CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

18 20211014 Vigende milieuvergunning Artex 16-11-2010.pdf

Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Artex51.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 6

Aangezien deze afvoer- en verwerkingswijze niet voldoet aan het gestelde in het LAP, had vergunningverlening op dat vlak niet mogelijk mogen zijn dan wel overgegaan moeten zijn tot weigering in plaats van de thans opgenomen onderzoeksverplichting. Door het verbinden van een. dergelijk voorschrift wordt een met het LAP strijdige afvalstoffenbeleid feitelijk gedoogd. Weerlegging Het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP) is in werking getreden op 24 december 2009. De aanvraag is van 23 september 2009, Artex BV heeft hierdoor nog niet kunnen anticiperen in haar aanvraag op het afvalstoffenbeleid. Het betreft hier specifiek de afvalstroom textielafval van Artex (129 ton op jaarbasis). In het LAP (hoofdstuk 6) is textielafval geselecteerd als prioritair voor de ketenaanpak in het afvalbeleid in de komende planperiode. De textiel afvalstroom wordt bij Artex ongesorteerd (hard en zacht materiaal) afgevoerd ten behoeve van verbranding. Het bedrijf voldoet hiermee ten tijde van de aanvraag niet aan het nieuwe afvalbeleid. Om te borgen dat Artex aan het LAP voldoet is in de onderhavige vergunning voorschrift 4.1.2 opgenomen waarin een onderzoeksverplichting is opgenomen naar het mogelijk recyclen en hergebruik van textielafval.

Tevens is vastgelegd dat op basis van het onderzoeksrapport het bevoegd gezag nadere eisen kan stellen met betrekking tot het scheiden van de textielafvalstromen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 28. Aan de vergunning zijn slechts 3 punten vastgelegd als vergunningpunten. Op de noordoosten zuidoostzijde van de zone is geen vergunningpunt geprojecteerd. Vanuit het oogpunt van handhaving en het vastleggen van de geluidbelasting in de vergunning richting die zijden van de inrichting wordt verzocht om aanvullende punten op te nemen in de beschikking. Op die manier is inzichtelijk wat de geluidimpact en -uitstraling richting de volledige omgeving is.

MB.09.12

pagina 17 van 98

Weerlegging De geluidsbelasting wordt niet alleen vastgelegd door middel van de vergunningspunten, maar ook door middel van de geluidscontour in bijlage 7 van het akoestische rapport zoals bij de aanvraag toegevoegd. Uit deze bijlage blijkt dat er geen relevante geluidsuitstraling te verwachten is ten noordoosten van de inrichting. Ten zuidoosten is vergunningspunt 1 gelegen. Hoewel er ter plaatse van dit vergunningspunt geen woning meer is gelegen en er dus niet getoetst hoeft te worden aan de geluidsnormen, kan dit punt wel gebruikt worden voor het vastleggen van de geluidsbelasting. De zienswijze betreft een redelijk verzoek, op basis waarvan wij besluiten om ten zuidoosten van de inrichting een vergunningspunt 1 op te nemen in de voorschriften. Omdat ten noordoosten geen relevante geluidshinder te verwachten is, achten wij het niet noodzakelijk in deze richting ook een vergunningspunt op te nemen. Wij achten de zienswijze gedeeltelijk gegrond. Voorschrift 8.1.2 en 8.1.3 zijn aangevuld met vergunningpunt 1. Tevens is de considerans hoofdstuk 4 geluid hierop aangepast. 29. Overigens zijn aan de (ontwerp)beschikking met elkaar strijdige geluidsvoorschriften gesteld. In voorschrift 8.1.1 wordt namelijk 50 dB(A) vergund op de contour terwijl in vergunningvoorschrift 8.1.2 lagere waarden zijn opgenomen op punten welke nagenoeg op die contour liggen.

Voorts leidt voorschrift 8.1.1 tot het vergunnen van meer geluidsruimte dan aangevraagd en noodzakelijk voor de bedrijfsvoering van Artex en wordt in dat voorschrift ten onrechte de vergunde waarde op een hoogte van 5 meter boven maaiveld gesteld. In de dagperiode moet dit echter 1,5 meter zijn. Voorgesteld wordt derhalve om voorschrift 8.1.1 te laten vervallen en voorschrift 8.1.2 aan te vullen zoals hierboven beschreven. Weerlegging Uit deze zienswijze blijkt dat er inderdaad sprake is van een tegenstrijdigheid in de voorschriften. De contour, waarnaar verwezen wordt in voorschrift 8.1.1 betreft de vastgestelde geluidszone voor het industrieterrein, waarvan Artex als enige inrichting deel uitmaakt. De zonecontour betreft de maximale geluidsruimte, die toegestaan kan worden aan Artex. Dit moet worden beschouwd als toetsingscriterium en niet als geluidsnorm. Uit de resultaten van het akoestische rapport blijkt dat met betrekking tot de geluidsbelasting, veroorzaakt door Artex, voldaan wordt aan de maximaal toelaatbare geluidsbelasting van 50 dB(A) etmaalwaarde op de geluidszone. In de vergunning dient enkel de benodigde geluidsruimte toegestaan te worden. Deze benodigde geluidsruimte wordt weergegeven in bijlage 7 van het akoestische rapport (bijlage 3 van de aanvraag).

In de voorschriften kan hierop aangesloten worden door middel van het vastleggen van de toegestane geluidsniveaus op de vergunningspunten, welke ook behandeld zijn in de vorige zienswijze. Voorschrift 8.1.1 dient te vervallen. Wij achten de zienswijze gegrond. Voorschrift 8.1.1 vervalt en in voorschriften 8.1.2 en 8.1.3 worden de toegestane geluidsniveaus als geluidsnorm opgenomen ter plaatse van de vergunningspunten. De considerans behorende bij hoofdstuk geluid is hierop aangepast. 30. Overigens is in voorschrift 8.1.2 een andere waarde op punt 4 opgenomen in de nachtperiode ten opzichte van die zoals vermeld In het akoestisch rapport. Deze omissie dient eveneens hersteld te worden. Weerlegging In voorschrift 8.1.2 wordt inderdaad ter plaatse van beoordelingspunt 4 een waarde van 28 dB(A) toegestaan in de nachtperiode terwijl uit het akoestisch rapport volgt dat het geluidsniveau op dit beoordelingspunt 27 dB(A) bedraagt in de nachtperiode. Voorschrift 8.1.2 wordt aangepast. Wij achten de zienswijze gegrond. 31.

MB.09.12

pagina 18 van 98

Het aspect trilling is nog steeds niet onderbouwd middels een onderzoek. Door de aanvrager is een aanvulling d.d. 11 mei 2010 op de aanvraag ingediend. Deze aanvulling geeft tegenstrijdige informatie met betrekking tot de productie-uren. In relatie tot de reeds eerder ingediende stukken. Gesuggereerd wordt dat er alleen maar in de dagperiode wordt geproduceerd terwijl in de originele aanvraag op een andere wijze vergunning is aangevraagd. Door op onvoldoende wijze invulling te willen geven aan de onderzoekverplichting, is nog steeds geen duidelijkheid gegeven ten aanzien van dit aspect voor de verlening van een mogelijke vergunning dan wel in de haalbaarheid/redelijkheid van de gestelde normen. Door op basis van verwachtingen de uitvoering van een trillingsonderzoek niet noodzakelijk te achten en dit niet te toetsen met concrete gegevens welke een goed beeld geven van de milieu-impact, is er onvoldoende aandacht gegeven aan de milieu-impact op dit specifieke gebied. Weerlegging Beoordeling van hinder geschiedt op basis van de meest actuele gegevens. Er dient rekening gehouden te worden met eventuele afwijkingen in de aanvulling ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag. Wij zijn van mening dat we in de ontwerpbeschikking met voldoende zorgvuldigheid een inschatting hebben gemaakt van de te verwachten trillingshinder.

Op basis van gunstige wijzigingen in de bedrijfsvoering ten opzichte van de bedrijfssituatie ten tijde van het eerder uitgevoerde trillingsonderzoek, de getroffen maatregelen, het feit dat de meest gevoelige woning ondertussen is afgebroken en omdat er geen klachten bekend zijn met betrekking tot trillingshinder, verwachten wij dat er geen sprake zal zijn van trillingshinder ter plaatse van woningen van derden en dat er daarom voldaan zal kunnen worden aan de standaard trillingsnormen conform de meet- en beoordelingsrichtlijn trillingen van de SBR, deel B, Hinder voor personen in gebouwen, uitgave augustus 2002. Het eisen van een nieuw trillingsonderzoek is onder de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk voor het nemen van een zorgvuldig besluit. Het eisen van een nieuw trillingsonderzoek zou onnodig bezwarend zijn voor de drijver van de inrichting. Wij achten de zienswijze ongegrond. 32. Ten aanzien van het gebruik van de bypass wordt gevraagd om dit, mocht de gemeente van mening zijn om dit gebruik bij onderhoud en afregeling toe te staan, expliciet te benoemen in vergunningvoorschrift 1.2.4. Hiermee is voor een ieder duidelijk dat dit vooraf gemeld dient te worden bij het bevoegd gezag. Voetnoot 4 in het aanvraagdocument blijft overigens afbreuk doen om in noodgevallen een emissie per installatie ongezuiverd te kunnen laten plaatsvinden.

Ook de aanvulling gedateerd 27 april 2010 m.b.t. het afsluiten van bypass schoorstenen spanramen houdt de mogelijkheid open dat de bypass ingeschakeld dient te worden. Waarom is en blijft het bedrijf escapes inbouwen om via de bypass te kunnen emitteren en is men niet duidelijk en transparant m.b.t. de inschakelingoptie?? Zoals geschetst in de aanvulling kan betrekkelijk eenvoudig en ongecontroleerd de bypass worden ingeschakeld zonder dat systemen en/of installaties dit bemerken. De gemeente Laarbeek en omgeving wordt middels onderhavige vergunningaanvraag nog steeds onvoldoende duidelijkheid verschaft hoe nu gehandeld wordt in noodgevallen. Zijn dit situaties die moeten worden beschouwd als incidenten of breekt nood alle wetten (incl. die van de Wet milieubeheer)? Ook wordt afgevraagd wat bedoeld wordt met de term 'afregeling' in vergunningvoorschrift 11.1.8. Bij een inregelproces zullen namelijk meer dan enkel en alleen verbrandingsgassen geëmitteerd worden. Weerlegging Wij achten de zienswijze gedeeltelijk gegrond en zullen niet voorschrift 1.2.4 maar voorschrift 11.1.8 aanpassen. De aanvulling is met vet aangegeven, het voorschrift wordt dan: De bypass schoorstenen bij de spanramen dienen altijd uitgeschakeld te staan respectievelijk gesloten te zijn.

De bypass schoorstenen mogen uitsluitend worden gebruikt voor de emissie van verbrandingsgassen (van aardgas) bij onderhoud en afregeling van de spanramen bij

MB.09.12

pagina 19 van 98

gelijktijdig onderhoud aan de zuiveringsinstallatie. Het gebruik van de bypass schoorstenen dient te worden geregistreerd in een logboek en ter controle voor bevoegd gezag beschikbaar te zijn. Geregistreerd dient te worden datum, tijd en tijdsduur van gebruik.

33. Op pagina 22 van het beoordelingsverslag, welke onderdeel vormt van de ontwerpbeschikking, wordt gesteld dat verlening van onderhavige milieuvergunning niet leidt tot een verslechtering ten opzichte van de vergunde situatie voor wat betreft lucht. Wij onderschrijven deze conclusie niet. De vigerende vergunning spreekt namelijk niet van emissies op dit gebied en evenmin zijn daaraan op dat vlak (logischerwijs) voorschriften verbonden. Weerlegging De productverschuiving naar meer black-out producten leidt tot meer emissies naar de lucht ten opzichte van de vergunde situatie. De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, tweede lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Door Artex zijn maatregelen getroffen om de emissies naar de lucht zoveel mogelijk te voorkomen cq te beperken. Door de aanwezige zuiveringsinstallatie blijven de emissies binnen de geldende normen conform de NeR. Derhalve is er geen reden de vergunning te weigeren op grond van het bepaalde in artikel 8.10 Wm.

Aan de vergunning zijn naleefbare en handhaafbare voorschriften verbonden die voldoen aan de eisen van BBT. Derhalve is er ook geen reden de vergunning te weigeren op grond van het bepaalde in artikel 8.11 Wm. Wij achten de zienswijze ongegrond. 34. Uit de waterparagraaf blijkt dat Artex na verlening van de Wvo-vergunning nimmer aan de vigerende (lozings)normen heeft kunnen voldoen. Sinds 2002 wordt feitelijk deze situatie gedoogd. Middels onderhavige vergunningaanvraag verzoekt Artex om verruiming van de lozingsnormen. Afgevraagd moet worden of deze handelswijze legitiem is en in hoeverre deze historische situatie middels een nieuw te verlenen vergunning gelegaliseerd mag worden. Het nalevingsgedrag spreekt niet ten voordele van het bedrijf en de vraag is of voldoende inspanning is of wordt gegeven aan het verkrijgen van een optimale samenstelling van het te lozen afvalwater. Weerlegging De verruiming van de lozingsnormen is door het Waterschap Aa en Maas getoetst en positief beoordeeld. Dit is een advies vastgelegd. Wij hebben dit advies overgenomen en vastgelegd in onderhavige vergunning. Het betreft hier een vergunning als bedoeld in artikel 8.4 Wm Dit houdt in dat er verruiming van de lozingsnormen of andere (nog) niet vergunde bedrijfsactiviteiten kunnen worden aangevraagd, wij achten de zienswijze ongegrond. 35.

Gezien de slechte gesteldheid van het bedrijfsriool moet daarnaast worden afgevraagd of de in de considerans beschreven fasering qua aanpak van het riool wel gewenst is. Immers, zowel het bedrijf als gemeente weten al sinds 2006 na het opstellen/overleggen van het bodemrisicodocument dat de riolering aangepast dient te worden en dat dit een hoge prioriteit heeft. Door verlening van de beschikking in deze vorm/opzet wordt opnieuw een situatie gedoogd voor een periode van zo'n 2 jaar. De vraag is of het gedogen van een voor het milieu niet wenselijke situatie voor zo 'n lange periode in deze context gewenst is en of dit

MB.09.12

pagina 20 van 98

in de lijn is met jurisprudentie van de Raad van State op dit vlak. Voorts wordt hiermee een vergunning verleend die niet in de lijn is met het BBT-principe. Weerlegging De gesteldheid van de riolering dient nader te worden onderzocht zodat duidelijk is welke stukken nog goed zijn en welke vervangen dienen te worden. Hiertoe is voorschrift 9.4.2 in de vergunning opgenomen. Op basis van de resultaten van het onderzoek zal de riolering verder aangepakt worden. Artex heeft hiertoe een planning ingediend die onderdeel uitmaakt van de aanvraag. Verder zijn in paragraaf 9.4 voorschriften opgenomen waaraan de riolering dient te voldoen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 36. Verder wordt een bemonsteringsverplichting opgelegd inzake afvalwater. Betreffende bemonstering behoeft enkel geanalyseerd te worden op de parameters CZV en N-kj zoals vastgelegd in voorschrift 10.4.1. Echter, ook in voorschrift 10.1.2 worden lozingseisen gesteld aan te lozen afvalwater. Voorgesteld wordt om ook deze deelparameters mee te nemen in de bemonstering en analyseverplichting. Daarnaast is niet gemotiveerd aangegeven op welke wijze de bemonsteringsfrequente is vastgesteld. Een wekelijkse bemonstering zou meer in de lijn liggen dan de thans genoemde 35 maal per jaar.

Weerlegging In het handboek Wvo-vergunningverlening is opgenomen dat voor lozing van gevaarlijke stoffen een frequentie moet worden toegepast waarmee een representatief beeld wordt verkregen van de concentratie en van de totale hoeveelheid die van een bewuste stof per nader vast te stellen tijdseenheid wordt geloosd. Voor lozingen van geringe omvang, lees minder gevaarlijke stoffen, kan met een vereenvoudigde controleprocedure worden volstaan. In het handboek is geen nadere toelichting of methodiek beschreven waarmee een monsternamefrequentie bepaald kan worden. Uit de aanvraag blijkt dat de aangevraagde lozingsnorm is gebaseerd op het aantal meetdagen in 2008 en 2009. Artex heeft in 2008 en 2009 op ruim 70 representatieve dagen meting en bemonstering van het afvalwater uitgevoerd. Dit aantal meetdagen is berekend met behulp van het programma Ribohep. Dit programma bepaald op basis van de mate en variatie in vervuilingswaarde een meetfrequentie die een representatief beeld geeft van de lozing. In de voorschriften is deze voor 2008 en 2009 berekende representatieve meetfrequentie als minimumvariant in de voorschriften opgenomen. Omdat er in de voorschriften sprake is van een minimum variant die een representatief beeld geeft van de lozing, is aanpassing van artikel 10.4.1. niet nodig.

De 35 meetdagen die nu in de vergunning zijn opgenomen, geven een representatief beeld van de lozing. De ingediende zienswijze verklaren wij ongegrond. Het opgenomen monitoringsprogramma is gericht op de parameters die gevolgen (kunnen) hebben voor de doelmatige werking van de rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). De parameters in voorschrift 10.1.2 zijn met name van belang voor de bescherming van de riolering. In de aanvraag is aangegeven dat het afvalwater een pH heeft van circa 7,5-8,5 en een temperatuur tussen de 15 en 18 graden Celsius. In de aanvraag zijn echter geen analyseresultaten bijgevoegd die dit ondersteunen. Hierdoor achten wij het gegrond om een jaarlijkse meetverplichting op te nemen voor temperatuur, zuurgraad en sulfaatgehalte. Hiervoor zal een extra voorschrift 10.1.3 worden opgenomen. Voorschrift 10.1.3 De in voorschrift 10.1.2 genoemde parameters, temperatuur, pH en sulfaatgehalte dienen 1 keer per jaar te worden bepaald. De resultaten dienen jaarlijks aan het bevoegd gezag te worden toegezonden. 37.

MB.09.12

pagina 21 van 98

Aan de op basis van het Barim gestelde eis dat hemelwater in principe dient te worden geloosd op een openbaar hemelwaterstelsel voldoet Artex op dit moment niet. In de considerans wordt gesteld dat Artex in overleg met de gemeente is over een verdergaande afkoppeling. Aan de vergunning zijn echter geen afspraken in de vorm van voorschriften en/of eisen gesteld waardoor er een ongewenste lozingssituatie kan (blijven) ontstaan. Op dit moment is het stellen van aanvullende voorschriften op dit gebied gewenst. In de reactie op een eerdere zienswijze (zie pagina 31 considerans) wordt volledige afkoppeling niet redelijk geacht maar er wordt geen concrete en handhaafbare afspraken opgelegd in welke mate en wanneer Artex aan de inspanningsverplichting heeft voldaan. Weerlegging In aanvullende informatie is door Artex aangegeven dat circa 22.000 m2 dakoppervlakte en 4.000 m2 van verhard terrein van de bedrijfsriolering wordt losgekoppeld in 2010. In het Barim is de lozing van hemelwater niet afkomstig van bodembeschermende voorzieningen uitputtend geregeld. In het kader van Barim is het niet mogelijk om voor deze lozing maatwerkvoorschriften op te nemen. De voorschriften uit het Barim voldoen voor Artex. Wij achten de zienswijze ongegrond. 38. Als reactie op de proefproductie stelt de gemeente dat de proefproductie plaatsvindt binnen de in de vergunning opgenomen normen.

Verzuimd is aan te geven hoe men dit heeft bepaald dan wel vastgelegd en in hoeverre voldoende informatie voor handen is om inzicht te krijgen in de milieueffecten van deze proefproductie/specifieke activiteit. Weerlegging Proefproducties bestaan in belangrijke mate uit variaties op bestaande producten. Dit betekent dat de gebruikte grondstoffen voor proefproducties in de meeste gevallen overeenkomen met de reguliere producties, alleen in iets andere verhoudingen. Alle proefproducties lopen over de spanramen die allen aangesloten zijn op de gaswasser. De vrijkomende emissies worden dus allemaal behandeld in de luchtzuivering. Bij de uitvoering van proefproducties wordt gehandeld volgens een specifieke interne procedure. Deze maakt onderdeel uit van de aanvraag (aanvulling van 17 mei 20100). Hierbij wordt onder andere aandacht besteed aan de controle op de samenstelling (zitten er bijvoorbeeld geen CMR stoffen in), op de inzetbaarheid binnen de geldende vergunning (toetsing ABM mbt afvalwaterlozing) en op overige relevante milieu-aspecten (ontstaat er meer geur dan de reguliere productie, ontstaat er rook). De proefproductie wordt eerst op laboratoriumschaal getest. Om deze werkwijze te borgen wordt in de vergunning een tweetal voorschriften extra opgenomen. Wij achten de zienswijze gegrond.

Aanvullend voorschrift 11.1.14 Vergunninghouder dient de interne werkprocedure voor het toepassen van nieuwe stoffen en proefproducties steeds actueel te houden met betrekking tot de milieuaspecten. Een proefproductie dient eerst op laboratoriumschaal te worden getest alvorens een proefproductie mag worden uitgevoerd. In de werkprocedure dient aangegeven te worden waarop nieuwe chemicaliën gescreend worden en op welke wijze dit wordt vastgelegd, op welke wijze een nieuw recept getoetst en geregistreerd wordt zodat aantoonbaar en/of aannemelijk is dat aan de vergunningvoorschriften kan worden voldaan. De werkprocedure dient ter goedkeuring binnen 3 maanden na verlening van onderhavige vergunning aan het bevoegd gezag te worden getoond. Aanvullend voorschrift 11.1.15 De proefproducties en nieuwe in productie genomen artikelen mogen niet leiden tot andere of grotere nadelige milieugevolgen dan zoals in onderhavige vergunning is vergund. 39.

MB.09.12

pagina 22 van 98

De zienswijze m.b.t. de ammoniakemissie (punt 22 in de considerans) wordt door de gemeente gegrond verklaard. Ze onderschrijven dat ze geen informatie hebben omtrent de ammoniakemissie. Reden waarom een controlemeting als voorschrift wordt verbonden aan de vergunning. In feite verleent men hiermee een vergunning zonder dat men voldoende inzicht heeft in deze specifieke emissie. Dit is in strijd met vaste jurisprudentie. Daarnaast is onvoldoende onderzocht of voldaan kan worden aan de gestelde eisen. Weerlegging Op basis van de samenstellingsgegevens van de gebruikte grondstoffen is in het verleden een eenvoudige massabalans door Artex opgesteld ten aanzien van ammoniak. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de gebruikte hoeveelheid ammoniak, omgerekend naar de hoeveelheid productie uren niet tot een overschrijding leidt van de in de NeR genoemde grensmassastroom van ammoniak. Dit is als zodanig aangegeven in de aanvraag in tabel 5.4. Tevens is aangegeven dat de gebruikte grondstoffen nagenoeg onveranderd zijn. Daarnaast wordt eventuele emissie van ammoniak via de luchtzuivering afgevoerd waardoor de emissie zeer beperkt zal zijn. Omdat de concentratie van ammoniak gebaseerd is op een berekening hebben wij in de vergunning een voorschrift opgenomen voor het uitvoeren van een controlemeting. Hierbij dient de ammoniak concentratie te worden bepaald en getoetst aan de NeR.

Wij achten de zienswijze ongegrond. 40. Met enkel het opleggen van een controlemeting is overigens niet ingegaan op het aspect en de ontwikkeling in de minimalisatie van de NH3 concentratie. Daar dit van invloed kan zijn op de hoeveelheid toegepaste ammoniumstearaat, wat een belangrijke component van de rookvormende verbindingen, is dit nog steeds een element dat nadere toelichting behoeft. Dit aspect is mede van belang omdat vanuit de omgeving aantoonbare rookpluimen zijn gesignaleerd. Weerlegging De rookpluimen bestaan met name uit waterdamp. Ammoniumstearaat zal door de luchtzuivering (natte wasser) worden afgevangen, eventuele emissie van ammoniumstearaat zal hierdoor beperkt zijn. Er zijn voldoende voorschriften aanwezig om te kunnen handhaven. Wij achten de zienswijze ongegrond. 41. Voorts is in reactie op de zienswijze verzuimd in te gaan op het aspect 'rook'. Omtrent de ontwikkeling en het beperken/voorkomen van rook zijn aan de ontwerpbeschikking nog steeds geen (afdoende en handhaafbare) eisen gesteld. Dit milieuaspect is en blijft daarmee onvoldoende geborgd. Weerlegging De luchtzuivering is ontworpen om het overgrote deel van rook en aërosolen af te vangen. De hoge schoorsteen is geplaatst om een betere verspreiding en verdunning van de emissies te bewerkstelligen.

Het vrijkomen van waterdamp is inherent aan het productieproces en toegepaste luchtzuiveringsinstallatie (natte wasser en elektrostatische filter). Doorgaans condenseren de natte rookgassen vrijwel meteen na het verlaten van de schoorsteen, waardoor de pluim goed zichtbaar is. Het pluimgedrag wordt beïnvloed door onder andere de weersomstandigheden. Het is niet mogelijk om rookontwikkeling in de vorm van gezuiverde afgassen verzadigd met waterdamp te voorkomen. Zodra de waterdamp is opgelost blijft een klein restant aërosolen achter. Deze hoeveelheid aërosolen is gekwantificeerd in bijlage 5 van de aanvraag en voldoet aan de NeR. Om dit milieuaspect te borgen zal in paragraaf 11.4 een extra voorschrift opgenomen worden ten behoeve van registratie van overlast door rook en op basis waarvan indien noodzakelijk een onderzoek kan worden ingesteld. Wij achten de zienswijze gegrond.

MB.09.12

pagina 23 van 98

Aanvullend voorschrift 11.4.5 Vergunninghouder dient klachten van overlast in de vorm van rook(pluimen) te registreren en na te gaan op welke wijze deze overlast kan worden voorkomen. Indien het aantal klachten daartoe aanleiding geeft, dient vergunninghouder op verzoek van het bevoegd gezag binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om rookoverlast te voorkomen.

42. Ook is een controlemeting opgelegd m.b.t. benzeen omdat conform de reactie op de zienswijze m.b.t. minimalisatie van stoffen geen inzicht is in deze stroom/emissie. De motivatie om achteraf de emissie van deze stof, waarvoor gezien de gevaars- en risicoaspecten een minimalisatieverplichting geldt, vast te stellen is evenmin in lijn met de vaste jurisprudentie van de Raad van State en de principes zoals vastgelegd in de Wet milieubeheer dat voorafgaand aan vergunningverlening voldoende inzicht in mogelijk nadelige milieugevolgen moet zijn. Weerlegging Bij de aanvraag is een emissieonderzoek 28 maart 2004 gevoegd (bijlage 9). In dit onderzoek is benzeen meegenomen en in concentraties aangetroffen beneden de geldende norm. Omdat benzeen een stof is waarvoor op basis van de NeR een minimalisatieverplichting geldt is in de vergunning een voorschrift opgenomen voor een controlemeting en een vijfjaarlijkse herbeoordeling van de emissie van benzeen. In de vergunning is een concentratiewaarde voor benzeen die niet overschreden mag worden vastgelegd. Wij achten de zienswijze ongegrond. 43. In voorschrift 11.1.3 is verzuimd aan te geven wat het minimaal rendement van de nageschakelde techniek dient te zijn. Juist het rendement van een zuiveringstechnische voorziening is bepalend voor de werking van de installatie en voor de impact van emissies richting omgeving/milieu.

Geadviseerd wordt het voorschrift hierop aan te vullen. Weerlegging In voorschrift 11.1.3 is vastgelegd dat de gassen afkomstig van de spanramen via de luchtzuiveringsinstallatie moeten worden geleid alvorens op de buitenlucht te worden geëmitteerd. In de aanvraag is een beschrijving opgenomen van de luchtzuiveringsinstallatie. Deze beschrijving maakt onderdeel uit van de aanvraag. Tevens is in de voorschriften een verplichting opgenomen dat de luchtzuiveringsinstallatie periodiek moet worden onderhouden. Hiermee is de werking voldoende gewaarborgd. Wij achtend de zienswijze ongegrond 44. Naar aanleiding van een zienswijze van Artex op het voorschrift 10.5.2 in de voorafgaande ontwerpbeschikking is de gemeente van mening dat dat voorschrift kan vervallen omdat door diverse andere voorschriften de emissie geborgd zou zijn. Bij het stellen van emissie-eisen is in de NeR echter expliciet gesteld dat een controleverplichting daaraan gekoppeld dient te worden. Daar de ontwerp-beschikking is opgesteld in de lijn van de NeR, is het niet meer dan redelijk om een controlevoorschrift op te nemen. Deze lijn wordt ook de Raad van State onderschreven. Een eenmalige controlemeting is geen te vergaande verplichting en wordt evenmin beschouwd als een vorm van het afwentelen van de handhavende taak richting het bedrijf.

Geadviseerd wordt daarom het oude voorschrift 10.5.2 alsnog te laten verbinden aan een hernieuwde beschikking met dien verstande het woord 'periodiek' ten opzichte van het oorspronkelijke voorschrift te laten vervallen. Overigens wordt een termijn van 3 jaar om invulling te geven aan een geurmeting te lang geacht. Deze overgangstermijn is te ruim en biedt hierdoor voor de omgeving en het milieu geen (waar)borgen op korte termijn. Gezien het klachten patroon zou het onaanvaardbaar en te vrijblijvend zijn en het bedrijf te veel ruimte en vrijheden geven om gedurende de komende jaren geen invulling te hoeven geven aan meet- en controleverplichtingen op het gebied van geur.

MB.09.12

pagina 24 van 98

Weerlegging Door de aanvrager is in het geuronderzoek van 26 juni 2009 de geursituatie van aangevraagde situatie in beeld gebracht. Het geuronderzoek is gebaseerd op geurmetingen bij 2 productiesituaties, productieproces met een verhoogde emissie(aanbrengen black-out proces 4e laag en fixeren van doek bij hoge temperatuur) en normale emissie. Met het geuronderzoek heeft de vergunninghouder voldoende inzicht gegeven in de geursituatie van de aangevraagde situatie. In de vergunning zijn voorschriften opgenomen voor het onderhoud aan de zuiveringsinstallatie die een goede werking moeten borgen. Tevens is het aantal uren waarop met hoge temperatuur gewerkt wordt bij de spanramen gemaximaliseerd. En dient een grondstoffenboekhouding te worden bijgehouden. Hierdoor achten wij het uitvoeren van een controleonderzoek niet nodig. Wij achten de zienswijze ongegrond. 45. In voorschrift 11.5.3 wordt een onderzoeksverplichting aan de vergunninghouder opgelegd. Verzuimd is concreet aan te geven wanneer dit onderzoek dient te worden uitgevoerd. Bij welk aantal of welke specifieke klachten zal de gemeente Laarbeek betreffend onderzoek gaan eisen?? Dit gegeven dient te worden vastgelegd in een duidelijk kader. Weerlegging Door het bevoegd gezag zullen klachten worden geregistreerd. Door deze klachtenregistratie wordt inzicht verkregen in de aard, de omvang en de oorzaak van de klachten.

Op basis van deze gegevens kan worden nagegaan welke bron(nen) de oorzaak waren van de klacht en wordt vastgesteld of de klacht gegrond is. Op deze wijze kan de vergunninghouder direct verantwoordelijke handelingen of processen aangeven en zonodig preventieve maatregelen treffen. Indien blijkt dat deze bron(nen) vaker klachten veroorzaken kan het bevoegd gezag de vergunninghouder verzoeken onderzoek uit te voeren naar de oorzaak van klachten en de mogelijkheden geuroverlast te voorkomen. Deze afweging zal door het bevoegd gezag worden gemaakt. Wij achten de zienswijze ongegrond. 46. Het aan de voorafgaande beschikking verbonden voorschrift 14.1.4 is naar aanleiding van een zienswijze vanuit Artex volledig vervallen. Dit is niet terecht gezien de aard van de binnen de inrichting aanwezige stoffen, installaties en processen. Onderschreven wordt conform het gestelde van Artex dat het voorschrift in de voorafgaande formulering nader had dienen te worden gespecificeerd i.v.m. rechtsonzekerheid en verwarring maar het verwijderen is een te vergaande reactie. De aspecten vermeld in de 2e volzin van het voorschrift zijn namelijk verder niet geborgd in de vergunningvoorschriften. Eisen ter voorkoming van ontstekingsgevaar, statische elektriciteit en eisen aan elektrisch materiaal zijn regulier en legitiem om te verbinden aan een milieuvergunning.

Weerlegging Voor de aanwezige (stook)installaties zijn reeds voldoende regels gesteld in het Gebruiksbesluit, Bouwbesluit en Besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS). Deze regelgeving is rechtstreeks van toepassing. Voor de procesinstallaties achten wij het gegrond om een extra voorschrift in hoofdstuk 15 op te nemen. Voorschrift 15.2.4 Van de aanwezige procesinstallaties (spanraam, drukmachines, verfinstallaties) dient binnen 3 maanden na afgifte van de vergunning onderzocht te worden of er gevaar bestaat voor elektrostatische oplading of ontstekingsgevaar. Het onderzoeksrapport dient aan het bevoegd gezag te worden toegezonden. Op basis van de resultaten van het onderzoek kan het bevoegd gezag nadere eisen stellen met betrekking tot elektrostatische oplading en/of ontstekingsgevaar. 47.

MB.09.12

pagina 25 van 98

In voorschrift 2.2.1 is verzuimd om ook het aspect 'geur' als verplicht onderdeel te koppelen aan het milieujaarverslag. Geadviseerd wordt om gezien de bedrijfsvoering van Artex dit milieucompartiment expliciet te benoemen in het voorschrift. Weerlegging Wij zullen het aspect geur benoemen in voorschrift 2.2.1. Het voorschrift wordt hierop als volgt aangepast, de aanpassing is vet gedrukt: Voorschrift 2.2.1 Uiterlijk 1 april van elk kalenderjaar wordt aan het bevoegd gezag een geactualiseerd milieujaarverslag toegezonden. In een milieuverslag wordt op hoofdlijnen de stand van zaken gegeven met betrekking tot de milieubelasting en de getroffen milieumaatregelen in het voorgaande kalenderjaar.

Een milieujaarverslag bevat ten minste de volgende onderdelen: naam en adres van de vestiging; een korte beschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de inrichting en de eventuele veranderingen in activiteiten/indeling ten opzichte van voorgaand kalenderjaar; kopie van de actuele milieubeleidsverklaring, indien aanwezig; gegevens over de milieubelasting (emissies) op het gebied van water, lucht, afval en bodem in het afgelopen kalenderjaar; grond- en hulpstoffen verbruik en een toetsing van de gerealiseerde productiecapaciteit aan de vergunde productiecapaciteit; het aantal uren productie met hoge emissie op de spanramen; het verbruik aan vluchtige organische stoffen in kg/jaar; gegevens met betrekking tot het afvalwater op basis van paragraaf 10.6; een analyse van (de veranderingen in) de milieubelasting en verbruikscijfers in het betreffende kalenderjaar ten opzichte van de cijfers van voorgaande kalenderjaren in relatie tot veranderingen in de inrichting en getroffen voorzieningen; vermelding van uitgevoerde in- en externe audits en controlebezoeken met, indien relevant, de in dit kader uitgevoerde verbeteracties met betrekking tot milieurelevante zaken; overzicht van geregistreerde geur/rookoverlast klachten en de genomen maatregelen, terugkoppeling met klager; overzicht van geregistreerde overige klachten en de genomen maatregelen; overzicht van de milieu-incidenten of

bijna milieu-incidenten en de genomen maatregelen; maatregelen die zijn of worden getroffen tot verdergaande bescherming van het milieu dan waarin de geldende voorschriften of regelgeving voorzien (inclusief de onderzoeken die men in dit kader heeft verricht); Een milieujaarverslag mag worden gecombineerd met een KAM-jaarverslag. 48. In voorschrift 9.6.1 wordt vastgelegd dat de nulsituatie van de bodem voldoende is vastgelegd middels de in de aanvraag genoemde onderzoeken. Betreffende onderzoeken zijn echter meer dan 9 jaar oud. Gezien de binnen de inrichting aanwezige bodembedreigende activiteiten/processen (welke enerzijds bestaand maar ook nieuwe en gewijzigde bodembedreigende activiteiten bevat ten opzichte van de vergunde situatie), het niet volledig voldoen aan het in de NRB vereiste bodemrisico niveau op diverse locaties/gebieden en de historische onderzoeken verdient het de voorkeur om bij besluitvorming de bodemnulsituatie opnieuw te laten vastleggen en deze niet te baseren op (ver)oude(rde) bodemonderzoeken. Weerlegging Een nulsituatie onderzoek is een startmoment op een gegeven moment. Dat dit 9 jaar oud is doet daar niets aan af. De gehanteerde richtlijnen en normen voor bodemonderzoeken zijn niet zodanig gewijzigd dat dit een nieuw allesomvattende bodemonderzoek rechtvaardigt.

De voorschriften voorzien wel in de verplichting een gericht bodemonderzoek te verrichten. Daarnaast zijn voor onderzoek met betrekking tot het vloeistofdicht zijn van het riool

MB.09.12

pagina 26 van 98

voorschriften in de vergunning opgenomen. Tevens is in de vergunning vastgelegd dat na de sanering van de VOCl-verontreiniging de nulsituatie ter plaatse opnieuw dient te worden vastgelegd. Bij het eindonderzoek zal opnieuw de situatie van de bodem beoordeeld worden op basis van de gebruikte stoffen. Voor stoffen die niet in de nulsituatie zijn vastgelegd zal uitgegaan worden van een terugsanering tot aan de referentiewaarde van die stof. Wij achten de zienswijze ongegrond. 49. In voorschrift 11.1.5 wordt het bedrijf de vrijheid gegeven om het onderhoud ook door eigen personeel te laten verrichten. De vraag is of gezien de installatie dit legitiem is en in hoeverre zij beschikken over de vereiste deskundigheid. Daar de nageschakelde techniek een belangrijke factor is voor de beperking van emissies, verdient het aspect externe en kundige expertise en borging. In hoeverre dit te faciliteren is door het bedrijf zelf, is de vraag. Weerlegging Om de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie te waarborgen is het van belang dat de installatie wordt geïnspecteerd en onderhouden. In aanvullende informatie heeft Artex aangegeven dat er twee reinigingsmomenten zijn om het rendement van de installatie te borgen. Het eerste reinigingsmoment vindt automatisch gedurende het proces plaats.

Het tweede reinigingsmoment bestaande uit reiniging van de filters en sproeiers vindt vierwekelijks plaats op een zaterdag door medewerkers van Artex. De onderhoud/reinigingswerkzaamheden en eventuele afwijkingen worden in het logboek vastgelegd. Dit is in de voorschriften ter borging vastgelegd. Om tegemoet te komen aan de zienswijze van omwonenden en het belang van een goed werkende zuiveringsinstallatie zal een extra voorschrift worden opgenomen dat minimaal eenmaal per jaar door een externe ter zake kundige instantie inspectie dient te worden uitgevoerd. Wij achten de zienswijze gegrond. Op deze wijze kan Artex in eigen beheer zorgen voor reiniging en onderhoud van de installatie. Het juist uitvoeren van de onderhoudswerkzaamheden wordt geborgd door het uitvoeren van een jaarlijkse inspectie door een extern bureau. Aanvullend voorschrift 11.1.5.a Ten minste eenmaal per jaar dient de luchtzuiveringsinstallatie door een externe ter zake kundige instantie te worden geïnspecteerd. De resultaten van de inspectie dienen in een logboek te worden opgenomen. Eventuele tekortkomingen dienen terstond doch uiterlijk binnen 1 week te worden gerepareerd en middels een herinspectie (binnen 2 weken) van de externe ter zake kundige instantie te worden goed bevonden. 50.

Voorschrift 11.1.12 is een voorschrift dat onvoldoende waarborgen en concreetheid biedt om nadelige milieugevolgen te voorkomen/beperken. Hierop is niet te handhaven en biedt het bedrijf te allen tijde gelegenheid/vrijheid om toch de bedoelde diffuse emissies te kunnen laten uittreden. “Zoveel mogelijk beperken” is niet meer dan een inspanningsverplichting en leidt niet tot een concrete resultaats-verplichting. Geadviseerd wordt om het voorschrift op deze elementen aan te passen. Weerlegging Zie zienswijze 22. Wij achten de zienswijze gegrond. 51. In voorschrift 11.4.3 wordt Artex verplicht om éénmaal per jaar een overzicht van klachten en ondernomen acties te overleggen bij het bevoegd gezag. Deze terugkoppeling is te beperkt en biedt richting derden onvoldoende waarborgen dat snel en/of adequaat acties worden ondernomen. Geadviseerd wordt om de frequentie van deze informatieverplichting te verhogen en te koppelen aan een klacht en niet te bundelen aan meerdere klachten of een lange periode van 1 jaar.

MB.09.12

pagina 27 van 98

Weerlegging In het voorschrift is aangegeven dat op basis van de klacht intern het probleem opgelost dient te worden. Dit dient direct plaats te vinden en niet 1x per jaar. Klachten zullen ook bij de gemeente rechtstreeks binnen komen waardoor via handhaving gecontroleerd kan worden of aan voorschrift 11.4.3 wordt voldaan. De frequentie van jaarlijkse schriftelijke terugkoppeling achten wij voldoende. Wij achten de zienswijze ongegrond. 52. Tenslotte wil ik u nog wijzen op een door Artex ingebrachte zienswijze op de gepubliceerde ontwerpbeschikkingen. Opmerkelijk is dat men verzocht heeft informeel overleg te voeren buiten de formele procedure om teneinde te komen tot consensus omtrent het voorschriftenpakket. Ook geeft men aan dat de gemeente in eerdere stadia onderhands conceptvoorschriften heeft voorgelegd aan Artex teneinde zienswijzen vanuit het bedrijf te beperken cq. voorkomen. Een dergelijke werkwijze wordt niet gevolgd richting omwonenden/omgeving terwijl u en ook andere omwonenden in deze nadrukkelijk belanghebbenden zijn. Wanneer gemeente Laarbeek bij vaststelling van de definitieve besluitvorming een dergelijke transparantie en overlegvorm met omwonenden zou voorstaan, biedt dit wellicht voor alle partijen een mogelijkheid om te komen tot een voor alle betrokkenen gedragen besluit zonder mogelijke verdere procedures/beroepsgangen e.d.

Opmerking De procedure is gevolgd overeenkomstig het bepaalde in de Wm en de Algemene wet bestuursrecht. B. Zienswijzen ingekomen op 6 september 2010 door M.L.M. Migchels, De Elshorst 2, 5735 JC Aarle-Rixtel d.d. 30-08-2010 53. Wij hebben, ondanks dat alle afgasstromen van de spanramen via de luchtbehandelingsinstallatie worden geleid nog veel hinder van stank en rook. De geur van verbrand plastic geeft niet aan dat dit gezond is voor ons en het milieu. Wij klagen al jaren en er is nog nooit handhavend opgetreden. In al de stukken van de Artex staat dat alles goed en volgens de regels gaat (Laarbeeker). Waarom heb ik dan zoveel klachten van stank en rook? Weerlegging De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, tweede lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Daartoe zijn aan de vergunning voorschriften verbonden die voldoen aan de eis van best beschikbare technieken. Op basis van de verleende vergunning en de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen, zal handhaving plaats vinden.

Het al dan niet naleven van de voorschriften valt overigens buiten deze vergunningsprocedure. Wij achten de zienswijze ongegrond. 54. Grote vraagtekens zetten we ook bij de Artex als het gaat over onze waterhuishouding. Er werd in het donker aan het riool gewerkt (opengegraven en weer dichtgegooid). Raar was het dat ik in de krant moest lezen: schadelijke lozing riool Aarle-Rixtel van 16 december 2009 ED. Bij het ontmantelen van een verfinrichting werd buiten centimeters dikke verf zo de rioolput ingespoten (met brandslang).

MB.09.12

pagina 28 van 98

Weerlegging Het al dan niet naleven van de voorschriften valt buiten deze vergunningsprocedure. Wij achten de zienswijze ongegrond. 55. Ik blijf erbij dat dit bedrijf nooit een vergunning had mogen krijgen van weverij naar chemisch fabriek en dat in een woonwijk. Hierdoor is ons woongenot ernstig geschaad. Een overheid die het steeds heeft over duurzame ontwikkeling en zijn burgers steeds wijst zorgvuldig met het milieu om te gaan. Maar als er geen grenzen zijn mag je alles, vooral onder druk van concurrentie en commercie. Dit is voor mij als burger moeilijk te begrijpen. Weerlegging Zie onze reactie op zienswijze 53. C. Zienswijzen ingekomen op 7 september 2010 door Artex B.V., Bosscheweg 79 in AarleRixtel. Bijgaand treft u onze zienswijzen aan tegen de nieuwe ontwerpbeschikking van Burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek d.d. 28-07-2010, kenmerk MB 09.12 inzake het verzoek van Artex B.V., hierna verder te noemen Artex, om .een revisievergunning ingevolge artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. Blijkens de ontvangen bekendmaking worden deze zienswijzen tijdig ingediend. Considerans 56. Pagina 1 en pagina 2: er wordt een overzicht gegeven van de bescheiden welke wel en welke geen onderdeel uitmaken van de beschikking.

Naar onze mening worden de bescheiden: genoemd op pagina 1 onder A punt 1 tot en met 10 en op pagina 2 onder punt A (13 oktober 2009) (tekening bijlage b overzicht opslag chemie en opslag afvalstoffen, nominaal vermogen stoomketel, grondstoffenverbruik 2008) en pagina 2 onder punt A (17 mei 2010) (plan van aanpak bodemrisicodocument, verbruik chemicaliën laboratorium, gegevens branders stoomketel) ten onrechte beschouwd als onderdeel van de beschikking. Dit is ook afwijkend van de door Artex ingediende aanvraag, waarin expliciet onderscheid is gemaakt tussen bijlagen die onderdeel kunnen uitmaken van de vergunning en bijlagen die bijdragen aan de beeldvorming en beoordeling van de vergunning (met name gegevens die aan verandering onderhevig zijn), maar geen onderdeel hoeven zijn van de beschikking. Deze onderzoeksrapporten (hierboven benoemde bescheiden) zijn uiteraard belangrijk en dienen ter beoordeling van de aanvraag, maar betreffen momentopnamen en details die een onnodige beperking van de vergunning opleveren indien zij deel gaan uitmaken van de gewaarmerkte vergunning. Ook kleine, niet milieurelevante wijziging in hoeveelheden, procesvoering, productbenaming, gebruiksdoel, etc. leiden dan impliciet tot de noodzaak om de vergunning te moeten wijzigen, met de daaraan gekoppelde administratieve handelingen en proceduretermijnen voor de gemeente en Artex.

Dit is een ongewenste situatie. In de aanvraag is daarom met voorbedachten rade het expliciete onderscheid gemaakt tussen bijlagen die wel en bijlagen die geen onderdeel hoeven uitmaken van de beschikking. Wij verzoeken de gemeente ons verzoek te honoreren. Weerlegging Het bevoegd gezag bepaalt welke bescheiden onderdeel uitmaken van de beschikking. De rapporten zijn als bijlagen bij de aanvraag ingediend. De beschikking is gebaseerd op aannames opgenomen in onderzoeksrapporten. Daarmee wordt tevens de grens bepaald van vergunde activiteiten. Indien er sprake is van een milieuneutrale wijziging of wijziging die binnen gestelde normen blijft, kan worden volstaan met een reguliere vergunningprocedure zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo artikel 3.7 t/m 3.9). Wij zijn van mening dat voorschrift 1.1.1 hierin voldoende duidelijkheid schept. Wij achten de zienswijze ongegrond.

MB.09.12

pagina 29 van 98

57. Voorschriften Voorschrift 9.4.1 :in dit voorschrift wordt vastgelegd dat het rioolsysteem aantoonbaar vloeistofdicht moet zijn conform de criteria genoemd in de CUR/PBV-aanbeveling 44. In voorschrift 9.4.2 wordt vastgelegd dat dit binnen 6 maanden middels een keuringsrapport moet worden aangetoond. Aan deze voorschriften, in de huidige formulering, kan Artex nooit voldoen. Artex heeft een rioolinspectie laten uitvoeren conform voorschrift 9.4.4. NEN 3399/NEN3398. Uit deze inspectie is naar voren gekomen dat stukken riool van Artex niet lekdicht zijn. Het zou aannemelijker zijn als Artex, naar aanleiding van de rioolinspectie, een plan van aanpak maakt hoe om te gaan met de riolering die niet voldoet, (lees vervangen en/of repareren van stukken riolering). Het betreft grotendeels een bestaande riolering, onder een bestaand bedrijfspand en bestaande bedrijfsactiviteiten. Voorschriften 9.4.1 en 9.4.2 zou eerder van toepassing moeten zijn op nieuw aan te leggen rioleringen (zoals voorschrift 9.4.3) niet op een bestaande situatie. De huidige formulering van het voorschrift is in technische en praktische zin niet haalbaar en zal tot onacceptabel hoge kosten leiden voor Artex. Wij verzoeken de gemeente dan ook deze voorschriften aan te passen.

Weerlegging Zoals in de voorschriften 9.4.1 en 9.4.2 is aangegeven dient de bedrijfsriolering gekeurd te worden conform CUR/PBV-aanbeveling 44. Indien daaruit blijkt dat niet voldaan wordt dient een plan van aanpak te worden bijgevoegd. Hierin dienen de technische, financiële aspecten en termijn van uitvoering van de aanpassing van de riolering benoemd te worden. Wij hebben geen keuring van de bedrijfsriolering ontvangen en geen plan van aanpak wat aan het voorschrift voldoet. Wij achten de zienswijze ongegrond. 58. Voorschrift 9.6.3:in dit voorschrift wordt een aanvullend bodemonderzoek voorgeschreven met betrekking tot de verfkeuken, de ververij, de veredeling, de opslag van chemicaliën en de opslag van metaalafval op het buitenterrein. De ingediende aanvraag is reeds voorzien van een bodemonderzoek, in dit onderzoek is een afweging gemaakt van het noodzakelijk aantal en de locatie van de monsterpunten, om een goed representatief beeld van de situatie te krijgen. In deze afweging is rekening gehouden met het feit dat op de in dit voorschrift aangemerkte plaatsen reeds vloeistofkerende (tegel)vloeren aanwezig zijn. In de onderzoeksopzet is daarom meegenomen deze bestaande vloeren zo min mogelijk te beschadigen. Wij achten dat de bodemgesteldheid op de genoemde locaties voldoende inzichtelijk is gemaakt en wij verzoeken de gemeente daarom dit voorschrift te schrappen.

Weerlegging Op basis van de in de aanvraag bijbehorende bodemrisicodocument en het bijbehorende plan van aanpak blijkt dat de afvoer van afvalwater en bijbehorende riolering nabij de in dit voorschrift genoemde locaties niet vloeistofdicht is waardoor mogelijk verontreiniging van de bodem is opgetreden. Wij achten daarom het uitvoeren van een aanvullende onderzoek noodzakelijk. Een en ander kan gecombineerd worden met het eventueel vervangen van de riolering. Wij achten de zienswijze ongegrond. 59. Voorschrift 10.6.4:in dit voorschrift wordt een tabel gegeven met de productnamen van toegepaste stoffen. In de praktijk komt het regelmatig voor dat producenten hun productnamen veranderen, zonder de samenstelling van de producten (noemenswaardig) te wijzigen. Met andere woorden: hetzelfde product krijgt een andere naam. Strikt genomen betekent dit dat de stof niet meer volgens voorschrift 10.6.4 toegepast mag worden en dat volgens voorschrift 10.6.5 een verzoek ingediend zou moeten worden. Dit lijkt ons een niet wenselijke situatie. Een eenvoudige oplossing voor deze situatie middels het indienen van een 8.19 melding is niet mogelijk, vanwege het feit dat de stoffen in het voorschrift expliciet

MB.09.12

pagina 30 van 98

benoemd zijn. Wij stellen dan ook voor om de tabel uit het voorschrift te verwijderen en te volstaan met een (specifieke) verwijzing naar de aanvraag, desgewenst naar de daar beschreven tabel met stoffen. Weerlegging Doel van het voorschrift, dat regels geeft voor toepassing van stoffen, is dat verontreiniging door stoffen met een saneringsinspanning A moet worden beëindigd. Er moet geprobeerd worden zo dicht mogelijk bij een nullozing te komen. Dit kan bereikt worden door proces geïntegreerde maatregelen of (eind)zuiveringsmethoden. Alleen bij hoge uitzondering is het lozen van nieuwe in gebruik te nemen stoffen waarvoor een saneringsinspanning A geldt toegestaan. In de vergunning is hierin voorzien door het opnemen van een meldingssystematiek voor nieuwe stoffen met een saneringsinspanning A (voorschrift 10.6.5.). De door Artex beschreven zienswijze over wijzigen van een vergunning is daarmee niet terecht. Wanneer er sprake is van naamswijzigingen of niet noemenswaardige wijziging van samenstelling van in gebruik zijnde stoffen is er geen sprake van het in gebruik nemen van nieuwe stoffen. De door Artex beschreven problematiek is terecht, wij achten de zienswijze gegrond. Rekening houdende met bovenstaande opmerkingen zijn de voorschriften 10.6.4 en 10.6.5 als volgt aangepast (de aanpassing is vet weergegeven): Voorschrift 10.6.4.

Eénmaal per twaalf maanden dient vergunninghouder inzicht te geven in het gebruik, de lozing, door leverancier/producent gemelde naamswijzigingen, door producent/leverancier gemelde productwijzigingen, de saneringsinspanning op basis van de waterbezwaarlijkheid op grond van de ABM en mogelijkheden tot vervanging of voorkoming van lozing van de volgende stoffen: stof Crosscour P eco LF Dianix yellow beaun AM-R Ecoflam PU 108 Eurocoat pearl Europrint liquid ABS Europrint PPP-N Europrint White A2R Europuff Plasti Hotemp Spray 2000 Kiwotex TDK 83 L Losin BU Losin OCB Mobilux EP 2 Perfomax 11124Q Perfomax 11229Q Polulub WH 2 SCR 42 thermoplast stripper Sideral paste tbv / LF new Siliconenspray Testomat indicatorTH 2005

Saneringsinspanning inclusief aanduiding waterbezwaarlijkheid A (6) A (4) A (8) A (6) A (6) A (10) A (10) A (6) A (8) A (10) A (10) A (10) A (6) A (10) A (10) A (8) A (1) A (6) A (8) A (10)

10.6.5. Wanneer toe te passen grond-, hulpstoffen, chemicaliën en/of middelen niet voldoen aan voorschrift 10.6.2 en/of 10.6.4 kan vergunninghoudster bij het bevoegde gezag een verzoek indienen tot instemming voor het gebruik en lozen van de nieuwe stof. Vergunninghoudster dient hiertoe minimaal twee weken voorafgaand aan het gebruik van de stof een bericht aan het bevoegde gezag te sturen. Dit bericht dient te bevatten:

MB.09.12

pagina 31 van 98

• • • • •

de gegevens voor het uitvoeren van de ABM en de aanduiding waterbezwaarlijkheid conform de ABM zoals opgenomen in bijlage 3; een beschrijving van de noodzaak tot het gebruik van de stof; een beschrijving van het gebruik van de stof; een beschrijving van de getroffen maatregelen om de lozing van schadelijke componenten te beperken en het effect van de maatregelen op de lozing; een door de waterkwaliteitsbeheerder uitgevoerde emissie-immissietoets waaruit blijkt dat de lozing van de stof niet leidt tot een verslechtering van de chemische kwaliteit van het ontvangende oppervlaktewater.

60. Voorschrift 11.1.9:in dit voorschrift wordt een minimum en maximum uittredesnelheid van de monding van de afvoerleiding vastgesteld. De formulering van dit voorschrift is niet geheel duidelijk. Wordt hiermee de uitmonding van de schoorsteen zelf bedoeld of de uitmonding van de afvoerleiding die vanuit het proces leidt naar de schoorsteen? Weerlegging Met de uitmonding van afvoerleiding wordt de uitmonding van de schoorsteen bedoeld. Het voorschrift wordt hierop aangepast . Zie punt 61. 61. Daarnaast is de vraag of kan worden voldaan aan dit voorschrift. Initiële berekeningen, gebaseerd op de bij de aanvraag ingediende emissieonderzoeken, wijzen uit dat de werkelijke snelheid in de schoorsteen lager ligt dan het minimum uit het voorschrift. Hierbij rijst de vraag op welke wijze de gemeente veronderstelt dat voldaan kan worden aan dit voorschrift, aangezien voorschrift 11.2.2. voorschrijft dat er geen schone lucht mag worden bijgemengd. Weerlegging In het emissieonderzoek wordt uitgegaan van de werkelijke uittredesnelheid. Deze bedraagt 4,22 m/s. Op basis hiervan hebben ook de emissieberekeningen en geuronderzoek plaats gevonden. Voorschrift 11.1.9 zal als volgt worden aangepast: De snelheid waarmee de gereinigde afgassen uit de uitmonding van de schoorsteen treden, moet ten minste 4,22 m/s zijn en mag niet meer bedragen dan 15 m/s. Wij achten de zienswijze gegrond. 62.

Voorschrift 16.1.3: in dit voorschrift wordt gesteld dat de stookruimte moet voldoen aan de NEN 3028. Artex trekt in twijfel of deze norm rechtstreeks kan worden toegepast op een bestaande stookruimte (van voor 2004). Toelichting De NEN 3028: 2004 geldt voor nieuwe installaties. Voor stookruimten waarin zich geen wijzigingen hebben voorgedaan na 2004 dienen te voldoen aan de destijds geldende NEN 3028, ook al zijn die eisen in de huidige norm zwaarder. Aangezien dit in het Gebruiksbesluit is geregeld komt dit voorschrift in de vergunning te vervallen.

Ambtshalve aanpassing ontwerpbeschikking In de ontwerpbeschikking stond abusievelijk “Dorpsstraat-zuid” als van toepassing zijnde bestemmingsplan genoemd dit dient “Kom Aarle-Rixtel” te zijn. De naam van het bestemmingsplan is in de vergunning aangepast. Het rapportnummer van het akoestisch onderzoek waarnaar verwezen wordt in de voorschriften te weten nr. 2904670DR01 was niet correct maar dient te zijn 2904670DR02. Dit is in de voorschriften aangepast. De titel van bijlage 1 van de vergunning is ter verduidelijking aangepast.

MB.09.12

pagina 32 van 98

Een aantal voorschriften in hoofdstuk 16 verwarming komen te vervallen aangezien deze geregeld zijn in rechtstreekse wetgeving zoals het Gebruiksbesluit, Bouwbesluit en Besluit Emissie-eisen Middelgrote Stookinstallaties (BEMS). De genoemde aanpassingen leiden verder niet tot een inhoudelijke aanpassing van de beschikking.

Eindconclusie Uit de overwegingen ten aanzien van de ingebrachte zienswijzen en uit de ambtshalve overwegingen volgt dat ten opzichte van de ontwerpbeschikking de aan de vergunning te verbinden voorschriften moeten worden gewijzigd en aangevuld.

BESLUIT Burgemeester en wethouders van de gemeente Laarbeek besluiten, gelet op de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht en gelet op bovenstaande overwegingen: 1. aan Artex BV de gevraagde revisievergunning voor een inrichting voor de productie en opslag van velours- en vlakgeweven gordijnstoffen en alternatieve raambekledingsstoffen, aan de Bosscheweg 79 in Aarle-Rixtel, te verlenen voor onbepaalde tijd; 2. te bepalen dat de volgende bij de aanvraag ingediende en gewaarmerkte stukken deel uitmaken van de vergunning: • aanvraagformulier d.d. 30-06-2009 met toelichting, revisie 21-09-2009 door KWA Bedrijfsadviseurs B.V. rapportnr. 2801470CR05 met daarin opgenomen de niettechnische samenvatting en algemene toelichting op de aanvraag ; • Situatietekening en plattegrondtekening van de inrichting; • Processchema en rioleringstekening; • Bijlagen onder A genoemd voor zover de voorschriften en beperkingen niet anderszins bepalen; • Aanvraagformulier gegevens afvalwater d.d. 29-4-2010 met aanvulling brief Artex van d.d. 3-6-2010; 3. de zienswijzen onder nummer 6, 18, 22, 28 t/m 30, 32, 36 t/m 38, 41, 46, 47, 49, 50, 59, 60 en 61 (deels) gegrond te verklaren; 4. de zienswijzen onder nummer 1 t/m 5, 7 t/m 17, 19 t/m 21, 23 t/m 27, 31, 33 t/m 35, 39, 40, 42 t/m 45, 48, 51, 53 t/m 58 ongegrond te verklaren; 5.

naar aanleiding van de ingekomen zienswijzen en advies van Waterschap Aa en Maas de voorschriften 2.2.1, 6.2.1, 8.1.2, 8.1.3, 10.6.4, 10.6.5, 11.1.8, 11.1.9 en 11.1.12 aan te vullen cq te wijzigen, voorschrift 8.1.1 te laten vervallen en de voorschriften 10.1.3, 11.1.5.a, 11.1.14, 11.1.15, 11.4.5 en 15.2.4 toe te voegen; 6. naar aanleiding van ambtshalve aanpassing voorschriften 15.7.1, 16.1.1, 16.1.3 t/m 16.1.8 en 16.2.1 te laten vervallen; 7. te bepalen dat de bypass schoorstenen niet voor het lozen van ongezuiverde emissies van productieprocessen mag worden gebruikt; 8. te bepalen dat het aan deze vergunning toegevoegde beoordelingsverslag deel uitmaakt van de vergunning; 9. te bepalen dat alleen vergunning wordt verleend voor de in de aanvraag opgenomen concreet benoemde activiteiten; 10. aan de vergunning de voorschriften te verbinden die zijn opgenomen in de bij dit besluit behorende en als zodanig gewaarmerkte bijlagen.

Laarbeek, 25 november 2010

MB.09.12

pagina 33 van 98

Hoogachtend, namens het college van burgemeester en wethouders van Laarbeek, afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling, J.P.G. van den Eijnde

Afschrift: Belanghebbende(n) Regionale brandweer Waterschap Aa en Maas

Burgemeester en wethouders wijzen er op dat de voorgaande vergunning d.d. 12 juni 2002, met nummer MB 01.27 vervalt met ingang van de datum waarop dit besluit in werking treedt en onherroepelijk is geworden. Na het onherroepelijk worden van dit besluit wordt deze vergunning

gelijkgesteld aan een omgevingsvergunning voor de activiteit het veranderen en in werking hebben van een inrichting.

MB.09.12

pagina 34 van 98

BEOORDELINGSVERSLAG AANVRAAG VERGUNNING WET MILIEUBEHEER Naam aanvrager:

Artex B.V.

Adres aanvrager:

Bosscheweg 79

Woonplaats aanvrager:

Aarle-Rixtel

Adres inrichting:

Bosscheweg 79

Plaats inrichting:

Aarle-Rixtel

Behoort bij vergunningaanvraag:

verzoek om een revisievergunning van 30 juni 2009, revisie 21 september 2009 ingekomen op 23 september 2009, en aangevuld op 13 oktober 2009 ingekomen op 19 oktober 2009. Ten behoeve van nieuwe ontwerpbeschikking zijn op 29 april afvalwatergegevens aangeleverd ten behoeve van de waterparagraaf, aangevuld op 3 juni 2010, ingekomen op 7 juni 2010. Op 17 mei 2010 zijn algemene aanvullende gegevens ontvangen.

INHOUDSOPGAVE

1.

Algemeen .....................................................................................................................................36

2.

GPBV-richtlijn.............................................................................................................................36

3.

Duurzaam ondernemen ...........................................................................................................37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=305436d7-cca4-4bfe-ab3d-1552340cb936