6 20231012 Bijlagenboek bestemmingsplan natuurontwikkeling Gulden Land
Tekst van het document
7 8 9
Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/A232# Bron: https://waarneming.nl/species/455/maps/?start_date=2018-04-20&interval=15552000&end_date=2021-1017&map_type=grid10k Kamsalamander – https://www.verspreidingsatlas.nl/A112# en https://waarneming.nl/species/447/maps/? start_date=2016-10-18&interval=157680000&end_date=2021-10-17&map_type=grid10k Vinpootsalamander – https://www.verspreidingsatlas.nl/A113# en https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196136/observations/?date_after=2016-10-13&date_before=202110-12&view_type=as_map&species=456&advanced=on Alpenwatersalamander –
23
Nederlandse naam
Wetenschappelijke naam
NDFF
Waarneming.nl Rheofiel
Potentiële aanwezigheid
Beekdonderpad
Cottus rhenanus
Nee
Nee
Ja
Nee
Beekprik
Lampetra planeri
Nee
Nee
Ja
Nee
Elrits
Phoxinus phoxinus
Nee
Nee
Ja
Nee
Gestippelde Alver
Alburnoides bipunctatus
Nee
Nee
Ja
Nee
Grote Modderkruiper
Misgurnus fossilis
Ja
Ja
Nee
Ja
Kwabaal
Lota lota
Nee
Nee
Ja
Nee
Op grond van de actuele verspreidingsgegevens van de middels de Wet Natuurbescherming beschermde zes vissoorten in de Provincie Noord-Brabant kan het voorkomen van Beekdonderpad, Beekprik, Elrits, Gestippelde Alver en Kwabaal in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Het voorkomen van Grote modderkruiper in de directe nabijheid van het plangebied kan op grond van de verspreidingsgegevens niet worden uitgesloten. Op 15 juni 2020 werden zeven adulte individuen gevangen in de Boerdonksche Aa nabij Boerdonk en Laarbeek10, hetgeen op circa 5 kilometer afstand van het plangebied gelegen is. De Grote modderkruiper is een soort die vrijwel uitsluitend voorkomt in rijkelijk door waterplanten begroeide, modderige sloten in extensief beheerd cultuurland. Op grond van de aanwezigheid van modderige sloten (zie afbeelding 7 en 8) in combinatie met de aanwezigheid van een recent leefgebied in de directe nabijheid van het plangebied, kan de aanwezigheid van Grote modderkruiper in de modderige sloten van het plangebied redelijkerwijs niet worden uitgesloten.
10 Bron: https://waarneming.nl/observation/194220482/
24
Afbeelding 8. Vereenvoudigde waterstaatskaart van het plangebied. De percelen worden ontwaterd door een uitgebreid stelsel aan sloten.
5.6 Ongewervelden 5.6.1 Libellen Volgens de NDFF komt in het plangebied, of in de directe nabijheid daarvan, de Bosbeekjuffer (Calopteryx virgo) voor. De overige middels de Wet Natuurbescherming in de provincie Noord-Brabant beschermde zeven soorten libellen komen redelijkerwijs niet voor in het plangebied en/of de directe nabijheid daarvan. De Bosbeekjuffer is een libel die gebonden is aan koel, zuurstofrijk, schoon, snel stromend water van laaglandbeken. Deze juffer legt daarbij een speciale voorkeur aan de dag voor met opgaande begroeiing bezette oevers van beken. Dit creëert een luwte, hetgeen noodzakelijk is voor de niet krachtige, maar sierlijke vlucht van de soort. In het plangebied zijn dergelijke habitatkenmerken aanwezig.
Op 2 juni 2019 werden drie volwassen individuen van de soort waargenomen op circa 1 kilometer ten zuiden van het plangebied11. Bovendien zijn van de Grotelsche Heide, op zo’n 4 kilometer ten oosten van het plangebied, enkele gevalideerde waarnemingen van de soort bekend 12. Daarmee bevindt zich in de directe nabijheid van het plangebied een populatie Bosbeekjuffers. In samenhang met de geschiktheid van het plangebied voor de voortplanting van de Bosbeekjuffer, kan de aanwezigheid van de soort in het plangebied redelijkerwijs niet worden uitgesloten. 11 Bron: https://waarneming.nl/observation/173621452/ 12 Bron o.a.: https://waarneming.nl/observation/157154313/
25
5.6.2 Dagvlinders Volgens de NDFF komen in het plangebied of de directe nabijheid daarvan de Kleine ijsvogelvlinder (Limenitis camilla) en het Spiegeldikkopje (Heteropterus morpheus) voor. Het voorkomen van de overige achtien soorten streng beschermde dagvlinders in het plangebied kunnen op grond van de gegevens van de NDFF redelijkerwijs worden uitgesloten. De Kleine ijsvogelvlinder is strikt gebonden aan bosgebieden waar de soort zich ophoudt rondom half beschaduwd struweel en pioniermilieus (vooral kapvlakten). De waardplanten van de rupsen zijn Wilde kamperfoelie (Lonicera periclymenum) en Rode kamperfoelie (Lonicera xylosteum). In het plangebied zijn ten tijde van het veldbezoek geen individuen van Wilde kamperfoelie en/of Rode kamperfoelie aangetroffen. Tevens worden de habitatkenmerken van de soort niet vertegenwoordigd door de in het plangebied aanwezige ecotopen. De dichtstbij gelegen waarnemingen van de Kleine ijsvogelvlinder zijn afkomstig uit bosgebieden ten oosten van het plangebied, te weten De Biezen en Grotelsche Bos 13. Het voorkomen van de Kleine ijsvogelvlinder in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. De habitateisen van het Spiegeldikkopje bestaan uit grazige, vochtige milieus nabij bosschages en struweel in voornamelijk hoogveengebied en vochtige heidegebieden.
Het voorkomen van de soort is sterk gebonden aan de aanwezigheid van de waardplanten voor de rupsen, te weten Hennegras (Calamagrostis canascens) en Pijpestrootje (Molinia caerulaea). De volwassen dieren zijn voorts sterk afhankelijk van de nectar van bloemen van dopheide (Erica sp.) en kattenstaart (Lythrum sp.). Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen van Pijpestrootje, Hennegras, dopheide of kattenstaart aangetroffen. Voorts ontbreken in het plangebied de ecotopen die invulling geven aan de habitateisen van de soort. In het plangebied ontbreekt hoogveen en is geen sprake van heidevegetaties op een vochtige, zure grond. De Nederlandse populatie Spiegeldikkopjes komt van oudsher (vrijwel) uitsluitend voor in de Limburgse en Noord-Brabantse Peel14, hetgeen op circa 17 kilometer ten zuidoosten van het plangebied gelegen is. Het voorkomen van het Spiegeldikkopje in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.6.3 Kevers De aanwezigheid van het Vliegend hert (Lucanus cervus) hangt direct samen met het voorkomen van vermolmde, vochtige stam- en takdelen van eikenbomen (Quercus sp.). De soort komt hoofdzakelijk voor in ondergrondse, vermolmde delen van de stam van eikenbomen, waaronder aftakelende hakhoutstoven van eikenhakhout en vermolmde knotbomen van eik. De aanwezige Zomereiken in het plangebied zijn allen zeer gaaf en vertonen geen enkel spoor van aftakeling. In het plangebied zijn geen hakhoutstoven of knotbomen van eik aanwezig. Volgens de NDFF en Waarneming.nl komt de soort niet voor in het plangebied en/of de directe nabijheid daarvan. Gedurende het veldbezoek zijn eveneens geen individuen van Vliegend hert waargenomen. Het voorkomen van het Vliegend hert in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.6.4 Europese rivierkreeft De Europese rivierkreeft (Astacus astacus) komt voor in beken met zuurstofrijk water, een modderige bodem en een geringe stroomsnelheid. De Europese rivierkreeft heeft relatief schoon water nodig met een geringe nitraatbelasting. De soort rust overdag onder overhangende oeverbegroeiing in al dan niet zelf gegraven schuilplaatsen tussen (boom)wortels en stenen (OTTBURG & ROESSINK, 2012). Daarmee is de soort sterk 13 Bron: https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196136/observations/?date_after=2016-10-03&date_before=202110-02&view_type=as_map&species=690&advanced=on 14 Bron: https://www.verspreidingsatlas.nl/I0698#
26
gebonden aan beken met natuurlijke, rijk begroeide oevers. In het plangebied voldoet de laaglandbeek de Aa gedeeltelijk aan dit habitatprofiel, namelijk het gedeelte van de beek dat aan beide oevers bezet is met houtwallen. De oevers van het tracégedeelte ten noordoosten daarvan (ter hoogte van de bocht) worden periodiek gemaaid door de beheerder. OTTBURG & ROESSINK (2012) melden dat de Europese rivierkreeft in 2011 uitsluitend van nature voorkomt in één water, namelijk in de schaatsvijver op landgoed Warnsborn nabij Arnhem op circa 57 kilometer ten noorden van het plangebied. Waarneming.nl meldt echter een recente vindplaats direct ten westen van het plangebied, mogelijk in het stroomgebied van de Dommel15. Deze waarneming(en) wordt niet ondersteund door de NDFF. Het voorkomen van de Europese rivierkreeft in het plangebied kan redelijkerwijs niet worden uitgesloten op grond van de aanwezige ecotopen in en rondom laaglandbeek de Aa. De potentiële aanwezigheid van een populatie van een soort dient evenwel te worden beoordeeld op grond van de mogelijke aanwezigheid van uitsluitende (milieu)factoren. Voor de Europese rivierkreeft in Europese wateren is één van de grootste bedreigingen de zogeheten ‘kreeftenpest’16. Deze ziekte kan in Nederland door exotische zoetwaterkreeften worden verspreid. Niet elk individu is drager van de ziekteverwekker (OTTBURG & ROESSINK, 2012).
Volgens de NDFF en Waarneming.nl komen van de zes in Nederland ingeburgerde, exotische rivierkreeften, de Gevlekte Amerikaanse rivierkreeft (Faxonius limosus), Gestreepte Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus acutus), Rode Amerikaanse rivierkreeft (Procambarus clarkii) en de Californische rivierkreeft (Pacifastacus leniusculus) voor in de directe nabijheid van het plangebied. De aanwezigheid van exotische kreeften in de nabijheid van het plangebied hoeft de aanwezigheid van Europese rivierkreeft in het plangebied niet uit te sluiten. Dit kan worden geïllustreerd op basis van de eerder vermelde waarneming17 van Europese rivierkreeften in de directe nabijheid van het plangebied. De betreffende, recente vindplaats ligt eveneens in de directe nabijheid van recente waarnemingen van exotische rivierkreeften. Op grond van bovenstaande bevindingen en argumenten kan het voorkomen van de Europese rivierkreeft in het plangebied redelijkerwijs niet worden uitgesloten.
5.7 Vaatplanten Op grond van de beschikbare verspreidingsgegevens van de conform de Wet Natuurbescherming beschermde planten, de waarnemingen tijdens het veldbezoek en de zeer voedselrijke omstandigheden ter plaatse kan het voorkomen van kwetsbare vegetaties en beschermde vaatplanten redelijkerwijs worden uitgesloten.
15 Bron: https://waarneming.nl/species/16597/maps/?start_date=2011-09-21&interval=315360000&end_date=202109-18&map_type=grid10k 16 Kreeftenpest wordt veroorzaakt door de schimmel Aphanomyces astaci. Deze ziekteverwekker wordt overgedragen door exotische kreeftensoorten uit met name de Verenigde Staten. Deze exotische kreeftensoorten zijn immuun voor de ziekte, echter de Europese rivierkreeft niet. 17 Zie voetnoot 15
27
5.8 Beschermde gebieden Het Natura 2000-gebied dat het dichtst bij het plangebied gelegen is, is 'Deurnese Peel'. Dit bevindt zich op ruim 12,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Het tracé van de laaglandbeek de Aa bevindt zich binnen het Natuurnetwerk Nederland en maakt daar een wezenlijk onderdeel van uit. Aangezien de voorgenomen activiteiten plaatsvinden binnen het Natuurnetwerk Nederland of in de directe invloedssfeer daarvan, is het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland van toepassing. Het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland schrijft voor dat voorkomen dient te worden voorkomen dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied negatief beïnvloed worden door de activiteiten. De Nota Ruimte18 geeft de volgende definitie van wezenlijke kenmerken en waarden:
De wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en kwaliteit, geomorfologische- en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
Aangezien het tracé van de laaglandbeek de Aa gedeeltelijk wordt vergraven en negatieve effecten daarvan op de ecologisch geleidende functionaliteit van de structuur van tijdelijke aard zijn, is van een verslechtering van de functionaliteit van de aanwezige verbinding geen sprake. De voorgenomen werkzaamheden in zijn totaliteit beogen meer groene, lijnvormige landschapsstructuren in de vorm van boomsingels, houtwallen en hagen aan te leggen in het plangebied hetgeen de fijnmazigheid van ecologische verbindingen ter plaatse fors doet toenemen. In samenhang met de ontwikkeling van natuurlijke vegetaties en begroeiingen in de vorm van bosschages, parkachtig bos en extensief beheerde, natuurlijke graslanden, kan hierdoor de diversiteit aan planten- en diersoorten in het plangebied fors toenemen. Verslechtering van de geomorfologische- en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, stilte, donkerte en openheid zijn in het onderhavige geval niet aan de orde. De oorspronkelijke geomorfologie en aardkundige waarden blijven ongewijzigd en worden visueel versterkt door het terugbrengen van oorspronkelijke begroeiingen, waardoor de belevings- en informatiewaarde van het landschap toeneemt. Het waterhuishoudingsstelsel van sloten en beken blijft gehandhaafd en wordt door de voorgenomen plannen ecologisch opgewaardeerd en versterkt.
De kwaliteit van bodem, water en lucht blijft ongewijzigd door de voorgenomen werkzaamheden en wordt daarop volgend aanzienlijk verbeterd door de toegenomen biodiversiteit en de aanleg van natuurlijke vegetaties. De huidige kwaliteit van stilte, donkerte en openheid van het landschap verslechteren door de werkzaamheden niet en nemen toe. In het onderhavige geval zijn negatieve effecten door de activiteiten op (onderdelen van) het Natuurnetwerk Nederland dan ook redelijkerwijs uitgesloten.
18
Bron: https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_142322_31/ (geraadpleegd 25 oktober 2021)
28
6 Effectbeoordeling, conclusies en aanbevelingen 6.1 Effectbeoordeling beschermde gebieden Het plangebied bevindt zich op ruim 12,5 kilometer ten westen van Natura2000-gebied ‘Deurnese Peel'. Aangezien de geplande ingreep buiten dit Natura 2000-gebied plaatsvindt en de te verwachten effecten op stikstofdepositie en hydrologie redelijkerwijs kunnen worden uitgesloten, kunnen tevens effecten op de betreffende habitattypen en soorten worden uitgesloten. Het tracé van de laaglandbeek de Aa bevindt zich binnen het Natuurnetwerk Nederland en maakt daar een wezenlijk onderdeel van uit. Aangezien de voorgenomen activiteiten plaatsvinden binnen het Natuurnetwerk Nederland of in de directe invloedssfeer daarvan, is het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland van toepassing. Het Afwegingskader Natuurnetwerk Nederland schrijft voor dat voorkomen dient te worden voorkomen dat de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied negatief beïnvloed worden door de activiteiten. De Nota Ruimte19 geeft de volgende definitie van wezenlijke kenmerken en waarden:
De wezenlijke kenmerken en waarden zijn de actuele en potentiële waarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. Het gaat daarbij om: de bij het gebied behorende natuurdoelen en kwaliteit, geomorfologische- en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, stilte, donkerte en openheid, de landschapsstructuur en de belevingswaarde.
Aangezien het tracé van de laaglandbeek de Aa gedeeltelijk wordt vergraven en negatieve effecten daarvan op de ecologisch geleidende functionaliteit van de structuur van tijdelijke aard zijn, is van een verslechtering van de functionaliteit van de aanwezige verbinding geen sprake. De voorgenomen werkzaamheden in zijn totaliteit beogen meer groene, lijnvormige landschapsstructuren in de vorm van boomsingels, houtwallen en hagen aan te leggen in het plangebied hetgeen de fijnmazigheid van ecologische verbindingen ter plaatse fors doet toenemen. In samenhang met de ontwikkeling van natuurlijke vegetaties en begroeiingen in de vorm van bosschages, parkachtig bos en extensief beheerde, natuurlijke graslanden, kan hierdoor de diversiteit aan planten- en diersoorten in het plangebied fors toenemen. Verslechtering van de geomorfologische- en aardkundige waarden en processen, de waterhuishouding, de kwaliteit van bodem, water en lucht, stilte, donkerte en openheid zijn in het onderhavige geval niet aan de orde. De oorspronkelijke geomorfologie en aardkundige waarden blijven ongewijzigd en worden visueel versterkt door het terugbrengen van oorspronkelijke begroeiingen, waardoor de belevings- en informatiewaarde van het landschap toeneemt. Het waterhuishoudingsstelsel van sloten en beken blijft gehandhaafd en wordt door de voorgenomen plannen ecologisch opgewaardeerd en versterkt.
De kwaliteit van bodem, water en lucht blijft ongewijzigd door de voorgenomen werkzaamheden en wordt daarop volgend aanzienlijk verbeterd door de toegenomen biodiversiteit en de aanleg van natuurlijke vegetaties. De huidige kwaliteit van stilte, donkerte en openheid van het landschap verslechteren door de werkzaamheden niet en nemen toe. In het onderhavige geval zijn negatieve effecten door de activiteiten op (onderdelen van) het Natuurnetwerk Nederland dan ook redelijkerwijs uitgesloten.
19
Bron: https://puc.overheid.nl/rijkswaterstaat/doc/PUC_142322_31/ (geraadpleegd 18-10-21)
29
6.2 Effectbeoordeling beschermde soorten en conclusies Uit het onderzoek blijkt dat in het plangebied geen streng beschermde dagvlinders, kevers en vaatplanten voorkomen. Ditzelfde geldt voor grote marterachtigen, grote roofdieren, evenhoevigen, Europese bever, Europese eekhoorn, slaapmuizen, Grote bosmuis, Molmuis, Veldspitsmuis, zeezoogdieren, Adder, Ringslang, Gladde slang, Zandhagedis, Muurhagedis, Alpenwatersalamander, Vinpootsalamander, Kamsalamander, Vuursalamander, Heikikker, Poelkikker, Boomkikker, Knoflookpad, Vroedmeesterpad, Geelbuikvuurpad, streng beschermde zoetwatervissen met uitzondering van Grote miodderkruiper en streng beschermde libellen met uitzondering van Bosbeekjuffer. Daarmee is een negatief effect door de ingrepen op voornoemde soortgroepen en soorten uitgesloten. De ingrepen leveren voor deze soorten en soortgroepen redelijkerwijs geen overtreding van de Wet Natuurbescherming op. In onderstaande tabel worden de soorten en soortgroepen behandeld waarvan de aanwezigheid in het plangebied op grond van het onderhavige onderzoek niet kan worden uitgesloten. In de tabel worden de te verwachten negatieve effecten per soort en/of soortgroep kort vermeld en de te nemen, wettelijke vervolgmaatregelen. Indien door de werkzaamheden negatieve effecten te verwachten zijn op algemene, niet-streng beschermde soorten, dan geldt de algemene zorgplicht.
Dit laatste is dan vermeld als vervolgmaatregel. Soortgroep/soort
Negatief effect
Overtreding
Vervolgmaatregel
Waterspitsmuis
Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/ verstoren individuen door
verbodsbepaling • Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1,
Soortgericht onderzoek
Vleermuizen
Vogels – gehele soortgroep
Hazelworm
Levendbarende hagedis
vergraven beekoevers Verstoring en vernietiging van verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied door vergraven beekoevers en beektracé, en de kap van aanwezige houtwallen Verstoring van broedgevallen en rustende vogels Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/verstor en individuen door vergraven beekoevers en herinrichting ruigtezonesArt. 3.10, lid 1a en 1b WNB Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/verstor en individuen door vergraven beekoevers en herinrichting ruigtezones
30
2a, 2b, 2c WNB • Art. 3.5, lid 2 van de WNB • Art. 3.10, lid 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Soortgericht onderzoek
• Art 3.1, lid 1,2 en 4 WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Algemene zorgplicht → Ecologische begeleiding
• Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Soortgericht onderzoek
• Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Soortgericht onderzoek
Soortgroep/soort
Negatief effect
Amfibieën – gehele soortgroep
Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/verstor en individuen door vergraven beekoevers en uitbaggeren/wijzigen (tracés) sloten
Rugstreeppad
Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/verstor en individuen door vergraven beekoevers en uitbaggeren/wijzigen (tracés) sloten en
Vissen – gehele soortgroep Grote modderkruiper
Libellen – gehele soortgroep Bosbeekjuffer
Europese rivierkreeft
Overtreding verbodsbepaling • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
herinrichting ruigtezones Doden/verwonden /verstoren individuen door vergraven beektracé Vernietiging leefgebied en doden/verwonden/verstor en individuen door uitbaggeren/wijzigen (tracés) sloten Doden/verwonden/ verstoren individuen door vergraven beektracé Doden/verwonden/ verstoren individuen door vergraven beektracé en de kap van aanwezige
Algemene zorgplicht → Ecologische begeleiding
• Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Soortgericht onderzoek
• Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Algemene zorgplicht → Ecologische begeleiding Soortgericht onderzoek
• Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
• Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB • Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
houtwallen Doden/verwonden/ verstoren individuen door vergraven beektracé
Vervolgmaatregel
• Art. 3.10, lid 1a en 1b WNB • Art. 1.11, lid 1, 2a, 2b, 2c WNB
Algemene zorgplicht → Ecologische begeleiding Soortgericht onderzoek
Soortgericht onderzoek
6.3 Vervolgmaatregelen en aanbevelingen Op grond van de bepalingen in de Wet Natuurbescherming en de effectbepaling van de in paragraaf 6.2 behandelde soorten dient nader onderzoek (‘soortgericht onderzoek’) plaats te vinden naar de aanwezigheid en populatieomvang van Waterspitsmuis, vleermuizen, Hazelworm, Levendbarende hagedis, Rugstreeppad, Grote modderkruiper, Bosbeekjuffer en Europese rivierkreeft. Daarmee kunnen de effecten van de ingrepen op de eventueel aanwezige soorten exact worden bepaald en wordt duidelijk of de aanvraag van een ontheffing ten behoeve van het overtreden van de verbodsbepalingen noodzakelijk is of kan worden volstaan met aangepast werken.
6.3.1 Ecologische begeleiding Voor de soortgroepen vogels, amfibieën, vissen en libellen is een ecologische begeleiding noodzakelijk
31
alvorens de werkzaamheden starten en gedurende werkzaamheden. Voor vogels geldt dat broedgevallen gedurende de periode vanaf 15 maart t/m 15 oktober aanwezig kunnen zijn. Alvorens de werkzaamheden starten, dient het gebied te worden geïnspecteerd door een ecoloog die eventuele broedgevallen markeert. Vanaf 15 oktober t/m 15 maart (soms later) kunnen overwinterende en rustende vogels aanwezig zijn in het plangebied. Indien in deze periode werkzaamheden voorzien zijn, dan dient een ecoloog alvorens de werkzaamheden plaatsvinden te controleren of zich rustende vogels in de invloedssfeer van de werkzaamheden bevinden. Langs de beekoevers, in de beek en langs de oever van de sloten en in de sloten kunnen algemener voorkomende amfibieënsoorten aanwezig zijn zoals Bruine kikker (Rana temporaria), Kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris) en groene kikker (Pelophyllax sp.). In de beek bevinden zich diverse vissoorten en libellenlarven van snelstromende milieus. Ten behoeve van het vergraven van het beektracé, wordt aanbevolen het beekpeil geleidelijk te laten zakken door gecontroleerde bediening van de sluisjes. Ecologen kunnen dan bij een voldoende gezakt waterpeil de aanwezige vissen, amfibieën en libellenlarven wegvangen en in het dichtstbij zijnde, geschikte water uitzetten.
Het wordt aanbevolen amfibieën op de aan de beek grenzende oevers eveneens in dezelfde periode weg te vangen. Voor de sloten geldt dat het waterpeil op voorhand al laag genoeg zal zijn om met redelijke inspanning dieren weg te vangen en te verplaatsen naar het dichtstbij zijnde, geschikte water.
6.3.2 Soortgericht onderzoek Voor de soorten Waterspitsmuis, vleermuizen, Levendbarende hagedis, Hazelworm, Rugstreeppad, Grote modderkruiper, Bosbeekjuffer en Europese rivierkreeft is een soortgericht onderzoek noodzakelijk om de aanwezigheid en de omvang van de betreffende populaties vast te stellen in het plangebied, alvorens de werkzaamheden kunnen beginnen. De Waterspitsmuis is jaarrond actief en daarmee kan de aanwezigheid in ieder jaargetijde worden onderzocht. Geadviseerd wordt om beide oevers van de laaglandbeek de Aa gedurende vier vangnachten te bemonsteren met zogeheten ‘life traps’. Dit zijn vallen waarmee de dieren levend worden gevangen en na de onderzoekshandelingen weer levend kunnen worden uitgezet. Door de voorgenomen werkzaamheden treedt mogelijk verstoring op van verblijffuncties van vleermuizen in twee knotwilgen in een boomsingel temidden van grasland, en er treedt vernietiging van mogelijke verblijffuncties, vliegroutes en foerageergebied op in de houtwallen op beide oevers van laaglandbeek de Aa. Geadviseerd wordt om conform de meest recente versie van het Vleermuisprotocol twee onderzoeksrondes in de kraamperiode van vleermuizen uit te voeren en twee onderzoeksrondes in de paarperiode van vleermuizen. De te hanteren onderzoeksperiodes zijn respectievelijk 15 mei t/m 15 juli (kraamperiode en zomerverblijf) en 15 augustus t/m 1 oktober.
Winterverblijven van Ruige dwergvleermuis kunnen worden vastgesteld door de aanwezigheid van roepende mannetjes vast te stellen. Soortgericht onderzoek naar Levendbarende hagedis en Hazelworm dient plaats te vinden conform de methodiek die vermeld wordt in de kennisdocumenten van BIJ1220 en de Soortinventarisatieprotocollen21 van het Netwerk Groene Bureaus. Indien voor beide soorten gekozen wordt voor onderzoek middels het leggen van zogeheten ‘plaatjes’, dan kan het onderzoek worden gecombineerd met het onderzoek naar Rugstreeppad. De meest geschikte periode voor plaatjesonderzoek naar amfibieën en reptielen is van 1 juni t/m september. 20 Zie https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-012-Kennisdocument-Levendbarende-hagedis-1.0.pdf (Levendbarende hagedis) 21 Zie https://www.netwerkgroenebureaus.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=206&catid=27
32
Onderzoek naar de aanwezigheid van Grote modderkruiper in de slootcomlexen kan conform Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus op twee wijzen plaatsvinden: middels electrovisserij of middels de bemonstering van de sloten op eDNA22 van de soort. Ten aanzien van beide methodes kan worden volstaan met slechts één veldbezoek in de periode van 1 maart t/m september (electrovisserij) en in de periode van 1 maart t/m juni of 1 september t/m oktober (eDNA). Soortgericht onderzoek naar de aanwezigheid van Bosbeekjuffer in en rondom de laaglandbeek de Aa kan het beste worden uitgevoerd middels drie veldbezoeken in de periode dat volwassen individuen vliegen. De vliegtijd van de soort valt geheel in de maanden juni en juli, waarmee dit de optimale periode is om de soort waar te nemen. Bosbeekjuffers vliegen uitsluitend met goed weer, te weten warme, windstille en droge, niet al te hete weersomstandigheden. De aanwezigheid van Europese rivierkreeft kan het beste worden vastgesteld middels fuiken waarin aas wordt geplaatst. Europese rivierkreeften zijn jaarrond actief, echter de soort is actiever in de warmere maanden van het jaar als de watertemperatuur eveneens hoger is. Dit is globaal in de periode van 1 juli t/m augustus.
6.4 Samenvatting De uitvoering van de voorgenomen ingrepen in het plangebied wordt in algemene zin niet verhinderd door de natuurwetgeving, mits voldoende invulling wordt gegeven aan de algemene zorgplicht, ecologische begeleiding wordt ingesteld ten aanzien van de soortgroepen vogels, amfibieën, vissen en libellen en soortgericht onderzoek wordt uitgevoerd naar Waterspitsmuis, vleermuizen, Levendbarende hagedis, Hazelworm, Rugstreeppad, Grote modderkruiper, Bosbeekjuffer en Europese rivierkreeft. Door de ingreep treedt geen verslechtering op van natuurdoelen in beschermde gebieden, waar mee negatieve effecten redelijkerwijs uitgesloten zijn.
22 eDNA is de afkorting van Environmental DNA en is gebaseerd op het feit dat ieder levend wezen afgestorven cellen achterlaat op de plaatsen waar deze leeft. Middels gerichte bemonstering en een specifieke techniek kan uit dergelijke cellen DNA van een soort worden geïdentificeerd.
33
7 Kansen voor natuurontwikkeling in het plangebied Natuurontwikkeling is gericht op het instandhouden en vergroten van de biodiversiteit, de variatie aan dier-en plantensoorten. Bij de aanleg van een nieuw recreatie- of natuurgebied kan snel resultaat worden behaald als rekening wordt gehouden met de juiste aansluiting van het nieuwe terrein bij bestaande natuurgebieden via groene verbindingszones, zoals het Natuurnetwerk Nederland. Daardoor kunnen meer diersoorten het plangebied in en uit trekken. Tevens is de ontwikkeling van natuurlijke vegetaties van belang om onder andere de diversiteit aan plantensoorten in het gebied te vergroten. Daardoor kan ook de insektenfauna diverser worden, waarmee ook insekten etende dieren het terrein weten te vinden. Indien beplantingen worden gerealiseerd, dan dient uitsluitend te worden gekozen voor een sortiment aan soorten van inheemse oorsprong. Tenslotte verdient het aanbeveling om bij de aanleg van kunstwerken zoveel mogelijk te kiezen voor duurzame en/of natuurlijke materialen. In onderstaande paragrafen worden de kansen voor natuurontwikkeling beknopt toegelicht voor het plangebied, gericht op het vergroten van de ecologische ontsluiting van het plangebied en de ontwikkeling en het beheer van natuurlijke vegetaties in het plangebied.
7.1 Ontsluiting ten behoeve van soortmigratie Het plangebied kent een tweetal ecologische barrières voor een bepaald aantal soorten (zie afbeelding 3), te weten het kanalencomplex en de Bakelseweg. De kanaaloevers van beide kanaaltracés blijken goed toegankelijk voor uittredende landdieren. Afgezien van de zuid-noordverbinding via de oevers van de laaglandbeek de Aa, is de Bakelseweg minder goed passeerbaar voor kleinere dieren. Om dit wel mogelijk te maken, verdient het aanbeveling om op twee plaatsen een faunatunnel onder het wegtracé aan te leggen en aan weerszijden van het wegtracé een permanent, faunageleidend scherm te plaatsen. De faunatunnel dient ruimte te bieden aan dieren met een maximale grootte van de Das (Meles meles), waardoor ook de Das het gebied binnen kan treden.
7.2 Ontwikkeling van natuurlijke vegetaties Door gericht verschralingsbeheer van de akkers en graslanden in het plangebied kunnen deze percelen worden omgevormd tot soortenrijke graslandtypen van de Glanshaver-associatie (Arrhenatheretum elatioris). Subtypen van dit vegetatietype zijn in Nederland op agrarisch cultuurland op zandgronden succesvol gerealiseerd door een gericht beheer van twee maal per jaar maaien en afvoeren van het maaisel (Londo, 1997; Schaminée, 2019). Door op aangewezen plaatsen de verruiging door spontane opschot van jonge bomen, struiken en struweel toe te laten, kan de aanplant van inheemse bomen en struiken zelfs (gedeeltelijk) achterwege blijven. Op deze wijze kan eveneens worden aangestuurd op de natuurlijke ontwikkeling van natuurlijk bos op grond van autochtone boom- en struiksoorten. Aangezien in de directe nabijheid voldoende gebiedseigen, autochtone ‘moederbomen’ aanwezig zijn, zijn de kansen daarop in dit geval groot tot zeer groot.
34
8 Bronnen 8.1 Literatuur Andrews, H., M. Gardener & J. Mulholland (2018). Bat Roosts in Trees – A Guide to Identification and Assessment for Tree-Care and Ecology Professionals. Bat Tree Habitat Key, Exeter: Pelagic Publishing
Barataud, M, Y. Tupinier & H. Limpens (2020). Acoustic ecology of European Bats. Species identification, Study of their habitats and foraging behaviour. Inventaires & biodiversité series; Biotope – Muséum national d’Histoire naturelle (second edition) Bink, F.A. (1992). Ecologische atlas van de dagvlinders van Noordwest-Europa. Schuyt & Co., Haarlem Beintema, A., O. Moedt & D. Ellinger (1995). Ecologische Atlas van de Nederlandse Weidevogels. Schuyt & Co., Haarlem Bijlsma, R.G. (1993). Ecologische Atlas van de Nederlandse Roofvogels. Schuyt & Co. Uitgevers en Importeurs BV, Haarlem (1e druk) Broekhuizen, S. et al. (1992). Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Stichting Uitgeverij Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging Creemers, R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland – Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey – Nederland, Leiden
Dietz, C., O. von Helversen & D. Nill (2011). Vleermuizen. Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika. Biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Uitgevers, Baarn Dietz, C. & A. Kiefer (2017). Veldgids Vleermuizen van Europa. KNNV Uitgeverij, Zeist Dijkstra, K.D.B. (2016). Libellen van Europa. Veldgids met alle libellen tussen Noordpool en Sahara. Kosmos Uitgevers, Utrecht/Antwerpen (derde druk) Floron (2011). Nieuwe Atlas van de Nederlandse Flora. KNNV Uitgeverij, Zeist Herder, P. et al. (2017). Handboek Natuurbeschermingsrecht. Berghauser Pont Publishing, Amsterdam (eerste druk) Heusden, W.R.M. & S.J. Vreugdenhil (2006). Handreiking Flora- en faunawet. Voor werkzaamheden en activiteiten in het kader van bestendig gebruik, bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke inrichting en ontwikkeling. Dienst Landelijk Gebied (DLG), Utrecht. Hoogenboom, H. (2018). Aquatische Ecologie. Functioneren en beheren van zoete en brakke aquatische ecosystemen. KNNV Uitgeverij, Zeist (derde druk) Huizinga, N. et al. (2010). Zoogdieren van Limburg. Verspreiding en ecologie in de periode 1980-2007. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht (eerste druk) Hustings, F. et al. (2006). Avifauna van Limburg. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht (1e druk) Jalink, M.H. & A.J.M. Jansen (1995).
Indicatorsoorten, Deel 2. Indicatorsoorten voor verdroging, verzuring en eutrofiëring van grondwater-afhankelijke beekdalgemeenschappen. Staatsbosbeheer, Driebergen (eerste druk)
35
Janssen, J.A.M. & J.H.J. Schaminée (2003). Europese natuur in Nederland. Habitattypen. KNNV Uitgeverij, Utrecht Kleukers, R.M.J.C. et al. (2004). De sprinkhanen en krekels van Nederland (Orthoptera). Herkenning, verspreiding & leefwijze. Naturalis/KNNV/EIS, resp. Leiden, Zeist, Leiden Lafranchis, T. (2009). Dagvlinders van Europa. Veldgids dagvlinders met determinatiesleutels. KNNV Uitgeverij, Zeist Lange, R. et al (1994). Zoogdieren van West-Europa. Stichting Uitgeverij van de Koninklijke Nederlandse Natuurhistorische Vereniging/VZZ Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers (1997). Atlas van de Nederlandse vleermuizen. KNNV Uitgeverij, Utrecht Limpens, H., J. Regelink & R. Koelman (2011). Cursus vleermuizen en planologie. Cursusmap, Zoogdiervereniging Londo, G. (1997). Bos- en Natuurbeheer in Nederland, deel 6. Natuurontwikkeling. Backhuys Publishers Leiden, 1997 Mebs, T. & W. Scherzinger (2004). Uilen van Europa. Biologie, kenmerken en populatie. Tirion Uitgevers, Baarn Ministerie van EL&I, 2010. Buiten aan het Werk. Houd tijdig rekening met beschermde planten en dieren! Brochure. [http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/brochures/2010/03/01/buitenaan-het-werk-houd-tijdig-rekening-met-beschermde-dieren-en-planten.html (15-01-2016)]. Ottburg, F.G.W.A. en I. Roessink (2012). Europese rivierkreeften in Nederland; vaststellen, versterken en veilige leefgebieden.
Alterra, Wageningen Peeters, H. & K. Wheeler (2008). Vogels en de Wet.nl. Vereniging Politie Dieren- en Milieubescherming Schaminée, J. et al. (2019). Veldgids Plantengemeenschappen van Nederland. KNNV Uitgeverij, Zeist. Schober, W. & E. Grimmberger (2001). Gids van de Vleermuizen van Europa, Azoren en Canarische Eilanden. Tirion Uitgevers, Baarn Van Diepenbeek, A. (2015). Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij, Zeist Van Buggenum, H.J.M. et al. (2009). Herpetofauna van Limburg. Verspreiding en ecologie van amfibieën en reptielen in de periode 1980-2008. Stichting Natuurpublicaties Limburg (SNL), Natuurhistorisch Genootschap in Limburg, Maastricht (1e druk) Van der Werf, S. (1991). Bosgemeenschappen. Natuurbeheer in Nederland; dl. 5. Pudoc, Wageningen Weeda, E.J. et al. (1999) Nederlandse oecologische flora. Wilde planten en hun relaties. Deel 1 t/m 5. IVN/KNNV Uitgeverij, Utrecht (2e druk)
8.2 Bronnen internet www.libellennet.nl www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol www.ravon.nl www.rijksoverheid.nl/ministeries/ez www.soortenbank.nl www.sovon.nl
36
www.telmee.nl www.vogelbescherming.nl www.vlindernet.nl www.waarneming.nl
8.3 Bronnen Nationale- en Internationale wetgeving https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2021-07-01 – Wetteksten Wet Natuurbescherming https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/vogelrichtlijn – Informatie over de Vogelrichtlijn https://www.vogelbescherming.nl/bescherming/juridische-bescherming/wet-en-regelgeving – Informatie over Wet- en Regelgeving t.b.v. vogelbescherming https://minlnv.nederlandsesoorten.nl/content/habitatrichtlijn – Informatie over de Habitatrichtlijn https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/kennisdocumenten-soorten-ontheffingenwet-natuurbescherming/ – Kennisdocumenten BIJ12 https://www.netwerkgroenebureaus.nl/index.php?option=com_content&view=article&id=206&catid=27 – Soortinventarisatieprotocollen NGB
37
Bijlage i De Wet Natuurbescherming Wat is de Wet Natuurbescherming? De Wet Natuurbescherming is een wet die de bescherming van de Nederlandse natuur behandelt. Deze wet regelt de bescherming van alle Nederlandse diersoorten, plantensoorten, natuurgebieden en (productie)bossen. Tevens behandelt de wet het faunabeheer, waarin de regels omtrent de bestrijding van schadelijke soorten en de benuttingsjacht worden omschreven. De wet is op 1 januari 2017 landelijk in werking getreden.
Waarom een nieuwe natuurwet? De Wet Natuurbescherming voegt bij de inwerkingtreding op 1 januari 2017 drie wetten samen, namelijk de Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet 1921. Tevens wijzigt de wet de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht, Wet Milieubeheer, Wet Ammoniak en Veehouderij, Crisis- en Herstelwet en de M.E.R.-regelgeving. Daarmee wordt de bescherming op soort- en gebiedsniveau geïntegreerd in wet- en regelgeving op landschappelijk niveau. Dat betekent eveneens een nauwere aansluiting bij het algemene omgevingsrecht.
Wie is het bevoegd gezag? De Wet Natuurbescherming wijst zowel provincies als het Ministerie van Veiligheid en Justitie aan als bevoegd gezag. In die hoedanigheid zijn beide instanties verantwoordelijk voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. De nationale natuurwetgeving is daarmee grotendeels gedecentraliseerd en levert een overzichtelijk toepassingskader op binnen een kleiner grondgebied. De wet beoogt tevens een verkorting van de administratieve procedures te bewerkstelligen. Wie is verantwoordelijk voor de handhaving? De handhaving van de Wet Natuurbescherming is ondergebracht bij ambtenaren van zowel de gedeputeerde staten als bij ambtenaren van het Ministerie van Veiligheid en Justitie. In uitzonderlijke en urgente situaties kan de Minister van Economische Zaken zelf ambtenaren aanwijzen. Wie krijgt met de Wet Natuurbescherming te maken? Iedereen die ruimtelijke activiteiten wil gaan ontplooien krijgt te maken met de Wet Natuurbescherming. In strikte en algemene zin houdt dat in dat iedereen die redelijkerwijs kan vermoeden dat door eigen handelen dieren, planten en/of natuurgebieden kunnen worden benadeeld, verplicht is dit handelen achterwege te laten of maatregelen te treffen die negatieve effecten in voldoende mate voorkomen, compenseren of teniet doen.
Welke regels stelt de Wet Natuurbescherming voor bestendig beheer? Volgens de Wet Natuurbescherming hebben activiteiten die kunnen worden opgevat als 'bestendig beheer', een regelmatig en onderhoudend karakter. In de Flora- en faunawet werd regelgeving omtrent bestendig beheer vastgelegd in door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde Gedragscodes.
38
Deze gedragscodes zijn per 1 januari 2017 komen te vervallen. De Wet Natuurbescherming schrijft een meldplicht voor in het kader van bestendig beheer. Een initiatiefnemer dient daartoe een melding in bij de provincie, al dan niet vergezeld met ondersteunende rapportages van een ecoloog.
Welke soorten worden door de Wet Natuurbescherming beschermd en op welk niveau? De Wet Natuurbescherming beschrijft de bescherming van natuurwaarden op landelijk niveau en stelt provincies in de gelegenheid om het soortenbeleid zelf te voeren. Landelijk hanteert de Wet Natuurbescherming drie beschermingsregimes ten aanzien van specifieke soortgroepen; • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn → dit regime behandelt de bescherming van alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels; • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn → dit regime behandelt de bescherming van alle soorten in Bijlage IV en V van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn; • Beschermingsregime overige soorten → dit regime behandelt de soorten zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, vaatplanten, libellen, kevers en libellen die genoemd worden in Bijlage A en Bijlage B (Vaatplanten) van de Wet Natuurbescherming;
Op welke wijze worden vogels beschermd in de Wet Natuurbescherming? Vogels worden streng beschermd in de Wet Natuurbescherming. Het beschermingsniveau blijft ongewijzigd ten opzichte van de situatie voor 1 januari 2017. Wat is een Natura 2000-gebied? Een Natura 2000-gebied is een natuurgebied dat op Europees niveau beschermd wordt. De Wet Natuurbescherming beschermt Natura 2000-gebieden strenger dan andere natuurgebieden omdat zich in deze gebieden unieke en (zeer) kwetsbare natuurwaarden bevinden. Wat is het Natuurnetwerk Nederland? Het Natuurnetwerk Nederland is een netwerk van natuurgebieden dat verbonden is met elkaar door tussenliggende, kleinere natuurgebieden en 'groenstroken'. Dit netwerk bevordert de migratie van planten-en diersoorten.
39
Bijlage ii Beschermde diersoorten WNB in NoordBrabant volgens bijlage A Zoogdieren Boommarter Damhert Das Edelhert Eekhoorn Eikelmuis Grote Bosmuis Molmuis Steenmarter Veldspitsmuis Waterspitsmuis Gewone Zeehond Grijze Zeehond
Martes martes Dama dama Meles meles Cervus elaphus Sciurus vulgaris Eliomys quercinus Apodemus flavicollis Arvicola scherman Martes foina Crocidura leucodon Neomys fodiens Phoca vitulina Phoca phoca
Reptielen Adder Hazelworm Levendbarende Hagedis Ringslang
Vipera berus Anguis fragilis Zootoca vivipara Natrix natrix
Amfibieën Alpenwatersalamander Vinpootsalamander Vuursalamander
Ichtyosaura alpestris Lissotriton helveticus Salamandra salamandra
Beekdonderpad Beekprik Elrits Gestippelde Alver Grote Modderkruiper Kwabaal
Cottus rhenanus Lampetra planeri Phoxinus phoxinus Alburnoides bipunctatus Misgurnus fossilis Lota lota
Vissen
Libellen Beekrombout Bosbeekjuffer Donkere Waterjuffer Gevlekte Glanslibel Gewone Bronlibel Hoogveenglanslibel Kempense Heidelibel Speerwaterjuffer
Gomphus vulgatissimus Calopteryx virgo Coenagrion armatum Somatochlora flavomaculata Cordulegaster boltonii Somatochlora arctica Sympetrum depressiusculum Coenagrion hastulatum
Dagvlinders Aardbeivlinder Bosparelmoervlinder Bruin Dikkopje Bruine Eikenpage Duinparelmoervlinder Gentiaanblauwtje Grote Parelmoervlinder Grote Vos Grote Weerschijnvlinder Iepenpage Kleine Heivlinder Kleine Ijsvogelvlinder Kommavlinder Sleedoornpage Spiegeldikkopje Veenbesblauwtje Veenbesparelmoervlinder Veenhooibeestje Veldparelmoervlinder Zilveren Maan
Pyrgus malvae Melitaea athalia Erynnis tages Satyrium ilicis Argynnis niobe Phengaris alcon Speyeria aglaja Nymphalis polychloros Apatura iris Satyrium w-album Hipparchia statilinus Limenitis camilla Hesperia comma Thecla betulae Heteropterus morpheus Plebejus optilete Boloria aquilonaris Coenonympha tullia Melitaea cinxia Boloria selene
Kevers Vliegend Hert
Lucanus cervus
Kreeftachtigen Europese Rivierkreeft
Astacus astacus
40
Bijlage iii Beschermde vaatplanten WNB in Noord-Brabant, volgens bijlage B
41
42
43
Bijlage 3 Stikstofonderzoek
50
Bestemmingsplan "'t Gulden Land" (ontwerp)
Opdrachtgever: Projectnr: Datum:
Waterschap Aa en Maas WAA052 16 februari 2023
Opdrachtgever: Projectnr: Rapportnr: Status: Datum:
Waterschap Aa en Maas WAA052 20230216-WAA052-RAP-STD-1.0 Definitief 16 februari 2023
Opsteller: CBR
T 088 - 33 66 333 F 088 - 33 66 099 E info@kragten.nl
-+C0CBR+-
Verificatie: JGE
-+R0JGE+-
Validatie: MVG
© 2020 Kragten Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Kragten. Het is tevens verboden informatie en kennis verwerkt in dit rapport ter beschikking te stellen aan derden of op andere wijze toe te passen dan waaraan in de overeenkomst toestemming wordt verleend.
-+V0MVG+-
INHOUDSOPGAVE 2.1 2.2
Algemeen ................................................................................................................................................................. 5 Situering Natura 2000-gebieden ................................................................................................................................... 6
3.1 3.2 3.3 3.4
Landelijke wet- en regelgeving ...................................................................................................................................... 8 Voortoets.................................................................................................................................................................. 8 Passende beoordeling ................................................................................................................................................. 8 Toetsingskader buurlanden........................................................................................................................................... 9
4.1 4.2 4.3 4.3.1 4.3.2
Algemeen ............................................................................................................................................................... 10 Referentiesituatie ..................................................................................................................................................... 10 Aanlegfase.............................................................................................................................................................. 10 Mobiele werktuigen .................................................................................................................................................. 10 Bouwverkeer ........................................................................................................................................................... 10
BIJLAGEN
AFBEELDINGEN Afbeelding 1 Afbeelding 2 Afbeelding 3 Afbeelding 4
Ligging plangebied (bron: Openstreetmap) ............................................................................................................................................ 5 Ontwerp.......................................................................................................................................................................................... 6 Situering Natura 2000-gebieden (bron: https://calculator.aerius.nl/calculator/) ........................................................................................7 Grafische weergave gehanteerde bronnen aanlegfase ............................................................................................................................ 11
3
1
INLEIDING In opdracht van Waterschap Aa en Maas is door Kragten een stikstofdepositie onderzoek uitgevoerd in verband met het project ‘Kop Gulden land’ te Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek. Het project behelst de herinrichting van het gebied binnen de ‘Kop Gulden land’ van de rivier de Aa. Als onderdeel van de juridische verankering dient te worden bepaald of als gevolg van dit initiatief significant negatieve effecten op nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Een van deze mogelijke beïnvloedingsfactoren is stikstofdepositie, waarvoor voorliggend onderzoek is uitgevoerd. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever. De stikstofdepositie is op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve gevolgen veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de rekenresultaten en de bevindingen.
4
2
UITGANGSPUNTEN
2.1
Algemeen Het project gebied is gelegen aan de Bakelseweg te Aarle-Rixtel. Navolgende verbeelding geeft een geografisch overzicht van de ligging van het plan en de omgeving.
Afbeelding 1
Ligging plangebied (bron: Openstreetmap)
Aanleiding: Het waterschap Aa en Maas is voornemens om de kop van Aarle-Rixtel, genaamd Kop Gulden land te herinrichten. Met herinrichting van dit deel van de Aa en de Kop Gulden land wordt invulling gegeven aan de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de doelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB). Waterschap Aa en Maas wil de Aa (circa 1100 meter) opnieuw laten meanderen en om dit doel te verwezenlijken zal de Aa op verschillende plekken gedempt en opnieuw aangelegd moeten worden. Daarnaast wordt circa 10 ha natuur en een natte en droge ecologische verbindingszone (EVZ) gerealiseerd. Voor deze ontwikkeling is in het kader van de Waterwet tevens een projectplan opgesteld en deze is op 15 juli 2022 onherroepelijk vastgesteld. Navolgende afbeelding geeft een weergave van het ontwerp.
5
Afbeelding 2
2.2
Ontwerp
Situering Natura 2000-gebieden Ten behoeve van de stikstofdepositieberekeningen dient rekening gehouden te worden met de Natura 2000gebieden waar een relevante bijdrage vanwege het plan verwacht kan worden. Navolgend zijn de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden opgesomd en weergegeven in de navolgende verbeelding. Aerius Calculator bepaalt automatisch de van toepassing zijnde Natura 2000-gebieden met een relevant effect. -
Strabrechtse Heide & Beuven Deurnsche Peel & Mariapeel Leenderbos, Groote Heide & De Plateaux
circa 10,4 km van plangebied circa 12,4 km van plangebied circa 15,1 km van plangebied
Overige Natura 2000-gebieden zijn op grotere afstand gelegen, de locatie van het plangebied is in de verbeelding weergegeven. De opgesomde en grafisch weergegeven Natura 2000-gebieden zijn niet gelijk aan de Natura 2000-gebieden met een relevante bijdrage maar geven slechts een overzicht van de ligging van het plan ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
6
Afbeelding 3
Situering Natura 2000-gebieden (bron: https://calculator.aerius.nl/calculator/)
7
3
WETTELIJK KADER
3.1
Landelijke wet- en regelgeving In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significante gevolgen veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan of project mogelijk significante gevolgen kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming.
3.2
Voortoets Bij de voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming draait het om de vraag of sprake kan zijn van significante gevolgen. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan of project worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, die zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij deze toetsing wordt bekeken of de ontwikkeling afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan of project mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Van ontwikkelingen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dit geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld.
Als uit de toets blijkt dat de realisatie van de in het plan opgenomen ontwikkelingsmogelijkheden wel leidt tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitats waarvan de KDW al wordt overschreden of dreigt te worden overschreden door de toename van de stikstofdepositie. Waarbij tevens uit een ecologische toets blijkt dat significant negatieve gevolgen hierdoor niet kunnen worden uitgesloten, dan moet wel een passende beoordeling worden opgesteld. Ingeval een ontwikkeling een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt, kan ingevolge artikel 2.8 lid 2 van de Wet natuurbescherming een nieuwe passende beoordeling achterwege blijven, voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen ervan. De plan-m.e.r. die voor planologische procedures is gekoppeld aan het opstellen van een passende beoordeling is in een dergelijke situatie niet nodig. Feitelijk is er dan al een (nog steeds actuele) passende beoordeling aanwezig, die aantoont dat schadelijke gevolgen als gevolg van het plan zijn uitgesloten.
3.3
Passende beoordeling Wanneer een plan of project significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Wet natuurbescherming een passende beoordeling opstellen vóórdat een plan kan worden vastgesteld. In geval van een project kan middels een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming de ontwikkeling worden vergund. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast.
8
Een bestemmingsplan of project dient rekening te houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. De aanwijzingsbesluiten worden vastgesteld door de Minister van Economische Zaken. De beheerplannen worden over het algemeen vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie waarin het gebied geheel of grotendeels is gelegen, behalve voor zover de verantwoordelijkheid voor het beheer bij het Rijk ligt. Als het bevoegd gezag op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan of project de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld of kan het project niet vergund worden. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen. In dat geval kan een plan toch worden vastgesteld c.q. een project worden vergund.
3.4
Toetsingskader buurlanden Nederland heeft met Duitsland en met België overlegd over de wijze waarop de bevoegde gezagen bij de beoordeling van aanvragen van toestemmingsbesluiten de gevolgen toetsen van activiteiten die stikstofdepositie veroorzaken op buitenlandse Natura 2000-gebieden. Nederland zal voor de toetsing van activiteiten die in Nederland plaatsvinden met gevolgen voor Natura 2000-gebieden in Duitsland of België dezelfde toetsingskaders hanteren als Duitsland en België zelf. Voor de toetsing op Belgische Natura 2000-gebieden wordt aangesloten bij het Nederlands toetsingskader. Voor de toetsing op Duitse Natura 2000-gebieden geldt het volgende toetsingskader: 1. Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op geen enkel Natura 2000gebied in Duitsland een toename van stikstofdepositie van meer dan 7,14 mol per hectare per jaar veroorzaakt, is er geen bezwaar tegen het verlenen van toestemming voor deze activiteit. Dit stikstofaspect staat een vergunningverlening door het Nederlandse bevoegde gezag dan niet in de weg. 2.
Wanneer een project of een handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied meer dan 7,14 mol per hectare per jaar aan stikstofdepositie veroorzaakt, maar minder dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waar de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositiewaarde, verzoekt het Nederlandse bevoegd gezag aan het desbetreffende Duitse bevoegd gezag om vast te stellen of in cumulatie sprake kan zijn van significante gevolgen. Als het Duitse bevoegd gezag vaststelt dat daarvan geen sprake is, staat dit stikstofaspect vergunningverlening door het Nederlandse bevoegd gezag niet in de weg. 3. Wanneer een project of handeling op Nederlands grondgebied op een Duits Natura 2000-gebied aan stikstofdepositie meer veroorzaakt dan 3% van de kritische depositiewaarde van een voor stikstof gevoelig habitattype of leefgebied waarvan de totale deposities hoger zijn dan de kritische depositie waarde, heeft het desbetreffende Nederlandse bevoegd gezag overleg met het desbetreffende Duitse bevoegd gezag. Zij zullen gezamenlijk bezien of en zo ja onder welke voorwaarden toestemming mag worden verleend.
Ingeval het gaat om een project met mogelijk significante gevolgen als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn, stelt degene die voornemens is het project te realiseren, daartoe een passende beoordeling op.
9
4
BEREKENINGSSYSTEMATIEK
4.1
Algemeen Ten behoeve van de berekening van de stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden is een rekenmodel opgesteld met behulp van AERIUS Calculator, versie 20221. AERIUS Calculator rekent op basis van het Operationele Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM en standaard rekenmethode 2 (SRM2) uit de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007.
4.2
Referentiesituatie Ter plaatse van het plangebied is sprake van agrarische grond. Ten behoeve het onderhavig onderzoek is er worst-case vanuit gegaan dat er geen relevante stikstofemissie naar de lucht plaatsvinden ter plaatse van het plangebied.
4.3
Gebruiksfase Het project behelst de herinrichting van en rivier en zal derhalve in de gebruiksfase geen relevante stikstofemissies naar de lucht veroorzaken.
4.4
Aanlegfase Er is een berekening uitgevoerd naar de aanlegfase. Navolgend worden de uitgangspunten voor de berekening naar de aanlegfase beschreven. Bijlage B1 geeft een weergave van de invoergegevens.
4.4.1
Mobiele werktuigen Ten behoeve van de aanlegfase van het plan zal gebruik worden gemaakt van mobiele werktuigen. Om de NOxen NH3-emissie van de mobiele werktuigen te bepalen wordt gebruik gemaakt van de draaiuren van de mobiele werktuigen. De berekende emissie is berekende overeenkomstig de AERIUS methodiek zoals geactualiseerd door TNO in 20212. Ten slotte is de ten aanzien van de belasting (%) voor werktuigcategorieën aangesloten bij de TNO actualisatie 20203. Deze gecombineerde TNO methodiek maakt gebruik van de invoer van; het vermogen (kW), de belasting (%) en de motortechnologie (STAGE-klasse) om het brandstofverbruik te bepalen. Vervolgens worden aan de hand van de NOx- & NH3-emissiefactoren voor brandstofverbruik de NOx- & NH3-emissie per werktuig berekend. Bijlage B2 geeft een volledige weergave van de gehanteerde uitgangspunten en de berekende emissie.
4.4.2
Bouwverkeer Op basis van de grondbalans is het benodigd aantal voertuigen zwaar vrachtverkeer berekend ten behoeve van de aan- en afvoer van grond. Ten behoeve van het gehele plan komt dit neer op circa 400 vrachtwagens middels zwaar vrachtverkeer (800 verkeersbewegingen). Daarnaast wordt rekening gehouden met 10 voertuigen lichtverkeer per etmaal (20 verkeersbewegingen) voor het arriveren en vertrekken van ondersteunde werkzaamheden. Navolgende verbeelding geeft een weergave van de gehanteerde bronnen in de aanlegfase.