CConstaterende datlandsmeer
Koppel je AI →
Document · PDF

02 Bijlage 1 Bestemmingsplan Van Beekstraat 249

Raadsvergadering 27 november 2025, gemeente landsmeerBij agendapunt: Ontwerpbestemmingsplan Van Beekstraat 249 (Z/2025/046862)24.929 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

GEMEENTE LANDSMEER

Bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer” Toelichting

HDD Advies Voorstraat 8 4033 AD Lienden T. 085 – 023 90 59 www.hddadvies.nl info@hddadvies.nl

Gemeente:

Landsmeer

Locatie:

Van Beekstraat 249 te Landsmeer

Opdrachtgever:

Firma J. Kraaij en Zn van Beekstraat 249 1121 NM Landsmeer

Opgesteld door:

mevr. C.E.J. van Os

Gecontroleerd door: dhr. J.H.A. Verweij Datum:

29 juni 2020

IMRO-code:

NL.IMRO.0415.BP1118004001-0301

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

2

INHOUDSOPGAVE 1

Inleiding ............................................................................................................... 4 1.1 1.2 1.3 1.4

2

Aanleiding en doelstelling ..................................................................................... 5 Plangebied .............................................................................................................. 7 Geldend bestemmingsplan .................................................................................... 7 Leeswijzer ............................................................................................................... 9

Plangebied en planontwikkeling ..................................................................... 10 2.1 Ontstaansgeschiedenis ........................................................................................10 2.2 Bestaande situatie .................................................................................................10 2.3 Beschrijving planontwikkeling .............................................................................12 2.3.1 Landschappelijke inpassing ..............................................................................15 2.4 Afwijken van het geldende bestemmingsplan .....................................................17

3

Beleidskader ..................................................................................................... 18 3.1 Rijksbeleid .............................................................................................................18 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte .............................................................18 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ....................................................18 3.2 Provinciaal beleid ..................................................................................................18 3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 ....................................................................18 3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening ..................................................................24 3.3 Gemeentelijk beleid ...............................................................................................27 3.3.1 Bestemmingsplan..............................................................................................27

4

Milieu- en omgevingsaspecten ........................................................................ 29 4.1 Archeologie en cultuurhistorie .............................................................................29 4.1.1 Archeologie .......................................................................................................29 4.1.2 Cultuurhistorie ...................................................................................................30 4.2 Leidingen ...............................................................................................................32 4.3 Milieu ......................................................................................................................32 4.3.1 Bedrijven en milieuzonering ..............................................................................32 4.3.2 Bodem ..............................................................................................................32 4.3.3 Externe veiligheid ..............................................................................................32 4.3.4 Geluid ...............................................................................................................34 4.3.5 Geur ..................................................................................................................36 4.3.6 Luchtkwaliteit

....................................................................................................37 4.3.7 Natuur ...............................................................................................................39 4.4 Verkeer en parkeren ..............................................................................................43 4.5 Waterhuishouding .................................................................................................44 4.6 Vormvrije m.e.r. beoordeling ................................................................................47 4.7 Volksgezondheid ...................................................................................................48 4.8 Duurzaamheid ........................................................................................................48

5

juridische regeling ............................................................................................ 50 5.1 5.2 5.3

6

Juridische achtergrond .........................................................................................50 Toelichting verbeelding ........................................................................................50 Toelichting regels ..................................................................................................50

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid..................................... 51 6.1

Economische uitvoerbaarheid ..............................................................................51

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

3

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid .......................................................................51

Bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5.

Landschapsplan Watertoets Archeologisch bureauonderzoek Verkennend bodemonderzoek Adviezen Omgevingsdienst m.e.r.-beoordelingsnotitie

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

4

1

INLEIDING

1.1

Aanleiding en doelstelling

Firma J. Kraaij en Zn, hierna te noemen initiatiefnemer, exploiteert een melkveehouderij welke is gelegen aan de Van Beekstraat 249 te Landsmeer. Op dit melkveebedrijf wordt door initiatiefnemer melk- en kalfkoeien en vrouwelijk jongvee gehouden. Op de planlocatie is een ligboxenstal, jongveestal annex loods en bijbehorende ruwvoeropslag aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe ligboxenstal te realiseren, waarbij de gronden aan de overzijde van de weg worden voorzien als planlocatie. In de beoogde situatie kunnen 95 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee gehouden worden. Het jongvee wordt gehouden op de bestaande locatie en de melk- en kalfkoeien worden gehouden op de nieuwe locatie aan de overzijde van de weg. Ten behoeve van de realisatie van een ligboxenstal, en een bouwvlak, aan de overzijde van de weg wordt het huidige bouwvlak verkleind. Tevens vindt er naast het huidige bouwvlak natuurontwikkeling plaats. Een gedeelte van het perceel ten oosten van het huidige bouwvlak, wat in de huidige situatie in gebruik is als landbouwgrond, wordt ingezet voor de ontwikkeling van natuur. Deze ontwikkeling draagt bij aan de compensatie van de beïnvloeding op de ruimtelijke kwaliteit van het gebied door de realisatie van de ligboxenstal aan de overzijde van de weg. Het huidige bouwvlak is circa 1,04 hectare groot.

In de beoogde situatie wordt het huidige bouwvlak verkleind tot circa 0,92 hectare. Aan de overzijde van de weg wordt een bouwvlak gerealiseerd met een grootte van circa 0,43 hectare waar de nieuwe ligboxenstal en de ruwvoeropslagvoorziening gerealiseerd kan worden. Deze bouwvlakken zullen middels een koppelteken worden verbonden om aan te geven dat het één bedrijf is. Het gedeelte van het huidige bouwvlak wat wordt verkleind, zal worden bestemd als ‘Agrarisch met waarden’. Ten slotte krijgt een gedeelte van een perceel ten oosten van het huidige bouwvlak, wat nu de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’ heeft, in de beoogde situatie de bestemming ‘Natuur’. Dit betreft een oppervlakte van circa 1,35 hectare. In paragraaf 2.3 van onderhavige toelichting is een uitgebreide omschrijving gegeven op de beoogde situatie. Hierin is tevens omschreven waarom de stal aan de overzijde van de weg is voorzien. In figuur 1.1 is de bestaande situatie (links) en de beoogde situatie (rechts) weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

5

Figuur 1.1: Bestaande situatie en beoogde situatie De gemeente Landsmeer wil medewerking verlenen aan het realiseren van een bouwvlak aan de overzijde van de huidige locatie ten behoeve van het realiseren van een ligboxenstal en ruwvoeropslagvoorziening, het verkleinen van het huidige bouwvlak en het realiseren van natuur. Deze toelichting dient als een toelichting op de herziening van het bestemmingsplan voor de locatie Van Beekstraat 249 te Landsmeer en het naastgelegen perceel. De voorgenomen ontwikkelingen worden nader onderbouwd en getoetst aan de gestelde voorwaarden.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

6

1.2

Plangebied

Het plangebied aan de Van Beekstraat in Landsmeer ligt in het buitengebied van de gemeente Landsmeer en is kadastraal bekend als gemeente Landsmeer, sectie O, nummer 165 en 215. Het plangebied is gelegen ten noorden van Amsterdam en ten oosten van de kern Landsmeer. Ten oosten van de planlocatie is de provinciale weg N235 gelegen. Ten zuiden van de planlocatie is de rijksweg A10 gelegen. Ten noorden van de planlocatie is het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske gelegen. De omliggende gronden zijn voornamelijk in gebruik als gras- en bouwland. In onderstaande figuur is de wijdere omgeving van de planlocatie weergegeven. De planlocatie is weergegeven met de rode cirkel.

Figuur 1.2 Wijdere omgeving planlocatie (Bron: google maps)

1.3

Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2009’ van de gemeente Landsmeer, vastgesteld op 21 april 2009. De in het plangebied opgenomen gronden hebben hierin de enkelbestemmingen ‘Agrarisch – Bouwkavel’ en ‘Agrarisch met Waarden’ met de functieaanduiding tweede bedrijfswoning. Ten slotte loopt er over het midden van het bouwperceel een Hartleiding van het riool. In onderstaande figuur is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

7

Figuur 1.3 Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied 2009' In het vigerende bestemmingsplan is het middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk om een agrarisch bouwvlak te vergroten, dan wel te verplaatsen. Het is echter niet toegestaan om een nieuw agrarisch bouwvlak te realiseren. Vanwege de noodzaak tot de realisatie van een nieuwe ligboxenstal en de ongewenstheid van de uitbreiding op de huidige locatie (zie paragraaf 2.3) wordt de ligboxenstal gerealiseerd op een nieuw bouwvlak aan de overzijde van de weg. Dit nieuwe bouwvlak wordt middels een koppelteken verbonden aan het huidige bouwvlak om aan te geven dat het één bedrijf is. Een partiële herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om een nieuw agrarisch bouwvlak te realiseren aan de overzijde van de weg, welke via een koppelteken wordt verbonden aan het huidige bouwvlak. Tevens kan via een herziening van het bestemmingsplan een gedeelte van de bestemming ‘Agrarisch – Bouwkavel’ worden gewijzigd naar de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’, om zo het huidige bouwvlak te verkleinen. Ten slotte krijgt een gedeelte van een perceel ten oosten van het huidige bouwvlak, wat nu de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’ heeft, in de nieuwe situatie de bestemming ‘Natuur’.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

8

1.4

Leeswijzer

In voorliggende toelichting wordt na dit inleidende hoofdstuk in hoofdstuk 2 ingegaan op het plangebied en het initiatief. Vervolgens wordt in hoofdstuk 3 het beleid van de verschillende overheden omschreven. In hoofdstuk 4 wordt het initiatief getoetst aan de relevante milieu- en omgevingsaspecten. Ten slotte wordt in hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid omschreven.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

9

2

PLANGEBIED EN PLANONTWIKKELING

2.1

Ontstaansgeschiedenis

Menselijke activiteiten zijn in hoofdzaak bepalend geweest voor de verschijningsvorm van het landelijk gebied van Landsmeer. De aanleg van dijken, de vorming van droogmakerijen, de bouw van dorpen en de vervening zijn enkele van de menselijke ingrepen die het landschap hebben gevormd. De eerste ingreep was het ontginnen van het uitgestrekte veengebied. Deze vond in dit gebied, in verhouding tot andere delen van Noord-Holland, laat plaats. Aan het eind van de 10e eeuw is een start gemaakt met de ontginning. Via veenstroompjes trok men het gebied in. Het gebied werd ontwaterd met behulp van een gegraven afwateringssysteem van weteringen en kavelsloten. De ontginning geschiedde in NoordHolland vrijwel overal volgens een strokenverkaveling, al of niet met bewoning op de kavels. De kavelsloten lopen meestal evenwijdig. Deze verkavelingsvorm is nog altijd in het landschap herkenbaar. Naarmate de ontginning vorderde drong men langs de veenstroompjes dieper in het veen door. Men paste hierbij een veerverkaveling toe met de stroom als as en de sloten schuin omhoog in de richting van het hoger gelegen veen. Vaak werd een dergelijke veerverkaveling op het eind afgesloten door een waaierverkaveling bijvoorbeeld bij Den Ilp. De bewoning verplaatste zich met de ontginning mee het veen in en concentreerde zich vaak bij dwarsdijkjes of dwarsweteringen.

De enorme schaalvergroting in de landbouw heeft ook in het landelijk gebied van Landsmeer zijn sporen achtergelaten. Al in de vijftiger jaren werd duidelijk dat dit weidegebied met zijn fijnmazige structuur slechts met zeer grote ingrepen geschikt zou kunnen worden gemaakt voor de moderne landbouw. Voor het Ilperveld geldt dat het dan nog de vraag zou zijn of dit tot de gewenste productieverhoging zou leiden. Delen van het gebied werden aan hun lot overgelaten. Om toch enig inkomen van de grond te krijgen werden delen als vuilstort gebruikt. De verkoop van gronden aan natuurbeschermingsorganisaties leverde ook het een en ander op. Subsidies op, en meer “natuurvriendelijke” agrarische productiewijze zijn langzamerhand ook een belangrijke inkomstenbron geworden voor boeren in het Ilperveld. Daarnaast is het gebied ten noorden van de Twiskepolder in eigendom van Staatsbosbeheer. Het beheer is vooral gericht op het instandhouden van de aanwezige natuurwaarden.

2.2

Bestaande situatie

Het huidige bedrijf is gelegen aan de noordzijde van de Van Beekstraat in Landsmeer, ten oosten van de kern Landsmeer. De huidige locatie wordt aan de zuidzijde begrensd door de Van Beekstraat en aan de oost-, en westzijde door agrarische gronden. Ten noorden van het perceel is het Natura 2000-gebied Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske gelegen. De omliggende gronden bestaan hoofdzakelijk uit agrarisch in gebruik zijnde percelen en een natuurgebied. Langs de Van Beekstraat bestaat de bebouwing voornamelijk uit woningen en enkele agrarische bedrijven. Het plangebied aan de noordzijde van de Van Beekstraat (bestaande locatie) bestaat op dit moment uit een bouwvlak met erfverharding, een melkveestal, jongveestal en ruwvoeropslagen. Het plangebied aan de zuidzijde van de Van Beekstraat (nieuwe locatie) bestaat op dit moment uit grasland. Het plangebied is geheel omsloten door graslanden. In onderstaande figuur is een luchtfoto van de locatie weergegeven. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is omcirkeld.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

10

Figuur 2.1 Directe omgeving planlocatie (bron: google maps) Onderstaande figuren geven een impressie van het plangebied weer. Figuur 2.2 betreft een impressie van de noordzijde van de Van Beekstraat. Dit betreft de huidige locatie. Figuur 2.3 betreft een impressie van de zuidzijde van de Van Beekstraat. Dit betreft de locatie waar in de beoogde situatie een melkveestal en ruwvoeropslag gerealiseerd wordt (zie paragraaf 2.3 van onderhavige toelichting).

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

11

Figuur 2.2 Impressie plangebied huidige locatie, noordzijde Van Beekstraat

Figuur 2.3 Impressie plangebied zuidzijde Van Beekstraat te Landsmeer

2.3

Beschrijving planontwikkeling

Initiatiefnemer is voornemens om in de nieuwe situatie 95 melk- en kalfkoeien en 70 stuks jongvee te houden. De huidige ligboxenstal dateert uit 1970, de maatvoering van deze stal is dan ook gedateerd. Vanwege genetische vooruitgang is de gemiddelde schofthoogte van een melkkoe gestegen sinds de realisatie van de huidige ligboxenstal. De maatvoering in de huidige stal, bijvoorbeeld van de ligboxen, is hierdoor te smal voor de grootte van hedendaagse koeien. Wanneer koeien in te smalle boxen worden gehuisvest heeft dit negatieve effecten op het dierwelzijn (voornamelijk klauwgezondheid). Om de continuïteit van het bedrijf te waarborgen en het dierwelzijn op het bedrijf te verbeteren, is initiatiefnemer voornemens om een nieuwe ligboxenstal te realiseren voor de huisvesting van 95 melk- en kalfkoeien welke voldoet aan de huidige eisen binnen de sector.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

12

Initiatiefnemer is groot voorstander van weidegang. De beweidingskavels voor het melkvee liggen voornamelijk aan de zuidzijde van de Van Beekstraat. Dit is weergegeven in figuur 2.4. De koeien moeten in de huidige situatie derhalve meerdere keren per dag de Van Beekstraat oversteken om gemolken te worden, zie figuur 2.5. Het begrip van de weggebruiker voor het feit dat de koeien over de weg moeten is vaak ver te zoeken. Het is zelfs meerdere keren voorgekomen dat er door automobilisten wordt ingereden op de ondernemer(s) of echtgenote welke op de weg staat om het vee te begeleiden. Ook komt het voor dat men door de koeien heen probeert te rijden met de fiets, scooter of auto. Er hebben al diverse ongevallen plaatsgevonden waarbij fietsers tussen het vee zijn gevallen. Dit levert gevaarlijke situaties op waardoor dit verkeerstechnisch en sociaal maatschappelijk niet langer verantwoord is.

Figuur 2.4 Gronden in gebruik van Firma J. Kraaij en Zn.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

13

Figuur 2.5 Het oversteken van de koeien over de van Beekstraat De koeien worden in de gewenste situatie gemolken middels een automatisch melksysteem, wat betekent dat de koeien gedurende de gehele dag gemolken worden. Zij kunnen zelf kiezen wanneer ze gemolken worden. Het is onmogelijk om de koeien te melken middels een automatisch melksysteem, in combinatie met beweiden, wanneer de huiskavel aan de overzijde van de weg is gelegen. Derhalve wilt initiatiefnemer in de nieuwe situatie een melkveestal realiseren aan de zuidzijde van de Van Beekstraat. Op deze manier hoeven de koeien de weg niet over te steken. Om ervoor te zorgen dat de weg niet door landbouwvoertuigen overgestoken hoeft te worden om het vee in de te realiseren stal te voeren, wordt tevens ruwvoeropslagcapaciteit gerealiseerd aan de zuidzijde van de weg, achter de te realiseren ligboxenstal. In figuur 2.6 is een situatieschets van de beoogde situatie weergegeven. Hierop is te zien dat een nieuw bouwvlak aan de overzijde van de huidige locatie wordt gerealiseerd ten behoeve van het realiseren van een ligboxenstal en ruwvoeropslagvoorziening. Dit bouwvlak wordt via een koppelteken verbonden aan het huidige bouwvlak om aan te geven dat het één bedrijf is. Het huidige bouwvlak wordt verkleind en hiernaast wordt nieuwe natuur gerealiseerd.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

14

Figuur 2.6 Situatietekening beoogde situatie 2.3.1 Landschappelijke inpassing Ten behoeve van een goede landschappelijke inpassing van het nieuwe bouwvlak is een landschapsplan opgesteld. In het landschapsplan is rekening gehouden met de volgende ambities en kernkwaliteiten: • •

• • •

• •

Het intact houden van veerverkavelingsstructuur, slotenpatroon en oevers; Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ontginningsstructuur. Logische ordening, richting en structuur, bebouwing in de linten, met bescherming van het doorzicht naar het landschap; Het behouden van het open karakter, terughoudendheid met het toevoegen van nieuwe beplanting; Het behouden van de directe relatie tussen het lint en het water; Het behouden van het karkater en de transparantie van de linten. Nieuwbouw wordt zorgvuldig ingepast in het lint met oog voor de transparantie van de linten. De belangrijke rol van regelmatige doorzichten over ruime tuinen en sloten en tussen bebouwing blijft behouden; Het behouden en het beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten); Het herkenbaar en beleefbaar houden van de stolpenstructuur in het landschap.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

15

In het inpassingplan wordt niets verandert aan de verkavelingsstructuur of het slotenpatroon. Het onregelmatige kenmerkende historische verkavelingspatroon en het waterrijke open beeld blijven onveranderd. Door de nieuwe stal logisch op de kavel te situeren qua richting, rekening houdend met het bebouwingslint en het slotenpatroon blijft het open karakter met transparantie en doorzicht vanuit het lint zoveel mogelijk gehandhaafd. Door de stal op een afstand van 75 meter van de Van Beekstraat te realiseren blijft aan de voorzijde van het perceel een open ruimte aanwezig. Hierdoor ontstaat een ruim voorerf. Dit voorerf zorgt ervoor dat de stolpboerderij als identiteitsbepalend element op het naastgelegen perceel, goed zichtbaar blijft. Vanwege het grote voorerf blijft de lange zichtlijn behouden waardoor de stolpboerderij met zijn kenmerkende kap herkenbaar en beleefbaar is in het landschap. Vanwege de grootte van het voorerf is het mogelijk om zowel het zicht op de stolpboerderij te behouden, als om de nieuwe bebouwing groen aan te kleden. Hierbij is gekozen voor hoogstam bomen zodat ook in de toekomst de zichtlijn gewaarborgd blijft. De van oudsher beeldbepalende groene structuur bestaat onder ander uit boomgaarden. Om deze reden worden vier hoogstamfruitbomen op het voorerf geplant.

Met de aanplant van groen moet in eerste instantie terughoudend om worden gegaan vanwege het behoud van het open karakter van het landschap. Wel is er in dit inpassingsplan voor gekozen aan de oostzijde van de nieuwe melkveestal een 5 meter brede houtsingel / struweel aan te planten. De houtwal bestaat uit 3 rijen planten met onderlinge afstand van 1,5 meter, bij voorkeur groepsgewijs in groepen van 7 stuks van dezelfde soort. In het begin van de houtwal worden zes populieren geplaatst. Deze populieren versterken de samenhang met de omgeving aangezien deze ook ter plaatse van de stallen aan de overzijde van de weg aanwezig zijn, zie figuur 2.2 van deze toelichting. Door de houtwal krijgt de stal een groene inpassing in het landschap, daarnaast houdt de singel het licht tegen vanuit de stal. Door alleen ter plaatse van de ligboxenstal groen aan te planten en de houtwal niet verder door te trekken over het perceel blijft de openheid van het landschap behouden. Er is bewust voor gekozen om op de houtwal en de bomen na, geen beplanting te realiseren. In het westen blijft hierdoor een 45 meter brede strook open. Door de beplanting dichtbij de bebouwing te realiseren blijft de openheid en het doorzicht over het landschap behouden. Hiermee wordt de stal ingepast met het oog op transparantie van het lint.

In figuur 2.7 is weergegeven hoe de landschappelijke inpassing van het plangebied eruit komt te zien. Het landschapsplan is bijgevoegd in bijlage 1 van onderhavige toelichting. Het plan is opgesteld aan de hand van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

16

Figuur 2.7 Landschappelijke inpassing planlocatie

2.4

Afwijken van het geldende bestemmingsplan

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van een nieuw bouwvlak welke via een koppelteken wordt verbonden aan het huidige bouwvlak om aan te geven dat het één bedrijf is. Hiermee is het mogelijk om aan de overzijde van de weg een ligboxenstal en een ruwvoeropslagvoorziening te realiseren. Het huidige bouwvlak zal worden verkleind. Tevens wordt een gedeelte van de gronden naast het huidige bouwvlak bestemd als natuur. Dit voornemen past niet binnen de wijzigingsbevoegdheid van het vigerende bestemmingsplan. Voor het uitvoeren van het initiatief is derhalve het vaststellen van een partiële herziening van het bestemmingsplan, conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), noodzakelijk.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

17

3

BELEIDSKADER

Door Europa, het rijk, de provincie en de gemeente zijn diverse beleidsnota’s vastgesteld die voor de ontwikkelingsmogelijkheid van het perceel Van Beekstraat te Landsmeer van belang kunnen zijn. In dit hoofdstuk wordt het beleid beschreven dat van toepassing is op het plangebied.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) schetst het Rijk ambities tot 2040 en de ruimtelijke doelen, belangen en opgaven tot 2028. De hoofddoelen van het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid voor de middellange termijn (2020/2028) zijn: • • •

Het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zeker stellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; Het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

Om de verantwoordelijkheden te leggen waar deze het beste passen, brengt het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan gemeenten en provincies. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsruimte voor het faciliteren van ontwikkelingen. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen, derhalve heeft de SVIR geen consequenties voor voorliggend plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Structuurvisies hebben geen bindende werking voor andere overheden dan de overheid die de visie heeft vastgesteld. De nationale belangen uit de structuurvisie die juridische borging vragen, zijn daarom geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Deze Amvb is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Op 30 december 2011 is het Barro in werking getreden. Deze Amvb is gericht op door werking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ten aanzien van onder andere Rijksvaarwegen, Waddenzee, hoofdspoorwegen, Ecologische Hoofdstructuur en defensie.

Deze onderwerpen zijn niet aan de orde in het voorliggende bestemmingsplan. Conclusie Onderhavige ontwikkeling is niet gelegen in of nabij een gebied waarin het rijk een nationaal belang heeft aangewezen, derhalve heeft het Barro geen consequenties voor voorliggend plan.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Structuurvisie Noord-Holland 2040 Op 21 juni 2010 is de structuurvisie Noord-Holland 2040 'Kwaliteit door veelzijdigheid' vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. Na vaststelling is de structuurvisie nog verschillende keren herzien/gewijzigd.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

18

In de structuurvisie legt de provincie vast welke provinciale belangen een rol spelen bij de ruimtelijke ordening. De visie dient daarmee als leidraad voor de manier waarop de ruimte zich de komende dertig jaar zou moeten ontwikkelen. In het uitvoeringsprogramma behorende bij de structuurvisie is dit uitgewerkt in concrete activiteiten om de visie te realiseren. Via de Provinciale Ruimtelijke Verordening (zie onderhavige toelichting paragraaf 3.2.2) is de doorwerking naar gemeentelijke bestemmingsplannen geregeld. Het toekomstbeeld voor de provincie Noord-Holland is dat Noord-Holland een mooie, veelzijdige en internationaal concurrerende provincie blijft. Om dit toekomstbeeld te realiseren heeft de provincie in de structuurvisie provinciale belangen benoemd. De volgende drie hoofdbelangen vormen gezamenlijk de ruimtelijke hoofddoelstelling van de provincie: • • •

Behouden en ontwikkelen van de ruimtelijke kwaliteit; Behouden en ontwikkelen van duurzaam ruimtegebruik; Klimaatbestendigheid.

De concrete activiteiten die aan de hand van de visie worden gerealiseerd zijn beschreven in het bijbehorende uitvoeringsprogramma. De doorwerking voor gemeentelijke plannen is vertaald in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Uit de digitale kaart van de provincie Noord-Holland blijkt dat de planlocatie is gelegen binnen de volgende gebieden: • • • • • • • •

Fijnmazige waterberging; Kleinschalige oplossingen voor duurzame energie; Aardkundig waardevol gebied; Bufferzone; Laag Holland; Gebiedsgerichte aanpak bereikbaarheid; Gebied met gecombineerde landbouw; Bestaand bebouwd gebied.

In onderstaande figuren zijn de betreffende gebieden omschreven en is een uitsnede van de Structuurvisie 2040 weergegeven met hierop de planlocatie weergegeven. Fijnmazige waterberging Door klimaatverandering moet in de toekomst anders worden omgegaan met grond- en oppervlaktewater. Het huidige afwateringssysteem zal niet meer voldoen door heviger regenval, daarom is meer bergingscapaciteit nodig. Drogere periodes komen vaker voor waardoor een zoetwatertekort kan ontstaan. De Provincie Noord-Holland heeft op basis van het Nationaal Bestuursakkoord Water de wateroverlastopgave vastgesteld. Provincie Noord-Holland zorgt voor ruimte voor (zoet)waterberging door de hele provincie aan te wijzen als zoekgebied voor fijnmazige waterberging. De waterschappen realiseren deze fijnmazige waterberging en doen dat op integrale wijze. In gebieden waar diverse grote opgaven op gebied van water, natuur, recreatie, woningbouw enzovoorts samenkomen kan de provincie trekker van integrale gebiedsprojecten zijn. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen in een gebied voor fijnmazige waterberging, zie onderstaande figuur.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

19

Figuur 3.1 Uitsnede Structuurvisie 2040 (Waterberging) Duurzame energie Noord-Holland heeft de ambitie om de innovatie in de Noord-Hollandse duurzame energiesector te versterken. Zij willen de sector ondersteunen om erin te slagen de kostprijs van duurzame energie te verlagen. Noord-Holland wil de economische kansen benutten die de verduurzaming van de energievoorziening biedt. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen in een gebied voor kleinschalige oplossingen voor duurzame energie.

Figuur 3.2 Uitsnede PRV (duurzame energie) Aardkundige waarden De provincie beschermt ook de ondergrond van de bijzondere landschappen. Zolang aardkundige verschijningsvormen (zoals stuwwallen, duinen, wadden en beekdalen) onaangetast zijn, vertellen ze veel over de ontstaansgeschiedenis van Noord-Holland en de krachten die daarbij een rol speelden: wind, water, ijs en getijden. Behoud en ontwikkeling van aardkundige waarden is van belang gezien de onschatbare waarde van aardkundig erfgoed voor de inwoners van Noord-Holland en Nederland. De provincie heeft 80 gebieden aangewezen als aardkundig waardevol, waarvan er 16 de status van aardkundig monument hebben. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen binnen een aardkundig waardevol gebied, zie figuur 3.3.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

20

Figuur 3.3 Uitsnede PRV (aardkundige waarden) Bufferzone Het Noord-Hollandse landschap is gevarieerd, open, heeft hoge cultuurhistorische waarden en is over het algemeen goed bereikbaar vanuit de stad. De bescherming en het bevorderen van de bereikbaarheid van groene gebieden rond steden houdt deze aantrekkelijk en leefbaar. Deze landschappen staan echter continu onder druk door nieuwe woningbouw, de ontwikkeling van bedrijventerreinen of de aanleg of verbreding van wegen. Dit terwijl de behoefte van Noord-Hollanders aan recreatiemogelijkheden, zowel in het groen als op en rond het water, blijft groeien. De verstedelijkingsdruk op het groen rond de steden moet daarom zoveel mogelijk worden opgevangen door binnenstedelijk te bouwen. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen binnen een bufferzone. Doel van de bufferzones in Noord-Holland is dat zij gevrijwaard blijven van verdere verstedelijking en dat ze zich verder kunnen ontwikkelen tot relatief grootschalige groene gebieden. De bufferzones zijn een belangrijk onderdeel van de hierna beschreven metropolitane landschappen. De Provincie Noord-Holland behoudt de landschappelijke kwaliteit en identiteit van deze voormalige Rijksbufferzones en vergroot de mogelijkheden voor ontspanning en dagrecreatie in deze gebieden.

De specifieke kwaliteiten van de verschillende landschappen zijn bij deze verdere ontwikkeling het uitgangspunt. Hiervoor worden integrale ontwikkelstrategieën opgesteld.

Figuur 3.4 Uitsnede PRV (De groene ruimte)

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

21

Nationaal Landschap Laag Holland Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen binnen het nationaal landschap Laag Holland. Het landelijk gebied in dit deel van de provincie moet zich verder ontwikkelen tot het recreatieve uitloopgebied van het stedelijk gebied. De Provincie Noord-Holland stelt een geïntegreerd programma op voor behoud en ontwikkeling van deze zogenaamde ‘metropolitane landschappen’. Hierbij gaat de Provincie uit van een intensieve inrichting van de gebieden dichtbij de steden en een extensievere inrichting op grotere afstand van de stad.

Figuur 3.5 Uitsnede Structuurvisie 2040 (Metropolitane landschappen) Bereikbaarheid Bereikbaarheid is cruciaal voor de verdere economische ontwikkeling van de provincie en de toegankelijkheid van voorzieningen voor bewoners en bezoekers. Daarom investeert de Provincie Noord-Holland in de bereikbaarheid. De Provincie Noord-Holland benut de bestaande verkeers- en vervoersnetwerken zo goed mogelijk, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang. Daarnaast wil de Provincie Noord-Holland een enkele ontbrekende schakel in de netwerken toevoegen. Zowel de bestaande als de nieuwe locatie is gelegen binnen een gebied voor gebiedsgerichte aanpak bereikbaarheid.

Figuur 3.6 Uitsnede Structuurvisie 2040 (Bereikbaarheid)

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

22

Gecombineerde landbouw In de zone voor gecombineerde landbouw zijn landschappelijk kwetsbare gebieden zoals veenweidegebieden of cultuurhistorisch waardevolle gebieden karakteristiek. Het landschap bepaalt waar en welke ruimte wordt geboden aan de bedrijfsontwikkeling. In de gebieden waar schaalvergroting niet of slechts gedeeltelijk mogelijk is, wordt meer ruimte geboden voor nieuwe economische activiteiten (verbreding).

Figuur 3.7 Uitsnede Structuurvisie 2040 (landbouwgebieden) Bestaand bebouwd gebied De bebouwing op de huidige locatie is gelegen binnen bestaand bebouwd gebied. De nieuwe locatie is gelegen buiten bestaand bebouwd gebied. De provincie stelt weinig eisen voor bouwen en gebruik binnen bestaand bebouwd gebied. Buiten bestaand bebouwd gebied vindt de provincie het van belang om de open ruimtes zoveel mogelijk te behouden en te ontwikkelen. Het landelijk gebied gaat echter niet op slot, maar bebouwingsplannen dienen te voldoen aan eisen van noodzaak en ruimtelijke kwaliteit.

Figuur 3.8 Uitsnede Structuurvisie 2040 (huisvesting)

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

23

3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Bij de Structuurvisie hoort een Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). In de PRV zijn de regels opgenomen waaraan ruimtelijke plannen in Noord-Holland moeten voldoen. Op 23 april 2018 hebben Provinciale Staten een wijziging van de Provinciale Ruimtelijke Verordening vastgesteld. De laatste wijziging van de PRV is op 27 mei 2019 door PS vastgesteld. De gewijzigde PRV is op 7 juni 2019 vastgesteld. Op de kaart behorende bij de PRV is te zien dat het plangebied gelegen is binnen; • • •

Kleinschalige oplossingen voor duurzame energie; Aardkundig waardevol gebied; Bufferzone.

Daarnaast is het plangebied gelegen grenzend aan een weidevogelleefgebied. Onderstaand wordt het voorgenomen initiatief getoetst aan de regels uit de PRV. Duurzame energie In de PRV zijn enkel regels opgenomen betreffende windturbines. Binnen het plangebied wordt geen windturbine gerealiseerd. Conclusie De regels betreffende duurzame energie zijn niet van toepassing op onderhavig initiatief. Aardkundige waarden In artikel 8 van de PRV is opgenomen dat in de toelichting van een bestemmingsplan wordt aangegeven in hoeverre rekening is gehouden met de in het gebied voorkomende bijzondere aardkundige waarden zoals beschreven in het bijlage-rapport Actualisatie Intentieprogramma Bodembeschermingsgebieden. Door de ontwikkelingen binnen het plangebied wordt geen afbreuk gedaan aan cultuurhistorische waarden en aan het aardkundig waardevol gebied. In paragraaf 4.1.2 van onderhavige toelichting wordt hier nader op ingegaan. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavig plan. Bufferzone In artikel 24 van de PRV zijn regels opgenomen voor de bufferzones. In artikel 24, lid 1 is opgenomen dat voor gebieden die vallen binnen de begrenzing bufferzones, een bestemmingsplan nieuwe bebouwing niet mogelijk maakt voor onder andere bedrijven.

In afwijking hierop is in artikel 24, lid 5, sub b opgenomen dat een bestemmingsplan kan voorzien in nieuwe bebouwing die gekoppeld is aan een substantiële verbetering van in de betreffende bufferzone aanwezige kwaliteiten van natuur, water of landschap. Tevens is in artikel 24, lid 6, sub b en c opgenomen dat bebouwing binnen de bufferzones is toegestaan indien er geen reële andere mogelijkheden zijn en als de negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en de overblijvende effecten worden gecompenseerd. Bij onderhavig initiatief wordt bebouwing gerealiseerd binnen een bufferzone. Dit is in eerste instantie niet mogelijk. Echter, vanwege het feit dat (nagenoeg) de gehele huiskavel aan de overzijde van de weg is gelegen en de koeien hierop beweid worden zijn er geen reële alternatieven beschikbaar. Tevens kan de nieuwe bebouwing worden gekoppeld aan een substantiële verbetering van in de betreffende bufferzone aanwezige kwaliteiten van natuur en/of landschap. Het voorgenomen initiatief houdt in dat er aan de overzijde van de weg een bouwvlak wordt gesitueerd waar de nieuwe melkveestal

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

24

wordt gerealiseerd. Dit nieuwe bouwvlak wordt via een koppelteken verbonden aan het bestaande bouwvlak wat de connectie waarborgt. Het huidige bouwvlak wordt verkleind, de verkleining krijgt de bestemming “Agrarisch met Waarden’. Het achterste gedeelte van het bestaande bouwperceel, wat nu niet is bestemd als bouwvlak, wordt in de bestaande situatie gebruikt voor verharding en (ruwvoer)opslag. In de gewenste situatie wordt dit deel teruggegeven aan de natuur (bestemming ‘Agrarisch met Waarden’). Naast het huidige bouwvlak vindt natuurontwikkeling plaats. Een gedeelte van het perceel ten oosten van het huidige bouwvlak, wat in de huidige situatie in gebruik is als landbouwgrond, wordt ingezet voor de ontwikkeling van natuur. Deze grond heeft nu de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’, in de beoogde situatie wordt de grond bestemd als ‘Natuur’. Deze ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van de aanwezige kwaliteiten van natuur en/of landschap. De verbetering van de aanwezige kwaliteiten van natuur en/of landschap is weergegeven in figuur 3.8. Het gedeelte ten noorden van het huidige bouwperceel wordt bestemd als ‘Agrarisch met Waarden’ en wordt overeenkomstig met deze bestemming in gebruik genomen. De gronden ten oosten van het huidige bouwperceel, met een oppervlakte van circa 1,35 hectare, worden bestemd als ‘Natuur – Agrarisch medegebruik’.

AW

N-A

Figuur 3.9 Schets verbetering kwaliteiten natuur of landschap Conclusie Door het realiseren van een bouwvlak aan de overzijde van de huidige locatie ten behoeve van de realisatie van een ligboxenstal en ruwvoeropslagvoorziening wordt bebouwing gerealiseerd binnen een bufferzone. Dit is in eerste instantie niet toegestaan. Echter, er zijn geen reële alternatieven. Tevens vindt een substantiële verbetering van de aanwezige kwaliteiten van natuur of landschap plaats door het verkleinen van het huidige bouwvlak en het realiseren van natuur. Hierdoor vindt een substantiële

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

25

verbetering van de aanwezige kwaliteiten van natuur of landschap plaats en voldoet onderhavig initiatief aan de PRV.

Weidevogelleefgebied Weidevogels zijn karakteristiek voor Noord-Holland. Ze gedijen goed in het open (veen)weidelandschap. Ondanks de terugval van de weidevogelpopulatie, die het gevolg is van veranderingen van het traditionele landschap en de manier waarop dat wordt beheerd, blijft Noord-Holland nog steeds één van de provincies met de hoogte weidevogeldichtheid. Weidevogels hebben zowel een ecologische als cultuurhistorische waarde die bescherming blijft verdienen. Dit doet de provincie door de weidevogelleefgebieden te beschermen tegen inbreuken op de openheid. Dit sluit aan op het algemeen beleid voor gecombineerde landbouw in deze gebieden. Het huidige bouwvlak en de beoogde ligboxenstal en ruwvoeropslagvoorziening zijn niet gelegen binnen het weidevogelleefgebied.

Figuur 3.10 Uitsnede PRV (weidevogelleefgebied) Conclusie Het huidige en nieuwe bouwvlak zijn niet gelegen binnen een weidevogelleefgebied. Derhalve gelden de regels uit het PRV niet voor onderhavig initiatief. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande gebieden en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Voorheen werd dit de ecologische hoofdstructuur genoemd. Het concept is vastgelegd on het Natuurbeleidsplan en nader ingevuld in de Nota ruimte. De begrenzing van de NNN is door de verschillende provincies bepaald en vastgelegd. Ruimtelijke ontwikkeling in of nabij het NNN zijn mogelijk als het de werking van deze niet bedreigd. Bij het NNN is de saldo benadering van toepassing. Een eventuele aantasting hoeft niet te leiden tot een verbod als de werking van het NNN op een andere wijze gegarandeerd wordt. Conclusie In Figuur 3.11 is de ligging ten opzichte van het NNN weergegeven. Het dichtstbijzijnde gebied is gelegen op een afstand van circa 124 meter vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt. In de gewenste situatie wordt op de huidige planlocatie enkel vrouwelijk jongvee gehuisvest. De melk- en kalfkoeien zullen worden gehuisvest in de te realiseren stal aan de overzijde van de weg. Dit betekent dat de dieren in de gewenste situatie zullen worden gehouden op een grotere afstand van het NNN dan in de bestaande situatie.

Dit zal met zekerheid niet leiden tot negatieve effecten op onderhavig NNN.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

26

Figuur 3.11 Ligging ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Bestemmingsplan Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Landelijk Gebied 2009’ van de gemeente Landsmeer, vastgesteld op 21 april 2009. De in het plangebied opgenomen gronden hebben hierin de enkelbestemmingen ‘Agrarisch – Bouwkavel’ en ‘Agrarisch met Waarden’ met de functieaanduiding tweede bedrijfswoning. Ten slotte loopt er over het midden van het bouwperceel een Hartleiding van het riool. In figuur 1.3 is een uitsnede van het bestemmingsplan weergegeven. In het vigerende bestemmingsplan is het middels een wijzigingsbevoegdheid mogelijk om een agrarisch bouwvlak te vergroten, dan wel te verplaatsen. Het is echter niet toegestaan om een nieuw agrarisch bouwvlak te realiseren. Een herziening van het bestemmingsplan is noodzakelijk om een nieuw agrarisch bouwvlak te realiseren welke middels een koppelteken wordt verbonden aan het huidige bouwvlak. Tevens kan middels een herziening van het bestemmingsplan een gedeelte van de bestemming ‘Agrarisch – Bouwkavel’ worden gewijzigd naar de bestemming ‘Agrarisch met Waarden’, om zo het huidige bouwvlak te verkleinen. Ten slotte kan een perceel gedeeltelijk de bestemming ‘Natuur’ krijgen.

In de regels van het bestemmingsplan is in artikel 2.1, lid 4 een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee Burgemeester en Wethouders het bestemmingsplan in die zin kunnen wijzigen dat de bestemming ‘Agrarisch – Bouwkavel’ na beëindiging van het agrarische bedrijf kan worden gewijzigd in onder andere ‘Agrarisch met Waarden’. Hiertoe zijn enkele voorwaarden opgenomen. In onderhavig initiatief wordt het bouwvlak verkleind, echter het agrarische bedrijf wordt niet beëindigd. Derhalve kan niet aan deze wijzigingsbevoegdheid worden voldaan. Het initiatief wordt wel getoetst aan de voorwaarde van de wijzigingsbevoegdheid om te toetsen of het past binnen het beleid van de gemeente Landsmeer.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

27

Onderstaand zijn de voorwaarden behorende bij de wijzigingsbevoegdheid weergegeven en wordt het initiatief hieraan getoetst. a. Voortzetting van de agrarische functie ter plaatse is niet reëel en het Agrarische Bouwkavel wordt dan ook in zijn geheel vervangen door één van de genoemde bestemmingen; Binnen onderhavig initiatief wordt de Agrarische Bouwkavel verkleind. Echter, de agrarische functie wordt wel voortgezet. Derhalve wordt niet voldaan aan deze voorwaarde. b. De nabijgelegen agrarische bedrijven worden door de nieuwe functie(s) niet in hun bedrijfsvoering aangetast; Binnen onderhavig initiatief wordt de achterkant van het Agrarische Bouwkavel verkleind. Dit gedeelte wordt bestemd als ‘Agrarisch met Waarden’. Het grootste gedeelte van het Agrarische Bouwkavel blijft behouden en de agrarische functie wordt dan ook voortgezet. Vanwege de beperkte oppervlakte van de wijziging worden nabijgelegen agrarische bedrijven hierdoor niet in hun bedrijfsvoering aangetast. c. De landschappelijke- en natuurwaarden worden door deze wijziging niet onevenredig aangetast; In de huidige situatie wordt het achterste gedeelte van het Agrarische Bouwkavel gebruikt als verharding en ruwvoeropslag. In de gewenste situatie wordt dit gedeelte bestemd als ‘Agrarisch met Waarden’ en worden deze gronden overeenkomstig met deze bestemming gebruikt.

Dit heeft een positieve invloed op de landschappelijke- en natuurwaarden. d. De waterhuishouding daardoor niet onevenredig wordt aangetast; In de huidige situatie zijn de gronden verhard ter plaatse van het te verkleinen Agrarische Bouwkavel. In de beoogde situatie wordt deze verharding opgeheven. Derhalve kan het water infiltreren in de bodem wat een positief effect heeft op de waterhuishouding. e. De gevolgen van het plan voor de waterhuishouding worden beschreven en vooraf overleg plaatsvindt met de waterbeheerder; In paragraaf 4.4 van onderhavige toelichting wordt de waterhuishouding nader toegelicht. Hier is tevens een watertoets opgenomen. Aan deze voorwaarde wordt derhalve voldaan. f. De bestemmingsregels van de desbetreffende bestemming worden toegepast. De voor ‘Agrarisch met Waarden’ aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden veehouderij en voor behoud, herstel en ontwikkeling van de natuur- en landschapswaarden, die bestaan uit de open en waterrijke karakteristiek van het veenweidelandschap en de daarbij behorende flora en fauna. In de gewenste situatie wordt het oppervlak wat wordt herbestemd als ‘Agrarisch met Waarden’ als zodanig in gebruik genomen. Hiertoe wordt de verharding opgeheven en worden de gronden in gebruik genomen als grasland.

Conclusie Bovenstaand is het initiatief getoetst aan de wijzigingsbevoegdheid voor het wijzigen van de bestemming ‘Agrarisch – Bouwkavel’ naar ‘Agrarisch met Waarden’. Het initiatief voldoet aan alle voorwaarden, met uitzondering van voorwaarde a. De bestemming ‘Agrarisch – Bouwkavel’ wordt namelijk gedeeltelijk gewijzigd naar ‘Agrarisch met Waarden’ en blijft voor het overige gehandhaafd en de agrarische functie wordt voortgezet. Aan de overige voorwaarden wordt wel voldaan. Hieruit blijkt dat het initiatief passend is binnen het beleid van de gemeente Landsmeer.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

28

4

MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN

4.1

Archeologie en cultuurhistorie

4.1.1 Archeologie Voorafgaand aan de realisatie van de beoogde bedrijfsopzet dient onderzocht te worden of er sprake is van aantasting van archeologische, aardkundige en cultuurhistorische waarden. Uitgangspunt inzake archeologie is het archeologische erfgoed te beschermen op Europees niveau. Ten behoeve hiervan is door het Rijk het Verdrag van Malta ondertekend en zijn de verplichtingen aangegaan. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen bij archeologische waardevolle terreinen en gebieden met een (middel-) hoge verwachtingswaarde de archeologische waarden door middel van een vooronderzoek in kaart te worden gebracht. Op 28 februari 2011 is de ‘Beleidsnota Archeologie Gemeente Landsmeer’ vastgesteld. Om de verwachtingswaarden te bepalen is een inventarisatie van het gemeentelijk bodemarchief uitgevoerd. Daarbij is onderzocht welke archeologische resten reeds bekend zijn en welke verwacht worden. Op basis hiervan is de gemeente verdeeld in verschillende archeologiegebieden, elk met eigen ‘spelregels´, die bepalen bij welke planomvang en diepte rekening moet worden gehouden met archeologie. De regimes zijn weergegeven op de Beleidskaart Archeologie, zodat voor een ieder duidelijk is aan welke archeologische voorwaarden moet worden voldaan bij ruimtelijke ontwikkelingen. In figuur 4.1 is een uitsnede van de Beleidskaart Archeologie weergegeven.

Hieruit blijkt dat zowel de bestaande locatie als de locatie van de te realiseren stal is gelegen binnen een gebied waar archeologisch onderzoek is vereist bij grondingrepen met een oppervlakte groter dan 10.000 m2 en dieper dan 35 cm. Conclusie De nieuwe stal heeft een oppervlakte van circa 2.350 m2. De mestkelders van de nieuwe stal hebben een diepte van ca. 2 meter. Er vindt dus een bodemingreep plaats van meer dan 35 cm, derhalve is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. De ruwvoeropslagvoorzieningen hebben geen diepte van meer dan 35 cm. Uit het onderzoek blijkt de volgende conclusie: “Op basis van dit bureauonderzoek worden in het plangebied geen archeologische vindplaatsen verwacht. Hierdoor zijn er geen belemmeringen voor de geplande nieuwbouw.” Het archeologisch bureauonderzoek is bijgevoegd in de bijlage van dit rapport.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

29

Figuur 4.1 Uitsnede Beleidskaart Archeologie 4.1.2 Cultuurhistorie Om vast te stellen welke cultuurhistorische waarden een rol spelen in het plangebied, is de informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland geraadpleegd. Het gebied valt binnen het ‘veenpolderlandschap’ en een ‘aardkundig waardevol gebied’. Dit gebied is ontstaan als gevolg van ontginningen in het veengebied. Enkele kernkwaliteiten van dit gebied zijn de middeleeuwse verkavelingsstructuur en het landschap met een open tot zeer open karakter. In de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn ambities en ontwikkelprincipes opgenomen voor het Veenpolderlandschap: 1. Het veenlandschap heeft een open en opvallend waterrijk karakter en heeft een grillig verkavelingspatroon. De ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: • Het intact houden van veenverkavelingsstructuur, slotenpatroon en oevers; • Het inpassen van ruimtelijke ontwikkelingen binnen de ontginningsstructuur; • Het behouden van het open karakter van het veenlandschap en het voorkomen van opgaande begroeiing; • Het vergroten van de beleefbaarheid van het landschap. 2. De lange dorpslinten zijn karakteristiek. Ruimtelijke kwaliteit is gebaat bij: • Het behouden van de directe relatie tussen het lint en het water;

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

30

• Het behouden van het karakter en de transparantie van de linten; 3. Overige ontwikkelprincipes. De ruimtelijke kwatlieit is gebaat bij: • Het behouden en het zichtbaar/beleefbaar blijven van de huidige verkavelingsstructuur (inclusief sloten) bij (semi-)tijdelijke functies en opstellingen in het landschap, zoals voor zonne-energie; • Het behouden van de vrije ruimte (molenbiotopen) rond historische windmolens, in verband met de windvlaag en de zichtbaarheid van de molens in het landschap. Conclusie Onderhavige ontwikkeling heeft geen invloed op de verkavelingsstructuur, deze blijft behouden en er worden geen sloten gedempt. Door de ligboxenstal logisch op de kavel te situeren qua richting, rekening houdend met het bebouwingslint en het slotenpatroon blijft het open karakter met transparantie en doorzicht vanuit het lint zoveel mogelijk gehandhaafd. Dit wordt aangetoond in het landschappelijk inpassingsplan. In onderstaande figuur is het inpassingsplan weergegeven. Hierop is te zien dat aan zowel de oost- als de westzijde zichtlijnen behouden blijven. Het plangebied heeft geen bijzondere cultuurhistorische waarde. Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor onderhavig plan.

Figuur 4.2 Inpassingsplan met zichtlijnen

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

31

4.2

Leidingen

In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse kabels en leidingen. Voor het bouwplan wordt voor aanvang van de graaf- en bouwwerkzaamheden een klic- melding uitgevoerd. Hieruit dient te worden opgemaakt dat geen kabels en leidingen zijn gelegen op plaatsen waar gegraven gaat worden.

4.3

Milieu

4.3.1 Bedrijven en milieuzonering Goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkómen van hinder en gevaar. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) kan dit gerealiseerd worden. Hiervoor worden de afstanden uit de VNG publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ als maatgevend beschouwd. In deze publicatie zijn voor verschillende activiteiten richtafstanden opgenomen voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste richtafstand is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Voor onderhavige ontwikkeling is de activiteit ‘Fokken en houden van rundvee’ van toepassing. De grootste afstand welke aangehouden dient te worden voor de activiteit het fokken en houden van rundvee bedraagt 100 meter. Dit betreft de afstand voor geur. Echter, voor geur bij agrarische bedrijven geldt de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis hiervan dient een afstand van 50 meter tot het emissiepunt van de stal in acht genomen te worden. Conclusie De dichtstbijzijnde gevoelige functie betreft de woning aan de Van Beekstraat 272 te Landsmeer. De afstand van de grens van de te realiseren melkveestal tot deze woning bedraagt circa 50 meter. Hieruit blijkt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor onderhavig plan.

4.3.2 Bodem Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik is noodzakelijk. Bij de opstelling van de gewenste planvorming is uitvoerig rekening gehouden met de wijze waarop verontreinigende stoffen in bodem, grondwater en oppervlaktewater kunnen komen. De nieuwe ligboxenstal wordt uitgevoerd met een vloeistofdichte vloer. Alle vervuilende afvalstromen zullen worden opgevangen in de mestkelders. Ten behoeve van de bestemmingsplanprocedure en een verblijfsduur van meer dan 2 uur, is een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit het bodemonderzoek blijkt dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen zijn voor het huidige gebruik en voor voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling van het perceel. Het bodemonderzoek is bijgevoegd in de bijlage van dit rapport. 4.3.3 Externe veiligheid Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's voor de omgeving bij gebruik, opslag en vervoer over weg, water en spoor en door buisleidingen van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie. De Besluiten externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en externe veiligheid buisleidingen (Bevb) moeten individuele en groepen personen een basisbeschermingsniveau garanderen tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Personen moeten voldoende beschermd zijn tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het basisbeschermingsniveau is een basisnorm die de kans uitdrukt dat een persoon, die een jaar lang permanent en onbeschermd op een bepaalde plaats aanwezig is, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeluk met gevaarlijke stoffen. Het is uitgedrukt in een getal: het plaatsgebonden risico (PR). Voor

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

32

het PR geldt dat er binnen de risicocontour van 10-6/jaar geen kwetsbare objecten kunnen worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt een grenswaarde van 10-5/jaar, naast de richtwaarde van 10-6/jaar. Daarnaast leggen het Bevi en het Bevb een verantwoordingsplicht op voor het groepsrisico (GR). Het groepsrisico geeft de kans aan dat een groep personen door een ongeval bij een inrichting of buisleiding overlijdt. De gemeente moet een verantwoording afleggen bij veranderingen van het groepsrisico in het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen kunnen voordoen: het invloedsgebied. In figuur 4.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Hieruit blijkt dat in de omgeving van de inrichting geen sprake is van activiteiten zoals bedoeld in het Bevi. Ook is er geen propaangastank aanwezig binnen de inrichting die mogelijk ontploffingsgevaar levert.

Figuur 4.3 Uitsnede risicokaart Het bedrijf zelf vormt geen inrichting waarvan het plaatsgebonden risico hoger is dan 10 -6 per jaar, zoals opgenomen in het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). Daarmee vormt het melkveehouderijbedrijf zelf geen risicovolle inrichting. Op een bedrijf is een dieselolietank aanwezig. Deze brandstoftank is KIWA-gecertificeerd. Conclusie De voorgenomen bedrijfsontwikkeling biedt geen risico voor omwonenden. Ook zijn er geen risico’s aanwezig in de omgeving voor de personen die op de inrichting werkzaam / aanwezig zijn. Het aspect externe veiligheid vormt derhalve geen belemmering voor het plan.

Toelichting bestemmingsplan “Van Beekstraat 249 te Landsmeer”

33

4.3.4 Geluid Het aspect geluid is onderdeel van het behoud van de omgevingskwaliteit en wordt op verschillende manieren vastgelegd in wetten. De belangrijkste toetsing van geluidhinder door inrichtingen is via de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal type inrichtingen algemene regels opgenomen. De handreiking industrielawaai en vergunningverlening is het wettelijk kader voor de vergunningverlening voor het stellen van geluidsniveaus vanuit de inrichting, om geluidshinder te voorkomen en te beperken. Daarnaast worden geluidsgevoelige objecten beschreven met voorschriften die bescherming bieden. Een ander spoor dat kaders geeft voor geluidsproductie is de Wet geluidhinder (Wgh), welke is vastgesteld op d.d. 16 februari 1979. Deze richt zich met name op de ruimtelijke inpassing van geluidsgevoelige bestemmingen in relatie tot belangrijke geluidsbronnen. Indien binnen geluidzone nieuwe inrichtingen worden gerealiseerd, moet door middel van een akoestisch onderzoek worden vastgesteld of aan de grenswaarden uit de Wet Geluidhinder wordt voldaan. Vervoersbewegingen binnen de inrichting De vervoersbewegingen nemen niet toe ten opzichte van de bestaande situatie. Op dit moment worden op de planlocatie reeds melk- en kalfkoeien en jongvee gehouden, deze dieraantallen nemen niet toe.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=landsmeer&id=9e0870be-488a-4aa4-8fa1-5b395965e6e0