CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlagenboek deel 1 Ruimtelijke onderbouwing tankstation Bosscheweg BD

Raadsvergadering 12 juni 2025, gemeente LaarbeekBij agendapunt: H Voorstel tot vaststelling van Verklaring van geen bedenkingen Tankstation Bosscheweg26.173 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

33 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. Heemkunde Vereniging Voor aanvullende informatie is contact gezocht met de plaatselijke Heemkundekring De Lange Vonder (d. d. juni 2019), maar dit heeft binnen het tijdsbestek van de uitvoering van dit onderzoek geen aanvullende informatie opgeleverd.

2. 8

Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel

Op grond van de gegevens uit het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld: Tabel 2. 4

Gespecificeerde archeologische verwachting

Archeologische periode

Gespecificeerde verwachting

Te verwachten complextype/resten

Relatieve diepte t. o. v. het maaiveld

(Laat-)Paleolithicum

Hoog/tijdelijke kampementen

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Mesolithicum

Hoog/tijdelijke kampementen

Kampementen, vuursteenstrooiingen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

33 Amersfoort & Kamphuis, 1990/Indicatieve

kaart Militair Erfgoed/Jong, 1969 – 1994/ Klep & Schoenmaker, 1995/Ruimingskaart/VEO Bom-

menkaart/Zwanenburg, 1990.

8943. 006 versie 1

16 / 23

Neolithicum

Laag/nederzettingen Middelhoog/off-site complexen

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, houtskool en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Bronstijd

Laag/nederzettingen Middelhoog/off-site complexen

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen en vuurstenen gebruiksvoorwerpen, metaalresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

IJzertijd

Laag/nederzettingen Middelhoog/off-site complexen

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Romeinse tijd

Laag/nederzettingen Middelhoog/off-site complexen

Akkerlaag en/of nederzettingssporen, grafvelden, rituele plaatsen: kleine fragmenten aardewerk, natuursteen, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Vroege-Middeleeuwen

Laag/nederzettingen Middelhoog/off-site complexen

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Late-Middeleeuwen

Laag/nederzettingen Hoog/off-site complexen

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Nieuwe tijd

Laag/nederzettingen Hoog/off-site complexen

Bewoningssporen van een (boeren)erf: kleine fragmenten aardewerk, metaalresten, glasresten, houtskool, botresten, organische resten en gebruiksvoorwerpen.

Onder maaiveld/in het antropogeen eerddek en in de top van de dekzandafzettingen.

Het plangebied ligt op een dekzandrug, vlak bij het beekdal van de Boerdonksche Aa. De huidige beekloop van de Boerdonksche Aa bevindt zich circa 250 m ten noorden en westen van het plangebied. Op de AHN is te zien dat de rand van het plangebied hoger ligt dan het centrale deel en de westelijke rand. Deze landschappelijke ligging is gunstig vanaf het Paleolithicum. Uit de archeologische gegevens die verzameld zijn uit het onderzoeksgebied blijkt dat er in de omgeving van het plangebied sporen van menselijke activiteit zijn waar genomen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Door archeologisch onderzoek is er een goed beeld van waar de jager-verzamelaars hun tijdelijke kampementen vestigden. De jager-verzamelaars waren afhankelijk van een aantal ecologische factoren, zoals het

8943. 006 versie 1

17 / 23

sb

Econsultancy

voedselaanbod

de

en

aanwezigheid

visserij

en

het verzamelen

vinden

op

het

dalletje

droge gronden

beken.

de

vennen

en

Laarbeek wordt

Heieindsche

overstromingsvlakten.

Loop,

In de

afzettingen

Voor de landbouwers

lang.®*

factor.

De

locaties

was

ook drinkwater

blijkt dat vooral

de

randen

het stroomdal

zijn

Voor akkerbouw

Vanaf de Middeleeuwen

gegroeid

locatie

is onder andere van

het

de

tot

werden

schriftelijke

er

van

belang

de

voor

In de

geweest. Op 20°

eeuw

basis

heeft

aantreffen

van

bewoningssporen

Late-Middeleeuwen

In het

hele

die en

als een

en

weerszijden

van

jacht,

het

naar en

de

van

de

resten

is

hoog/middelhoog.

eerddek

het

resten

verwacht onder het eerddek

bodem

en

de

oppervlakken kunnen

geval

en

in de

groot complex

van

onder eerddekken

zijn.

geldt

Er

bodem

gebied

akkerbouw

en

dan ook

sporen op.

die

de

van

locatie

voor

Dit soort

Deze

voorkomen

duidelijk

In het overgrote deel in de top

hier wordt ook wel

ongeroerde ondergrond

van

van

met

de

volgens

geldt

In het

tot en

van

het

doorgaande kunnen

zijn

historische

kern

de historische kaar-

agrarisch gebruik

plangebied

off-site

plangebied

oorspronkelijke

de

archeologische van

uit de

deze

ar-

De vondsten-

doorwerkte

fragmenten aardewerk,

het

De kans op

worden

C-horizont. een

kunnen voor

complexen

archeologische perioden. van

met

middel-

een

lage verwachting

een

‘cultuurlaag’ gesproken: kleine

een

dat het in het

aantreffen

uit alle

bewoning.

nederzettingen

herverkaveling plaatsgevonden. het

beHet

en

en

splitsingen

en

verwacht. Ook is het

voor

van

activiteiten worden

locatiekeuzes

langs kruisingen

Er

een

zuidelijk en noordelijk gelegen

nederzettingsresten

bekende

kaarten is het

zich

Voor het Neolithicum

nederzetting.

een

men

landbouw

ging

van

goede afwatering

een

veeteelt.

en

het aantreffen

van

Vanaf het Neolithicum

geschikte

tijd worden

keren

Bgllingveen

steentijdvindplaatsen aangetrof-

dan de

hoge verwachting

archeologische

resten

zich

het

perceelscheiding fungeerde.

kunnen

onder in het eerddek;

37

Nieuwe

plangebied

laag is opgenomen

5

gradiëntzone, er

in oude

natter

bekend

de historische

tijd.

tussen

te

de Aa

woonkernen.” Het plangebied ligt niet nabij

en

Nieuwe

cheologische

name

bereikbaar.®* Als

werd het kunnen uitvoeren

wordt de locatie

locatiekeuze

en

het voorkomen

de

met

was

de

Broekkant één

niet de meest

nauwelijks

voor

bronnen

eeuw

meerdere

er

greppels/sloten aanwezig zijn

en

van

voor

niet of

plek

was

ook in een

gebruikt

leveren

en

hedendaagse gehuchten

niet bebouwd

is geweest. dus

zijn

oppervlak-

vruchtbare

een

plangebied

daardoor

sporen uit de Late-Middeleeuwen

waar

ten

ook

wegen

gronden,

aan

ook

locatiekeuze.

op één

wonen

de

met

plangebied

belang bij de

van

blijven

kunnen aanvullen. Vanaf de 13°

lokale

voedsel

van

Mesolithicum.

en

Vroege-Middeleeuwen geldt lage verwachting hoge verwachting voor off-site fenomenen.

en

leefde

Ze

verloop heeft, bevindt

samen

het

—aan

Dit zou ook in het

een

gegevens

en

hoge

meanderend

een

het Laat-Paleolithicum

lagergelegen gronden als off-site fenomenen

beschouwd

natte

en

kunnen zich echter ook bevinden

plangebied lag waarschijnlijk lager en ruggen.

lage

zone

andere factoren

zijn

landschappelijke

De

naar

dit soort

aangrenzende

op één locatie. Om te kunnen

vestigen belangrijke

wortels.

vormt

in het stroomdal.°

hoge verwachting voor

een

locatie.

Dit soort

dat deels nog

Dergelijke vuursteenstrooiingen zelfs in

en

Op

gekeken

ondergrond. Geomorfologische gezien fen.

en

de

van

door jagers en verzamelaars zijn bewoond/gebruikt. In het noordelijke deel van het stroom-

Goorloop destijds van

hoge

zoals van

omgeving

noten, vruchten

van

beeld

in de

onder andere

overgangsgebied

dichtbij water, algemene

van

grondstoffen

van

oude

natuursteen,

(geanonimiseerd) Berkvens en [__ (geanonimiseerd) | 2021. (geanonimiseerd) Renes, 1999.

8943.006

versie

1

== Ò

le

G

DG uw

8 Ln Î Ed

18/23

vuursteen en houtskool. Archeologische sporen worden verwacht tot ongeveer 25 cm in de top van de C-horizont. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn gecon-

serveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. In het zuidelijke deel worden de archeologische resten direct aan of onder het maaiveld verwacht. De vondstenlaag wordt verwacht in de eerste 30 cm beneden het maaiveld. Archeologische sporen (uitgezonderd diepe paalsporen en waterputten) worden binnen 50 cm beneden het maaiveld verwacht. Deze archeologische resten bestaan hoofdzakelijk uit aardewerk- en/of vuursteenstrooiingen. Organische resten en bot zullen door de relatief droge en zure bodemomstandigheden slecht zijn geconserveerd. Het complextype en de omvang kunnen niet nader worden gespecificeerd door de beperkte gegevens. Bodemverstoring Dat een gebied een middelhoge of hoge archeologische verwachting heeft, betekent niet dat eventuele aanwezige archeologische resten behoudenswaardig zijn. De waarde van archeologische vindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate waarin grondsporen dan wel vondsten in situ bewaard zijn gebleven. Het plangebied is in het verleden in agrarisch gebruik geweest. Door ploegen kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden, die vanaf het maaiveld worden verwacht, mogelijk verloren zijn gegaan.

Daarnaast kunnen meer ingrijpende bodemverstoringen zijn veroorzaakt door bijvoorbeeld het egaliseren van een glooiend dekzandlandschap om de agrarische bewerking van het terrein te vergemakkelijken. Uit de provinciale ontgrondingenkaart blijkt dat het plangebied niet is ontgrond.

2. 9

Conclusie bureauonderzoek

Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden verwachting voor het plangebied is.

op

de vraag wat de gespecificeerde archeologische

Er geldt een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum en een lage verwachting voor het aantreffen voor nederzettingen uit het Neolithicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen. Waarschijnlijk werden deze als akkerland of voor veeteelt, waardoor er off-site fenomenen aanwezig kunnen zijn. Hiervoor geldt een middelhoge verwachting. Op basis van de historische kaarten geldt er een lage verwachting voor het aantreffen van bewoningssporen uit de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd. Op de kaarten zijn enkele perceelsgrenzen in de vorm van greppels/sloten te zien. Er geldt een hoge verwachting voor het aantreffen van off-site fenomen uit de Late-Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Gezien de omvang van het plangebied en de aanwezigheid van een hoge zwarte enkeerdgrond is in dit stadium de meest geschikte onderzoeksmethode een verkennend booronderzoek. Verspreid in het plangebied dienen boringen te worden gezet met als doel om inzicht te krijgen in de toestand van het bodemprofiel. Ook dient gekeken te worden naar de aanwezigheid van mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, die zichtbaar zijn als bodemverkleuringen. Door middel van het verkennend booronderzoek dient te worden vastgesteld of er binnen het plangebied archeologische resten in situ te verwachten zijn.

8943. 006 versie 1

19 / 23

En

Econsultancy

3

INVENTARISEREND

3.1

Doelstelling

VELDONDERZOEK

onderzoeksvragen

en

inventariserend veldonderzoek

Het

gische verwachting

aan

te vullen

antwoorden te vinden op wat de de

gevolgen zijn

het in het

van

(IVO-overig, verkennende fase) heeft door middel

te toetsen

en

is binnen

bodemopbouw

boringen.

van

het

tot doel

plangebied.

plangebied aangetroffen bodemprofiel

de

gespecificeerde

Het veldonderzoek

Ook dient te worden

voor

de

archeolo-

heeft tot doel

vastgesteld

wat

gespecificeerde archeologische

verwachting. Methoden

3.2

Het inventariserend veldonderzoek caat

grond

op

(KNA, juni

BRL SIKB 4000

versie 4.1, 19-02-2018 2019

door

archeoloog)

Plan

en

boringen zijn verspreid

edelmanboor

meetlinten

van

een

19-02-2018)

protocol 4003), specificatie

verkennend

booronderzoek, onder certifi-

Kwaliteitsnorm

en

Het

plangebied

binnen het

plangebied gezet.

systeem

bestaande

uit

gehouden

de

Nederlandse

Archeologie

VSO3. Voor het inventariserend veldonderzoek

in raaien

een

de

met

(diameter 10 cm)

logisch volgens

vorm

was

en

ingezaaid

is op

14

MA (KNa(geanonimiseerd) B

jonge

met

maïs

tijdens

het

vrij toegankelijk.

was

is rekening

versie 4.1,

Aanpak (PvA) opgesteld.

van

elkaar gezet, waardoor

ringen

(KNA,

in de

(geanonimiseerd) (senior KNA-archeoloog/senior KNA-prospector) BN

dr.

een

veldonderzoek

De

de

van

is uitgevoerd

zes

Archeologische

gelijkbenige

aanwezige verhardingen tot maximaal

boringen Standaard

y-waarden). ingemeten (x(AHN). en

en

De raaien

zijn verspringend ten opzichte van Bij het zetten van de bo-

driehoeken

ontstaat.

gebouwen.

In totaal

zijn er met behulp van

1,5 gezet (zie 14). Boorbeschrijvingsmethode beschreven.®® m

Van alle boringen is de

kaart

-mv

maaiveldhoogte afgeleid

een

De

boringen zijn

litho-

De

boringen zijn

met

van

het Actueel

Hoog-

tebestand Nederland

Aan de hand

van

het

Ook is gekeken

naar

verkleuringen.

Het

op het voorkomen leem

2e

en

opgeboorde de

aanwezigheid

opgeboorde van

materiaal van

materiaal

is beoordeeld

in hoeverre

er

sprake

is van

een

gaaf bodemprofiel.

mogelijke vegetatie- en/of cultuurlagen, zijn als bodemis in het veld door middel van versnijden/verkruimelen geïnspecteerd

archeologische indicatoren,

die zichtbaar

zoals

fragmenten vuursteen, aardewerk, houtskool,

verbrand

bot.

(geanonimiseerd) MN 2005.

maan

HONDRWWEd

20/23

3. 3

Resultaten

Geologie en bodem De resultaten van de boringen zijn opgenomen in de vorm van boorstaten en worden in bijlage 7 weergegeven. Op basis van deze boorprofielen kunnen de hoofdlijnen van de bodemopbouw als volgt worden weergegeven: Tabel 3. 1

Hoofdlijn bodemopbouw

Diepte

Samenstelling

Interpretatie

0 - 35 cm

Zand, matig fijn, donkerbruin, zwak siltig, zwak humeus

bouwvoor

35 - 90 cm

Zand, matig fijn, geelbruin/beigebruin, zwak siltig, gevlekt, sporadisch kleibrokken

(sub)recent opgebracht, geroerd

90 - 150 cm

Zand, matig fijn, beige tot lichtgrijs, zwak siltig, in top sporadisch roestvlekken, of gereduceerd door hoge grondwaterstand,

C-horizont (dekzandafzettingen)

De dikte van de bouwvoor varieerde tussen de 30 en 40 cm. Aan de zuidzijde van het plangebied, in boringen 1 en 2, is onder de bouwvoor een dunne gevlekte, geroerde laag waargenomen. Daaronder, op een diepte van circa 40 cm -mv, is de C-horizont aangetroffen. Deze had een lichtgrijze kleur en had op een diepte van tussen de circa 90 - 100 cm -mv bruingrijze vlekken, die waarschijnlijk op bioturbatie (geoxideerde plantenresten) wijzen. De grijze kleur wijst op natte en reducerende condities. De C-horizont kan daarom met grote waarschijnlijkheid geïnterpreteerd worden als in het Holoceen afgezet beekzand is (Formatie van Boxtel, Laagpakket van Singraven). Ook tijdens het bureauonderzoek is vastgesteld dat in het zuidelijke deel van het plangebied beekeerdgronden voor kunnen komen. Meer naar het noorden (boringen 3, 4, 5 en 6) lijken beneden de bouwvoor opgebrachte of verstoorde zandlagen voor te komen. De diepte van deze zandlagen varieert tussen de 90 en 110 cm -mv. Deze opgebrachte en/of geroerde lagen bestaan uit zand, matig fijn, grofweg grijs tot bruin gekleurd met beige, geel en/of oranje vermengd, (sterk) gevlekt, met sporadisch kleibrokken, en roestvlekken en gleyverschijnselen. Kleibrokken zijn bijvoorbeeld duidelijk waargenomen in boring 3. Het aangetroffen bodemprofiel wijkt deels af van het bodemtype zoals weergegeven op de Bodemkaart van Nederland (zie § 2. 5).

Op basis van deze kaart werd een hoge zwarte enkeerdgrond en beekeerdgrond verwacht. De hoge zwarte enkeerdgrond is niet waargenomen in de boringen. De bodemlagen die behoren tot de beekeerdgronden zijn wel aangetroffen in het zuiden van het plangebied. Archeologische indicatoren In geen van de boringen zijn archeologische indicatoren waargenomen. Het gaat hier echter om een verkennend bodemonderzoek, dat zich richt op de bodemopbouw en mogelijke bodemverstoringen die de archeologische trefkans kunnen beïnvloeden en niet zo zeer op het onderzoeken op de aanwezigheid van archeologische vondsten en/of sporen.

8943. 006 versie 1

21 / 23

3. 4

Conclusie veldonderzoek

Het veldonderzoek heeft tot doel antwoorden te vinden op wat de bodemopbouw is binnen het plangebied en wat de gevolgen zijn van het in het plangebied aangetroffen bodemprofiel voor de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van de boorresultaten kan geconcludeerd worden dat in het zuiden van het plangebied beekeerdgronden aanwezig zijn, en in het centrale en noordelijke deel van het plangebied een opgebrachte/ of geroerde laag op een C-horizont (dekzand; Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn niet waargenomen. Er zijn sterke aanwijzingen dat het plangebied binnen een nat dekzandlandschap ligt en dat de grondwaterstand binnen de 1 m -mv lijkt te liggen. Tevens blijkt uit de bestudering van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; zie paragraaf 2. 5 hierboven) en op basis van mondelinge informatie van de grondeigenaar dat rond 2000 het perceel geëgaliseerd is, waarbij een laagte in het centrale en westelijke deel van het plangebied is opgevuld. Deze laagte betrof een moerassige zone waarin een nauwelijks tot niet doorlatende kleilaag aanwezig was. Tijdens de egalisatiewerkzaamheden is deze kleilaag gebroken met als doel de doorlatendheid van de bodem te verbeteren. Kleibrokken van deze laag zijn in enkele van de uitgevoerde boringen waargenomen.

4

CONCLUSIE EN ADVIES

Het bureauonderzoek toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied kunnen bevinden. Daarom is aansluitend, op 19 juni 2019, een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase (IVO-overig) uitgevoerd. In totaal zijn ter plekke van het plangebied zes boringen uitgevoerd. In het zuiden van het plangebied zijn beneden de bouwvoor van circa 30 à 40 cm dik beekeerdgronden aangetroffen. In het centrale en noordelijke deel van het plangebied zijn beneden de bouwvoor een recent opgebrachte en/of geroerde zandlaag tot een diepte van tussen de 90 en 110 cm -mv aangetroffen, op dekzand (Chorizont). Hoge zwarte enkeerdgronden zijn niet waargenomen tijdens het verkennend booronderzoek. Zowel het bureauonderzoek als het booronderzoek duiden erop dat het plangebied in een relatief nat dekzandlandschap ligt. In recente tijden is het terrein ter plekke van het plangebied geëgaliseerd voor landbouwkundige doeleinden. Hierbij is een moerassige laagte in het centrale en westelijke deel van het plangebied opgevuld, en de hier aanwezige nauwelijks tot niet doorlatende kleilaag gebroken. De recente egalisatiewerkzaamheden konden tot een diepte van circa 90 à 110 cm -mv in de verkennende boringen worden waargenomen in het centrale en westelijke deel van het plangebied.

Op basis van het verkennend booronderzoek kan de archeologische verwachting ter plekke van het plangebied naar laag worden bijgesteld voor alle perioden, ook voor off-site fenomenen uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Ten eerste lijkt het plangebied gesitueerd te zijn in een relatief laag gelegen en nat deel van het lokale dekzandlandschap, waar ook holocene beekafzettingen voorkomen. Hierdoor lijkt het plangebied door de tijd heen minder geschikt geweest voor bewoning en bijhorende activiteiten. Ten tweede lijkt de bodemopbouw ter plekke van het plangebied in meer of mindere mate verstoord te zijn door recente

8943. 006 versie 1

22 / 23

egalisatiewerkzaamheden. Anders dan op basis van het bureauonderzoek verwacht werd, ontbraken hoge zwarte enkeerdgronden dat eventueel aanwezige archeologische waarden heeft beschermd tegen bodemingrepen. Daarnaast is alleen een C-horizont in de top van het dekzand waargenomen, en geen intact podzolprofiel. Gegeven de resultaten van het bureauonderzoek en verkennend booronderzoek, adviseert Econsultancy om het plangebied vrij te geven. Bovenstaand advies is van Econsultancy. Er is, op grond van de gebruikte onderzoeksmethode, geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven. Over de aan- of afwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig uitsluitsel worden gegeven. Aan dit advies kunnen geen rechten worden ontleend. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Laarbeek), die vervolgens het advies over neemt of niet. Als het plangebied nu of in de toekomst door de gemeente Laarbeek wordt vrijgegeven voor bodemroerende werkzaamheden, dan blijft er, volgens artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit juli 2016, een meldingsplicht bestaan. Eventuele archeologische resten die bij werkzaamheden worden aangetroffen moeten worden gemeld bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, c. q. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Het is verder raadzaam om ook de gemeente Laarbeek op de hoogte te stellen.

8943. 006 versie 1

23 / 23

sb

Econsultancy

LITERATUUR

Amersfoort,

(geanonimiseerd) 1990: Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied. ‘s- Gravenhage. |

H. &

(geanonimiseerd) A, DN ologie

Fysische Geografie

2008:

de

en

geomorfologie.

Nederland, deel 1: De vorming

van

van

het land.

Inleiding

in de ge-

WN

(geanonimiseerd) Assen.

(geanonimiseerd) 2!H.M. van den, 2011: inventariserend Veldonderzoek, verkennend booronderzoek. WN PN (geanonimiseerd) te Beek

Donk, gemeente Laarbeek. Synthegra Rapport S110022.

en

Berkvens, R., &

(geanonimiseerd) 2021: Actualisatie archeologische verwachtingen- en waardenkaart gemeente Laar|

beek, Eindhoven.

(geanonimiseerd) J.H.A., | NITG

2005:

Archeologische

Standaard

Boorbeschrijvingsmethode,

Versie

5.2.

(TNO-rapport,

Utrecht

05-043-A).

MN

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) KE (geanonimiseerd) KN ON <<<), plaggendekken 34).

(geanonimiseerd) DN A.M... provincie

in Nederland:

2006:

De

onderzoek

archeologie

Noord-Brabant

van

(Helmond,

en

een

beleid.

nat

Amersfoort.

en

en

(Nederlands Archeologische

Rapporten

onderzoek

de PW205,

cultuurlandschap;

Aarle-Rixtel, Beek

2007: Essen in zicht. Essen

in het tracé

van

Donk) (Amsterdam Archeologisch

Centrum

rap-

port 40), Amsterdam. 1969-1994: Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. (geanonimiseerd) |

‘s- Gravenhage.

Kalisvaart, C.C, 2018: Plangebied N279, traject Veghel-Asten, gemeenten Meierijstad, Laarbeek, Gemert-Bakel, Helmond, Deurne

Klep C.

&

en

Asten. Inventariserend veldonderzoek

(verkennende fase).

(geanonimiseerd) 1995: De Bevrijding Van Nederland 1944-1945 |

Koeman, S.M., 2011: Bureauonderzoek te Beek

en

en

Donk, gemeente Laarbeek.

-

BAAC

Rapport V-18.0017.

Oorlog op de flank.

Den

Inventariserend Veldonderzoek, karterend booronderzoek.

Synthegra Rapport

Haag.

(geanonimiseerd)

S$110087.

2016: Beek en Donk, plangebied EVZ Voorbeemd. Archeologische begeleiding con(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) | |

form protocol opgraven. BAAC-rapport

(geanonimiseerd) Nr.

&

A-14.0122.

(geanonimiseerd) 1990: Bodemkunde van Nederland. Deel 1: Algemene bodemkunde. |

Malmberg,

Den

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) nn Uitgeverij

maan

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) NN

(geanonimiseerd) (ree), 2005: Nederlandin de prehistorie. DN

Bert Bakker, Amsterdam.

HONDRWWEd

sb

Econsultancy

(geanonimiseerd) Ac. % ON (geanonimiseerd) 2012: Plan van Aanpak booronderzoek N279-Bosscheweg te Beek en Donk in de EN gemeente Laarbeek. Econsultancy, Swalmen.

(geanonimiseerd) EN (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) NN (geanonimiseerd) KE land.

20:

(ec):

De

ondergrond

van

Neder-

Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten.

Nilesen, R.,

(geanonimiseerd) < MN (geanonimiseerd) 2009: MEN (geanonimiseerd) te geek en donk, gemeente Laarbeek. Synthegra Rapport GN

S090222.

Renes, J., 1999: Landschappen

plangebied

Noord-

en

van

Environmental

Zwanenburg G.J,

maan

en

Peel.

Midden-Limburg. Eisma,

Stichting voor Bodemkartering, Wageningen

Maas

1981:

Bodemkaart

Een toegepast

historisch-geografisch onderzoek

Leeuwarden.

van

Nederland, schaal 1:50.000, blad 51 Oost/Eindhoven.

Research, 2017: Geomorfologische Kaart

1990: En nooit

was

het stil

-

in het streek-

Kroniek

van

een

van

luchtoorlog.

HONDRWWEd

Nederland

Emmen.

(2017),

schaal 1:50.000.

En

Econsultancy

BRONNEN Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, juni

2023.

https://archis.cultureelerfgoed.nl Atlas

ODZOB, juni 2023.

https://atlas.odzob.nl/portal/apps/MapSeries/index.html?appid=a8353b45304a467fbbd272881296Sdbf Beeldbank

Rijksdienst voor

het Cultureel

Erfgoed; internetsite, juni 2023 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Brabant.nl; internetsite, juni 2023.

https://noord-brabant.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=1dab0b45b3234fffa8090a4bc3ae06f8

Cultuurhistorische Waardenkaart

van

de Provincie

Noord-Brabant; internetsite, juni 2023.

http://www.brabant.nl/kaarten.aspx Data

Archiving and Networked Services DANS-Easy; internetsite, juni https://easy.dans.knaw.nl/uifhome

2023.

Dinoloket; internetsite, juni 2023.

http://www.dinoloket.nl/ Gelders

Archief; internetsite, juni 2023.

https://www.geldersarchief.nl/ Heemkundekring

De

Lange Vonder; internetsite, juni

2019.

(geanonimiseerd) nn, Indicatieve

kaart Militair

Erfgoed; internetsite, juni

2023.

http://www.ikme.nl/ Kadaster, Basisregistratie Adressen

(BAG); internetsite, juni 2023. https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.searchtt/metadata/1cOdcc64-91aa-4d44en

Gebouwen

a9e3-54355556f5e7.

Kadaster, Basisregistratie Kadaster (BRK); internetsite, juni 2023.

https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.searcht/metadata/ff9315c8-f25a-4d019245-Scf0583 14ebf.

Kadaster, Basisregistratie Topografie (BRT) (2021) ‘TOP25raster’; internetsite, juni 2023. https://www.natio-

naalgeoregister.nl/geonetwork/srv/api/records/44061dee-cbcf-4a94-8513-7370867ad32e.

maan

HONDRWWEd

sb

Econsultancy

Kadaster, Landelijke Voorziening Beeldmateriaal (2021); internetsite, juni 2023.

https://www.nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/c82a783a-9a58-4761a809-b4c5dS90ded35.

Kadaster

Topotijdreis; internetsite, juni 2023.

http://www.topotijdreis.nl/ NGR/Wageningen

Environmental

Research

(2018),

‘BRO

-

Bodemkaart

van

Nederland

1:50.000' internetsite,

juni

2023.

https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=11F26FB095CADOE1DEAC7C8A4B52DAD#/metadata/ed960299-a147-Acla-bc57-41ff83a2264f. NGR/Wageningen ternetsite, juni

Environmental

Research

(2019)

BRO

-

Geomorfologische

Kaart

van

Nederland

1:50:000, in-

2023.

https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search#/metadata/459231d0-7379-4f26-a4447616e1d888f0.

Openbasiskaart.nl, internetsite, juni https://www.openbasiskaart.nl/ Portaal

2023.

ruimtelijke plannen; internetsite, juni http://www.ruimtelijkeplannen.nl/web-roo/roo/ voor

Publieke

Dienstverlening Op

de

Kaart

2023.

(PDOK); internetsite, juni 2023.

https://pdokviewer.pdok.nl PDOK/Rijkswaterstaat (2018)

‘Actueel

Hoogtebestand

Nederland

3

WCS'; internetsite, juni

2023.

https://nationaalgeoregister.nl/geonetwork/srv/dut/catalog.search;jsessionid=46C4686376C42712F153C906CGBEBICDH/metadata/bfcc588f-9393-4c70-b98I-dIeI2ac2f493. Ruimingskaart; internetsite, juni h

p://

www.

2023.

(geanonimiseerd) Bn /ruimingskaart/

WW KB; internetsite, juni 2023. s

ps://www.sikb.nl

Topotijdreis:

jaar topografische kaarten; internetsite, juni https://www.topotijdreis.nl VEO

200

Bommenkaart; internetsite, juni 2023. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/

2023.

KAARTEN

Kaart 1.

Het plangebied op de topografische kaart (1:25. 000)

Kaart 2.

Het

plangebied op de kadastrale kaart

(geanonimise rd)

ge

Econsultancy 20

30

40

50 m

171050 actualisatie bureauonderzoek Het plangebied

op de kadastrale

Legenda

CJ}

Plangebied perceel

LJ]

en

bebouwing

verkennend booronderzoek N279-Bosscheweg kaart. Bron: Kadaster,

BRK.

in Beek

en

Donk, gemeente Laarbeek

(8943.006).

Kaart 3.

Het plangebied op een luchtfoto uit 2022

Kaart 4.

Het plangebied op de gemeentelijke beleidskaart

Kaart 5.

Het plangebied op de Geomorfologische kaart 1: 50. 000 van Nederland

Kaart 6.

Het plangebied op het actueel hoogtebestand (AHN3)

Kaart 7.

Het plangebied op de bodemkaart

Kaart 8.

Archeologische waarden en onderzoeken rondom het plangebied

Kaart 9.

Het plangebied op de minuutkaart

Kaart 10.

Het plangebied op de militaire topografische kaart uit 1912

Kaart 11.

Het plangebied op de topografische kaart uit 1953

Kaart 12.

Het plangebied op de topografische kaart uit 1973

Kaart 13.

Het plangebied op de topografische kaart uit 1991

Kaart 14.

Boorpuntenkaart

BIJLAGEN

Bijlage

Overzicht

1.

Ouderdom in

geologische

en

archeologische tijdvakken

Chronostratigrafie

jaren

Holoceen 11.755

1 Late

Dryas (koud)

Laat-

Allergd

13.675}

Weichselien

dán

Glaciaal)

(warm) Vroege Dryas

(Laat-

D, El |elS|

Ee

|S)

S|2\

0 2|

50.000

(koud)

2

4

Laat-

Pleniglaciaal MiddenWeichselien

(Pleniglaciaal)

Vroeg-

4 5

Vroeg-

5

5 8

Kj 115.000

MEGEN,

2

EZ} KU

4

IE

mood

=|

Ee 8 ke]

(geanonimiseerd) -

(warme periode)

[2

en

4

Formatie van

Beegden

5d Eem

5 e

Formatie Formatie Drente

van

6 Formatie van

(| geanonimise rd)

(ijstijd)

HE

Cromerien 850.000}

Formatie >

nl

>

>

2.600.000

s

van

Pre-Cromerien

Formatie Peelo

van

(warme periode)

8

van

Boxtel

_

Elsterien 475.000

.

5a

5c

(geanonimiseerd) (ijstijd) |

‚n

Formatie

4

(VroegGlaciaal)

en

8

van

Sb

(warme periode)

4

Formatie

Kreftenheye

Weichselien

Eemien

a

130.000

370.000

3

Bi eniglaciaa g

ialaci

Pleniglaciaal

fo

|

Bglling warm)

2

J

28.000

75.000

Formaties: Naaldwijk (marien), Nieuwkoop (veen), Echteld (fluviatiel)

+

12.745

15.700

Lithostratigrafie

MIS

mm

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) Cal. vin Chr. 1950 u

Har:

C

Pollen

Chronostratigrafie tarafi

jaren od

:

-

00

kj

N

Vb1

koeler

vochtiger

Fez

haagbeuk cultuurplanten

veel

Subboreaal

koeler

droger

5

Loofbos eik en hazelaar

Bronstijd

mv,

b euk>1% invloe n landbouw

-

50008

(granen)

5

lolo maks =

4900

eik, els en hazelaar

vochtig

linde een

8000

den

Boreaal

ÜI}

warmer

ol |S

sooo

8800 10.150

12.745

10.800-J

13.675

11.800

14.025

12.000-4

Late

Laat-

Allerd

Weichselien Laat-

4

Dryas

das

15.7004

Ko}

E16) sl]

75.0004

&

s

den

overheersend

d

|

parklandschapmet

{open

Midden-

ih

vegetatie

perioden met

een

perioden

een

poolwoestijn

Weichselien

(Pleniglaciaal)

met

en

toendra

Vroeg-

perioden met en perioden

(Vroeg-

Glaciaal)

bos

een

met subarctisch

open

landschap Midden-Paleolithicum

n

ale

loofbos

{warme periode)

130.0004

Laat-Paleolithicum

B

Weichselien 115.000

s6

kruiden en berkenbomen

13.0008e2

Sr

35.000

n

berk berk enen laterTa

open LW

Bglling

eerst t

edenbosson

LWL)

—

EF cie

Mesolithicum

P amklandscha p

wm}

Vroege Dryas ge

kel

rol

overheerst lid.

warmer 11.755

grote

hazelaar, eik, iep,

Preboreaal

5

—

overheersen in zuiden speelt

UI

warm

=5300

8240

Neolithicum

Loofbos

Atlanticum

7020}

i

Re

ä

Kij

37554

tijd

Ivb

—

|- 2000

Romeinse

Izertijd

Va 2650

u

rogge, boekweit, korenbloem

800 815

tijd

Middeleeuwen

overheersen

Subatlanticum

s

Nieuwe

Loofbos eik en hazelaar

vez

_450

-

Archeologische perioden

Vegetatie

zones

Ld ® ® o

Kaj W,

a.

Ko}

|- 300.000

(geanonimiseerd) BN stie)

c 0 ke}

EÀ

=S

Vroeg-Paleolithicum

(1974),

Chronostratigrafie

HN

amd

voor Noordwest-Europa volgens (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (1985) en (geanonimiseerd) et al. (2003). Lithostratigrafie Atmosterische data volgens (geanonimiseerd) et al. (1998). volgens (geanonimiseerd) al. (2003). Mariene isotoop stadium IS) volgens (geanonimiseerd) Et al. (1994). Zuurstofisotoop calibratie (OxCal) versie 3.9 (geanonimiseerd) (2003), toegepast op het Laat-Weichselien en het Holoceen. en ouderdom de voor het Bodemonderzoek Archeologische periode-indeling volgens ijksdienst Oudheidkundig (ROB). Pollenzones volgens (geanonimiseerd) & (geanonimiseerd) (2005). Vegetatie bewerkt volgens (geanonimiseerd)

Ba 2000).

mm

ni

Bijlage 2.

Onderzoeksmeldingen

Zaaknummer

(OMnummer)

Locatie

Aard, uitvoerder

2452245100

aangrenzend ten noorden het plangebied te Veghel Gemeente Coördinaat:

van

Datum:

171170/395909

van

het onderzoek

Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: Veghel Uitvoerder:

Laarbeek

resultaten

en

BAAC

BV

24-1-2018

Resultaat: Het bureauonderzoek

wordt uitgevoerd voor de plannen om de verkeersproblematiek van provinciale weg N279 aan te passen door de aanleg van de Noordoostcoridor. Voor deze aanleg is een voorkeursalternatief vastgesteld wat bestaat uit een opwaardering van de N279 en de aanleg van een oostwestverbinding. Voor de MER studie wordt een bureauonderzoek uitgevoerd. Type onderzoek: booronderzoek de

4584377100

aangrezend ten het plangebied te Veghel Gemeente Coördinaat:

noorden

van

Uitvoerder: Datum:

Laarbeek

BAAC

BV

2018-01-24

Resultaat:

171170/395909

Het

noordelijke deel van deelgebied 3 ligt op de Midden-Brabantse zandrug, waarvoor een hoge verwachting geldt op het aantreffen van nederzettingsresten en/of jachtkampjes. Verder naar het zuidoosten toe komen plaatselijk dekzandkopjes voor in een veelal natte beekoverstromingsvlakte. Rondom de Gemertseweg en nabij de Aa bestaat een hoge kans op het aantreffen van historische boerenerven en bijbehorende gronden met bijgebouwen. Zone 14, gelegen ten noordoosten van de N279, heeft een middelhoge verwach ng toebedeeld gekregen. De middelhoge verwachting kan worden verklaard door de aanwezigheid van een dekzandvlakte; de oostelijke uitloper van een dekzandrug die zich ten westen van de N279 bevindt. Ter hoogte van deze zone komen nattere, deels afgetopte veldpodzolgronden voor. Voor

(geanonimiseerd)

de gebieden met een verwachting op zowel archeologische resten uit de steentijd, de prehistorie en/of de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd wordt geadviseerd een karterend booronderzoek of een karterend/waarderend proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Geadviseerd wordt om bij eventueel natte omstandigheden een karterend booronderzoek uit te voeren indien er sprake is van gooreerdgronden. Een proefsleuvenonderzoek wordt in de overige gevallen geadviseerd indien er sprake is van veldpodzolen, oude bouwlandgronden en/of archeologische verwachtingen op begravingen. Een karterend booronderzoek is voor de meeste archeologische complextypen met bijbehorende bodemopbouw niet de geëigende onderzoeksmethode. Type onderzoek: bureauonderzoek Toponiem: (geanonimiseerd) Uitvoerder: Synthegra BV

Gemeente

Datum:

2248814100

350 meter

(35752)

plangebied

Coördinaat:

5306401100

300 meter het

ten

oosten

het

van

Laarbeek 170982/396099

ten zuidoosten

van

plangebied

te Beek

en

Gemeente Coördinaat:

22-6-2009

Resultaat:

Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor het westelijk deel van het plangebied en het hogere terrein in het centrale deel van het plangebied vervolgonderzoek geadviseerd. Deze terreindelen liggen relatief hoog en zijn naar verwaching afgedekt met Voor deze delen geldt ook een hoge verwachting voor het Laat-Paleolieen plaggendek. thicum tot en met de Vroege-Middeleeuwen (westelijke deel) en een hoge verwachting voor de Late-Middeleeuwen en de Nieuwe tijd (westelijke deel en centrale deel). Op basis van deze verwachting en de aanwezigheid van een plaggendek wordt volgens de richtlijbooronderzoek geadviseerd om de nen van de provincie Noord-Brabant een verkennend bodemopbouw in kaart te brengen en daarmee het verwachtingsmodel te toetsen. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Aeres

Donk

Datum:

Laarbeek

Resultaat:

171396/395552

Milieu

2022-11-03

In Archis

zijn

alleen de eerste

Op

van

het

bevindingen bekend: uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat het plangebied op een gradiëntzone ligt. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (hoog voor Laat-Paleolithicum, Mesolithicum en (middel)hoog voor Neolithicum Nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. Type onderzoek: booronderzoek Toponiem: (geanonimiseerd) basis

-

2326663100

350 meter

(46399)

plangebied

ten

oosten

van

het

(geanonimiseerd) te Beek en Donk Gemeente Coördinaat:

Laarbeek 171594/395633

Uitvoerder: Datum:

Synthegra

8-5-2011

Resultaat: Dat de

bovengrond

recent

en

vrijwel in één keer

is

opgebracht, blijkt ook uit het diepploe-

gen. Diepploegen is pas in de 20° eeuw op grote schaal toegepast. Pas na het diepploegen is de podzol-/beekeerdgrond verstoord, wat aangeeft dat de grond niet eerder als bouwland is gebruikt. Anders zou de podzolgrond door verploeging geheel zijn verdwenen en opgenomen in de opgebrachte laag.

of grotendeels

Tijdens het karterend booronderzoek zijn in de deelgebieden A1 en A2 intacte en deels intacte podzolgronden aangetroffen, maar ook veel verploegde podzolgronden. Tijdens het onderzoek zijn geen indicatoren gevonden die wijzen op de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats. Een eventuele vuursteenvindplaats in het plangebied zal gezien de grote hoeveelheid deels intacte en verploegde podzolgronden ook niet meer in situ liggen. Op grond van het ontbreken van indicatoren is de hoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum voor de deelgebieden A1 en A2 naar laag bijgesteld. In de rest van deelgebied A en in deelgebied C gold op basis van het verkennend booronderzoek al een lage verwachting voor vuursteenvindplaatsen. De resultaten van het karterend booronderzoek geven geen aanleiding om deze verwachting bij te stellen. heel deelgebied Ais op basis van het verkennend booronderzoek een hoge verwachng toegekend voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. De diepere grondsporen kunnen tot in de C-horizont reiken en zijn mogelijk nog intact, ook ter plaatse van de verploegde bodemprofielen en de AC-profielen. Tijdens het karterend booronderzoek zijn echter geen indicatoren aangetroffen, die wijzen op vindplaats uit deze periode.

Daarom is de hoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd voor deelgebied A naar laag bijgesteld. Aan

Op grond breken is voor 5306848100

400 meter het

ten zuidoosten

van

plangebied

te Beek

onderzoek:

Uitvoerder: Aeres

Donk

Datum:

Laarbeek

Resultaat:

en

Gemeente

Type

de gediepploegde bodem, het recent opgebrachte pakket grond en het ontindicatoren, die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats, het plangebied geen vervolgonderzoek geadviseerd.

Coördinaat:

van

van

171467/395521

booronderzoek Milieu

2022-11-03

In Archis

zijn

alleen de eerste

Op

van

het

bevindingen bekend: uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat het plangebied op een gradiëntzone ligt. Hierdoor is de kans groot dat archeologische resten in de ondergrond kunnen worden aangetroffen. De in het vooronderzoek opgestelde archeologische verwachting (hoog voor Laat-Paleolithicum Mesolithicum en (middel)hoog voor Neolithicum Nieuwe tijd) blijft dan ook gehandhaafd. Type onderzoek: archeologische begeleiding Toponiem: Beek En Donk basis

-

2444729100

450 meter

(61733)

plangebied

ten zuiden

van

het

(geanonimiseerd) te Beek en Donk

Uitvoerder:

Gemeente

Datum:

Laarbeek

Coördinaat:

171594/395633

BAAC

BV

21-5-2014

Resultaat:

Tijdens

de

archeologische begeleiding zijn

in totaal 37 spoornummers

uitgedeeld, waarvan

zestien mers

spoornummers zijn uitgedeeld aan sloten en greppels. Van de overige spoornumzijn derfien aan (bodem)lagen uitgedeeld, drie aan grondverbeteringssporen (sporen

2006, 3003

en 8001), twee aan paalkuilen (sporen 2003 en 2004) en drie aan recente verstoringen. Twee greppels (sporen 1002 en 2002) zijn gedocumenteerd. Greppel spoor 1002 is niet dieper dan 30 cm onder het vlak gecoupeerd vanwege het opkomende grondwater. De greppels zijn waarschijnlijk gegraven ter ontwatering van het gebied. Daarnaast zijn in werkput 2 langs greppel spoor 2002 oeverpaaltjes (sporen 2003 en 2004) aangetroffen. De greppels en de oeverpaaltjes dateren in de nieuwe tijd. Op de kadastrale kaart uit 1832 zijn in het plangebied perceelsgrenzen zichtbaar waarvan de oriëntafie en dikwijls de ligging overeen komt met de aangetroffen greppels.

In alle der

putten is een soortgelijke profielopbouw te zien.

5295735100

450 meter

ten

noorden

van

plangebied

het

vaak

Datum:

Gemeente

Resultaat:

Coördinaat:

171210/396338

B-horizont

en

daaronder

recente bouwvoor met

hieron-

de C-horizont.

Op basis van de aangetroffen sporen in het plangebied volgt de conclusie dat de archeologische waarden dermate schaars aanwezig zijn dat het onderzochte plangebied Voorbeemd niet in aanmerking komt voor behoud of voor verder onderzoek. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau

te Boerdonk

Meierijstad

verrommelde

Een

Volgens de bodemkaart zouden in de zuidwestelijke hoek van het plangebied nog donkere enkeerdgronden voorkomen, maar dit was niet (meer) het geval. een

2022-09-27

Het

plangebied maakt deel uit van het Zuid-Nederlandse dekzandlandschap. Op de geomorfologische kaart ligt het gebied op een dekzandrug, ongeveer 75 m ten noorden van het beekdal van de Boerdonksche Aa. Volgens de bodemkaart ligt het plangebied in een Het veldonderzoek heeft uitgewezen dat er in zone met een hoge zwarte enkeerdgrond. het plangebied sprake is van een A-C profiel, en dat de oorspronkelijke podzolbodem, en mogelijk een plaggendek daarboven, vrijwel geheel is verdwenen. In het plangebied bevinden zich geen archeologische monumenten of vindplaatsen. Eromheen (straal ca. 1 km) bevinden zich een aantal vindplaatsen, alsmede onderzoeken. Daaruit blijkt dat er vooral sprake is van verstoorde (podzol)bodems en wat resten van bewoning, infrastructuur en landbouw uit de Nieuwe tijd. Van vroegere perioden zijn er een stenen bijl uitde periode Mesolithicum-Neolithicum, een vuurstenen afslag uit het Neolithicum en een fragment van een bolpot uit de Vroege-Middeleeuwen te melden. Er geldt een hoge verwachting voor vindplaatsen van jager-verzamelaars (kampementen uit de periode Laat-Paleolithicum Neolithicum) en landbouwers (resten van bewoning, begraving, landbouw en infrastructuur). -

2227592100 (32773)

500 meter ten noordwesten van het plangebied te Beek en Donk Gemeente Laarbeek Coördinaat: 170565/396017

Omdat er vanwege de verstoorde bodem geen archeologische resten meer worden verwacht, wordt verder onderzoek niet zinvol geacht. Type onderzoek: booronderzoek Uitvoerder: Archeopro Datum: 2009-01-14 Resultaat: Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het plangebied een hoge verwachting voor wat betreft de aanwezigheid van archeologische resten uit alle perioden daterend vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Om de kans op het aantreffen van archeologische indicatoren zo groot mogelijk te maken zijn binnen het 0,84 hectare grote plangebied 20 boringen gezet met behulp van een zandguts en een megaboor. Uit het met de zandguts verrichte onderzoek blijkt dat er sprake is van een ongeveer 70-80 cm dik esdek met daaronder resten van een veldpodzol. De bodem onder het esdek is nog redelijk intact. Archeologische indicatoren in de bodem onder het esdek die eenduidig wijzen op bewoning zijn niet aangetroffen. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt mede in aansluiting op het beleid van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot terreinen met een hoge archeologische verwachtingswaarde en een voldoende intacte bodem onder een esdek, geadviseerd archeologisch vervolgonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren indien de geplande graafwerkzaamheden dieper zullen reiken dan 50 centimeter beneden het huidige maaiveld.

Bijlage 3. Zaaknummer (Waar-

Vondstmeldingen Locatie

Omschrijving

250 meter ten noordoosten van het plangebied Middenweg te Boerdonk Gemeente Laarbeek Coördinaat: 171362/395973 500 meter ten zuidwesten van het plangebied Voorbeemd te Beek En Donk Gemeente Laarbeek Coördinaat: 170840/395280 500 meter ten zuiden van het plangebied De Hoeff ; De Rietkampen te Beek En Donk Gemeente Laarbeek Coördinaat: 171300/395230

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - 3 fragmenten van roodbakkend geglazuurde kommen/(voet)schalen

ne-

mingsnr. ) 4584377100

3149818100

2955775100

Late-Middeleeuwen - Nieuwe tijd : - fragmenten van keramische vaatwerk - loden onderdeel van een vuurwapen Late-Middeleeuwen : - 4 fragmenten van roodbakkend geglazuurd aardewerk - 2 fragmenten van Paffrath aardewerk

Bijlage 4.

Bewoningsgeschiedenis

Als aanvullende informatie wordt hieronder derland weergegeven.

een

van

Nederland

algemene ontwikkeling van de bewoningsgeschiedenis van Ne-

Paleolithicum (tot circa 8800 v. Chr. ) De vroegste bewoningssporen in Nederland uit deze periode dateren uit de voorlaatste ijstijd, circa 300. 000130. 000 jaar geleden. Waarschijnlijk hebben in de koudste fasen van de ijstijden in Nederland geen mensen geleefd. Daarentegen was bewoning in de warmere perioden wel mogelijk. De mensen die hier toen leefden trokken als jagers/vissers/verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. Veranderingen in het klimaat zorgden voor een veranderende flora en fauna. Tijdens de koude perioden bestond het groot wild onder meer uit rendieren, mammoeten, paarden en steppewisenten. Vooral op paarden en rendieren werd in het Laat-Paleolithicum intensief jacht gemaakt. Tijdens de warmere perioden werd er onder andere op herten, wilde zwijnen en oerossen gejaagd. Mesolithicum (circa 8800-4900 v. Chr. ) Rond de overgang van het Pleistoceen naar het Holoceen (circa 9000 v. Chr. ) verbeterde het klimaat voor een langdurige periode. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor de variatie in flora en fauna (o. a. bosontwikkeling) toenam. De mens kreeg nu de mogelijkheid om meer gevarieerd te eten: vruchten en andere eetbare gewassen stonden nu vaker op het menu.

Doordat de temperatuur steeg, trok het groot wild (met name rendieren) naar het noorden, en maakte plaats voor meer territorium gebonden klein wild, vogels en vissen. Door deze veranderende leefomstandigheden werd de jachttechniek aangepast. De vuursteen bewerkingstechniek hield met deze ontwikkeling gelijke tred. Er werden kleine vuursteenspitsen vervaardigd die als pijl- en harpoenpunt werden gebruikt. Met de stijging van de temperatuur begon het landijs te smelten en de zeespiegel te stijgen. Het tot dan toe droge Noordzee-Bekken kwam onder water te staan. De groepen jagers/vissers/verzamelaars wisselden nog wel van locatie maar exploiteerden kleinere gebieden. In het voorjaar viste men in de rivieren, tijdens de zomer leefde men voornamelijk langs de kust, waar naast vis en schaaldieren ook zeehonden als voedselbron dienden. In de herfst verzamelde men noten en vruchten, terwijl in de winter op onder meer pelsdieren werd gejaagd. Neolithicum (circa 5300-2000 v. Chr. ) Aan het begin van deze periode gingen het jagen, vissen en verzamelen een steeds minder belangrijke rol spelen. Men ging nu zelf cultuurgewassen telen en dieren houden bij het kamp.

Uit vondsten valt af te leiden dat het om twee groepen mensen gaat, enerzijds kolonisten met een vrijwel agrarische levenswijze, anderzijds om de autochtone mesolithische bevolking die een half agrarische levensstijl erop na gaat houden. Deze verandering ging gepaard met enkele technologische en sociale vernieuwingen zoals: het wonen op een vaste plek in een huis, het gebruik van vaatwerk van (gebakken) klei en de introductie van geslepen stenen dissels en bijlen. De bevolking groeide nu gestaag, mede door de productie van overschotten. Uit het Neolithicum zijn verschillende nu nog zichtbare grafmonumenten bekend, te weten grafkelders, hunebedden en grafheuvels. Bronstijd (circa 2000-800 v. Chr. ) Het begin van dit tijdvak valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen zoals bijlen. Vuurstenen werktuigen bleven, zij het minder, in gebruik. Het aardewerk uit deze periode is over het algemeen tamelijk zeldzaam. Vuursteenmateriaal uit de Bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Lange tijd bleven bronzen voorwerpen zeer schaars binnen Nederlands grondgebied. Door het van nature ontbreken van de benodigde grondstoffen moest het brons worden geïmporteerd en ontstonden er handelscontacten over langere afstanden. Eén en ander had wel tot gevolg dat er binnen de bevolking grotere verschillen ontstonden door verschillen op basis van bezit.

De grafheuveltraditie, die tijdens het Neolithicum haar intrede deed, werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 v. Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden.

Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, omgeven door een greppel. Een Kopertijd voorafgaand aan de Bronstijd wordt in Noordwest-Europa niet onderscheiden, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het Middellandse Zeegebied. Wel zijn uit het Laat-Neolithicum koperen voorwerpen bekend. IJzertijd (circa 800-12 v. Chr. ) In deze periode werden voor het eerst ijzeren voorwerpen vervaardigd. Voor de productie van werktuigen en wapens werd brons vervangen door ijzer. Er ontstond een inheemse ijzerproductie. Het gebruik van vuursteen voor het vervaardigen van werktuigen duurde nog in beperkte mate voort. Ten opzichte van de Bronstijd traden er in de aardewerktraditie geen radicale veranderingen op. Evenals in het Neolithicum en de Bronstijd woonden de mensen in verspreid liggende hoeven ('Einzelhöfe') of in nederzettingen bestaande uit maar enkele huizen; deze werden in een beperkt gebied nogal eens verplaatst. Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (raatakkers). Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand (bezit van metalen voorwerpen), die mogelijk op sociale ongelijkheid duiden. In de zogenaamde vorstengraven uit Zuid Nederland, met daarin luxe, geïmporteerde bijgaven, zijn vermoedelijk lokale of regionale autoriteiten begraven.

De meeste begravingen vonden nog immer plaats in urnenvelden. Tijdens de IJzertijd werd het Friese kustgebied gekoloniseerd en ontstonden de eerste terpen. Romeinse tijd (circa 12 v. Chr. - 450 n. Chr. ) Met de komst van de Romeinen eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. Aangezien de schriftelijke bronnen slechts een zeer fragmentarisch beeld schetsen, is men toch nog in belangrijke mate aangewezen op de archeologie als informatiebron. Een tijd lang diende het Nederlandse rivierengebied als uitvalsbasis voor veldtochten in het noorden van Germanië. In 47 n. Chr. werd de Rijn definitief als Romeinse rijksgrens ingesteld. Ter controle en verdediging van deze zogenaamde 'limes' werden langs de Rijn, tot diep in Duitsland, 'castella' (militaire forten) gebouwd. De inheemse manier van leven handhaafde zich nog lange tijd. Wel werd, vooral na de opstand van de Bataven tegen de Romeinse overheersers in 69-70 n. Chr. de Romeinse invloed steeds duidelijker. In veel inheems-Romeinse nederzettingen was bijvoorbeeld, naast het eigen handgevormde aardewerk, Romeins importaardewerk in gebruik, dat op de draaischijf was vervaardigd. Er werden, vooral in Limburg, grootse villa's (Romeinse herenboerderijen) gebouwd, hetzij nieuw gesticht, hetzij ontwikkeld vanuit een bestaande inheemse nederzetting. ,

De Romeinen legden een voor die tijd al uitgebreide infrastructuur aan, waardoor het gebied steeds beter werd ontsloten. Op verschillende plaatsen ontstonden aanzienlijke nederzettingen, waarvan er enkele met een stedelijk karakter (zoals Nijmegen). De inheemse bevolking, ten noorden van de Limes, werd niet zo sterk beïnvloed door de Romeinse aanwezigheid. Er was wel sprake van handelscontacten en het uitwisselen van geschenken. In de tweede helft van de derde eeuw ontstond, onder meer door invallen van Germaanse stammen, een instabiele situatie die met korte onderbrekingen voortduurde tot in de vijfde eeuw. Uiteindelijk leidde dit in het jaar 406 tot de definitieve ineenstorting van de grensverdediging langs de Rijn. Middeleeuwen (circa 450-1500 n. Chr. ) Over de Vroege-Middeleeuwen, vooral over het tijdvak 450-600 n. Chr. is relatief weinig bekend. Zowel historische bronnen als archeologische overblijfselen zijn schaars. De bevolkingsomvang was ten opzichte van de voorafgaande periode sterk afgenomen. De marktgerichte economie verdween en de mensen vielen terug op zelfvoorziening. De politieke macht was na het wegvallen van de Romeinse staatsorganisatie in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Een gezaghebbende status was nu vooral gebaseerd op militair succes en materiële welstand.

Deze instabiele periode wordt ook wel aangeduid als de 'tijd van de volksverhuizingen'. ,

Vanaf de 10 e – 11 e eeuw wordt een overheersende positie van de al dan niet adellijke grootgrondbezitters waargenomen. Dit vertaalt zich in nieuwe nederzettingsvormen als mottes, kastelen en versterkte hoeven. In verband

met de aanhoudende bevolkingsgroei, en mede dankzij gunstige klimatologische omstandigheden, werd een be-

gin gemaakt met het ontginnen van woeste gronden als bos, heide en veen. Veel van de huidige dorpen en steden dateren uit deze periode. Door de aanleg van dijken en kaden werden laaggelegen gebieden beschermd tegen wateroverlast. De heersende rivaliteit tussen de vorsten leidde, in combinatie met een zwak centraal gezag, veelvuldig tot lokaal geweld, waarvan de bevolking vaak het slachtoffer werd. Door het aanleggen van burgen, schansen, landweren en wallen trachtte men zich te beveiligen. Nieuwe tijd (1500-heden) De Nieuwe tijd kenmerkt zich door een groot aantal veranderingen vooral op het gebied van mens- en wereldbeeld. Er is sprake van een Europese overzeese expansie wat leidt tot handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie. Er ontstaat een nieuwe wetenschappelijke belangstelling die resulteert in vele uitvindingen. Deze uitvindingen vormen de motor van de industriële revolutie. Er ontstaat een nationale staat die centraal bestuurd wordt. Als gevolg van deze ontwikkelingen neemt het belang en de omvang van steden toe en neemt de macht van adel af. Het grootste deel van de bevolking is niet meer werkzaam en woonachtig op het platteland maar in de steden. In verband met de aanhoudende bevolkingsgroei worden aan het eind van de 19 e tot het begin van de 20 e eeuw op grote schaal woeste gronden gecultiveerd.

Door de industriële revolutie komen steeds meer producten beschikbaar voor steeds meer mensen waardoor de welvaart stijgt. In de Nieuwe tijd vindt er eveneens een hernieuwde oriëntatie op het erfgoed van de klassieke Oudheid plaats, wat zich tot in het begin van de 20 e eeuw uit in de kunsten.

Bijlage 5.

AMZ-cyclus

Het AMZ-proces Archeologisch onderzoek in Nederland wordt in het algemeen uitgevoerd binnen het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Het gehele traject van de AMZ omvat een aantal stappen die elkaar kunnen opvolgen, afhankelijk van het resultaat van de voorgaande stappen. Om inhoudelijke, prijs- en planningstechnische redenen kan er soms voor gekozen worden om bepaalde stappen gelijktijdig uit te voeren. Bovendien kan, indien reeds voldoende gegevens bekend zijn, een stap worden overgeslagen. Elke stap eindigt met een rapport met daarin een advies voor de vervolgstappen. Na elke stap wordt er een besluit genomen door de bevoegde overheid, gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, op basis van de resultaten van het archeologisch onderzoek. Indien na een bepaalde stap blijkt dat geen nader vervolgonderzoek nodig is, wordt het archeologisch onderzoek afgesloten. Ook kan de bevoegde overheid besluiten dat een vindplaats van zo groot belang is, dat deze in situ behouden moet worden. Dan dienen de archeologische resten in de grond beschermd te worden door planaanpassing of planinpassing. Het begint met het bepalen van de onderzoeksplicht. Gemeentelijke, provinciale en landelijke archeologische waardenkaarten geven aan of het plangebied in een gebied ligt met een archeologische verwachting.

Indien dit het geval is, dan zal er in het kader van de planprocedure onderzoek verricht moeten worden om te bepalen of er archeologische waarden binnen het plangebied aanwezig zijn. Hiermee start de zogenaamde AMZ-cyclus (zie schema). De eerste fase: Bureauonderzoek Elk archeologisch onderzoek begint met een bureauonderzoek. Dit heeft tot doel het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende of verwachte archeologische waarden, binnen het plangebied om tot een gespecificeerd verwachtingsmodel te komen, op basis waarvan een beslissing genomen kan worden ten aanzien van een eventuele vervolgstap. De tweede fase: Inventariserend VeldOnderzoek (IVO) Het doel van een IVO is het aanvullen en toetsen van het gespecificeerde verwachtingsmodel. Het IVO moet informatie geven over de aan- of afwezigheid, de aard, het karakter, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Inventariserend Veldonderzoek; Booronderzoek en Veldkartering Door een booronderzoek kan er een goede inschatting gemaakt worden van de kans op archeologische waarden (grondsporen en daarmee samenhangende voorwerpen). Bij het booronderzoek is een onderscheid aangebracht in een verkennende, karterende en waarderende fase.

De verkennende fase heeft tot doel inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap, voor zover deze van invloed zijn op de locatiekeuze. Op deze manier worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor de volgende fasen. Tijdens de karterende fase wordt het onderzoeksgebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische vondsten of sporen. De waarderende fase sluit aan op de karterende fase. Het waarnemingsnet kan verdicht worden om de horizontale begrenzing, ligging en omvang van archeologische vindplaatsen vast te stellen. Een veldkartering wordt uitgevoerd wanneer vondsten of sporen aan de oppervlakte worden verwacht en zichtbaar zijn op het moment dat het onderzoek uitgevoerd wordt. Dit type onderzoek bestaat uit het systematisch belopen van het maaiveld van het plangebied.

Inventariserend Veldonderzoek; Proefsleuven Als uit vooronderzoek blijkt dat binnen het plangebied archeologische resten aangetroffen kunnen worden kan de bevoegde overheid beslissen tot een proefsleuvenonderzoek. Proefsleuven zijn lange sleuven van minimaal twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar in de voorgaande onderzoeksfase aanwijzingen voor vindplaatsen zijn aangetroffen. De KNA schrijft voor dat bij een dergelijk onderzoek minimaal 5% van het te verstoren gebied onderzocht dient te worden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen en indien proefsleuvenonderzoek door praktische redenen niet uitvoerbaar is, kan besloten worden tot proefsleuven variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

De derde fase: Opgraven Indien de archeologische resten niet in situ bewaard kunnen blijven, maar wel van belang zijn voor de wetenschap, kan de bevoegde overheid besluiten over te gaan tot een opgraving. Het doel hiervan is volgens de KNA het documenteren van gegevens en het veiligstellen van materiaal van vindplaatsen om daarmee informatie te behouden, die van belang is voor kennisvorming over het verleden. Variant archeologische begeleiding Als het vooronderzoek niet voldoende informatie heeft opgeleverd om de archeologische waarde van de archeologische resten te bepalen, kan besloten worden tot een opgraving variant archeologische begeleiding van de sloop- of graafwerkzaamheden. Dit betekent dat archeologen bij het graafwerk aanwezig zijn om het werk te volgen en eventuele resten te documenteren. Wanneer tijdens de werkzaamheden vondsten (van hoge archeologische waarde) naar boven komen, die aanleiding geven tot nader onderzoek, kan alsnog besloten worden om tot een opgraving over te gaan.

Schema van de Archeologische Monumenten Zorg Vergunningaanvraag/ruimtelijke ontwikkeling ▼ Toetsing aan archeologisch beleid (Gemeente, Provincie, Rijk) ► Vergunningverlening indien geen onderzoek noodzake▼ lijk wordt geacht. Bureauonderzoek* (verzamelen gegevens en opstellen verwachtingsmodel) ▼ Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Inventariserend veldonderzoek* met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼ ▼ den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkVerkennend veldonderzoek ►**** Karterend veldonderzoek zaamheden door archeologen. *** Door middel van: Door middel van: - terreininspectie - oppervlaktekartering - booronderzoek** - booronderzoek** - proefsleuven*** ▼ ▼***** Besluit (door de bevoegde overheid op basis van resultaten) ► Bij geen of geringe kans op aanwezigheid van archeolo▼ gie. Einde onderzoek, vrijgeven voor functie (eventueel Bewezen of hoge kans op de aanwezigheid van archeologie met bouwkundige voorwaarden). Ook kan besloten wor▼****** den over te gaan op het begeleiden van de graafwerkWaarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven*** zaamheden door archeologen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=49dc6cdd-d39b-4be2-8fa1-3eb982eccbf5