CConstaterende datLaarbeek
Koppel je AI →
Document · PDF

18 20211014 Vigende milieuvergunning Artex 16-11-2010.pdf

Raadsvergadering 14 oktober 2021, gemeente LaarbeekBij agendapunt: B. Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Artex51.636 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 6

VERGUNNING

WET

MILIEUBEHEER

beschikking

kenmerk MB 09.12

AANVRAAG Op 23 september 2009 hebben wij een aanvraag ontvangen van Artex B.V., Bosscheweg 79 in Aarle-Rixtel. Op 13 oktober 2009 is een aanvulling op de aanvraag ingekomen. Ten behoeve van de 2e ontwerpbeschikking is op 29 april 2010 een aanvulling voor de waterparagraaf ontvangen met aanvullende gegevens op 7 juni 2010. Daarnaast zijn algemene aanvullende gegevens ontvangen op 17 mei 2010. Op 6 augustus 2010 is een aanvulling ontvangen met betrekking tot het afkoppelen van schoon hemelwater. Deze aanvraag betreft een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning (revisievergunning), volgens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer, in verband met een verandering van een inrichting welke is bestemd voor de productie en opslag van velours- en vlakgeweven gordijnstoffen en alternatieve raambekledingsstoffen. De activiteiten bestaan uit het weven, voorbehandelen, verven en bedrukken, drogen, impregneren, coaten en fixeren van textiel waarvoor al eerder vergunning werd verleend. Ten opzichte van de vigerende vergunning worden de volgende veranderingen aangevraagd: 1. er vindt een verschuiving plaats van het productenpalet binnen de vergunde hoeveelheden. De maximale hoeveelheid doek blijft onveranderd. Het productenpalet verschuift meer richting o.a. black-out (verduisteringsstof); 2. de weefgetouwen zijn uitgebreid met twee nieuwe weefgetouwen; 3.

uitbreiding met een nieuwe fixeerunit; 4. uitbreiding met een nieuw boomverfapparaat; 5. het oude Montforts spanraam is vervangen door een nieuw spanraam; 6. de oude luchtbehandelinginstallatie is vervangen door een nieuwe luchtbehandelinginstallatie, hierop zijn de drie aanwezige spanramen aangesloten. A. De aanvraag omvat de volgende stukken: • aanvraagformulier d.d. 30-06-2009 met toelichting, revisie 21-09-2009 door KWA Bedrijfsadviseurs B.V. rapportnr. 2801470CR05 met daarin opgenomen de niet-technische samenvatting en algemene toelichting op de aanvraag; • situatietekening en plattegrondtekening van de inrichting; • processchema en rioleringstekening. A. Bijlagen behorende bij de aanvraag: • Renvooilijst; • Overzicht koelmiddelen; • Geurrapport (PRA Odournet bv, ARTE08A2, van 26 juni 2009); • Maatregelenrapport verbetering geurimmissie (PRA Odournet bv, ARTE09A2 van 29 juni 2009); • Toelichting geur en beschrijving luchtbehandelingsinstallatie; • Toetsing Wet luchtkwaliteit (PRA odournet bv ARTE09A3 van 29 juni 2009); • Emissieonderzoek 2004 (KWA, rapportnr. 2402000 DR01 van 26 maart 2004); • Bodemrisicoanalyse (KWA rapportnr. 2602570 DR01 van 23 juni 2006); • IPPC-toets; • Akoestisch onderzoek (KWA rapportnr. 2904670DR02 van 24 september 2009). B: • Overzicht grond- en hulpstoffen;

MB.09.12

pagina 1 van 98

• • • • •

Bedrijfsnoodplan mei 2009; Brief melding Waterschap ingebruikname Luchtzuivering; reactie Waterschap melding ingebruikname Luchtzuivering; WVO-vergunning; Rapport onderzoek afkoppeling hemelwater-proceswater (KWA, ref.nr. 116700/2802570DI01/HIL/amv d.d. 01-04-08).

Op 13 oktober 2009 is de aanvraag op ons verzoek aangevuld met de volgende stukken: A: • Tekening bijlage a, Grens van de inrichting, overzicht gebruik buitenterrein, verharding buitenterrein en terreinafscheiding op kadastrale tekening; • Tekening bijlage b, overzicht opslag chemie en opslag afvalstoffen; • Nominaal vermogen stoomketel; • Grondstoffenverbruik 2008; B. • Aanmeldingsbewijs MJA3; • Aantal aanwezige elektrische heftrucks en locatie acculaadstation. Op 17 mei 2010 is de aanvraag op ons verzoek aangevuld met de volgende stukken: A. • Plan van aanpak bodemrisicodocument; • Grote kaart geurcontour; • Verbruik chemicaliën laboratorium; • Onderbouwing waarom trillingsrapport niet nodig is; • Gegevens branders stoomketel; • Afsluiting bypass schoorsteen; • Onderbouwing waarom extern onderhoudscontract overbodig is; • Onderbouwing controle bewijsvoering; B. • Veiligheidsbladen; • Tekening afgekoppeld hwa. Op 6 augustus 2010 is de aanvraag op ons verzoek aangevuld met gegevens met betrekking tot de afkoppeling van schoon hemelwater. Deze stukken leveren voldoende informatie op voor een goede beoordeling van de aanvraag. De bescheiden genoemd onder A maken deel uit van deze beschikking tenzij in de voorschriften behorende bij de vergunning anders is aangegeven. De bescheiden genoemd onder B maken geen deel uit van deze beschikking.

Opmerking ten aanzien van de aanvraag In paragraaf 1.1 op pagina 7 wordt vergunning gevraagd voor activiteiten voor zover uitdrukkelijk niet genoemd die noodzakelijk zijn voor het goed verlopen van de wel beschreven activiteiten. Wij merken hierbij op dat er in afwijking hiervan alleen vergunning wordt verleend voor de in de aanvraag opgenomen concreet benoemde activiteiten omdat hiervan de milieurelevantie is getoetst. Tevens wordt in paragraaf 1.1 van de aanvraag verzocht een vergunning op maat te verlenen/verkrijgen. Gezien de detailniveau van de thans voorliggende aanvraag en het ontbreken van een gecertificeerd ISO 14001 milieuzorgsysteem, honoreren wij dit verzoek niet. Er wordt in de aanvraag niet voldaan aan de voorwaarden voor een vergunning op maat. Wij zijn dan ook van mening dat op dit moment een vergunning op maat ons inziens onvoldoende (waar)borgen biedt. De aan de vergunning verbonden voorschriften en opgenomen beperkingen bieden voldoende zekerheid om de milieugevolgen van de inrichting te reguleren.

MB.09.12

pagina 2 van 98

De inrichting beschikt over een revisievergunning van 12 juni 2002. Daarnaast is op 31 oktober 2002 een melding conform art. 8.19 Wet milieubeheer door de gemeente geaccepteerd. Bij het beschikken op onderhavige aanvraag is rekening gehouden met deze eerder verleende vergunning. OMGEVING VAN DE INRICHTING De inrichting ligt aan de Bosscheweg 79 in Aarle-Rixtel, gemeente Laarbeek, kadastraal bekend als gemeente Laarbeek sectie C, nummers 3561, 3958 en 3449. De inrichting is gelegen op een terrein met industriebestemming aan de rand van de bebouwde kom van Aarle-Rixtel in de nabijheid van woningen van derden. De dichtstbijzijnde woningen zijn gelegen op circa 25-40 meter van het terrein van de inrichting. COÖRDINATIE MET DE WATERWET Er is geen sprake van lozing op oppervlaktewater vanuit een inrichting waartoe een gpvbinstallatie behoort. Er wordt geen afvalwater uit de inrichting geloosd op het oppervlaktewater. Er is derhalve geen vergunning in het kader van de Waterwet (watervergunning) vereist. De coördinatieplicht uit de Wet milieubeheer is hierop niet van toepassing. Hierover heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Aa en Maas. COÖRDINATIE MET DE WONINGWET Op 20-12-2006 is door Artex een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend ten behoeve van de aanpassing dakconstructie veredeling. De dakconstructie waarop de aanvraag betrekking heeft is reeds doorgevoerd.

Er is dan ook geen sprake meer van het veranderen van een inrichting dat tevens is aan te merken als bouwen in de zin van de Woningwet. Onderlinge afstemming en gecoördineerde behandeling tussen de aanvraag om een milieuvergunning en een aanvraag om een vergunning in het kader van de Woningwet is daarom niet nodig. Coördinatie met de Wet ruimtelijke ordening (Wro)/bestemmingsplan Artikel 8.10 van de Wm bevat de weigeringsgronden voor een aanvraag om milieuvergunning. Een vergunning kan worden geweigerd ingeval door verlening daarvan strijd zou ontstaan met een bestemmings-of inpassingsplan, een beheersverordening of regels gesteld bij of krachtens een provinciale verordening of een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 4.1 derde lid, onderscheidenlijk artikel 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Op basis hiervan is de aanvraag getoetst aan het bestemmingsplan. De aangevraagde activiteiten passen binnen het voor deze locatie vigerende bestemmingsplan “Kom AarleRixtel”. OVERWEGINGEN De procedure is uitgevoerd volgens het bepaalde in hoofdstuk 13 van de Wet milieubeheer en Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De aanvraag betreft een inrichting behorende tot onder andere de categorie 16.1a van bijlage I, behorende bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer.

De inrichting valt derhalve onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer. Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer Op 1 januari 2008 is het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Barim) in werking getreden. Dit Besluit is ook wel bekend als het "Activiteitenbesluit”. In het Barim zijn voor verschillende activiteiten die binnen inrichtingen kunnen plaatsvinden algemene voorschriften opgenomen. Met het Barim wordt de vergunningplicht op grond van de Wet milieubeheer voor de meeste inrichtingen opgeheven. Alleen zogenaamde gpbv-inrichtingen en inrichtingen die vallen onder een categorie genoemd in bijlage 1 van het Barim blijven vergunningplichtig op grond van de Wet milieubeheer. De bedrijven waarvoor de vergunningplicht blijft bestaan zijn in het Barim gedefinieerd als zogenaamde type C inrichtingen.

MB.09.12

pagina 3 van 98

De inrichting valt onder categorie aa (-inrichting voor het industrieel vervaardigen of verwerken van textiel, woningtextiel, textielgrondstoffen, bont, leer, vlas of producten hiervan) van bijlage 1 van het Barim. De inrichting is daarmee een zogenaamde type C inrichting en is vergunningplichtig. Op type C inrichtingen is het Barim deels wel van toepassing. Dit betekent dat bepaalde artikelen uit het Barim en de bijbehorende ministeriële regeling rechtstreeks van toepassing zijn. De voorschriften die in deze vergunning zijn opgenomen betreffen aspecten waarvoor het Barim en de ministeriële regeling niet van toepassing zijn. Voor Artex B.V. houdt dit in dat, voor zover ze betrekking hebben op de aangevraagde (deel)activiteiten, moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Barim en de bijbehorende ministeriële regeling: 1. het lozen van hemelwater niet afkomstig van bodembeschermende voorzieningen (paragraaf 3.1.3.); 2. het lozen van koelwater (paragraaf 3.1.5) 3. hoofdstuk 1, afdeling 2.1 van het besluit, voor zover die betrekking hebben op de onder punt 1 en 2 genoemde activiteiten. In het beoordelingsverslag wordt nader ingegaan op de concrete inhoud van deze paragrafen uit het Barim en de ministeriële regeling. De aanvraag om vergunning geldt als de op grond van het Barim benodigde melding voor deze activiteiten.

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in werking getreden. Op grond van artikel 2.1, lid 1, onder e, van deze wet is het verboden een inrichting op te richten, te veranderen, dan wel de werking ervan te veranderen, of een inrichting in werking te hebben zonder omgevingsvergunning. Op grond van artikel 1.2, lid 2, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht blijft op de voorbereiding en vaststelling van de beschikking op een aanvraag om vergunning in het kader van de Wet milieubeheer het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór 1 oktober 2010 van toepassing. Onderhavige aanvraag zal dan ook worden beoordeeld aan de hand van het toetsingskader zoals neergelegd in artikel 8.8 en artikel 8.9 van de Wet milieubeheer. De beoordelingen zijn verwoord in bijgevoegd beoordelingsverslag. Bij het stellen van voorschriften wordt zoveel mogelijk aangesloten bij het Barim en het Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit). In de vergunning zijn voor het brandveilig opslaan van niet milieugevaarlijke brandbare stoffen geen specifieke voorschriften opgenomen omdat dit al geregeld is in het Gebruiksbesluit. Getoetst is eveneens aan de eis om de voor de inrichting in aanmerking komende Beste Beschikbare Technieken (BBT) toe te passen (artikel 8.11, derde lid, Wm).

Hierbij is rekening gehouden met de Regeling aanwijzing BBT-documenten. Op grond van artikel 1.2, lid 3, van de Invoeringswet Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt de beschikking in het kader van de Wet milieubeheer op het tijdstip dat deze onherroepelijk is geworden, gelijkgesteld met een omgevingsvergunning voor de betreffende activiteit. Door naleving van de aan deze vergunning verbonden voorschriften worden de nadelige gevolgen voor het milieu die de inrichting kan veroorzaken voorkomen, of voor zover dat niet kan, ten minste in voldoende mate beperkt of ongedaan gemaakt. Procedure 1ste Ontwerpbeschikking

MB.09.12

pagina 4 van 98

Op 21 december 2009 is kennis gegeven dat een ontwerpbeschikking op de aanvraag is genomen. De ontwerpbeschikking heeft van 21 december 2009 tot en met 1 februari 2010 ter inzage gelegen. Naar aanleiding van de ontwerpbeschikking zijn binnen het gestelde termijn schriftelijk zienswijzen ingekomen van omwonenden en Artex BV. Gedurende de termijn van inzage van de ontwerpbeschikking is op 22 december 2009 de Waterwet van kracht geworden en is de Wvo (Wet verontreiniging oppervlaktewateren) ingetrokken. Artex BV beschikt over een Wvo-vergunning voor het lozen van afvalwater. Uit overleg met het Waterschap Aa en Maas blijkt dat Artex BV niet aan de lozingseisen zoals gesteld in de vigerende Wvovergunning (thans aangemerkt als Wm-vergunning) kan voldoen. Dit maakt het noodzakelijk dat de aanvraag wordt aangevuld met gegevens over het bedrijfsafvalwater en dat de ontwerpbeschikking aangevuld wordt met een waterparagraaf waarin verruiming van de lozingsnormen wordt beoordeeld. Gezien het ontbreken van een waterparagraaf met bijbehorende voorschriften in de ter inzage gelegde ontwerpbeschikking achtten wij het noodzakelijk om een nieuwe ontwerpbeschikking ter inzage te leggen. In de nieuwe ontwerpbeschikking is een waterparagraaf opgenomen welke gebaseerd is op de door Artex BV op 29 april 2010 aangeleverde gegevens, aangevuld op 7 juni 2010.

Ambtshalve is bij het Waterschap advies ingewonnen met betrekking tot de aan de Wm-vergunning te verbinden voorschriften met betrekking tot de lozing van afvalwater op de gemeentelijke riolering. Het advies is verwerkt in de vergunning. Als gevolg van het van kracht worden van de Waterwet en aanpassing van de lozingsvoorschriften zijn aanvullende gegevens met betrekking tot het lozen van afvalwater en hemelwater aangeleverd door Artex BV. Uit de aanvullende gegevens met betrekking tot de waterparagraaf en advies van het Waterschap Aa en Maas blijkt dat door aanpassing van de lozingsvoorschriften de aangevraagde activiteiten vergunbaar zijn. Bij de nieuwe ontwerpbeschikking is eveneens rekening gehouden met de ingebrachte zienswijzen van de omwonenden en Artex BV. Hierdoor zijn voorschriften tekstueel aangepast, toegevoegd of verwijderd en correspondeert de nummering van de voorschriften niet meer met het eerste ontwerpbesluit. De ingebrachte zienswijzen met onze reactie daarop zijn opgenomen in het bij deze vergunning behorende beoordelingsverslag onder punt 11. In de 2e ontwerpbeschikking zijn indien daartoe aanleiding bestond, ook ambtshalve wijzigingen ten opzichte van de eerdere ontwerpbeschikking aangebracht.

2e Ontwerpbeschikking In het kader van deze procedure is op 9 juli 2010 een nieuwe ontwerpbeschikking gepubliceerd welke op verzoek van omwonenden in verband met de vakantieperiode nogmaals ongewijzigd ter inzage is gelegd. Het voornemen tot verlening van de aangevraagde vergunning is op 30 juli 2010 overeenkomstig de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht bekendgemaakt. De ontwerpbeschikking heeft gedurende een periode van 6 weken ter inzage gelegen van maandag 2 augustus 2010 tot en met maandag 13 september 2010. Binnen deze termijn bestond voor één ieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen over het ontwerp van de vergunning. Naar aanleiding van de 2e ontwerpbeschikking zijn schriftelijk zienswijzen ingebracht namens en door omwonenden en door Artex BV. De ingebrachte zienswijzen worden hieronder behandeld. Deze zienswijzen zijn op respectievelijk 6, 7 en 10 september 2010 binnengekomen en derhalve tijdig ingediend. Verder is op ons verzoek advies uitgebracht door Waterschap Aa en Maas op de zienswijzen welke betrekking hebben op het afvalwater te weten zienswijzen punt 34, 36 en punt 59. Het advies is op 4 november 2010 door ons ontvangen. Het advies ligt tevens ter inzage. Behandeling zienswijzen De zienswijzen luiden als volgt: A.Zienswijzen ingekomen van Achmea rechtsbijstand met kenmerk R106102333 d.d.

9 september 2010 ingekomen op 10 september 2010, namens omwonenden: • mevrouw T.A.M. Harts, De Duivenakker 6, 5735 JA in Aarle-Rixtel; • de heer G.A. van den Bogaard, De Duivenakker 1, 5735 JA in Aarle-Rixtel.

MB.09.12

pagina 5 van 98

Het bedrijf Artex B.V., Bosscheweg 79 in Aarle-Rixtel heeft op 23 september 2009 bij u een vergunning op grond van de Wet milieubeheer aangevraagd. In de aanhef van de voorliggende ontwerpmilieuvergunning, onder het kopje "Aanvraag", is vermeld dat op 13 oktober 2009 een aanvulling op de aanvraag is gekomen. Ten behoeve van de nieuwe (tweede) ontwerpmilieuvergunning is op 29 april 2010 een aanvulling op de waterparagraaf ontvangen met aanvullende gegevens op 7 juni 2010. Daarnaast zijn algemene gegevens ontvangen op 17 mei 2010. Van 21 december 2009 tot en met 1 februari 2010 heeft de eerste ontwerpvergunning op grond van de Wet milieubeheer ter inzage gelegen. Namens de hierna genoemde cliënten zijn toen ook al zienswijzen bij u ingediend. In de nu voorliggende tweede ontwerpmilieuvergunning wordt door u ook (deels) op die zienswijzen ingegaan. De nu voorliggende (tweede) ontwerpmilieuvergunning is door u ter inzage gelegd van 2 augustus 2010 tot en met 13 september 2010. De betreffende bekendmaking voeg ik als bijlage 1 toe. Het betreft nog steeds een nieuwe, de gehele inrichting omvattende vergunning (revisievergunning) volgens artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. 1.Vooraf Ik ga er van uit dat de (eerste) zienswijze van cliënten van 28 januari 2010, voor zover nog aan de orde, in uw dossier zit.

Daar hoorde ook een (eerste) advies/contra-expertise van Adviesbureau Oranjewoud van 25 januari 2010 bij. Omdat cliënten en de adviseur van Adviesbureau Oranjewoud van mening zijn, dat in de nu voorliggende ontwerpmilieuvergunning niet of niet voldoende op alle ingebrachte zienswijzen is gereageerd door u, voeg ik de zienswijze van 28 januari 2010 met kenmerk R106102333 met advies van Adviesbureau Oranjewoud nogmaals als bijlage 2 voor u bij. Weerlegging Aangezien niet aangegeven is op welke ingebrachte zienswijzen niet of niet voldoende is gereageerd zijn we ook niet in staat hierop een concrete weerlegging te geven. Wij verwijzen dan ook naar onze reacties zoals gegeven op de zienswijzen van d.d. 28 januari 2010 zoals opgenomen onder hoofdstuk 11 van de considerans. Wij achten de zienswijze ongegrond. 2. Advies inwinnen/contra-expertise Vanwege de technische complexiteit van de ook nu voorliggende aanvraag en ontwerpmilieuvergunning hebben cliënten er wederom voor gekozen om deze stukken voor te leggen aan Adviesbureau Oranjewoud. Dit heeft vervolgens een nieuwe contra-expertise opgeleverd die wederom is opgesteld door de heer Twan van den Heijkant, Senior adviseur Milieu & Veiligheid van Adviesbureau Oranjewoud in Oosterhout. De door de heer Van den Heijkant op 7 september 2010 uitgebrachte contra-expertise voeg ik voor u als bijlage 3 bij.

Ik verzoek u om de inhoud van deze als bijlage 3 bijgevoegde contra-expertise van 7 september 2010 hier als woordelijk ingelast en herhaald te beschouwen. Ik verzoek u voorts om de inhoud van deze contra-expertise als de door cliënten ingebrachte zienswijzen te beschouwen met betrekking tot de voorliggende aanvraag met onderliggende stukken en ontwerpmilieu-vergunning. Deze contra-expertise, deze zienswijzen van cliënten kunnen volgens hen enkel tot gevolg hebben dat de voorliggende ontwerpmilieuvergunning zo niet definitief kan worden vastgesteld door u. De ontwerpmilieuvergunning bevat te weinig waarborgen voor cliënten om tot een situatie te komen waarin er geen sprake meer is of zal zijn van door hen ondervonden stank- en/of rookoverlast veroorzaakt door de bedrijfsactiviteiten van Artex. Weerlegging De contra-expertise van Oranjewoud wordt onder punt 7 t/m 52 behandeld. De vergunning kan, ingevolge artikel 8.10, eerste lid van de Wet milieubeheer, slechts in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Artikel 8.11, tweede lid, Wet milieubeheer bepaalt dat een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen kan worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel moeten aan een vergunning de voorschriften worden verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu.

Daartoe zijn aan de vergunning voorschriften verbonden die de grootst mogelijke

MB.09.12

pagina 6 van 98

bescherming bieden tegen de nadelige gevolgen die de inrichting kan veroorzaken. Op basis van de voorschriften zal handhaving plaats vinden. Bij naleving van de voorschriften worden de nadelige gevolgen voor het milieu voldoende voorkomen. Binnen het toetsingskader van de Wet milieubeheer kan niet worden verlangd dat ieder vorm van milieubelasting wordt voorkomen. Het al dan niet naleven van de voorschriften valt buiten deze vergunningsprocedure. Wij achten de zienswijze ongegrond. 3. Controle op rookuitstoot door Artex In het verleden is al eens als mogelijke maatregel/voorschrift in dit kader aangegeven de mogelijkheid om camera's op te hangen. Die camera's dienen dan te zijn gericht op de rookafvoerpijpen die door Artex worden gebruikt. Daarmee wordt controle en handhaving op dit aspect een stuk makkelijker, ook voor u als bevoegd gezag, en wordt discussie achteraf voorkomen in die gevallen, waarin cliënten wel de rookoverlast constateren, maar uw toezichthouders en controleurs (meestal achteraf) niet. Cliënten verzoeken u hiervoor een passend voorschrift in de milieuvergunning op te nemen. Weerlegging Zie punt 41. De wijze waarop handhaving van de voorschriften plaatsvindt, valt buiten het toetsingskader van de Wet milieubeheer. Wij achten de zienswijze ongegrond. 4.

Verruiming werktijden Cliënten stellen vast dat er in de aanvraag een verruiming van de werktijden zit, die voorheen onder de nu nog geldende milieuvergunning niet was vergund. Dat heeft in het verleden ook al tot handhavend optreden uwerzijds geleid bij werken op zaterdag door Artex. Cliënten wensen dan ook dat de werktijden worden beperkt, dan wel beperkt blijven, van maandag tot en met vrijdag van 7 tot 19 uur. Dit zijn volgens cliënten gebruikelijke werktijden. Weerlegging De verruiming van de werktijden is in de aanvraag vastgelegd en in het bijbehorende akoestisch onderzoek. Beide documenten maken deel uit van de vergunning. Daarmee zijn de nieuwe werktijden begrensd. De onderhavige aanvraag betreft een revisievergunning dit is een geheel nieuwe vergunning voor alle activiteiten die binnen de inrichting worden uitgevoerd. Dit houdt in dat er uitbreiding van de werktijden of andere (nog) niet vergunde bedrijfsactiviteiten kunnen worden aangevraagd. Op basis hiervan is beoordeeld of de benodigde geluidsruimte, getoetst aan de huidige normen kan worden vergund. Op basis hiervan zijn voorschriften opgenomen in de vergunning. De vergunde activiteiten voldoen aan de (geluids)normen. Er zijn dan ook geen milieugronden waarop de gevraagde uitbreiding van de werktijden zouden moeten worden geweigerd. Een verdere beperking zou voor de inrichting onnodig bezwarend zijn.

Wij achten de zienswijze ongegrond. 5. Gezondheid Cliënten, en ook de overige buurtbewoners, vrezen al jaren dat door de stank- en rookoverlast, die zij nu al vele jaren ondervinden vanuit Artex, hun gezondheid is aangetast. Cliënten verzoeken u nadrukkelijk om dit aspect nader te (laten) onderzoeken. Weerlegging Uit onderzoek is gebleken dat, met uitzondering van de stof benzeen, tijdens de processen geen stoffen voorkomen waarvoor in verband met de schadelijkheid voor de volksgezondheid in de NeR een minimalisatieverplichting is opgenomen. Uit het luchtonderzoek blijkt dat voldaan kan worden aan de emissienorm van 1 mg/m3. In de vergunning is eveneens een voorschrift opgenomen ter controle van de emissie van benzeen en ander koolwaterstoffen. In het kader van de Wet milieubeheer zijn de emissies naar de lucht getoetst aan de NeR. De in de aanvraag vermelde emissies voldoen hieraan. Daarnaast is in 2004 (bijlage 9 van de aanvraag) de koolwaterstoffenemissie van Artex getoetst aan de MAC-waarden. Uit het onderzoek blijkt dat de aan de bron gemeten concentraties van individuele componenten ver beneden de wettelijke MAC-waarden zijn. De immissiewaarden op leefniveau zullen nog veel

MB.09.12

pagina 7 van 98

lager zijn vanwege verdunning door verspreiding. Er wordt voldaan aan de ter zake geldende norm. Naast de normering met betrekking tot luchtkwaliteit, is de door indiener van zienswijze geopperde vrees voor de volksgezondheid geen grond voor het weigeren van de vergunning dan wel het stellen van aanvullende voorschriften. Door de voorschriften zoals opgenomen in hoofdstuk 11 van de vergunning waarin onderhoud aan de zuiveringsinstallatie, emissienormen en controlemetingen zijn opgenomen achten wij het voorkomen van overlast door stank of rook voldoende geborgd. Wij achten de zienswijze ongegrond. 6. Verzoek Graag verzoek ik u namens cliënten de gevraagde milieuvergunning te weigeren dan wel de voorschriften zodanig aan te passen dat de milieuvergunning daarmee aan deze zienswijzen tegemoet komt en cliënten voortaan geen stank- en/of rookoverlast ondervinden. Weerlegging Zie onze reactie op zienswijze opgenomen onder punt 41. 7. In 2006, 2008 en begin 2010 zijn door ons bureau in het kader van diverse vergunningaanvragen ingediend door het bedrijf Artex, verschillende contra-expertises opgesteld. Reden waarom opnieuw verzocht is om de door gemeente Laarbeek op 30 juni 2009 in procedure gebrachte vergunningaanvraag voor onderhavige inrichting te beschouwen.

Naast deze aanvraag zijn eveneens de in juli en augustus gepubliceerde ontwerpbeschikkingen in het kader van de Wet milieubeheer en de daaraan verbonden vergunningvoorschriften beoordeeld. Allereerst wordt opgemerkt dat de gemeente betreffende beschikking tweemaal ter inzage heeft gelegd zonder enige wijziging van stukken. In de kennisgeving/publicatie is verzuimd aan te geven wat de reden is van de gewijzigde procedure, daarnaast is verzuimd aan te geven het eerder gepubliceerde ontwerpbesluit in te trekken. De gevolgde procedure is hiermee in strijd met het gestelde in de Awb. Weerlegging De tweede ontwerp beschikking is ter inzage gelegd op 12 juli 2010. Op verzoek van de omwonenden en hun adviseurs is in verband met de vakantieperiode verzocht om de ontwerpbeschikking op een later tijdstip ter inzage te leggen. Hieraan heeft de gemeente gehoor gegeven door de ontwerpbeschikking ongewijzigd op een later tijdstip te weten van 2 augustus tot en met 13 september ter inzage te leggen. Er is geen sprake van wijziging ten opzicht van het tweede-ontwerp maar slechts het opnieuw ter inzage leggen van de tweede ontwerpbeschikking. Zienswijzen die zijn ingediend tegen de tweede ontwerpbeschikking gedurende de eerste ter inzage legging worden ook in de procedure betrokken. Door deze handelwijze wordt meer dan voldaan aan de eisen van de Awb en zijn geen belangen geschaad.

Wij achten de zienswijze ongegrond. 8. In de vergunningaanvraag wordt gerefereerd naar een (geur)onderzoek uit 2005 zonder dat dat onderzoek onderdeel vormt van de officieel ingediende aanvraag waarop thans een besluit wordt genomen. Hoewel dat onderzoek wel eens onderdeel heeft gevormd van een voorafgaande aanvraag, is die aanvraag nadien officieel door Artex ingetrokken en heeft daarop nimmer besluitvorming plaatsgevonden. Omdat het rapport uit 2005 een basis en inzicht biedt in de milieubelasting vanwege de bedrijfsvoering van Artex, had dat stuk ook bijgevoegd dienen te zijn bij het thans in procedure gebrachte integrale aanvraagdocument. Weerlegging De voor de aanvraag van belang zijnde gegevens uit het onderzoek van 2005 zijn opgenomen in bijlage 5 van de aanvraag “Emissieonderzoek Artex, 2009 door PRA Odournet”. Het besluit is genomen op basis van het bij de aanvraag behorende nieuwe onderzoek uit 2009. Dat document maakt deel uit van de vergunning. Het rapport uit 2005 vormt geen representatief

MB.09.12

pagina 8 van 98

beeld van de thans aangevraagde en vergunde activiteiten. Wij achten de zienswijze ongegrond. 9. Bij deze werkzaamheden is opnieuw de vigerende (revisie)vergunning voor dit bedrijf, zoals door de gemeente Laarbeek op 12 juni 2002 verleend, als toetsings-/referentiekader gebruikt. Betreffende beschikking vormt namelijk de juridische grondslag en basis voor de bestaande activiteiten en installaties waaraan rechten kunnen worden ontleend door het bedrijf Artex. Ondanks dat in de aanvraag van de vigerende vergunning d.d. 12 juni 2002 is aangegeven dat geen emissies plaatsvinden die vallen onder de NeR-richtlijn, geen oplosmiddelen worden gebruikt, geen lakemissies geschieden en het bedrijf geen geurhinder veroorzaakt, beroept de gemeente in de considerans van de thans ter inzage gelegde ontwerpbeschikking zich erop dat in onderhavig geval er sprake is van een bestaande situatie. Ook in de reactie/beoordeling op de ingebrachte zienswijze ten aanzien van de eerste beschikking blijft de gemeente op dit punt deze mening toegedaan. Men redeneert dat vanwege het impliciet vergunnen van een bepaalde geuremissie ook vergunning is verleend voor een bepaalde activiteit of installatie. Deze lijn wordt niet onderschreven door de Raad van State en diverse jurisprudentie (zie bv. nr. 200904094/2/M1).

De Raad van State oordeelt namelijk dat geen milieuruimte wordt vergund middels een vergunning in het kader van de Wet milieubeheer maar dat slechts een specifieke installatie en/of activiteit wordt vergund. Weerlegging Door ons is in de considerans aangegeven dat de activiteit coaten geen nieuwe activiteit is binnen Artex ten opzichte van de vergunde situatie. In 2002 is een vergunning afgegeven voor de activiteit coaten waarbij op basis van de aanvraag en het ontbreken van klachten uit de omgeving geconstateerd is dat dit gepaard ging met een acceptabel hinderniveau met betrekking tot geur. In de vergunning van 2002 zijn dan ook geen specifieke geuremissienormen opgelegd. In de considerans van onderhavige vergunning is aangegeven dat hiermee impliciet ook emissie van geur vergund is ondanks het ontbreken van voorschriften. Voor het coaten wordt dezelfde installatie (spanraam) gebruikt als in de vigerende vergunning en bijbehorende aanvraag. Wel zijn wij van mening dat door de toegenomen black-out-productie (productie van lichtwerende stoffen) de emissies naar de lucht zijn toegenomen. Door Artex is een luchtzuiveringsinstallatie geplaatst om de emissie naar de lucht zoveel mogelijk te voorkomen.

De vrijkomende geuremissie en overige emissies naar de lucht zijn op basis van de aangevraagde activiteiten en de toepassing van de luchtzuiveringsinstallatie getoetst aan de huidige wetgeving. Artex kan hieraan voldoen. Reeds daarom is er geen grond voor weigering van de gevraagde vergunning. Wij achten de zienswijze ongegrond. Zie tevens punt 10 en 11. 10. Op basis van de thans voorliggende vergunningaanvraag, klachten vanuit de omgeving, de vastgestelde hedonische waarde van dit bedrijf en de verschillende, vrijkomende emissies naar de omgeving wordt opgemerkt dat er sprake is van een volledig andere situatie dan waarvoor in het verleden vergunning is verleend. Op deze elementen en de aangevraagde veranderingen binnen de inrichting (zowel qua installaties, activiteiten als productverschuivingen) is de gemeente niet ingegaan in de weerlegging op de eerder ingebrachte zienswijzen. Juist deze aspecten maken inzichtelijk dat er sprake is van een nieuwe situatie waarvoor in het verleden nimmer vergunning is verleend. Er is mijns inziens in onderhavige situatie dus geen sprake van een bestaande situatie maar van een andere bedrijfsvoering en milieu-impact zoals geschetst en vergund in het verleden.

De thans aangevraagde bedrijfsactiviteiten dienen op dit vlak derhalve te worden beschouwd als een nieuwe situatie en niet te worden beoordeeld en getoetst vanuit de visie dat er sprake zou zijn van een bestaande inrichting met een dekkende vergunning die alle activiteiten en installaties bevat. Ook de aan de vergunning te verbinden voorschriften en normen dienen in die context niet volledig gebaseerd te zijn op een bestaande situatie.

MB.09.12

pagina 9 van 98

Weerlegging Er zijn geen andere installaties voor de productie in gebruik dan zoals vergund in 2002. De activiteiten zijn ook gelijk gebleven. Er heeft wel een productverschuiving plaats gevonden naar meer black-out producten. Het aanbrengen van coatings vond ook in 2002 plaats. Door het produceren van meer black-out producten is de geuremissie naar de omgeving toegenomen. Op basis hiervan heeft Artex maatregelen getroffen om hinder tegen te gaan door het plaatsen van een luchtzuiveringsinstallatie. De emissies naar de lucht en de zuiveringsinstallatie zijn getoetst aan de huidige wetgeving. De luchtzuiveringsinstallatie is conform BBT. Wij achten de zienswijze ongegrond. 11. Het bedrijf en de gemeente doen voorkomen dat de vrijkomende emissies al sinds jaren vrijkomen en Artex zou beschikken over bepaalde bestaande rechten. Zowel de emissies als de vergunde activiteiten en installaties zijn echter niet te herleiden cq. vastgelegd in de vigerende vergunning uit 2002. Weerlegging De aangevraagde activiteiten en bijbehorende emissies zijn beoordeeld op basis van de huidige wetgeving. Hieraan kan worden voldaan. Voor het coaten zijn geen andere installaties aanwezig dan in de vigerende vergunning. Wij achten de zienswijze ongegrond. 12.

Uit het bijgevoegde geuronderzoek blijkt dat de black-out-processen leiden tot een situatie met verhoogde emissie, de hoogste geurconcentratie en de meeste geuremissie. Juist dit proces is nooit specifiek benoemd en vergund in het verleden. Deze producten hebben door marktontwikkelingen geleid tot een verschuiving in productieactiviteiten c.q. de bestaande activiteiten en voorts geleid tot plaatsing van een nieuwe luchtbehandelingsinstallatie. Deze verandering binnen de activiteiten van Artex heeft feitelijk ook geleid tot de geurhinder en klachten. Dit verklaart ook waarom er voor 2002 en ten tijde van de procedure van de vigerende vergunning in 2002, toen dat proces niet in die context plaatsvond, geen klachten op dat vlak bij de gemeente bekend waren. Weerlegging De geuremissie die bij de productie van black-outproducten vrijkomt, is getoetst aan het in de NeR opgenomen geurbeleid. In het geuronderzoek van PRA Odournet BV d.d. 26 juni 2009 is op basis van de vastgestelde hedonische waarde een toetsingskader afgeleid. Met dit toetsingskader hebben wij ingestemd. Met behulp van verspreidingsmodel Kema Stacks versie 2009 zijn de immissiecontouren berekend. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan het voor Artex specifieke geurtoetsingskader.

Door de verschuiving van de productie naar meer black-outproducten vindt een toename plaats van emissies ten opzichte van de vigerende vergunde situatie. Door de plaatsing van een luchtbehandeIingsinstallatie wordt echter wel voldaan aan de emissie-eisen uit de NeR. De NeR is aangewezen als BBT-document, dus de inrichting voldoet wat betreft geur aan BBT. Er is dus geen reden de vergunning te weigeren. Wij achten de zienswijze ongegrond. 13. Artex heeft in 2007 ervoor gekozen om een nieuwe luchtzuiveringsinstallatie te plaatsen zonder daarvoor vooraf vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Middels onderhavige aanvraag wil men deze installatie alsnog vergund/gelegaliseerd krijgen. Ook dit gegeven maakt duidelijk dat er sprake is van een nieuwe situatie/emissie welke dan ook als zodanig beschouwd dient te worden. Weerlegging De luchtzuiveringsinstallatie is als nieuwe installatie beschouwd en als zodanig getoetst aan de NeR (zoals ook reeds aangegeven in weerlegging punt 14 op zienswijzen eerste

MB.09.12

pagina 10 van 98

ontwerpbeschikking). Hierin is het volgende opgenomen: “In de NeR zijn voor de emissie van stof/aërosolen emissie-eisen (categorie S) opgenomen. Hierin wordt onderscheid gemaakt in emissie-eisen waarbij filterende afscheiders worden toegepast. De hier toegepaste luchtbehandeIingsinstallatie wordt in de NeR niet beschouwd als een filterende afscheider. De emissie van stof/aërosolen is dan ook getoetst aan de daarbij behorende emissie-eis. Het in bijlage 6 opgenomen rapport van Odournet d.d. 2 juni 2009 betreft een onderzoek naar mogelijke maatregelen om de geurimmisie verder te verbeteren. Het onderzoek is gebaseerd op de in de BREF voor de textielindustrie opgenomen technieken die als BBT kunnen worden beschouwd. De luchtbehandeIingsinstallatie (gaswasser in combinatie met elektrostatisch filter) zoals die bij Artex is toegepast voldoet hieraan. Het toevoegen van een warmtewisselaar aan de luchtbehandeIingsinstallatie is in hoofdzaak bedoeld om de warmte terug te winnen. Als bijkomend effect kan een warmtewisselaar voor een deel bijdrage aan geurreductie. Bij overwegingen of een warmte wisselaar dient te worden toegepast dienen aspecten als kosten en mogelijke integreerbaarheid in de bestaande installatie te worden overwogen.

Op basis van de BREF kan geconcludeerd worden dat de toegepaste techniek van luchtwassing in combinatie met een elektrostatisch filter als BBT bij Artex kan worden beschouwd.” De onderhavige aanvraag betreft een aanvraag als bedoeld in artikel 8.4 Wm. Dit houdt in dat (nog) niet vergunde bedrijfsactiviteiten zoals de luchtzuiveringsinstallatie kunnen worden aangevraagd en –mits wordt voldaan aan de milieunormen- kan worden vergund. Op basis van de aanvraag zijn de bijbehorende milieuaspecten getoetst. Zoals hierboven beschreven voldoet de luchtzuiveringsinstallatie aan BBT. In de vergunning zijn ter bescherming van het milieu de benodigde voorschriften opgenomen. Wij achten de zienswijze ongegrond. 14. Voorts worden bedenkingen gesteld ten aanzien van het toetsingskader zoals vastgesteld in het geur-onderzoek en vervolgens als zodanig ook opgenomen in de (ontwerp-)beschikking. Dat kader is met name gebaseerd op een situatie met een normale emissie. De situatie met verhoogde emissie leidt echter tot andere waarden/resultaten met een grotere/nadeligere impact vanwege de bedrijfsactiviteiten vanuit Artex. Wanneer deze bezien worden in relatie tot de geurconcentratie en geuremissie, is dit de bedrijfvoering met de zwaarste milieubelasting/meest nadelige milieugevolgen.

Als zodanig had op dat worst case scenario de normering en daaraan gerelateerde reducerende maatregelen en/of voorzieningen gedimensioneerd dienen te worden. Dit is verzuimd. Er is kortom sprake van een verkapte weigering van de situatie met een verhoogde emissie. Dit is in strijd met het gestelde in de Wet milieubeheer. Weerlegging In het geuronderzoek van 2009 wordt onderscheid gemaakt in situaties met verhoogde emissie en normale emissie. De hoge- en normale geuremissie zijn gekwantificeerd met metingen bij de schoorsteen van de nieuwe luchtzuiveringsinstallatie. In de berekeningen is zowel de hoge- als normale geuremissie als bronpunt meegenomen. Hiermee is een worst case scenario berekend. De berekeningsresultaten zijn getoetst aan het voorgestelde toetsingskader. Hieruit blijkt dat in beide situaties voldaan kan worden aan de gestelde vergunningvoorschriften. Wij achten de zienswijze ongegrond. 15. Daarnaast blijken de geurconcentraties van zowel de hoge als de normale emissie uitgemiddeld te zijn op basis van 3 metingen. Gezien de grote spreiding in de geurconcentraties is het niet legitiem om de normstelling te bepalen op basis van een gemiddelde geuremissie en de daaraan gerelateerde concentratie. De metingen leiden namelijk tot een range van meer dan 10% en een verklaring hiervoor ontbreekt.

Daar een milieuvergunning verleend wordt voor alle feitelijk optredende situaties die zich onder representatieve omstandigheden kunnen voordoen, dient bij de normering uitgegaan te worden van de meting met de hoogste geurconcentratie. Op basis van het thans voorliggend

MB.09.12

pagina 11 van 98

onderzoek en de verrichte metingen blijkt feitelijk dat Artex bij bepaalde activiteiten en/of situaties niet kan voldoen aan de in de ontwerpbeschikking verbonden geurnormering. Weerlegging In de NeR is vastgelegd dat een afzonderlijke meting standaard uit 3 deelmetingen of monsternemingen bestaat. Dit aantal deelmetingen is noodzakelijk om voldoende inzicht te krijgen in de emissie en emissiepatroon. In de NeR is tevens opgenomen dat de resultaten van de deelmeting moeten worden gemiddeld en dat het gemiddelde geldt als het resultaat van de afzonderlijke meting. In het geuronderzoek van 2009 is deze werkwijze gehanteerd. Wij achten de zienswijze ongegrond. 16. Voorts zijn in de afweging om te komen of het hinderniveau acceptabel is, niet alle aspecten zoals benoemd op pagina 19 van de huidige ontwerpbeschikking meegewogen in de besluitvorming. Gezien de bestaande klachten, verzoeken tot handhaving en het zelfs gegrond verklaren van diverse klachten had dit element zwaarder en beter meegewogen dienen te worden in deze procedure. Weerlegging Zoals ook al eerder is aangegeven is de geuremissie getoetst aan het geurbeleid zoals is vastgelegd in een brief van het ministerie van VROM d.d. juni 1995. Op basis van dit geurbeleid dient bij nieuwe situaties nieuwe hinder te worden voorkomen. Er is echter geen algemene norm vastgelegd voor nieuwe inrichtingen.

Door het bevoegd gezag is geen geurbeleid (hoe om te gaan met geurhinder en geurnormering bij industriële bedrijven) vastgesteld. Aangezien ook in de NeR geen bijzondere regeling is opgenomen voor de textielindustrie, moet het bevoegd gezag op basis van het algemene geurbeleid een afweging maken tussen de hinder, de belangen van de inrichting en de omgeving. In het onderzoek van Odournet d.d. 26 juni 2009 wordt een toetsingskader voorgesteld dat op basis van de hedonische waarde is bepaald. Met deze methode wordt inzicht verkregen in de grens waar hinder optreedt. Met de wijze waarop de hedonische waarde is vastgesteld hebben wij ingestemd. Tevens hebben wij ingestemd met het voorgestelde toetsingskader. In het toetsingskader wordt onderscheid gemaakt in de grenswaarde, de richtwaarde en de piekimissienorm. De grenswaarde is te omschrijven als het plafond van hinder die als acceptabel kan worden aangemerkt. De richtwaarde kan worden beschouwd als een niveau van redelijke hinder. Uit het onderzoek blijkt dat de berekeningsresultaten van de verspreidingsberekeningen voldoen aan de voorgestelde richtwaarde. Aangezien in het geuronderzoek wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de richtwaarde, wordt de richtwaarde als immissienorm in de voorschriften vastgelegd. Wij achten de zienswijze ongegrond. 17.

Ook is ondanks zienswijzen op dit vlak geoordeeld dat de in de rapportage van Odournet vervatte mogelijke additionele BBT-maatregelen, welke in principe wel toepasbaar zijn bij Artex, niet getroffen hoeven te worden terwijl de mogelijke toepasbaarheid enkel vanuit kostenoogpunt of vanwege inzet bij nieuwe situaties niet haalbaar wordt geacht. Deze extra voorzieningen zouden dus in de lijn van BBT en de BREF toegepast/voorgeschreven moeten worden bij Artex. In een reactie op een zienswijze in dat kader wordt namelijk erkend dat een warmtewisselaar leidt tot een verbetering van de geur- en emissieproblematiek bij Artex. Hoewel gesteld wordt bij de overwegingen of een warmtewisselaar dient te worden toegepast aspecten als kosten en integreerbaarheid in de bestaande installatie moeten worden overwogen, spelen deze elementen/aspecten in de situatie van Artex geen rol temeer omdat de gemeente zelf ook onderkent dat de geplaatste nabehandelings-installatie als een nieuwe installatie dient te worden beschouwd. Weerlegging

MB.09.12

pagina 12 van 98

Het in bijlage 6 opgenomen rapport van Odournet d.d. 2 juni 2009 betreft een onderzoek naar mogelijke maatregelen om de geurimmisie verder te verbeteren. Het onderzoek is gebaseerd op de in de BREF voor de textielindustrie opgenomen technieken die als BBT kunnen worden beschouwd. De luchtbehandeIingsinstallatie (gaswasser in combinatie met elektrostatisch filter) zoals die bij Artex is toegepast voldoet hieraan. Het toevoegen van een warmtewisselaar aan de luchtbehandeIingsinstallatie is in hoofdzaak bedoeld om de warmte terug te winnen. Als bijkomend effect kan een warmtewisselaar voor een deel bijdrage aan geurreductie. Bij overwegingen of een warmte wisselaar dient te worden toegepast dienen aspecten als kosten en mogelijke integreerbaarheid in de bestaande installatie te worden overwogen. Op basis van de BREF kan geconcludeerd worden dat de toegepaste techniek van luchtwassing in combinatie met een elektrostatisch filter als BBT bij Artex kan worden beschouwd. Het voorschrijven van een warmtewisselaar geldt niet als BBT en zou bovendien onnodig bezwarend zijn voor de drijver van de inrichting. Wij achten de zienswijze ongegrond. 18.

Bij toetsing aan de BREF textielindustrie is in de considerans opgenomen dat Artex grotendeels (en dus nog niet volledig!) heeft voldaan aan de in artikel 8.10, lid 2 sub a Wm genoemde 'voor de inrichting in aanmerking komende best beschikbare technieken'. Er wordt dus niet volledig voldaan aan het BBT-principe. De gemeente had dus een andere afweging en besluit dienen te worden nemen bij beoordeling van deze vergunningaanvraag. Weerlegging De BREF textielindustrie voorziet in een beschrijving van beste beschikbare technieken (BBT). Als gevolg van het opnemen van BREF’s in de NeR is de bijzondere regeling textielindustrie per december 2007 vervallen. De Nederlandse overheid heeft ervoor gekozen om bij de implementatie van de IPPC- richtlijn geen onderscheid te maken tussen inrichtingen die onder de richtlijn vallen en andere inrichtingen. Dit betekent dat de BREF’s ook als informatiebron moeten worden meegenomen bij de BBT afweging voor inrichtingen die vanwege hun productiecapaciteit niet onder de IPPC richtlijn vallen. Hierbij is wel aandacht nodig voor de vraag in hoeverre de maatregelen en voorzieningen uit de BREF van toepassing zijn op een dergelijke schaalgrootte, aangezien de BREF’s niet gericht zijn op deze inrichtingen. Zoals ook in de considerans onder hoofdstuk 2 GPBV-richtlijn aangegeven is Artex geen IPPC bedrijf.

In de aanvraag heeft Artex BV een toetsing aan de BREF textielindustrie als bijlage 14 opgenomen. Op basis hiervan concluderen wij dat de bij Artex toepasbare technieken grotendeels zijn doorgevoerd. Voor de mogelijk toepasbare technieken die bij Artex nog niet zijn doorgevoerd is in de vergunning voorschrift 6.2.1 opgenomen waarin een haalbaarheidsonderzoek dient te worden uigevoerd voor een drietal aspecten. Gezien het feit dat Artex geen IPPC bedrijf is, gezien de schaalgrootte van het bedrijf en reeds aanwezige technieken in samenhang met het opgenomen voorschrift voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek zijn wij van mening dat binnen het bedrijf voldoende toepassing wordt gegeven aan de ‘stand der techniek’ en de vergunning voldoet aan BBT. Wel achten wij het noodzakelijk om voorschrift 6.2.1 aan te vullen zodat op basis van de resultaten van het haalbaarheidsonderzoek eventueel nadere eisen kunnen worden gesteld. Wij achten de zienswijze deels gegrond. Voorschrift 6.2.1 wordt dan (aanvulling is vet aangegeven): De vergunninghouder dient een haalbaarheidsonderzoek uit te voeren naar de volgende onderdelen: 1. het aanmaken en doseren van chemicaliën via automatische aanmaak- en doseersystemen; 2. het kiezen van kunstvezels die zijn behandeld met biologisch afbreekbare/biologisch verwijderbare voorbereidingsmiddelen met laag emissieniveau; 3.

het gebruik van formaldehyde-vrije of –arme middelen bij de finishing. Het onderzoek dient binnen 6 maanden na het inwerking treden van deze vergunning aan het bevoegd gezag te worden overgelegd. Op basis van het onderzoek kan het bevoegd

MB.09.12

pagina 13 van 98

gezag nadere eisen stellen met betrekking tot het invoeren van toepasbare technieken. 19. In het geuronderzoek is ook een beschrijving van de meetlocaties opgenomen (zie pagina 13 van het rapport vervat in bijlage 6 van de vergunningaanvraag). Hieruit valt te herleiden dat er sprake is van een afwijking van de normen. Als zodanig mag en moet kritisch bezien worden wat de impact en gevolgen zijn voor de in het geuronderzoek gepresenteerde uitkomsten/meetresultaten. Dit is zowel door de aanvrager als gemeente verzuimd vast te stellen. Daar geconcludeerd is dat de nauwkeurigheid wordt beïnvloed, wordt de betrouwbaarheid van het onderzoek en de daaraan gerelateerde normstelling en conclusies betwist. Omdat er daarnaast afwijkingen zijn geconstateerd aan de gassnelheid en temperatuur, moet bezien worden of de aan de vergunning verbonden eisen m.b.t. gassnelheid en emissie legitiem zijn. Weerlegging In het geuronderzoek is aangegeven dat op het meetpunt na de luchtzuivering niet wordt voldaan aan de aanbevelingen voor de positie en de plaats van een ideaal meetvlak, waardoor de onnauwkeurigheid van de meetmethode wat groter kan zijn dan de normvoorschriften. De gassnelheid en de afwijking in temperatuur voldoet echter aan de criteria in NEN-EN 13284-1. Wij zijn van mening dat het geuronderzoek voldoende inzicht geeft in de verspreiding van de geuremissie.

Wij achten de zienswijze ongegrond. 20. Voorts verklaart de afwijking van de temperatuur ten opzichte van het gemiddelde een deel van de klachten - vanuit omwonenden. Bij processen met hoog optredende temperaturen (zoals bv. het black-out proces) bestaat de kans dat de emissie/rook/geurpluim neerslaat richting het maaiveld in plaats van dat deze zich verspreidt via de wind ver boven de uitmonding van de schoorsteen. Uit het geuronderzoek blijkt dat juist dergelijke processen leiden tot een hoge emissie in combinatie met een forse geurconcentratie. Deze combinatie van factoren kan dus debet zijn aan de geschetste klachten. Dit effect wordt daarnaast nog versterkt door de aanwezige gebouwinvloed. Op pagina 22 en 23 van het geuronderzoek is aangegeven dat met dit gegeven rekening is gehouden in het model maar de vraag is of dit in onderhavige casus wel valide cq. voldoende is gedaan (mede gezien de klachten in het veld/praktijk). In casu is de emissiehoogte niet hoger dan 2,5 x de gebouwhoogte. Deze hoogten zijn in de situatie van Artex zelfs precies gelijk bij toepassing van de formule. Kortom, de gebouweninvloed kan groter zijn dan modelmatig ingevoerd m.b.v. de gebouwenmodule. Feitelijk zou dit betekenen dat de afvoerleiding/schoorsteen enkele meters hoger dient te worden uitgevoerd dan thans het geval is dan wel dat met een andere gebouweninvloed had moeten worden gerekend.

Voorts is het de vraag of en hoe het effect van de gesuggereerde thermische pluimstijging verdisconteerd moet zijn in het model en de daarmee samenhangende uitkomsten/resultaten. Bewoners hebben namelijk middels foto’s aantoonbaar gemaakt dat de pluimstijging zich niet altijd voordoet. Hiervan is de gemeente Laarbeek eveneens op de hoogte gesteld. Weerlegging De verspreidingberekeningen dienen berekend te worden met een model dat is gebaseerd op het Nieuw Nationaal Model. Het gehanteerde model KemaStacks voldoet aan de eisen van het NNM. Volgens dit NNM dient in een situatie waarbij de emissiehoogte weinig hoger is dan de gebouwhoogte (emissiehoogte ≤2,5 x gebouwhoogte) rekening gehouden te worden de gebouwhoogte. Tevens dient in de berekeningen het effect van de thermische pluimstijging als gevolg van de warmte-inhoud van de afgassen in het rekenmodel te worden meegenomen. De berekeningen zijn juist uitgevoerd. Pluimstijging wordt echter ook door andere factoren beïnvloed, zoals de weersomstandigheden. Het geuronderzoek geeft

MB.09.12

pagina 14 van 98

voldoende inzicht in de verspreiding van de geuremissie in de omgeving. Wij achten de zienswijze ongegrond. Zie ook punt 41 21. Gezien de in de aanvraag vermelde wisselende procesomstandigheden en de tot op heden in de praktijk niet bewezen betrouwbaarheid van de toegepaste techniek wordt verder geadviseerd om concrete controle-instrumenten op de goede werking van installaties opgenomen zoals vermeld in de NeR te verbinden aan de beschikking op zowel het vlak van lucht als geuremissies. Wanneer betreffende verplichting wordt gesteld, is betrekkelijk eenvoudig te herleiden cq. te analyseren in geval van klachten en/of onvoorziene dan wel onverklaarbare emissies (zoals deze zich in het verleden en thans voordoen) wat op enig moment tijdens de procesgang is geïmiteerd en geëmitteerd. In vorige aanvragen werden een data-logger en een signaleringssysteem bij de luchtbehandelingsinstallatie vermeld. Deze zijn thans niet opgenomen in de vergunningaanvraag. Betreffende systemen kunnen echter wel leiden tot meer inzicht in het (dis)functioneren van een installatie. In de reactie op de eerder ingebrachte zienswijze inzake dit aspect heeft de gemeente Laarbeek verzuimd om dit te betrekken in hun af-/overwegingen. Geadviseerd wordt om dit element alsnog te (laten) betrekken bij verdere besluitvorming. Weerlegging De toegepaste luchtzuivering voldoet aan de NeR.

De emissie van stof/aërosolen betreft een beperkte emissie (emissievracht < 0,2 kg/uur) waarvoor op basis van de NeR (paragraaf 3.7.2) het niet noodzakelijk is een meetverplichting op te nemen. Het controleregime in de vorm van onderhoud en inspectie van de voorzieningen wordt afdoende geacht om de goede werking van de luchtbehandelingsinstallatie te waarborgen. Hiertoe zijn voorschriften in de vergunning aanwezig. Het controleregime voldoet hiermee aan de NeR. Naast de waarborging van de goede werking van de zuiveringsinstallatie zijn de volgende voorschriften opgenomen ter controle van de emissies naar de lucht. In voorschrift 11.1.1 is vastgelegd dat de productietijd en het productieproces moet worden geregistreerd voor de processen met hoge emissie. In paragraaf 11.3 is een meetverplichting opgenomen voor ammoniak, koolwaterstoffen en benzeen. In voorschrift 6.1.2 is een registratieverplichting opgenomen van het verbruik van grond- en hulpstoffen bij de spanramen en direct drukmachine. Verder zijn voldoende voorschriften opgenomen om handhavend te kunnen optreden. Het in de vergunning opleggen van een data-logger en een signaleringssysteem bij de luchtbehandelingsinstallatie achten wij op basis van bovenstaande niet noodzakelijk. Wij achten de zienswijze ongegrond. 22.

In de huidige bedrijfsvoering, waarvoor Artex feitelijk thans onderhavige vergunning aanvraagt, is nog steeds de mogelijkheid aanwezig, welke op basis van diverse door u ter beschikking gestelde foto's ook nog (aantoonbaar) wordt toegepast onder bepaalde omstandigheden, om in het dak van de bedrijfshal ramen en/of afvoerluiken te openen zonder dat hierbij emissies op enigerlei wijze wordt gefilterd cq. afgevangen. In mijn contra-expertise van 23 november 2006 is reeds gewezen op het nut en de behoefte voor het (moeten) werken met een escape-/afvoermogelijkheid in de hal. Noodzaakt het inpandig werkklimaat tot deze maatregel omdat vanuit arbo-technisch oogpunt of voor de gezondheid van de werknemers emissies van de inpandige processen of installaties leiden tot overschrijdingen of klachten dan wel zijn er (installatie)technische beperkingen?? Het is derhalve raadzaam om de arbo-dienst te raadplegen. In deze cq. nader te (laten) beschouwen waarom dergelijke situaties (blijven) optreden. Weerlegging Het aspect arbo is geen toetsingsgrond voor de milieuvergunning. Het emitteren van emissies via ramen of afvoerluiken in het dak is niet aangevraagd en dus ook niet toegestaan. Ten behoeve van de bestrijding van diffuse emissies en emissies die via de ruimteventilatie

MB.09.12

pagina 15 van 98

vrijkomen is voorschrift 11.1.12 in de vergunning opgenomen. Voor de duidelijkheid zal dit aangevuld worden met : aanwezige ramen, deuren en luiken in productieruimten dienen tijdens de werktijden gesloten te zijn. Deuren mogen uitsluitend geopend worden voor het doorlaten van personen en goederen. Wij achten de zienswijze gegrond.

23. Daar het geuronderzoek en de vergunningaanvraag niet uitgaan van een ongezuiverde emissie via in het dak aanwezige ramen en/of luiken en hieraan geen eisen en/of beperkingen aan de ontwerpbeschikking gesteld, dient de gemeente dit aspect nader te onderzoeken in het kader van onderhavige procedure. Daar emissies via de nieuwe luchtbehandelingsinstallatie reeds kritisch zijn, dienen ongezuiverde emissies in onderhavige situaties per definitie niet op te treden dan wel middels handhaafbare voorschriften uitgesloten te worden. Voorts dient de aanvrager/vergunninghouder te borgen dat zo'n situatie kan optreden; (bestaande) mogelijkheden of voorzieningen om ramen en/of luiken open te zetten moeten binnen onderhavige inrichting voorkomen worden omdat deze niet als zodanig zijn aangevraagd. Weerlegging Zie punt 22. 24. Op pagina 3 van de considerans wordt gesteld dat de bouwaanvraag ten behoeve van de aanpassing dakconstructie veredeling niet meer noodzakelijk is omdat de constructie reeds is doorgevoerd. Deze passage maakt nogmaals duidelijk dat Artex veranderingen binnen de inrichting blijft doorvoeren zonder dat men vooraf beschikt over een milieuvergunning en dat gemeente Laarbeek betreffende ontwikkelingen gedoogt dan wel niet afhandelt conform de wettelijke kaders/procedures en wettelijke principes.

Afgevraagd wordt of voor de dakconstructie alsnog een bouwaanvraag wordt ingediend en afgegeven. Voorts kan de vraag gesteld worden in hoeverre de constructie voldoet aan de wettelijke normen en eisen vanuit bouwregelgeving en in hoeverre deze van invloed is op de milieu-impact van het bedrijf. Door het niet gecoördineerd afhandelen van de bouwaanvraag met de milieuvergunningaanvraag treedt de gemeente buiten de wettelijke principes en kaders. Weerlegging In de Wet milieubeheer is geen inhoudelijke afstemming opgenomen met eisen die voortvloeien uit de Woningwet. Wel is er sprake van een procedurele afstemming. De beschikking is niet strijdig met procedurele afstemming die is opgenomen in de Wet milieubeheer. De vraag of voor de reeds gerealiseerde bouwtechnische voorzieningen een vergunning ingevolge de Woningwet is vereist en zo ja of een dergelijke vergunning wel/niet is verleend, valt buiten het toetsingskader van de Wet milieubeheer. Wij achten deze zienswijze ongegrond. 25. In het kader van de aanvraag om milieuvergunning is getoetst of de aangevraagde activiteiten passen binnen het vigerend bestemmingsplan. Naast de activiteiten dienen ook de opstallen incl. de verhoogde schoorsteen getoetst te worden of deze passen binnen het bestemmingsplan. Daar dit verzuimd is dient alsnog invulling te worden gegeven aan deze toets.

Weerlegging Ingevolge het vigerende bestemmingsplan “Kom Aarle-Rixtel” is aan de inrichting de bestemming “woningtextielbedrijf” toegekend. Op grond van deze bestemming en de daarbij behorende voorschriften zijn de vergunde activiteiten toegestaan. De bestaande bebouwing viel ook reeds onder de vigerende vergunning. Daarmee is er sprake van vergunde rechten.

MB.09.12

pagina 16 van 98

De bouwaanvraag betreft de vernieuwing van het dak van de veredelingsafdeling en het plaatsen van een 16 meter hoge schoorsteen. De vernieuwing van het dak past binnen het bestemmingsplan. De schoorsteen is 1 meter hoger dan volgens het bestemmingplan is toegestaan. Met betrekking tot de hoogte van de toegestane schoorsteen, is er sprake van een zodanig geringe afwijking dat het college geen gebruik wenst te maken van de bevoegdheid om vergunning te weigeren op grond van het bepaalde in artikel 8.10, derde lid Wm. Wat de hoogte van de schoorsteen betreft, is hiermede van belang dat er sprake is van een voorziening in het belang van het milieu. Wij achten de zienswijze ongegrond.

26. Onder 'hoofdstuk 1. Algemeen' van het beoordelingsverslag is verzuimd het aspect 'geur' te benoemen. Gezien de voorafgaande aanvragen, ingediende contra-expertises en ingebrachte zienswijzen blijkt juist dit aspect voor de omgeving te leiden tot de meest nadelige milieugevolgen vanwege de inrichting van Artex. Deze omissie is tekenend voor de totale beoordeling van dit milieuaspect. Weerlegging In hoofdstuk 1 Algemeen wordt luchtemissie van de spanramen genoemd waaronder ook het geuraspect bedoeld wordt. Zoals in hoofdstuk 5 lucht te zien is, wordt het aspect geur hier uitvoerig behandeld. Voor de volledigheid zullen we het geuraspect uitdrukkelijk ook in hoofdstuk 1 vermelden. De considerans zal hierop worden aangepast. De zienswijze leidt verder niet tot een inhoudelijke aanpassing van de beschikking. 27. Inzake het aspect 'afval' wordt aangegeven dat bij vergunningverlening de regels van het LAP in acht moeten worden genomen. Het LAP heeft immers een wettelijke status. Op pagina 12 van het beoordelingsverslag wordt echter geconcludeerd dat het bedrijf niet voldoet aan het afvalbeleid omdat het textielafval ongesorteerd wordt afgevoerd en verbrand.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Laarbeek&id=305436d7-cca4-4bfe-ab3d-1552340cb936