oppervlak bedraagt 2.846 m2. In de beleidsregel ‘Compensatie verhardingstoename’ is vastgesteld dat bij een toename van meer dan 2.000 m2 een maatwerkberekening wordt gemaakt door het waterschap om te bepalen hoe groot de compensatie van de toename van verhard oppervlak moet zijn. Er wordt enkel schoon hemelwater afgevoerd op het omliggende oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van nietuitlogende materialen (zoals bijvoorbeeld lood, koper en zink). Het bedrijf dient te voldoen aan het Activiteitenbesluit en daarmee is het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater voldoende verzekerd. Vervuiling van grondwater is derhalve niet aan de orde. Wateradvies De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater. Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering.

Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. Binnen het plan is geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat HHNK voor de nieuwe ontwikkeling adviseert om een gescheiden stelsel aan te leggen. HHNK adviseert om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Persleiding Uw plangebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden. Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: -

het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting het uitvoeren van zware transporten; het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; de opslag van (zwaar) materiaal; het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; het graven of heien nabij de leiding.

De rioolpersleiding is gelegen binnen het bestaande bouwvlak. binnen dit bouwvlak worden bovenstaande werkzaamheden niet uitgevoerd. Derhalve heeft de rioolpersleiding geen effect op de voorgenomen planvorming. Het advies van HHNK over de ontwikkeling op de planlocatie is bijgevoegd in bijlage 2 van onderhavige toelichting.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

46

4.6

Vormvrije m.e.r. beoordeling

Ingevolge de MER-richtlijn1 moet voor bepaalde activiteiten een milieueffectrapportage (MER) uitgevoerd worden. Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang, naast andere belangen, een volwaardige plaats te geven in het besluitvormingsproces. Naast de milieueffectrapportage bestaat ook het milieueffectrapport (MER). Het MER is een onderdeel van de m.e.r.-procedure. Het MER wordt gekoppeld aan een besluit op aanvraag vergunning Wet milieubeheer. De m.e.r. is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage 2. In het Besluit milieueffectrapportage is vermeld wanneer een MER uitgevoerd moet worden. In onderdeel C van de bijlage is een overzicht van activiteiten, plannen en besluiten, ten aanzien waarvan het maken van een milieueffectrapportage verplicht is. In onderdeel D van de bijlage worden de activiteiten opgesomd waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapportage verplicht c.q. noodzakelijk is. Naast de verschillende activiteiten worden gevallen genoemd waarin de MER-plicht of beoordelingsplicht bestaat. Veelal is een drempelwaarde ingebouwd die voorkomt dat een bepaalde activiteit altijd MER-plichtig of -beoordelingsplichtig is. Naast de activiteiten en gevallen zijn plannen en besluiten opgenomen waar de MER-plicht of -beoordelingsplicht aan gekoppeld is.

De activiteit is in dit geval gekoppeld aan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Het voorgenomen plan voorziet in de wijziging van het huidige melkveebedrijf op de planlocatie; Van Beekstraat 249 te Landsmeer. Hiertoe zal een melkveestal en ruwvoeropslagen gerealiseerd worden. Een uitbreiding van de veestapel is mogelijk mer-(beoordelings)plichtig. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D14) is de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren opgenomen. Voor koeien geldt een drempelwaarde van 200 melk- of kalfkoeien of 340 stuks vrouwelijk jongvee. Als combinatie geldt een drempelwaarde van 340 melk- of kalfkoeien en vrouwelijk jongvee. In het voorgenomen initiatief kunnen 95 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee gehuisvest worden. Het aantal dieren blijft hiermee onder de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. Het plan is dan ook niet kaderstellend voor een mer-(beoordelings)plichtige activiteit. De planlocatie is gelegen in Landsmeer in de provincie Noord-Holland. In de omgeving liggen enkele Natura 2000-gebieden, hiervoor wordt een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd. Er is voldoende ontwikkelingsruimte beschikbaar voor de gewenste ontwikkeling.

Tevens is in de omgeving een kwetsbaar gebied in het kader van de Wet ammoniak en Veehouderij (WAVgebied) gelegen, dit is op voldoende afstand om negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten slotte is het plangebied niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland. Uit de toetsing van het initiatief blijkt dat het initiatief geen negatieve effecten heeft op de aspecten bodem, externe veiligheid, geluid, geur en luchtkwaliteit. Conclusie De voorgenomen activiteit overschrijdt de drempelwaarde van onderdeel C en onderdeel D van het Besluit m.e.r. niet, wat inhoudt dat het initiatief niet direct m.e.r.-plichtig en ook niet m.e.r.beoordelingsplichtig is. Daar de drempelwaarden in het Besluit-m.e.r. indicatief zijn, dient volgens de wettelijke procedure altijd een Vormvrije m.e.r.-beoordeling doorlopen te worden. Hiertoe wordt een aanmeldingsnotitie opgesteld welke door het bevoegd gezag wordt beoordeeld. Het besluit wordt, conform artikel 7.28 Wet milieubeheer, bijgevoegd bij de vergunningaanvraag / melding AIM. Het besluit is ook toegevoegd aan de bijlage van dit rapport.

Richtlijn 97/11/EEG van de Raad van 3 maart 1997 tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten. 2 Inwerkingtredingsdatum 1 september 1994, laatstelijk gewijzigd bij Stb. 2011, 102. 1

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

47

4.7

Volksgezondheid

Gezondheidsrisico’s zijn een optelsom van blootstelling, gevaar en impact. Bij blootstelling wordt er gekeken hoeveel ziekteverwekkers een persoon binnen moet krijgen om geïnfecteerd te raken of ziek te worden. Gevaren zijn er in diverse vormen, zoals biologisch (bijv. ziekteverwekkende bacteriën), chemisch (bijv. diergeneesmiddelen of bestrijdingsmiddelen) of fysisch (zoals elektriciteit of ter plaatse gewond raken). Impact staat voor de grootte van het effect dat veroorzaakt wordt. Voordat een omgevingsvergunning, activiteit milieu, verleend wordt danwel een melding activiteitenbesluit geaccepteerd wordt moet het beoogde initiatief van de veehouderij getoetst worden aan diverse milieuaspecten, zoals ammoniakuitstoot, geur, fijnstof, aanwezigheid en gebruik van gevaarlijke stoffen, aan- en afvoer van meststoffen, geluid, brandveiligheid, etc. Door diverse wetten is voorgeschreven wat de maximale grenswaarden zijn waaraan een veehouderij moet voldoen. Indien een veehouderij niet voldoet, zal een vergunning dus niet verleend worden. Er mag vanuit worden gegaan dat de grenswaarden die in de wet zijn opgenomen de volksgezondheid in voldoende mate beschermen. Bij naleving van de milieuwetgeving, het volledig benutten van de technische mogelijkheden en het management van de hygiënebarrière worden de volksgezondheidsrisico’s bij het initiatief tot een minimum beperkt.

Vooralsnog wordt er derhalve getoetst aan de wettelijke grenswaarden voor diverse stoffen, zoals geur en fijnstof. Daar deze grenswaarden nationaal zijn vastgesteld en de beoogde bedrijfsopzet hieraan voldoet, mag er vanuit worden gegaan dat deze waarden de volksgezondheid afdoende beschermen.

4.8

Duurzaamheid

De nederlandse melkveesector werkt aan de ontwikkeling van een duurzame melkveehouderij in 2020. Duurzaam wil zeggen economisch rendabel, veilig voor de consument, diervriendelijk en met een zo’n laag mogelijke belasting van natuur en milieu. De melkveehouderijsector produceert steeds groener en schoner door: • • • •

Emissies te reduceren; Het vastleggen van CO2; Het werken aan gesloten kringlopen; Energieproductie en –besparing.

Initiatiefnemer is voornemens een nieuwe ligboxenstal te realiseren met een emissiearme vloer. Door het gebruik van deze vloer wordt ammoniakemissie gereduceerd. De Nederlandse melkveehouderij beheert een groot areaal grasland dat benut kan worden om CO 2 te binden en vast te houden. Een kringloop laat zien waar de sterke en zwakke punten in het bedrijf zitten als het gaat om mineralenbenutting. Efficiënt mineralengebruik leidt tot hogere gewasopbrengsten of minder verliezen van mineralen. Hierdoor kan een melkveehouder dus zijn bedrijfsvoering verbeteren en kosten besparen. Bovendien is het ook goed voor het milieu. In onderstaande figuur is de mineralenkringloop weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

48

Figuur 4.12 Mineralenkringloop De melkveehouderij kan een grote bijdrage leveren aan de winning van duurzame energie. De ontwikkelingen op het gebied van energieopwekking uit mest, zonlicht en wind maken samen met energiebesparing een energieneutrale zuivelketen in de toekomst mogelijk. Melkveebedrijven zijn hierdoor op den duur minder afhankelijk van de aankoop van energie of werken zelfs regionaal als energieleverancier. Initiatiefnemers zijn voornemens om in de toekomst mogelijk zonnepanelen te plaatsen op de nieuw te realiseren ligboxenstal. In de beoogde situatie wordt op een diervriendelijke manier melk geproduceerd. Zoals reeds omschreven in voorliggende toelichting voldoet de maatvoering van de ligboxen in de nieuwe stal aan de grootte van hedendaagse koeien. De ligboxen hebben een breedte van 1,20 meter. Er is minimaal 1 ligbox per dierplaats. Bovendien is er een apart ingestrooide ruimte voor afkalfkoeien en voor zieke koeien waar de koeien stressvrij gehuisvest kunnen worden. Het bedrijf van initiatiefnemers betreft een extensief bedrijf. Er worden maximaal 2 koeien per hectare gehouden. Daarnaast is initiatiefnemer actief met agrarisch natuurbeheer en weidevogelbeheer wat een positief effect heeft op de biodiversiteit in de omgeving.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

49

5

JURIDISCHE REGELING

In dit hoofdstuk wordt de juridische plansystematiek uiteengezet.

5.1

Juridische achtergrond

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) verplicht gemeenten bestemmingsplannen op te stellen. In de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is nader uitgewerkt uit welke onderdelen een bestemmingsplan in ieder geval moet bestaan. Het gaat om een verbeelding met planregels en een toelichting daarop. Het juridisch bindende onderdeel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden en gebouwen en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op eenzelfde manier worden verbeeld. De SVBP geeft binden standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zo ook voor de regels. Voor bestemmingsplannen, zoals voorliggend plan, is het verplicht de regels van de SVBP te volgen.

5.2

Toelichting verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: •

• •

Enkelbestemming o Agrarisch – Agrarisch bedrijf o Agrarisch met waarden o Natuur – Agrarisch medegebruik Bouwvlak Figuren o Hartlijn – riool o Relatie

Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan vinden de volgende veranderingen plaats:

5.3

•

Veehouderij: o Verkleinen huidig bouwvlak (0,92 hectare); o Realiseren nieuw bouwvlak overzijde weg (0,43 hectare); o Verbinden beide bouwvlakken middels een koppelteken om aan te geven dat het één bedrijf is.

•

Natuurontwikkeling: o Bestemming ‘Agrarisch met waarden’ omzetten naar ‘Natuur – Agrarisch medegebruik’ (1,35 hectare).

Toelichting regels

De regels behorende bij voorliggend bestemmingsplan bestaan bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

uit

inleidende

regels,

Voor de regels bij voorliggend bestemmingsplan wordt zo veel mogelijk aangesloten bij de regels van het vigerende bestemmingsplan. De regels hebben betrekking op de in de verbeelding opgenomen bestemmingen en aanduidingen. Regels over bestemmingen en aanduidingen die niet in onderhavig plan zijn opgenomen zijn verwijderd. Daarnaast zijn regels over parkeren opgenomen in dit bestemmingsplan.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

50

6

ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

6.1

Economische uitvoerbaarheid

Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Conform artikel 6.2.1 van de Bro valt de bouw van één of meer hoofdgebouwen (niet zijnde woningen) onder de reikwijdte van de grondexploitatieregels. Er is in onderhavig plan sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is echter niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2, sub a Wro). De voorgestane ontwikkeling aan de Van Beekstraat 249 te Landsmeer betreft een particulier initiatief op eigen gronden. De met de ontwikkeling gepaard gaande kosten worden dan ook gedragen door de desbetreffende particuliere initiatiefnemer. Hiermee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente gegarandeerd. Dit plan heeft geen financiële consequenties voor de gemeente. Dit kan worden vastgelegd in een anterieure overeenkomst, waarbij de eventuele planschade voor rekening komt van initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende gegarandeerd.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel aan te tonen dat het plan maatschappelijk draagvlak heeft. Vooroverleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro wordt overleg gevoerd met de gebruikelijke vooroverlegpartners, provincie Nood-Holland en Waterschap Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier. Zienswijzen en beroep De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan vind plaats volgens artikel 3.9a van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan wordt in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode wordt een ieder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijzen kenbaar te maken tegen het plan. Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tevens kan er beroep worden ingesteld tegen de eventueel gewijzigde onderdelen. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking. Het bestemmingsplan wordt vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

51

BIJLAGE 1. LANDSCHAPSPLAN

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

52

Landschapsplan

van Beekstraat Landsmeer

Landschapsplan

Uitbreiding melkveehouderij van Beekstraat Landsmeer

november 2018

2

Inhoud 1

Inleiding 1.1 Aanleiding en doelstelling 1.2 Leeswijzer

5 5 5

2

Gebiedsbeschrijving 2.1 Ligging planlocatie 2.2 Gebiedsbeschrijving en ontwikkelingen

7 7 9

2.2.1 Kernwaarden ensemble Wormerland 2.2.2 Ambities en ontwikkelprincipes Wormerland 2.2.2 Kernkwaliteiten

3

9 11 11

Voorgenomen plan 3.1 Bestaande situatie 3.2 Omschrijving voorgenomen initiatief 3.2.1 Afmetingen 

13 13 13

4

Landschappelijke inpassing 4.1 Toepassing kernwaarden van Wormerland 4.2 Inpassingsplan 4.3 Materiaal- en kleurgebruik 4.4 Beplanting 

15 15 15 17 19

Geraadpleegde bronnen

21

Landschapsplan van Beekstraat, november 2018

13

3

4

Afbeelding 1. Zicht planlocatie richting zuiden

Afbeelding 2. Zicht planlocatie richting westen

Afbeelding 3. Zicht planlocatie richting noorden

Afbeelding 4. Zicht planlocatie richting oosten

1 1.1

Inleiding Aanleiding en doelstelling Initiatiefnemer exploiteert een melkveehouderij aan de Van Beekstraat te Landsmeer. In de huidige situatie zijn ligboxenstal, jongveestal annex loods en bijbehorende ruwvoeropslagen aanwezig. De bestaande bedrijfsgebouwen zijn verouderd en voldoen hierdoor niet meer aan de huidige eisen binnen de sector. Om de toekomst te kunnen waarborgen en het dierenwelzijn te verbeteren willen de initiatiefnemers het bedrijf uitbreiden. Zij hebben het voornemen een nieuwe ligboxenstal te realiseren die voldoet een de huidige eisen binnen de sector.

1.2

Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de ligging en de gebiedsbeschrijving van de planlocatie beschreven en komen de ambities, kernkwaliteiten en ontwikkelprincipes van het landschap aan bod. Hoofdstuk 3 beschrijft het voorgenomen initiatief. De landschappelijke inpassing wordt behandeld in hoofdstuk 4. Hier wordt ook het beplantingsplan beschreven.

Het plan omvat de bouw van een nieuwe melkveestal aan de overzijde van de straat. Initiatiefnemers zijn voorstanders van weidegang. Omdat de weidepercelen voornamelijk aan de overkant van de weg zijn gelegen is de nieuwe stal vanwege verkeerstechnische en maatschappelijke redenen niet gewenst op de huidige locatie. Vandaar dat de initiatiefnemer een nieuwe ligboxenstal met rijkuilen aan de overzijde van de weg wil realiseren. Ten behoeve van de uitbreiding en realisatie van de nieuwe stal wordt het bestaande bouwvlak verkleind en wordt er aan de overzijde van de weg een nieuw bouwvlak gerealiseerd. Voor aanpassingen aan de bouwvlakken dient een buitenplanse, ruimtelijke procedure doorlopen te worden. Dit landschapsplan dient als onderdeel en voorwaarde van de procedure binnen het bestemmingsplan. Dit landschapsplan dient tevens als onderdeel voor de Maatlat Duurzame Veehouderij. Een Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV)-stal is een veestal met een lagere milieubelasting, met maatregelen voor diergezondheid en dierenwelzijn en draagt daardoor bij aan verduurzaming van de veehouderij.

Landschapsplan van Beekstraat, november 2018

5

Figuur 2.1 Locatie plangebied (bron: GoogleMaps)

Figuur 2.2 Luchtfoto plangebied in wijdere omgeving (bron: Bing)

6

Figuur 2.3 Luchtfoto plangebied (bron: Bing)

2 2.1

Gebiedsbeschrijving Ligging planlocatie De planlocatie ligt in de provincie Noord-Holland in de gemeente Landsmeer in het buitengebied ten oosten van de kern van het dorp Landsmeer. Het is gelegen aan de Van Beekstraat, de hoofdontsluitingsweg in dit gebied. De planlocatie betreft de Van Beekstraat 249, een perceel zuidelijk aan deze weg. Het ligt in een landelijk, zeer open agrarisch gebied. De nabije omgeving kenmerkt zich door grootschalige landbouwpercelen omringd met watergangen en bestaat hoofdzakelijk uit agrarisch in gebruik zijnde percelen. De bebouwing in de directe omgeving is schaars en bestaat enkel uit lintbebouwing. Hierbij gaat het vaak om bedrijfspanden met bijbehorende woningen. Op circa 1,0 kilometer ten westen van het plangebied start de bebouwde kom van Landsmeer. De lintbebouwing wordt richting het dorp steeds dichter. Ter plaatse van het plangebied zijn er grote open ruimtes in het lint aanwezig waardoor er

zicht is over het open agrarische gebied. Ook richting het noorden blijft zover men kan kijken de openheid van het landschap gehandhaafd. Er bevinden zich enkele bosschages in de vorm van erfbeplanting. Op 500 meter afstand van het plangebied ligt hier Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske. In het oosten loopt de lintbebouwing zeer open door met doorzichten naar het omringende landschap. De van Beekstraat eindigt hier bij het Noord-Hollands Kanaal waar de bebouwing weer iets dichter is. Hier bevond zich vroeger een pontveer over het kanaal. Aan de overzijde van het kanaal liggen enkele grotere bedrijfsterreinen. Ten zuiden van het plangebied is er een weids uitzicht over de agrarische percelen. In de verte zijn hoogspanningsmasten te zien. Hier bevindt zich de Ringweg Noord ofwel de A10, waarachter de bebouwing van Amsterdam-Noord start. De ligging van de planlocatie op de topografisch kaart is weergegeven in figuur 2.1. Figuur 2.2 geeft de ligging van het plangebied op de luchtfoto aan in de wijdere omgeving. De directe omgeving van de locatie is te zien op de luchtfoto in figuur 2.3. Figuur 2.4 geeft een overzicht van het bodemgebruik in de omgeving.

Figuur 2.4 Planlocatie (zwarte stip) op kaart bodemgebruik Landschapsplan van Beekstraat, november 2018

7

Figuur 2.6, Wormerland, landschappelijke karakteristiek met plangebied (zwarte stip)

8

Figuur 2.5, Overzicht ensembles en structuren (Provincie Noord-Holland) met ligging plangebied (zwarte stip)

Figuur 2.7, Wormerland, openheid en ruimtebeleving, met plangebied (zwarte stip)

2.2

Gebiedsbeschrijving en ontwikkelingen

De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap. De provincie beoogt met deze leidraad te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. In de leidraad is NoordHolland onderverdeeld in 20 gebieden, de zogenaamde ensembles, en 10 provinciale structuren. Elk ensemble en elke structuur biedt een beschrijving van de ontstaansgeschiedenis, van de dynamiek en van de belangrijkste drie kernwaarden: landschappelijke karakteristiek, openheid en ruimtebeleving, en ruimtelijke dragers. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijk gebied moet rekening worden gehouden met de ambities en ontwikkelprincipes die staan beschreven bij de afzonderlijke ensembles en structuren. In deze paragraaf wordt nader ingegaan op het ensemble Wormerland waarbinnen het plangebied zich bevindt (zie figuur 2.5). 2.2.1 Kernwaarden ensemble Wormerland Het ensemble Wormerland ligt ten noorden van Amsterdam. Het bestaat uit veenpolderlandschap, met waterrijke veenpolders en veenstromen, en verschillende droogmakerijen. De droogmakerijen vormen een contrast met de verruigde waterrijke veenbovenlanden.

Door de ligging nabij Amsterdam in combinatie met de relatieve rust van het landelijk gebied is het nu een aantrekkelijk en gewild woon- en recreatiegebied. Het is onderdeel van het voormalig Nationaal Landschap Laag Holland en ligt in de Bufferzone. De snelwegen A7, A8 en A10, de spoorlijn Zaandam-Hoorn, twee hoogspanningstrajecten en het Noord-Hollands Kanaal lopen langs en door het ensemble. Het veen in ensemble Wormerland is ontstaan als veenkussen achter de strandwallen. De natuurlijke ontwatering vond plaats via veenstromen. Deze natuurlijke afwateringen zijn bepalend geweest bij de ontginning. Loodrecht op de waterlopen werden sloten gegraven, die de basis vormden voor het strookvormig verkavelingspatroon. De veenpolders bestonden uit onvergraven veen dat eerst als akkerland en grasland in gebruik was en later, na 1600, als grasland. Deze eeuwenoude verkaveling is nog vrijwel intact. Door de ontginning startte het proces van veenoxidatie en klink waardoor het maaiveld daalde. De ontginners trokken naar betere (hoger gelegen) locaties. Dit konden oude getijdegeulen zijn maar ook nieuw aangelegde dijken. Doordat iedere boerderij in een eigen perceel stond kregen de meeste agrarische nederzettingen een lineaire vorm.

Landschapsplan van Beekstraat, november 2018

In de 11e eeuw werden de eerste dijken aangelegd om het land te behoeden voor overstromingen. Het veen dat aanvankelijk hoog lag, kwam op het niveau van de zeespiegel te liggen. Afwatering onder vrij verval was niet langer mogelijk en om droge voeten te houden werden er lokaal dijken en polders aangelegd. Landschappelijke karakteristiek. Binnen het ensemble Wormerland ligt het plangebied binnen de landschappelijke karakteristiek, Waterrijk veenpolderlandschap met een fijnmazig patroon van grillige veenwaterlopen (figuur 2.6, nr. 1) Het veenpolderlandschap bestaat uit onvergraven veen met een onregelmatig, vaak historisch verkavelingspatroon. Het resultaat van de veenontginningen is een kleinschalig zeer open landschap, met talloze eilandjes van trilveen en een zeer fijnmazig patroon van grillige veenwaterlopen, waardoor het gebied zeer waterrijk is. Het Ilperveld dat in het noorden grenst aan het plangebied is natuurgebied en wordt beheerd door Landschap Noord-Holland. Het veenpolderlandschap is veelal gebruik als grasland (veenweide). De gebieden zijn in trek bij recreanten om te fietsen, wandelen en varen. De middeleeuwse ontginningsstructuur is nog in het gebied te zien. Daarom hebben het Ilper, Wormer- en Jisperveld niet alleen waarde als belangrijk natuurgebied, maar ook als belangrijk en ongeschonden cultuurhistorisch landschap.

In het veenpolderlandschap is de relatie tussen het water en het lint van groot belang. Openheid en ruimtebeleving Ter plaatse van het plangebied ((zuidelijk van het Ilperveld) zie figuur 2.7, nr. 1) heeft de openheid een grote maat. Door de verkaveling, het ontbreken van opgaande begroeiing in combinatie met de waterlopen is het landschap zeer open en ruimtelijk, als een oneindig landschap. Het Noord-Hollands Kanaal vormt een vrij transparante rand. Het open landschap loopt aan beide zijden van het kanaal door. Ruimtelijke dragers De ruimtelijke dragers van dit ensemble zijn historische kavel- en slootpatronen in combinatie met de zeer lange bebouwingslinten in het veen en het patroon van vrijstaande agrarische bebouwing in de droogmakerijen. Boerderijen liggen veelal naast elkaar op een eigen kavel. Delen van de linten zijn uitgebreid tot kernen. De bebouwingslinten in het veenpolderlandschap lijken door de geleidelijke tweezijdige verdichting oneindig (kenmerkend voor dit gebied). De karakteristieke houten woningen (Zaans groen, blauw en grijs) en de stolpen zijn onderdeel van de ontstaansgeschiedenis van het landschap. Stolpboerderijen staan op de kop van de agrarische erven, veelal langs de kaarsrechte wegen.

9

Figuur 2.10 Ambitie behoud van slotenpatroon, verkavelingsstructuur en doorzichten Figuur 2.8 Wormerland, landschappelijke karakteristiek, verkaveling met plangebied (rode stip)

10

Figuur 2.9 Wormerland, landschappelijke karakteristiek, lange dorpslinten met plangebied (rode stip)

Figuur 2.11 Ambitie behoud zicht op stolpen langs lint

Karakteristiek zijn de grote piramidevormige kappen. De polderlinten laten een grote openheid zien met lange zichtlijnen. Stolpen bepalen het beeld binnen de polderlinten. De beplantingstructuur, bestaande uit loofhout en heesters en vaak ook een boomgaard, staat op en rond de erven (laanbomen) en geeft vanaf de weg vaak een vrij zicht op de voorgevel. De kappen van de stolpen zijn daardoor van verre, vanaf de ringdijken en parallelwegen, goed te zien. 2.2.2 Ambities en ontwikkelprincipes Wormerland De historische ontginningsstructuren zijn nog goed leesbaar in het veenlandschap. Deze zijn de basis geweest voor de ontwikkeling van dit gebied. Een grote mate van openheid is een van de karakteristieken van het veenpolderlandschap. Alleen door de linten in het veen wordt de open ruimte opgedeeld. De relatief grote hoeveelheid water onderscheidt dit veengebied van andere veenpolderlandschappen.

aantrekkelijke plekken (kans).

··Benut landschappelijke overgangen zoals dijken en randen voor recreatieve routes ++

++

++

++

gebied. ··Laat profielen van sloten (of waterlopen), kaden of oevers intact en respecteer het (onregelmatige) karakter van de verschillende waterlopen.

··Behoud het open karakter van de historische veenpolderverkaveling. Voorkom verruiging van het veen en herstel de openheid waar mogelijk.

··Behoud de visuele relatie tussen de landschappen aan beide zijden van het Noord++

++

Hollands Kanaal. Wees terughoudend met het toevoegen van nieuwe bebouwing en beplanting langs het kanaal.

het vergroten van de beleefbaarheid van het landschap.

··Zorg dat de waterstructuur compleet en (grotendeels) bevaarbaar blijft. ··Maak een zorgvuldige afweging tussen de verbetering van de ontsluiting van (deel)

het behouden van het karakter en de transparantie van de linten (figuur 2.9).

··De linten zijn kleinschalig en gevarieerd. Pas nieuwbouw zorgvuldig in in het lint.

bebouwing, waardoor ze niet ten koste gaan van de doorzichten vanuit het lint. Zorg wel dat er voldoende ruimte openblijft tussen de verschillende linten. ··Ontsluit kavels individueel en laat ze direct aansluiten op het lint. Woonbuurten aan of achter het lint passen hier niet bij. ··Houd oog voor de transparantie van de linten bij verdichting. De regelmatige doorzichten over ruime tuinen en sloten en tussen bebouwing spelen daarbij een belangrijke rol.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=9e0870be-488a-4aa4-8fa1-5b395965e6e0