18 20211014 Vigende milieuvergunning Artex 16-11-2010.pdf
Tekst van het document
Aan paragraaf 1.1 wordt het volgende voorschrift toegevoegd: ‘De snelheid waarmee de gereinigde afgassen uit de uitmonding van de afvoerleiding treden, moet ten minste 10 m/s zijn en mag niet meer bedragen dan 15 m/s. Wij achten de zienswijze gegrond.
19. Het in de ontwerpbeschikking opgenomen voorschrift 10.1.5 doet suggereren dat bij onderhoud of storingen van een nageschakelde techniek wanneer niet aan de emissie-eisen kan worden voldaan, op een andere wijze mag worden geëmitteerd zolang dit maar niet geschiedt via betreffende installatie. Dit kan ertoe leiden dat een onbeheersbare en/of ongefilterde emissie rechtstreeks op de buitenlucht in die gevallen niet verboden zou zijn. Dit kan niet de intentie zijn van het voorschrift. Verzocht wordt dit voorschrift te redigeren door te stellen dat in die gevallen de aan de nageschakelde techniek verbonden installaties en processen niet in werking mogen zijn. Met een productiestop wordt namelijk geen inbreuk gedaan op de bedrijfsvoering van Artex omdat men op pagina 17 van de aanvraag stelt dat er een koppeling is tussen beide installaties. Reactie Met voorschrift 10.1.5 is niet bedoeld dat bij onderhoud of storing van de nageschakelde techniek de ongereinigde emissie rechtstreeks op de buitenlucht mogen worden geëmitteerd. Het onderhoud kan buiten de productietijd plaatsvinden op zaterdagmiddag of op zondag. De bijpass schoorstenen zijn niet bedoeld om ongereinigde emissies te emitteren. De bypass schoorstenen worden gebruikt om een veilige afvoer van emissies(verbrandingsgassen, aardgas) die ontstaan bij de afregeling van de installaties te waarborgen.
De voorschriften zullen hierop worden aangepast. 20. Voetnoot 4 op pagina 17 van de aanvraag doet overigens afbreuk aan het gebruik van de luchtbehandeIingsinstallatie en het gestelde in paragraaf 5.3.4 dat bij uitval van de afgasbehandelingsinstallatie de spanramen afschakelen. Hiermee wordt een escape ingebouwd om in geval van noodgevallen toch een onbehandelde emissie per installatie ongezuiverd te kunnen laten plaatsvinden. Wat wordt verstaan onder 'noodgevallen', hoe lang gaat zo'n ongecontroleerde emissie plaatsvinden en welke stoffen worden al dan niet ongezuiverd geëmitteerd? Vragen die door de aanvrager niet beantwoord zijn. Geadviseerd wordt om voor betreffende uitzondering geen vergunning te verlenen en dergelijke
MB.09.12
pagina 68 van 98
noodgevallen niet toe te staan. Vooralsnog is een saneringstermijn van 6 maanden na het van kracht worden van de vergunning in voorschrift 10.1.2 opgenomen. Deze termijn wordt niet wenselijk geacht omdat een ongezuiverde emissie naar de buitenlucht niet gewenst wordt geacht gezien de klachten van omwonenden, het van kracht worden van de milieuvergunning afhankelijk is gesteld van verlening van een nog in procedure zijnde bouwaanvraag (van inmiddels zo'n 3 jaar oud) en het onzekere tijdstip van het tot stand komen/het van kracht worden van de thans gevraagde milieuvergunning indien mocht blijken dat na een eventuele beroepsprocedure deze beschikking geen stand houdt. Voorgesteld wordt voorschrift 10.1.2 hierop aan te passen. Reactie Zoals onder punt 19 is aangegeven zijn de schoorstenen niet bedoeld om ongereinigde emissies te emitteren op de buitenlucht, in het geval de luchtbehandelingsinstallatie ten gevolge van onderhoud en reparatie voor langere tijd stil ligt. Dit betekent dat in het geval de luchtzuiveringsinstallatie buiten gebruik is gesteld, geen productieprocessen mogen plaatsvinden. Dit zal in de voorschriften worden aangepast. 21 M.b.t. het aspect geur wordt zowel in de aanvraag/miIieutechnische onderzoeken als in de considerans ervan uitgegaan dat er sprake is van een bestaande situatie. In onderhavig geval is hiervan echter geen sprake.
De beschouwde bronnen alsmede emissies zijn niet middels een vigerende vergunning krachtens de Wet milieubeheer gedekt. Kortom, er is sprake van een nieuwe bron/situatie. Dit impliceert dat er sprake is van een ander toetsingskader en ook andere en nadere overwegingen in acht moeten worden genomen. In de considerans is daarnaast evenmin aandacht besteed aan het klachtenpatroon, andere informatie over de hinder en mogelijke emissies en de aanwezigheid van lokaal geurbeleid. De overwegingen zijn volledig geënt op de door de aanvrager verstrekte informatie en overlegde onderzoeken. Daarnaast onderschrijven wij niet de conclusie van de gemeente op pagina 15 van de considerans waarin men stelt dat de geurimmissie naar de omgeving ten opzichte van de vergunde situatie is afgenomen. De vigerende vergunning spreekt namelijk niet van enkele immissie op dit gebied en evenmin zijn daaraan op dat vlak (logischerwijs) voorschriften verbonden. Overigens spreekt de gemeente in die laatste zin zichzelf tegen daar men onderkent dat er sprake is van een nieuwe installatie/situatie. Kortom, men mag en kan niet deze situatie niet beschouwen als bestaand! Door het ontbreken van het inzicht op een lokaal geurbeleid, is ook niet duidelijk op basis waarvan de gemeente het toetsingskader heeft vastgesteld.
Wanneer men de aard van de geur (hinderlijk) relateert aan de gebiedscategorie (wonen) en dit beschouwt aan vergelijkbare beleidsregels vanuit o.a. provincie Gelderland dan wordt bv. voor de grenswaarde 1,5 en de richtwaarde 0,5 gehanteerd. Deze waarden liggen aanmerkelijk lager dan het door de gemeente Laarbeek niet onderbouwde toetsingskader. Verzocht dient te worden het lokaal geurbeleid te betrekken bij onderhavige besluitvorming, de geurrelevante bronnen te beschouwen als nieuwe situatie, het klachtenpatroon vanuit de omgeving nadrukkelijk te betrekken in de overwegingen bij besluitvorming, het toetsingskader te heroverwegen en de aan de ontwerpbeschikking verbonden normering qua geur aan te passen. Reactie In de vergunning van 2002 is in de considerans vastgesteld dat de bedrijfsvoering van Artex BV een geuremissie teweeg brengt met een acceptabele hinderniveau. Hiermee wordt impliciet ook emissie van geur vergund ondanks het ontbreken van voorschriften. Hierdoor is er dus sprake van een bestaande situatie. Zoals ook al eerder is aangegeven is de geuremissie getoetst aan het geurbeleid zoals is vastgelegd in een brief van het ministerie van VROM d.d. juni 1995. Op basis van dit geurbeleid dient bij nieuwe situaties nieuwe hinder te worden voorkomen. Er is echter geen algemene norm vastgelegd voor nieuwe inrichtingen.
Door het bevoegd gezag is geen geurbeleid (hoe om te gaan met geurhinder en geurnormering bij industriële bedrijven)
MB.09.12
pagina 69 van 98
vastgesteld. Aangezien ook in de NeR geen bijzondere regeling is opgenomen voor de textielindustrie, moet het bevoegd gezag op basis van het algemene geurbeleid een afweging maken tussen de hinder, de belangen van de inrichting en de omgeving. In het onderzoek van Odournet d.d. 26 juni 2009 wordt een toetsingskader voorgesteld dat op basis van de hedonische waarde is bepaald. Met deze methode wordt inzicht verkregen in de grens waar hinder optreedt. Met de wijze waarop de hedonische waarde is vastgesteld hebben wij ingestemd. Tevens hebben wij ingestemd met het voorgestelde toetsingskader. In het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt in de grenswaarde, de richtwaarde en de piekimissienorm. De grenswaarde is te omschrijven als het plafond van hinder die als acceptabel kan worden aangemerkt. De richtwaarde kan worden beschouwd als een niveau van redelijke hinder. Uit het onderzoek blijkt dat de berekeningsresultaten van de verspreidingsberekeningen voldoen aan de voorgestelde richtwaarde. Aangezien in het geuronderzoek wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de richtwaarde, wordt de richtwaarde als immissienorm in de voorschriften vastgelegd. Wij achten de zienswijze ongegrond. 22 In de huidige aanvraag is in tegenstelling tot de vergunningaanvraag d.d. 4 oktober 2007 geen aandacht geschonken aan het aspect en de ontwikkeling in de minimalisatie van de NH3 concentratie.
Daar dit van invloed kan zijn op de hoeveelheid toegepaste ammoniumstearaat, wat een belangrijke component van de rookvormende verbindingen, is dit een element dat nadere toelichting behoeft. Dit aspect is mede van belang omdat vanuit de omgeving aantoonbare rookpluimen zijn gesignaleerd. Omtrent de ontwikkeling en het beperken/voorkomen van rook zijn aan de vergunning evenmin (afdoende en handhaafbare) eisen gesteld. Dit milieuaspect is daarmee onvoldoende geborgd. Reactie In onderhavige aanvraag wordt aangegeven dat bij de spanramen een emissie van ammoniak NH3 plaatsvindt. De emissie van NH3 valt in klasse gA3 van de NeR. Voor klasse gA3 geldt bij een emissievracht van 150 gram/uur of meer een emissie-eis 30 mg/m03. Hierbij wordt verwezen naar de rapportage van het emissieonderzoek van 26 maart 2004. In het emissieonderzoek zijn geen metingen uitgevoerd naar de emissie van ammoniak. Wij zijn van mening dat een controlemeting uitgevoerd dient te worden ten aanzien van deze emissie. In de vergunning zal een voorschrift 10.3.2 als volgt worden aangepast: ‘De uitworp van ammoniak (gA3), koolwaterstoffen (klasse gO1, gO2, gO3) en benzeen afkomstig van de spanraaminstallaties wordt binnen 12 maanden na het van kracht worden van deze beschikking bepaald.
De resultaten worden binnen twee maanden na uitvoering van de bepaling overgelegd aan het bevoegd gezag.’ Wij achten de zienswijze gegrond. 23 M.b.t. het aspect bodem is gemeente Laarbeek van mening dat het vastleggen van de nulsituatie voor de activiteiten, waarvoor thans vergunning wordt gevraagd, niet noodzakelijk wordt geacht. Gezien de data van de in de aanvraag vermelde onderzoeken wordt een actualisatie noodzakelijk geacht omdat: • binnen het bedrijf een omschakeling in gebruik van (bodembedreigende/milieubelastende) stoffen heeft plaatsgevonden ten opzichte van de vigerende vergunning; • de huidige bodemonderzoeksrapporten meer dan 9 jaar oud zijn; • de richtlijnen/normen e.d. in de loop der tijd zijn gewijzigd; • uit de bodemrisicoanalyse blijkt dat diverse locaties niet voorzien zijn van afdoende bodembeschermende voorzieningen zoals bedoeld in de NRB; • in de NRB bodemrisicoanalyse de loop van de ondergrondse riolering als kritisch wordt beschouwd en voorgesteld wordt aldaar het grondwater te monitoren • geen valide beeld wordt gegeven van de gesteldheid en vloeistofdichtheid van betreffend bedrijfsriool waardoor dit tot hoog bodemrisico leidt dat niet door maatregelen en/of voorzieningen in de huidige situatie is beheerst.
MB.09.12
pagina 70 van 98
Geadviseerd wordt derhalve aan de beschikking alsnog de aanvullende voorwaarde te verbinden om de bodem-nulsituatie op basis van de aangevraagde situatie vast te leggen op basis van de huidige inzichten en normen . Reactie De omschakeling in gebruik van stoffen op zich hoeft geen reden te zijn voor een actualisatie. Bij het eindonderzoek zal opnieuw de situatie van de bodem beoordeeld worden op basis van de gebruikte stoffen. Voor stoffen die niet in de nulsituatie zijn vastgelegd zal uitgegaan worden van een terugsanering tot aan de referentiewaarde van die stof. Een nulsituatie onderzoek is een startmoment op een gegeven moment. Dat dit 9 jaar oud is doet daar niets aan af. De gehanteerde richtlijnen en normen voor bodemonderzoeken zijn niet zodanig gewijzigd dat dit een nieuw onderzoek rechtvaardigt. Op basis van het bodemrisicodocument en het plan van aanpak dient aanvullend onderzoek plaats te vinden bij de riolering in de volgende ruimten:verfkeuken, opslag chemicaliën en wasmachine. Daarnaast dient nabij de opslag van ijzerafval op het buitenterrein de bodem te worden onderzocht. Hiertoe zal een voorschrift worden opgenomen. Voor onderzoek met betrekking tot het vloeistofdicht zijn van het riool zijn voorschriften in de vergunning opgenomen. Door Artex is een plan van aanpak ingediend waarin is aangegeven dat de riolering gefaseerd aangepakt wordt.
De laatste fase vindt plaats in 2012. Gezien de aangevoerde redenen achten wij de zienswijze gedeeltelijk gegrond en nemen het volgende voorschrift op: Voorschrift Binnen 3 maanden nadat de vergunning in werking is getreden dient een bodemonderzoek te worden uitgevoerd ter plaatse van de riolering in de volgende ruimten:verfkeuken, ververij, veredeling en opslag chemicaliën. Daarnaast dient de bodem bij de opslag van metaalafval op het buitenterrein te worden onderzocht. De resultaten moeten uiterlijk 5 maanden nadat de vergunning in werking is getreden aan het bevoegd gezag zijn overgelegd. Het onderzoek inclusief monsterneming en analyse van de monsters moet zijn uitgevoerd conform het protocol Bodemonderzoek Milieuvergunningen en BSB of conform een daaraan gelijkwaardige onderzoeksstrategie uit de NEN 5740. Ter zake van de uitvoering van het bodemonderzoek kunnen - binnen 3 maanden nadat voornoemde rapportage is overgelegd - nadere eisen worden gesteld door het bevoegd gezag; inhoudende dat meerdere monsternemingen of analyses moeten worden verricht, indien dit op grond van de overgelegde hypothes(n) en onderzoeksstrategie noodzakelijk blijkt. Het onderzoek dient als aanvulling op de reeds aanwezige bodemonderzoeken ter vastlegging van de nulsituatie zoals vermeld in paragraaf 5.7.1 van de aanvraag om vergunning.
24 In het laboratorium zou een maximale hoeveelheid van 500 liter aan (milieugevaarlijke) stoffen aanwezig zijn. Een dergelijke voorraad is niet te beschouwen als werkvoorraad zoals bedoeld in de PGS 15. Zo'n hoeveelheid dient bewaard te worden in een daarvoor ingerichte en bestemde opslagvoorziening. Deze ontbreekt dan wel wordt niet vereist geacht op basis van de aan de ontwerpbeschikking verbonden voorschriften. Geadviseerd wordt echter om een dergelijke opslagwijze niet toe te staan. Reactie In de aanvraag is aangegeven dat in het laboratorium chemicaliën verpakt in emballage worden opgeslagen. In hoofdstuk 14 van de vergunning zijn voor de opslag hiervan voorschriften opgenomen. Hierin is ook duidelijk omschreven wat onder werkvoorraad wordt verstaan, alles wat meer is als werkvoorraad moet worden opgeslagen conform paragraaf 14.2. Deze voorschriften borgen voldoende de juiste opslag van verpakte gevaarlijke stoffen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 25
MB.09.12
pagina 71 van 98
De in de aanvraag inzichtelijk gemaakte geuremissie is niet als zodanig vastgelegd als norm voorschrift. Er is feitelijk meer vergund dan het bedrijf heeft aangevraagd cq. benodigd heeft. Aangesloten is bij een toetsingskader waarbij geen rekenschap is gehouden met de resultaten van de emissie-onderzoeken. Verzocht wordt de voorschriften op dit gebied beter aan te laten sluiten met de maximaal benodigde milieuruimte van Artex. Reactie In voorschrift 10.4.1 is een geurimmissienorm vastgelegd. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat binnen de geurcontour van 1,3 ouE/m3 als 98 percentiel geen woonbebouwing is gelegen. Door de geurimmissie vast te leggen wordt in feite ook de geuremissie vastgelegd. Bij uitbreiding van de geuremissie zal moeten worden aangetoond dat voldaan wordt aan geurimmissienorm in voorschrift 10.4.1. Wij achten het niet nodig de geuremissie vast te leggen in de voorschriften. 26 In voorschrift 2.7.1 wordt de vergunninghouder verzocht een éénmalig haalbaarheidsonderzoek te overleggen. Gezien de door de aanvrager geschetste ontwikkelingen in de branche en de beschreven pro-actieve houding op dat specifieke deelgebied, is een frequentere onderzoeksverplichting een niet onlogische verplichting en invulling van hetgeen geschetst in de vergunningaanvraag.
Reactie Het eenmalig uitvoeren van dit onderzoek achten wij voldoende aangezien Artex geen IPPC bedrijf is en in haar bedrijfsvoering hieraan voldoende aandacht geeft. 27 In de voorschriften 11.2.1 en 11.2.3 is een escape voor Artex ingebouwd (de zinsnede: tenzij dit redelijkerwijs niet mogelijk is) om geen filterende techniek aan te brengen bij verspanende metaalbewerkingsactiviteiten. Gezien de in de aanvraag beschreven situatie is dit niet noodzakelijk omdat deze beperking ook niet door Artex is benoemd terwijl men dit wel heeft gedaan bij bv. de schoorstenen bij de spanramen. Verzocht wordt de bewuste voorschriften hierop aan te passen. Reactie De verspanende metaalbewerkingsactiviteiten zijn een nevenactiviteit die op kleine schaal wordt uitgevoerd. Wij achten de zienswijze ongegrond. A. Zienswijze ontvangen op 28 januari 2010 namens omwonende M.L.M. Migchels, De Elshorst 2, 5735 JC te Aarle-Rixtel. 28. Artex overtreedt al jaren de vergunningsvoorschrift waarin wordt vermeld dat de inrichting geen geurhinder veroorzaakt. Zelfs na het plaatsen van een nieuwe luchtbehandelinginstallatie hebben we nog steeds stankoverlast. Wij zijn bang dat deze gassen die de geur verspreiden van verbrandt plastic, schadelijk zijn voor onze gezondheid. KWA bedrijfsadviseurs b.v. heeft voor Artex een emissieonderzoek gedaan in 2004.
Dit bedrijf heeft alleen op koolwaterstoffen gemeten en tijdens de gedane metingen was er ook geen rookuitstoot. Naar mijn mening zijn de metingen gedaan op een dag dat er minimale emissies waren. Artex heeft namelijk zelf de productieprocessen (en de doorloopsnelheid) uitgezocht. Graag een onafhankelijk onderzoek door TNO. Zo is het ook gegaan met het geuronderzoek in 2005 door Pra Odour Net b.v. We hebben daarom geen vertrouwen in de nieuwe geurmetingen van 2009. De stank die we ruiken komt toch echt van de Artex af. In de ontwerpbeschikking staat: het producten palet verschuift meer richting o.a. black-out (verduisteringsstof). Heeft U ooit geroken hoe zo'n verduisteringsstof ruikt ? Ik wel. Er komt een vieze chemische lucht vandaan. Dan heb ik het over een kant en klaar product recht uit het magazijn. Als dit materiaal in een energie zuinig
MB.09.12
pagina 72 van 98
huis, kantoor of instelling gehangen wordt en je zou deze lucht meten op schadelijke stoffen. Dan zou je naar mijn mening nog schrikken van de uitkomst. Wij krijgen deze vieze lucht tijdens het productieproces over ons heen. Volgens de ontwerpbeschikking wordt dit nog verder opgevoerd. Reactie In vergelijking met de aangevraagde situatie is de situatie in het emissieonderzoek van KWA d.d.26 maart 2004 uitgevoerd met de oude luchtbehandelingsinstallatie. In de oude situatie werden niet alle afgasstromen van de spanramen via de oude luchtbehandelingsinstallatie geleid. In de aangevraagde situatie worden alle afgasstromen van de spanramen via de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie geleid. In het onderzoek van Odournet van 21 juni 2009 zijn bij de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie nieuwe geurmetingen verricht. Wij zijn van mening dat het onderzoek van Odournet van 21 juni 2009 juist is uitgevoerd en stemmen in met de conclusie. In de beschikking zijn voldoende voorschriften opgenomen om bij eventuele klachten handhavend op te treden. Wij achten de zienswijze ongegrond. 29 Gevaarlijke verkeerssituatie Helmondseweg . Vrachtwagens staan regelmatig over het fietspad op de openbare weg (te laden of te lossen) Laaddok van Artex is of te kort of de vrachtwagens te lang.
Reactie Artex heeft de laaddok zodanig aangepast dat vrachtwagens tijdens het laden en lossen niet meer op het fietspad komen te staan. Door deze aanpassing is het probleem opgelost.
30 Artex is in de jaren negentig overgenomen door Hunter Douglas. Hunter Douglas is overgegaan van een weverij naar chemische fabriek (het aantal weefmachines was in 2001 al met 80% verminderd). Dit bedrijf had nooit een vergunning mogen krijgen. Een chemische fabriek zoals Artex hoort niet in een woonwijk thuis. Hierdoor is ons woongenot ernstig geschaad. Al bijna 10 jaar. Reactie De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, tweede lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Daartoe zijn aan de vergunning voorschriften verbonden die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken. Op basis van de voorschriften zal handhaving plaats vinden. Het al dan niet naleven van de voorschriften valt buiten deze vergunningsprocedure. De inrichting is in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan. Voor het overige bevat de Wm geen toetsingskader met betrekking tot de locatie van onderhavige inrichting. Wij achten de zienswijze ongegrond.
B. Zienswijze ontvangen op 28 januari 2010 namens omwonende J. H. Migchels, De Elshorst 2, 5735 JC te Aarle-Rixtel. 31 Bij deze maak ik bezwaar op de aanvraag ontwerpbeschikking milieuvergunning Artex om de volgende redenen:
MB.09.12
pagina 73 van 98
Stank en rook overlast als de Artex in bedrijf is. Er komt regelmatig een grote rookwolk uit die naar verbrand plastic ruikt en een prikkend gevoel in de neus geeft, er komt zoveel rook vrij dat je in de zomer niet meer buiten kunt zitten en deuren en ramen moet sluiten. Reactie Wij achten de zienswijze ongegrond en verwijzen naar punt 28.
32 Verkeersoverlast van de vrachtwagens die laden en lossen aan de Helmondseweg staan regelmatig op straat, dit levert gevaarlijke situatie op en is hinderlijk. Reactie Wij achten de zienswijze ongegrond en verwijzen naar punt 29.Verder merken wij op dat verkeersveiligheid primair geregeld moet worden in het kader van wegenverkeersveiligheid. 33 Ik vrees dat deze klachten nog erger worden als ze een vergunning krijgen en de productie opschroeven, tevens werken ze nu met een vergunning waarin staat dat ze geen uitstoot mogen hebben, dat is vreemd naar boven omschreven bezwaren. Reactie De verruiming van de werktijden, productietoename en de invloed hiervan op de luchtemissies is in het bij de aanvraag behorende luchtonderzoek vastgelegd. De onderhavige aanvraag betreft een revisievergunning voor een gehele (nieuwe) bedrijfsvoering. Dit houdt in dat er uitbreiding van de vigerende bedrijfsvoering of andere (nog) niet vergunde bedrijfsactiviteiten kunnen worden aangevraagd. Op basis hiervan is getoetst aan de huidige normen op basis van de Nederlandse Emissierichtlijnen (NeR). Op basis hiervan zijn voorschriften opgenomen in de vergunning die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen van het productieproces.
Als er overlast blijft bestaan welke wordt veroorzaakt door het niet naleven van de vergunning (voorschriften), zal dit in het kader van de handhaving worden betrokken. Indien de productie groter wordt dan vergund dan zal hiervoor een nieuwe vergunning moeten worden aangevraagd. Wij achten de zienswijze ongegrond.
C. Zienswijze ontvangen op 29 januari 2010 namens Artex B.V., Bosscheweg 79, 5735 GT Aarle-Rixtel. 34.Verloop procedure Bij het tot stand komen van de vergunningaanvraag zijn er diverse contactmomenten geweest tussen Artex, de gemeente en de milieudienst, SRE. In dit kader heeft Artex op 16 november 2009 van de gemeente ter beoordeling conceptvoorschriften ontvangen. Hierop heeft Artex op 19 november 2009 een inhoudelijke reactie gegeven. Artex heeft op 3 december 2009 expliciet gevraagd (telefonisch en per e-mail) om een overleg met de gemeente en de SRE met betrekking tot de conceptvoorschriften. Helaas hebben de gemeente en de SRE daarvan geen gebruik van gemaakt. In dit overleg hadden de concrete doelstelling van de gemeente en de monitorings-, rapportage- en verantwoordingsinitiatieven van Artex besproken kunnen worden, alsmede de insteek van de gemeente met betrekking tot het detailniveau van de voorschriften. Op 10 december jongstleden heeft Artex de, naar aanleiding van haar reactie, aangepaste conceptvoorschriften ontvangen. Met de reactie van Artex is door de gemeente in beperkte mate rekening gehouden. Aan een groot deel van de opmerkingen is geen gehoor gegeven, mogelijk door interpretatieverschillen over de strekking van de opmerkingen.
Op 15 en 16 december jongstleden heeft Artex nogmaals benadrukt een vooroverleg met de gemeente en de SRE te willen beleggen, voor de definitieve publicatie van de voorschriften. Ook hebben wij de gemeente toegelicht dat wij, door het ontbreken van een
MB.09.12
pagina 74 van 98
overleg over de conceptvoorschriften, genoopt zijn om de formele procedure te volgen en gedetailleerde zienswijzen in te dienen. Reactie Het betreffen hier algehele opmerkingen met betrekking tot het informele gebeuren. De vergunning is gebaseerd op de ingediende aanvraag. Zie zienswijze punt 8. 35 De gemeente heeft op 16 december 2009, kort voor publicatie van de ontwerpbeschikking, te kennen gegeven voor Artex een traditionele vergunning na te streven, onder andere vanwege het ontbreken van een milieujaarverslag. Dit was voor Artex op dat moment nieuwe informatie, waarop Artex niet heeft kunnen anticiperen. In onderliggende zienswijze is daarom aanvullende informatie opgenomen over milieuzorg binnen Artex. Wij stellen vast dat er vanuit mag worden gegaan dat Artex nagenoeg op ISO 14001 niveau opereert. Het detailniveau van voorschriften komt niet overeen met de ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden tijdens het aanvraagtraject. Ons inziens is het doel van het traject altijd al een vergunning op maat geweest, in plaats van de huidige traditionele aanpak. Samenvattend kunnen wij stellen dat wij niet kunnen instemmen met de voorschriften. Zoals in het reeds gegeven commentaar (e-mail van Mart Bosch aan Jan Sprengers op 19 november 2009) is benoemd, vinden wij -samengevat- het detailniveau van de voorschriften onnodig beperkend.
De gemeente heeft daarnaast naar onze mening door het vastleggen van veel details en regels in de voorschriften het signaal af weinig vertrouwen te hebben in Artex. Het detailniveau levert onnodig en onredelijk veel administratief werk op voor Artex en zijn sommige voorschriften ook nog onderling tegenstrijdig, zoals hieronder nader zal worden toegelicht. Tevens passen diverse voorschriften niet binnen de reikwijdte van de Wet milieubeheer en hebben wij gerede twijfel over de handhaafbaarheid. Reactie Tijdens het voortraject is door ons aangegeven dat vergunning op maat op basis van de onderliggende aanvraag niet kan worden afgegeven. In het voortraject zijn geen stukken door Artex overhandigd die ons van het tegendeel overtuigden. De ontwerpbeschikking is afgestemd op het detailniveau van de aanvraag. In de aanvraag ontbreken verder onder andere gegevens met betrekking tot het ISO 14001 milieuzorgsysteem en zijn een aantal genoemde actiepunten in de bijgevoegde bijlagen zoals in het BRCL al sinds een aantal jaren geconstateerd maar niet intern opgepakt. Ter borging van de milieuaspecten hebben wij in deze vergunning de hiertoe geëigende voorschriften opgenomen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 36 Pagina 1 en pagina 2: er wordt een overzicht gegeven van de bescheiden welke wel en welke geen onderdeel uitmaken van de beschikking.
Naar onze mening worden de bescheiden: genoemd op pagina 1 onder A punt 1 tot en met 10 en op pagina 2 onder punt A (tekening bijlage b overzicht opslag chemie en opslag afvalstoffen, nominaal vermogen stoomketel, grondstoffenverbruik 2008) ten onrechte beschouwd als onderdeel van de beschikking. Dit is ook afwijkend van de door Artex ingediende aanvraag, waarin expliciet onderscheid is gemaakt tussen bijlagen die onderdeel kunnen uitmaken van de vergunning en bijlagen die bijdragen aan de beeldvorming en beoordeling van de vergunning (met name gegevens die aan verandering onderhevig zijn), maar geen onderdeel hoeven zijn van de beschikking. Deze onderzoeksrapporten (hierboven benoemde bescheiden) zijn uiteraard belangrijk en dienen ter beoordeling van de aanvraag, maar betreffen momentopnamen en details die een onnodige beperking van de vergunning opleveren indien zij deel gaan uitmaken van de gewaarmerkte vergunning. Ook kleine, niet milieurelevante wijziging in hoeveelheden, procesvoering, productbenaming, gebruiksdoel, etcetera leiden dan impliciet tot de noodzaak om de vergunning te moeten wijzigen, met de daaraan gekoppelde administratieve handelingen en proceduretermijnen voor de gemeente en Artex.
MB.09.12
pagina 75 van 98
Reactie Het bevoegd gezag bepaalt welke bescheiden onderdeel uitmaken van de beschikking. De beschikking is gebaseerd op aannames opgenomen in onderzoeksrapporten. Daarmee wordt tevens de grens bepaald van vergunde activiteiten. Indien er sprake is van een milieuneutrale wijziging of wijziging die binnen gestelde normen blijft, kan worden volstaan met een melding als bedoeld in artikel 8.19 Wm. Om duidelijkheid te scheppen zal onderstaande voorschrift opgenomen worden. Wij achten de zienswijze ongegrond. voorschrift 1.1.1 Als er discrepantie bestaat in de gegevens zoals opgenomen bij de bescheiden van de aanvraag en voorschriften van de beschikking dan is bepalend wat er in de voorschriften is opgenomen. 37 Besluitenpassage (pagina 4) In de lijn van hetgeen hierboven is opgemerkt, moet onder punt 2, 4e bullet point genoemde bijlagen A dus worden aangepast. Reactie Zie voorgaande reactie bij punt 36. 38 Onder punt 4 wordt aangegeven dat "het beoordelingsverslag"deel uit maakt van deze vergunning. Artex neemt aan dat daarmee bedoeld wordt dat het deel uitmaakt van de overwegingen die geleid hebben tot het verlenen van deze vergunning en dat in de aanhef van dit stuk aan te geven. Dat doet recht aan de inhoud en kwalificatie van dit stuk.
U zou de aanhef kunnen laten luiden als volgt: "Mede gezien het bijgesloten beoordelingsverslag dat deel uitmaakt van de overwegingen van deze vergunning, zijn B& W van Laarbeek voornemens, gelet op de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht: ". Reactie Deze extra toevoeging doet niets af aan de vergunning. Wij achten de zienswijze ongegrond. 39 De 2e alinea op pagina 4 klopt niet, wij verzoeken u dit als volgt aan te passen: "B& W wijzen erop dat de onderhavige vergunning vanwege het bepaalde in artikel 20.8 Wet milieubeheer pas in werking treedt zodra de bouwvergunning is verleend " Ter toelichting: de vergunning uit 2002 komt definitief te vervallen zodra deze vergunning onherroepelijk is. Zodra deze vergunning van kracht is, moet van deze vergunning gebruik worden gemaakt. Reactie Er is momenteel geen sprake van bouwvergunningplichtige activiteiten die uitgevoerd dienen te worden. Afgifte van een bouwvergunning is niet meer noodzakelijk. De informatieve bepaling kan hierdoor achterwege blijven. De zin aangehaalde zin wordt verwijderd. De zienswijze is ongegrond. 40 Beoordelingsverslag Pagina 10, Milieuzorg: in haar beoordeling van de stand van zaken van Artex m.b.t. milieuzorg geeft de gemeente een beknopt overzicht.
Naar onze mening gaat het niveau van milieuzorg bij Artex verder dan het beeld dat wordt geschetst in het beoordelingsverslag, namelijk: • Artex heeft een milieuaspectenregister. Hierin is een overzicht opgenomen van de relevante milieuaspecten. Ook is hierin een prioritering aangebracht op basis van een objectieve en toetsbare weging.
MB.09.12
pagina 76 van 98
•
Artex stelt tot op heden elk jaar een elektronisch milieujaarverslag op, waarin een overzicht wordt gegeven van en verantwoording wordt afgelegd over de verbruiken van o.a. energie en water, maar ook van emissies en incidenten. De gemeente zou van het bestaan hiervan op de hoogte moeten zijn en heeft rechtstreeks toegang tot dit verslag. • Artex neemt deel aan het convenant met betrekking tot de MJA3. Deze systematiek is gebaseerd op het door Artex zelf opgestelde pro-actieve en door de overheid goedgekeurde Energie Efficiency Plan. • Artex heeft een beleid op het gebied van afvalstoffen, dit is zelfs vastgelegd in het Handboek Afvalstoffen. • Artex heeft een Health-Safety-Environment commissie, in dit platform wordt middels regelmatige bijeenkomsten het beleid van de organisatie op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu vastgesteld. • Binnen het Hunter Douglas concern is een milieuprogramma actief, het zogenaamde "Keen on Green". Alle vestigingen van het concern draaien hierin mee om de concerndoelstellingen, gericht op het groener en milieuvriendelijker maken van de productie, te realiseren. • Artex maakt gebruik van 5S audits en maandelijkse rondgangen, waarin zaken als orde, netheid, brandveiligheid, werkomstandigheden en milieu worden meegenomen. Bovenstaande voorbeelden lijken ons relevant bij de beeldvorming over milieuzorg binnen Artex.
Reactie De in de ontwerpbeschikking genoemde zaken zijn gebaseerd op de door Artex ingediende aanvraag. Op basis van de aanwezige registers, audits en milieuprogramma’s is het aannemelijk dat Artex kan voldoen aan de voorschriften die betrekking hebben op milieuzorg en het aantoonbaar zijn hiervan. Ter borging van de milieuzorg achten wij het opnemen van de hierop betrekking hebbende voorschriften noodzakelijk. Wij achten de zienswijze ongegrond. 41 Pagina 13, lasdampen: de gemeente beschrijft dat er circa een halfuur per week wordt gelast (MIG/TIG en autogeen). Dit betekent dat er op jaarbasis circa 50 kg lasdraad en 2 kg laselektroden verbruikt wordt. Het moge duidelijk zijn dat laswerkzaamheden van Artex zeer incidenteel voorkomen. Het is voor Artex dan ook onduidelijk, gezien de zeer geringe omvang van de laswerkzaamheden, waarom de gemeente de gehanteerde detailvoorschriften met betrekking tot de laswerkzaamheden opneemt. Het is twijfelachtig of het milieubelang hiermee significant verbetert, terwijl het voor Artex onnodige extra werkzaamheden met betrekking tot registraties en monitoring met zich meebrengt. Daarnaast zijn de voorschriften uit de ontwerpbeschikking niet in lijn met de door Artex ingediende aanvraag. Wij verzoeken de gemeente dan ook dit onderdeel en de bijbehorende voorschriften uit de vergunning te schrappen.
Reactie In de aanvraag is op blad 11 van de toelichting op de aanvraag aangegeven dat er circa een ½ uur per week elektrisch (TIG/MIG en autogeen) gelast wordt. Uitgangspunt is dat er ook roestvaststaal wordt gelast zijnde geen hoofdactiviteit. Op basis hiervan is de activiteit getoetst aan de Praktijkrichtlijn lasrook en zijn de van toepassing zijnde voorschriften opgenomen. Wij achten de zienswijze ongegrond.
42 Pagina 15, tabellen en 3e alinea: de in de considerans benoemde waarden en percentielen dienen te worden aangepast waar noodzakelijk, omdat onder andere 98-,99,9- en 99,99 percentielswaarden door elkaar worden gehaald en niet overeenkomstig de aanvraag zijn opgenomen.
MB.09.12
pagina 77 van 98
Reactie In de tabel op pagina 15 waarin het toetsingskader is aangegeven zijn de percentielen niet juist overgenomen. De benoemde waarde komen overeen met het voorgestelde toetsingskader in het geuronderzoek van 26 juni 2009. De tabel zal als volgt worden aangepast: Toetsingskader Artex BV (aaneengesloten woonbebouwing) Grenswaarde 5,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde Richtwaarde 1,3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde piekimmissienorm 13 ouE/m3 als 99,99-percentielwaarde Wij achten de zienswijze gegrond. 43 Pagina 16, 1e alinea, de gemeente stelt dat "het rendement van de luchtzuiveringsinstallatie (periodiek) dient te worden vastgesteld". De benodigde gegevens voor toetsing van de procesvoering aan de relevante milieukaders zijn bij de aanvraag gevoegd, in dit kader zijn ook emissiemetingen verricht. Indien de gemeente meent de emissies van Artex periodiek vast te moeten stellen, dan is dit naar onze mening een handhavingsactie. Dergelijke metingen dienen dan ook door de gemeente zelf verricht te worden en niet door Artex. In het geuronderzoek van 26 juni 2009 is de geursituatie van aangevraagde situatie in beeld gebracht. In het onderzoek zijn 2 productiesituaties beoordeeld, productieproces met een verhoogde emissie(blackout proces) en normale emissie. Door verspreidingsberekeningen is de geurimmissie concentratie vastgesteld.
Met de opzet en de resultaten van het geuronderzoek hebben wij ingestemd. Met het geuronderzoek heeft de vergunninghouder voldoende inzicht gegeven in de geursituatie van de aangevraagde situatie. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen voor onderhoud aan de zuiveringsinstallatie die een goede werking moeten borgen. Daarnaast wordt in de vergunning het aantal uren waarbij gewerkt wordt met hoge temperaturen in de vergunning vastgelegd waardoor controle op de geuremissie kan worden uitgevoerd zonder uitvoeren van metingen. Het aantal uren van het gebruik van de spanramen (Santex, Bruckner nieuw en oud) dient te worden geregistreerd voor de processen met hoge emissie zoals: Black out 4e laag, coaten bij hoge temperatuur, Lumina 2e laag coaten bij hoge temperatuur en crêpe coaten bij hoge temperatuur. Het aantal uren wordt in de vergunning vastgelegd op maximaal 900 uren per jaar gebaseerd op het bij de aanvraag behorende bijlage 5 emissieonderzoek Artex, 2009. Het grond- en hulpstoffenverbruik dient jaarlijks te worden vastgelegd en aan bevoegd gezag te worden overhandigd. Wij achten de zienswijze gegrond en passen de vergunning hierop aan. 44 Pagina 16, 1e alinea: de gemeente stelt "Ook dient van elke calamiteit (en uitgevoerde en nog te nemen acties van Artex) per ommegaande melding te worden gemaakt aan het bevoegde gezag. E.e.a.
dient eveneens bijgehouden te worden in een klachten en registratiesysteem. Ook van situaties en omstandigheden die niet merkbaar tot geur- en/of stank overlast hebben geleid." Dit biedt voor Artex onvoldoende rechtszekerheid. Het lijkt ons niet wenselijk dat van elke calamiteit en elke uitgevoerde en nog te nemen actie van Artex per ommegaande melding moet worden gemaakt aan het bevoegde gezag, mede gezien het feit dat dit niet beperkt wordt tot "kennelijke onvoorziene voorvallen, waarbij schade voor het milieu optreedt, althans dreigt" (zie ook artikel 17.1 Wm). Er wordt zelfs bepaald dat van situaties en omstandigheden die niet merkbaar tot geur- en/of stank overlast hebben geleid registraties dienen te worden bijgehouden. Dit valt buiten de relevantie met betrekking tot de vergunbaarheid in het kader van de Wet milieubeheer. Daarnaast zal bij de door de gemeente gekozen insteek de hoeveelheid administratie voor zowel Artex als de gemeente zelf
MB.09.12
pagina 78 van 98
aanzienlijk en onwenselijk toenemen. Waarmee de vraag rijst wat de gemeente met deze informatie wenst te gaan doen. Ook is in artikel 17.1 en 17.2 van de Wet milieubeheer reeds vastgelegd dat ongewone voorvallen dienen te worden gemeld. Jurisprudentie (ABRvS 26-121994 G05.93.1181 en ABRvS 12-7-1995, nr E03.94.0601) maakt duidelijk dat dit buiten de milieuvergunning moet worden gelaten. Wij verzoeken de gemeente daarom voorschriften op te nemen die eenduidig zijn, gericht op de primaire te monitoren activiteiten. Reactie Wij achten de zienswijze gegrond en passen de vergunning hierop aan. 45. Voorschriften Voorschrift 1.1.1: dit voorschrift is niet handhaafbaar, omdat de definities van "ordelijke staat" en "goede staat van onderhoud" ontbreken. Hiermee biedt dit voorschrift geen rechtszekerheid aan Artex. Wij verzoeken dit voorschrift daarom te laten vervallen. Reactie Het betreft hier gebruikelijke definities die gangbaar zijn in de milieuvergunningen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 46 Voorschrift 1.1.2: Artex zal aan dit voorschrift voldoen met dien verstande dat eventuele wijzigingen ook het reguliere traject van de Wet milieubeheer moeten doorlopen om binnen de inrichting te kunnen worden doorgevoerd. Artex stelt om die reden voor het woord "moeten" in de een-na-laatste regel te vervangen door "zullen" en woord"dienen" te verwijderen in de laatste zin.
Reactie Het hebben van een register met wet en regelgeving is ook vastgelegd in hoofdstuk 2 milieuzorg. Dit voorschrift kan komen te vervallen. Het voorschrift wordt verwijderd. 47 Voorschrift 1.1.3: dit voorschrift is niet handhaafbaar, het is niet duidelijk op welke wijze het omschreven personeel dient te zijn geïnstrueerd. Daarnaast is de relevantie van dit voorschrift met betrekking tot de bescherming van het milieubelang onduidelijk. Voorts staan in paragraaf 2.3 al voldoende algemene "instructievoorschriften"opgenomen. Wij verzoeken daarom dit voorschrift te laten vervallen. Reactie Voorschrift 1.1.3 kan komen te vervallen, paragraaf 2.3 bevat voldoende algemene instructievoorschriften. Wij achten de zienswijze gegrond. 48 Voorschrift 1.1.7: in kader van hoofdstuk 5 Algemene wet bestuursrecht is Artex verplicht info ter uitoefening van toezichthoudende taak aan toezichthouders te verstrekken, mits verzochte info redelijk en proportioneel is. Wij verzoeken u dit voorschrift te schrappen. Reactie In de vergunning is als aanvulling op de Awb vastgelegd welke zaken ter inzage dienen te worden gegeven. Wij achten de zienswijze ongegrond. 49 Voorschrift 1.1.9: het voorschrift bepaalt dat de registers en rapporten altijd ter inzage moeten liggen voor het bevoegde gezag. Dit is in de praktijk een niet realiseerbare situatie.
Ook daarvoor gelden de kaders genoemd in hoofdstuk 5 Algemene wet bestuursrecht
MB.09.12
pagina 79 van 98
(toezicht). Wij verzoeken de gemeente daarom de laatste zin van het voorschrift te schrappen. Reactie Aangezien het ter inzage stellen ook in de voorschriften van hoofdstuk 2 is geregeld kan in dit voorschrift de laatste zin komen te vervallen. Wij achten de zienswijze gegrond. 50 Voorschrift 2 .1.1.f: het voorschrift stelt dat een actueel overzicht van alle uitgevoerde en geplande interne en externe audits of controlebezoeken aanwezig dient te zijn. Dit valt buiten de reikwijdte van de milieuvergunning. Daarnaast levert dit een onredelijke inspanningsverplichting op voor Artex. Wij verzoeken de gemeente het voorschrift te beperken tot interne en externe audits of controlebezoeken die relevant zijn in het kader van de milieuvergunning. Daarbij verzoeken wij de gemeente te specificeren om welke audits of controlebezoeken het gaat. Reactie Wij achten de zienswijze gegrond. Het voorschrift zal als volgt worden aangepast: de (voornaamste) bevindingen van in- en externe milieucontroles of milieu-audits en de in dit kader afgesproken en genomen vervolgacties, die relevant zijn in het kader van de milieuvergunning; 51 Voorschrift 2.1.3.: dit voorschrift is niet handhaafbaar, er is geen objectieve definitie gegeven van "een adequaat niveau van milieumanagement", een adequate invulling van goodhousekeeping" en "een adequaat niveau van beheer en onderhoud".
Het is daarom voor Artex onduidelijk wat van haar wordt verwacht. Daarnaast is onduidelijk wat de gemeente bedoelt met "door middel van procesmetingen en procescontrole invulling geven aan de inzet van de Beste Beschikbare Technieken". Een verklaring voor deze laatste formulering mist, waardoor de scope van de voor Artex verplichte activiteiten en inzet ontbreekt. Wij verzoeken de gemeente daarom voorschrift 2.1.3 te laten vervallen. Ter illustratie dat het voorschrift te ver reikt dient nog het navolgende. Stel dat vanwege een ontwikkeling in het kader van de BBT een wijziging bij Artex moet worden doorgevoerd, dan zal eerst een wijzigingsvergunning of melding moeten plaatsvinden, voordat Artex die wijzigingen ingevolge de Wet milieubeheer mag doorvoeren. Ingevolge dit voorschrift lijkt het dat Artex per direct conform die BBT haar inrichting in werking moet hebben. Reactie Een adequaat niveau van milieumanagement, een adequate invulling van goodhousekeeping en een adequaat niveau van beheer en onderhoud zijn de basisonderdelen van een milieuzorgsysteem. Het borgen van de onderdelen behorende bij milieumanagement en goodhousekeeping zijn in de overige voorschriften voldoende vastgelegd. Dit voorschrift kan komen te vervallen.
52 Voorschrift 2.2.1, 10e bullet: het voorschrift bepaalt dat Artex een registratiesysteem dient te hebben, waarin de bevindingen en rapporten van overige beproevingen, keuringen, inspecties en onderhoud aan apparatuur, opslagen, voorzieningen en installaties worden bijgehouden. Dit voorschrift is niet handhaafbaar, omdat onduidelijk is hoe breed of hoe smal dit voorschrift geïnterpreteerd dient te worden. De bescherming van het milieu is er niet mee gediend indien Artex bijvoorbeeld keuringen en inspecties bijhoudt die niet relevant zijn in het kader van de milieuvergunning. Verder vergt dit een onredelijke inspanning van de zijde van Artex ten aanzien van het bijhouden van registraties, monitoring, etcetera. Wij verzoeken de gemeente daarom dit voorschrift te schrappen of nader te specificeren om wat voor soort beproevingen, keuringen, inspecties en onderhoud aan apparatuur, opslagen, voorzieningen en installaties het gaat.
MB.09.12
pagina 80 van 98
Reactie Voorschrift 2.2.1 10e bullet wordt als volgt aangepast: De bevindingen en rapporten van overige in het kader van de milieuvergunning relevante beproevingen, keuringen, inspecties en onderhoud aan apparatuur, opslagen, voorzieningen en installaties. Wij achten de zienswijze gegrond. 53 Voorschrift 2.2.1, 11e bullet: dit voorschrift is overbodig, aangezien dit in de Wet milieubeheer is geregeld onder paragraaf 17.1 en 17.2. Reactie Het betreft hier het registreren van de eventueel verrichte meldingen in het meet- en registratiesysteem. Het doen van de melding zelf is geregeld in artikel 17.1 en 17.2. Wij achten de zienswijze ongegrond.
54 Voorschrift 2.3.1: dit voorschrift is niet handhaafbaar. Het voorschrift geeft geen definitie van deskundigheid, waarmee voor Artex niet duidelijk is wanneer personeel conform het voorschrift voldoende deskundig is. Naar onze mening vervalt daarmee het nut van dit voorschrift en draagt het voorschrift niet bij aan een grotere bescherming van het milieubelang. Wij verzoeken de gemeente dit voorschrift te schrappen en te volstaan met een algemeen (aangepast) voorschrift, 2.3.2. Reactie Wij achten de zienswijze ongegrond. De vakbekwaamheid van de deskundige moet aantoonbaar zijn aan de hand van gevolgde relevante opleidingen of certificaten. De vakbekwaamheid dient te voldoen aan voorschrift 3.17.1 van de PGS 15. Aangezien dit opgenomen is in hoofdstuk 15 van de vergunning kan het hier komen te vervallen. 55 Voorschrift 2.3.2: Artex kan zich met een dergelijk instructievoorschrift verenigen, zij het dat de instructie gericht moet zijn op het naleven van de vergunningvoorschriften. Artex verzoekt de eerste zin de passage vanaf "met het doel" t/m slot aan te passen als volgt: "dat de werkzaamheden binnen de inrichting conform vergunningvoorschriften worden uitgevoerd." Reactie Dit komt op hetzelfde neer.
Degene die de inrichting drijft, is verplicht aan alle in de inrichting werkzame verantwoordelijke en leidinggevende personen een schriftelijke instructie te verstrekken met als doel dat de werkzaamheden binnen de inrichting conform vergunningvoorschriften worden uitgevoerd. 56 Voorschrift 2.6.1: Artex stelt al een aantal jaren een electronisch milieujaarverslag op, dit is geïnitieerd op basis van het nu vervallen Besluit milieuverslaglegging. Dit verslag is direct in te zien door de gemeente. Zoals de gemeente ook al stelt valt Artex niet onder de PRTR, waarmee er op dit moment geen rechtstreekse milieuverslagplicht meer van toepassing is. Artex heeft geen bezwaar tegen het jaarlijks opstellen van een milieujaarverslag. Wel stellen wij voor het voorschrift te wijzigen op de volgende punten: • het wijzigen van de zin "Een milieujaarverslag…….de volgende eisen:" in "Een milieuverslag bevat ten minste de volgende onderdelen: ". Met deze gewijzigde formulering wordt voorkomen dat de benoemde onderdelen uit het voorschrift als eis dienen te worden geïnterpreteerd, zoals bijvoorbeeld het treffen van maatregelen tot
MB.09.12
pagina 81 van 98
•
verdergaande bescherming van het milieu. Dit voorbeeld betreft een rapportage-eis en geen eis tot uitvoering van verdergaande maatregelen. Een verduidelijking dat (zie ook reactie voorschrift 2.2.1) de gewenste informatie betrekking heeft op milieurelevante zaken (audits, inspecties, etc.).
Reactie Wij achten de zienswijze gegrond. Het voorschrift wordt aangepast. 57 Voorschrift 3.1.1. en voorschrift 3 .1.2: dit voorschrift heeft veel overlap met voorschrift 2.2.1. Ten behoeve van de transparantie van de vergunning en de naleving en handhaafbaarheid hiervan verzoeken wij deze voorschriften afgeslankt op te nemen in voorschrift 2.2.1. Reactie Ten behoeve van het overzicht in de verschillende milieuaspecten en de leesbaarheid van de vergunningvoorschriften blijven de voorschriften staan. Wij achten de zienswijze ongegrond. 58 Voorschrift 3.2.1: in de aanvraag is reeds beschreven dat afvalstromen gescheiden worden ingezameld en afgevoerd. Het onderhavige voorschrift levert daarmee geen bijdrage aan een verhoging van de bescherming van het milieubelang. Hiermee is het voorschrift overbodig, wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Wij achten de zienswijze ongegrond. Het voorschrift dient ter borging van de scheiding, het gescheiden houden en gescheiden aanbieden dan wel zelf afvoeren van afvalstromen. 59 Voorschrift 3.2.2: het voorschrift bepaalt dat bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen regelmatig, maar ten minste eenmaal per 2 maanden worden afgevoerd, met uitzondering van metaalafval. De genoemde termijn van eenmaal per 2 maanden is voor ons onduidelijk. Ons uitgangspunt is dat afval zo efficiënt mogelijk wordt afgevoerd.
Dat betekent dat bij voorkeur volle containers of emballage wordt afgevoerd. Hiermee kan de genoemde termijn van 2 maanden overschreden worden, naar gelang de bedrijfsomstandigheden. Afvalstoffen worden echter conform de benodigde milieutechnische voorzieningen opgeslagen (lekbakken, gesloten containers, conform bodemrisicodocument, etc.). De door de gemeente gestelde hoge frequentie verzekert daarom geen hogere bescherming van het milieubelang. Wij verzoeken de gemeente de passage "maar ten minste eenmaal per 2 maanden" te schrappen. Reactie Wij achten de zienswijze gegrond. Voorschrift wordt aangepast. 60 Voorschrift 3.2.3: in het voorschrift wordt gespecificeerd dat poetsdoeken, etc. dienen te worden bewaard in emballage die bestand is tegen inwerking van de betreffende afvalstoffen en dient te kunnen worden afgesloten indien het vluchtige afvalstoffen betreft. Naar mening van Artex is deze specificatie overbodig. Uiteraard worden dit soort afvalstoffen bewaard in daarvoor geschikt emballage. Daarnaast is het vanuit het oogpunt van bodembescherming al vereist dat er geen ongecontroleerde lekkages uit deze emballage ontstaat. Het borgen van het voorkomen van de emissie van vluchtige stoffen is vanuit de arboregelgeving reeds geregeld.
De nadere specificatie van de gemeente met betrekking tot de bestendigheid van de emballage is daarmee overbodig en dient geen verhoging van de bescherming van het milieubelang. Wij verzoeken de gemeente dan ook het voorschrift te vereenvoudigen door te stellen dat "Gebruikte poetsdoeken, absorptiematerialen en overige gevaarlijke afvalstoffen dienen op een verantwoorde wijze te worden verzameld, bewaard en afgevoerd".
MB.09.12
pagina 82 van 98
Reactie Ter voorkoming van diffuse emissies achten wij het noodzakelijk dat het voorschrift gehandhaafd blijft. Wij achten de zienswijze ongegrond.
61 Voorschrift 3.2.4: dit voorschrift is naar onze mening een dubbelop gezien het bepaalde in voorschrift 3.2.1. Het is voor Artex zinvol om afvalstromen zoveel mogelijk te scheiden ofte laten scheiden door derden, teneinde afvalstromen met een hogere (financiële) restwaarde te scheiden van afvalstromen die een hogere kostenfactor vormen bij de verwijdering. Artex heeft er daarom direct financieel belang bij afvalstromen zoveel mogelijk te scheiden. Aangezien in voorschrift 3.2.1. al wordt gesteld dat er gescheiden dient te worden ingezameld, heeft Artex de plicht om dit te realiseren. Daarbij is het aan Artex om te bepalen hoe dit doel (en het maximale resultaat) bereikt wordt, met welke middelen en welke organisatie. Het voorschrijven dat hiervoor de benodigde middelen beschikbaar dienen te zijn dient geen hogere bescherming van het milieubelang. Dit voorschrift is daarmee overbodig. Zie ook de argumentatie bij het voorschrift 3.2.1. Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Wij achten dit voorschrift noodzakelijk om te borgen dat er nu en in de toekomst een optimale afvalscheiding plaats vindt.
Met name voor een gedeelte van de textielstroom (130 ton op jaarbasis) verwachten wij recycling mogelijkheden op basis van het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2012 (LAP) waarin textiel als prioritaire afvalstof is aangewezen voor de ketenaanpak in het afvalbeleid in de komende planperiode. De wijze waarop en met welke middelen en organisatie is aan Artex zelf. Om het voorschrift te verduidelijken zal het voorschrift concreet voor textielafval worden aangepast. Wij achten de zienswijze deels gegrond. In de considerans zal de afvalparagraaf worden aangepast op basis van het op 24 december 2009 in werking getreden LAP. 62 Voorschrift 3.2.5: evenals de argumentatie bij voorschrift 3.2.4 kan worden gesteld dat het voorschrijven (middelvoorschrift) van het verstrekken van de benodigde mondelinge en schriftelijke instructie overbodig is, gezien de algemene instructiebepaling van voorschrift 2.3.2 (zoals verzocht aan te passen, zie zienswijzen hierboven onder dat voorschrift). Reactie Wij achten dit voorschrift noodzakelijk om te borgen dat er optimale afvalscheiding plaats vindt. Wij achten de zienswijze ongegrond. 63 Voorschrift 3.2.6: in dit voorschrift wordt enerzijds gesteld dat een verantwoordelijk persoon moet worden aangesteld voor de naleving van in de vergunning voorgeschreven metingen en registraties, alsmede afvalpreventie en afvalscheiding.
Daarnaast wordt gesteld dat dit mede het regelmatig monitoren van behaalde resultaten en het zoek naar, en analyseren van, afvalpreventie- en afvalscheidingmogelijkheden van huidige of nieuwe procesonderdelen omvat. Dit laatste is naar onze mening een dubbelling met voorschrift 2.5.1. Voorschrift 3.2.6 kan dan ook vervallen. Artex verzoekt u in ieder geval voor de helderheid en transparantie van de vergunning deze voorschriften samen te voegen. Reactie Voorschrift 3.2.6. wordt aangepast. Wij achten de zienswijze gegrond. 64
MB.09.12
pagina 83 van 98
Voorschrift 3.3.1: het voorschrijven van het voorkomen van verontreiniging van de bodem tijdens op- en overslag en het transport van afvalstoffen is naar onze mening overbodig. De beoordeling van potentiële bodemrisico's en het treffen van passende maatregelen is 'reeds geregeld in het bodemrisicodocument. Dit voorschrift leidt daarom niet tot een hogere bescherming van het milieubelang en is daarmee overbodig. Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie De op- en overslag activiteiten en het transport van afvalstoffen vindt vaak plaats op locaties die niet zijn voorzien van een bodembeschermende voorziening. Ter algemene bescherming van de bodem achten wij het noodzakelijk dit voorschrift op te nemen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 65 Voorschrift 3.3.3: het voorschrijven van het deugdelijk verpakken etiketteren en opslaan van afvalstoffen is naar onze mening overbodig. De beoordeling van potentiële bodemrisico's en het treffen van passende maatregelen is reeds geregeld in het bodemrisicodocument. Daarnaast heeft dit voorschrift veel overlap met voorschrift 3.3 .1. Dit voorschrift leidt daarom niet tot een hogere bescherming van het milieubelang en is daarmee overbodig. Ook het gehanteerde begrip deugdelijk is aan meerdere interpretaties onderhevig, waardoor dit leidt tot rechtsonzekerheid voor Artex.
Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Voorschrift 3.3.3. gaat specifiek over de opslag van gevaarlijk afval terwijl voorschrift 3.3.1 alle afvalstoffen betreft. Wij achten de zienswijze ongegrond. 66 Voorschrift 3.3.4: het voorschrijven van de inpandige of containeropslag van afvalstoffen is naar onze mening overbodig. De beoordeling van potentiële bodemrisico's en het treffen van passende maatregelen is reeds geregeld in het bodemrisicodocument. Daarnaast heeft dit voorschrift veel overlap met voorschrift 3.3.1. en 3.3.3. Dit voorschrift leidt daarom niet tot een hogere bescherming van het milieubelang en is daarmee overbodig. Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Dit voorschrift is noodzakelijk om te borgen dat afvalstoffen op een juiste wijze worden opgeslagen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 67 Voorschrift 3.3.5: het voorschrijven van een afgesloten containeropslag van papier- en huishoudelijke afvalstoffen is naar onze mening overbodig. De beoordeling van potentiële bodemrisico's en het treffen van passende maatregelen is reeds geregeld in het bodemrisicodocument. Daarnaast heeft dit voorschrift veel overlap met voorschrift 3.3 .1., 3.3.3. en 3.3.4. Dit voorschrift leidt daarom niet tot een hogere bescherming van het milieubelang en is daarmee overbodig.
Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Dit voorschrift is opgenomen ter voorkoming van verspreiding van papier- en huishoudelijke afvalstoffen op het buitenterrein of buiten de inrichting door verwaaiing, vogels e.d. Wij achten de zienswijze ongegrond. 68
MB.09.12
pagina 84 van 98
Voorschrift 3.4.1 en 3.4.2: het voorschrijven van doelmatig materiaal of doelmatige emballage is naar onze mening overbodig. De beoordeling van potentiële bodemrisico's en het treffen van passende maatregelen is reeds geregeld in het bodemrisicodocument. Daarnaast heeft dit voorschrift veel overlap met voorschrift 3.3.1. en 3.3.3-3.3.5. Dit voorschrift leidt daarom niet tot een hogere bescherming van het milieubelang en is daarmee overbodig. Wij verzoeken de gemeente dan ook dit voorschrift te schrappen. Reactie Het bodemrisicodocument dient primair om na te gaan of de aanwezige bodembeschermende maatregelen voldoen aan de NRB. Ter algemene bescherming van de bodem achten wij het noodzakelijk dit voorschrift op te nemen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 69 Voorschrift 4.1.1: het eerste deel van het voorschrift specificeert dat Artex er zorg voor dient te dragen dat het verbruik van water binnen de inrichting zo laag is als redelijkerwijs mogelijk is. Dit begrip is aan meerdere interpretaties onderhevig, zodat de handhaafbaarheid van dit deel van het voorschrift twijfelachtig is. Daarnaast mag, gezien het feit dat water een directe kostenpost is, van Artex worden verwacht dat zij het waterverbruik zal minimaliseren. Dit deel van het voorschrift biedt daarmee geen hogere bescherming van het milieubelang.
Wij verzoeken de gemeente dan ook de eerste zin van het voorschrift te schrappen. Reactie Wij achten de zienswijze ongegrond. Het zo laag als redelijkerwijs mogelijk is gekoppeld aan de stand der techniek welke binnen de textielbranche gangbaar is. 70 Voorschrift 4.1.2: de inhoud van dit voorschrift is reeds geregeld in voorschrift 2.2.1. Dit extra voorschrift leidt niet tot een hogere bescherming van het milieubelang. Wij verzoeken de gemeente in het kader van de helderheid en transparantie van de vergunning deze voorschriften samen te voegen tot één voorschrift. Reactie Voorschrift 4.1.2 is verwijderd. Wij achten de zienswijze gegrond. 71 Voorschrift 4.1.3: de inhoud van dit voorschrift is reeds geregeld in voorschrift 2.2.1. Dit extra voorschrift leidt niet tot een hogere bescherming van het milieubelang. Wij verzoeken de gemeente in het kader van de helderheid en transparantie van de vergunning deze voorschriften samen te voegen tot één voorschrift. Reactie In voorschrift 4.1.3 dient het waterverbruik van de meest relevante bedrijfsonderdelen en activiteiten te worden gemeten en beoordeeld. Wij achten de zienswijze ongegrond. 72 Voorschrift 4.2.1: het voorschrift stelt dat het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot energie indien Artex niet meer de MJA3 volgt.
De wijze van formuleren biedt Artex rechtsonzekerheid, omdat niet duidelijk is in welke mate de gemeente in de omschreven situatie meent nadere eisen te moeten stellen. Met andere woorden: de grens van die nadere eis moet dan al in dit voorschrift zijn vastgelegd. Wij verwijzen u ook naar art 8.13 lid 1 onder f Wet milieubeheer (Zie ook Jongma 2009, (T&C Milieurecht), art 8.13 WMB aant 5). Wij verzoeken de gemeente de tweede zin uit het voorschrift te schrappen. Reactie