CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

7 20211117 Nota van beantwoording en wijziging Omgevingsvisie Buitengebied (geanonimiseerde versie).pdf

Commissie Ruimtelijke Zaken 17 november 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van de Omgevingsvisie (buitengebied)33.111 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

16

J. K.

L.

M. N.

Zoals bij reactie I omschreven: ontwikkeling met inachtneming van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat, de volksgezondheid en de natuur. Beperkingen in de bouwhoogte door bijvoorbeeld vliegbasis Volkel spelen pas een rol als de gemeente een werkelijke aanvraag voor de bouw van een windproject gaat beoordelen. De Visie Grootschalige Opwek, waar nadrukkelijk naar wordt verwezen, betoogt dat er vier stappen zijn in het beoordelen van een locatie op geschiktheid voor grootschalige energie. Geschiktheid van het globale landschapstype is slechts de eerste stap: binnen dat landschap zullen nog steeds veel locaties ongeschikt zijn. Een tweede stap is de geschiktheid van de precieze beoogde locatie, daarna wordt nog gekeken naar de inrichting van het plan en meervoudig ruimtegebruik. Beperkingen in de bouwhoogte door bijvoorbeeld vliegbasis Volkel zullen er dus toe leiden dat een locatie in de tweede stap afvalt (geschiktheid specifieke locatie). Dat neemt niet weg dat de locatie in een groter landschap valt dat qua landschapstype wel geschikt is. Bij beoordeling van de precieze locatie op geschiktheid wordt niet alleen gekeken naar beperkingen op bouwhoogte, maar ook naar de bestemming en omliggende bestemmingen. Er zal een opmerking in de Omgevingsvisie worden toegevoegd die aangeeft dat ook in overweegbare landschappen lang niet alle locaties geschikt zijn voor grootschalige opwek.

In het landgebruik in het buitengebied moet inderdaad een balans worden gevonden tussen agrarisch gebruik en andere functies. Om dat zorgvuldig te doen, vergunt de gemeente geen 800TJ aan zonneparken of andere grootschalige opwek, maar begint zij met een pilot van vijf zonneparken. Daarna zal worden geëvalueerd. De landschapstypen die in de Omgevingsvisie worden onderscheiden zullen de basis vormen van eventueel nieuw duurzaam energiebeleid, zoals de Omgevingsvisie op alle thema’s die worden behandeld de basis is van Omgevingsplannen en thematische beleidsplannen. Er ontbreken inderdaad enkele verblijfsaccommodaties. Deze worden toegevoegd op de kaart. Ook de fietsroute over de Schaapsdijk wordt toegevoegd. Dit is juist. De gemeente blijft verantwoordelijk voor een correcte belangenafweging. Het nieuwe adagium in de Omgevingswet is echter dat ontwikkelingsruimte door de initiatiefnemer moet worden verdiend. De initiële omgevingsdialoog zal derhalve door de initiatiefnemer zélf aangegaan moeten worden. Men zou dit ook ‘algemeen fatsoen’ kunnen noemen.

8. F.M.J. Biemans, Beukendreef 4 te Mariahout Zienswijze A. Reclamant verzoekt in de (ontwerp)omgevingsvisie buitengebied geen omschrijvingen toe te passen die in de toekomst nadelige gevolgen zouden kunnen hebben voor het wonen, de kampeerboerderij en de paardenhouderij. B. Op de kaart in paragraaf 9.6 van de visie ontbreken de kampeerboerderijen en groepsaccommodaties. C. Op pagina 35 van de visie is te lezen dat het platteland in toenemende mate energieleverancier zal worden van de stad. Het ontbreekt de stedelijke omgeving aan ruimte om zonneparken en windturbines te faciliteren. Reclamant spreekt deze bewering tegen. D. Vanwege de vliegvelden in de omgeving (radar) worden onrealistische suggesties gedaan met betrekking tot de realisering van windturbines. Reactie A. De gemeente maakt afwegingen op het grensvlak van algemeen en persoonlijk belang. Deze afwegingen kunnen soms in het nadeel van een inwoner uitpakken. Of dit in het concrete geval aan de orde zal zijn, kan niet worden voorspeld. B. Er ontbreken inderdaad enkele verblijfsaccommodaties. Deze worden toegevoegd op de kaart. Ook de fietsroute over de Schaapsdijk wordt toegevoegd. C. De reclamant betwist dat stedelijk gebied onvoldoende ruimte kent voor grootschalige duurzame energie, maar de gemeente ziet dat als een feitelijke constatering. In de NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

17

D.

planMER van de Regionale Energie Strategie van onze regio (Metropoolregio Eindhoven) is bijvoorbeeld te zien dat geschikte locaties voor windparken en grotere zonneparken niet of nauwelijks in de verstedelijkte gebieden te vinden zijn. De Omgevingsvisie doet uitspraken over welke landschapstypen overweegbaar zijn voor grootschalige opwek zoals windturbines, maar spreekt zich niet uit over de haalbaarheid van een windproject in brede zin. Het kan gezien worden als eerste beperking: is een lanschapstype niet geschikt, dan hoeft niet te worden gekeken naar andere beperkingen. Is het landschapstype wel geschikt, dan wordt aan een groot aantal andere voorwaarden getoetst. Radarverstoring is een van die voorwaarden. Het kan dus zijn dat binnen een geschikt landschapstype toch veel locaties ongeschikt zijn, daarover wekt de Omgevingsvisie geen verwachtingen: het benoemt juist de andere voorwaarden waaraan een project moet voldoen. Er zal een opmerking in de Omgevingsvisie worden toegevoegd die aangeeft dat ook in overweegbare landschappen lang niet alle locaties geschikt zijn voor grootschalige opwek.

9. ZLTO Afdeling Laarbeek - Onderwijsboulevard 225 te ‘s-Hertogenbosch Zienswijze A. De visie is van invloed op de bestaans- en ontwikkelingsmogelijkheden van de agrarische bedrijven. Reclamant en de gemeente staan samen voor een duurzaam toekomstperspectief voor agrarische ondernemers. Zonder ruimte om te bewegen is er geen toekomstperspectief. Veel bedrijven moeten een schaalsprong maken om investeringen mogelijk te maken. Ook door regelgeving worden ondernemers gedwongen om investeringen te doen. B. De gemeente heeft twee toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden aangewezen waar zij mogelijkheden biedt voor schaalvergroting. De gemeente beperkt daarmee de bewegingsruimte voor ondernemers en daarmee de mogelijkheid om keuzes te maken. De gemeente geeft aan bestaande rechten worden gerespecteerd, maar daarnaast staat ‘grootschalige landbouw’ in het verkeerslichtmodel in zes gebieden op rood. Wat bedoeld de gemeente daarmee? Wat wordt verstaan onder grootschalige landbouw? C. Ondernemers staan de komende jaren voor de opgave om hun stallen aan te passen. Om deze investering te kunnen doen, is ontwikkelruimte nodig. Is die mogelijkheid er nog in de zes gebieden. Natuurinclusieve landbouw en kringlooplandbouw staan nog in de kinderschoenen. Het is voor veel ondernemers nog een grote uitdaging om hier een passend verdienmodel onder te leggen.

Overheden kunnen inzetten op schaalverkleining, maar de vraag vanuit de markt en de mogelijkheid om een verdienmodel te creëren zijn uiteindelijk doorslaggevend. Reclamant vraagt de gemeente om deze ondernemers die verder willen met hun bedrijf de ruimte te bieden om te kunnen bewegen. D. Voor de korte termijn is het niet realistisch dat alle ondernemers overstappen op ‘toekomstbestendige stallen’. Als veehouders in Laarbeek aan de slag gaan met innovatieve systemen, dan is de steun van de gemeente in de vorm van soepele vergunningverlening of het toepassen van maatwerk nodig. E. Daarnaast vraagt reclamant de gemeente om goede intensieve veehouderij-locaties te beschermen tegen andersoortige bestemmingen in de buurt. Nieuwe gevoelige functies dicht in de buurt van intensieve veehouderijen moeten tegen worden gegaan. F. ZLTO onderschrijft de doelstelling van de gemeente om middels een brede plattelandsbestemming de omschakelmogelijkheden van bedrijven naar een andere activiteit makkelijker te maken. Het wordt de uitdaging voor de gemeente om de brede plattelandsbestemming actueel te houden. Dit is mogelijk door niet de exacte bedrijfsactiviteit, maar de randvoorwaarden te omschrijven waar de activiteit aan moet voldoen, bijvoorbeeld verkeersaantrekkende werking, inpassing en invloed op de omliggende bedrijven. G.

Worden de zaken die ‘groen’ zijn in het verkeerslichtmodel opgenomen in de gebiedsspecifieke brede plattelandsbestemming. H. De brede plattelandsbestemming kan bijdragen aan oplossingsrichtingen voor vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Maar het is ook belangrijk om gebouwen te NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

18

I.

J.

K.

L.

M.

N.

durven slopen en te verplaatsen naar de kernrandzone. Via de sloopprikkel die nog ontwikkeld wordt kan de gemeente hier invulling aan geven. ZLTO vraagt gemeente een actieve ondersteuning bij de realisatie (vergunningverlening, bestemmingsplannen) van mestbewerkingslocaties op boerenerven, goede plekken in het buitengebied en industrieterreinen. Men voorziet een toenemende vraag vanuit akker- en tuinbouwbedrijven naar circulaire en groene meststoffen. Vanuit de dierlijke sectoren zal meer gestuurd worden op afzet van mest via mestbewerkers. Er wordt aandacht gevraagd voor de landbouwstructuur en het behoud van goede landbouwgronden bij inpassing van zonneparken in het buitengebied. Aangezien de maatschappij verwacht dat agrarische bedrijven extensiveren, is er in de toekomst meer grond nodig. Wanneer met de aanleg van zonneparken geen rekening gehouden wordt met de landbouwkundige structuur, staat het toekomstperspectief van bedrijven onder druk. ZLTO vraagt om behoud van goede landbouwgrond en landbouwkundige structuur op te nemen in het lokaal afwegingskader dat gebruikt wordt bij de beoordeling van initiatieven. ZLTO voorziet een toenemende behoefte aan het gebruik van teeltondersteunende voorzieningen (TOV’s). En bovendien neemt het areaal tuinbouwgrond in de regio toe.

Ook in Laarbeek zijn verschillende ondernemers actief die gebruik maken van hoge en lage teeltondersteunende voorzieningen. Denk aan zachtfruit, boomteelt, heesters, vaste planten en bloemen. De gemeente wil TOV’s niet verbieden, maar hoge TOV’s (> 1,5 meter) in bepaalde gebieden wel uitsluiten. Dit laatste zal betekenen dat bepaalde teelten alsnog uitgesloten worden in bepaalde gebieden. Dat is niet acceptabel. TOV’s moeten goed ingepast in het landschap, mogelijk gemaakt worden in de bedrijfsvoering van een moderne tuinder. ZLTO gaat graag met de gemeente in gesprek om tot een werkbaar beleid voor TOV’s te komen. Reclamant vindt dat er verschillende typen huisvesting voor arbeidsmigranten aangeboden moeten kunnen worden. Denk aan huisvesting op de bedrijfslocatie, agrarische bedrijfswoningen en woningen in de dorpskernen. Dit moet de gemeente faciliteren in haar beleid. ZLTO ervaart in Laarbeek toenemende overlast van wilde zwijnen hetgeen tot schade en risico’s leidt (denk aan Afrikaanse Varkenspest). Een goede wildbeheersing is van belang. Naast de provincie heeft ook de gemeente daarin een rol. Gemeenten dienen in hun regelgeving voldoende ruimte bieden voor hoge, brede en tijdelijke afrasteringen. Denk aan afscherming tegen wolven waarbij de omheining een minimale hoogte van 1.20 m moet hebben.

De gemeente wordt gevraagd om andere bewoordingen te kiezen in het kader van de toenemende maatschappelijke druk op de agrarische sector. Door de woordkeuze draagt de omgevingsvisie bij aan de negatieve beeldvorming. Dit is zeer ongewenst. De agrarische sector spant zich in om kennis over te dragen en aan positieve beeldvorming.

Reactie A. De gemeente is zich bewust van de moeilijke positie van agrarisch ondernemers. Vandaar dat in de omgevingsvisie twee sporen worden bewandeld. Ten eerste wordt ingezet op een Brede Plattelandsbestemming waarbij meer transformatie-mogelijkheden ontstaan met een directe titel op het agrarisch perceel. Ten tweede probeert de gemeente een balans te vinden tussen economisch perspectief in de twee noordelijke deelgebieden en tegelijkertijd in de overige deelgebieden de wissel om te zetten naar alternatieve vormen van landbouw. Hierbij wordt aangetekend dat de bestaande rechten van agrarisch ondernemers - zoals bijvoorbeeld vastgelegd in het bestemmingsplan - worden geëerbiedigd. B. Zie ook de reactie A. Grootschalige landbouw ‘op rood’ wil zeggen dat de gemeente in deze deelgebieden geen medewerking verleent aan de verdere groei van het bedrijf, daar waar dit de bestaande rechten overstijgt. Soms is het te overwegen om verplaatsing naar één van de twee perspectiefrijke gebieden te onderzoeken. De bestaande situatie kan problematisch zijn in de omschakeling. Er is helaas geen definitie beschikbaar van grootschalige landbouw. Dit begrip zal in de vertaling naar het omgevingsplan nader geduid moeten worden (mocht dit al mogelijk NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

19

C.

D. E. F.

G.

H. I.

J.

K.

L. M.

zijn). Voor nu is het begrip derhalve alleen gevoelsmatig en per geval specifiek in te vullen. Dit staat de vaststelling van een omgevingsvisie op hoofdlijnen niet in de weg. Zie de reactie bij A en B. De gemeente is zich bewust van het feit dat het verdienmodel voor alternatieve landbouw nog beperkt is. Het komt hier dus aan op ondernemerschap. Maar de gemeente beweegt mee in de omslag die de agrarische sector dient te maken. Deze omslag gaat niet slagen indien de wissel niet wordt omgezet. Daar waar de gemeente qua regelgeving ruimte heeft om te ondersteunen, zal dit niet worden nagelaten. Dit is precies wat de gemeente doet in de beide ‘toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden’ Pionierslandschap en Aa-landschap. De Brede Plattelandsbestemming zal samen met de provincie Noord-Brabant worden uitgewerkt. De provincie heeft immers nog steeds een sturende rol in het buitengebied. Onder de Omgevingswet ontstaan inderdaad nieuwe mogelijkheden om functies (bestemmingen) redactioneel te omschrijven, bijvoorbeeld door het benoemen van doelen en/of randvoorwaarden. Indien hiermee de brede plattelandsbestemming actueel kan worden gehouden - met inachtneming van de rechtszekerheid van omwonenden dan zullen deze mogelijkheden worden bekeken. Dat is wel onze intentie. Zoals onder F omschreven wordt de Brede Plattelandsbestemming door de gemeente samen met de provincie uitgewerkt.

De provincie heeft in haar zienswijze aangegeven de brede plattelandsbestemming te ondersteunen, daarbij wel zoveel mogelijk rekening houdende met de Verordening Ruimte. Voor de gemeente is ontstening van het buitengebied een belangrijk uitgangspunt. Vandaar dat de nog te ontwikkelen sloopprikkel als actiepunt A10 in de omgevingsagenda van de visie is opgenomen. Voor wat betreft de grootschalige mestverwerkingsinstallaties conformeert de gemeente zich in dezen aan het provinciaal MER-traject dat nu loopt (Plan MER zoekgebieden voor mestbewerking) waarbij wordt gekeken naar de inpasbaarheid in de omgeving, de milieueffecten, de veiligheid en de volksgezondheid. Mestbewerking op bedrijfsniveau met eigen geproduceerde mest moet mogelijk blijven. In het landgebruik in het buitengebied moet inderdaad een balans worden gevonden tussen agrarisch gebruik en andere functies, zoals grootschalige energie. Om dat zorgvuldig te doen, begint de gemeente met een pilot van vijf zonneparken. Daarna zal worden geëvalueerd. De landschapstypen die in de Omgevingsvisie worden onderscheiden zullen de basis vormen van eventueel nieuw duurzaam energiebeleid, zoals de Omgevingsvisie op alle thema’s die worden behandeld de basis is van Omgevingsplannen en thematische beleidsplannen.

Ook de zonneladder wordt hierin meegenomen: ook daarin wordt vruchtbare landbouwgrond als onwenselijke locatie gezien voor zonneparken. Een verdere uitwerking daarvan moet landen in nieuw Laarbeeks beleid voor grootschalige energie. Dit is te gedetailleerd om in de Omgevingsvisie opgenomen te worden, maar er is zeker aandacht voor binnen de Laarbeekse energietransitie. ZLTO geeft zelf aan dat hogere TOV’s goed ingepast moeten worden in het landschap. Maar hier wringt nu juist de schoen. Regelmatig betrapt de gemeente agrarisch ondernemers die het met deze inpassing niet al te serieus nemen. De gemeente is graag bereid om met ZLTO in gesprek te gaan in het kader van het op te stellen beleid voor TOV’s (zie actiepunt F4 in de Omgevingsagenda). Voor nu blijft de in de omgevingsvisie gekozen insteek intact. Dit betekent dat TOV’s hoger dan 1,5 meter slechts overweegbaar zijn in de beide ‘toekomstbestendige agrarische ontwikkelgebieden’ Pionierslandschap en Aa-landschap. In de overige gebieden zijn hogere TOV’s in verband met de kleinschalige of historische uitstraling van het gebied, niet overweegbaar. De wens om niet alleen het buitengebied aan te wijzen voor huisvesting van arbeidsmigranten, zal in de nieuwe beleidslijn worden meegenomen. Deze beleidsvisie voor de huisvesting van arbeidsmigranten is thans onder constructie.

De gemeente erkent de problematiek, met name bij natuurgebieden. De maximale hoogte van afrasteringen in het buitengebied is 1.00 meter. Om hiervan af te kunnen wijken is voor dit doel een lokale beleidsregel nodig. Voorgesteld wordt om deze keuze te

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

20

N.

betrekken bij het nog op te stellen beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied. Dit actiepunt is als F10 opgenomen in de Omgevingsagenda. De gemeente heeft in de tekst op pagina 35 juist nuancering proberen aan te brengen in de negatieve publiciteit. Letterlijk staat er: ‘In deze discussie is de nuance soms ver te zoeken. Veel Nederlanders beseffen niet aan hoeveel regels en verplichtingen boeren moeten voldoen’. En het is dus beslist niet de bedoeling om een bijdrage te leveren aan de negatieve beeldvorming. De volgende zin wordt daarom verwijderd: ‘Denk aan de ophef over plofkippen, megastallen, mestzaken, gifeieren, hennepkwekerijen en melkveefraude.

10. De heer B.L.A. Leenders, Vossenberg 5 te Mariahout Zienswijze A. In 2010 is er een mogelijkheid geweest om in verband met de herziening van het bestemmingsplan buitengebied wijzigingen door te geven. Nu er in het buitengebied de laatste jaren veel is veranderd en nog gaat veranderen, zou het goed zijn om het bestemmingsplan elke vijf of tien jaar te herzien. Zoals al tijdens de informatie-avond werd aangegeven zijn de kosten voor een herziening van het bestemmingsplan een grote drempel om een dergelijk verzoek in te dienen. Nu er in het buitengebied veel agrarische bedrijven stoppen zou het goed zijn goede voorlichting te geven over wat er allemaal mogelijk is, wat de regels en de gevolgen zijn. Reactie A. De gemeente hoopt met de introductie van de brede plattelandsbestemming sowieso meer planologische flexibiliteit te kunnen bieden. Zodat de bestemming in zichzelf al meer en ruimere mogelijkheden biedt. In dat geval is herziening van het bestemmingsplan - op het moment dat de Brede Plattelandsbestemming is vastgelegd niet eens nodig. Nederland stevent af op een nieuwe Omgevingswet waarbij het bestemmingsplan wordt vervangen door een omgevingsplan. De actualiseringsplicht binnen 10 jaar is komen te vervallen. De gemeente is dus vrij om het omgevingsplan al of niet te actualiseren.

Wel is de gemeente van plan om vaker een afwijkingsprocedure te volgen (in jargon: buitenplanse omgevingsplanactiviteit). De kosten van een dergelijke afwijkingsprocedure liggen beduidend lager dan bij de herziening van een bestemmingsplan / omgevingsplan. Zodra de omgevingsvisie is vertaald in een omgevingsplan, zal een voorlichtingscampagne plaatsvinden. 11. De heer Paul Sneijers, Karstraat 11 te Beek en Donk Zienswijze A. Het is moeilijk vol te houden dat de omgeving Karstraat een historische bebouwingsconcentratie is terwijl een buurtschap verderop van dezelfde leeftijd als niethistorisch is aangemerkt. Het bebouwingsregime voor historisch zou gelijk getrokken moeten worden met niet-historisch. Dat biedt nog voldoende bescherming om het authentieke karakter van het gebied te waarborgen. B. Daarnaast vormt strenge welstandsbeoordeling op beeldkwaliteit en cultuurhistorie bij verbouw en renovatie voor hoge kosten en werken deze belemmerend en vertragend bij investeringen en verbeteringen aan bebouwing. Derhalve is een duidelijk en werkbaar protocol gewenst waarbij naast beeldkwaliteit en cultuurhistorie ook rekening wordt gehouden met constructie, veiligheid, comfort en duurzaamheid. C.

De gebiedsverkenners zijn weliswaar in het gebied geweest ter inventarisatie, maar tijdens deze bijeenkomsten is niet gesproken over cultuurhistorie, noch over de consequenties ten aanzien van het bebouwingsregime. D. Reclamant zou graag zien dat de passage over het afzien van verdere verdichting van historische bebouwingsconcentraties vervalt. NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

21

Reactie A. Historische bebouwingsconcentraties zijn in samenspraak met de Laarbeekse heemkundekringen gedefinieerd. Als vertrekpunt voor de benoeming van historische bebouwingsconcentraties zijn de gehuchten uit de ‘Catalogus Cultuurhistorische inventarisatie erfgoedkaart gemeente Laarbeek (2012)’ gehanteerd. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant heeft bijhorend kaartmateriaal beschikbaar gesteld middels de Erfgoedkaart Laarbeek (https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie). In de laag ‘Historisch landschap’ is de sublaag ‘Oude infrastructuur, doorgaande lokale wegen, gegraven waterlopen en gehuchten’ opgenomen. Zowel de Karstraat als Heereind zijn hierin als gehucht opgenomen. Daarna is gekeken of de historische situatie nog steeds herkenbaar is. Hier is sprake van als bijvoorbeeld historische structuren (wegen en schaal van het landschap) en panden nog altijd aanwezig zijn. De gehuchten Karstraat en Heereind zijn echter door de jaren heen naar elkaar toe gegroeid en deze zijn daarom nu samen als één historische bebouwingsconcentratie aangewezen om het historische karakter en resterende openheid te behouden. De verbinding van de concentraties Heereind met Donkersvoort liep tot aan de jaren zeventig via de Auwerstraat. Vanaf de jaren zeventig is de Herendijk de primaire verbindingsweg en de Auwerstraat een doodlopende straat.

Om deze reden is de Herendijk als een niet-historische bebouwingsconcentratie benoemd. Hiermee wordt dus duidelijk onderscheid gemaakt tussen het behouden van het historische karakter van een bebouwingsconcentratie en het bijhorende bebouwingsregime. B. Het behouden van de cultuurhistorische waarden en het beoordelen van de beeldkwaliteit zijn essentieel om de authenticiteit van het buitengebied te behouden. In het erfgoedbeleid 2021-2026 is opgenomen dat de lijst met beeldbepalende en cultuurhistorische panden wordt herzien. Ook de richtlijnen voor omgang met cultuurhistorische panden worden verduidelijkt voor eigenaren. Dit zal vervolgens verwerkt worden in het omgevingsplan. C. De transitieverkenners hadden als taak om op hoofdlijnen een algemeen beeld van het buitengebied op te halen. Wat vinden de bewoners van het buitengebied en waar loopt men (op hoofdlijnen) tegen aan. Deze informatie diende als input aan de voorzijde van het beleidsproces. Op dat moment was de inhoud van de omgevingsvisie derhalve nog niet bekend. D. Het authentiek houden van de historische bebouwingsconcentraties is een belangrijk speerpunt in de omgevingsvisie. En is als zodanig zelfs opgenomen in de profielschets in paragraaf 6.1 (‘Behoud en versterking van een authentiek en gewaardeerd boerenlandschap’). Verdere verdichting van de historische bebouwingsconcentraties past niet in dit profiel. 12.

Familie Manders, De Hei 51 te Mariahout Zienswijze A. Bij energievoorziening wordt enkel gesproken over zonneparken en windmolens en dan ook nog in beperkte gebieden. Reclamant zou liever zien dat de huidige bebouwing wordt vol gelegd met zonnepanelen en dat er ook meer wordt gekeken naar toekomstige bronnen van duurzame energie. Het staat ze tegen om goede landbouwgrond in te zetten en te ‘verbrassen’ voor zonneparken waar er legio andere plaatsen zijn om stroom op te wekken. Over de windparken is reclamant wat huiverig, maar niet per definitie tegen. B. Reclamant woont in een gebied voor grootschalige landbouw, er komt steeds sneller en zwaarder verkeer over De Hei en daar komen de mogelijke gezondheidsrisico’s ten gevolge van energieparken bij. Dit gaat ten koste van de leefbaarheid. C. Reclamant vindt het verwerpelijk dat arbeidsmigranten als aparte groep worden beschouwd. Dit lijkt op hedendaagse slavernij. Ze wonen in slechts omstandigheden. Door ze in de omgevingsvisie apart te vermelden draagt dit niet bij aan inclusieve samenleving. Deze mensen moeten niet bij elkaar worden gestopt, maar juist tussen de Laarbeekse bevolking gaan leven om beter te integreren. Door ze bij elkaar in het NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

22

buitengebied te plaatsen, vraag je om overlast. Terwijl als je ze laat integreren er helemaal geen overlast hoeft te zijn. Als arbeidsmigranten bij elkaar worden geplaatst, dient er in elk geval een eigenaar van het pand bij te wonen. Reactie A. Reclamant merkt terecht op dat §9.3 van de Omgevingsvisie onvoldoende aandacht besteedt aan zon op dak en andere technologieën voor duurzame warmte en stroom, anders dan zonne- en windenergie. Hierover zal een opmerking worden toegevoegd, omdat dit belangrijke pijlers zijn van ons duurzaamheidsbeleid. Wat betreft de opmerking over landbouwgrond: in het landgebruik in het buitengebied moet inderdaad een balans worden gevonden tussen agrarisch gebruik en andere functies, zoals grootschalige energie. Om dat zorgvuldig te doen, begint de gemeente met een pilot van vijf zonneparken. Daarna zal worden geëvalueerd. De landschapstypen die in de Omgevingsvisie worden onderscheiden zullen de basis vormen van eventueel nieuw duurzaam energiebeleid, zoals de Omgevingsvisie op alle thema’s die worden behandeld de basis is van Omgevingsplannen en thematische beleidsplannen. Ook de zonneladder wordt hierin meegenomen: ook daarin wordt vruchtbare landbouwgrond als onwenselijke locatie gezien voor zonneparken. Een verdere uitwerking daarvan moet landen in nieuw Laarbeeks beleid voor grootschalige energie.

Dit is te gedetailleerd om in de Omgevingsvisie opgenomen te worden, maar er is zeker aandacht voor binnen de Laarbeekse energietransitie. B. De gemeente begrijpt dat reclamant zich zorgen maakt over een (mogelijke) cumulatie van hinder. Zonder deze zorgen af te willen zwakken is het zaak om deze ontwikkelingen in het juiste perspectief te zien. In 2022 zullen in De Hei verkeersremmende maatregelen worden aangebracht. Hopelijk zijn deze voldoende om de hoeveelheid vrachtverkeer te verminderen. Zo niet, dan dienen andere maatregelen te worden genomen. Het Pionierslandschap is inderdaad aangewezen als zoeklocatie voor grootschalige opwek van energie. Maar geschiktheid van het globale landschapstype (Pionierslandschap) is slechts de eerste stap: binnen dit landschap zullen nog steeds veel locaties ongeschikt zijn. Een tweede stap is namelijk de geschiktheid van de precieze beoogde locatie. Hierbij wordt ook gekeken naar de omliggende functies en bestemmingen. Eén en ander is omschreven in de gemeentelijke Visie Grootschalige Opwek. En grootschalige landbouw is heden ten dage aan zeer strenge regelgeving gebonden. Om als agrarisch bedrijf te kunnen groeien dient een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in de omgeving nadrukkelijk te worden aangetoond. Bovendien laat provinciale regelgeving sowieso geen nieuwe intensieve veehouderij meer toe, ook niet in het Pionierslandschap.

Zoals gezegd, het is niet bedoeling om de zorgen van reclamant te bagatelliseren, maar enige relativering is wel op z’n plaats. C. De gemeente is het helemaal met reclamant eens. En heeft de noodzaak om de arbeidsmigrant als medelander te zien dan ook omschreven in paragraaf 9.9 van de ontwerp-omgevingsvisie. Deze constatering en de wens om niet alleen het buitengebied aan te wijzen voor huisvesting van arbeidsmigranten, zal in de nieuwe beleidslijn worden meegenomen. Deze beleidsvisie voor de huisvesting van arbeidsmigranten is thans onder constructie. 13. Cedrus Vastgoed, Geeneindseweg 12 te Helmond Zienswijze A. Binnen de gemeente Laarbeek is de gebiedsontwikkeling ’t Gulden Land van toepassing. Deze ontwikkeling krijgt de nodige aandacht in de visie. Reclamant is initiatiefnemer voor een horecagelegenheid op de kop van de twee kanalen. Hiertoe is tussen Cedrus Vastgoed en de gemeente een intentie-overeenkomst gesloten. B. In de ontwerp-visie is een afbeelding opgenomen met één van de eerste schetsen van ’t Gulden Land. Reclamant stelt voor om deze schets te vervangen door een recentere versie. NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

23

C.

D. E.

F.

G.

Het is een goed uitgangspunt om in de ontwerp-omgevingsvisie de mate van het type recreatie open te laten. Het Gulden Land maakt deel uit van het ontwikkellandschap met mogelijkheden voor recreatieve ontwikkeling, natuurontwikkeling en waterberging/infrastructuur. In de schets op pagina 89 ontbreekt de conceptuele strip: ’t Gulden Pad. Voorgesteld wordt om het schetsontwerp van ’t Gulden Pad in de visie op te nemen. Welk type horeca en de omvang daarvan wordt in de ontwerp-omgevingsvisie niet benoemd. Ook wordt op het parkeren en de toegangswegen niet dieper ingegaan. In het haalbaarheidsonderzoek van reclamant wordt hieraan wél invulling gegeven. Deze aspecten zijn namelijk bepalend voor een haalbare en duurzame horeca-exploitatie. Reclamant onderschrijft de wenselijkheid van een beeldkwaliteitsplan voor het buitengebied. Ook in ’t Gulden Land is beeldkwaliteit en architectuur een belangrijk onderwerp. Men kan zich voorstellen dat in de omgevingsvisie wordt benoemd dat er op de kop van ’t Gulden Land een ‘blikvanger’ kan komen. Reclamant zal binnen plan ’t Gulden Land een zorgvuldige omgevingsdialoog doorlopen, hierbij de spelregels volgende zoals opgenomen in de omgevingsvisie voor het buitengebied.

Reactie A. Dit is een juiste weergave van de feiten. B. Er is geen nieuwe overzichtsschets voorhanden, omdat de gebiedsontwikkeling wordt uitgewerkt in deelprojecten met een verschillend tijdspad. Begrijpelijk is dat de oorspronkelijke visiekaart verwarring kan geven, omdat sommige deelplannen nu al zijn aangepast op basis van voortschrijdend inzicht en verder onderzoek. De oorspronkelijke visiekaart zal vervangen worden door een aantal ontwerpschetsen van de deelgebieden. C. Gemeente en reclamant zijn het met elkaar eens. D. Het schetsontwerp wordt toegevoegd. E. Dit is een omgevingsvisie voor het gehele buitengebied. Nadere uitwerking voor ’t Gulden Land wordt binnen het project zelf uitgevoerd en niet binnen een algemene visie. F. Zie reactie E. G. De gemeente is verheugd te horen dat reclamant voornemens is een zorgvuldige omgevingsdialoog te doorlopen. 14. De heer Richard de Beer, De Hei 43A te Mariahout Zienswijze A. De Hei heeft meer kenmerken en overeenkomsten met het lintenlandschap, dan met het pionierslandschap. Nu is De Hei als grens gehanteerd tussen beide gebieden. De Hei is een gehucht wat ook blijkt uit de vele oude en cultuurhistorisch waardevolle boerderijen. De Hei is een buurtschap waar agrariërs en burgers op een harmonieuze manier dicht bij elkaar wonen.

Naast de grootschalige opwek van zonne-energie (lees windmolens) en verkeersbewegingen (geluidsoverlast), dient mogelijk ook nog acceptatie plaats te vinden van de geluidsoverlast van windmolens. Dit heeft grote gevolgen voor het leefklimaat. Reclamant verzoekt de scheiding van grootschalig pionierslandschap en lintenlandschap te leggen op de Beukendreef en alles ten oosten daarvan te bestempelen als ‘grootschalig’. B. Het is niet logisch om huisvesting van arbeidsmigranten alleen in het buitengebied mogelijk te maken. Het is om diverse redenen veel logischer om huisvesting van arbeidsmigranten te zien als een bijzondere woonvorm en dus te huisvesten in de kernrandzone. Denk bijvoorbeeld aan de afstand tot de voorzieningen, bevordering van integratie, het alternatief inzetten van vrijkomende huisvesting. C. Benoem in de omgevingsvisie een maximale hoogte voor windmolens die past bij Laarbeek als plattelandsgemeente, om te zorgen dat zichtvervuiling wordt beperkt en er geen geluidsoverlast en slagschaduw ontstaat voor omwonenden.

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

24

Reactie A. De gemeente heeft goed nagedacht over de gebiedsindeling. Het gebied ten noorden van De Hei is samenhangend en beduidend anders geprofileerd dan het gebied ten zuiden van De Hei. In die zin is het pech dat De Hei het scheidingsvlak vormt van deze twee aanzienlijk verschillende gebieden. Het verzoek van reclamant lijkt meer bedoeld om de beleidsconsequenties van beide gebieden te kunnen verschuiven. Ontstaansgeschiedenis en landschappelijke uitstraling zijn echter niet met een ‘andere stempel’ weg te poetsen. B. Ook de gemeente is van mening dat het niet logisch is om arbeidsmigranten alleen in het buitengebied te huisvesten. Dit is als zodanig ook verwoord in paragraaf 9.9. Op dit moment wordt het concrete beleidskader voor de huisvesting van arbeidsmigranten herzien en gemoderniseerd, waarbij ruimere huisvestingsmogelijkheden worden meegenomen. C. Het benoemen van maximale bouwhoogtes is te gedetailleerd om in de Omgevingsvisie een plaats te krijgen, dit soort bepalingen past beter in een Omgevingsplan of thematisch beleidsstuk over windenergie. Los daarvan is het de vraag of een maximale hoogte iets toevoegt: de impact van een windmolen hangt veel meer af van de locatie en de directe omgeving daarvan, dan van de precieze hoogte.

In een gebied zonder omwonenden kan een relatief hoge molen toch voor weinig overlast zorgen, terwijl een locatie nabij woningen misschien alleen geschikt is voor een lage molen, of helemaal ongeschikt is. Het opnemen van een maximale bouwhoogte brengt het risico met zich mee dat mensen er vanuit gaan dat die hoogte dan altijd ‘mag’, terwijl sommige locaties vragen om strengere beperkingen. De gemeente bekijkt daarom elke aanvraag liever individueel. 15. Pluimveebedrijf Mariahout v.o.f., De Hei 25A te Mariahout Zienswijze A. Duurzame energie is goed voor het milieu, maar het is beter om deze zoveel mogelijk op te wekken via de bestaande bebouwing. Windmolens en zonneparken vervuilen het landschap. Windmolens zijn niet geruisloos, geven veel schaduw en geven geen betere leefomgeving voor mens en dier. B. Er staat ook nergens te lezen hoe ver een windmolen of zonnepark van de bebouwing af moet staan. C. Reclamant vindt het veel beter als de gemeente met mensen in gesprek gaat om bestaande gebouwen met bijvoorbeeld zonnepanelen te voorzien. D. Verder is het zo dat als er grootschalige windmolenparken of zonneparken voorzien zijn, het energienet hiervoor wordt vrijgehouden en hierdoor de agrarische bedrijven geen zonnepanelen meer kunnen leggen. Reactie A.

Reclamant merkt terecht op dat er in de Omgevingsvisie niet wordt vermeld dat zon op dak een belangrijke pijler is van het Laarbeekse duurzaamheidsbeleid. Dit zal worden toegevoegd. Daarnaast wijst reclamant op de nadelen van windmolens. De gemeente erkent dat windmolens nadelen met zich meebrengen, daarom is de Visie Grootschalige Opwek opgesteld. Dit beleidskader stelt ons in staat om aanvragen zo zorgvuldig mogelijk te behandelen. Mocht er een concrete aanvraag komen, dan wordt er uiteraard getoetst op onder andere geluidshinder, slagschaduw en effecten op de natuur. Hiervoor hanteert de gemeente de landelijke normen B. Hoever een windmolen of zonnepark van bebouwing af dient te staan, hangt af van de grootte en vorm van de installatie. Voor windmolens is geen landelijke minimumafstand, want afstand is niet het doel op zich. Het doel van de afstand is hinder voorkomen en het geluidsniveau beperken. Als vuistregel houdt de Regionale Energie Strategie een afstand tot woningen aan van 400 meter (zie bijlage 5.2 pag. 41). Voor een zonnepark gelden geen minimumafstanden omdat dit sterk afhankelijk is van de plaatselijke situatie en de landschappelijke inpassing. Aan die inpassing stelt de gemeente uiteraard wel eisen, deze zijn te vinden in de Visie Grootschalige Opwek (hoofdstuk 4).

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

25

C.

D.

Verduurzamen van bebouwing is een belangrijk onderdeel van de Laarbeekse en regionale energiestrategieën. Dit is niet in de Omgevingsvisie opgenomen omdat de Omgevingsvisie ingaat op ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, maar hierover zal een opmerking worden toegevoegd. De gemeente heeft meerdere activiteiten gericht op het stimuleren van verduurzaming van woningen, zoals voorlichting, leningen en voorbeeldprojecten. Het is niet de plaats van de Omgevingsvisie om deze te benoemen, maar hier is zeker in de gemeente aandacht voor. De werkwijze van Enexis en TenneT is wettelijk geregeld, hier heeft de gemeente geen invloed op. Het is inderdaad zo dat aanvragen voor aansluiting op het elektriciteitsnet worden beoordeeld op volgorde van binnenkomst, niet op basis van wenselijkheid, bijvoorbeeld volgens de zonneladder. Er wordt regionaal voor gelobbyd om deze regels te veranderen, maar op dit moment kan de gemeente daar niet in sturen en leidt dit inderdaad tot onwenselijke gevolgen.

16. De heer Jos van Zeeland, Herendijk 17 te Lieshout Zienswijze A. Het is voor reclamant niet duidelijk welke gevolgen invoering van de omgevingsvisie precies heeft of kan hebben. Een groot aantal zaken is te onduidelijk, algemeen, globaal, vaag of niet genoemd. Nergens staat wat wordt verstaan onder grootschalige landbouw. De kaarten in de visie zijn te onduidelijk om op perceelniveau te kunnen zien waar grenzen lopen. Concrete bouwvoorschriften zijn niet te vinden. Te weinig details voor een goede beoordeling. Reactie A. Een omgevingsvisie is per definitie een visie op ruimtelijke hoofdlijnen. Het is document om op basis van ruimtelijke en maatschappelijke ontwikkelingen een nieuwe beleidslijn uit te zetten voor de toekomst. Pas bij de vertaling in het omgevingsplan (opvolger van het bestemmingsplan) zal de concrete uitwerking zichtbaar worden. Een omgevingsvisie is dus niet bedoeld om op perceelsniveau de persoonlijke consequenties te onderzoeken. 17.

De heer Jan de Jong van Beek en Donk en mevrouw Marcelle de Jong van Beek en Donk - Van Geel, Kasteellaan 2 te Beek en Donk

Zienswijze A. De omgevingsvisie is een zeer compleet, helder gestructureerd document en een solide basis voor verdere uitwerking, in lijn met de ambities van Eyckenlust. B. De transitieverkenners hebben in het voortraject inwoners en belanghebbenden benaderd om mee te denken met de inhoud van de omgevingsvisie. Landgoed Eyckenlust is in dit kader niet benaderd of gehoord. C. Reclamant is gestart met het vormen van een beeld van hoe Eyckenlust behouden kan blijven door het in samenhang met de omgeving, verder te ontwikkelen. Op hoofdlijnen is gekozen voor: Verstevigingen en duurzame instandhouding van het landgoed en cultuurhistorie; Ruimte bieden aan mensen om meer in contact te komen met anderen en met cultuur en natuur in de breedste zin van het woord; Bevorderen van sociaal-maatschappelijk bewustzijn, wonen en duurzaam leven. D. Samen met de gemeente Laarbeek wordt gewerkt aan een Masterplan Eyckenlust, bestaande uit cultuurhistorie, natuur, agrarisch, wonen en een sociaal-maatschappelijke functie. Deels kunnen deze aspecten nog versterkt worden. Een initiatiefnemer moet ontwikkelingsruimte verdienen, de overheid dient ontwikkelkansen actief mogelijk te maken. Reclamant onderzoekt graag samen met de gemeente voor diverse locaties rondom Eyckenlust naar een passende ontwikkeling met een woonprogramma.

Gedacht wordt aan nieuwe woonvormen met aandacht en zorg voor elkaar binnen het

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

26

E.

F. G.

wooncollectief. Ook het provinciale ‘Actieprogramma nieuwe woonvormen’ biedt goede aanknopingspunten. In de ontwerp-omgevingsvisie maakt landgoed Eyckenlust onderdeel uit van het Aalandschap waarin water, beekdalontwikkeling en waterberging belangrijke items zijn. Grootschalige ontwikkelingen zijn vanwege het historisch karakter rondom het kasteel niet passend. Maar reclamant vraagt in de omgevingsvisie wel ruimte voor nieuwe en alternatieve woonvormen. Dit betekent dat in het verkeerslichtmodel de alternatieve woonvormen binnen het Aa-landschap niet op ‘rood’ mogen staan. Reclamant denkt aan kleinschalige ontwikkelingen en buurtschapjes op meerdere plaatsen rondom Eyckenlust en een ruimere ontwikkelingsmogelijkheid aan het kanaal richting de Donkse brug. Reclamant ondersteunt van harte de keuze in de omgevingsvisie voor het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Dit wordt ook onderdeel van het Masterplan Eyckenlust.

Reactie A. Hartelijk dank voor het compliment. B. De transitieverkenners hebben op 4 november 2019 een bezoek gebracht aan kasteel Eyckenlust. Van dit gesprek is een verslag gemaakt. C. De gemeente constateert met genoegen dat cultuurhistorie, natuur en ontmoeting de vertrekpunten vormen voor de toekomst van Eyckenlust. D. In de ontwerp-omgevingsvisie is in de kernranden planologische ruimte geboden voor het realiseren van alternatieve woonvormen, tenzij sprake is van een ‘toekomstbestendig agrarisch ontwikkelgebied’ (Aa-landschap en Pionierslandschap). Voor landgoed Eyckenlust - deel uitmakende van het Aa-landschap - wordt een uitzondering gemaakt (zie reactie bij E). De gemeente gaat over de toevoeging van woningen binnen het landgoed het gesprek aan over passendheid, nut en noodzaak. E. Binnen het Aa-landschap staan alternatieve woonvormen inderdaad ‘op rood’. Dit in verband met de aanwijzing van dit gebied als ‘toekomstbestendig agrarisch ontwikkelgebied’. Kansen voor wonen en agrarische ontwikkeling kunnen immers tegenstrijdig zijn. Landgoed Eyckenlust maakt onderdeel uit van het Aa-landschap, maar is dermate landschappelijk en cultuur-historisch waardevol voor Laarbeek, dat behoud en versterking hiervan een speciale behandeling rechtvaardigen. Het landgoed presenteert zich ruimtelijk-visueel ook afwijkend van het Aa-landschap (en van elk ander deelgebied).

Deze afwijkende behandeling is ook in de maak voor twee andere Laarbeekse sieraden: kasteel Croy en het missieklooster heilig Bloed. ‘Behoud door ontwikkeling’ is een belangrijk uitgangspunt bij een duurzame instandhouding van Eyckenlust. De gemeente gaat daarom in het kader van het Masterplan met reclamant graag het gesprek aan over de passendheid, nut en noodzaak van bepaalde ondersteunende ontwikkelingen. In de visie zal deze speciale status van landgoed Eyckenlust in paragraaf 7.6 en het bijbehorende verkeerslichtmodel worden benoemd. F. In het kader van het Masterplan denkt de gemeente mee over alternatieve woonvormen op het landgoed. G. Fijn dat de noodzaak van een beeldkwaliteitsplan door reclamant wordt onderschreven en wordt geïntegreerd in het Masterplan Eyckenlust. 18. De heer Corné van de Ven, De Hei 43 te Mariahout Zienswijze A. Volgens het verkeerslichtmodel is er in het Pionierslandschap geen mogelijkheid voor alternatieve woonvormen. Tegelijkertijd staat het onderwerp huisvesting arbeidsmigranten op ‘oranje’. Huisvesting van (tijdelijke) arbeidsmigranten is een alternatieve woonvorm en zou dus niet mogelijk moeten zijn in het Pionierslandschap. B. Het is sowieso erg vreemd om arbeidsmigranten in het buitengebied te huisvesten. In het buitengebied integreren ze niet met hun omgeving. Omdat alternatieve woonvormen in

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

27

C.

D.

de kernranden mogelijk moeten zijn, dient ook de huisvesting van arbeidsmigranten in de kernranden plaats te vinden. Om naast de geurbelasting in het Pionierslandschap ook nog windmolens toe te staan vindt reclamant te ver gaan. Het is te zot om landbouwgrond vol te leggen met zonnepanelen als er nog zoveel andere mogelijkheden zijn (daken, geluidsschermen). Stimuleer meer eigen initiatief van bewoners om zelf hun energie op te wekken. De Hei is in de visie aangemerkt als niet-historische bebouwingsconcentratie waarmee verdere verdichting met woningbouw mogelijk is. Dit is onjuist. Nagenoeg alle woningen op de Hei kennen hun oorsprong in het begin van de 19e eeuw. Buurtschap de Hei is absoluut een historische bebouwingsconcentratie.

Reactie A. Onder een alternatieve woonvorm wordt in de omgevingsvisie verstaan de trend onder reguliere woningzoekenden om met gelijkgestemden op basis van inclusie en complementariteit een woongemeenschap te vormen. De gemeente ziet de geconcentreerde huisvesting van arbeidsmigranten niet als een ‘alternatieve woonvorm’, althans niet in de geest van de omgevingsvisie. B. De gemeente heeft een nieuwe beleidslijn in de maak voor de huisvesting van arbeidsmigranten. In deze visie zullen meerdere locaties worden bestudeerd en beoordeeld, niet alleen het buitengebied. C. De gemeente stimuleert inderdaad dat inwoners hun woningen of bedrijfspanden verduurzamen en hun eigen energieverbruik opwekken. Hierover zal een opmerking in de Omgevingsvisie worden toegevoegd. Tegelijkertijd is bekend dat de capaciteit van onze daken onvoldoende is om in onze energiebehoefte te voorzien. Daarom maakt de gemeente ook ruimte voor grootschalige opwek, waarbij wel gezocht moet worden naar een balans tussen de agrarische en andere functies van ons buitengebied. Het is niet onze bedoeling om het buitengebied ‘vol te leggen’. Daarom begint de gemeente met een pilot van maximaal vijf zonneparken en evalueren zij daarna of en wanneer er ruimte is voor een eventuele volgende stap. Ondertussen is verduurzamen van bebouwing een belangrijk onderdeel van de Laarbeekse en regionale energiestrategieën.

Dit is niet in de Omgevingsvisie opgenomen omdat de Omgevingsvisie ingaat op ruimtelijke ontwikkelingen in het buitengebied, maar hierover zal een opmerking worden toegevoegd. De gemeente heeft meerdere activiteiten gericht op het stimuleren van verduurzaming van woningen, zoals voorlichting, leningen en voorbeeldprojecten. Het is niet de plaats van de Omgevingsvisie om deze te benoemen, maar hier is zeker in de gemeente aandacht voor. D. Historische bebouwingsconcentraties zijn in samenspraak met de Laarbeekse heemkundekringen gedefinieerd. Als vertrekpunt voor de benoeming van historische bebouwingsconcentraties zijn de gehuchten uit de ‘Catalogus Cultuurhistorische inventarisatie erfgoedkaart gemeente Laarbeek (2012)’ gehanteerd. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant heeft bijhorend kaartmateriaal beschikbaar gesteld middels de Erfgoedkaart Laarbeek (https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie). In de laag ‘Historisch landschap’ is de sublaag ‘Oude infrastructuur, doorgaande lokale wegen, gegraven waterlopen en gehuchten’ opgenomen. Gehuchten in dit document zijn getypeerd naar de toestand op de eerste peildatum. De verschillende typen gehuchten zijn: groot dorp, klein dorp, groot gehucht, klein gehucht, huizengroep, verspreide bewoning aan straat, compact aan straat en verspreid. Zowel in de catalogus als de erfgoedkaart wordt de Hei niet genoemd als een gehucht.

In de catalogus worden wel losse historische objecten als de Vlasrootkuil bij Jan Miekes Hoeve en de Langgevelboerderijen op de Hei 15, 25, 43 en 51 benoemd. De Hei 25, 43 en 51 kennen nog steeds een waardevolle status en zijn als beeldbepalende panden opgenomen in het Bestemmingsplan Buitengebied. Historisch gezien heeft het lint, de Hei, dus geen samenhangend geheel gevormd waardoor het destijds niet de status gehucht heeft gekregen. Daarom kent de gemeente ook nu niet de status als historische bebouwingsconcentratie toe. De Hei heeft zich echter door de jaren heen ontwikkeld tot een aaneengesloten bebouwingslint. Tevens kende de Hei wel een belangrijke historische functie als een prehistorische route over de Midden-Brabantse dekzandrug. De Hei is NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

28

zodoende wel opgenomen als zijnde bebouwingsconcentratie, maar niet als een historische bebouwingsconcentratie. 19.

Mevrouw R. van Berlo / mevrouw M.J. Kobussen / mevrouw M. van Niele / mevrouw G. de Vos, Deense Hoek 23 / Eksterlaan 15 / Spechtlaan 11 / Deense Hoek 20 te Lieshout

Zienswijze A. Waarom zou Laarbeek schaalvergroting in de landbouw faciliteren als de nadelen daarvan inmiddels steeds duidelijker worden? Reclamanten stellen voor te concentreren op biologische, natuur-inclusieve en kringlooplandbouw. B. Neem de handhaving op alle aspecten van luchtkwaliteit en op bestaande regels serieus, wees doortastend. En doe dit vóórdat we gaan praten over flexibilisering, snellere procedures, directe titels en terugtreden van de overheid. C. De wetenschap vindt steeds meer aanwijzingen dat pesticiden de ziekte van Parkinson veroorzaken. Deze pesticiden worden nog op grote schaal gebruikt. In Laarbeek worden nog steeds grote aardappel- en aardbeivelden dichtbij bebouwingsconcentraties aangelegd. Deze omgevingsvisie is een goede gelegenheid om hier paal en perk aan te stellen en de gezondheid van boeren én burgers te beschermen. D. Op pagina 21 wordt gesproken van ‘een goede regionale ontsluiting combineren met behoud van woon- en leefkwaliteiten’. Voeg hieraan toe: ‘en zonder schade aan of zelfs vernietiging van natuur’. E. Uit contacten met medewerkers van de gemeente wordt duidelijk dat de ‘brede plattelandsbestemming’ niet alleen te laten gelden voor VAB’s, maar voor alle panden in het buitengebied. Maar het overgrote deel van de panden in het buitengebied heeft de bestemming ‘wonen’ en daarbij is geen sprake van risico op leegstand of verpaupering.

Het uitbreiden van de functiemogelijkheden met directe titel dient hier dan ook geen doel en er is dan ook geen rechtvaardiging voor de inperking van rechten van omwonenden. F. Het imago versterken door het plaatsen van kunstvoorwerpen lijkt ons nutteloos als we de grote landschap-ontsierende reclameborden niet verwijderen. Deze borden worden nergens in voorliggende visie vermeld. G. In vrijwel alle gebieden wordt groen licht gegeven aan de functie ‘Bedrijvigheid cat. 1-2’. Deze lijst bevat een grote verscheidenheid aan bedrijven. Het is noodzakelijk om duidelijker te omschrijven welke bedrijven (aard en omvang) wel en welke niet het groene licht krijgen. H. De kaarten in hoofdstuk 7 tonen niet op perceelniveau de grenzen. De gebiedsafbakening kan dus niet als definitief worden bestempeld. I. De opmerking ‘bewoners kiezen zelf voor wonen in het buitengebied. Zij zoeken feitelijk zelf de mogelijke geurhinder op om ruimtelijk vrij te kunnen wonen’. Dit is uitermate denigrerend en doet de waarheid geweld aan. In Laarbeek wordt het buitengebied grotendeels bewoond door dorpelingen, die hier al decennia wonen, vaak in het ouderlijk huis of op van de ouders geërfde grond. J. De gevolgen van de stikstofcrisis ruïneren onze lokale en regionale natuurgebieden. Er mag dan ook geen sprake zijn van een nonchalante houding ten opzichte van geurhinder.

De volgende twee opmerkingen dienen uit de ontwerp-omgevingsvisie te worden geschrapt: om financiële redenen mengt de gemeente zich dus niet in het saneren van overbelaste situaties; alleen met betrekking tot veehouderijen en geur wordt onderzocht of een meer buigzame gemeentelijke geurverordening nodig is. K. Niet alleen grootschalige maar ook kleinschalige zonneparken (nog altijd tot 6 hectare) passen niet nabij historische bebouwingsconcentraties, in cultuur-historisch waardevolle gebieden, in het natuurnetwerk of in een recreatieve zone zoals die langs het Wilhelminakanaal. L. De grenzen van de historische bebouwingsconcentraties zijn te rigide vastgesteld. De uitstraling wordt niet alleen bepaald door de gebouwen, maar ook door de omringende NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

29

M.

N. O.

P.

Q. R.

S.

landschappen, zichtlijnen en bouwwerken. De voorbeelden Deense Hoek en Achterbosch worden van een toelichting voorzien. Ook de kanaalzone zou als een aparte historische bebouwingsconcentratie kunnen worden gezien. In deze zone zijn diverse zichtbare sporen van het verleden, die o.a. verwijzen naar de aanleg van het kanaal. Daarnaast is het akkergebied langs de zuidzijde van het kanaal (‘bolle akkers’) van cultuurhistorische waarde en aan de noordzijde verdienen het zandpad en de groene omgeving bescherming. Ook voor de recreatie (wandel-/fietspad, pleziervaart) is dit totale gebied waardevol. Functiewijziging zou in de historische bebouwingsconcentraties niet alleen moeten leiden tot substantiële sloopverplichting, maar de nieuwe functie zou naar aard en schaal ook strikt moeten passen in het betreffende gebied. Op pagina 93 is aangegeven dat voor het Natuurnetwerk Brabant behoud, herstel en bescherming centraal staan. Op pagina 66 staat als speerpunt 3 het bewegingsstimulerend inrichten van natuurgebieden. Daarbij moet echter de bescherming van de leefomgeving van plant en dier voorop staan. De zandpaden en de aangrenzende bermen in het buitengebied worden aangemerkt als waardevol voor o.a. biodiversiteit. Deze paden, zeker die binnen het Natuurnetwerk Brabant verdienen daarom een betere bescherming dan nu het geval is.

Paden worden regelmatig gebruikt als sluiproute en aan gort gereden door bijvoorbeeld ‘off road’ recreatie. Hoe kan hier een halt aan worden toegeroepen, bijvoorbeeld door ze (gedeeltelijk) af te sluiten voor doorgaand verkeer. Het is niet duidelijk of de genoemde uitzondering voor de bouw van ruimte-voor-ruimte woningen (pagina 97) geldt voor het gehele buitengebied. Aannemelijk is dat dit niet geldt voor de historische bebouwingsconcentraties. Als actiepunt C3 is opgenomen dat onderzoek moet worden gedaan naar de verbetermogelijkheden van de 60 km/uur wegen zonder vrijliggend fietspad in het kader van Duurzaam Veilig. Reclamanten zouden graag ook de verbetermogelijkheden voor 30 km/uur opnemen in het onderzoek. Hoe gaat de gemeente de omgevingsdialoog controleren. Ligt de Bewoners Effect Rapportage samen met de vergunningsaanvraag ter inzage? Hoe blijft de gemeente bewoners beschermen tegen initiatiefnemers zonder voldoende fatsoen?

Reactie A. De alternatieve vormen van landbouw bieden nog geen afdoende verdienmodel om de agrarische transformatie te kunnen dragen. Deze vormen steunen nog teveel op het doorzettingsvermogen en de passie van enkele pioniers. Hierin komt langzaam verandering, maar de hervorming heeft tijd nodig. De gemeente vindt het daarom niet verantwoord om het economisch perspectief voor de traditionele vormen van landbouw voor het gehele grondgebied te blokkeren. Er is daarom gekozen voor een mengvorm. Blokkeren waar het moet en ruimte bieden waar het kan. Overigens, het uitgroeien boven de vigerende vergunningsrechten vereist ten gevolge van strenge regelgeving heden ten dage aantoonbare resultaten dat het woon- en leefklimaat in de omgeving aanvaardbaar blijft. Bovendien laat provinciale regelgeving nieuwe intensieve veehouderijen niet meer toe. B. Handhaving op luchtkwaliteit en bestaande regels (inzake agrarische ondernemingen) wordt serieus genomen, maar acties in dezen zijn voor de buitenwacht niet altijd zichtbaar. C. De gemeente heeft noch de capaciteit noch de kennis om te controleren op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Deze controle is in Nederland in handen van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA). Zij voeren fysieke en administratieve controles uit en nemen eventueel monsters van gewas en grond.

Indien misstanden worden waargenomen is het zaak dit te melden bij deze instantie. Het NVWA is op de hoogte welke gewasbeschermingsmiddelen door het College voor de toelating van gewasbestrijdingsmiddelen en biociden (Ctgb) zijn toegelaten en gecertificeerd. Zonder deze kennis is de kans aanwezig dat een buitenstaander voorbarige conclusies trekt. Niet elk gewasbeschermingsmiddel is immers slecht voor de volksgezondheid of de natuur.

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

30

D.

E.

F.

G.

H.

I. J.

K.

L.

Op dit moment is er geen sprake van een regionale discussie over de noordelijke afronding van de Ruit rond Eindhoven. Mocht deze discussie over nut en noodzaak in de toekomst wederom oplaaien, dan wordt op dat moment het beleidsproces met participatiemogelijkheden weer opgetuigd. Het is dan geen realistische voorwaarde dat een nieuwe weg ‘geen schade of zelfs vernietiging van de natuur teweeg mag brengen'. De passage wordt niet toegevoegd. De uitwerking van de Brede Plattelandsbestemming pakt de gemeente samen met de provincie Noord-Brabant op. De provincie heeft een sturende rol waar het gaat om ruimtelijke ordening in het buitengebied. De juridische doorvertaling van deze uitkomst vindt plaats in het omgevingsplan. Bij deze uitwerking zal een balans gevonden moeten worden tussen flexibiliteit en rechtszekerheid. Flexibiliteit binnen de woonbestemming hoeft overigens niet per se negatief te zijn. Maar goed, de boodschap en de zorgen van reclamant zijn in de oren geknoopt. In 2021 is een nieuwe beleidslijn vastgesteld die handvatten biedt om handhavend op te treden tegen reclame-objecten in het buitengebied. Het gaat om de beleidsregel ‘Reclame in de openbare ruimte gemeente Laarbeek 2021’.

Volgens deze notitie mag een reclameuiting geen overlast (fysiek en visueel) veroorzaken voor de omgeving en derden, mag het verkeer niet in gevaar worden gebracht en moet er een rechtstreeks verband zijn tussen de uiting en de locatie. Deze beleidslijn zal met toelichting worden toegevoegd aan paragraaf 9.5 (‘Algemene omgevingskwaliteit’) van de Omgevingsvisie. In Nederland is de mogelijke milieuhinder van bedrijven verdeeld in tien categorieën. Met categorie 1 en 2 bedrijven wordt gedoeld op bedrijven met de kleinste kans op milieuhinder voor de omgeving. Hier vallen ook bedrijven onder die qua functie niet in het buitengebied thuishoren. Het is dus inderdaad zaak om binnen de categorie 1 en 2 bedrijven een nader onderscheid te maken tussen wel of niet voorstelbaar in het buitengebied. Dit onderscheid dient plaats te vinden in het omgevingsplan waarin de juridische vertaling plaatsvindt, bijvoorbeeld in een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Voor het karakter van de omgevingsvisie (hoofdlijnen) is de algemene omschrijving (categorie 1-2 bedrijven) voldoende. De Omgevingsvisie is een visie op hoofdlijnen en niet bedoeld om op perceelsniveau conclusies te trekken. Bij de vertaling van de visie naar het omgevingsplan worden de keuzes op perceelsniveau uitgewerkt en bestendigd en bestaat de mogelijkheid om beroep in te stellen tegen de gemaakte keuzes.

Deze passage in de omgevingsvisie is te ongenuanceerd. De passage wordt verwijderd. Er is geen sprake van een nonchalante houding ten aanzien van geur, maar er dient wel sprake te zijn van realiteitszin. De gemeente is financieel niet bij machte om bedrijven of de rechten van bedrijven weg te kopen. Op pagina 70 van de ontwerp-visie is beschreven dat de gemeente gebruik poogt te maken van combinatiemogelijkheden met landelijke en/of provinciale saneringsregelingen. Dat een landschap getypeerd wordt als overweegbaar voor zonneparken, betekent niet dat alle locaties binnen dat landschap ook geschikt zijn. Zo is bijvoorbeeld bouwen binnen een bebouwingsconcentratie of daarop aansluitend onwenselijk, om het open karakter te behouden, verstening tegen te gaan en de bebouwingsconcentraties niet te laten concurreren met de vier kernen. Dit is opgenomen in de Visie Grootschalige Opwek (p.10). De gemeente is het op dit punt dus eens met de reclamant. Ook het bouwen in het natuurnetwerk is niet toegestaan (Visie Grootschalige Opwek p.10). Voor recreatieve zones wordt gekeken naar de inrichting van een project en in hoeverre het nadelig is voor die functies. Historische bebouwingsconcentraties zijn in samenspraak met de Laarbeekse heemkundekringen gedefinieerd.

Als vertrekpunt voor de benoeming van historische bebouwingsconcentraties zijn de gehuchten uit de ‘Catalogus Cultuurhistorische inventarisatie erfgoedkaart gemeente Laarbeek (2012)’ gehanteerd. De Omgevingsdienst Zuidoost Brabant heeft bijhorend kaartmateriaal beschikbaar gesteld middels de Erfgoedkaart Laarbeek (https://odzob.nl/kaarten-erfgoed-archeologie). In de laag ‘Historisch landschap’ is de sublaag ‘Oude infrastructuur, doorgaande lokale wegen, gegraven waterlopen en gehuchten’ opgenomen. Voor een nadere begrenzing van de huidige situatie van deze gehuchten is daarna gekeken naar:

NOTA VAN BEANTWOORDING EN WIJZIGING

31

• • • •

een natuurlijke/logische begrenzing (door landschapselementen en (oude) infrastructuur); herkenbaarheid van de historische situatie (situering van aanwezige historische panden/elementen) en de ontwikkeling van de bebouwingsconcentratie; de functionele relatie met het buitengebied (typologie en functie van de bebouwing); de bebouwingsdichtheid (beleving van een aaneengesloten bebouwingsconcentratie).

Tevens zijn zichtlijnen vanuit en op de bebouwingsconcentratie bekeken in de afweging van de begrenzingen. Met het bovenstaande in acht genomen, zijn de bebouwingsconcentraties begrensd zoals weergegeven in de Omgevingsvisie Buitengebied Laarbeek. Bij de begrenzing is tevens de definitie voor bebouwingsconcentratie van de provincie Noord-Brabant in acht genomen. De provincie splitst de definitie van een bebouwingsconcentratie in drie varianten: 1. Kernrandzone, is een overgangszone van bestaand stedelijk gebied naar het buitengebied, met daarin relatief veel bebouwing op korte afstand van elkaar met een toenemende menging van functies; 2. Bebouwingslint, is een min of meer aaneengesloten lijnvormige reeks van bebouwing langs een weg, geheel of gedeeltelijk, in landelijk gebied; 3. Bebouwingscluster, is een vlakvormige verzameling van bebouwing, geheel of gedeeltelijk, in landelijk gebied. Reclamanten doen het voorstel om de Deense Hoek her te begrenzen door de bebouwingsconcentratie door te laten lopen tot aan of over het kanaal en om het weiland bij de Deense Hoek 23 te betrekken. Het noordelijke gedeelte van de Deense Hoek is bewust buiten de historische bebouwingsconcentratie gelaten omdat het geen herkenbare relatie meer heeft met de historische bebouwingsconcentratie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=07245888-3375-4e59-8f1c-95147088a9ca