18 20211014 Vigende milieuvergunning Artex 16-11-2010.pdf
Tekst van het document
De aanpak van de verontreiniging is verder in handen van het bevoegd gezag in het kader van de Wet bodembescherming (in casu Gedeputeeerde Staten van de provincie Noord-Brabant). De interne wijzigingen binnen de inrichting geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullende onderzoek. Op basis van de bodemrisicochecklist (BRCL) en het plan van aanpak waarin wordt aangegeven dat het riool niet overal lekdicht is, achten wij het noodzakelijk dat de bodem ter plaatse van de riolering in de verfkeuken, opslag chemicaliën en wasmachine wordt onderzocht op het voorkomen van mogelijke verontreiniging. Op basis van de BRCL dient eveneens de opslag van metaalafval op het buitenterrein nader onderzocht te worden. Hiervoor zijn voorschriften in de vergunning opgenomen. In verband met de sanering van de VOCl-verontreiniging zal in de vergunning worden opgenomen dat na de sanering de nulsituatie ter plaatse opnieuw dient te worden vastgelegd. In de vergunning zal als referentieniveau de reeds uitgevoerde onderzoeken aangevuld met de nog te verrichten onderzoeken worden vastgelegd. 7. EXTERNE VEILIGHEID Brandveiligheid Op 1 november 2008 is het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken, kortweg het Gebruiksbesluit, in werking getreden.
Dit besluit geeft onder meer algemene regels voor het brandveilig gebruik van gebouwen, de opslag van stoffen die zowel brandgevaarlijke als milieugevaarlijk zijn in beperkte hoeveelheden en voor de brandveilige opslag van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, zoals hout of autobanden. De voorschriften van dit besluit zijn van toepassing op elk gebruik van een bouwwerk, en zijn rechtstreeks werkzaam. De belangrijkste voorschriften van het Gebruiksbesluit die op deze inrichting van toepassing zijn, zijn onder andere voorschriften ten aanzien van het gebruik en onderhoud van stookinstallaties, het verbod op roken en open vuur, en de aanwezigheid en het onderhoud van brandslanghaspels en blusmiddelen. Met betrekking tot onderwerpen waarin het Gebruiksbesluit reeds voorziet worden aan deze vergunning geen voorschriften verbonden. Opslag gevaarlijke stoffen in emballage Bij Artex BV worden gevaarlijke stoffen gebruikt en opgeslagen. In bijlage 2 van de toelichting op de aanvraag is een overzicht van de aanwezige grond- en hulpstoffen gegeven. Hierin zijn de hoeveelheden, opslaglocatie, ADR-klasse en gevaarsymbolen (Wms) van de stoffen aangegeven. Tevens is in tabel 5.10 van de toelichting op de aanvraag een overzicht gegeven van de aanwezige opslaglocaties, de hierin opgeslagen stoffen, het beschermingsniveau en de maximale hoeveelheden.
Op basis van de aanwezige stoffen (ADR klasse 3, 5, 8 en 9) en de
MB.09.12
pagina 52 van 98
hierbij horende maximale opslag dienen deze te worden opgeslagen in een opslagvoorziening die voldoet aan de richtlijn PGS 15. De opslagen zijn kleiner dan 10 ton opslag aan verpakte gevaarlijke stoffen. De niet gevaarlijke grond- en hulpstoffen, oliën en smeermiddelen hoeven niet in een speciale opslagvoorziening te worden opgeslagen. Ze zijn wel bodembedreigend. Opslag dient daarom boven een bodembeschermende voorziening plaats te vinden. De opslag van brandbare niet gevaarlijke stoffen dient te voldoen aan het Gebruiksbesluit. Opslag gasflessen Bij Artex BV vindt tevens opslag plaats van gassen in de TD (technische dienst) en in het laboratorium. Het betreft opslag van zuurstof, argon en krysal (maximaal 275 liter) in de TD en butaan (maximaal 1 kg) in het laboratorium. Gezien de hoeveelheid gassen in de TD dienen deze te worden opgeslagen in een opslagvoorziening die voldoet aan de richtlijn PGS 15. Naast hoofdstuk 3 is voor de opslag van gasflessen ook hoofdstuk 6 van deze richtlijn van toepassing. De voorschriften met betrekking tot de opslag van gassen zijn gebaseerd op genoemde hoofdstukken van PGS 15. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Op 27 oktober 2004 is het Besluit houdende milieukwaliteitseisen voor externe veiligheid van inrichtingen (Bevi) in werking getreden.
Tegelijkertijd is de daarop berustende Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) in werking getreden. In het Bevi worden kwaliteitseisen op het gebied van externe veiligheid gesteld in de vorm van grens- en/of richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Met deze waarden wordt een basisbeschermingsniveau geboden aan mensen die verblijven buiten een inrichting waarin gewerkt wordt met gevaarlijke stoffen. Deze waarden moeten ten minste op het in het besluit aangegeven tijdstip zijn bereikt. Daarnaast zijn in het Bevi zogeheten oriëntatiewaarden opgenomen ten aanzien van het groepsrisico. In artikel 2 van het Bevi zijn categorieën van inrichtingen aangewezen waarop het besluit van toepassing is. Artex BV behoort niet tot één van de aangewezen categorieën, zodat het Bevi niet van toepassing is.
8. LOZEN AFVALWATER De vergunningaanvraag is voor advies met betrekking tot het lozen van afvalwater voorgelegd aan waterschap Aa en Maas. Het advies is op 29 juni 2010 bij ons binnengekomen en in onderstaande tekst verwerkt. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. De Waterwet is van toepassing op lozingen die direct in het oppervlaktewater of de bodem plaatsvinden en lozingen direct op een rioolwaterzuiveringsinrichting (RWZI). Bij Artex wordt niet-verontreinigd hemelwater, afkomstig van daken en verhardingen geloosd op oppervlaktewater, zijnde een sloot gelegen ten zuidoosten van het terrein. In artikel 1.6 van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer is voor deze lozing vrijstelling verleend van het lozingsverbod van artikel 6.2 van de Waterwet. Met het in werking treden van de Waterwet is tevens de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ingetrokken. Alle indirecte lozingen (lozingen op rioolstelsels, vuilwaterriolen, hemelwaterriolen en ontwateringstelsels) vallen nu onder de Wet milieubeheer, en in sommige gevallen nog onder de Wet Bodembescherming, via het Lozingenbesluit bodembescherming. Voor indirecte lozingen waarvoor vóór het in werking treden van de Waterwet een vergunning in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren was verleend, worden de Wvo-voorschriften van rechtswege onderdeel van de Wm-vergunning.
Indien een aanvraag om een Wvo-vergunning in behandeling was
MB.09.12
pagina 53 van 98
vóór het in werking treden van de Waterwet, wordt de Wvo-vergunning direct na het verlenen ervan onderdeel van de Wm-vergunning. Artex BV heeft een Wvo-vergunning voor het lozen van afvalwater. Uit overleg met het Waterschap Aa en Maas blijkt dat Artex BV niet aan de lozingseisen zoals gesteld in de vigerende Wvo-vergunning (thans aangemerkt als Wm-vergunning) kan voldoen. Aangezien er geen aanvraag om aanpassing van de Wvo-vergunning in behandeling was en er wel wijzigingen van de Wvo-vergunning noodzakelijk zijn heeft Artex aanvullende gegevens verstrekt met betrekking tot de indirecte lozingen en verzoek om verruiming van de lozingsnormen. Barim In het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) is voor een aantal directe lozingen op oppervlaktewater of op een RWZI vrijstelling verleend van het lozingsverbod in de Waterwet. Voor vergunningplichtige type C inrichtingen gaat het onder meer om het lozen van hemelwater, huishoudelijk afvalwater en koelwater. Afvalwaterstromen Artex, indirecte lozingen Voor de productie van velours en vlakgeweven gordijnstoffen en alternatieve raambekledingsstoffen past Artex de volgende processen toe; weven, voorbehandelen, verven en drukken, en nabehandelingsprocessen als drogen, impregneren, coaten en fixeren. Bij deze processen komt afvalwater vrij dat geloosd wordt op de gemeentelijke riolering.
Het afvalwater bevat stoffen die nodig zijn bij de processen. Door de grote variatie aan eigenschappen en kleuren worden een groot aantal stoffen aan het proces toegevoegd waarvan ook een groot gedeelte met het afvalwater wordt geloosd. Naast het afvalwater dat vrijkomt bij de processen loost Artex de volgende afvalwaterstromen: regeneratiewater ontijzeringsinstallatie; regeneratiewater onthardingsinstallatie; ketelspuiwater; huishoudelijk afvalwater; niet verontreinigd regenwater; koelwater. Beleidsuitgangspunten Het dagelijks bestuur van waterschap Aa en Maas heeft in 2007 de volgende drie beleidsnotities vastgesteld. - Beleid Wvo-vergunningverlening; - Verdergaan dan BBT; - Doelmatige werking zuiveringstechnische werken. In de beleidsnotitie "Wvo-vergunningverlening" sluit het dagelijks bestuur, net als het Wm bevoegde gezag, aan op het landelijke vergunningbeleidskaders Regeling aanwijzing BBTdocumenten (waaronder BREF’s, CUWVO en CIW-nota's). Specifieke voor Artex van toepassing zijnde toetsingskaders Oplegnotitie BREF Textielindustrie Meten en bemonsteren van afvalwater Handboek Wvo-vergunningverlening Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water Lozingseisen Wvo-vergunningen
2007 maart 1998 mei 1999 mei 2000
NBW CIW/CUWVO CIW/CUWVO CIW
November 2005
NBW
In de beleidsnotitie "Verdergaan dan BBT" geeft het dagelijks bestuur aan dat zij voor bestaande lozingen vooralsnog afziet van de wettelijke mogelijkheid om ter bescherming van
MB.09.12
pagina 54 van 98
de waterkwaliteitsdoelstellingen van het ontvangende oppervlaktewater verdergaande maatregelen dan BBT te verlangen. Voor nieuwe lozingen zullen indien nodig wel verdergaande maatregelen dan BBT geëist worden dan wel zal de vergunning geweigerd worden. In de beleidsnotitie "Doelmatige werking zuiveringstechnische werken" zijn toetsingscriteria vastgesteld waaraan een indirecte lozing wordt getoetst om te beoordelen of de lozing geen negatieve invloed op de werking van de zuiveringstechnische werken heeft.
Relatie met Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Barim) De activiteiten en bijbehorende afvalwaterstromen die bij de Artex onder het Barim vallen betreffen: het lozen van hemelwater niet afkomstig van bodembeschermende voorzieningen (paragraaf 3.1.3.); het lozen van koelwater (paragraaf 3.1.5). In het besluit en de bijbehorende ministeriële regeling zijn algemene regels opgenomen met betrekking tot het lozen van hemelwater en koelwater. Deze regels zijn ook voor vergunningplichtige bedrijven rechtstreeks van toepassing. Aanvullend hierop kunnen in de vergunning maatwerkvoorschriften worden opgenomen. In het besluit (paragraaf 3.1.3.) is opgenomen: dat het lozen, bedoeld in het eerste lid, vindt slechts dan in een vuilwaterriool plaats, indien het lozen op of in de bodem, in een openbaar hemelwaterstelsel of in een oppervlaktewaterlichaam redelijkerwijs niet mogelijk is. Uit de aanvraag blijkt dat de gemeente Laarbeek en Artex overleg voeren over de mogelijkheden van verdergaand afkoppelen. Artex heeft circa 15 % van het hemelwaterstelsel afgekoppeld van het vuilwaterstelsel. Door het verder afkoppelen van het hemelwater zoals aangegeven in het plan van aanpak van Artex kan worden voldaan aan de gestelde regels. Minder hemelwater naar de RWZI leidt tot een beter beheersbaar zuiveringsproces.
Het verdergaand afkoppelen van regenwater zal echter niet tot waarneembare debietreductie tijdens regenval leiden. Gezien de rechtstreekse werking van het Barim kunnen in de vergunning uitsluitend aanvullende maatwerkvoorschriften worden opgenomen. In deze vergunning zijn voor de lozing van hemelwater geen aanvullende maatwerkvoorschriften opgenomen. De voorschriften uit het Barim voldoen voor deze situatie. In het besluit is in paragraaf 3.1.5 opgenomen dat koelwater slechts dan in een vuilwaterriool plaats vindt indien het lozen van dat koelwater in het oppervlaktewater of op het hemelwaterstelsel redelijkerwijs niet mogelijk is. Het koelwater wordt grotendeels hergebruikt (circa 85%) in het productieproces. Het overige koelwater circa 2250 m3/jaar wordt geloosd op de gemeentelijk riolering. Daarbij wordt gebruik gemaakt van opvangbuffers. Wanneer deze buffers volledig gevuld zijn kan lozing van koelwater plaatsvinden. Uit de aanvraag blijkt tevens dat lozing van koelwater op oppervlaktewaterlichaam, hemelwaterstelsel of lozing in de bodem redelijkerwijs niet mogelijk is. Op grond daarvan is lozing van koelwater op vuilwaterriool toelaatbaar en zijn in de vergunning daarvoor maatwerkvoorschriften opgenomen.
Toetsing aan beleidsuitgangspunten en overige overwegingen Toetsing stand der techniek In de BREF zijn een groot aantal BBT maatregelen genoemd. Aanvrager heeft beschreven welke maatregelen binnen Artex van toepassing zijn c.q. worden toegepast. Belangrijke onderdelen vormen hergebruik koelwater, goodhoudkeeping maatregelen om lozing van stoffen te verminderen, beleid gericht op toepassen van stoffen/preparaten met een minimale waterbezwaarlijkheid. Geconcludeerd wordt dat Artex aan BBT voldoet.
MB.09.12
pagina 55 van 98
Beoordeling grond- en hulpstoffen In de aanvraag is een stoffenlijst opgenomen die inzicht geeft in de waterbezwaarlijkheid van de stoffen en daarbij behorende saneringsinspanning. Gebleken is dat er 20 waterbezwaarlijke stoffen worden gebruikt waarvoor een saneringsinspanning A van toepassing is. Wanneer er sprake is van een saneringsinspanning A geldt in beginsel dat de verontreiniging door deze stoffen moet worden beëindigd. Er moet geprobeerd worden zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen. Voor bedrijven betekent dit dat proceskeuze en interne bedrijfsvoering hierop moeten worden afgestemd. Ook kan hierbij gedacht worden aan vervanging van deze stoffen door alternatieven die minder waterbezwaarlijk zijn van de gemelde stoffen. Uit de aanvraag blijkt dat Artex hiervoor geen beleid heeft vastgesteld. In de vergunning zijn daarom voorschriften opgenomen waarmee aanvrager uiteindelijk sanering van stoffen met saneringsinspanning A kan bereiken. Verder blijkt dat aanvrager beleid heeft vastgesteld om gebruik en lozing van nieuw toe te passen stoffen/preparaten met een saneringsinspanning A te beperken of te voorkomen. Voor bijzondere product- of productiespecifieke omstandigheden kan het gebruik en eventueel bijbehorende lozing van stoffen/preparaten met een saneringsinspanning A noodzakelijk zijn.
Om het gebruik en eventuele lozing van stoffen met een saneringsinspanning A voor deze bijzondere product- en/of productiespecifieke omstandigheden mogelijk te maken, is een voorschrift opgenomen dat voorziet in een aanvullende beoordeling c.q. instemming van het bevoegde gezag. Lozingsnormen In 2009 is vastgesteld dat de lozingsnormen, voor CZV en N-kj, uit de huidige Wvovergunning regelmatig werden overschreden. Naar aanleiding daarvan is een onderzoek gestart naar de oorzaak van de overschrijdingen en mogelijkheden tot sanering van de vuillast. Daarnaast is gevraag naar de mogelijkheden tot verruiming van de lozingsnormen. Uit dit onderzoek bleek onder andere dat de in 2001 gestelde lozingsnorm vanaf 2002 werd overschreden en dat het aantal overschrijdingen in de periode 2002 – 2009 verder toenam. Omdat het bedrijf voldoet aan BBT is het verdergaand saneren van de vuillast een maatregel die verder gaat dan BBT en daarmee niet afdwingbaar. Op grond van de twee voorgaande aspecten is een onderzoek uitgevoerd naar verruiming van de lozingsnormen waarbij gebruik is gemaakt van een door CIW ontwikkelde statistische methode. Daarbij wordt gebruik gemaakt van meetresultaten die door het bedrijf zijn aangeleverd. Op basis van deze gegevens is een lozingsnorm berekend.
Vervolgens is beoordeeld of deze hogere norm leidt tot nadelige gevolgen voor de doelmatige werking van de RWZI te AarleRixtel. Uit deze toetsing bleek dat er sprake is van bedrijfsafvalwater dat niet voldoet aan de optimale samenstelling van goed afbreekbaar afvalwater. De lozing van het bedrijfsafvalwater leidt echter niet tot een slecht afbreekbaar influent op de RWZI. Op grond daarvan kan worden ingestemd met de aangevraagde lozingsnorm. Dit is in de voorschriften opgenomen.
9. E-PRTR Het E-PRTR (European Pollutant Release Transfer Register) komt voort uit het Aarhus Verdrag voor openbaarheid van milieugegevens. Het voorziet in het opzetten van een openbaar register met gegevens over de emissies van schadelijke stoffen. De Europese PRTR verordening verplicht bepaalde bedrijven om gegevens te registreren en te rapporteren. Bij overschrijding van de drempelwaarden moeten deze bedrijven hun emissies naar water, lucht en bodem en afvalafvoer rapporteren aan hun bevoegd gezag. Het bevoegd gezag moet deze PRTR-rapportage beoordelen op tijdigheid, volledigheid, consistentie en geloofwaardigheid. In Nederland gebeurt de implementatie van E-PRTR door de Uitvoeringswet en het Uitvoeringsbesluit “EG-verordening PRTR en PRTR-protocol”. Hierin is onder meer het
MB.09.12
pagina 56 van 98
bevoegd gezag aangewezen en zijn de bijbehorende taken vastgelegd. Verder is opgenomen dat bedrijven moeten beschikken over een meet- en registratiesysteem om te kunnen rapporteren. Hierin moeten bedrijven de toegepaste meet - en registratiemethoden op bronniveau beschrijven. De activiteiten van Artex BV zijn in bijlage I van de Europese PRTR verordening genoemd onder nummer 9a installaties voor de behandeling (handeling zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van vezels of textiel. De daarbij genoemde capaciteitdrempel (verwerkingscapaciteit>10 ton/dag) wordt niet overschreden. De rapportageverplichtingen op grond van de PRTR-regelgeving zijn voor dit bedrijf niet van toepassing.
10. OVERIGE ASPECTEN Koelinstallaties De regelgeving voor de koudemiddelen CFK's, HCFK's en HFK's in koelinstallaties is verspreid over verschillende verordeningen, besluiten en ministeriële regelingen. Voor CFK’s en HCFK's zijn van toepassing het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen milieubeheer 2003 en de Regeling lekdichtheid koelinstallaties in de gebruiksfase 2006. Voor HFK’s is het Besluit gefluoreerde broeikasgassen milieubeheer van toepassing. Deze regelgeving is rechtstreeks van toepassing. Bij Artex BV zijn een aantal airco’s in gebruik en 1 waterkoeling. De airco’s zijn gevuld met R22 (14 stuks). Daarnaast is er een waterkoeling aanwezig die gevuld is met R22. Dit zijn HCFK’s, waarvoor het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 van toepassing is. Binnen de inrichting is ook een airco gevuld met R407 en 3 airco’s gevuld met R410 aanwezig, dit zijn HFK’s en vallen onder het Besluit broeikasgassen Wms. Beide besluiten zijn rechtstreeks werkzaam. Er hoeven dus geen voorschriften met betrekking tot de airco’s en koelinstallatie te worden opgenomen in onderhavige vergunning. Stookinstallaties Het Besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS) zijn eisen opgenomen voor de NOx-, SO2- en stofemissies van middelgrote stookinstallaties. In het Bems zijn voorschriften opgenomen met betrekking tot keuring en onderhoud.
Er geldt een keuringsplicht en als keuring uitwijst dat het nodig is, een onderhoudsplicht. Dit besluit heeft een rechtstreekse werking, er worden daarom geen voorschriften met betrekking tot de stookinstallaties opgenomen.
11. INGEBRACHTE ZIENSWIJZEN OP EERSTE BESCHIKKING In het kader van deze procedure is op 21 december 2009 reeds een ontwerpbeschikking gepubliceerd welke gedurende een periode van 6 weken ter inzage heeft gelegen. Naar aanleiding van de ontwerpbeschikking zijn schriftelijk zienswijzen ingekomen van omwonenden en Artex B.V. Deze zienswijzen zijn op 28 en 29 januari 2010 binnengekomen en derhalve tijdig ingediend. Zoals in de beschikking is uiteengezet is besloten een nieuw ontwerpbesluit ter inzage te leggen. De beoordeling van de zienswijze vindt plaats uit een oogpunt van zorgvuldigheid. Degene die zich niet kunnen verenigen met de reactie op de zienswijze, dienen nieuwe zienswijzen in te dienen. De zienswijzen luiden als volgt. Van Achmea rechtsbijstand met kenmerk R106102333 d.d.28 januari 2010 ingekomen op 29 januari 2010, namens: 1. mevrouw T.A.M. Harts, De Duivenakker 6, 5735 JA in Aarle-Rixtel; 2. de heer G.A. van den Bogaard, De Duivenakker 1, 5735 JA in Aarle-Rixtel. Feitelijke situatie en voorgeschiedenis
MB.09.12
pagina 57 van 98
De hier aan de orde zijnde inrichting van Artex B.V. ligt op korte afstand van de woningen met tuinen van mijn cliënten. Behalve de woningen van cliënten liggen er nog meer woningen in de naaste omgeving van deze inrichting. Cliënten ondervinden al vele jaren stank- en rookoverlast die wordt veroorzaakt door en afkomstig is van deze inrichting. Door de omwonenden is de afgelopen jaren regelmatig een verzoek bij de gemeente ingediend om handhavend op te treden. De gemeente Laarbeek zag echter geen reden om handhavend op te treden. Op 12 februari 2009 is een nieuw verzoek tot handhaving ingediend. Bij besluit van 18 maart 2009 laat u weten dat er geen reden is om handhavend op te treden. Hiertegen is bij brief van 27 april 2009 bezwaar gemaakt bij u. Tot op heden is geen beslissing genomen op dit bezwaar.
Reactie De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, tweede lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Daartoe zijn aan de vergunning voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken. In de aangevraagde situatie is een luchtzuiveringsinstallatie aanwezig waardoor stank- en rookoverlast zoveel mogelijk te voorkomen. Daarnaast zijn in de vergunning voorschriften opgenomen die een goede werking van de machines en zuiveringstechnische installaties borgen. Op basis van een klachtenregistratie heeft Artex met de toeleverancier overleg voor het toepassen van andere producten cq stoffen die geen klachten veroorzaken. Op basis van de voorschriften zal handhaving plaats vinden. Het al dan niet naleven van de voorschriften is geen aspect wat in deze vergunningsprocedure dient te worden beoordeeld. Wij achten de zienswijze ongegrond.
1.Toetsings-referentiekader Bij deze werkzaamheden is de vigerende (revisie)vergunning voor dit bedrijf, zoals door de gemeente Laarbeek op 12 juni 2002 verleend, als toetsings-/referentiekader gebruikt. Betreffende beschikking vormt namelijk de juridische grondslag en basis voor de bestaande activiteiten en installaties waaraan milieuruimte en bestaande rechten kunnen worden ontleend door het bedrijf Artex. Reactie De aanvraag, inclusief de daarbij behorende milieutechnische onderzoeken, overige bijlagen en aanvullende gegevens, is beoordeeld aan de hand van het toetsingskader zoals neergelegd in artikelen 8.8 tot en met 8.11 van de Wet milieubeheer. De beoordeling is uitgevoerd zoals verwoord in het beoordelingsverslag welke onderdeel uitmaakt van de ontwerpbeschikking. Bij de beoordeling van reeds vergunde activiteiten is rekening gehouden met bestaande rechten. Wij achten de zienswijze ongegrond. 2. Op blad 4 van de aanvraag staat bij de vermelding van de IPPC-categorie een opmerkelijk feit tussen haakjes. Gesteld wordt dat er geen oplosmiddelen toegepast worden. Deze passage is strijdig met de overige aanvraag en de daarop gebaseerde ontwerpbeschikking. Reactie Door Artex wordt bij het textieldrukproces met name verf en inkt op waterbasis gebruikt. Er worden binnen de inrichting wel oplosmiddelen gebruikt maar niet in grote hoeveelheden.
In het proces wordt het oplosmiddel isopropylalcohol (circa 852 liter/jaar) gebruikt en een oplosmiddel (plastwash B, circa 137 liter/jaar) voor het jaarlijks verwijderen van lijmresten van de drukbanden. De aanwezige en gebruikte stoffen zijn vermeld in bijlage 2 van de aanvraag. In de ontwerpbeschikking is rekening gehouden met de aangevraagde stoffen en
MB.09.12
pagina 58 van 98
de bijbehorende emissies naar de lucht. Ter verduidelijking is een extra stukje over VOSstoffen opgenomen in zowel considerans als voorschriften. De in de zienswijze gesuggereerde tegenstelling tussen aanvraag en vergunning mist feitelijke grondslag. Wij achten de zienswijze ongegrond. 3. Met betrekking tot de weergave van de bestaande vergunningen is geen compleet beeld gegeven van de Wvo-vergunningsituatie. In bijlage 15 van de aanvraag is namelijk ook nog een andere beschikking vermeld. Daar de inrichting is voorzien van een Wvo-vergunning, behoort het Waterschap te beoordelen of er invulling dient te worden gegeven aan de wettelijke coördinatieplicht tussen Wm en Wvo. Een dergelijke schriftelijke verklaring van het Wvo-bevoegd gezag ontbreekt aan de aanvraag. Reactie Op 5 januari 2007 is middels een wijzigingsbeschikking de geldigheidsduur van de vigerende vergunning van Artex BV zoals verleend op 1 oktober 2001 (kenmerk 0103097-10732 A.NW) verleend voor onbepaalde tijd en de saneringsdatum ten aanzien van het kleurstofhoudend spoelwater uit de vergunning verwijderd. Op basis van de aangevraagde wijzigingen en de aanwezige Wvo-vergunning en melding ingebruikname luchtzuivering concludeerden wij dat coördinatie met de Wvo-vergunning niet noodzakelijk was.
Uit recent overleg met het Waterschap Aa en Maas blijkt dat eind 2009 op basis van afvalwatercontroles geconstateerd is dat Artex niet kan voldoen aan de lozingseisen van de Wvo-vergunning. Hierdoor dient Artex nieuwe lozingsvoorschriften aan te vragen. Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Met het in werking treden van de Waterwet is de Wet verontreiniging oppervlaktewateren ingetrokken. Alle indirecte lozingen (lozingen op rioolstelsels, vuilwaterriolen, hemelwaterriolen en ontwateringstelsels) vallen nu onder de Wet milieubeheer, en in sommige gevallen nog onder de Wet Bodembescherming, via het Lozingenbesluit bodembescherming. Voor indirecte lozingen waarvoor vóór het in werking treden van de Waterwet een vergunning in het kader van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren was verleend, worden de Wvo-voorschriften van rechtswege onderdeel van de Wm-vergunning. Indien een aanvraag om een Wvo-vergunning in behandeling was vóór het in werking treden van de Waterwet, wordt de Wvo-vergunning direct na het verlenen ervan onderdeel van de Wm-vergunning. Aangezien hier geen aanvraag om aanpassing van de Wvo-vergunning in behandeling was en er wel wijzigingen van de Wvo-vergunning noodzakelijk zijn dient Artex aanvullende gegevens te verstrekken met betrekking tot de indirecte lozingen.
Op basis hiervan zal de vergunning worden aangevuld met een waterparagraaf indirecte lozingen en de daarbij horende voorschriften. Aangezien het een nieuwe aanvulling betreft op de vergunning is een nieuwe (tweede) ontwerpbeschikking opgesteld.
4. Daar het aspect ’water/lozingen’ een wezenlijk onderdeel vormt van de bedrijfsvoering en uit de Wm-aanvraag blijkt dat er zich ten opzichte van de vergunde situatie behoorlijke aanpassingen, uitbreidingen en wijzigingen hebben voorgedaan dan wel voordoen, zou invulling van betreffende wettelijke coördinatie tussen Wm en Wvo een logische stap zijn. Omdat de vigerende Wvo-vergunning is gebaseerd op verouderde beleidsstukken, de aard en hoeveelheid van de lozingen vanuit het bedrijf anders zijn ten opzichte van de destijds ingediende aanvraag waarop de vigerende Wvo-vergunning is verleend, toegepaste stoffen in het productieproces zijn/worden aangepast aan de hand van huidige inzichten en technieken en een onderzoek is verricht naar de afkoppeling van hemelwater, waarop het Waterschap nog niet heeft beschikt, zijn voldoende redenen om invulling te geven aan een gecoördineerde behandeling van het Wm- en Wvo-traject. Daar een verklaring vanuit het Waterschap niet is bijgevoegd aan de Wm-vergunning aanvraag, is niet op valide wijze invulling gegeven aan deze wettelijke verplichting.
MB.09.12
pagina 59 van 98
Reactie Zie reactie op punt 3. Door Artex dienen actuele gegevens voor de waterparagraaf aan te worden geleverd. Waterschap Aa en Maas zal als wettelijk adviseur de gegevens beoordelen en de bijbehorende voorschriften opstellen. Door Artex is inmiddels een gedeelte van het hemelwater afgekoppeld. Het betreft hierbij hemelwater afkomstig van het dak. Het hemelwater wordt geloosd op de nabijgelegen sloot ten oosten van het terrein. Artex is in overleg met de gemeente om het hemelwater nog verder af te koppelen. Het opleggen van afkoppeling van al het hemelwater achten wij om bedrijfseconomische redenen niet redelijk. 5. De niet-technische samenvatting van de aanvraag geeft een verkeerd beeld weer m.b.t. de (ir)relevantie van luchtemissies. In de beleving van de aanvrager/vergunninghouder zijn de in de tabel beschreven veranderingen niet relevant voor het milieuaspect luchtemissies. In (de aanvraag van) de vigerende vergunning d.d. 12 juni 2002 is echter expliciet door Artex aangegeven dat geen emissies plaatsvinden die vallen onder de NeR-richtlijn, geen oplosmiddelen worden gebruikt, geen lakemissies geschieden en het bedrijf geen geurhinder veroorzaakt.
Op basis van de thans voorliggende vergunningaanvraag, klachten vanuit de omgeving, de vastgestelde hedonische waarde van dit bedrijf en vrijkomende emissies naar de omgeving is er sprake van een volledig andere situatie dan waarvoor in het verleden vergunning is verleend. Er is kortom geen sprake van een bestaande situatie maar van een compleet, andere milieu impact veroorzaakt door Artex zoals geschetst in het verleden. De bedrijfsactiviteiten dienen op dit vlak derhalve te worden beschouwd als een (nieuwe) oprichtingssituatie en niet te worden beoordeeld en getoetst als een bestaande inrichting met een dekkende vergunning. Het bedrijf doet in haar aanvraag voorkomen dat de vrijkomende emissies al sinds jaren vrijkomen en men beschikt over bepaalde bestaande rechten. Deze zijn echter niet te herleiden c.q. vastgelegd in de vigerende vergunning uit 2002. Hoewel de nieuwe luchtbehandellngsinstallatie een positief effect zal hebben op de emissies (geur en lucht), leiden de bedrijfsactiviteiten van Artex bij verlening van de gevraagde revisievergunning tot een verslechtering van het milieu ten opzichte van de vergunde situatie.
Verzocht wordt om in de overwegingen bij het opstellen van de definitieve beschikking het bevoegd gezag te laten aangeven op welke wijze en met welke visie de vergunde rechten in relatie tot de ingediende vergunningaanvraag zijn betrokken bij besluitvorming. Reactie Het niet relevant zijn van de emissies genoemd in tabel 5.4 pagina 16 moet worden uitgelegd als zijnde dat de vracht van de betreffende stof de grensmassastroom zoals vastgelegd in de NeR niet overschrijdt. De concentratie-eis uit de NeR treedt pas in werking zodra de grensmassastroom wordt overschreden. Zoals in de aanvraag vermeld heeft ARTEX een luchtbehandelingsinstallatie voor het reinigen van de afgassen van de spanramen, daarnaast zijn het aantal emissiepunten teruggebracht van 6 naar 1 emissiepunt en is het emissiepunt verhoogd. In de NeR is opgenomen dat er sprake is van een nieuwe situatie als voor de eerste keer een milieuvergunning wordt gevraagd voor een bepaalde activiteit. Bij een bestaande situatie is een activiteit al eerder vergund geweest. In de vergunning van 2002 is in de considerans vastgesteld dat de bedrijfsvoering van Artex BV een geuremissie teweeg brengt met een acceptabele hinderniveau. Hiermee wordt impliciet ook emissie van geur vergund ondanks het ontbreken van voorschriften. Hierdoor is er dus sprake van een bestaande situatie.
Binnen de inrichting heeft een verschuiving van het productenpakket plaatsgevonden waardoor er onder andere meer blackoutproducten worden geproduceerd. Bij de productie van blackoutproducten worden coatinglagen over elkaar aangebracht. Het coaten is een bestaande vergunde activiteit. Met name bij de hogere temperaturen coaten ontstaan emissies die tot geuroverlast kunnen leiden. De overige productieprocessen zijn identiek of vergelijkbaar met de in de vigerende vergunning van 12 juni 2002 vastgelegde situatie. In de vigerende vergunning zijn geen normen opgenomen voor geuremissie. De geuremissie die bij de productie van blakoutproducten vrijkomt, is getoetst aan het in de NeR opgenomen geurbeleid. In het geuronderzoek van PRA Odournet BV d.d. 26 juni 2009 is op basis van de
MB.09.12
pagina 60 van 98
vastgestelde hedonische waarde een toetsingskader afgeleid. Met dit toetsingskader hebben wij ingestemd. Met behulp van verspreidingsmodel Kema Stacks versie 2009 zijn de immissiecontouren berekend. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan de voor Artex specifieke geurtoetsingskader. Door de verschuiving van de productie naar meer blackoutproducten vindt een toename plaats van emissies ten opzichte van de oude vergunde situatie. Door de plaatsing van een luchtbehandeIingsinstallatie wordt voldaan aan de emissie-eisen uit de NeR. Wij achten de zienswijze ongegrond. 6. Op pagina 3 van de toelichting op de aanvraag in de laatste zin en op pagina 7 in paragraaf 1.1 wordt vergunning gevraagd voor activiteiten voor zover uitdrukkelijk niet genoemd, die noodzakelijk zijn voor het goed verlopen van de wel beschreven activiteiten. Deze zinsnede is in strijd met het gestelde in de Wet milieubeheer en jurisprudentie. Vergunning kan en mag namelijk slechts verleend worden voor die activiteiten die aangevraagd zijn en als zodanig specifiek vermeld staan in het aanvraagdocument. De thans opgenomen passage biedt teveel vrijheden om mogelijkerwijs allerlei niet met naam genoemde activiteiten te scharen onder de bedrijfsvoering waarvoor vergunning zou kunnen worden/zijn verleend. Verzocht kan worden aan het bevoegd gezag vanwege deze passage in de beschikking hierover een uitspraak te doen.
Reactie Wij achten de zienswijze gegrond en zullen de volgende tekst opnemen in de considerans en dictum van de vergunning: Met betrekking tot het gestelde in paragraaf 1.1 op pagina 7 waarin vergunning wordt gevraagd voor activiteiten voor zover uitdrukkelijk niet genoemd die noodzakelijk zijn voor het goed verlopen van de wel beschreven activiteiten wordt het volgende overwogen. Er wordt alleen vergunning verleend voor de in de aanvraag opgenomen concreet benoemde activiteiten omdat hiervan de milieurelevantie is getoetst. Deze beperking wordt opgenomen in de beschikking. Controle hierop berust bij handhaving en valt buiten deze procedure. 7. Geadviseerd wordt om, in tegenstelling tot het gestelde daaromtrent in de ontwerpbeschikking, het overzicht grond- en hulpstoffen onderdeel te laten uitmaken van de vergunning. Betreffende stoffen worden namelijk gebruikt en toegepast in de productieprocessen en vormen daarmee de basis voor de daaruit voortvloeiende emissies/milieu-impact. Verzocht wordt om op dit aspect een heroverweging te maken en het overzicht grond- en hulpstoffen als bijlage 2 van de aanvraag wel onderdeel te laten vormen van de aanvraag en daarmee van de definitieve vergunning.
Aan de hand van een wijziging van een bepaalde stof kan namelijk een andere milieu-impact ontstaan vanuit de inrichting die als zodanig opnieuw in ogenschouw en beoordeeld dient te worden genomen op toepasbaarheid/vergunbaarheid in onderhavige situatie.
Reactie De door Artex gebruikte stoffen zijn afgestemd op de aangevraagde processen. In de aanvraag is de emissie van verschillende stoffen gebaseerd op metingen zoals uitgevoerd in 2004. De aard van de emissie is beoordeeld op basis van de toegepaste grondstoffen. In de aanvraag is aangegeven dat er ten opzichte van 2004 geen relevante wijzigingen in het grondstoffenverbruik zijn opgetreden. De emissie is gebaseerd op een verbruik van 800 ton chemicaliën waarvan circa 400 ton(voornamelijk acrylaten) ingezet wordt voor het black-out proces. Circa 240 ton (zoals alifatische/aromatische verbindingen) wordt ingezet voor andere processen. Circa 160 ton wordt ingezet voor producten die als niet geurbelastend worden geclassificeerd zoals kunstharsen, zuren, logen, antistatica, peroxiden e.d (pagina 18 aanvraag). Bij de inkoop van de stoffen is in het milieubeleid van Artex vastgelegd op welke aspecten de nieuwe stof beoordeeld dient te worden. Daarnaast vindt eerst op
MB.09.12
pagina 61 van 98
laboratoriumschaal een test plaats waarbij nieuwe chemicaliën gescreend worden op emissiebelastende componenten (pagina 18 aanvraag). Door bijlage 2 aan de vergunning te verbinden zal het bedrijf op een te groot detailniveau worden vastgelegd. Om controle uit te kunnen voeren over grondstoffenverbruik en mogelijke emissies op basis hiervan zal in de vergunning het volgende worden opgenomen. Met betrekking tot het geuraspect:’Het aantal uren van het gebruik van de spanramen (Santex, Bruckner nieuw en oud) dient te worden geregistreerd voor de processen met hoge emissie zoals:Black out 4e laag, coaten bij hoge temperatuur, Lumina 2e laag coaten bij hoge temperatuur crêpe coaten bij hoge temperatuur’. Het aantal uren wordt in de vergunning vastgelegd op maximaal 900 uren per jaar gebaseerd op het bij de aanvraag behorende bijlage 5 emissieonderzoek Artex, 2009. Daarnaast zal in de voorschriften een verplichting worden opgenomen voor registratie van het jaarlijkse grond- en hulpstoffenverbruik bij de spanramen en direct drukmachine. Tevens zal in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat een interne procedure dient te worden opgesteld waarbij geborgd wordt dat bij geurklachten terugkoppeling plaats vindt met de leverancier en aanpassing van de grond- respectievelijk hulpstoffen plaats vindt om de overlast te beperken.
Een overzicht van ontvangen klachten en de door Artex uitgevoerde acties hierop dienen jaarlijks aan het bevoegd gezag te worden overlegd. Wij achten de zienswijze gedeeltelijk gegrond. Door het toevoegen van de vermelde voorschriften is het opnemen van bijlage 2 als zijnde behorende bij de vergunning niet noodzakelijk. 8. In paragraaf 1.1 van de aanvraag wordt verzocht een vergunning op maat te verlenen/verkrijgen. Gezien de specifieke bedrijfsvoering van Artex, de inhoud van de thans voorliggende aanvraag en het ontbreken van een (gecertificeerd) milieuzorgsysteem wordt geadviseerd dit verzoek niet te honoreren. In de huidige (ontwerp)beschikking wordt aan dit verzoek geen aandacht besteed dan wel een passage gewijd in de considerans. Op dit moment biedt een vergunning op maat ons inziens onvoldoende (waar)borgen en is deze juridisch gezien niet geschikt gelet op de ingediende vergunningaanvraag van het bedrijf. Gevraagd wordt aan het bevoegd gezag daarover een expliciete uitspraak te doen bij definitieve besluitvorming. Reactie Wij achten de zienswijze gegrond. In de considerans zal het volgende stuk worden opgenomen: In paragraaf 1.1 van de aanvraag wordt verzocht een vergunning op maat te verlenen/verkrijgen.
Gezien de inhoud van de thans voorliggende aanvraag waarin het volgende aspect ontbreekt, een gecertificeerd ISO 14001 milieuzorgsysteem of EMAS, honoreren wij dit verzoek niet. Er wordt in de aanvraag niet voldaan aan de voorwaarden voor het afgeven van een vergunning op maat. Wij zijn dan ook van mening dat op dit moment een vergunning op maat ons inziens onvoldoende (waar)borgen biedt. De aan de vergunning verbonden voorschriften en opgenomen beperkingen bieden voldoende zekerheid om de milieugevolgen van de inrichting te reguleren. 9. In paragraaf 2.1 wordt verwezen naar de tekening waarop de inrichting is gesitueerd. Verzuimd is echter op betreffende tekening de inrichtingsgrens aan te geven. Naast de in paragraaf 2.2 vermelde I.v.b.-categorie valt Artex ook onder andere I.v.b.-categorieën. Verzuimd is deze te vermelden en te betrekken in de besluitvorming. Tenslotte geeft ook tabel 2.1 in paragraaf een incompleet beeld van in het verleden ingediende bescheiden. Ten opzichte van de aanvraag in 2007 zijn bv. Wvo-meldingen niet opgesomd. Door de omissie ontstaat een verkeerd beeld van de volledige vergunningsituatie en de samenhang tussen het Wm- en Wvo-regime. Reactie
MB.09.12
pagina 62 van 98
Op 13 oktober 2009 is de aanvraag aangevuld met een tekening (bijlage a) waarop de grens van de inrichting is aangegeven. De genoemde I.v.b-categorie waaronder Artex valt is de hoofdcategorie uit het I.v.b. waartoe de inrichting behoort. Een verdere opsomming van I.v.b.-categorieën is niet limitatief maar hoofdzaak is de conclusie dat de inrichting onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer valt. Het ontbreken van een verdere opsomming van mogelijk I.v.b- categorieën heeft dan ook geen invloed op de verdere besluitvorming. De vergunning is gebaseerd op de ingediende revisie aanvraag van 21-09-2009 welke nadien nog is aangevuld en niet op basis van de aanvraag van 2007. Wij achten de zienswijze ongegrond. Met betrekking tot Wvo zie zienswijze nummer 3. 10. In paragraaf 3.9 wordt een beschrijving gegeven van de proefproductie. Onvoldoende duidelijk is weergegeven wat deze activiteiten inhouden, waar deze binnen de inrichting plaatsvinden, welke milieu-impact en emissies daarmee worden veroorzaakt alsmede welke zuiveringstechnische voorzieningen/ technieken worden toegepast ter voorkoming/beperking van mogelijkerwijs optredende nadelige milieugevolgen. Daar dit inzicht ontbreekt, kan daardoor geen afgewogen en onderbouwd besluit op dit onderdeel zijn genomen.
Reactie De proefproductie vindt plaats op de aanwezige machines met bijbehorende zuiveringstechnische voorzieningen maar dan op kleinere schaal. De proefproductie vindt plaats binnen de in de vergunning opgenomen normen. Eventuele emissies dienen te voldoen aan de voorschriften van de vergunning en de hieraan verbonden aanvraag. Wij achten de zienswijze ongegrond. 11. M.b.t. de ondersteunende diensten/utilities is geen inzicht verschaft in de hoeveelheid verbruikt lasdraad, het type metaal waaraan gelast wordt alsmede welke emissiebeperkende/afvangende technieken zijn/worden toegepast in de afzuiging naar de buitenlucht. Evenmin is in de voorschriften m.b.t. laswerkzaamheden een eis opgelegd m.b.t. het laatstgenoemde aspect. Verzocht wordt om alsnog een aanvullend voorschrift daarvoor op te nemen. Ditzelfde geldt in principe ook voor de afzuiging ter plaatse van het laboratorium. Gelet op de aldaar plaatsvindende proeven is emissie niet uitgesloten. Aangegeven is dat er enkel afzuiging aanwezig is zonder enige emissiebeperkende/afvangende techniek. Verzocht wordt een aanvullende eis te stellen en dit aspect te beschouwen in de considerans. Ook voor de kantine zijn geen voorschriften gesteld aan de afzuiging, filterende technieken en afvangende voorzieningen in de vorm van een vetvanger.
Gelet op het aantal werknemers en het feit dat warme gerechten worden bereid, is dit aspect onvoldoende belicht in de aanvraag en ontwerpbeschikking. Reactie Lasactiviteiten In de considerans is op pagina 13 de beredenering opgenomen waarom er geen filter in de afzuiging vereist is. Er wordt circa een half uur per week met name staal (80%) en soms ook RVS (20%) gelast met een verbruik van circa 50 kg aan toevoegmateriaal op jaarbasis. De lasdampen worden aan de bron afgezogen. Op basis van de Praktijkrichtlijn lasrook is bij lassen van roestvast staal als incidentele activiteit (klasse V, VI en VII) en een verbruik van minder dan 200 kg toevoegmateriaal geen filtratie verplicht. In de vergunning zijn in hoofdstuk 11 voorschriften opgenomen dat het jaarlijkse verbruik van toevoegmateriaal dient te worden geregistreerd. Gezien de duur van de activiteiten achten wij dit voldoende om de bescherming van het milieu te waarborgen. Wij achten de zienswijze ongegrond. Laboratorium In het laboratorium worden proeven gedaan ter ondersteuning van de kwaliteitsdienst en ontwikkeling. Er worden o.a. brandproeven op stukjes stof van circa 25x15 cm uitgevoerd. Dit
MB.09.12
pagina 63 van 98
vindt circa 1 x per week plaats. Daarnaast vinden er dagelijks coatingproeven, uitvervingen, lichtechtheden en finishproeven plaats. Er is een afzuiging aanwezig. Op basis van aanvullende gegevens blijkt dat het jaarverbruik van stoffen in het laboratorium circa 1500 kg pasta, 500 kg binders, 50 kg verdikker, 50 kg impregneerbaden en 10 kg kleurstoffen/pigmenten bedraagt. Gezien de omvang van de activiteiten vinden wij het niet noodzakelijk dat er emissiemetingen plaats dienen te vinden wel zullen er algemene voorschriften worden opgenomen. Wij achten de zienswijze gegrond en zullen hiervoor extra voorschriften opnemen. Kantine In de kantine van Artex worden warme maaltijden bereid. Wij achten de zienswijze gegrond en nemen hiervoor het volgende voorschrift op. Voorschrift kantine De dampen die vrijkomen in de keuken ten behoeve van de kantine dienen te worden afgezogen en voordat zij in de buitenlucht worden afgevoerd, geleid door een doelmatig verwisselbaar of reinigbaar vetvangend filter. Het filter dient zo vaak als noodzakelijk te worden vervangen of gereinigd zodat de goede werking ervan geborgd blijft. 12. Op pagina 15 wordt niet dan wel op een summiere wijze inzicht verschaft in het aspect trillingen. Er wordt verwezen naar een oud onderzoek uit 1994 wat is gebaseerd is op inmiddels vervallen DIN normen en KB-waarden.
Voorts komt de in de aanvraag beschreven situatie niet meer overeen met de destijds aangevraagde en vergunde situatie. Ten opzichte van de vergunde situatie is bijvoorbeeld het aantal weefmachines vermeerderd. Daarnaast heeft de gemeente verzuimd onderbouwd en gedegen te onderzoeken in hoeverre de in de ontwerpbeschikking opgenomen voorschriften m.b.t. dit aspect naleefbaar en concreet toegesneden zijn voor dit bedrijf. Het op een dergelijke wijze vergunnen zonder deugdelijke motivatie en zonder daarbij invulling te hebben gegeven aan de onderzoeksverplichting op dit gebied is op grond van vaste jurisprudentie van de Raad van State niet toegestaan. Reactie Uit de aanvraag blijkt (pagina 2) dat er een uitbreiding is met twee nieuwe weefgetouwen, een fixeerunit en een boomverfapparaat. Met name het aantal weefgetouwen kan van invloed zijn op de trillingshinder. Ten opzichte van 1994 (ten tijde van het trillingsonderzoek) is het aantal weefgetouwen teruggebracht van 130 stuks naar 13 stuks nu. Er zijn trillingsdempende maatregelen getroffen in de vorm van luchtkussens. De meest gevoelige woning (punt 1 bijlage 1) voor trillingshinder is afgebroken. Op deze plaats mogen in de toekomst geen nieuwe woningen meer gebouwd worden. Er zijn de afgelopen jaren geen klachten over trillingshinder door omwonenden bij ons of bij Artex gemeld.
Ook tijdens een laatste bijeenkomst met direct omwonenden is dit aspect besproken en is aangegeven dat er geen sprake is van trillinghinder. Op basis van deze gegevens verwachten wij dat er geen trillingshinder zal ontstaan en achten wij het niet noodzakelijk dat er een trillingsonderzoek wordt uitgevoerd. In de vergunning is ter bescherming van de omgeving een voorschrift met trillingsnorm opgenomen.
13. In paragraaf 5.3.1 wordt gesteld dat voor verbrandingsemissies het BEES geldt. Dit is echter afhankelijk van het vermogen van stookinstallaties, type brandstof, vervanging brander en toepassingsgebied. Uit de aanvraag valt niet te herleiden welke installaties onder dit rechtstreeks werkend besluit vallen. In de considerans wordt enkel de stoomketel vermeld. In de bescheiden vanuit de vergunningaanvraag valt echter niet te herleiden welke normstelling van toepassing is op betreffende installatie. Deze is namelijk afhankelijk van het jaar van de installatie en de vergunning. Wanneer de vigerende vergunning uit 2002 het toetsingskader
MB.09.12
pagina 64 van 98
vormt, voldoet de in de aanvraag vermelde emissie van de stoomketel niet aan de gestelde emissie uit het BEES. In dat geval mag namelijk slechts NOx 70 mg/m3 bedragen. Reactie De brander is in 1992 gebouwd en in 1994 opgenomen in de milieuvergunning. Voor de gasgestookte ketel geldt een basisemissie-eis voor NOx van 100 mg/m3. De indicatieve gemeten NOx-emissie bedraagt 72 mg/m3. De NOx-emissie voldoet aan Bees B. Bij vervanging van de brander geldt een NOx-emissie eis tot aan 70 mg/m3. Op 1 april 2010 is het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer (BEMS) van kracht geworden. De stoomketel met een vermogen van circa 7 MW valt ook onder dit besluit. Hierin is opgenomen dat een bestaande stookinstallatie voldoet aan de emissiegrenswaarden die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit voor die installatie golden ingevolge het BEES B. Vanaf 1 januari 2017 dient de stookinstallatie te voldoen aan een emissiegrenswaarde van 70 mg/m3 voor NOx. Dit besluit heeft een rechtstreekse werking, er worden daarom geen voorschriften met betrekking tot de stoomketel opgenomen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 14. Op basis van de vigerende vergunning uit 2002 mag Artex niet meer qua stof emitteren dan 10 mg/m3. De in de aanvraag beschreven installatie is echter geen bestaande installatie maar een nieuwe.
Deze nieuwe installatie blijkt qua emissieconcentratie een niet veel beter rendement te hebben dan de oude (6,7 ten opzichte van 6,9 mg/m3). In de considerans van de ontwerpbeschikking wordt onderkend dat betreffende emissie heeft geleid tot een aantal gegronde klachten. Artex heeft in 2007 ervoor gekozen om een nieuwe installatie te plaatsen zonder daarvoor vooraf vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Middels onderhavige aanvraag wil men deze (nieuwe) installatie alsnog vergund/gelegaliseerd krijgen. Betreffende installatie zou geen filterende afscheider zijn in de zin van de NeR. Artex beroept zich erop dat het plaatsen van een filterende afscheider niet mogelijk is in hun bedrijfsvoering. In het in bijlage 6 opgenomen rapport van Odournet, waarin de mogelijkheden voor verdere verbetering van de geurimmissie rond Artex worden beschouwd, wordt hiervoor een onderbouwing geschetst. Alternatieven, waarvan in betreffende rapportage enkel vanuit kostenoogpunt of vanwege inzet bij nieuwe situaties de mogelijke toepasbaarheid niet haalbaar wordt geacht, zijn echter wel in principe toepasbaar bij Artex. Dit betreffen de naverbranding en een warmtewisselaar. De techniek 'warmtewisselaar, natte wasser en electrofilter' wordt zelf in het BREF en de rapportage van Odournet met toenaam als combinatie aangehaald.
Ons inziens zijn er dus wel degelijk aanvullende maatregelen te treffen naast de reeds toegepaste nieuwe installatie die door Artex op eigen risico en kosten zonder een daarvoor verkregen vergunning is geplaatst. Dit zal in ieder geval leiden tot een verbetering van de geur- en (stof)emissieproblematiek bij Artex. De gemeente heeft nagelaten dit nader te (laten) onderzoeken. Het geschetste kostenaspect is overigens een element wat niet als zodanig integraal door het bevoegd gezag behoeft te worden betrokken bij de beslissing op de aanvraag. In artikel 8.10, lid 2a Wm wordt namelijk enkel het aspect 'voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken' aangehaald. Het valide toepassen van BBT kan en mag hierbij leiden tot lagere emissie-eisen ongeacht een financiële afweging in deze. Reactie Het rendement van de luchtbehandelingsinstallatie bedraagt gemiddeld 5,6 mg/m3 in plaats van in bovengenoemde zienswijze genoemde 6,9 mg/m3 (bijlage 5 van de aanvraag) en is dus ten opzichte van de oude installatie wel een verbetering. De luchtbehandeIingsinstallatie wordt als nieuwe installatie beschouwd. In de NeR zijn voor de emissie van stof/aërosolen emissie-eisen (categorie S) opgenomen. Hierin wordt onderscheid gemaakt in emissie-eisen waarbij filterende afscheiders worden toegepast.
De hier toegepaste luchtbehandeIingsinstallatie wordt in de NeR niet beschouwd als een filterende afscheider. De emissie van stof/aërosolen is dan ook getoetst aan de daarbij behorende emissie-eis. Het in bijlage 6 opgenomen rapport van Odournet d.d. 2 juni 2009 betreft een onderzoek naar
MB.09.12
pagina 65 van 98
mogelijke maatregelen om de geurimmisie verder te verbeteren. Het onderzoek is gebaseerd op de in de BREF voor de textielindustrie opgenomen technieken die als BBT kunnen worden beschouwd. De luchtbehandeIingsinstallatie (gaswasser in combinatie met elektrostatisch filter) zoals die bij Artex is toegepast voldoet hieraan. Het toevoegen van een warmtewisselaar aan de luchtbehandeIingsinstallatie is in hoofdzaak bedoeld om de warmte terug te winnen. Als bijkomend effect kan een warmtewisselaar voor een deel bijdrage aan geurreductie. Bij overwegingen of een warmte wisselaar dient te worden toegepast dienen aspecten als kosten en mogelijke integreerbaarheid in de bestaande installatie te worden overwogen. Op basis van de BREF kan geconcludeerd worden dat de toegepaste techniek van luchtwassing in combinatie met een elektrostatisch filter als BBT bij Artex kan worden beschouwd. 15. Met betrekking tot de in voorschrift 10.2.1 opgenomen normstelling wordt volledig voorbij gegaan aan de vigerende norm van 10 mg/m3 zoals opgenomen in voorschrift 5.1.1 verbonden aan de vigerende vergunning van 2002. De thans gestelde eis leidt tot een ongewenste versoepeling van de normstelling temeer daar uit de bij de aanvraag gevoegde milieutechnische rapporten blijkt dat de emissie ruim onder de normstelling ligt.
Voorts vermeld voetnoot 3 onder tabel 4 op pagina 16 van de vergunningaanvraag dat m.b.t. stof/ aërosolen een concentratie van 20 mg/Nm3 wordt aangevraagd. Gezien het principe dat er niet meer vergund mag worden dan is aangevraagd, is de ontwerpbeschikking hiermee strijdig. Verzocht wordt een heroverweging te maken mede daar de lucht- en geuremissie van dit bedrijf voor de directe omgeving en omwonenden tot klachten en een ongewenste milieubelasting leiden. Reactie In onderhavige beschikking is in voorschrift 10.2.1 opgenomen dat de emissie van stof/aërosolen niet meer mag bedragen dan 50 mg/m03 terwijl vergunning wordt gevraagd voor een concentratie van 20 mg/m03. Uit het emissieonderzoek van Odournet d.d. 26 juni 2009 blijkt dat de emissie 5,6 mg/m3 bedraagt. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de emissie-eis. Hiermee wordt meer emissie ruimte gegeven dan noodzakelijk. Het voorschrift 10.2.1 wordt als volgt aangepast: ‘De emissieconcentratie van stof/aërosolen (klasse S), mag na de luchtzuiveringsinstallatie bij een emissievracht van 0,2 kilogram per uur of minder niet meer bedragen dan 10 mg/m03.’ Wij achten de zienswijze gegrond. 16 Voorts zijn in de ontwerpbeschikking geen valide meet- en controleverplichtingen alsmede concrete controle-instrumenten op de goede werking van installaties opgenomen zoals vermeld in de NeR.
In deze regeling staat namelijk vermeld dat het nodig is om emissies te bewaken en controleren als in een vergunning emissie-eisen op basis van de NeR zijn opgenomen. Onder controleren van emissies wordt de beoordeling verstaan van de emissies, op basis van metingen, het bewaken van emissie relevante parameters of het functioneren van emissiebeperkende voorzieningen. In de overwegingen van de considerans is dit aspect niet volledig in ogenschouw genomen en evenmin zijn hieraan voorschriften verbonden. Overeenkomstig paragraaf 3.7 van de NeR wordt verzocht dit aspect beter/aanvullend te borgen in de beschikking. Thans wordt enkel m.b.t. de uitworp van koolwaterstoffen en benzeen een meetplan voorgeschreven waarin de vergunninghouder de vrijheid wordt gegeven om hierin meetfrequenties en -methoden voor te stellen. Ingevolge de NeR geldt voor het gehele pallet aan emissies (incl. stof/aërosolen) echter een (periodieke) controlevorm. Voorts wordt in voorschrift 10.5.2 aan Artex meer dan 3 jaar respijt gegeven om invulling te geven aan een periodieke geurmeting.
Deze overgangstermijn is te ruim gesteld, biedt hierdoor voor de omgeving en het milieu geen (waar)borgen op korte termijn, is gezien het klachtenpatroon onaanvaardbaar vrijblijvend en geeft het bedrijf te veel ruimte en vrijheden om gedurende de komende jaren geen invulling te hoeven geven aan meet- en controleverplichtingen op het gebied van geur. Gezien de in de aanvraag vermelde wisselende procesomstandigheden en de tot op heden in de praktijk niet bewezen betrouwbaarheid van
MB.09.12
pagina 66 van 98
de toegepaste techniek wordt geadviseerd de zwaarste controleverplichting (continue metingen) te verbinden aan de beschikking op zowel het vlak van lucht- als geuremissies. Wanneer betreffende verplichting wordt gesteld, is betrekkelijk eenvoudig te herleiden cq. te analyseren in geval van klachten en/of onvoorziene dan wel onverklaarbare emissies (zoals deze zich in het verleden en thans voordoen) wat op enig moment tijdens de procesgang is geïmiteerd en geëmitteerd. In vorige aanvragen werden een data-logger en een signaleringssysteem bij de luchtbehandelingsinstallatie vermeld. Deze zijn thans niet opgenomen in de vergunningaanvraag. Betreffende systemen kunnen echter wel leiden tot meer inzicht in het (dis)functioneren van een installatie. Reactie De emissie van stof/aërosolen betreft een beperkte emissie (emissievracht < 0,2 kg/uur) waarvoor op basis van de NeR geen meetverplichting opgenomen hoeft te worden. In dit geval wordt het onderhoud en inspectie van de voorzieningen afdoende geacht om de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie te waarborgen. Het onderhoud en inspectie dient in een logboek te worden vastgelegd. In het emissieonderzoek van 26 juni 2009 zijn uitsluitend emissiemetingen verricht naar de emissie van stof/aërosolen bij de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie. Voor de overige emissies wordt verwezen naar het emissieonderzoek van 26 maart 2004.
De metingen zijn uitgevoerd bij de oude luchtbehandelingsinstallatie. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen om de emissie van koolwaterstoffen en benzeen bij de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie te bepalen. Benzeen is een stof waarvoor een minimalisatieverplichting in de NeR is opgenomen. In de voorschriften is een meetverplichting opgenomen voor de emissie van benzeen. Voorafgaand aan de meting dient een meetplan te worden overgelegd. In het meetplan moet de vergunninghouder invulling geven van de meetfrequentie en meetmethode die tijdens de meting wordt toegepast. Dit meetplan dient te worden goedgekeurd door het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag heeft hiermee voldoende controle over de wijze over de inhoud van het meetplan. Ten aanzien van de geuremissie kan het volgende worden opgemerkt. De emissie is sterk afhankelijk van de combinatie van processen die er op dat moment plaatsvinden. Er is geen sprake van een emissiesituatie, die als representatief kan worden beschouwd. In het onderzoek zijn om die reden 2 productsituaties beoordeeld, productieproces met een verhoogde emissie en normale emissie. Door verspreidingsberekeningen is de geurimmissie concentratie vastgesteld. In het geuronderzoek is voldoende aangetoond dat voldaan kan worden aan de geurnormering. De voorschriften waarin de meetverplichting is opgenomen kunnen vervallen.
Ten aanzien van de klachten zullen voorschriften worden opgenomen dat de klachten dienen te worden geregistreerd en jaarlijks onderzoek moet worden uitgevoerd naar de oorzaak en mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen.
17/93 Daarnaast is in vergunningvoorschrift 10.1.4 op onvoldoende wijze het onderhoud en inspectie vastgelegd. Uit specificatie van de leverancier of informatie van een vergelijkbare installatie kan dit worden afgeleid. Voorgesteld wordt om de termen 'periodiek' en 'regelmatig' te concretiseren. Ook is de aard en frequentie van betreffende werkzaamheden niet geconcretiseerd geborgd. Reactie In voorschrift 10.1.4 is opgenomen dat de luchtbehandelingsinstallatie periodiek moet worden geïnspecteerd en regelmatig moet worden schoongemaakt. Hiermee wordt de vergunninghouder vrij gelaten om hier verder invulling aan te geven. Om de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie te waarborgen is het van belang dat de installatie wordt geïnspecteerd en onderhouden. In aanvullende informatie heeft Artex aangegeven dat er twee
MB.09.12
pagina 67 van 98
reinigingsmomenten zijn om het rendement van de installatie te borgen. Het eerste reinigingsmoment vindt automatisch gedurende het proces plaats. Het tweede reinigingsmoment bestaat uit reiniging van de filters en sproeiers vindt vierwekelijks plaats op een zaterdag. De onderhoud/reinigingswerkzaamheden en eventuele afwijkingen worden in het logboek vastgelegd. Het voorschrift 10.1.4 wordt als volgt gewijzigd: ‘Een nageschakelde techniek (gaswasser, elektrostatische filter) dient steeds in goede staat van onderhoud te verkeren, en ten minste 1 keer per vier weken of vaker als daartoe aanleiding is voor een goede werking van de installatie, te worden geïnspecteerd en te worden schoongemaakt. Van de onderhoud/reinigingswerkzaamheden dient een logboek te worden bijgehouden. Zie tevens zienswijze 93. Wij achten de zienswijze gegrond. 18 In de ontwerpbeschikking is verzuimd een minimale snelheid van de uittredende afgassen uit de schoorsteen op te nemen als voorschrift. Gezien de klachten en overlegde foto's vanuit de omgeving omwonenden, dat bij bepaalde omstandigheden pluimval optreedt, is dit een element dat een nader onderzoek en onderbouwing behoeft. Reactie Om afdoende verspreiding van de gassen te waarborgen wordt een voorschrift opgenomen waarin de minimale snelheid van de uittredende afgassen is opgenomen.