02 Bijlage 1 Bestemmingsplan Van Beekstraat 249
Tekst van het document
het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten) bij (semi-)tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals voor zonne-energie
··Zorg voor een ruime landschappelijke begrenzing van het terrein, die aansluit op het
··Neem de logische ordening, richting en structuur van het landschap als
het behouden van het open karakter van het veenlandschap en het voorkomen van opgaande begroeiing.
(haaks op de weg) met doorzicht. Houd de beschoeiingen zo laag mogelijk. Geef de oevers van de sloten bij voorkeur een groene uitstraling. Beperkt het aantal en de afmetingen van dammen en duikers.
Voorkom repetitie van gelijkvormige bebouwing.
het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ontginningsstructuur. uitgangspunt. Bebouwing concentreert zich in de linten, maar waar mogelijk wordt ook het doorzicht naar het landschap beschermd.
··Behoud het water in het lint, dit geldt zowel voor de wegsloot als de dwarse sloten
··Positioneer nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen bij voorkeur achter bestaande (erf)
De ruimtelijke kwaliteit van Wormerland (donkergroene deel van Wormerland in figuur 2.8) is gebaat bij: ++ het intact houden van veenverkavelingsstructuur, slotenpatronen en oevers (figuur 2.10).
··Respecteer de maat en richting van het historisch kavel- en slotenpatroon in het
(kans).
het behouden van de directe relatie tussen het lint en het water.
++
bestaande omringende landschap; vermijd hoge hekken in het landschap. Streef ernaar dat de opstelling kwaliteit toevoegt aan het bestaande landschap.
het herkenbaar en beleefbaar houden van de stolpenstructuur in het landschap (figuur 2.11).
··Behoud of versterk de relatie tussen de stolpenstructuur en het bijbehorend landschap (onder andere verkavelingsrichting, waterstructuur en erfinrichting en -beplanting). ··Behoud het zicht vanuit het landschap op de stolpenstructuur. ··Behoud, waar nog aanwezig, het zicht vanaf de stolp of het erf naar het landschap. ··Behoud de openheid aan weerszijden van de stolpenstructuren door eventuele ruimtelijke ontwikkelingen naast de stolpenstructuur zodanig in te passen dat de stolpenstructuur als autonoom geheel behouden blijft en de stolpen in de structuur dominant zichtbaar blijven.
gebieden en het intact houden van de historische verkaveling en vaarverbindingen.
··Behoud vanaf de A8 en A7 het zicht op het landschap. Versterk vanaf deze wegen de beleving van de landschappelijke overgangen tussen veenpolder en droogmakerijen (kans). ··Vergroot de beleefbaarheid van het (open) waterlandschap op meer en Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
11
12
Foto 5. Zicht planlocatie richting zuiden
Foto 6. Zicht over planlocatie richting noorden
Foto 7. Zicht planlocatie vanaf van Beekstraat richting oosten met stolpboerderij
Foto 8. Zicht vanaf van Beektraat richting westen
3 3.1
Voorgenomen plan Bestaande situatie Op het melkveebedrijf aan de Van Beekstraat 249 te Landsmeer is een ligboxenstal, jongveestal annex loods en bijbehorende ruwvoeropslagen aanwezig. Ook bevindt zich hier een privé woning. Initiatiefnemers willen gaan uitbreiden naar het perceel aan de overzijde van de Van Beekstraat. Dit perceel betreft een weideperceel, omsloten door sloten. Er bevinden zich geen gebouwen op het terrein. Het terrein is toegankelijk aan de noordzijde via een bruggetje over de brede sloot.
zuidzijden. Achter de stal wordt een kuilplaats aangelegd met twee rijkuilen. De kuilplaats heeft een lengte van 55 meter en een breedte van 28 meter. De rijkuilen hebben een individuele breedte van 12 meter. In figuur 3.1 is de detailtekening weergegeven.
In figuur 3.1 is een situatietekening van de huidige situatie weergegeven met de locatie van de nieuwe stal. Op pagina 12 zijn enkele overzichtsfoto’s van het plangebied weergegeven.
3.2
Omschrijving voorgenomen initiatief
Het nieuwe bouwvlak aan de overkant van de weg krijgt een oppervlakte van 3.996m2. Het is in de lengterichting op het perceel gesitueerd met een afstand van 75 meter vanaf de van Beekstraat. Op de nieuwe locatie worden circa 120 melk- en kalfkoeien gehouden. Naast de plannen voor de melkveestal wordt in de gewenste situatie een kuilplaats gerealiseerd in de lengterichting achter de stal ten behoeve van ruwvoeropslag.
84
Initiatiefnemers zijn voorstanders van weidegang. Omdat de weidepercelen voornamelijk aan de overkant van de weg zijn gelegen is de nieuwe stal vanwege verkeerstechnische en maatschappelijke redenen niet gewenst op de huidige locatie omdat de koeien dan meerdere malen per dag de weg moeten oversteken. Bovendien vinden nu veel verkeersbewegingen over de weg plaats ten behoeve van de ruwvoeropbrengsten en mestafzet. Om deze redenen zijn initiatiefnemers voornemens om een nieuwe ligboxenstal te realiseren op het landbouwperceel aan de overzijde van de weg. Door de stal en de rijkuilen aan de overzijde van de weg te realiseren worden aanzienlijk minder vervoersbewegingen gemaakt over de weg.
3.2.1 Afmetingen De nieuw te bouwen melkveestal is 84 meter lang en 28 meter breed. De nokhoogte van de stal is 9,60 meter. De ingangen bevinden zich aan de noord- en Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
Figuur 3.1 Bouwvlakken voorgenomen situatie
13
V
X
V
X
Figuur 4.2 Kernwaarde erven zijn direct ontsloten aan het lint
Figuur 4.3 Kernwaarde behoud de sloot langs de weg, beperk duikers
Legenda
N 14
schaal 1:500 figuur 4.1 Inpassingsplan
erf, gras
melktank
nieuwe melkveestal
kuilplaats
bouwvlak
fruitbomen
verharding
houtwal
sloot
populieren in houtwal
4 4.1
Landschappelijke inpassing ++
Toepassing kernwaarden van Wormerland
De uitgevoerde analyse uit hoofdstuk 2 levert belangrijke kernwaarden op voor de landschappelijke inpassing. Het gaat daarbij om de volgende ambities en kernkwaliteiten die gehanteerd zijn in de landschappelijke inpassing: ++ het intact houden van veenverkavelingsstructuur, slotenpatronen en oevers (figuur 2.10). ++ het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ontginningsstructuur. Logische ordening, richting en structuur, bebouwing in de linten, met bescherming van het doorzicht naar het landschap. ++ het behouden van het open karakter, terughoudendheid met het toevoegen van nieuwe beplanting. ++ het behouden van de directe relatie tussen het lint en het water (figuur 4.3). ++ het behouden van het karakter en de transparantie van de linten. nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast in het lint met oog voor de transparantie van de linten. De belangrijke rol van regelmatige doorzichten over ruime tuinen en sloten en tussen bebouwing blijft behouden (figuur 4.2). ++ het behouden en het beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten). ++ het herkenbaar en beleefbaar houden van de stolpenstructuur in het landschap.
4.2
Met behoud van het zicht vanuit het landschap op de stolpenstructuur. en behoud van openheid zodat dat de stolpen dominant zichtbaar blijven.
Inpassingsplan
Op pagina 14 is de inrichtingsschets van het landschappelijk inpassingsplan opgenomen. In deze inrichtingsschets zijn de in paragraaf 4.1 genoemde kernkwaliteiten leidend geweest. Dit landschappelijk inrichtingsplan richt zich op het perceel met het nieuwe bouwvlak ten zuiden van de van Beekstraat. In figuur 4.4 is een impressiebeeld van de situering van de nieuwe melkveestal weergegeven. In het inpassingplan wordt niets verandert aan de verkavelingsstructuur of het slotenpatroon. Het onregelmatige kenmerkende historische verkavelingspatroon en het waterrijke open beeld blijven onveranderd. Door de nieuwe stal logisch op de kavel te situeren qua richting, rekening houdend met het bebouwingslint en het slotenpatroon blijft het open karakter met transparantie en doorzicht vanuit het lint zoveel mogelijk gehandhaafd. Door de stal op een afstand van 75 meter van de Van Beekstraat te realiseren blijft aan de voorzijde van het perceel een open ruimte aanwezig. Hierdoor ontstaat een ruim voorerf. Dit voorerf zorgt ervoor dat de stolpboerderij als identiteitsbepalend element op het naastgelegen perceel, goed zichtbaar blijft. Vanwege het grote voorerf blijft de lange zichtlijn behouden
Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
Figuur 4.4 Impressiebeeld situering nieuwe melkveestal
15
16
Figuur 4.5 Detallering nieuwe melkveestal
waardoor de stolpboerderij met zijn kenmerkende kap herkenbaar en beleefbaar is in landschap. Vanwege de grootte van het voorerf is het mogelijk om zowel het zicht op de stolpboerderij te behouden, als om de nieuwe bebouwing groen aan te kleden. Hierbij is gekozen voor hoogstam bomen zodat ook in de toekomst de zichtlijn gewaarborgd blijft. De van oudsher beeldbepalende groene structuur bestaat onder ander uit boomgaarden. Om deze reden worden vier hoogstamfruitbomen op het voorerf geplant. Om de samenhang tussen de oude en nieuwe bebouwing te handhaven wordt de nieuwbouw in een zelfde materialisatie als de oude stal opgetrokken. Hiermee wordt ook de samenhang in het lint bewaard, ondanks het feit dat voor de nieuwe stal geen woning staat. Met de aanplant van groen moet in eerste instantie terughoudend om worden gegaan vanwege het behoud van het open karakter van het landschap. Wel is er in dit inpassingsplan voor gekozen aan de oostzijde van de nieuwe melkveestal een houtsingel/struweel met populieren aan te planten. Dit omdat de stal zo een groene inpassing krijgt in het landschap, daarnaast houdt de singel het licht tegen vanuit de stal. De populieren versterken de samenhang met de omgeving aangezien deze ook ter plaatse van de stallen aan de overzijde van de weg aanwezig zijn (zie figuur 4.7).
Door alleen ter plaatse van de melkveestal groen aan te planten en de houtwal niet verder door te trekken over het perceel blijft de openheid van het landschap behouden.
Figuur 4.6 Impressiebeeld gevels
Er is bewust voor gekozen om op de houtwal met populieren en de fruitbomen na, geen beplanting te realiseren. In het westen blijft hierdoor een 45 meter brede strook (zie figuur 3.1) open. Door de beplanting dichtbij de bebouwing te realiseren blijft de openheid en het doorzicht over het landschap behouden. Hiermee wordt de stal ingepast met het oog op transparantie van het lint.
4.3
Materiaal- en kleurgebruik
Figuur 4.7 Bestaande stallen overzijde weg
De nieuwe ligboxenstal heeft een verzinkte staalconstructie met een zwart sandwichpanelen dak. In het dak bevindt zich over de hele lengte een transparante lichtnok die aan de voorzijde doorloopt in de gevel, wat een fraaiere uitstraling geeft richting de omgeving. De gevels bestaan uit gevelpanelen met een motief van metselwerk van rode baksteen. Op een hoogte van ca. 3,3 meter gaat aan de voor- en achtergevel het prefab metselwerk over in (boerderijgroene) donkergroene damwandprofielen. In de zijgevels bevindt zich een transparant ventilatiesysteem.
Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
17
Malus domestica
Salix alba
18
Pyrus communis
Alnus glutinosa
Figuur 4.8 Ipressiebeeld ruwvoeropslag met ruigtekruiden
Rhamnus frangula
Amelanchier lamarckii
Viburnum opulus
Het materiaal en de kleuren die worden toegepast, zijn kenmerkend voor de Nederlandse (melk)veehouderijen en worden ook in de omgeving van de planlocatie toegepast. De bestaande melkveestal aan de overzijde van de weg is gebouwd met dezelfde materialen als worden toegepast bij de nieuwe melkveestal. De nieuwe stal krijgt in de toekomstige situatie dus een soortgelijk voorkomen (figuur 4.4).
4.4
In het zuiden zal de initiatiefnemer de ruwvoeropslagen zo situeren dat de deze in de lengte voor de zuidgevel komen te liggen. De ruwvoeropslagen blijven voor langere tijd liggen waardoor zich ruigtekruiden kunnen vestigen op de met zand bedekte ‘heuvels’ (zie figuur 4.8). Deze ruigtekruiden geven de ruwvoeropslagen een natuurlijkere uitstraling waardoor deze een groener beeld geven aan de omgeving.
Beplanting In de huidige situatie is geen beplanting aanwezig op het perceel. Dit bestaat geheel uit gras. Omdat openheid, doorzicht, gras en water hier het landschap kenmerken is ervoor gekozen om het plangebied zo open mogelijk te houden door minimale toepassing van beplanting. Het erf heeft een groene uitstraling omdat het uit gras bestaat. Aan de noord en oostzijde worden op korte afstand van de nieuwe melkveestal enkele bomen en een houtwal aangeplant om de stal te integreren in het groene landschap.
Hoogstam fruitbomen
Aan de oostzijde van de stal wordt bosplantsoen aangeplant in de vorm van een houtwal. De houtwal heeft een minimale breedte van 5 meter, is 84 meter lang en bestaat uit 3 rijen planten met een onderlinge afstand van 1,5 meter. Bij voorkeur groepsgewijs in groepen van 7 stuks van de zelfde soort (zie figuur 4.10). In tabel 1 zijn de aantallen en soorten weergegeven. Daarnaast worden in de houtwal 6 populieren aangeplant met een onderinge afstand van 7 meter. Aan de noordzijde van de stal worden op het voorerf vier hoogstam fruitbomen aangeplant. In tabel 1 zijn de aantallen en soorten weergegeven. Bij het kiezen van de cultivars dient voor vruchtdraging rekening gehouden te worden met bestuiving. Eventueel kan gekozen worden voor zelfbestuivende soorten. De hoogstamfruitbomen hebben een onderlinge afstand van minimaal 8 meter.
Houtwal met populieren
84m
5m
Kuilplaats met ruigtekruiden
Planten houtwal en hoogstamfruitbomen
Wetenschappelijke naam Nederlandse naam
type
minimale maat
aantal
Alnus glutinosa
Zwarte els
bosplantsoen
80-100
28
Salix alba
Schietwilg
bosplantsoen
80-100
28
Amelanchier lamarckii
Krent
bosplantsoen
80-100
28
Viburnum opulus
Gelderse roos
bosplantsoen
80-100
28
Rhamnus frangula
Vuilboom
bosplantsoen
80-100
28
Malus domestica
Appel Peer Zwarte populier
boom hoogstam
10-12
2
boom hoogstam
10-12
2
boom hoogstam
12-14
6
Pyrus communis Populus nigra
Tabel 1. Beplanting Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
Figuur 4.9 Aan te planten houtwal en hoogstamfruitbomen
Figuur 4.10 Plantwijze bosplantsoen
19
20
Rugstreeppad
5
Natuurwaarden In dit hoofdstuk wordt de uitgevoerde toets flora en fauna beschreven. Doel van de toets flora en fauna is te bepalen of de wijzigingen binnen het plangebied mogelijk leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Gebiedsbescherming (Natura 2000 en NNN) is in deze toets buiten beschouwing gelaten. Deze onderdelen zijn elders in de planologische procedure behandeld. Het in deze rapportage beschreven onderzoek heeft tot doel het vaststellen van de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten die zijn opgenomen in de soortlijsten van beschermde flora en fauna in het kader van de Wet natuurbescherming. Op basis van dit onderzoek kan worden vastgesteld welke maatregelen getroffen en vervolgstappen genomen dienen te worden om te voorkomen dat in strijd met de Wet natuurbescherming wordt gehandeld. De locatie van de nieuwe stal bestaat in de huidige situatie uit weiland.
In het weiland ligt een halfverharde weg die de toegangsweg gaat vormen naar de nieuwe stal.
5.1 Methode
In het kader van deze toets flora en fauna heeft een bronnenonderzoek plaatsgevonden. Aan de hand van bekende verspreidingsgegevens uit onder andere verspreidingsatlassen is bepaald welke beschermde soorten in de omgeving van het plangebied voorkomen. Daarnaast heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige biotopen opgenomen. De aanwezigheid van deze biotopen vormt de basis voor de mogelijkheid tot het voorkomen van beschermde soorten. Naast de biotopen zijn directe en indirecte aanwijzingen opgenomen die duiden op het voorkomen van beschermde soorten. De aanwezige biotopen zijn vergeleken met de habitateisen van beschermde plant- en diersoorten. Op basis van expert judgement is beoordeeld welke van deze soorten in het plangebied kunnen voorkomen. Het veldbezoek dat voor dit onderzoek is uitgevoerd, heeft plaatsgevonden op 6 april 2018 in de ochtend onder de volgende weersomstandigheden: helder, zonnig, matige wind (3 bft) en circa 15 ˚C.
Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
5.2 Beschermde soorten 5.2.1 Flora Uit het veldbezoek blijkt dat op de locatie van de nieuwe stal een weiland aanwezig is. Dit weiland is in regulier agrarisch gebruik. Op de locatie van de nieuwe stal ontbreken geschikte biotopen voor beschermde plantensoorten. Het is zodoende uit te sluiten dat beschermde plantensoorten voorkomen op de locatie van de nieuwe stal. 5.2.2 Vissen Uit het bronnenonderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied het voorkomen bekend is van de beschermde vissoort grote modderkruiper (§3.3 Wnb). De sloten in de omgeving van het plangebied vormen geschikt habitat voor de grote modderkruiper. De voorgenomen plannen hebben geen betrekking op de sloten. Zodoende is het uit te sluiten dat negatieve effecten optreden op de mogelijk aanwezige beschermde vissoort grote modderkruiper. 5.2.3 Amfibieën Gegevens van RAVON en het boek ‘De amfibieën en reptielen van Nederland’ (Creemers et al. 2009) laten zien dat in de omgeving van het plangebied de beschermde amfibieënsoorten; kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker, meerkikker, bastaardkikker (alle §3.3 Wnb) en rugstreeppad (§3.2 Wnb) voorkomen. De sloten in de omgeving van het plangebied vormen geschikt voortplantingshabitat voor de algemene soorten amfibieën van §3.3 Wnb. Deze soorten kunnen landhabitat vinden in het plangebied.
De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat landhabitat van algemene soorten amfibieën van §3.3 Wnb afneemt. Voor deze soorten amfibieën van §3.3 Wnb geldt in provincie Noord - Holland een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeven zodoende voor deze soorten geen mitigerende maatregelen te worden getroffen. De rugstreeppad is een soort van dynamische milieus met een voorkeur voor duinen en ruderale terreinen. Het habitat laat zich karakteriseren als onbeschaduwde, laag begroeide tot volledig onbegroeide vaak min of meer geaccidenteerde
21
22
Kievit
terreinen. Het voortplantingswater bestaat uit ondiepe (tijdelijke) wateren. Veel van de voortplantingswateren zijn tijdelijk en drogen in de loop van het seizoen op. Rugstreeppadden kunnen een terrein dat door menselijke activiteiten is opengelegd snel koloniseren. De locatie van de nieuwe stal vormt in de huidige situatie geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. Door het gebruik als weiland en het ontbreken van geschikt voortplantingswater is het redelijkerwijs uit te sluiten dat de rugstreeppad hier voorkomt. Tip: Om te voorkomen dat rugstreeppadden de bouwlocatie koloniseren dient te worden voorkomen dat er zandhopen liggen of dienen deze met plastic te worden afgedekt. Daarnaast moet zoveel mogelijk worden voorkomen dat er plassen (bijvoorbeeld water in rijsporen) aanwezig zijn. 5.2.4 Vogels Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemeen voorkomende vogelsoorten. Deze soorten kunnen broedgelegenheid vinden in de bomen en struiken die in de omgeving aanwezig zijn. In het plangebied zijn geen bomen en struiken aanwezig. De locatie van de nieuwe stal biedt geen geschikte broedlocatie voor weidevogels. De locatie ligt daarvoor te dicht bij de opgaande begroeiing in de tuinen in de omgeving en er is teveel verstoring door de weg die door het weiland loopt. Door de bouw van de nieuwe stal gaat een klein deel foerageergebied van vogels verloren.
In de directe omgeving blijft echter ruim voldoende foerageergebied behouden, zodat geen negatief effect optreedt. 5.2.5 Zoogdieren Uit de Atlas van de Nederlandse vleermuizen (1997) en Korsten en Regelink (2010) blijkt dat de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, tweekleurige vleermuis, gewone grootoorvleermuis, watervleermuis, meervleermuis, franjestaart en baardvleermuis (alle §3.2 Wnb) voorkomen in de wijdere omgeving van het plangebied. Uit het veldbezoek blijkt dat de locatie van de nieuwe stal geschikt is als foerageergebied van vleermuizen. De voorgenomen ontwikkeling zal geen negatief effect hebben ten aanzien van foerageergebied van vleermuizen. Dit blijft in het plangebied en de directe omgeving in voldoende mate aanwezig. Op de locatie van de nieuwe stal zijn door het ontbreken van bomen en bebouwing geen mogelijkheden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. In het plangebied zijn geen doorgaande lijnvormige groenstructuren aanwezig die een vliegroute voor vleermuizen kunnen vormen. Landschapsplan van Beekstraat, november 2018
Het plangebied, de locatie van de nieuwe stal, kan functioneren als (onderdeel van het) leefgebied van algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb, zoals haas, konijn, vos, egel en algemene muizensoorten. De voorgenomen ontwikkeling heeft tot gevolg dat het leefgebied van deze soorten kleiner wordt. Voor deze soorten zoogdieren van §3.3 Wnb geldt in provincie Noord - Holland een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeven zodoende voor deze soorten geen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Uit het veldbezoek blijkt dat gezien de kenmerken en het gebruik van het plangebied de aanwezigheid van meer kritische, zeldzamere soorten grondgebonden zoogdieren is uit te sluiten. 5.2.6 Overige soortgroepen Bevindingen van het veldbezoek tonen aan dat in het plangebied geschikte biotopen ontbreken voor beschermde soorten reptielen, dagvlinders, weekdieren en kevers. Het voorkomen van beschermde soorten uit deze soortgroepen kan daarom worden uitgesloten.
5.3 Conclusie
In het plangebied, de locatie van de nieuwe stal, komen mogelijk soorten voor die een beschermde status hebben volgens de Wet natuurbescherming. Het plangebied wordt mogelijk gebruikt als landhabitat door algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb. De voorgenomen plannen hebben tot gevolg dat het leefgebied van deze soorten kleiner wordt. Voor deze algemeen voorkomende soorten amfibieën en grondgebonden zoogdieren van §3.3 Wnb geldt in provincie Noord - Holland een algehele vrijstelling van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeven zodoende voor deze soorten geen mitigerende maatregelen te worden getroffen. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor algemene vogelsoorten. Door de bouw van de nieuwe stal gaat een deel van het foerageergebied van vogels verloren. In de directe omgeving blijft echter ruim voldoende foerageergebied behouden, zodat geen negatief effect optreedt. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. De bouw van de nieuwe stal heeft geen negatief effect ten aanzien van het foerageergebied van vleermuizen. Dit blijft in het plangebied en de directe omgeving in voldoende mate aanwezig. In het plangebied ontbreken mogelijkheden voor verblijfplaatsen en vliegroutes van vleermuizen.
23
24
Geraadpleegde bronnen Internet ++ http://pdokviewer.pdok.nl ++ www.synbiosys.alterra.nl ++ www.google.nl/maps ++ www.bing.com/maps ++ https://maps.noord-holland.nl/kaarten ++ https://leidraadlc.noord-holland.nl ++ www.esri.nl ++ www.vlindernet.nl ++ www.waarneming.nl ++ www.telmee.nl ++ www.zoogdiervereniging.nl ++ www.libellennet.nl ++ www.eis-nederland.nl ++ www.ravon.nl ++ www.verspreidingsatlas.nl
Literatuur ++ Bleeker Bouw Advies, 160012 Nieuwbouw ligboxenstal Nieuwe Situatie, 25 april 2018 ++ Bleeker Bouw Advies, 160012 Nieuwbouw ligboxenstal Situatieschets, 11 april 2018 ++ Bleeker Bouw Advies, 160012 Nieuwbouw ligboxenstal Plattegrond, 11 april 2018 ++ Bleeker Bouw Advies, 160012 Nieuwbouw ligboxenstal Doorsnede en gevels , 11 april 2018 ++ Provincie Noord-Holland, Prachtlandschap Noord-Holland, Leidraad Landschap & Cultuurhistorie, Ensemble: Wormerland-Oostzaan, 2017 ++ Provincie Noord-Holland, Prachtlandschap Noord-Holland, Leidraad Landschap & Cultuurhistorie, Provinciale structuur: Stolpenstructuren 2018 ++ Bos F., M. Bosveld, D. Groenendijk, C. van Swaay, I. Wynhoff, De Vlinderstichting, 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea). Nederlandse Fauna 7. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. ++ Creemers R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie). 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland, Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey Nederland, Leiden.+ ++ Diepenbeek, A van, 1999. Veldgids Diersporen, Stichting Uitgeverij KNNV, Utrecht ++ Korsten, E. en Regelink J.R. Herkennen van potentiële vleermuiswaarden: in het kader van quickscans en andere ecologisch vooronderzoek.
Zoogdiervereniging- rapport 2010.44. Zoogdiervereniging, Nijmegen. ++ Limpens, H., K. Mostert, W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen, onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. ++ Ministerie van Economische Zaken. Brochure: Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen, lees hier wat de Wet natuurbescherming daarover regelt. Versie 1.3 december 2016. ++ Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden
Bijlage 1 Wettelijk kader
Bijlagen
Categorie 1 (§ 3.1 Wn)
Categorie 2 (§ 3.2 Wn)
Categorie 3 (§ 3.3 Wn)
Art 3.1 lid 1 Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.5 lid 1 Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.10 lid 1a Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen
Art 3.1 lid 2 Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen
Art 3.5 lid 4 Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen
Art 3.10 lid 1b Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen
Art 3.1 lid 3 Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben
Art. 3.5 lid 3 Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen
-
Art 3.1 lid 4 en lid 5 Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort
Art 3.5 lid 2 Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren
-
-
Art 3.5 lid 5 Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Art 3.10 lid 1c Het is verboden plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen
Tabel 1. Verbodsbepalingen per categorie beschermde soorten
In Nederland is de bescherming van natuurwaarden sinds 1 januari 2017 geregeld in de Wet natuurbescherming. Deze wet regelt de bescherming van soorten, gebieden en houtopstanden en vervangt daarmee de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en Boswet. Daarnaast geldt per provincie beleid voor de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd). Deze toets flora en fauna is gericht op soortbescherming. Gebiedsbescherming is in deze toets buiten beschouwing gelaten. Het onderdeel gebiedsbescherming is elders in de planologische procedure behandeld.
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: ++ Er mag alleen van de verbodsbepalingen worden afgeweken als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is; ++ Er moet sprake zijn van een in de wet genoemd belang. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn, zoals ruimtelijke ontwikkeling, volksgezondheid of openbare veiligheid; ++ Er mag geen afbreuk worden gedaan aan de staat van instandhouding van de soort.
Soortbescherming Op het gebied van soortbescherming is het uitgangspunt van de Wet natuurbescherming dat geen schade mag worden gedaan aan beschermde dieren of planten, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan; het ‘nee, tenzij-principe’. De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. De Wet natuurbescherming kent de volgende drie categorieën beschermde soorten: 1. Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Europese Vogelrichtlijn, §3.1 wn; 2. Soorten, niet vogels zijnde, van de Europese Habitatrichtlijn bijlage IV onderdeel a, het Verdrag van Bern bijlage II en het Verdrag van Bonn bijlage I, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt, §3.2 wn; 3. ‘Andere soorten’, waaronder soorten die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven, §3.3 wn. De drie beschermingsregimes kennen elk hun eigen verbodsbepalingen.
De verbodsbepalingen voor vogels en overige Europese soorten (categorie 1 en 2) zijn letterlijk overgenomen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere, ‘nationaal’ beschermde soorten (categorie 3) gelden verbodsbepalingen die geïnspireerd zijn op de Habitatrichtlijn, maar in sommige opzichten minder streng zijn. In tabel 1 zijn de verbodsbepalingen per regime weergegeven.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen is bovendien vrijstelling mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Zorgplicht Voor alle in het wild levende planten en dieren, ook niet beschermde soorten, kent de Wet natuurbescherming een zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Dit betekent dat voorafgaand aan handelingen inzichtelijk moet zijn welke natuurwaarden aanwezig zijn, de kwetsbaarheid hiervan en de mogelijke gevolgen die de handeling hiervoor kan hebben. Bij de uitvoering van de handelingen dienen negatieve gevolgen zoveel mogelijk te worden voorkomen, dan wel beperkt of ongedaan te worden gemaakt. De zorgplicht is altijd van toepassing, ongeacht vrijstelling of ontheffing.
Rapportnummer P18-0095 Opdrachtgever Melkveehouderij Kraaij Van Beekstraat 249 Landsmeer Datum november 2018 Uitgevoerd door: Staro Natuur en Buitengebied Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel. 0492-450161 @StaroTweet www.starobv.nl Auteur Ing. K.R. Moonen Opleiding: Tuin- & Landschapsmanagement, Hogeschool HAS Den Bosch Ir. E.J.F. Claassen Opleiding:
Tuin- & Landschapsinrichting, Larenstein + Biologie, Wageningen Universiteit
Lodderdijk 38a 5421 XB Gemert tel (0492) 450 161 @StaroTweet info@starobv.nl www.starobv.nl
BIJLAGE 2. WATERTOETS
Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”
53
1.1
Waterhuishouding
Per 1 november 2003 is het verplicht om bij ruimtelijke ingrepen de watertoets toe te passen. Deze verplichting is wettelijk geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In deze watertoets moet inzicht worden geboden in de effecten van het initiatief op de waterhuishouding. Waterrelevant beleid In 2000 hebben de EU-lidstaten de Kaderrichtlijn Water (KRW) vastgesteld. De belangrijkste doelen van de KRW zijn de algemene bescherming en verbetering van de kwaliteit van grond- en oppervlaktewateren, van de grondwaterkwantiteit, de specifieke bescherming en verbetering van beschermde gebieden, met als drijfveer het duurzaam gebruik van water. Om deze doelen te bereiken is een systematiek opgesteld die alle Europese lidstaten in de nationale wetgeving moeten implementeren en uitvoeren. Het maatregelenprogramma bestaat in Nederland uit de optelsom van alle maatregelen voor de uitvoering van de KRW die zijn opgenomen in de waterplannen op grond van de Waterwet: het Nationale Waterplan, het Beheer- en Ontwikkelplan voor de Rijkswateren, de regionale waterplannen en de beheerplannen voor de regionale wateren. Het Rijk voert de regie op hoofdlijnen en is verantwoordelijk voor het vastleggen van doelen en maatregelen voor de rijkswateren. Het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 is vastgesteld op 10 december 2015.
Dit nieuwe NWP geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2012 is op 17 december 2015 in werking getreden. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (Bprw) beschrijft het beheer van de rijkswateren voor de periode 2016-2021 en is opgesteld door Rijkswaterstaat. Het plan vertaalt het Nationaal Waterplan 2016-2021 en de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar beheer en onderhoud van de rijkswateren. Het Bprw en het Nationaal Waterplan zijn tegelijk opgesteld. Zo zijn beleid en uitvoering in samenhang voorbereid en op elkaar afgestemd. Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema’s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer.
Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) van 2009 is in artikel 4.2 vastgesteld dat een vergunning nodig is bij een toename van meer dan 800 m 2 verharding. In de beleidsregel ‘Compensatie verhardingstoename’ is vastgesteld dat bij een toename van meer dan 2.000 m2 een maatwerkberekening wordt gemaakt door het waterschap om te bepalen hoe groot de compensatie van de toename van verhard oppervlak moet zijn.
Beschrijving huidige situatie In de bestaande waterhuishoudkundige situatie wordt het bedrijfsafvalwater van huishoudelijke aard geloosd op het gemeentelijk riool. Voor het overige wordt uit de inrichting enkel niet-verontreinigd hemelwater geloosd. Dit hemelwater is afkomstig van regenwater dat op de daken en erfverharding valt. Het hemelwater wordt door middel van afschot van daken en erfverharding geloosd op omliggende perceelssloten. De te realiseren melkveestal ligt niet direct grenzend aan een waterloop. Op grotere afstand is ten noorden en oosten van de melkveestal een secundaire waterloop gelegen. Ten westen van de melkveestal is een tertiaire waterloop gelegen. In onderstaande figuur is een uitsnede van de legger wateren weergegeven.
Huidige locatie
Te realiseren melkveestal Figuur 1: Uitsnede Legger Wateren, waterschap HHNK Het hemelwater ter plaatse van het nieuwe bouwvlak waar de melkveestal en de ruwvoervoorzieningen worden gerealiseerd infiltreert momenteel nog vrij in de bodem omdat het terrein op dit moment onverhard is. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en is niet gelegen in een hydrologische beschermingszone voor natte natuur. Beschrijving gewenste situatie Het initiatief betreft de realisatie van een agrarisch bouwvlak van een grondgebonden veehouderij ten behoeve van de realisatie van een melkveestal en ruwvoeropslagen. In totaal zal het oppervlak van de agrarische bouwvlakken, en daarmee de mogelijkheid tot de aanleg van verharding, worden vergroot met 2.846 m2. Hierop zal een toename van 2.037 m2 dakoppervlak worden gerealiseerd. De toename van verhard oppervlak heeft gevolgen voor de waterhuishouding en daarmee is het plan waterhuishoudkundig relevant. Aanleg van nieuw verhard oppervlak leidt tot versnelde afvoer van hemelwater naar watergangen. Indien de toename van het verhard oppervlak meer dan 800 m2 bedraagt dan is het plan op grond van het waterschapsbeleid vergunningplichtig. De toename van verhard oppervlak bedraagt 2.846 m2.
In de beleidsregel ‘Compensatie verhardingstoename’ is vastgesteld dat bij een toename van meer dan 2.000 m2 een maatwerkberekening wordt gemaakt door het waterschap om te bepalen hoe groot de compensatie van de toename van verhard oppervlak moet
zijn. Hiervoor wordt in een later stadium een watervergunning aangevraagd bij Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK). Er wordt enkel schoon hemelwater afgevoerd op het omliggende oppervlaktewater. Verontreiniging van hemelwater afkomstig van daken dient primair te worden voorkomen door toepassing van nietuitlogende materialen (zoals bijvoorbeeld lood, koper en zink). Het bedrijf dient te voldoen aan het Activiteitenbesluit en daarmee is het vervuilingsrisico voor grond- en oppervlaktewater voldoende verzekerd. Vervuiling van grondwater is derhalve niet aan de orde.
datum 21-11-2018 dossiercode 20181121-12-19276 Gegevens aanvrager: M.H.J. van den Anker HDD advies Voorstraat 8 4033 AD Lienden 0850239059 marina@hddadvies.nl Gegevens project: Kraaij, Landsmeer Van Beekstraat 249 1121NM Landsmeer Gegevens plangebied: Heeft u een beperkingsgebied geraakt? nee Welke gemeente omvat het grootste deel van het door u getekende plangebied? Landsmeer Basisvragen: Gaat het om een ruimtelijk plan dat uitsluitend een functiewijziging van bestaande bebouwing inhoudt? nee Vervolgvragen: Neemt in het plan het verharde oppervlak van verharding en bestrating toe met meer dan 2000 m2? ja Maakt het plan deel uit van een groter plan dat in ontwikkeling is of wordt genomen? nee Heeft het plan een tijdelijke of permanente verandering van het oppervlaktewaterpeil tot gevolg? nee Is er in of rondom het plangebied sprake van (grond)wateroverlast? (Vraag andere partijen (particulieren) als u het antwoord niet weet) nee Betreft het plan een algehele herziening van een bestemmingsplan, een structuurvisie, masterplan, herstructureringsplan, tracébesluit, landinrichtingsplan of grootschalige wegreconstructie? nee Aanvullende vragen (normale procedure) Neemt door het plan de hoeveelheid verharding toe met een hoeveelheid tussen de 800 en 2000 m2? nee
Hieronder kunt u in m2 aangeven met welke hoeveelheid de verharding toeneemt. Indien er geen toename is, vult u 0 in. 2037 m2 Hoe wordt in het plan het afvalwater en het hemelwater behandeld? Via een gescheiden stelsel: hemelwater wordt geïnfiltreerdVia een gescheiden stelsel: hemelwater wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater Vinden er activiteiten plaats op het verharde oppervlak waardoor verontreinigingen kunnen afspoelen en het oppervlaktewater mogelijk belast wordt? nee Is er in of grenzend aan het plangebied oppervlaktewater aanwezig? ja Worden er in het plan wijzigingen in het oppervlaktewatersysteem aangebracht of vinden er werkzaamheden plaats binnen 5 meter van een waterloop? nee Is er sprake van een tijdelijke of permanente grondwateronttrekking en/of -lozing? nee
Afbeelding plangebied en eventueel geraakte kaartlagen www.dewatertoets.nl
datum 21-11-2018 dossiercode 20181121-12-19276 Project: Kraaij, Landsmeer Gemeente: Landsmeer Aanvrager: M.H.J. van den Anker Organisatie: HDD advies
Geachte heer/mevrouw M.H.J. van den Anker, Voor het plan Kraaij, Landsmeer heeft u advies aangevraagd in het kader van de watertoets op www.dewatertoets.nl. Met de gegevens die u heeft opgegeven is bepaald dat bepaalde aspecten van het plan een zodanige invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap dat de normale procedure moet worden gevolgd. Dit betekent dat wij in overleg met u willen bespreken hoe in uw plan rekening kan worden gehouden deze waterhuishoudkundige belangen. Om het watertoetsproces zo vlot mogelijk te laten verlopen, sturen wij u als bijlage een automatisch gegenereerd concept wateradvies. Dit conceptadvies is in twee delen opgesplitst. In het eerste deel van het conceptadvies geven wij aan over welke onderwerpen nader overleg met het hoogheemraadschap noodzakelijk is. Het tweede deel van het conceptadvies bevat de onderwerpen die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit tweede deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en advies te geven over de nog openstaande waterbelangen.
Als u eerder een afspraak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via ons algemene nummer 072 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt. Naast het bijgevoegde conceptadvies kunt u op onze website meer informatie vinden over de watertoets in het algemeen: https://www.hhnk.nl/portaal/schoon-en-gezond-water_3556/item/watertoets_3017.html. LET OP: Het (concept)wateradvies is geen aanvraag voor een Watervergunning. Onze conclusie en wateradvies mogen alleen gebruikt worden tijdens de (ruimtelijke) planvormingfase. U dient zelf na te gaan welke vergunningen nodig zijn om het plan te realiseren. Bij het hoogheemraadschap dient u wellicht een Watervergunning aan te vragen of een melding te doen. Meer informatie over de Watervergunning vindt u op https://www.hhnk.nl/portaal/vergunningen-en-ontheffingen_3529/. Met vriendelijke groet, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG HEERHUGOWAARD T 072 582 8282 F 072 582 7010 E info@hhnk.nl W www.hhnk.nl
CONCEPT Wateradvies Via de Digitale Watertoets (www.dewatertoets.nl) heeft u Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier gevraagd een reactie te geven op het plan Kraaij, Landsmeer. Uit de ingediende gegevens is gebleken dat er voor één of meerdere wateraspecten nader overleg noodzakelijk is met het hoogheemraadschap. Deze aspecten benoemen wij in het eerste deel van dit concept wateradvies. In het tweede deel komen de onderwerpen aan bod die slechts een beperkte invloed hebben op de belangen van het hoogheemraadschap en die hierdoor ondervangen kunnen worden met standaard maatregelen. Dit deel van het advies kunt u gebruiken om alvast een eerste aanzet te geven tot de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. DEEL I Hieronder vindt u de aspecten waarover nader contact met het hoogheemraadschap noodzakelijk is:
U heeft aangegeven dat de verhardingstoename ten gevolge van uw plan meer dan 2000 m2 bedraagt. Een dusdanige toename van het verharde oppervlak heeft negatieve gevolgen voor het watersysteem. Het hemelwater stroomt versneld af en komt direct tot afvoer. Compensatie in de vorm van waterberging of infiltratie is noodzakelijk om deze negatieve effecten op te heffen. Bij een verhardingstoename van meer dan 2000 m2 berekent het hoogheemraadschap aan de hand van diverse plangebiedkenmerken een specifiek compensatiepercentage. Wij nemen binnen drie weken contact met u op om nadere afspraken te maken en te komen tot advies over bovenstaande waterbelangen. DEEL II Dit tweede deel van het advies kunt u direct gebruiken om een aanzet te maken voor de waterparagraaf in de ruimtelijke onderbouwing. De watertoets is een procesinstrument dat is verankerd in de Wet Ruimtelijke Ordening (WRO), het Besluit Ruimtelijke Ordening (BRO) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) 2011. De bedoeling van het instrument is om wateraspecten van meet af aan mee te nemen bij ruimtelijke plannen en besluiten. Het gaat hierbij om zes thema's: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkeringen, wegen, afvalwaterketen en beheer & onderhoud van nieuw en bestaand oppervlaktewater.
Beleid Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2016-2021) opgesteld. In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het hoogheemraadschap opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema s waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen. Daarnaast beschikt het Hoogheemraadschap over een verordening: de Keur 2016. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels die u op onze website kunt vinden ( https://www.hhnk.nl/portaal/keur_41208/).
Waterkwaliteit en riolering In het plan wordt een gescheiden riolering aangelegd, waarbij het hemelwater wordt afgekoppeld van de riolering. Dit komt overeen met de basisdoelstelling van het hoogheemraadschap om het hemelwater van nieuwe oppervlakken zoveel mogelijk te scheiden van het afvalwater. Voorwaarde is wel dat het hemelwater als schoon kan worden beschouwd. Bij voorkeur wordt afstromend hemelwater van verharde oppervlakken eerst voorgezuiverd door een berm, wadi of bodempassage. U heeft aangegeven dat er binnen het plan geen sprake is van activiteiten die als gevolg kunnen hebben dat vervuild hemelwater naar het oppervlaktewater afstroomt. Het hemelwater kan dus als schoon worden beschouwd. Het is daarom niet doelmatig om het af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinrichting (rwzi). Dit betekent dat we voor de nieuwe ontwikkeling adviseren om een gescheiden stelsel aan te leggen. Wij adviseren om met het oog op de waterkwaliteit het gebruik van uitloogbare materialen zoals koper, lood en zink zoveel mogelijk te voorkomen. Persleiding Uw plangebied bevindt zich binnen de signaleringszone van een rioolpersleiding van het hoogheemraadschap. Dit houdt in dat beperkingen kunnen gelden ten aanzien van eventuele (bouw)werkzaamheden.
Het is binnen deze zone niet zonder overleg toegestaan om objecten te plaatsen of werkzaamheden uit te voeren die een risico vormen voor het functioneren van de rioolpersleiding, zoals: - het planten van bomen en/of diepwortelende beplanting - het uitvoeren van zware transporten; - het opstellen van materieel op het tracé van de leiding; - de opslag van (zwaar) materiaal; - het werken aan- en/of realiseren van werken boven het tracé van de leiding; - het graven of heien nabij de leiding. Indien er wel sprake is van dergelijke werkzaamheden, of wanneer er andere activiteiten worden uitgevoerd die op enige wijze schade zouden kunnen toebrengen aan de rioolpersleiding, dient u vroegtijdig contact op te nemen met het hoogheemraadschap. Tot Slot De initiatiefnemer van het plan is zelf verantwoordelijk voor de regeling, financiering en de realisatie van alle maatregelen die voortvloeien uit het plan. Mocht de inhoud van het plan wijzigen, dan verzoeken wij u vriendelijk ons een geactualiseerde versie toe te sturen. Ook ontvangen wij graag een exemplaar van het definitieve en goedgekeurde plan.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn, dan kunt u contact opnemen via 072 - 582 8282 en vragen naar de contactpersoon voor uw gemeente. www.dewatertoets.nl
Van: Diepen, John van (WS) J.vanDiepen@hhnk.nl Onderwerp: RE: Watertoets van Beekstraat 249 te Landsmeer -> compensatie percentage Datum: 1 februari 2019 14:08 Aan: Marina van den Anker | HDD Advies marina@hddadvies.nl
Geachte mevrouw van de Anker, Marina, Excuses voor de vertraagde reactie maar wat betreft het compensatiepercentage voor versneld afstromende verharding kunt u in het veenweidengebied van dit peilgebied een compensatiepercentage aanhouden van 15%. Ik zal mij volgende week verder verdiepen in de ontwikkeling. De meegeleverde tekening van het ontwerp is nog steeds actueel, of is er inmiddels een nieuwe tekening. Dan ontvang ik die graag. Alvast bedankt. Met vriendelijke groeten, John van Diepen Regio adviseur Laag Holland Afdeling Watersystemen Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier Postbus 250 1700 AG Heerhugowaard Bezoekadres: Stationsplein 136, Heerhugowaard T: 072-5827229 / 06-12165443 E: j.vandiepen@hhnk.nl
Deze e-mail geldt alleen als formeel besluit als dat specifiek benoemd is in de mail of in de bijlage daarbij. Heeft u een formeel besluit nodig of twijfelt u over de rechtsgeldigheid van deze mail, neem dan telefonisch contact met ons op of kijk op onze website.
Van: Marina van den Anker | HDD Advies <marina@hddadvies.nl> Verzonden: dinsdag 8 januari 2019 16:33 Aan: Diepen, John van (WS) <J.vanDiepen@hhnk.nl> Onderwerp: Watertoets van Beekstraat 249 te Landsmeer
Beste meneer van Diepen, Ik heb op 21 november een watertoets uitgevoerd voor de locaRe Van Beekstraat 249 te Landsmeer. Deze is bij u bekend onder dossiercode 20181121-12-19276. Uit het toetsresultaat blijkt dat het hoogheemraadschap aan de hand van diverse plangebiedkenmerken een specifiek compensaRepercentage berekent. Kunt u contact met mij opnemen om dit te bespreken?
Bij voorbaat dank voor uw reacRe. Met vriendelijke groet, HDD advies
Bijlage 3. Archeologisch bureauonderzoek
Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”
54
Van der beekstraat 249 Gemeente Landsmeer Bureauonderzoek
Opdrachtgever
Projectleider
HDD advies
dhr. S.A. Rijlaarsdam
Voorstraat 8 4033 AD Lienden Projectnummer
Autorisatie
Datum
Synthegra Rapport S190005
drs. J.S. Krist
19-02-2019
Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden Telefoon +31 (0)88 81 81 981, Internet: www.synthegra.nl
Project:
Projectnaam. Bureauonderzoek
Projectnummer: S190005
COLOFON
Opdrachtgever
: Naam te Plaats
Project
: Projectnaam
Projectnummer
: S190005
Titel
: Projectnaam. Bureauonderzoek
Datum
: 19-02-2019
Projectleider
: dhr. S.A. Rijlaarsdam BA Archeoloog
Auteurs
: dhr. S.A. Rijlaarsdam BA Archeoloog
Autorisatie
: drs. J.S. Krist Senior KNA archeoloog/-prospector
Druk
: Synthegra B.V., Leusden
Afbeeldingen
: Synthegra B.V., tenzij anders vermeld
ISSN
: 1874-9771
Synthegra B.V. is gecertificeerd voor de BRL 4000 protocollen 4001 t/m 4004 (landbodems) Synthegra B.V. Olmenlaan 6a NL-3833 AV Leusden T: +31 (0)88 81 81 981 E: www.synthegra.nl
© Synthegra B.V., 2019 © Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden
2 van 23
Project:
Projectnaam. Bureauonderzoek
Projectnummer: S190005
INHOUD ADMINISTRATIEVE GEGEVENS
4
SAMENVATTING Inleiding Specifieke archeologische verwachting bureauonderzoek Conclusie en aanbeveling
5 5 5 6
1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING Onderzoekskader Onderzoeksdoel en vraagstellingen Ligging en huidige situatie plangebied Toekomstige situatie plangebied
7 7 7 8 8
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
BUREAUONDERZOEK Methode Landschapsgenese Historische ontwikkeling Archeologische waarden in en rondom het plangebied Gespecificeerde archeologische verwachting
10 10 10 13 16 20
3 3.1 3.2 3.3
CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN Inleiding Conclusies / beantwoording onderzoeksvragen Aanbevelingen
21 21 21 21
BRONNEN
22
Bijlagen: Bijlage 1: Overzicht van de relevante geologische en archeologische tijdvakken
Afbeelding voorblad: Afbeelding van het plangebied, rode kader, op de luchtfoto uit 2016 9 (bron: Google maps)
© Synthegra B.V., Olmenlaan 6a, NL-3833 AV Leusden
3 van 23