6 20231012 Bijlagenboek bestemmingsplan natuurontwikkeling Gulden Land
Tekst van het document
Bestemmingsplan ’t Gulden Land Gemeente Laarbeek Bijlagenboek
Bestemmingsplan ’t Gulden Land Gemeente Laarbeek Bijlagenboek
Rapportnummer:
P05002_bijlagen
IMRO-identificatienummer:
NL.IMRO.1659.BPBGGuldenland-ON01
Datum:
8 mei 2023
Opdrachtgever:
Gemeente Laarbeek
Projectteam BRO:
RMa, JvdA
Trefwoorden:
--
Bron foto kaft:
BRO, abstract
Beknopte inhoud:
--
BRO Hoofdvestiging Bosscheweg 107 5282 WV Boxtel T +31 (0)411 850 400 E info@bro.nl
't Gulden Land
Inhoudsopgave
Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
Schetsontwerp inrichting plangebied
4
Bijlage 2
Ecologische quickscan
6
Bijlage 3
Stikstofonderzoek
50
Bijlage 4
Landbodem vooronderzoek
74
Bijlage 5
Waterbodem vooronderzoek
99
Bijlage 6
Verkennend waterbodemonderzoek
122
Bijlage 7
Programma van Eisen
220
Bijlage 8
Archeologisch bureau-onderzoek
264
Bijlage 9
Historisch vooronderzoek
333
2
Bestemmingsplan "'t Gulden Land" (ontwerp)
Bijlagen bij toelichting
Bestemmingsplan "'t Gulden Land" (ontwerp)
3
Bijlage 1 Schetsontwerp inrichting plangebied
4
Bestemmingsplan "'t Gulden Land" (ontwerp)
MMMMMM
D
Verklaring MMMMMM
D D
MMMMMM
D
D
D
D
D
D
D
D
Nieuwe situering de Aa / waterlijn, bodembreedte ca. 6.00m
D D
D D
D
D
M MMM
D
M
D
D D
Verlengen watergang, aansluiting d.m.v. duiker
Te dempen bestaande situering de Aa D
MMMM
D
D
D
D D
M
D
MMMM
D
D D
Nieuw te realiseren talud
M
D
MM MM
D D
Onderhoudspad langs de Aa, breedte ca. 5.00m, op diverse locaties verhoogd aangelegd
M
MM MM
D
D
D
M
MMMM
D
D
D
Voorde t.b.v. onderhoud aan overzijde van de Aa D
M
MMMM
Indicatieve locatie horecapunt
D MMMM
D
N10.02 Vochtig hooiland
D
D D
MMMMM
N12.02 Kruiden-faunarijk grasland
D
D
D
MMMMM
D
N14.01 Rivier- en beekbegeleidend bos
MM M
D
M
D
D
N14.03 Haagbeuken- en essenbos D
D MM
MM M
D
Indicatie nieuw te realiseren poel incl. struweel D
D MM
MM M D
Indicatie nieuw te realiseren verlaging in maaiveld, grond te gebruiken ten behoeve van te realiseren keverbanken
D MM
D
MM M D
Indicatie nieuw te realiseren keverbank, hoogte ca. 0.50-070m, breedte 3.00m met aangrenzend een braakliggende strook van ca. 3.00m
MM D
M
D D
MMM
Indicatieve locatie dood hout pakket in de Aa
MM
D
D
MMM
MM
Duiker aan te brengen in bestaande sloot en aan te sluiten op de Aa D
D D
MM MMM
D
Bestaande sloot aan te sluiten op de Aa d.m.v. duikers D
MM MMM
D
Bomenrij langs bestaande sloot, bestaande uit Elzen D
L D MM MMM L D
L
L
D
L MM D MMM
Wandelpad, nader te detailleren
L
L L
(voetgangers)Brug over de Aa
L
L M D M M
D
L
L L
L L L
Fruitboomgaard, soorten nader te bepalen
D
L
L M DM MM M
Indicatieve locatie natuurlijk spelen
D
L
L L
L
D
L
L MDM MM M
L
L D
L L
L
Parkeermogelijkheid grasbetonsteen
L L MMD M MM
L
L
L
L
LL
L
L
L L
L
FASE 2
D
D
bk
Faseringsgrens parkeermogelijkheid grasbetonsteen
M MDM L MM
L
L
L
L
kast
L
L L
P
D
DD
M
DLD L D
D D D
D
Haag rondom parkeermogelijkheid
L
D
D
DMM M
DL T M
D D
D
L
L
L D
L
P
L
D D
Entree parkeermogelijkheid, halfverharding
D
MM M MDM
L
L
D D
D
MM M MD M L
Grasberm entree parkeermogelijkheid L D
M MDM M L M D
D D
L
P
M MDM M L M D
D D
L
Combinatie van aanplant- en spontane ontwikkeling bomen/struiken ca. elke 10m op insteek D
L D
L D
D ML M
MM M
P L
D
D ML
M D
L
P
M M MM L D M D
L D
D
M ML MM M
LD D
DL
D
MLM M M D
DL
P
MLM M M
D D
D
D
L D
P
M ML M D
L D
MML M M DM
D
P
MML L MM M
DM
L D
MM
D D
M MML
D M D
L
P
MM
D D
M MML D
D M
L
MM
D D
P
D
D M MML
M L
MM
D D
D
M MMLD M
L L M MDM
P
D
M
L D
MM
L M DM D
L
P MM M M L MDM
D
L
D D
MM M M D
L MD M
P L
D D
MM M M
D
L DM M L
D D
D
L DM M MM M M
P
L
D D
D
D MM M M
L M M L
D
D D
PMM M
DM M M D
D D
L MDM M MM
D
D
D
D
M
D
D
L
D
D
M
D
D
D
D
D
P
L MLMMMMMMMMM MMM D
D
P
D LMLMMMMMMMMMM MM M D
P
D L MLMMMMM MMMM MMM D
L
L
L
L
D
P L DM L D
D
L
D
D
D
P L
MMMMMMMMMM M MMD
D
D
MMMMMMMM MM MMMD
MMMMMMM MMM MMDM
D
M
D D
L
L D
D
DD MMDMDM L
L
M
M
L
M
L
L
D
Waterschap Aa en Maas
D
D
M D
D
D
D
L
D
L
L
MMMMMMM M DMM MM MD
D
L
DM M
D L
D
M MMMD MM D MMMM M
D
D
D
D
D
D
D
D
L
P
L L
P
M
WAA039-0001
Formaat
Tekeningnummer
A0
D
2021-2281
Schaal
Behorende bij doc. nr.
L
L L MMD M MMD MMMM MMM M
L L MM D
m D
L
MM DM MM D MMMM MMM M
M
D
D
D
D
D M DLLDD M L
DD D
D D DM M M
D D
MM M DMM DMMM MMMM M
Projectnummer
Definitief
1: 1000
D
L
MM MD MM M DMMM MMM M
Fase
M
L
L
D
D D MDMMMM D M LL DL M M
D D
D DD D D DD
L
L
MMMMMM MDM
088 - 3366333 info@kragten.nl www.kragten.nl
L
D
D
Hambakenwetering 5-J, 5231 DD 's-Hertogenbosch Postbus 2309, 5202 CH 's-Hertogenbosch
D
D
D
MMMMMM MMMDM MMM
L
D
D
L
L
L
M
L MMMMMM MMMMD MMM D
P
L
L
MMMMMMM MMMDMM M D
L
L
D D
L
D
L M
D
MMMMMMM MMM MMD M
L
's-Hertogenbosch
Opdrachtgever
D
L
L
M
D
D
D
MM MDMM MMM MMD
P
L
L
L
D
L
MMM
L
L
D D
LL
M
L
M
M
D D
L
L
M
L
D
T
D L
L
M
L
bk
MMM MMMDMMMMM
D
L D
M L
D
L
L
MM
L
L
L
L
MMM MMMMDMMM
D
D
M
D
D
D
L
D
L
D
M MMM DM
MM MMM D
D
P
D
D
L
D
D
D
D MLMM DMM D DLM DMMMMMM
PD D
L
D
L
D
L
D
L
L L
D D
L MMMMM MMM L D L DM D
L
L D DMMMMMDMM MMMM D LM M DM
D
MMM LMLMDMMMMMMMM
D L LMMMMMMMMM MMM MD
DL MLMMMMMMMMMM MMM
D
L L
D
L L
L
L
D
L
DL
MMbkMDMM M MMMDMM M M DM LD LL D
L D MMM L MM DM L M DMM MM M MM
LD D
L
D
D
D
PM
L
L
L
L
L
L
L
MMMMM DMMM L D D L D D
L
LL
DL D
LD DM D D D MMM MM MM M
D D
D
Schoolstraat 8, 6049 BN Herten Postbus 14, 6040 AA Roermond
D
D
D
L
D
D L M M D
D D
LD D D
L
DL
D
D
D
M L
D D
L
PP
kast
LD L
L
D
LD DD D
L L
DM MD M M D MMM M M M MM M M D L DD MD M MMD L M L M L D MMM D L MD M D DD DM M M M LDL MD M LLD DD L M L M M MMM M DM D MMD M L M D M LL D DDD DDD LL MMM M M M DM ML DD DDD MMD M L M DM D L D D DDD L M M D M LL MM M MD M D DDD MM D M M DM DM M MD L L DD L MMMM M M ML MLDM D DD DD LL MM D bk M DM L L DD M M DD L M D M M D D DMMM M LL MDM ML ML MD DM D L DD D L D MM L M L DMMM M DLM D MDMM DM M DM M D MD D D M D M D DMMM L DM D MD M MM D DDL LD D DD M M MD D L LD DD MMDMM M L M MMMDD L D DML D D D M kastL L M MM M D
L
bk
LD D L
DL L
L D LL D
LL
D
D
D
D
Herten
DO Kop van het Gulden Land
LL
L
D
D
L DMM L L kast
L DDDD
L
L DD D D
L
D
LL
PM
D
PL
M M
D D
L
L
L
LDMLMMMMMMMMM MMM
Onderdeel D
D
D
PL L
D
D
D
L
M
D
kast
L
L
LL
D
D
L
L
LL
M
M
P
M L
DD
MM L MDML kast
L
Par.
D
D
L
D
P
L
D
D
L
D D
PP
M M
L
Opsteller Par. Verificatie Par. Validatie
-+L3ETO+-
L
LDM M L MM
D
L
M
L
L
M
D D
MMMM
ETO
D
MM MLMDM
D
LL
P
L L
-+R3ETO+-
L
L
P
D D
M D
D
L LM
ETO
20
40
60
80
100
P:\prj100\WAA\039\2_Werk\Ontwerp\DefinitiefOntwerp\2021-2281 - DO Kop van het Gulden Land A0 - 1000.dwg
L
D
L
D D
L
D D
D
D
D
MMMM
L
M
D D
D
D
Omschrijving
-+C3PNO+-
D
L
MM
D D
L
D
L
L
D
Indicatieve locatie informatiebord D
D
PNO
Projectplan Waterwet Kop Gulden Land
L
L
D
L
D D
L DD
L
L
D D
L L
M
L
D D
P
D
L
Versie Datum
kast
M
D D
L
D D
ML MM M
P
L
L
P
08-12-2021 Diverse aanpassingen
T
D
D D
L
FASE 2
D D
3
L L
M
D D
M MM L
kast
MDMMM M M
D D
Grens veiligheidszone kerosineleiding
kast
MMMD MM
D D
MM M DM M L
P
Dubbele poort met looppoort
Oorspronkelijke grens veiligheidszone kerosineleiding
D
D D
MM DM M M L
Indicatieve locatie aanbrengen doodhout pakketten na enkele jaren, om de 50-100m
Afvalbak
D
D D
P
Behouden aanwezige bomen/struiken ca. elke 10m op insteek
Zitbank
L
DD
L
L
L
L
D
L
Bijlage 2 Ecologische quickscan
6
Bestemmingsplan "'t Gulden Land" (ontwerp)
Ecologische Quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming Kop Gulden Land, gemeente Laarbeek
Colofon Het onderzoek en de rapportage vonden plaats onder beheer van De Rooy; Landschappelijk. Tekst, foto’s en samenstelling door B.J.C. de Rooy in opdracht van Kragten te Roermond. Te citeren als: DE ROOY, B.J.C. (2021). Ecologische Quickscan in het kader van de Wet Natuurbescherming. Kop Gulden Land, gemeente Laarbeek De Rooy; Landschappelijk, Elsloo Alle rechten uitdrukkelijk voorbehouden. Het copyright ligt bij de uitvoerder. Voor meer informatie kunt u een e-mail sturen aan bjcderooy@gmail.com Projectnummer/rapportnummer: 2021040 / R2021040V2 Status rapport: 25 oktober 2021, definitief Totaal aantal pagina’s: 43
Foto voorpagina: Zicht op de eikendreef vanuit het noorden. De eikendreef ligt tegen de oostelijke grens van het plangebied.
2
Inhoud 1 Inleiding................................................................................................................................................. 3 1.1 Aanleiding...................................................................................................................................... 4 1.2 Onderzoeksvragen........................................................................................................................ 4 2 Werkwijze.............................................................................................................................................. 4 2.1 Inleiding......................................................................................................................................... 5 2.2 Veldonderzoek............................................................................................................................... 5 2.3 Bureauonderzoek.......................................................................................................................... 5 3 Plangebied............................................................................................................................................. 5 3.1 Ligging van het plangebied...........................................................................................................
6 3.2 Landschappelijke situering............................................................................................................ 6 3.3 Huidig landgebruik......................................................................................................................... 6 4 Omschrijving ingrepen en juridisch belang........................................................................................... 8 5 Resultaten............................................................................................................................................. 9 5.1 Zoogdieren.................................................................................................................................. 10 5.2 Vogels.......................................................................................................................................... 15 5.3 Reptielen..................................................................................................................................... 19 5.4 Amfibieën..................................................................................................................................... 21 5.5 Vissen..........................................................................................................................................
23 5.6 Ongewervelden........................................................................................................................... 25 5.7 Vaatplanten.................................................................................................................................. 27 5.8 Beschermde gebieden................................................................................................................ 28 6 Effectbeoordeling, conclusies en aanbevelingen................................................................................ 29 6.1 Effectbeoordeling beschermde gebieden.................................................................................... 29 6.2 Effectbeoordeling beschermde soorten en conclusies................................................................ 30 6.3 Vervolgmaatregelen en aanbevelingen....................................................................................... 31 6.4 Samenvatting............................................................................................................................... 33 7 Kansen voor natuurontwikkeling in het plangebied............................................................................. 34 7.1 Ontsluiting ten behoeve van soortmigratie..................................................................................
34 7.2 Ontwikkeling van natuurlijke vegetaties...................................................................................... 34 8 Bronnen............................................................................................................................................... 35 8.1 Literatuur..................................................................................................................................... 35 8.2 Bronnen internet.......................................................................................................................... 36 8.3 Bronnen Nationale- en Internationale wetgeving........................................................................ 37 Bijlage i De Wet Natuurbescherming....................................................................................................... 38 Bijlage ii Beschermde diersoorten WNB in Noord-Brabant volgens bijlage A......................................... 40 Bijlage iii Beschermde vaatplanten WNB in Noord-Brabant, volgens bijlage B....................................... 41
3
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De initiatiefnemer is voornemens een landschappelijke herinrichting uit te voeren in het plangebied. Daartoe worden bestaande weilanden en akkers omgevormd naar onder andere bossen, bosschages, hooilanden, natte graslanden en een fruitgaard. Tevens wordt de loop van de beek de Aa verlegd en worden op enkele plaatsen poelen aangelegd. Aangezien het project een ruimtelijke ontwikkeling behelst, is de initiatiefnemer verplicht om in het kader van nationale en internationale wet- en regelgeving onderzoek te doen naar het voorkomen van beschermde planten en dieren. In het onderhavige geval is onderzoek gedaan naar de effecten van de ingrepen op beschermde soorten van de Wet Natuurbescherming en de kwaliteit van beschermde gebieden, zowel binnen het plangebied als in de directe nabijheid daarvan.
1.2 Onderzoeksvragen Deze effectrapportage geeft antwoord op de volgende vragen: •
• •
Welke middels de Wet Natuurbescherming (WNB) beschermde functies komen potentieel voor in het plangebied? ◦ Welke middels de WNB beschermde planten en dieren komen (potentieel) voor in de het plangebied en in de directe nabijheid daarvan? ◦ Welke beschermde gebieden (Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000-gebieden) komen voor binnen het plangebied en/of in de directe nabijheid daarvan? ◦ Maakt het plangebied onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland? Wat zijn de effecten van de ingrepen op de aangetroffen, middels de natuurwetgeving beschermde planten- en diersoorten en beschermde gebieden? Leveren de voorgenomen ingrepen een overtreding op van de Wet Natuurbescherming?
Naar aanleiding van de conclusie(s) worden soorten en functies besproken die eventueel aanvullend onderzoek behoeven. Ook wordt duidelijk of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand uit te sluiten zijn of dat hier nog een nadere toetsing voor nodig is.
4
2 Werkwijze 2.1 Inleiding Het onderhavige onderzoek behelst een ecologische potentie-inschatting op grond van een veldbezoek aan het plangebied en een bureauonderzoek. In onderstaande paragrafen wordt de werkwijze nader toegelicht. In de volgende paragrafen wordt nader ingegaan op de methodiek omtrent het veld- en bureauonderzoek.
2.2 Veldonderzoek Op 30 september 2021 werd het plangebied bezocht. Daarbij werd gebruik gemaakt van verrekijker, zaklantaarn, fotocamera en handheld invoerapparaten, te weten tablet en telefoon. Het plangebied werd doorlopen, waarbij de aanwezige ecotopen werden onderzocht op het voorkomen van jaarrond beschermde vogelnesten, holen en burchten (vos, das en overige zoogdieren), wissels en andere sporen. Tevens is in het veld actief gezocht naar aanwezige exemplaren van beschermde planten, dieren en kwetsbare vegetaties.
2.3 Bureauonderzoek Het bepalen van overige, aanwezige potenties in het plangebied vond plaats middels een literatuuronderzoek aan relevante, actuele verspreidingsgegevens. Daartoe is hoofdzakelijk gebruik gemaakt van actuele verspreidingsatlassen, actuele websites en de Nationale gegevens omtrent de aanwezigheid van beschermde gebieden in Nederland. Op basis van de gegevens uit het veldbezoek en het literatuuronderzoek is een inschatting gemaakt van de aanwezige, beschermde plant- en diersoorten met bijbehorende functies in het plangebied. De mogelijk negatieve effecten van de ingreep zijn vervolgens getoetst aan de natuurwetgeving. Tenslotte is bepaald of aanvullend onderzoek noodzakelijk is. Ter aanvulling van de conclusies van het onderzoek is op aanvraag van de opdrachtgever tevens voorzien in een verkenning van kansen voor natuurontwikkeling in het plangebied. Daartoe worden de potenties voor ontwikkeling van natuurlijke vegetaties beknopt verkend. Wegens de omvang van het plangebied, is het noodzakelijk gebleken de potentie-inschatting per soortgroep enigszins te generaliseren op basis van de aanwezige landschapselementen en eventueel vastgestelde bijzonderheden ten tijde van het veldbezoek. Dit houdt in de praktijk in dat voor de potentieinschattingen sterk is geleund op het bureauonderzoek.
Dit is in het onderhavige geval een voldoende manier van handelen, aangezien de wetgever verlangt dat de initiatiefnemer de onderzoeksplicht (in het kader van de zorgplicht) vervult op een wijze die gebaseerd is op redelijkheid.
5
3 Plangebied 3.1 Ligging van het plangebied Het plangebied is circa 19,5 hectaren groot en bevindt zich direct ten oosten van de plaats Aarle-Rixtel en ten noorden van Helmond binnen gemeente Laarbeek in provincie Noord-Brabant. Het maakt onderdeel uit van een beekbegeleidend landschap (langs de laaglandbeek de Aa) van voormalige hooilanden dat sinds de 19e eeuw wordt omgeven door twee kunstmatige watergangen, te weten de Oude Zuid-Willemsvaart (ten westen) en de Zuid-Willemsvaart (ten oosten). Een gedeelte van circa 1100 meter lengte van het tracé van de laaglandbeek de Aa maakt onderdeel uit van het plangebied.
Afbeelding 1. Ligging van het plangebied in rood weergegeven.
3.2 Landschappelijke situering Het plangebied maakt onderdeel uit van een beekbegeleidend landschap dat in de 19 e eeuw sterk gewijzigd werd door de aanleg van de Zuid-Willemsvaart. Dit kanaal is een zogeheten lateraalkanaal van de rivier de Maas. Door de aanleg van dit kanaal, tal van drainagewerken en de normalisering van het tracé van de laaglandbeek de Aa, konden de natte beemden worden omgevormd tot akkers en productiegrasland. Deze landschappelijke omvorming is goed herkenbaar in het landschap.
6
3.3 Huidig landgebruik Het plangebied bestaat uit de volgende landschapselementen: • • • • • • • • • • • • • • • •
Eikendreef met zandpad, grazige berm en lage dijk Boomsingels Houtwal Bosschage met ruigtezoom Bosschage Bosschage met grazige ruigte Loofbos Open, stromend water met ondergedoken waterplanten Open, stromend water zonder ondergedoken waterplanten Open afwateringssloot Afwateringssloot met Riet Akkerland met mais Intensief beheerd grasland Extensief beheerd grasland als oeverrand Grazige ruigte Grazige ruigte met Riet
De situering van deze landschapselementen ten tijde van het veldbezoek is weergegeven in afbeelding 2 Het plangebied is uitsluitend aan de oostelijke zijde ontsloten middels een zandpad dat langs een lage dijk langs de westelijke oever van de Zuid-Willemsvaart gelegen is. Dit zandpad wordt aan beide zijden begeleid door singels van jonge Zomereiken (Quercus robur). De stammen van deze bomen zijn gaaf, recht en hebben geen holtes, scheuren of andere beschadigingen in de schors. Aan de westelijke zijde van het plangebied, aan de oostelijke oever van de laaglandbeek de Aa, bevindt zich een modderig pad dat een vrijwel uitsluitend agrarische bestemming heeft. Het pad ontsluit de akkers en weilanden. Ten tijde van het veldbezoek waren de akkers in gebruik als maisakker. Het merendeel van de weilanden leek in gebruik als beweidingsgrond voor vee. De diagonaal verlopende perceelscheidingen worden gevormd door drainagewerken in de vorm van slootjes (zie afbeelding 7). Deze slootjes wateren af op de laaglandbeek de Aa. Het merendeel van de slootjes was ten tijde van het veldbezoek niet water dragend of ten dele water dragend. Enkele slootjes en slootdelen zijn verruigd met massavegetaties van Riet (Phragmites australis). Op één plaats in het plangebied bevindt zich een perceelscheiding in de vorm van een boomsingel die o.a.
bestaat uit enkele oude knotwilgen (Salix sp.) en Zwarte elzen (Alnus glutinosa). De knotwilgen hebben holtes en scheuren in de stam. De laaglandbeek de Aa vormt de westelijke begrenzing van het plangebied. Dit westelijke deel van de Aa kenmerkt zich door de aanwezigheid van houtwallen aan weerszijden van de oevers. Deze houtwallen bestaan onder andere uit boomsoorten van drogere gronden, zoals Gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), Iep (Ulmus sp.) en Gewone es (Fraxinus excelsior). Plaatselijk zijn ook boomsoorten van vochtigere bodems aanwezig, zoals wilg (Salix sp.), Zwarte els en populier (Populus sp.). Ten noorden van het plangebied, ten noorden van de Aa, bevindt zich een overhoek met een grazige ruigte met Riet dat geleidelijk naar het westen overgaat in een bosschage met een ruigtezoom met o.a. Gewone vlier (Sambucus nigra) en Bosrank (Clematis vitalba).
7
Aan de oostelijke zijde van het plangebied, direct ten zuiden van de sluis in de Aa, bevindt zich eveneens een overhoek met een open bosschage met een grazige ruigte. Dit bosschage bestaat voornamelijk uit Gewone es en Iep.
Afbeelding 2. Het landgebruik in het plangebied ten tijde van het veldbezoek op 30 september 2021.
8
4 Omschrijving ingrepen en juridisch belang De initiatiefnemer is voornemens het plangebied om te vormen tot natuur, afgewisseld met een halfnatuurlijk landschap met een recreatief oogmerk. Daartoe wordt bestaand agrarisch cultuurland omgevormd, worden bossen aangelegd, alsmede een wandelpad van west naar oost en wordt de laaglandbeek de Aa op enkele plaatsen vergraven om meanders in het tracé te verkrijgen en worden langs het tracé van de laaglandbeek de Aa enkele bomen van een houtwal gekapt. De beoogde activiteiten hebben landschappelijk een ruimtelijk wijzigend karakter. Daarmee is in juridische zin sprake van een ruimtelijke ingreep en zijn juridische, ruimtelijke belangen in het onderhavige geval van toepassing, zoals omschreven in artikel 3.10, lid 2a van de Wet Natuurbescherming. Aangezien de beoogde activiteiten een verstoring en/of verslechtering van aanwezige, beschermde, dan wel kwetsbare natuurwaarden kunnen veroorzaken, zijn bovenvermelde activiteiten onderzoeksplichtig in het kader van de zorgplicht van de Wet Natuurbescherming naar aanleiding van het bepalende wetsartikel 1.11, lid 2a, 2b en 2c. Daarmee geldt de onderzoeksplicht ten opzichte van onder de wetgeving beschermde soorten met als doel het vaststellen welke maatregelen dienen te worden genomen om schade te voorkomen dan wel te verzachten.
9
5 Resultaten 5.1 Zoogdieren 5.1.1 Europese eekhoorn De Eekhoorn (Sciurus vulgaris) is een soort die grote bosgebieden met voldoende voedselbomen en struiken nodig heeft om tot een gunstige populatieomvang te komen. In het plangebied zijn geen bossen of parkachtig bos aanwezig. Ter plaatse is uitsluitend sprake van bosschages en ruigtes van zeer beperkte omvang. Evenmin is in het plangebied een ruime voorraad voorname voedselbomen (bomen met noten en grote zaden) aanwezig. Het plangebied is aan de noordelijke, westelijke en oostelijke zijde bovendien omgeven door een harde barrière (zie afbeelding 3), hetgeen migratie van deze soort aanzienlijk bemoeilijkt. Een barrière met een dergelijk effect bevindt zich eveneens aan de zuidelijke zijde, middels de drukke Bakelseweg, bebouwing en intensieve agrarische bedrijfsvoering. Volgens de NDFF ontbreken recente waarnemingen van de soort in het plangebied of de directe nabijheid daarvan. Ten tijde van het veldbezoek zijn in het plangebied geen nesten van de Eekhoorn (Sciurus vulgaris) waargenomen in bomen. Het voorkomen van foerageergebied en vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de Eekhoorn in het plangebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten.
Afbeelding 3. Ligging van drie voorname, ecologische barrières; de Oude Zuid-Willemsvaart (ten westen), de Zuid-Willemsvaart (ten oosten) en de Albers Pistoriusweg/Bakelseweg in het zuiden. Op de plaats waar de laaglandbeek de Aa de Bakelseweg doorkruist, bevindt zich een viaduct. De oeverzone van de beek loopt onder het viaduct door, waarmee de Bakelseweg geen heel harde barrière is. De barrières verhinderen vooral de (im)migratie van landzoogdieren (o.a. Europese eekhoorn, marterachtigen en katachtigen), amfibieën en reptielen.
10
5.1.2 Europese bever De Europese bever (Castor fiber) is een soort die langs rivieren, beken en in zeer natte moerassen leeft alwaar deze vrije toegang tot bomen behoeft. In het plangebied is stromend water in de vorm van de laaglandbeek de Aa met natuurlijke oevers aanwezig. Het plangebied is aan de noordelijke, westelijke en oostelijke zijde bovendien omgeven door kanaalgangen die immigratie van Europese bevers zeer goed mogelijk kan maken. Aan de oevers van alle wateren bevinden zich op regelmatige afstand bomen. Op een gedeelte van het tracé van de laaglandbeek de Aa groeien aan beide oeverzijden bomen. Daarmee vormt het plangebied geschikt leefgebied voor de Europese bever. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen (knaag)sporen, beverdammen en/of burchten van Europese bevers aangetroffen. Volgens de NDFF zijn waarnemingen bekend van het atlasblok 1 waarbinnen het plangebied gelegen is, echter volgens Waarneming.nl zijn de afgelopen vijf jaren geen waarnemingen bekend binnen het plangebied2. Daarmee kan het voorkomen van vaste rust- of verblijfplaatsen van de Europese bever in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
De incidentele aanwezigheid van Europese bever kan redelijkerwijs niet geheel worden uitgesloten op grond van recente waarnemingen uit de directe omgeving van het plangebied en de uitstekende bereikbaarheid van het plangebied via de kanalen en de laaglandbeek de Aa.
5.1.3 Europese hamster De Europese hamster (Cricetus cricetus) is een soort die de voorkeur geeft aan extensief beheerde graanakkercomplexen en kruidenrijke perceelranden op een lemige bodem (löss) waarin gemakkelijk uitgebreide burchten kunnen worden gegraven. Dergelijke habitatkenmerken ontbreken in het plangebied. Tevens ligt het actuele verspreidingsgebied van de Europese hamster op aanzienlijke afstand (ruim 50 kilometer) van het plangebied. Tenslotte zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en/of burchten van de Europese hamster aangetroffen in het plangebied. Daarmee kan het voorkomen van de Europese hamster in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.4 Slaapmuizen De verspreidingsgebieden van Eikelmuis (Eliomys quercinus) en Hazelmuis (Muscardinus avellanarius) liggen ruim buiten het plangebied. Natuurlijke populaties van beide soorten bevinden zich in Zuid-Limburg op ruim 70 kilometer van het plangebied. De habitat van de Hazelmuis in Nederland bestaat uit uitgestrekte, zuidelijk geëxponeerde, braamrijke zomen tegen bosschages en bosranden met zadenrijke bomen. Een dergelijke habitat is in het plangebied in uitermate beperkte omvang aanwezig. Het areaal van de Eikelmuis is in Nederland vrijwel exclusief verbonden met bosrijke gebieden waar kalksteen (‘mergel’) dagzoomt en op regelmatige plaatsen fruitgaarden met rommelige hoekjes voorkomen. Dergelijke habitats zijn niet aanwezig in het plangebied. In het plangebied kan daarmee het voorkomen van slaapmuizen redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.5 Grote bosmuis De habitat waarin de Grote bosmuis (Apodemus flavicollis) in Nederland en de ons omringende landen wordt aangetroffen zijn hoogopgaande loofbossen met goed ontwikkelde struiklagen en ruige graslanden langs beken en rivieren (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). Aan de eerste habitatkenmerken voldoen de 1 2
Een atlasblok is een topografische indelingseenheid (raster) met een code die uit vier cijfers bestaat. Het bestaat uit 25 kilometerhokken, en is daarmee 5 kilometer breed en 5 kilometer lang. Bron: https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196136/observations/?date_after=2016-04-28&date_before=202110-25&view_type=as_map&species=375&advanced=on
11
landschapselementen in het plangebied niet, echter de aanwezigheid van ruige graslanden met verspreide bosschages maakt het plangebied mogelijk geschikt voor Grote bosmuis. Het verspreidingsgebied van Grote bosmuis is echter beperkt tot het oosten van Nederland, waarbij de rivier de Maas in Zuid-Nederland een harde barrière lijkt die de verspreiding naar het gebied ten westen van de rivier tegenhoudt. Volgens de NDFF komt de Grote bosmuis niet voor in de provincie Noord-Brabant. Daarmee kan het voorkomen van de Grote bosmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.6 Molmuis De habitat van de Molmuis (Arvicola scherman) bestaat uit een afwisselend agrarisch landschap met akkers, boomgaarden, tuinen en wateren (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). Voor een gunstige populatieontwikkeling van de soort zijn dergelijke habitatkenmerken in voldoende mate aanwezig in het plangebied. Daarmee is het plangebied geschikt als leefgebied voor de Molmuis. Tijdens het veldbezoek zijn op de graslanden, langs ruigtezomen, langs bosschages en langs waterlopen geen sporen aangetroffen die wijzen op bewoning door de Molmuis in het plangebied. Volgens de NDFF en BROEKHUIZEN ET AL. (2016) is de verspreiding van de soort beperkt tot Zuid- en Midden-Limburg en is de soort tot op heden niet buiten de provincie Limburg vastgesteld. Daarmee kan het voorkomen van de Molmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.7 Marterachtigen In het plangebied en in de directe omgeving zijn tijdens het veldbezoek geen sporen van Steenmarter (Martes foina) en Boommarter (Martes martes) aangetroffen. Zoals reeds eerder in paragraaf 5.1.1 vermeld, bevindt zich ten noorden, ten westen en ten oosten een harde migratiebarrière in de vorm van watervoerende scheepvaartkanalen. Een andere barrière bevindt zich aan de zuidelijke zijde, te weten de Bakelseweg. Steenmarters zijn echter tolerant ten opzichte van drukke verkeersaders en schromen niet om deze op rustige momenten over te steken. Bovendien snijdt het viaduct over de laaglandbeek de Aa de doorgaande oeverzones van de beek niet af, maar lopen deze onder het viaduct door, waardoor migratie voor bepaalde landdieren mogelijk blijft (zie afbeelding 3). Het is daarmee niet uitgesloten dat het plangebied dient als incidenteel foerageergebied van Steenmarter. De Boommarter is als zoogdier sterk gebonden aan oude loofbossen met bomen met veel (grote) boomholten. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig in het plangebied. Tevens blijkt uit de meest actuele verspreidingsgegevens dat zich geen populatie Boommarters bevindt in de directe omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van Steenmarter en Boommarter in het plangebied is daarmee redelijkerwijs uitgesloten.
In het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn schone, diepere, visrijke wateren aanwezig. Daarmee is het plangebied geschikt als leefgebied voor de Otter (Lutra lutra). Aan de oeverzones bevinden zich echter onvoldoende schuilmogelijkheden voor Otters in de vorm van uitgestrekte rietkragen en bosschages met goed ontwikkelde, ondoordringbare struik- en kruidlagen. Daarmee is het voorkomen van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van de Otter redelijkerwijs uit te sluiten. Tijdens het veldbezoek zijn langs de watergangen in het plangebied geen sporen van Otters (o.a. pootafdrukken, uitwerpselen en ‘spraints’) aangetroffen. Volgens de NDFF komt de Otter in de directe nabijheid van het plangebied niet voor. Daarmee kan het voorkomen van de Otter in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. In het plangebied en in de directe omgeving zijn tijdens het veldbezoek geen sporen en/of holen (burchten) van Dassen (Meles meles) aangetroffen. Het bodemtype van het plangebied bestaat uit dekzand, hetgeen niet geschikt is voor de bouw van burchten door de Das. Bovendien staat het grondwaterpeil in het plangebied redelijk hoog, waardoor het gebied eveneens minder geschikt is voor de bouw van burchten door de Das. Actuele verspreidingsgevens op de NDFF bevestigen eveneens dat geen dassenactiviteit in het
12
plangebied aanwezig is. De Das heeft dan ook geen verblijfplaats of essentieel foerageergebied in het plangebied.
5.1.8 Grote roofdieren Het plangebied valt binnen het meest actuele verspreidingsgebied van Wolf (Canis lupus), echter het huidige, agrarische landschap voorziet in te weinig prooidieren voor de wolf om een bestendige, gunstige populatieontwikkeling van deze soort mogelijk te maken. Dergelijke omstandigheden gelden eveneens voor Lynx (Lynx lynx) en Wilde kat (Felis sylvestris), alhoewel de huidige verspreiding van beide soorten in Nederland hun aanwezigheid in het plangebied vrijwel uitsluit. Bovendien zijn zowel Lynx als Wilde kat geen goede zwemmers, hetgeen beide kanalen tot harde barrières maakt. Tevens maakt het plangebied geen onderdeel uit van uitgestrekte bosgebieden met gelegenheden voor hinderlagen en voldoende prooidieren. Het voorkomen van grote roofdieren in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.9 Veldspitsmuis Het leefgebied van de Veldspitsmuis (Crocidura leucodon) bestaat in Nederland uit kleinschalige, agrarische cultuurlandschappen op zandige bodems met een halfopen, bloemrijke vegetatie, waaronder akkerranden en bermen (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). In het plangebied zijn dergelijke habitatkenmerken slechts in beperkte mate beschikbaar, aangezien het merendeel van het grondgebied bestaat uit intensief beheerd grasland en akkers. Het verspreidingsgebied van de Veldspitsmuis ligt volgens de NDFF en B ROEKHUIZEN ET AL. (2016) ver buiten het plangebied. Daarmee kan het voorkomen van de Veldspitsmuis in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.10 Waterspitsmuis De Waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden aan schone wateren. De soort komt voor bij zowel snel stromende rivieren en beken als bij stilstaande wateren. Daarbij is de aanwezigheid van een goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oeverzone van essentieel belang. Waterspitsmuizen jagen in zowel ruige, grazige vegetaties als in Elzenbroekbossen (o.a. B ROEKHUIZEN ET AL., 2016). In het plangebied vormen beide oeverzones langs het gehele tracé van de laaglandbeek de Aa geschikt leefgebied voor de Waterspitsmuis, alsmede de beek zelf. Het plangebied maakt onderdeel uit van het huidige verspreidingsgebied van de Waterspitsmuis (BROEKHUIZEN ET AL., 2016). Volgens de NDFF komt de soort voor in het stromingsgebied van de laaglandbeek de Aa. Daarmee kan het voorkomen van de Waterspitsmuis in het plangebied niet worden uitgesloten.
13
5.1.11 Vleermuizen
Foerageergebied
Vliegroutes
Paarverblijfplaats
Zomerverblijfplaats Kraamverblijfplaat s
Winterverblijfplaats
Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor 13 soorten vleermuizen. Aangezien het grootste oppervlak van het plangebied bestaat uit open gebied in de vorm van grasland en akkers en het aandeel bos, bosschages en ruigten laag is, is de kans redelijkerwijs zeer klein dat sprake is van essentieel foerageergebied van soorten die Gewone dwergvleermuis X X X X doorgaans een sterke connectiviteit met Ruige dwergvleermuis X X X X X Kleine dwergvleermuis X X X X bomen hebben. Lijnvormige elementen zijn Rosse vleermuis X X in het plangebied aanwezig in de vorm van Laatvlieger X X boomsingels, laanstructuren, houtwallen en Tweekleurige vleermuis X X waterwegen, waarmee de aanwezigheid Gewone grootoorvleermuis X X X X van vliegroutes van vleermuizen niet kan Grijze grootoorvleermuis X X worden uitgesloten. In het plangebied Watervleermuis X X bevinden zich geen gebouwen, waarmee Meervleermuis X de aanwezigheid van verblijfplaatsen van Franjestaart X X gebouwbewonende vleermuissoorten in het Ingekorven vleermuis X X plangebied is uitgesloten. In het plangebied Baardvleermuis X X X en in de directe nabijheid daarvan bevinden Brandt's vleermuis X X X zich enkele waterwerken in de vorm van sluizen en kolken. Bij nadere inspectie X Is potentieel aanwezig gedurende het veldbezoek bleken deze niet geschikt als tijdelijke of permanente verblijfplaats voor vleermuizen.
Naar aanleidingen van het veldbezoek Afbeelding 4: Vleermuissoorten en potentiële functies in het plangebied. bleek dat twee bomen een mogelijke verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen kunnen vormen. Het betreft twee knotwilgen die een relatief korte, van west naar oost verlopende perceelscheiding vormen (zie afbeelding 6). In deze bomen zijn holtes in de stam en scheuren in de schors aanwezig. Deze openingen hebben allen een expositie op het noordoosten. In het plangebied kunnen derhalve de vleermuissoorten Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus), Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii), Kleine dwergvleermuis (Pipstrellus pygmaeus), Rosse vleermuis (Nyctalus noctula), Laatvlieger (Eptesicus serotinus), Tweekleurige vleermuis (Vespertilio murinus), Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus), Grijze grootoorvleermuis (Plecotus austriacus), Vale vleermuis (Myotis myotis), Watervleermuis (Myotis daubentonii), Meervleermuis (Myotis dasycneme), Franjestaart (Myotis nattereri), Ingekorven vleermuis (Myotis emarginatus), Bechsteins vleermuis (Myotis bechsteinii), Baardvleermuis (Myotis mystacinus) en Brandt's vleermuis (Myotis brandtii) aanwezig zijn. In afbeelding 4 zijn de te verwachten functies van voornoemde soorten weergegeven.
14
5.1.12 Hoefdieren De NDFF vermeldt dat Damhert (Dama dama) en Edelhert (Cervus elaphus) niet voorkomen in het plangebied. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van Damhert en Edelhert aangetroffen. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een groter bos- en/of parkachtig gebied. Daarmee kan het voorkomen van Damhert en Edelhert in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Het voorkomen van Wild zwijn (Sus scrofa) in de directe nabijheid van het plangebied kan volgens de NDFF niet worden uitgesloten. In het plangebied bevinden zich vele Zomereiken (Quercus robur) langs het oostelijke zandpad, extensief beheerde ‘overhoekjes’ met grazige vegetaties en intensief beheerde graslanden. Het stapelvoedsel van Wild zwijn bestaat uit grote hoeveelheden eikels, ondergrondse wortelstokken en ongewervelde bodemdieren, die Wilde zwijnen met hun gravende wroetgedrag proberen op te diepen. Tijdens het veldbezoek zijn echter geen sporen van Wild zwijn aangetroffen. Evenmin zijn geschikte schuilmogelijkheden (omgevallen bomen, dicht struweel met inloopwissels e.d.) aangetroffen. Daarmee kan het voorkomen van vaste rust- en/of verblijffuncties van Wild zwijn in het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.1.13 Zeezoogdieren Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een maritiem ecosysteem of een (brak) estuarium. Het voorkomen van zeezoogdieren in het plangebied kan daarmee redelijkerwijs worden uitgesloten.
15
5.2 Vogels 5.2.1 Watervogels en ganzen Het plangebied is geschikt als foerageergebied en vaste rust- en/of verblijfplaats voor watervogels. Op grond van het intensieve agrarische landgebruik ter plaatse zijn voornamelijk algemenere soorten te verwachten, waaronder Wilde eend (Anas platyrhynchos), Meerkoet (Fulica atra), Waterhoen (Gallinula chloropus), Knobbelzwaan (Cygnus olor), Wintertaling (Anas craca), Fuut (Podiceps cristatus) en Blauwe reiger (Ardea cinerea). Individuen van al deze soorten zijn ten tijde van het veldbezoek waargenomen. De oevers van het stromende water van de laaglandbeek de Aa zijn ter hoogte van het westelijke deel van het plangebied begroeid met houtwallen, hetgeen een luwte biedt aan tal van watervogels tegen noord(westelijke) wind in de winter (zie afbeelding 5). Ten tijde van het veldbezoek zijn in de bomen van deze houtwallen geen nesten van watervogels aangetroffen.
Afbeelding 5. Aanzicht op de laaglandbeek de Aa in zuidwestelijke richting. De bosschages bieden een luwte aan tal van watervogels tegen noordwestelijke wind in de winter.
De intensief beheerde graslanden in het plangebied zijn geschikt als foerageergebied voor algemeen voorkomende ganzen waaronder Grauwe gans (Anser anser) en Grote Canadese gans (Branta canadensis). Enkele ruigen met Riet zijn eveneens geschikt als broedbiotoop voor ganzen. Het lijkt echter op grond van het ruimtelijk ingesloten karakter van het landschap uitgesloten dat het plangebied in de zomermaanden geschikt is als leefgebied voor grote groepen dieren. Dergelijke omstandigheden bieden gedurende de wintermaanden in koude perioden met noordoostelijke of oostelijke wind een luwte die in combinatie met grazige weiden geschikt overwinteringsgebied vormt voor algemeen voorkomende ganzen.
16
5.2.2 Steltlopers Het plangebied biedt incidentele foerageergelegenheid aan steltlopers als Oeverloper (Actitis hypoleucos), Witgat (Tringa ochropus), Kievit (Vanellus vanellus), Grutto (Limosa limosa), Watersnip (Gallinago gallinago) en Tureluur (Tringa totanus). Geen van deze soorten (of andere soorten steltlopers) zijn tijdens het veldbezoek aangetroffen in het plangebied. Op grond van het intensieve agrarische landgebruik ter plaatse en het ruimtelijk ingesloten karakter van het landschap, zijn de landschappelijke omstandigheden minder geschikt als broedbiotoop voor steltlopers. In het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn tijdens het veldbezoek geen overblijfsel van nesten aangetroffen. Daarmee is het redelijkerwijs uitgesloten dat het plangebied nestgelegenheid biedt aan steltlopers.
5.2.3 Zangvogels Het plangebied is beperkt geschikt als foerageergebied en vaste rust- en/of verblijfplaats voor zangvogels. Te verwachten vogelsoorten zijn onder andere Nachtegaal (Luscinia megarhynchos), Winterkoning (Troglodytes troglodytes), Boomklever (Sitta europaea), Boomkruiper (Certhia brachydactyla), Zwartkop (Sylvia atricapilla) en algemenere soorten van tuinen en parken, waaronder Koolmees (Parus major), Merel (Turdus merula), Vink (Fringilla coelebs), Tuinfluiter (Sylvia borin), Roodborst (Erithacus rubecula) en Zwarte roodstaart (Phoenicurus ochruros). In het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn tijdens het veldbezoek geen nesten (of overblijfselen daarvan) aangetroffen. Dit betekent redelijkerwijs echter niet dat het plangebied niet wordt gebruikt door vogels die in struwelen broeden. Veel nesten zijn en blijven jaarrond verborgen. Nesten van bepaalde vogelsoorten zijn bovendien zeer onsamenhangend opgebouwd waardoor deze na het uitvliegen van de jongen vaak alweer uitéénvallen door regen en wind.
5.2.4 Akkervogels De agrarische ecotopen van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor diverse akkervogels. De akkers en graslanden vormen potentieel foerageergebied voor Patrijs (Perdix perdix), Kwartel (Coturnix coturnix) en Fazant (Phasianus colchicus). De aangrenzende ruigtevegetaties vormen vooral voor de Fazant geschikt broedgebied. Nesten van Patrijs en Kwartel kunnen in braakliggende akkers en in akkerranden aanwezig zijn. Zowel NDFF als Waarneming.nl melden het voorkomen van Patrijs, Kwartel en Fazant in het plangebied of in de directe nabijheid daarvan.
5.2.5 Kraaiachtigen In het plangebied zijn landschapselementen met bomen aanwezig waarin nestgelegenheid aanwezig is voor kraaiachtigen. Te verwachten soorten zijn Zwarte kraai (Corvus corone), Kauw (Corvus monedula), Ekster (Pica pica) en Gaai (Garullus glandarius), alsmede de kolonievormende Roek (Corvus frugilegus). In de bomen van het plangebied en in de directe nabijheid daarvan zijn tijdens het veldbezoek geen nesten van kraaiachtigen (of overblijfselen daarvan) aangetroffen. Ten tijde van het veldbezoek zijn eveneens geen individuen van kraaiachtigen aangetroffen. Dit betekent redelijkerwijs echter niet dat zich geen incidentele broedgevallen kunnen voordoen van kraaiachtigen in het plangebied. De aanwezigheid van grote broedkolonies van kraaiachtigen in het plangebied is evenwel uitgesloten.
5.2.6 Dagroofvogels Het plangebied is geschikt als foerageergebied en vaste rust en/of verblijfplaats van algemene dagroofvogels als Havik (Accipiter gentilis), Sperwer (Accipiter nisus), Buizerd (Buteo buteo), Torenvalk (Falco tinnunculus), Boomvalk (Falco subbuteo) en Ruigpootbuizerd (Buteo lagopus). De kans dat het
17
plangebied een voornaam foerageergebied is voor dagroofvogels die vooral de Veldmuis (Microtus arvalis) als stapelvoedsel hebben, is zeer klein. Tijdens het veldbezoek zijn de extensief beheerde graslanden betreden en ter plaatse werden geen holencomplexen van Veldmuis aangetroffen. Daarmee vormt het plangebied op voorhand geen essentieel foerageergebied voor Torenvalk, Ruigpootbuizerd en (in mindere mate) Buizerd. Het plangebied vormt door de aanwezigheid van tal van (zang)vogels wel potentieel foerageergebied voor Havik, Sperwer, Boomvalk en Buizerd. In het plangebied zijn enkele ruige overhoekjes (met Riet) en akkerranden aanwezig die geschikt zijn als broedbiotoop voor grondbroedende roofvogels als Blauwe kiekendief (Circus cyaneus), Bruine kiekendief (Circus aeruginosus) en Grauwe kiekendief (Circus pygargus). Tijdens het veldbezoek zijn evenwel geen individuen van deze soorten aangetroffen, alsmede sporen van grondnesten en nesten in bomen. Toch kan de aanwezigheid van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van grondbroedende roofvogels in het plangebied niet geheel worden uitgesloten. Het plangebied vormt door de aanwezigheid van tal van watervogels eveneens potentieel foerageergebied voor grondbroedende roofvogels.
5.2.7 Nachtroofvogels Het plangebied is op grond van de uiterlijke habitatkenmerken geschikt als foerageergebied van nachtroofvogels zoals Kerkuil (Tyto alba), Bosuil (Stryx aluco), Ransuil (Asio otus), Velduil (Asio flammeus) en Steenuil (Athene noctua). Het stapelvoedsel van Kerkuil, Ransuil en Velduil bestaat vrijwel geheel uit Veldmuis (Microtus arvalis). Tijdens het veldbezoek zijn de intensief en extensief beheerde graslanden betreden en ter plaatse werden geen holencomplexen van Veldmuis aangetroffen. Daarmee vormt het plangebied geen essentieel foerageergebied voor Kerkuil, Ransuil en Velduil. De Bosuil heeft een breder dieet en vangt naast Veldmuizen ook grotere vogels zoals (wilde) duiven en zoogdieren als het Europees konijn (Oryctolagus cuniculus). Tijdens het veldbezoek zijn geen holen van het Europees konijn aangetroffen, echter wel individuen van Houtduif (Columba palumbus). Houtduiven werden waargenomen in de houtwal langs de laaglandbeek de Aa. Daarmee lijkt het plangebied geschikt als incidenteel foerageergebied voor Bosuil. In het plangebied zijn geen holtebomen in bosgebied aanwezig, waarmee het voorkomen van nestplaatsen van Bosuil in het plangebied kan worden uitgesloten. Het plangebied is geschikt als foerageergebied voor Steenuil op grond van de aanwezigheid van een afwisselend cultuurlandschap. Steenuilen zijn geen uitgesproken Veldmuisspecialisten.
In de warme maanden van het jaar maken insekten (als nachtvlinders en loopkevers) en regenwormen het grootste deel uit van hun dieet waarmee eveneens jongen worden grootgebracht. In de wintermaanden vormen Veldmuizen het overgrote deel van het stapelvoedsel. Steenuilen zijn standvogels die jaarrond hun eigen territorium bezetten en daarbij gebruik maken van vaste rust- en/of verblijfplaatsen, waaronder vooral boomholten en vrij toegankelijke gebouwtjes in de (beschutte) open ruimte. In het plangebied zijn slechts twee holtenrijke bomen aangetroffen in de vorm van knotwilgen (Salix sp.). Deze knotwilgen lagen temidden van extensief beheerde graslanden, waarvan tijdens het veldbezoek kon worden vastgesteld dat deze periodiek bemest zijn (geweest) met drijfmest (zie afbeelding 6). Drijfmest heeft een negatief effect op de populatie regenwormen, waarmee de kans klein is dat het een essentieel foerageergebied vormt voor Steenuil. Tijdens het veldbezoek werden evenmin individuen van Steenuil waargenomen. Het is daarmee redelijkerwijs uitgesloten dat het plangebied geschikt is als foerageergebied en vaste rust- en/of verblijfplaats voor Steenuil. Het plangebied is niet geschikt als vaste rust en/of verblijfplaats voor Kerkuil en Velduil. De Kerkuil heeft zijn rusten verblijfplaats in Nederland vrijwel uitsluitend in gebouwen (vrij toegankelijke, rustige schuren en zolders).
De Velduil is ‘s zomers een soort van zeer open, extensief beheerde landschappen als open heide, moerasgebieden en afwisselend extensief beheerd agrarisch cultuurland. Dergelijke omstandigheden zijn niet aanwezig in het plangebied. Bovendien blijkt uit de meest actuele verspreidingsgegevens dat zich binnen het plangebied geen winterverblijfplaats van Velduilen bevindt. Op grond van bovenstaande conclusie
18
kan worden gesteld dat het plangebied voor Kerkuil en Velduil een incidenteel foerageergebied kan vormen. Aangezien het plangebied onvoldoende foerageergebied biedt aan Ransuil, is de kans zeer klein dat deze soort ter plaatse vaste rust- en/of verblijfplaatsen heeft.
Afbeelding 6. Aanzicht vanuit de eikendreef in zuidwestelijke richting op de boomsingel in het intensief beheerd grasland. In deze boomsingel bevinden zich twee knotwilgen met holtes en brede scheuren in de stam.
5.3 Reptielen In het plangebied zijn voor reptielen geschikte ecotopen (zoals schrale, heiderijke vegetaties met voldoende zonnige plekken) in beperkte mate aanwezig. Slechts de ecotopen met grazige ruigten komen daarvoor in aanmerking, alsmede de zomen van bosschages. Aangezien het plangebied aan alle zijden barrières heeft die voor landdieren moeilijk te overbruggen zijn (zie afbeelding 3), is het aantal te verwachten reptielensoorten zeer beperkt.
5.3.1 Adder en Gladde slang Op grond van de meest recente verspreidingsgegevens van de NDFF kan het voorkomen van Adder (Vipera berus ssp. Berus) en Gladde slang (Coronella austriaca) in het plangebied worden uitgesloten. De dichtstbij zijnde populaties van Adder liggen in het natuurgebied De Meinweg en op de Veluwe, op respectievelijk circa 50 kilometer en circa 60 kilometer van het plangebied. Het dichtstbij zijnde leefgebied van de Gladde slang bevindt zich in natuurgebied De Groote Peel, op circa 20 kilometer van het plangebied.
19
5.3.2 Ringslang Het plangebied bevindt zich volgens de NDFF buiten het actuele verspreidingsgebied van de Ringslang (Natrix helvetica) en de Oostelijke ringslang (Natrix natrix). De dichtstbij zijnde populaties bevinden zich in Nationaal Park de Biesbosch, het Rijk van Nijmegen en op de Brunssumerheide, op respectievelijk 60, 28 en 66 kilometer afstand. Op grond van de aanwezige ecotopen is in het plangebied geen sprake van een gunstige amfibieënstand (zie paragraaf 5.4), hetgeen een belangrijke voorwaarde is voor het voorkomen van Ringslangen (Natrix sp.). De aanwezige wateren zijn dan ook minder geschikt als leefgebied voor amfibieën en daarmee voor de ringslang. Dit is op grond van het huidige, intensieve landgebruik en op grond van het intensieve bemestingsregime ter plaatse. Het voorkomen van de Ringslang in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.3.3 Zandhagedis De Zandhagedis (Lacerta agilis) komt volgens recente, gevalideerde waarnemingen3 voor op circa 9 kilometer van het plangebied op de Brouwhuissche Heide tussen Helmond en Deurne. De Zandhagedis is een soort die grote oppervlaktes aan zonbeschenen, kale zandvlaktes met rul zand nodig heeft om eieren in te leggen. Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied, waarmee het voorkomen van de Zandhagedis in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
5.3.4 Muurhagedis De verspreiding van de Muurhagedis (Podarcis muralis) is beperkt tot de muren van enkele historische verdedigingswerken in Maastricht, op circa 75 kilometer ten zuiden van het plangebied. De Muurhagedis is een soort die sterk gebonden is aan rijkelijk door de zon beschenen, zuidelijk geëxponeerde muren en stenige objecten met vele holtes en spleten. Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied, waarmee het voorkomen van de Muurhagedis in het plangebied redelijkerwijs kan worden uitgesloten.
5.3.5 Hazelworm Het plangebied bevindt zich binnen het bekende verspreidingsgebied van de Hazelworm (Anguis fragilis). Echter volgens zowel de NDFF als de bekende, gevalideerde verspreidingsgegevens op waarneming.nl, is de soort de afgelopen drie jaren niet waargenomen in het plangebied4. De Hazelworm leeft zeer verborgen en kan jarenlang onopgemerkt blijven. De soort komt in Nederland onder andere voor op grazige kanaaldijken, in bosschages in agrarisch cultuurland, aan de rand van boomsingels en nabij en in ruigtezomen. Dergelijke ecotopen zijn aanwezig in het plangebied, waarmee de aanwezigheid van de Hazelworm in het plangebied redelijkerwijs niet kan worden uitgesloten.
5.3.6 Levendbarende hagedis Het plangebied bevindt zich binnen het bekende verspreidingsgebied van de Levendbarende hagedis (Zootoca vivipara) in Nederland. De meest recente, gevalideerde waarneming van een Levendbarende hagedis ligt op ongeveer 350 meter van het plangebied5. De Levendbarende hagedis komt voor in grazige akkerranden, grazige ruigtes, natte verlandingszones met Riet, grazige kanaaldijken, oevers van beken en 3 4 5
Bron: https://waarneming.nl/observation/213669651/ Bronnen: https://waarneming.nl/species/445/maps/?start_date=2018-04-19&interval=15552000&end_date=2021-1016&map_type=grid10k en https://www.verspreidingsatlas.nl/R401 Bron: https://waarneming.nl/observation/216273188/
20
langs zonbeschenen ruigtezomen. De soort heeft een sterke voorkeur voor zandgronden. Dergelijke ecotopen zijn in het plangebied aanwezig, waarmee het voorkomen van de Levendbarende hagedis in het plangebied niet kan worden uitgesloten.
5.4 Amfibieën In het plangebied zijn twee ecotopen aanwezig die beperkt geschikt zijn als voortplantingswater voor amfibieën, namelijk een stelsel van afwateringssloten en een snel stromende laaglandbeek in een intensief beheerd agrarisch cultuurlandschap.
5.4.1 Heikikker De Heikikker (Rana arvalis) heeft een uitgesproken voorkeur voor heide, hoogveen, laagveen en extensief beheerde, schrale graslanden. Het plangebied bevindt zich weliswaar binnen het bekende verspreidingsgebied van de soort, echter de ter plaatse aanwezige ecotopen zijn niet in overéénstemming met de habitatvoorkeuren van de soort. De Heikikker is voor de voortplanting aangewezen op stilstaande, relatief ondiepe wateren met een lage zuurgraad en een geringe nitraatbelasting (Creemers & Van Delft, 2009). Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van de Heikikker in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.4.2 Poelkikker De voortplantingshabitat van de Poelkikker (Rana lessonae) is in Nederland beperkt tot heidevennen, hoogvenen, laagvenen, rietmoerassen en sloten in extensief beheerd, agrarisch gebied. De soort heeft een sterke voorkeur voor wateren met een lage zuurgraad en een geringe nitraatbelasting (Creemers & Van Delft, 2009). Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied. In de directe nabijheid van het plangebied zijn de meest recente waarnemingen beperkt tot vochtige, heide- en bosrijke gebieden op circa 7 kilometer van het plangebied6. Het voorkomen van de Poelkikker in het plangebied kan daarmee dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.4.3 Boomkikker Het plangebied bevindt zich binnen het landelijke verspreidingsgebied van de Boomkikker (Hyla arborea). De voorkeurshabitat van de soort bestaat uit visvrije, zonnig gelegen, matig voedselrijke, stilstaande wateren die grenzen aan een landhabitat dat bestaat uit braamrijke ruigtezomen met kruidenrijke graslandvegetaties. Binnen het plangebied bestaan de wateren met een geringe stroomsnelheid uitsluitend uit zeer voedselrijke, nitraatbelaste, ondiepe slootcomlexen die vooral in open, agrarisch intensief gebied gelegen zijn. De laaglandbeek de Aa is visrijk en snelstromend, waarmee de in het plangebied aanwezige wateren niet geschikt zijn als voortplantingshabitat van de Boomkikker. Volgens de NDFF ontbreken recente waarnemingen van de Boomkikker in het plangebied of de directe nabijheid daarvan. Het voorkomen van de Boomkikker in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
5.4.4 Knoflookpad De Knoflookpad (Pelobates fuscus) is een kikker met een voorkeur voor het agrarische cultuurlandschap en 6
Bron: https://waarneming.nl/locations/gridcell/2196136/observations/?date_after=2016-10-14&date_before=202110-13&view_type=as_map&species=453&advanced=on
21
halfnatuurlijke graslanden langs de grote rivieren en in beekdalen op zandgronden. De soort legt eieren in redelijk diepe sloten, vennen en vijvers met relatief voedselrijk water met een geringe zuurgraad. De voortplantingswateren moeten visvrij zijn om de larven succesvol op te laten groeien. In het plangebied zijn dergelijke voortplantingswateren niet aanwezig. In de laaglandbeek de Aa bevinden zich vissen, bovendien is het een snelstromende beek. Aangezien de sloten in het plangebied zeer ondiep zijn en zich in intensief beheerd agrarisch cultuurland bevinden met een intensief bemestingsregime (o.a. maisakkers), is de nitraatbelasting van de wateren te hoog voor larven van de Knoflookpad. Tevens bevinden zich in het plangebied geen ecotopen met rul zand, waarin adulte individuen zich in kunnen graven. Daarmee voldoen zowel de aquatische ecotopen als de landecotopen in het plangebied niet aan de habitateisen van de Knoflookpad. Ondanks het feit dat het plangebied binnen het landelijke verspreidingsgebied van de Knoflookpad voorkomt, kan het voorkomen van de Knoflookpad in het plangebied dan ook op grond van de aanwezige ecotopen redelijkerwijs worden uitgesloten.
Afbeelding 7. Akker ten westen van het plangebied. Centraal in de foto is de sloot tussen beide akkercomplexen goed zichtbaar. De sloten zijn modderig en droegen ten tijde van het veldbezoek geen water.
5.4.5 Vroedmeesterpad, Geelbuikvuurpad en Vuursalamander De landelijke verspreiding van Vroedmeesterpad (Alytes obstetricans), Geelbuikvuurpad (Bombina variegata) en Vuursalamander (Salamandra salamandra ssp. Terrestris) is beperkt tot Zuid-Limburg. Deze drie soorten zijn strikt gebonden aan zeer kalkrijke milieus met geringe nitraatbelasting. Van deze omstandigheden is in de ecotopen van het plangebied geen sprake. Het voorkomen van de Vroedmeesterpad, Geelbuikvuurpad en Vuursalamander in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs worden uitgesloten.
22
5.4.6 Rugstreeppad Op grond van de meest actuele verspreidingsgegevens van de NDFF 7 en waarneming.nl8, blijkt dat de Rugstreeppad (Epidalea calamita) reeds meer dan drie jaren niet is waargenomen in het plangebied en de directe nabijheid daarvan. De Rugstreeppad is als soort sterk gebonden aan milieus met een dynamisch karakter. De habitats van de Rugstreeppad zijn in de provincie Noord-Brabant vooral te vinden in de dynamische landbouwgebieden op zandgrond. Aangezien de soort een zeer breed scala aan ecotopen en ecotopencombinaties bezet, kunnen voor de soort geen éénduidige habitateisen worden geformuleerd. Bovendien blijft de soort vaak lange tijd onopgemerkt door zijn verborgen levenswijze. Op grond van de aanwezige, ondiepe sloten en de overhoekjes met ruigtevegetaties, is het plangebied geschikt als voortplantingshabitat van de Rugstreeppad. Het voorkomen van de Rugstreeppad in het plangebied kan dan ook redelijkerwijs niet worden uitgesloten.
5.4.7 Kamsalamander, Vinpootsalamander en Alpenwatersalamander Het voorkomen van Kamsalamander (Triturus cristatus), Vinpootsalamander (Lissotriton helveticus) en Alpenwatersalamander (Ichtyosaura alpestris) in het plangebied kan op grond van de afwezigheid van geschikte voortplantingswateren redelijkerwijs worden uitgesloten. Zowel de Kamsalamander, de Vinpootsalamander als de Alpenwatersalamander zijn watersalamanders die gebonden zijn aan voedselarme, zure tot ph-neutrale, weinig nitraatbelaste poelen in bos- en heidenrijke gebieden. Tevens dienen de voortplantingswateren visvrij te zijn voor een succesvolle metamorfose van de larven. Dergelijke ecotopen zijn niet aanwezig in het plangebied, evenmin komen de drie soorten volgens de meest actuele verspreidingsgegevens voor in het plangebied9.
5.5 Vissen In het plangebied bevindt zich stromend water in de vorm van een laaglandbeek. Daarmee is het plangebied geschikt voor de voortplanting van vissen. In onderstaande tabel worden de volgens de Wet Natuurbescherming beschermde vissoorten behandeld. Daarbij wordt achteréénvolgens bepaald of de soort op grond van verspreidingsgegevens van de NDFF en waarneming.nl voorkomt in het plangebied of de directe nabijheid daarvan en of de soort rheofiel is. Een rheofiele vissoort is een vissoort die een uitgesproken voorkeur heeft voor stromend water. Indien een vissoort niet rheofiel is, dan kan de aanwezigheid van de soort in het plangebied op voorhand al worden uitgesloten, aangezien het enige voor vissen geschikte water in het plangebied de snelstromende laaglandbeek de Aa betreft. Een uitzondering op deze regel is echter de Grote modderkruiper.