18 20211014 Vigende milieuvergunning Artex 16-11-2010.pdf
Tekst van het document
4.
Geluid...........................................................................................................................................41
5.
Lucht ............................................................................................................................................43
6.
Bodem...........................................................................................................................................51
7.
Externe veiligheid......................................................................................................................52
8.
Lozen afvalwater .......................................................................................................................53
9.
E-PRTR.........................................................................................................................................56
10.
Overige aspecten ......................................................................................................................57
11.
Ingebrachte zienswijzen op eerste beschikking .................................................................57
MB.09.12
pagina 35 van 98
1. ALGEMEEN Artex B.V. is een producent van velours- en vlakgeweven gordijnstoffen en alternatieve raambekledingsstoffen. Artex Bv is sinds 1948 gevestigd aan de Bosscheweg 79 in AarleRixtel. Binnen de inrichting vinden hiertoe de volgende hoofdprocessen plaats: weven, voorbehandelen, verven en bedrukken, drogen, impregneren, coaten en fixeren. Daarnaast vinden de volgende nevenactiviteiten plaats: de opslag van grond- en hulpstoffen (deels gevaarlijke stoffen), de opslag en expeditie van gereed product in magazijnruimten, kantoor en kantineactiviteiten, een laboratorium, een stalenkamer, een werkplaats en een ketelhuis met stookinstallaties. Aanleiding voor de aanvraag van een revisievergunning zijn een aantal veranderingen die de afgelopen jaren zijn doorgevoerd evenals actualisering van de milieuvergunning. Binnen de inrichting heeft een verschuiving van het productenpakket plaatsgevonden. Dit betreft onder meer een toename van de productie van ‘blackout’ producten (verduisteringsstof). Deze verschuiving gaat gepaard met een toename van het chemicaliënverbruik in de inrichting. De totale productiecapaciteit (meters te produceren gordijnstof) wijzigt niet ten opzichte van de in de vergunning van 2002 vastgelegde situatie. Het machinepark is uitgebreid met twee nieuwe weefgetouwen, een fixeerunit voor de digiprint en een boomverfapparaat in de ververij.
Het oude Montforts spanraam is vervangen door een nieuw spanraam op de afdeling veredeling. Het nieuwe spanraam leidt niet tot het realiseren van een wezenlijk ander productieproces dan op dit moment reeds aan de orde is. Het spanraam is wel breder, zodat ook bredere producten (waar de markt om vraagt) kunnen worden geproduceerd. De oude luchtbehandelinginstallatie is vervangen door een nieuwe luchtbehandelingsinstallatie waarop de drie aanwezige spanraaminstallaties zijn aangesloten. De bedrijfsprocessen binnen Artex BV zijn grotendeels ongewijzigd. De werktijden en het aantal transportbewegingen zijn eveneens ongewijzigd. De meest relevante milieuhygiënische gevolgen van het in werking zijn van de inrichting zijn de risico’s van opslag en gebruik van gevaarlijke stoffen, het ontstaan van afvalstoffen en afvalwater, geluidemissie, lucht- en geuremissie van de spanramen en kans op bodemverontreiniging. Ter voorkoming en minimalisatie van deze gevolgen zijn door Artex BV een aantal maatregelen en voorzieningen getroffen.
2. GPBV-RICHTLIJN De gpbv-richtlijn is een Europese richtlijn voor geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging, die sinds 1996 van kracht is. Doel van de richtlijn is om een hoog niveau van bescherming van het milieu te bereiken. Dit moet worden gerealiseerd door het voorkomen of beperken van emissies naar lucht, water en bodem, met inbegrip van maatregelen betreffende afval, een doelmatig gebruik van energie, het voorkomen van ongevallen en het beperken van de gevolgen daarvan. Dit houdt in dat een inrichting moet voldoen aan de eis van het toepassen van de Beste Beschikbare Technieken (BBT), zoals onder meer opgenomen in BBT Reference Documents (BREF’s). Verder mag als gevolg van de gevraagde vergunning geen sprake zijn van een belangrijke toename in de verontreiniging. De vergunningaanvraag heeft betrekking op de realisatie van een bedrijf voor textielverwerking (categorie 6.2 textielbewerking van bijlage I van de gpbv-richtlijn). De ondergrens voor het van toepassing zijn van de richtlijn is de productie of verwerking van meer dan 10 ton per dag. Deze ondergrens wordt bij Artex niet overschreden. Een beoordeling op grond van de gpbv-richtlijn is voor deze inrichting niet van toepassing. Textielconvenant/milieuzorg Het bedrijf behoort met de soort werkzaamheden welke binnen de inrichting worden verricht tot de textiel- en tapijtindustrie.
Artex heeft in 2004 de BMP-2 periode van het convenant afgesloten. Landelijk is op 17 januari 2007 besloten om het convenant (tot 2010) in
MB.09.12
pagina 36 van 98
afgeslankte vorm voort te zetten waarbij geen BMP-3 (nieuw bedrijfsmilieuplan) wordt opgesteld, omdat de meeste doelstellingen voor 2010 al behaald zijn. Het werkboek wordt niet meer geactualiseerd. De BREF textielindustrie voorziet in een beschrijving van beste beschikbare technieken (BBT). Als gevolg van het opnemen van BREF’s in de NeR is de bijzondere regeling textielindustrie per december 2007 vervallen. De Nederlandse overheid heeft ervoor gekozen om bij de implementatie van de IPPC- richtlijn geen onderscheid te maken tussen inrichtingen die onder de richtlijn vallen en andere inrichtingen waarop de Wm van toepassing is. Dit betekent dat de BREF’s ook als informatiebron moeten worden meegenomen bij de BBT afweging voor inrichtingen die vanwege hun productiecapaciteit niet onder de IPPC richtlijn vallen. Hierbij is wel aandacht nodig voor de vraag in hoeverre de maatregelen en voorzieningen uit de BREF van toepassing zijn op een dergelijke schaalgrootte, aangezien de BREF’s niet gericht zijn op deze inrichtingen. Bij de beoordeling van de gevraagde vergunning is, naast de diverse wetten en regels die van toepassing zijn op een inrichting, getoetst aan de van toepassing zijnde BREF’s zoals opgenomen in de NeR. Deze toetsing is, per milieuaspect, uitgewerkt in de verschillende hoofdstukken van dit beoordelingsverslag.
In de aanvraag is een toetsing aan de BREF textielindustrie als bijlage 14 opgenomen. Op basis hiervan kunnen we concluderen dat de bij Artex toepasbare technieken grotendeels zijn doorgevoerd. Voor de mogelijk toepasbare technieken die bij Artex nog niet zijn doorgevoerd is een voorschrift opgenomen voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek. Uit de beoordeling van de aanvraag blijkt dat binnen het bedrijf voldoende toepassing wordt gegeven aan de ‘stand der techniek’.
3. DUURZAAM ONDERNEMEN Naast het voorkomen van gevaar, schade en hinder dienen onder andere ook de aspecten energie, water, afval en vervoer te worden betrokken in de milieuvergunning. Deze aspecten vallen onder de term ‘duurzaam ondernemen’. Energiebesparing In de aanvraag zijn diverse energiebesparende maatregelen en voorzieningen opgenomen. Daarnaast is getoetst aan de van toepassing zijnde BREF’s voor de textielbranche. Deze toetsing is opgenomen in de aanvraag. Uit de beoordeling van de aanvraag blijkt dat Artex BV voldoet aan de ‘stand der techniek’ voor wat betreft het aspect energie. Artex heeft deelgenomen aan het convenant Meerjarenafspraak energie-efficiency 2001-2012 (MJA2). In oktober 2004 is een geactualiseerd Energiebesparingplan (EBP) opgesteld voor de periode 2005-2008. Alle zekere maatregelen uit dit plan zijn door Artex uitgevoerd. Hierdoor is een energiebesparing van 7,8% gerealiseerd. Artex beschikt over een energiezorgsysteem welke in het kader van MJA2 getoetst is en op basis hiervan als volwaardig kan worden beschouwd. Het MJA3 is een convenant tussen de ministeries van EZ, LNV en VROM, het Interprovinciaal Overleg, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en een aantal brancheorganisaties en bedrijven, dat tot doel heeft de energie-efficiency van de middelgrote industriële energieverbruikers te verbeteren.
Door deelname aan het convenant verplicht het bedrijf zich tot: • de in de nieuwe MJA3 opgenomen inspanningsverplichting om gezamenlijk een energieefficiency te bereiken van 30% over de periode 2005-2020; • het eenmaal per 4 jaar opstellen van een Energie Efficiency Plan (EEP), waarin wordt vermeld op welke wijze deze doelstelling van 8% over een planperiode van 4 jaar zal worden behaald of waarvan hiervan gemotiveerd zal worden afgeweken. • systematische energiezorg;
MB.09.12
pagina 37 van 98
•
een inspanning om maatregelen te realiseren met betrekking tot de zogenaamde verbredingsthema’s van het convenant, te weten duurzame energie en energiezuinige productontwikkeling.
Op 28 april 2008 is het MJA3 door Artex ondertekend. Met het MJA3 is de looptijd van dit convenant verlengd tot 2020. De beoordeling van het EEP/EBP vindt plaats door Agentschap NL (voorheen Senter Novem). Een advies wordt ter goedkeuring toegezonden aan het bevoegd gezag. In de vergunning is een voorschrift opgenomen ingeval het bedrijf de MJAafspraak beëindigd. Waterbesparing (leiding- en grondwater) Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect zuinig omgaan met water. De voorschriften met betrekking tot waterverbruik (registratie en onderzoek) zijn gebaseerd op de “Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven” (bron: Infomil, februari 2006). In dit document worden aan het onderwerp ‘water’ geen ondergrenzen gesteld, omdat de relevantie van waterbesparing sterk afhankelijk is van de lokale situatie. Per situatie zal beoordeeld moeten worden of maatregelen voor het aspect water relevant zijn of niet. Vooralsnog wordt als ondergrens een waterverbruik van ten minste 5.000 m3 per jaar gehanteerd. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt het jaarlijks waterverbruik circa 1815 m3 leidingwater en 63.923 m3 grondwater. Dit water wordt toegepast als proceswater voor het wassen, bleken, natkratsen, verven, drukken en finishen van textiel. De luchtbehandelingsinstallatie gebruikt eveneens water voor zuivering van de lucht.
Een klein gedeelte wordt gebruikt als huishoudelijk water. In de aanvraag zijn de volgende waterbesparende maatregelen opgenomen: • tegenstroomwassen; • debietregeling bij watertoevoer processen; • recirculatie waterstromen; • good housekeeping maatregelen: terughouden restpasta’s en appreteerbadresten, beperken kleurwisselingen, HT-verven van polyester, automatische verfkeuken; • onderzoeksmaatregelen:onderzoek naar “koudbleek” proces, onderzoek optimalisatie bezettingsgraad verfapparaten, onderzoek mogelijkheden toepassen doseerapparatuur in ververij en finish, onderzoek naar mogelijkheid hergebruik spoelwater; • hergebruik van koelwater (circa 85%) als proceswater; • diverse onderzoeken naar optimalisatie van diverse processen. Zoals uit de aanvraag blijkt, bedraagt het waterverbruik meer dan 5.000 m³ per jaar. Uit beoordeling van de in de aanvraag opgenomen waterbesparende maatregelen blijkt dat de binnen de branche gebruikelijke waterbesparende maatregelen reeds zijn, dan wel worden getroffen. Gezien het voorgaande zal het laten uitvoeren van een nieuw waterbesparingonderzoek op dit moment naar verwachting niet tot nieuwe inzichten leiden. Aangezien het waterverbruik aanzienlijk is, hebben wij in de voorschriften wel de verplichting opgenomen tot het eens in de vijf jaar toetsen van de installaties en processen aan de stand der techniek.
Afval (preventie en scheiding) In het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP) in werking getreden op 24 december 2009, wordt een overzicht van het afvalstoffenbeleid gegeven. De algemene doelstellingen voor het afvalstoffenbeleid zijn: • het beperken van het ontstaan van afvalstoffen. • het beperken van de milieudruk van de activiteit ‘afvalbeheer’. Dit betekent dat in principe zoveel mogelijk afval nuttig moet worden toegepast, dat alleen afval dat niet nuttig kan worden toegepast mag worden verwijderd en dat alleen het onbrandbaar afval mag worden gestort;
MB.09.12
pagina 38 van 98
•
het vanuit ketengericht afvalbeleid beperken van de milieudruk van productketens (grondstofwinning, productie, gebruik en afvalbeheer, inclusief hergebruik). Dit betekent onder meer dat voor vermindering van milieudruk in de afvalfase de gehele keten in beschouwing wordt genomen en dat de inzet op vermindering van de milieudruk in de afvalfase niet mag resulteren in afwenteling van milieudruk op andere fases in de keten. Het LAP is verankerd in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer en heeft daarmee een wettelijke status. Het plan is het toetsingskader voor afvalbeheer. Bij vergunningverlening en handhaving moeten de regels van het LAP in acht worden genomen. Preventie is een van de hoofddoelstellingen van het afvalstoffenbeleid. Voor wat betreft afvalscheiding is het uitgangspunt van het LAP dat inrichtingen verplicht zijn alle afvalstoffen te scheiden, gescheiden te houden en gescheiden af te geven, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd. Door het ketengericht afvalbeleid wordt de reikwijdte van het plan verruimd van de afvalstoffase naar de gehele materiaalketen. In de nieuwe Kaderrichtlijn afvalstoffen is de volgende afvalhiërarchie opgenomen: a. preventie b. voorbereiding voor hergebruik c. recycling d. andere nuttige toepassing, bijvoorbeeld energieterugwinning; e. verwijdering.
Verder zegt de nieuwe Kaderrichtlijn dat voor bepaalde specifieke afvalstromen van de hiërarchie mag worden afgeweken indien dat op grond van het levenscyclusdenken met betrekking tot de effecten van het produceren en beheren van dergelijke afvalstoffen gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling van de vergunningaanvraag is rekening gehouden met het aspect afvalpreventie,afvalscheiding en ketengericht afvalbeleid. De voorschriften met betrekking tot afvalpreventie zijn gebaseerd op de “Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven” (bron: Infomil, februari 2006). In deze handreiking wordt gesteld dat afvalpreventie in ieder geval relevant is bij bedrijven waarbij de hoeveelheid gevaarlijk afval boven de 2,5 ton per jaar ligt óf de hoeveelheid bedrijfsafval boven de 25 ton per jaar ligt. Tot het bedrijfsafval worden alle, al dan niet afzonderlijk, vrijkomende afvalstromen gerekend die niet als gevaarlijk afval kunnen worden aangemerkt. Het betreft een totaal van de afvalstromen onafhankelijk van het feit of ze al dan niet gescheiden worden ingezameld. Ook het afval dat voor recycling wordt aangeboden, wordt hier in meegenomen.
Bij Artex BV komen jaarlijks de volgende niet-gevaarlijke afvalstofstromen vrij: • gemengde metalen (circa 14 ton); • houten verpakkingen (circa 30 ton); • kunststofverpakkingen (circa 0,07 ton); • afgedankte apparatuur (circa 0,2 ton); • papier en karton (circa 77 ton); • textielafval (circa 129 ton). Daarnaast komen de volgende gevaarlijke afvalstoffen vrij: • verfhoudend afval (vast en vloeibaar) (circa 48 ton); • TL-buizen en ander kwikhoudend afval (circa 0,06 ton); • verontreinigde lege emballage (kunststof) (circa 3 ton); • waterig vloeibaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat (circa 12,5 ton); • batterijen (circa 0,03 ton). Alle genoemde afvalstromen worden gescheiden opgeslagen, en afgegeven aan een erkende inzamelaar ten behoeve van recycling, verbranding of verdere verwerking. Daarnaast zijn de volgende maatregelen getroffen om het ontstaan van afval te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken:
MB.09.12
pagina 39 van 98
• • • • •
good housekeeping o.a. scheiden en gescheiden afvoeren van afvalstoffen, procesoptimalisatie, optimaliseren van de batchgroottes, indien mogelijk, intern hergebruik van restafvalstromen, etc.; opstellen van een afvalpreventieplan; toepassen van HighTemperature (HT) processen bij het verven van synthetica (polyester) zodat geen chloor- , benzeen- en tolueenhoudende carriers meer nodig zijn; optimalisatie aanmaak verfbaden en drukpasta’s; onderzoek naar alternatieve applicatietechnieken.
Ketenaanpak In het LAP (hoofdstuk 6) zijn zeven stromen geselecteerd als prioritair voor de ketenaanpak in het afvalbeleid in de komende planperiode: 1. papier en karton 2. textiel 3. bouw- en sloopafval 4. organisch afval / voedselresten 5. aluminium 6. PVC 7. grof huishoudelijk afval Meer recycling van bovengenoemde stromen kan substantiële milieuwinst opleveren, omdat daarmee een deel van de milieubelastende primaire productie kan worden vermeden. Conclusie Voor Artex houdt dit in dat er specifiek gekeken dient te worden naar het textielafval. Deze afvalstroom circa 129 ton op jaarbasis wordt bij Artex ongesorteerd (hard en zacht materiaal) afgevoerd ten behoeve van verbranding. Het bedrijf voldoet hiermee niet aan het afvalbeleid. In de vergunning is daarom voor het textielafval een onderzoeksverplichting opgenomen. Uit de aanvraag blijkt dat de overige afvalstoffen zoals het papier en karton doelmatig worden gescheiden en gescheiden worden afgevoerd met name ten behoeve van materiaalrecycling. In het kader van het Convenant voor de textiel- en tapijtindustrie zijn in het verleden reeds gangbare afvalpreventiemogelijkheden onderzocht en ingevoerd. Om deze reden is geen onderzoeksverplichting voor deze afvalstoffen verbonden aan deze vergunning.
Indien in de toekomst door het bedrijf of tijdens een controle wordt vastgesteld dat er sprake is van mogelijke verdergaande preventiemaatregelen kan het bedrijf deze maatregel of een eventueel onderzoek opnemen in het milieujaarprogramma en hierover rapporteren in het jaarverslag. Ook de analyse van de (ontwikkeling in de) afvalcijfers in het jaarlijkse milieujaarverslag biedt het bedrijf de mogelijkheid om het bevoegd gezag te informeren. Verkeer en vervoer In de Wet milieubeheer is bepaald dat aan een vergunning ingevolge deze wet voorschriften worden verbonden met betrekking tot het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het beperken van de nadelige gevolgen voor het milieu van het verkeer van personen en goederen van en naar de inrichting. De vergunningaanvraag is daarom ook beoordeeld op het aspect verkeer en vervoer. Om te bepalen of dit aspect relevant is, worden daarbij de ondergrenzen gehanteerd, zoals die zijn opgenomen in de “Handreiking wegen naar preventie bij bedrijven” (bron: Infomil, februari 2006). Het gaat dan om bedrijven met: • meer dan 100 werknemers, en/of; • meer dan 500 bezoekers per dag, en/of; • meer dan 2 miljoen transportkilometers per jaar voor verladers en uitbesteed vervoer, en/of; • meer dan 1 miljoen transportkilometers per jaar voor eigen vervoerders.
Zoals uit de aanvraag blijkt zijn binnen het bedrijf circa 190 personen werkzaam. Op basis van het akoestisch onderzoek (pagina 4) komen de meeste werknemers met de auto. In de aanvraag is het jaarlijkse aantal transportkilometers niet aangegeven.
MB.09.12
pagina 40 van 98
In de aanvraag zijn geen specifieke maatregelen of voorzieningen ten aanzien van verkeer en vervoer opgenomen. Zoals uit de aanvraag blijkt, worden de grenzen ten aanzien van verkeer en vervoer overschreden. Uit beoordeling van de aanvraag zijn wij van mening dat er bij Artex BV niet voldoende aandacht is voor het aspect vervoersmanagement en dat hier nog milieuwinst te behalen is in de vorm van vervoermanagement (de zorg voor de beperking van de nadelige gevolgen van het verkeer van en naar de inrichting). Dit wordt bereikt door een efficiënte organisatie van het verkeer en vervoer, waarbij de gevolgen van het verkeer en vervoer van en naar de inrichting (van werknemers, bezoekers, zakelijke klanten en goederen) zodanig worden beïnvloed dat de milieubelasting wordt teruggedrongen. In de vergunning is een voorschrift opgenomen voor het treffen van maatregelen op dit gebied.
Milieuzorg Milieuzorg maakt integraal deel uit van de bedrijfsvoering, maar Artex beschikt niet over een gecertificeerd milieuzorgsysteem. Bij Artex vinden de volgende inspecties en registraties plaats: • registratie van (gevaarlijke) afvalstoffen; • registratie van het energieverbruik; • registratie van afvalwatergegevens; • registratie van waterverbruik; • keuringen van koelinstallaties, stoomketel en elektrische installaties; • controle brandblusvoorzieningen . De metingen, inspecties en registraties worden binnen het bedrijf vastgelegd. Er is een voorschrift opgenomen inzake het jaarlijks overleggen van een jaarrapportage over de belangrijkste milieuaspecten en vorderingen over het voorafgaande kalenderjaar. Gezien de aard en omvang van de inrichting zijn voorschriften opgenomen waarin (aanvullende) eisen zijn gesteld aan het milieuregistratiesysteem.
4. GELUID De inrichting van Artex BV is gelegen aan de Bosscheweg 79 op een gezoneerd bedrijventerrein. Bij de aanvraag is een akoestisch rapport gevoegd van KWA Bedrijfsadviseurs BV, d.d. 24 september 2009, rapport nummer 2904670DR02. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Handleiding meten en rekenen industrielawaai (VROM;1999) volgens rekenmethode II. Bedrijfsactiviteiten Representatieve bedrijfssituatie De activiteiten bij Artex BV bestaan met name uit het produceren van velours- en vlakgeweven gordijnstoffen. Als geluidbronnen worden omschreven: geluiduitstraling van geveldelen, behandelingsinstallaties op het dak en transportbewegingen op het buitenterrein. Conform hoofdstuk 1.4 van het akoestisch rapport vinden alle activiteiten plaats van maandag t/m vrijdag tussen 6.00 en 24.00 uur en op zaterdag tussen 6.00 uur en 15.00 uur. Vrachtverkeer vindt enkel in de dagperiode plaats. Personenauto’s kunnen in alle etmaalperioden de inrichting bezoeken. De bronvermogens van de bronnen zijn opgenomen in het genoemde akoestische rapport, nummer 2904670DR02. Incidentele bedrijfsactiviteiten Artex vraagt de mogelijkheid aan om incidenteel op zaterdag tot 18.00 uur te mogen produceren met een maximum van vijf keer per jaar.
MB.09.12
pagina 41 van 98
Toetsing Artex BV is gelegen op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerde industrieterrein. Dit betekent dat de geluidemissie van het bedrijf op de zonegrens niet meer dan 50 dB(A) mag bedragen. Omdat Artex het enige bedrijf op dit industrieterrein is, kan deze zone ook beschouwd worden als een individuele geluidsnormgrens. De langtijdgemiddelde geluidsbelasting, afkomstig van de inrichting mag dan niet meer, maar hoeft ook niet minder te bedragen dan 50 dB(A) ter plaatse van deze grens. Wij hechten echter ook waarde aan het belang van omwonenden. Het is niet noodzakelijk om meer geluidsruimte te vergunnen dan noodzakelijk. Evenals gebruikelijk is bij gezoneerde bedrijventerreinen met meerdere inrichtingen, beschouwen wij daarom de vastgestelde zone als toetsingsgrens. Als hieraan voldaan wordt, wordt de werkelijk benodigde geluidsruimte vergund. Indien er sprake is van een toename van de geluidsbelasting wordt ook beschouwd of met eventuele eenvoudige, redelijkerwijs te treffen maatregelen het belang van omwonenden kan worden beschermd. De werkelijk benodigde geluidsruimte is berekend op 4 vergunningspunten, welke rondom de inrichting zijn gelegen. Vergunningspunten 2, 3 en 4 zijn gesitueerd ter plaatse van woningen van derden. Vergunningspunt 1 was in het verleden ook gesitueerd ter plaatse van een woning van derden. Deze woning is echter verwijderd.
In het kader van het vastleggen van de werkelijke geluidsruimte rondom de inrichting wordt dit vergunningspunt echter wel gehandhaafd. Door de geluidsruimte van de inrichting op deze wijze vast te leggen wordt de inrichting niet beperkt in de bedrijfsvoering, omdat deze geluidsruimte nauwkeurig is berekend middels het akoestische onderzoek, en ondervinden woningen van derden geen onnodige geluidshinder. Voor het maximale geluidsniveau LAmax geldt dat er ter plaatse van woningen buiten het gezoneerde industrieterrein gestreefd dient te worden naar het voorkomen van maximale geluidsniveaus die meer dan 10 dB boven het aanwezige equivalente geluidsniveau uitkomen. De maximale geluidsniveaus mogen ten hoogste 70 dB(A) etmaalwaarde bedragen ter plaatse van deze woningen. Indirecte hinder De indirecte hinder behoeft op een gezoneerd bedrijventerrein in eerste aanleg geen beoordeling, omdat de inrichting zich bevindt op een krachtens de Wet geluidhinder gezoneerd industrieterrein. Echter vanwege het feit dat er maar één bedrijf ontsloten wordt, is de indirecte hinder wel beoordeeld. Hierbij is een toetsing aan de circulaire indirecte hinder aan de orde waarbij een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde gehanteerd wordt.
Resultaten langtijdgemiddelde beoordelingsniveau Uit het rapport blijkt dat de geluidsbelasting, ten gevolge van Artex, ter plaatse van de zonegrens minder bedraagt dan 50 dB(A) etmaalwaarde. De geluidbelasting ter plaatse van de vergunningpunten 2, 3 en 4 (ter plaatse van woningen) neemt af. Ter plaatse van vergunningpunt 1 aan de zuidoostzijde van de inrichting neemt de geluidbelasting ten opzichte van de vigerende vergunning toe met 6 dB(A) op 1,5 meter en 2 dB(A) op 5,0 meter hoogte. Omdat ter plaatse van dit punt geen woning meer is gesitueerd, bestaat er geen noodzaak om maatregelen ter reductie van de geluidsbelasting te treffen. Dit vergunningpunt wordt in het onderhavige vergunningtraject enkel als handhavingspunt beschouwd, voor het vastleggen van de vergunde geluidsruimte. In de voorschriften wordt de berekende geluidsbelasting ter plaatse van de vergunningspunten 1 t/m 4 als geluidsnorm vastgelegd. Resultaten maximale geluidsniveau Uit de resultaten blijkt dat ter plaatse van de vergunningspunten 1 t/m 4 (waarvan ter plaatse van punten 1 t/m 3 woningen van derden zijn gelegen) het maximale geluidsniveau ten hoogste 66 dB(A) bedraagt in de dagperiode, 55 dB(A) in de avondperiode en 55 dB(A) in de nachtperiode. Er wordt voldaan wordt aan de grenswaarde van 70 dB(A) etmaalwaarde.
MB.09.12
pagina 42 van 98
In de voorschriften wordt ter plaatse van de vergunningspunten in de dag-, avond- en nachtperiode aangesloten bij het berekende maximale geluidsniveau. Resultaten indirecte hinder Er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde. Trillingen en laagfrequent geluid Uit de aanvraag blijkt (pagina 2) dat er een uitbreiding is met twee nieuwe weefgetouwen, een fixeerunit en een boomverfapparaat. Met name het aantal weefgetouwen kan van invloed zijn op de trillingshinder. Ten opzichte van 1994 (ten tijde van het trillingsonderzoek) is het aantal weefgetouwen teruggebracht van 130 stuks toen naar 13 stuks nu. Er zijn trillingsdempende maatregelen getroffen in de vorm van luchtkussens. De meest gevoelige woning (punt 1 bijlage 1) voor trillingshinder is afgebroken. Op deze locatie mogen in de toekomst geen nieuwe woningen meer gebouwd worden. Er zijn de afgelopen jaren geen klachten over trillingshinder door omwonenden bij ons of bij Artex gemeld. Ook tijdens een laatste bijeenkomst met direct omwonenden is dit aspect besproken en is aangegeven dat er geen sprake is van trillinghinder. Op basis van deze gegevens verwachten wij dat er geen trillingshinder zal ontstaan en achten wij het niet noodzakelijk dat er een trillingsonderzoek wordt uitgevoerd. In de vergunning is ter bescherming van de omgeving wel een voorschrift met trillingsnormen opgenomen. 5.
LUCHT Procesvoering en luchtemissies Bij Artex BV vinden verschillende activiteiten en processen, met mogelijk relevante emissies naar de lucht, plaats. Dit betreft onder meer de emissies vanuit de spanraaminstallaties, waarop finishing en coatingprocessen van gordijnstoffen worden uitgevoerd, emissies van (verf)drukmachines (direct drukmachine) en vanuit installaties van de crushmachine. Daarnaast is er sprake van emissies naar de lucht door stookinstallaties vanuit het ketelhuis, ruimteventilatiesystemen en vanuit technische dienst. Binnen de inrichting zijn een nieuwe fixeerunit en boomverfapparaat geplaatst. Daarnaast is het oude Montforts spanraam vervangen door een nieuw spanraam. Voor het reinigen van de afgassen van de spanramen is een nieuwe luchtbehandelinginstallatie aanwezig. Het merendeel van de productieprocessen zijn identiek of vergelijkbaar met de al in de vigerende vergunning vastgelegde situatie. Ook de aangevraagde productiecapaciteit in meters te produceren gordijnstoffen neemt niet significant toe. In de aanvraag is vermeld dat er vanwege marktontwikkelingen sprake is van een verschuiving binnen het ‘productenpakket’ van de inrichting. Dit betreft onder meer een toename van de productie van de ‘blackout’ producten. Deze verschuiving gaat gepaard met een toename van het chemicaliënverbruik binnen de inrichting.
Voor zover bekend heeft deze verschuiving binnen het productenpakket en vooral het produceren van ‘black out’ producten ook een significante wijziging in de emissies naar de lucht veroorzaakt en tevens klachten van omwonenden opgeleverd over rook- en geurhinder vanuit het bedrijf. Naar aanleiding van een (eerder) handhavingtraject dat is opgestart en overleg met het bedrijf heeft dit geleid tot het plaatsen van een nageschakelde techniek om de emissies vanuit de spanraaminstallaties, waarop de kritische processen (waaronder ‘black out’) worden uitgevoerd, te beperken. Conform de aanvraag worden alle spanraamemissies behandeld door middel van één nieuwe luchtzuiveringsinstallatie en is het emissiepunt aanzienlijk verhoogd naar 16 meter boven maaiveld. Door de plaatsing van de nieuwe luchtzuiveringsinstallatie zijn de oorspronkelijke emissiepunten van de spanramen van zes naar één emissiepunt teruggebracht, waardoor emissies en de daarmee gehinderde verspreiding van emissies nabij het dak zijn komen te vervallen. In de aanvraag is vermeld dat bij eventuele uitval van de luchtzuiveringsinstallatie, de spanramen stil komen te liggen. Hiermee wordt voorkomen dat ongereinigde emissies van de spanramen in de buitenlucht worden geëmitteerd.
MB.09.12
pagina 43 van 98
Gebruik bypass spanramen De spanramen zijn voorzien van een bypass schoorsteen (extra schoorsteen) voor noodgevallen. Bij gebruik hiervan gaat de afgevoerde lucht niet via de luchtzuivering maar rechtstreeks naar de lucht. De bypass schoorstenen bij de spanramen zijn niet bedoeld voor het lozen van ongereinigde emissie rechtstreeks op de buitenlucht tijdens onderhoudswerkzaamheden. Het onderhoud kan buiten de productietijd plaatsvinden op zaterdagmiddag of op zondag. Hierdoor komen er geen emissies vrij van het productieproces. Artex vraagt vergunning voor het gebruik van deze bypass bij gelijktijdige reiniging en onderhoud van de spanramen en luchtzuivering. Hierbij zouden dan uitsluitend verbrandingsgassen (aardgas) van de spanramen vrijkomen. In de vergunning zal worden vastgelegd dat de bypass schoorsteen gesloten dient te zijn en uitsluitend mag worden gebruikt voor het emitteren van verbrandingsgassen (aardgas). Tevens vraagt Artex om gedurende maximaal 2 maal per jaar gedurende 72 uur de bypass te mogen gebruiken voor de situaties waarbij Artex gedurende langere periode moet wachten op bepaalde onderdelen voor de zuiveringsinstallatie. Om toch te kunnen produceren verzoekt Artex om in deze situatie de productie van lage temperatuur processen (temperatuurprocessen tot maximaal 130 graden) toe te staan, waarbij geen overlast zal ontstaan voor de omgeving.
De aanvraag geeft echter geen inzicht in de emissies en de bijbehorende geurbelasting die zonder de luchtzuivering vrijkomen. De overlast voor de omgeving is hierdoor niet inzichtelijk gemaakt. Indien Artex hiervan gebruik wil maken zal eerst aangetoond dienen te worden wat de emissies zijn en de bijbehorende geurbelasting. Zoals in de aanvraag is aangegeven worden er voldoende onderdelen van de luchtzuivering in voorraad gehouden om de geschetste situatie te voorkomen. Het gebruik van de bypass voor het lozen van ongezuiverde emissies van productieprocessen wordt niet toegestaan. Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht Emissies naar de lucht worden beoordeeld aan de hand van Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NeR). De systematiek van de NeR is gebaseerd op algemene eisen aan emissieconcentraties, die overeenkomen met de Stand van de Techniek van emissiebeperking. Daarnaast zijn er uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. Deze worden in de NeR aangeduid als bijzondere regelingen. De algemene concentratie-eisen zijn gegeven per stof of per klasse van stoffen. Hierbij is in de meeste gevallen ook een drempelwaarde (emissievracht) gegeven, die aangeeft of de emissie zo groot is dat maatregelen te overwegen zijn. De concentratie-eisen in de NeR gelden als bovengrens voor de concentratie in de afgasstroom van een bepaalde, relevante bron.
Daarnaast geeft de NeR, afhankelijk van de specifieke activiteit of sector, ook andere soorten eisen, bijvoorbeeld een eis aan de vracht van een bepaalde uitworp, aan het toepassen van een bepaalde techniek of aan het aanhouden van een zekere afstand. Koolwaterstoffen/ammoniak/benzeen Uit de beoordeling van het bij de aanvraag ter kennisname gevoegde luchtemissieonderzoek (KWA 2004, rapportnr. 2402000DR01) blijkt dat de kritische emissies vanuit de spanraaminstallaties tijdens kritische processen (onder meer het ‘black out’ proces) niet vallen onder de emissie-eisen van de NeR. Er is vastgesteld dat er zich in de afgassen van deze kritische processen koolwaterstoffen (NeR klasse gO.2, gO.3), ammoniak (NeR klasse gA.3) en benzeen bevinden. Voor benzeen (MVP2 stof) geldt bij een emissievracht van 2,5 gram per uur of meer een emissie eis van 1 mg/m03. Voor de klasse gO.2 is opgenomen dat bij een emissievracht van 0,5 kg/uur of meer een emissie-eis van 50 mg/m03 geldt. Voor de klasse gO.3 is opgenomen dat bij een emissievracht van 0,5 kg/uur of meer een emissie-eis van 100 mg/m03 geldt. Uit het luchtemissieonderzoek blijkt dat de gemeten emissievracht van de stoffen uit klasse gO.2 en gO.3 de emissievracht uit de NeR niet worden overschreden. Derhalve gelden geen emissie-eisen voor deze stoffen. De gemeten concentraties van de individuele stoffen zijn zeer gering.
MB.09.12
pagina 44 van 98
Voor klasse gA.3 is opgenomen dat bij een emissievracht van 150 gram per uur of meer een emissie-eis van 30 mg/m03 geldt. In het luchtemissieonderzoek blijkt dat de emissie van ammoniak niet is gemeten. In de vergunning is hiertoe een meetverplichting opgenomen. Met uitzondering van de stof benzeen zijn tijdens de uitgevoerde metingen aan kritische processen geen stoffen geïdentificeerd in de afgassen, waarvoor in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid in de NER een minimalisatieverplichting is opgenomen. Opgemerkt wordt voorts dat uit de aanvraag blijkt dat de toegepaste grond- en hulpstoffen in de inrichting ten behoeve van de coating en finishing processen grotendeels als niet gevaarlijk zijn aangemerkt en in het kader van productontwikkelingen in relatie tot Europese regelgeving in de loop der jaren milieuvriendelijker zijn geworden. Een belangrijke kanttekening in dit kader is nog dat de emissiemetingen zijn uitgevoerd rechtstreeks in de afvoerleidingen van de productie-installaties (spanramen). In februari 2004 was de luchtzuiveringsinstallatie, bestaande uit een gaswasser en een elektrostatische filter, zoals opgenomen in de aanvraag en nu aanwezig in de inrichting, nog niet geplaatst.
Het is aannemelijk dat de emissies van koolwaterstoffen vanuit de installaties tijdens het uitvoeren van kritische processen nu, in verband met de aanwezigheid van de luchtzuiveringsinstallatie, verder zijn verminderd. In deze vergunning wordt een voorschrift opgenomen waarin is vastgelegd dat binnen 12 maanden na het van kracht worden van deze vergunning een emissieonderzoek ter controle moet worden uitgevoerd naar de uitworp van ammoniak, koolwaterstoffen en benzeen. Vluchtige organische stoffen Een aparte groep binnen de koolwaterstoffen zijn de vluchtige organische stoffen (VOS). Door Artex worden in het productieproces met name verf en inkt op waterbasis gebruikt. Een aantal grond- en hulpstoffen bevatten lage concentraties vluchtige organische stoffen. Daarnaast wordt tijdens een specifiek proces isopropylalcohol en voor reiniging in de drukkerij plastwash B gebruikt. Op basis van de aangeleverde informatie bedraagt het VOS gebruik op jaarbasis circa 3000 liter. De VOS-emissies zijn getoetst aan het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer en aan de Nederlandse Emissie Richtlijn Lucht (NeR). Toetsing aan Oplosmiddelenbesluit Op 1 april 2001 is het Oplosmiddelenbesluit omzetting EG-VOS-richtlijn milieubeheer in werking getreden.
Daarin zijn emissiegrenswaarden gesteld met betrekking tot de uitstoot van vluchtige organische stoffen (VOS), voor bepaalde categorieën van vergunningplichtige inrichtingen. In het Oplosmiddelenbesluit zijn voor diverse activiteiten waarbij vluchtige organische stoffen (VOS) kunnen vrijkomen drempelwaarden opgenomen waarboven het besluit van toepassing is. Bij Artex vinden coatingwerkzaamheden plaats van textiel. Het betreft activiteit nummer 8 ‘andere coatingprocessen, waaronder textielcoating’ zoals genoemd in het Oplosmiddelenbesluit. Gezien het jaarverbruik van circa 3 ton bij Artex en de ondergrens van een verbruik van meer dan 5 ton oplosmiddelen per jaar is het Oplosmiddelenbesluit niet van toepassing. In de vergunning zal een voorschrift worden opgenomen dat het totaal verbruik van VOS dient te worden bijgehouden. Toetsing aan de NeR (VOS) De door Artex gebruikte vluchtige organische stoffen (VOS) komen voor in de klassen gO.1, gO.2 en gO.3. De emissie van gO.2 en gO.3 zijn meegenomen met de toetsing aan de koolwaterstoffen zoals in het kopje hiervoor beschreven. Op basis van het onderzoek in 2004 zijn geen organische stoffen aangetroffen behorende tot gO.1.
MB.09.12
pagina 45 van 98
Stof / aërosolen In de NeR zijn voor de emissie van stof/aërosolen emissie-eisen (categorie S) opgenomen. Hierin wordt onderscheid gemaakt in emissie-eisen waarbij filterende afscheiders worden toegepast. De hier toegepaste luchtbehandeIingsinstallatie wordt in de NeR niet beschouwd als een filterende afscheider. De emissie van stof/aërosolen is dan ook getoetst aan de daarbij behorende emissie-eis . Voor de emissie van stof geldt bij een emissievracht van 0,2 kilogram per uur of meer een emissie-eis van 5 mg/m03. Bij een emissievracht van 0,2 kilogram per uur of kleiner geldt een emissie-eis van 20 mg/m03. Het bevoegd gezag kan op basis van een integrale afweging en/of economische aspecten een emissie-eis tussen de 5 en 20 mg/m03 stellen. De emissie van stof/aërosolen tijdens kritische processen en de slechte verspreiding van deze rook onder bepaalde weersomstandigheden hebben in het verleden tot klachten geleid van omwonenden, waarvan een aantal als gegrond zijn beoordeeld. Deze klachten zijn regelmatig besproken met het bedrijf en hebben geleid tot het plaatsen van een luchtzuiveringsinstallatie in combinatie met een 16 m hoge schoorsteen. In het rapport Emissieonderzoek Artex, 2009 van PRA Odournet met nr. ARTE08A2 van d.d. 26 juni 2009 is de aerosolconcentratie bepaald van de in- en uitgaande afgasstroom van de luchtbehandelinginstallatie.
De aërosol emissieconcentratie van de luchtzuiveringsinstallatie bedraagt gemiddeld 5,6 mg/m3. De aërosol emissievracht na de luchtzuiveringsinstallatie bedraagt 0,130 kg/h. De luchtzuiveringsinstallatie bestaat uit een gaswasser en een elektrostatische filter. Dit wordt in de NeR beschouwd als een niet filterende afscheider. In de huidige situatie is het niet mogelijk filterende afscheiders te plaatsen in verband met het hoge vochtgehalte van de afgassen, de wisselende procesomstandigheden en de aanwezige luchtzuiveringsinstallatie. De emissie van aërosolen van gemiddeld 5,6 mg/m3 ligt ruim onder de norm van 20 mg/m03. Door de aangevraagde norm van 20 mg/m03 op te nemen zou meer emissie ruimte gegeven worden dan noodzakelijk en een versoepeling plaatsvinden ten opzichte van de norm van 10 mg/m03 zoals in de oude vergunning is opgenomen. In de vergunning zal dan ook voor stof/aërosolen een norm van 10 mg/m03 worden opgenomen. In het rapport ‘Mogelijkheden voor verdere verbetering van de geurimmissie rond Artex te Aarle-Rixtel’ van juni 2009 (door PRA Odournet, nr. ARTE09A2) is de geïmplementeerde nageschakelde techniek (luchtzuiveringsinstallatie in combinatie met 16 m hoge schoorsteen) beoordeeld en nog onderzocht en uitgewerkt of alternatieve technieken c.q. aanvullende maatregelen mogelijk zijn om de geurimmissie nog verder te verbeteren.
Uit deze rapportage blijkt dat de aanwezige nageschakelde techniek ook in het IPPC referentiedocument (BREF) voor de textielindustrie als BBT-techniek is aangemerkt en dat er redelijkerwijs geen alternatieve technieken of aanvullende maatregelen te vergen zijn, die een verbetering van de (geur)immissiesituatie opleveren. De leverancier van de bij Artex aanwezige luchtwasinstallatie heeft de techniek speciaal voor een producent van spanramen ontwikkeld. Op basis van de aanvraag kan worden gesteld dat de aanwezige zuivering in combinatie met de 16 m hoge schoorsteen conform BBT is. Aan de vergunning zijn voorschriften in dit kader verbonden. Laboratorium In het laboratorium worden proeven gedaan ter ondersteuning van de kwaliteitsdienst en ontwikkeling. Er worden o.a. brandproeven op stukjes stof van circa 25x15 cm uitgevoerd. Dit vindt circa 1 x per week plaats. Daarnaast vinden er dagelijks coatingproeven, uitvervingen, lichtechtheden en finishproeven plaats. Er is een afzuiging aanwezig. Op basis van aanvullende gegevens blijkt dat het jaarverbruik van stoffen in het laboratorium circa 1500 kg pasta, 500 kg binders, 50 kg verdikker, 50 kg impregneerbaden en 10 kg kleurstoffen/pigmenten bedraagt. Gezien de omvang van de activiteiten achten wij het niet
MB.09.12
pagina 46 van 98
noodzakelijk dat er emissiemetingen plaats dienen te vinden. In de vergunning zijn algemene voorschriften opgenomen. Lasdampen Ten aanzien van het beperken van emissie van lasdampen is het Werkboek milieumaatregelen metalektro industrie aangewezen als BBT-document. In bijlage 1 van de module Lassen (maart 2005) van dit werkboek is het Stappenplan nabehandeling lasrookemissies opgenomen. Aan de hand van dit stappenplan kan worden bepaald of nabehandeling van lasrookemissies noodzakelijk is. Bij Artex BV wordt in de werkplaats lasrook mechanisch afgezogen. Er is geen filter in de afzuiging aanwezig. Er wordt circa een half uur per week gelast (MIG/TIG en autogeen) met name staal (80%) en soms ook RVS (20%). Er wordt circa 50 kg toevoegmateriaal op jaarbasis verbruikt. Bij het lassen van roestvast staal (RVS) is filtratie van de lasdampen vereist bij een verbruik van 200 kg lastoevoegmateriaal of meer. Op basis van de laswerkzaamheden en verbruik van toevoegmateriaal is nabehandeling van de lasrook niet noodzakelijk. In de vergunning wordt een voorschrift opgenomen dat het verbruik van toevoegmateriaal ten behoeve van RVS lassen geregistreerd wordt. Daarnaast zijn algemene voorschriften opgenomen in de vergunning. Geur Het algemeen uitgangspunt van het geurbeleid is het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder.
Dit uitgangspunt vormt samen met het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT) de kern van het geurbeleid. Onderdeel van het geurbeleid is dat de lokale overheden de uiteindelijke lokale afweging moeten maken zodat zij rekening kunnen houden met alle relevante belangen om tot een duurzame kwaliteit van de leefomgeving te komen. Het geurbeleid bestaat uit de volgende beleidslijnen: • als er geen hinder is, zijn maatregelen niet nodig; • als er wel hinder is, worden maatregelen op basis van BBT afgeleid; • voor bepaalde branches is het hinderniveau bepaald en in een bijzondere regeling vastgelegd; • de mate van hinder die nog acceptabel is, wordt vastgesteld door het bevoegd gezag. Het landelijk geurbeleid is opgenomen in de NeR. Bij de afweging of het hinderniveau acceptabel is moet de mate van hinder die door het initiatief wordt veroorzaakt worden afgewogen tegen de inspanningen die de initiatiefnemer moet leveren om de hoeveelheid hinder te verminderen. De inspanningen van de initiatiefnemer moeten conform BBT zijn.
In de afweging of het hinderniveau acceptabel is zijn onder andere de volgende aspecten van belang: • de mate van hinder; • de aard en waardering van de geur (hedonische waarde); • omvang van de blootstelling; • het klachtenpatroon; • andere informatie over de hinder en mogelijke emissies; • zijn maatregelen overeenkomstig BBT getroffen; • informatie over mogelijke extra maatregelen; • de lokale situatie waarin onder meer de planologische situatie en de sociaal economische aspecten (bv. werkgelegenheid) een rol spelen; • de historie van het bedrijf in zijn omgeving; • de aanwezigheid van lokaal geurbeleid. De uitkomst van dit afwegingsproces is het acceptabele hinderniveau.
MB.09.12
pagina 47 van 98
Zoals uit de aanvraag blijkt, kunnen de volgende relevante geurbronnen worden onderscheiden: de ruimteventilatie van de hal met spanramen, de direct drukmachine en het emissiepunt van de luchtzuiveringsinstallatie. Het bedrijf heeft in de afgelopen jaren, in overleg met het bevoegd gezag, een aantal emissie-onderzoeken laten uitvoeren. Deze onderzoeken zijn uitgevoerd na intensief overleg met het bevoegd gezag waarbij de kaders zijn aangegeven. Sommige resultaten zijn tevens voor advies voorgelegd aan onder meer de GGD en andere externe deskundigen. Bij deze onderzoeken zijn alle binnen de inrichting relevante geurbronnen door, de door Artex, ingeschakelde deskundigen, bezien. Daarbij zijn de als kritisch beoordeelde processen, de gewijzigde en/of anderszins voor geur relevant geachte processen, nader onderzocht (dat wil zeggen gemeten) en getoetst aan de Nederlandse emissierichtlijn (NeR). Gezien het brede scala aan producten dat binnen de inrichting wordt geproduceerd is door deze deskundige een onderzoeksopzet voorgesteld en uitgevoerd waarbij met een pragmatische onderzoeksinspanning een zo goed mogelijk beeld van de feitelijke situatie is verkregen. Als relevante bronnen worden de ruimteventilatie van hal met spanramen, direct drukmachine en de schoorsteen van de nieuwe luchtzuiveringsinstallatie beschouwd.
Als onderdeel van de aanvraag zijn de volgende onderzoeken en toelichtingen opgenomen: 1. “Emissieonderzoek Artex, 2009”, ARTE08A2, 26 juni 2009, PRA Odournet BV (Bijlage 5); 2. “Mogelijkheden voor verdere verbetering van de geuremissie rond Artex te Aarle-Rixtel”, ARTE09A2, 29 juni 2009, PRA Odournet BV (Bijlage 6); 3. “Toelichting geur en beschrijving luchtzuiveringsinstallatie”, Artex (bijlage 7); In het geuronderzoek is de geuremissie van alle relevante geurbronnen gekwantificeerd door middel van geurmetingen. Voor een deel vonden de metingen al in 2005 plaats. In 2009 zijn metingen uitgevoerd aan de nieuwe luchtzuiveringsinstallatie. Op de nieuwe installatie zijn alle spanramen aangesloten waardoor alle rookgassen afkomstig van de spanramen via de luchtzuiveringsinstallatie worden geëmitteerd. Om inzicht te krijgen in de (on)aangenaamheid van de verschillende geuren en daarmee van de hinderlijkheid, is in bijlage 5 van de aanvraag (Emissieonderzoek Artex 2009 van PRA Odournet (rapportnr. ARTE08A2 van 26 juni 2009) van de belangrijkste geurbronnen van Artex de hedonische waarde bepaald. Uitgaande van deze relatie tussen hedonische waarde en geurhinder is een bedrijfsspecifiek toetsingskader voor Artex afgeleid.
Toetsingskader Artex BV (aaneengesloten woonbebouwing) Grenswaarde 5,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde Richtwaarde 1,3 ouE/m3 als 98-percentielwaarde Piekimmissienorm 13 ouE/m3 als 99,99-percentielwaarde • • •
Grenswaarde:als grenswaarde in bestaande situaties wordt die geurconcentratie (als 98 percentielwaarde) gebruikt waarbij een hedonische waarde H gelijk aan -2 optreedt. De grenswaarde mag in principe nooit worden overschreden. Richtwaarde:als richtwaarde in bestaande situaties wordt die geurconcentratie (als 98percentiel) gebruikt waarbij een hedonische waarde H gelijk aan -1 optreedt. Piekimmissienorm: om te hoge immissiepieken te voorkomen wordt er aanvullend aan de bovengenoemde normen ook een piekemissienorm gesteld. Deze norm bestaat uit het tienvoudige van de richtwaardeconcentratie als 99,99-percentielwaarde.
MB.09.12
pagina 48 van 98
In de onderstaande tabel zijn de belangrijkste resultaten van de metingen van de relevante geurbronnen van Artex weergegeven. Overzicht van de geuremissie van Artex BV Bron Ruimteventilatie met spanramen Direct drukmachine Schoorsteen luchtzuiveringsinstallatie HOOG Schoorsteen luchtzuiveringsinstallatie NORMAAL
emissieduur [h/jr] 3500 555 900 2600
Geuremissie [106 ouε/h] < 1,1 11,3 151 71
Conclusie In de vergunning van 2002 is in de considerans vastgesteld dat de bedrijfsvoering van Artex BV een geuremissie teweeg brengt met een acceptabele hinderniveau. Hiermee wordt impliciet ook emissie van geur vergund ondanks het ontbreken van voorschriften. Het coaten van stoffen is een vergunde activiteit. Met betrekking tot geur is er dus sprake van een bestaande situatie. De luchtbehandeIingsinstallatie wordt als nieuwe installatie beschouwd. Op basis van de aanvraag kunnen we concluderen dat de toepaste techniek van luchtwassing in combinatie met een elektrostatische filter op basis van milieurendement en economische afwegingen conform BBT is. Uit het onderzoek kan worden afgeleid dat het aandeel van de schoorsteen van de luchtzuiveringsinstallatie in de totale jaarlijkse geuremissie 98% bedraagt. De richtwaarde van 1,3 ouε/m3 als 98-percentielwaarde wordt niet overschreden ter plaatse van de woonbebouwing in de naaste omgeving van het bedrijf. De hoogste concentratie, piekwaarde (als 99,99-percentielwaarde) die ter hoogte van de woonbebouwing optreedt bedraagt 6 ouε/m3. De piekimmissienorm van 13 ouε/m3 als 98-percentielwaarde wordt nergens overschreden. Geconcludeerd kan worden dat de geurnormen van het toetsingskader nergens worden overschreden.
Door de toepassing van de nieuwe luchtzuiveringsinstallatie is de geurimmissie naar de omgeving ten opzichte van de vergunde situatie afgenomen. In de vergunning zal de richtwaarde van 1,3 ouε/m3 als 98-percentielwaarde als norm worden opgenomen. Door middel van voorschriften aan de vergunning wordt geborgd dat de installaties (periodiek) worden onderhouden. Dit ter waarborging van een goede werking van de installaties. Daarnaast dient Artex een urenregistratie bij te houden van het gebruik van de spanramen (Santex, Bruckner nieuw en oud) voor de processen met hoge emissies zoals:Black out 4e laag, coaten bij hoge temperatuur, Lumina 2e laag coaten bij hoge temperatuur crêpe coaten bij hoge temperatuur. Het aantal uren wordt in de vergunning vastgelegd op maximaal 900 uren per jaar gebaseerd op het bij de aanvraag behorende bijlage 5 emissieonderzoek Artex, 2009. Daarnaast zal in de voorschriften een verplichting worden opgenomen voor registratie van het jaarlijkse grond- en hulpstoffenverbruik bij de spanramen en direct drukmachine. Tevens zal in de vergunning een voorschrift worden opgenomen dat een interne procedure dient te worden opgesteld waarbij geborgd wordt dat bij geurklachten terugkoppeling plaats vindt met de leverancier en aanpassing van de grond- respectievelijk hulpstoffen plaats vindt om de overlast te beperken.
Een overzicht van ontvangen klachten en de door Artex uitgevoerde acties hierop dienen jaarlijks aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. Door het stellen van deze voorschriften wordt het voorkomen van geurhinder in de omgeving voldoende geborgd. Er wordt voldaan aan de BBT.
MB.09.12
pagina 49 van 98
Kantine In de kantine van Artex worden warme maaltijden bereid. Ten behoeve van het voorkomen van geurhinder afkomstig van het bereiden van warme maaltijden in de keuken van de kantine is in de vergunning een filter voorgeschreven. Stookinstallaties De brander is in 1992 gebouwd en in 1994 opgenomen in de milieuvergunning. Voor de gasgestookte ketel geldt een basisemissie-eis voor NOx van 100 mg/m3. De indicatieve gemeten NOx-emissie bedraagt 72 mg/m3. De NOx-emissie voldoet aan Bees B. Bij vervanging van de brander geldt een NOx-emissie eis tot aan 70 mg/m3. Op 1 april 2010 is het Bees B ingetrokken en vervangen door het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer (BEMS). De stoomketel met een vermogen van circa 7 MW valt onder BEMS. Hierin is opgenomen dat een bestaande stookinstallatie voldoet aan de emissiegrenswaarden die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit voor die installatie golden ingevolge het BEES B. Vanaf 1 januari 2017 dient de stookinstallatie te voldoen aan een emissiegrenswaarde van 70 mg/m3 voor NOx. Het BEMS heeft een rechtstreekse werking, er worden daarom geen voorschriften met betrekking tot de emissies, keuring en onderhoud van de stoomketel opgenomen. Wet luchtkwaliteit De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414).
Met name hoofdstuk 5, titel 2 is veranderd. Aangezien dit deel handelt over luchtkwaliteit, staat de nieuwe titel 2 inmiddels bekend als de nieuwe 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het tot dan geldende ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De wet beschrijft de emissies die ontstaan als gevolg van verkeersaantrekkende werking. Het betreft hier de zes componenten stikstofdioxide, fijnstof (zwevende deeltjes), zwaveldioxide, koolmonoxide, benzeen en lood. Met het in werking treden van de nieuwe Wet is de koppeling tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de gevolgen voor de luchtkwaliteit, aanmerkelijk flexibeler geworden. Belangrijk hierbij is het begrip ‘Niet In Betekenende Mate’ (NIBM). Ontwikkelingen, projecten en activiteiten die NIBM bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hoeven door het bevoegd gezag (in principe) niet meer afzonderlijk te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De toetsing vindt op provinciaal en landelijk niveau plaats in het kader van projecten die wèl “In Betekenende Mate” bijdragen (IBM). In de Wet zijn diverse activiteiten gedefinieerd die als NIBM worden beschouwd. Dit zijn woningen, kantoren en enkele beperkte bedrijfsmatige activiteiten. Een aanvullende beoordeling is dus voor de activiteiten van Artex nodig.
Bij de beoordeling en toetsing moet onderscheidt gemaakt worden tussen de verandering van de luchtkwaliteit als gevolg van de inrichting zelf (verkeersaantrekkende werking, etc.) of de invloed van de omgeving op het plan. Het betreft hier de verandering van de emissies als gevolg van de veranderde inrichting zoals omschreven in de aanvraag (bijlage 8). De omgeving wijzigt niet (significant). In de aanvraag wordt overigens nog gesproken van de verouderde aanduiding ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. Aangezien de Wet milieubeheer de eerdere regels en grenswaarden integraal heeft overgenomen, wordt dat in het geval van Artex niet als beperkend gezien. Uit de beoordeling van de luchtkwaliteit (bijlage 8 van de aanvraag “Toets Besluit luchtkwaliteit voor Artex B.V. te Aarle-Rixtel, ARTE09A3, 29 juni 2009, PRA Odournet BV ) blijkt dat het bedrijf voldoet aan de gestelde grenswaarden van zwevende deeltjes (PM10), stikstofdioxide (NO2) en benzeen. De overige componenten zijn niet relevant. Er wordt aan de geldende wetgeving voldaan. Er behoeven geen nadere voorschriften te worden opgenomen.
MB.09.12
pagina 50 van 98
Samenvattend Samenvattend kan voor het onderdeel lucht worden gesteld dat het verlenen van onderhavige milieuvergunning niet tot een verslechtering leidt ten opzichte van de vergunde situatie voor wat betreft de concentratie in de buitenlucht van de door Artex geïmmiteerde stoffen op basis van de aanwezige machines en processen (rookgassen, stof) na de luchtzuiveringsinstallatie en van de in de Wet luchtkwaliteit genoemde stoffen (voor zover deze voor onderhavige inrichting relevant zijn).
6. BODEM Bodembescherming Het preventieve bodembeschermingsbeleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB). Doelstelling van de NRB is het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico (bodemrisicocategorie A) bij het uitvoeren van bodembedreigende activiteiten. Een verwaarloosbaar bodemrisico kan volgens de Bodemrisicochecklist van de NRB vaak op verschillende manieren worden gerealiseerd. Globaal is de NRB-aanpak samen te vatten als "vloeistofdichte vloeren met een minimum aan gedragsvoorschriften", of "vloeistofkerende vloeren en/of lekbakken met een zwaar accent op de daarop toegesneden gedragsvoorschriften". Bij Artex BV worden de volgende bodembedreigende activiteiten uitgevoerd. • opslag van gevaarlijke grond-, afval- en hulpstoffen; • opslag van oliehoudend metaal; • de werkplaats; • veredeling; • de ververij en verfkeuken; • spoelruimtes, wasmachines, • riolering. Bij de aanvraag (bijlage 13) is een bodemrisicodocument (KWA, rapportnr. 2602570DR01 d.d. 23-6-2006) overgelegd. Daarin is een opsomming gegeven van activiteiten en opslagen bij Artex BV. Per onderdeel is aangegeven of het een bodembedreigende activiteit betreft, welke voorzieningen en maatregelen al zijn getroffen, en in welke bodemrisicocategorie de activiteit, in de huidige uitvoering, valt.
Indien een activiteit niet in bodemrisicocategorie A (verwaarloosbaar risico) valt is aangegeven welke aanvullende maatregelen en voorzieningen mogelijk zijn ten einde alsnog een verwaarloosbaar bodemrisico te realiseren. Uit de beoordeling van dit bodemrisicodocument blijkt dat de beschreven technische maatregelen en voorzieningen en de te hanteren organisatorische maatregelen en faciliteiten niet in alle gevallen (aanvraag tabel 5.1 bijlage 13) tot een verwaarloosbaar bodemrisico (bodemrisicocategorie A) zullen leiden. De in de tabel 5.1 voorgestelde fysieke maatregelen dienen te worden getroffen om ook bij de in deze tabel 5.1 genoemde activiteiten te kunnen voldoen aan een verwaarloosbaar bodemrisico. Door Artex is voor de riolering een summier plan van aanpak ingediend. Hierin is aangegeven dat het riool niet overal voldoende lekdicht is en dus aangepast dient te worden. De aanpassing wordt bemoeilijkt door de ligging van de riolering (dwars onder de fabriek) en doordat de riolering zowel gebruikt wordt voor de afvoer van proces- als hemelwater. Een gedeelte van het hemelwater (circa 6000 m2 ) is onlangs afgekoppeld. Een volgende verdere afkoppeling van het hemelwater zal in combinatie met vervanging/omleiding van het proceswaterriool gefaseerd worden aangepakt. In de eerste fase (2011) zal de riolering aan de buitenzijde van de fabriek worden vervangen/aangepast.
In de tweede fase (2012) zal de riolering onder de fabriek worden aangepakt. Het plan van aanpak dient nog zowel technisch als financieel verder gespecificeerd te worden. De bodemrisicochecklist wordt als basisdocument gezien. De checklist dient dan ook steeds geactualiseerd te worden en beschikbaar te zijn. Dit zal in de voorschriften worden opgenomen. Bodemonderzoek
MB.09.12
pagina 51 van 98
Het preventieve bodembeschermingsbeleid, uitgewerkt in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming bedrijfsmatige activiteiten (NRB) gaat er van uit dat (zelfs) de maatregelen en voorzieningen die leiden tot een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig kunnen uitsluiten dat onverhoopt een belasting van de bodem optreedt. Om die reden blijft bodembelastingonderzoek noodzakelijk. Om het referentieniveau van de bodemkwaliteit vast te leggen is een nulsituatieonderzoek nodig. Daarmee wordt een toetsingsgrondslag verkregen met het oog op toekomstige bodemverontreiniging. Daarnaast is het uitvoeren van een vergelijkbaar eindsituatieonderzoek (en eventueel een tussensituatieonderzoek) nodig om aantasting van de bodemkwaliteit aan te kunnen tonen. Uit de aanvraag blijkt dat de bodemnulsituatie van de inrichting is vastgelegd in de volgende rapporten: • Nulsituatie bodemonderzoek (Heidemij, 13/11/1995, 632/ZF95/7980/35066-1); • Verkennend bodemonderzoek uitgevoerd voor de locatie achterterrein (Promeco, maart 1997, 030397/MS); • Nader bodemonderzoek (Promeco, februari 2001, 060900/IS); • Nader bodemonderzoek (KWA, mei 2008, 2606700DR01). Op het terrein is een VOCl-verontreiniging aangetroffen die gesaneerd moet worden. Artex heeft zich aangesloten bij de BSB-operatie (Stichting BSB-zuid).