CConstaterende datKrimpenerwaard
Koppel je AI →
Document · PDF

Nog toegevoegd op verzoek college: Rapport 1990 deel 1.pdf

Raadsvergadering 5 juli 2022, gemeente KrimpenerwaardBij agendapunt: (B) Bestemmingsplan Bolderkade, Ouderkerk aan den IJssel24.965 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Aangezien de verschillende verontreinigingsbronnen (milieucompartimenten) elkaar onderling beïnvloeden, is een integrale benadering essentieel. De kwaliteitsniveaus voor de afzonderlijke milieucompartimenten moeten daarbij zodanig op elkaar worden afgestemd, dat de saneringsdoelstellingen per compartiment realiseerbaar zijn.

-6-

Uitsluitend dan kunnen evenwichtige en consistente saneringsscenario's voor het totale Hollandsche IJssel gebied worden ontwikkeld. In hoofdstuk 3 wordt een nadere uitwerking van de kwaliteitsniveaus gegeven. De saneringsdoelstellingen per compartiment zijn gebaseerd op het huidige beleid, zoals onder andere vastgelegd in de Interimwet bodemsanering, de Wet bodembescherming, de 3 e Nota Waterhuishouding en het Nationale Milieubeleidsplan.

2.2

Ontwikkeling van scenario's Op basis van de inventarisatie van de verontreinigingssituatie, het onderzoek naar de saneringsmethoden en de nazorgmaatregelen alsmede de ruimtelijke studie, is een zestal scenario's ontwikkeld. Elk scenario bestaat uit een samenhangend pakket van maatregelen voor de diverse milieucompartimenten. De scenario's zijn het resultaat van twee ontwikkelingslijnen, namelijk een milieuhygiënische en een ruimtelijke ontwikkelingslijn, die in het onderstaande nader worden toegelicht.

Het werkproces van de milieuhygiënische ontwikkelingslijn bestond allereerst uit een inventarisatie van alle verontreinigingsbronnen en het bepalen van de aanwezige risico's voor mens, dier en milieu. Dat gold zowel voor verontreinigingsbronnen langs de oevers van de rivier als voor de waterbodem en het oppervlaktewater. Vervolgens zijn per milieucompartiment de mogelijke alternatieven voor sanering geïnventariseerd. Hierbij is steeds uitgegaan van de eerder genoemde kwaliteitsniveaus en de daaruit afgeleide saneringsdoelstellingen. Op deze wijze is per saneringsdoelstelling een pakket van maatregelen in hoofdlijnen uitgewerkt.

In de ruimtelijke ontwikkelingslijn is eerst gestart met een onderzoek naar de huidige ruimtelijke/functionele structuur van de Hollandsche IJssel en haar omgeving. Vervolgens is geïnventariseerd welke (beleids)voornemens er bestaan voor de ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het gebied.

-7-

De aldus verzamelde gegevens zijn geanalyseerd, waarbij problemen in het gebied zijn aangegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt in beperkingen die aan het gebruik worden opgelegd als gevolg van de verontreiniging en beperkingen als gevolg van tekortkomingen in de huidige ruimtelijke en functionele structuur van het gebied. Als laatste onderdeel van de ruimtelijke ontwikkelingslijn is een ontwikkelingsvisie voor het gebied opgesteld, waarin voorstellen zijn gedaan op verschillende schaalniveaus. De ontwikkelingsvisie mondt uit in een zonering van de verschillende gebruiksvormen langs de rivier. Deze zonering is uitgewerkt in een ideaalbeeld.

Op dit punt zijn de twee ontwikkelingslijnen gecombineerd. Op basis van het ontworpen ideaalbeeld is voor ieder kwaliteitsniveau en bijbehorend maatregelenpakket de optimale ruimtelijk/functionele ontwikkeling aangegeven. Dit proces wordt in hoofdlijnen in figuur 2.1 schematisch weergegeven.

Voor de zes uit de milieuhygiënische en ruimtelijke ontwikkelingslijn resulterende hoofdscenario's geldt dat in het ene geval de basis wordt gevormd door de milieuhygiënische aspecten en in het andere geval door de ruimtelijke aspecten. Drie zogenaamde primaire scenario's (basisscenario, groeiscenario en multifunctioneel scenario) liggen direct in het verlengde van de drie kwaliteitsniveaus. Dat betekent dat sprake is van evenwichtige saneringsdoelstellingen voor de verschillende milieucompartimenten en daardoor van intern consistente scenario's. De overige drie scenario's zijn zogenaamde "plus"-scenario's. Uitgaande van de in het ideaalbeeld aangegeven optimale ruimtelijk/functionele ontwikkeling wordt een aantal opgehoogde voormalige zellingen naar een kwaliteitsniveau gesaneerd dat daarop aansluit. De maatregelen voor de overige milieucompartimenten (waterbodem en oppervlaktewater) blijven daarbij ongewijzigd ten opzichte van de primaire scenario's. Door deze benadering wordt het mogelijk om tegen relatief geringe extra inspanningen een verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het gebied te bewerkstelligen. De gebruiksmogelijkheden van de rivier en omgeving worden immers voor een groot deel bepaald door de gebruiksmogelijkheden van de opgehoogde voormalige zellingen.

MILIEUHYGIËNISCHE ONTWIKKELINGSLIJN

INVEN1AHISATIc

VEHOivinciiviisuwsiooi/ut\

iIE

INVENTARISATIE SANERINGSMETHODEN

RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSLIJN

ANAL YSE VAiv nc i

UEDIEU

ONTWIKKELINGSVISIE

''

. —t

^

MAATRFdFI

.ENPAKKET1

K/IAATRFCiFI

ENPAKKET2

h/IAATOt^^ni

/w/t/l / n c C j c L ENPAKKET 3

*• opiimaie geDruiKaiiiuyciijiMicucii •

- • *• optimale gebruiken luycnjiuieucn c

•" •" optimale gebruiksmogeiijKneaen j

INVENTARISA TIE NAZORGMAA TREGELEN fig. 2.1. Verband tussen de ontwikkelingslijnen

-8-

2.3

Qpset van het rapport De opziet van dit rapport is zodanig dat, na de algemene introductie in het voorgaande, in hoofdstuk 3 de milieuhygiënische ontwikkelingslijn, zoals aangegeven in figuur 2.1, wordt doorlopen. Daarbij wordt aandacht besteed aan de aanwezige verontreinigingen in de huidige situatie en aan de saneringsmethoden die in principe toepasbaar zijn. Tevens zijn in dit hoofdstuk de noodzakelijke nazorgmaatregelen behorende bij de verschillende saneringsmethoden aangegeven alsmede de mogelijkheden voor het bergen van het bij de sanering vrijkomende materiaal. De ruimtelijke ontwikkelingslijn wordt in hoofdstuk 4 behandeld. Na een inventarisatie en een beschrijving van de problematiek van het gebied is een ontwikkelingsvisie uitgewerkt. In hoofdstuk 5 worden de ontwikkelingslijnen gecombineerd. In dat hoofdstuk worden de primaire scenario's beschreven, waarbij aandacht wordt besteed aan de milieuhygiënische kwaliteit die wordt bereikt, de ruimtelijke ontwikkelingsmogelijkheden, kosten, benodigde tijd voor de uitvoering en de noodzakelijke nazorgmaatregelen. In hoofdstuk 6 worden de "plus"-scenario's uitgewerkt. De informatie uit met name de hoofdstukken 5 en 6 wordt in hoofdstuk 7 geëvalueerd.

MILIEUHYGIËNISCHE ONTWIKKELINGSLIJN

Inleiding De milieuhygiënische ontwikkelingslijn, afgeleid uit figuur 2.1 en nader uitgewerkt in figuur 3.1, heeft als doel het op basis van algemene milieuhygiënische overwegingen ontwikkelen van, voor de te onderscheiden milieucompartimenten, evenwichtige oplossingsrichtingen.

De eerste stap in dit ontwikkelingsproces bestaat uit de vaststelling van de status-quo van de rivier, waarbij aandacht wordt besteed aan alle verontreinigingsbronnen langs de oevers van de rivier, aan het oppervlaktewater en aan de waterbodem. In de paragrafen 3.4.1, 3.5.1 en 3.6.1 zijn de belangrijkste resultaten van deze inventarisatie voor respectievelijk de opgehoogde zellingen, de waterbodem en het oppervlaktewater samengevat. Hierbij worden de resultaten zowel via een compartimentgerichte als een gebiedsgerichte benadering gepresenteerd, zoals staat aangegeven in figuur 3.2. Doelstelling voor deze benadering is het creëren van een werkstructuur voor de bepaling van de oplossingsrichtingen.

Bij de compartimentgerichte benadering wordt, op basis van bepaalde criteria een clustering aangebracht van verontreinigingsbronnen per milieucompartiment, (bijvoorbeeld clustering van landlocaties op basis van verontreinigingssituatie, gebruik en verspreidingsmogelijkheden). De clustering is zodanig dat vergelijkbare oplossingsrichtingen per cluster kunnen worden uitgewerkt. Bij de gebiedsgerichte benadering worden langs de rivier deelgebieden onderscheiden waarbij sprake is van een, ten opzichte van elkaar, afwijkende karakteristieke verontreinigingssituatie die op enigerlei wijze van belang is voor de oplossingsrichtingen. De compartimentgerichte benadering heeft met name betrekking op de opgehoogde voormalige zellingen, terwijl de gebiedsgerichte benadering betrekking heeft op de waterbodem en het oppervlaktewater.

MILIEUHYGIËNISCHE ONTWIKKELINGSLIJN

RUIMTELIJKE ONTWIKKELINGSLIJN

INVENTARISATIE VERONTREiNIGlNGSSlTUA TIE :uimn ii

w it ibod- rr

opp-TvIrfkt-

vi r'-pr-'idincj';

watu brm ien

myqtj|i|t>hi>dMi

ANALYSE WW HET GEBIED

tNVENTARfSATiE SANERINGSMETHODEN zellingen _

ffi^S-gSS-ftffg^::"

tO>Mt«MMSmsWamaa6....ZZ

m maatregelen|| pakket \ zellingen -1 mxm&mmmmxii,»,

IjjinyLü

waterbodems

ANAL YSE VAN HET GEBIED

instromin i

m^a^mroai" ZMMMMMx-

maatregelenpakket waterbodem -1

.•remmMaaMm...

m latregelenP ikket lozingen + irntroming -1

iilSMtMWBIffllffiiiii

--

-

-

optimale gebruiksmogelijkheden 1

«mmas»

•«••*»••<

ssssssssnsmsssi:..

maatregelenpakket zellingen -2

maatregelenpakket waterbodem -Z HummiUfWMUsim

nnatregelenP il- ket lozingen + instroming -2 mmmsmisi ••••I

optimale gebruiksmogelijkheden 2

^x^xmxsmsmmmsmfim.

|j

maatregelenpakket zellingen -3

maatregelenpakket waterbodem - ? tftffffiïiïiffltriffifflffiff

m latregelen- M p iVKet lozingen + j j instroming-3 m —

optimale gebruiksmogelijkheden 3

•,.,l„,,„„„.„M,.,M„„..,„P i ; '

INVENTARISATIE NA20RGMAATREGELEN z M'fi j'.r,

v, it'.if od ru

lozirini n + •rrtromirvj

Fig. 3.1. De milieuhygiënische ontwikkelingslijn

MILIEUHYGIËNISCHE ASPECTEN

RUIMT ti_ur\t A s r t u i t N

PROBLEEMANALYSE

SANERINGSDOELSTELLINGEN

>'

1

f'

1 *J : •*

'S . - w w y ,

y

'' *

**

COMPARTIMENTGERICHT -

^

'

>•

'

*• "V

^"

\-

,.

s , , //»

•> ,*

j! , !i ••

SANERINGSMAATREGELEN

\ >

'

SCENARIO'S 4

GEBIEDSGERICHT S

"•

V

f+ f

f

'

'

,

,.

^

^

ONTWIKKELINGSVISIE

Fig. 3.2. Gebiedgerichte en compartimentgerichte benadering

-10-

De gebiedsgerichte benadering leidt voornamelijk tot een nuancering van de compartimentgerichte benadering en is met name van belang bij de bepaling van de maatregelen (onder andere situering van bergingslocatie(s) binnen de regio) en de eventueel noodzakelijke fasering van de uitvoering van de saneringsmaatregelen (onderscheid in gebieden waar de effecten van de aanwezige verontreinigingen zich meer of minder duidelijk manifesteren).

In de paragrafen 3.4.2, 3.5.2 en 3.6.2 zijn de verschillende oplossingsrichtingen per cluster (binnen één compartiment) en eventueel per deelgebied voor de te onderscheiden milieucompartimenten (landlocaties, waterbodem en oppervlaktewater) samengevat.

Deze oplossingsrichtingen zijn afgeleid c.g. gebaseerd op de in het kader van dit project geformuleerde kwaliteitsdoelstellingen. Deze kwaliteitsniveaus zijn gekoppeld aan de binnen het systeem Hollandsche IJssel te onderscheiden compartimenten en de mogelijkheden waarop deze compartimenten elkaar onderling beïnvloeden. Alvorens de oplossingsrichtingen te behandelen wordt eerst nader ingegaan op de verschillende kwaliteitsdoelstellingen.

3.2

Algemene omschrijving kwaliteitsniveaus De drie kwaliteitsniveaus kunnen in algemene zin als volgt worden samengevat.

Basisniveau:

Saneren tot een aanvaardbaar niveau bij het voortzetten van het huidige gebruik

De sanering op het basisniveau is gericht op het wegnemen van de bestaande milieurisico's met als uitgangspunt een milieuhygiënisch verantwoorde handhaving en voortzetting van -in beginsel- de huidige functie respectievelijk activiteiten. Er worden dus minimaal maatregelen genomen die nodig zijn om het huidige gebruik dan wel de functie van het compartiment of de locatie voort te zetten.

-11-

Indien om milieuhygiënische redenen noodzakelijk worden ingrijpender maatregelen genomen. Deze maatregelen tasten het huidige gebruik dan wel de functie echter zo min mogelijk aan, maar leiden wel tot een milieuhygiënisch acceptabele situatie. De maatregelen zijn zodanig dat de kans op verontreiniging van andere compartimenten tot een aanvaardbaar niveau wordt teruggebracht. Bronbestrijding vindt plaats op basis van het algemene nationale en internationale beleid. De sanering op dit niveau wordt samenvattend gesteld volledig gedomineerd door milieuhygiënische basiseisen.

Tussenniveau;

Saneren met een beperkte verruiming van de ontwikke1ingsmogelij kneden

De sanering op dit niveau is gericht op een functionele (lokale) kwaliteitsverbetering van de rivier en haar oevers. De maatregelen richten zich op het zoveel mogelijk wegnemen van beperkingen voor het huidige gebruik dan wel de functie van het compartiment of de locatie en eventuele toekomstige functies, die vergelijkbare eisen stellen. De maatregelen zijn zodanig dat de kans op verontreiniging van andere compartimenten tot een verwaarloosbaar risico wordt teruggebracht. De meerkosten ten opzichte van het basisniveau dienen gerechtvaardigd te worden door de verruiming van de functies en/of de (lokale) gebruiksmogelijkheden. Deze ontwikkelingen kunnen een bredere uitstraling hebben.

Maximum niveau:

Saneren gericht op multifunctionaliteit

De sanering op het hoogste niveau is gericht op een kwaliteitsverbetering tot een multifunctioneel niveau. De maatregelen zijn zodanig dat de risico's van verontreiniging van andere compartimenten volledig worden geëlimineerd. De maatregelen zijn zodanig dat daarmee het casco wordt geboden voor de ontwikkeling van dit deel van de Hollandsche IJssel tot een volwaardig toeristisch-recreatief onderdeel van de zogenaamde "Blauwe Kamer in het Groene Hart" als "schakel tussen de grote wateren van het IJsselmeer en de Delta voor wat betreft natuur en recreatie".

-12-

Gelet op de onderlinge relatie tussen c.q. beïnvloeding van de verschillende milieucompartimenten is het noodzakelijk de drie kwaliteitsniveaus per compartiment nader uit te werken. Alvorens deze kwaliteitsniveaus in paragraaf 3.3 uit te werken, worden eerst de verschillende verspreidingsmogelijkheden per milieucompartiment samengevat, aangezien dit van belang is voor het inzicht in de onderlinge samenhang.

-13-

3.3

Nadgre uitwerking kwaliteitsniveaus In figuur 3.3 wordt het watersysteem van de Hollandsche IJssel geschematiseerd weergegeven. De binnen dit systeem te onderscheiden relevante bronnen en de onderlinge relaties tussen deze bronnen zijn aangegeven in het relatieschema van figuur 3.4.

suppletiewater

suppletiewater

\02ingen

lozingen Hollandse IJssel Nieuwe Maas getijde

Ring voort middelhoge golder

binnendijks terrein hoge polder

lage polder

*

4 «$__«.

^

m

f

r

, ^ M ^ .

I „

^ ^

7\/vvv^vvv^wvS/VVV^S^VVVSWW^VVV7' Op rivierbodem sedimentatie en nale vering.

Figuur 3.3 Systeem Hollandsche IJssel

-14-

II/III opgehoogde zellingen

oppervlaktewater III

O

III

waterbodem II

II

I" I

Gebruiksmogelijkheden dan wel functies van de locaties respectievelijk compartimenten

II

Verspreidingsmogelijkheden via het grondwater

III

Herverontreinigingsmogelijkheden van andere compartimenten anders dan via het grondwater

Figuur 3.4

Geschematiseerde relaties tussen de milieucompartimenten

Uit de figuren kunnen de volgende bronnen (compartimenten) en verspreidingswegen worden afgeleid. opgehoogde zellingen; verspreiding van verontreinigende stoffen via het grondwater naar de diepere ondergrond, het open water in de rivier en het binnendijkse terrein; waterbodem; verspreiding van verontreinigende stoffen via het grondwater naar de diepere ondergrond en via het oppervlaktewater in de vorm van naïevering aan het rivierwater;

-15-

oppervlaktewater; belasting van het oppervlaktewater met verontreinigende stoffen ten gevolge van instroming van verschillende typen lozingen. Daarnaast ten gevolge van de aanvoer via de Nieuwe Maas en de afvoer van de Gouwe. De verspreiding van verontreinigende stoffen vindt plaats via het suppletiewater naar de aanliggende polders, terwijl bovendien vastlegging van verontreinigende stoffen in het bodemsediment plaatsvindt; biptisch milieu; verontreinigende stoffen worden opgenomen en geaccumuleerd door de organismen. Ophoping vindt met name plaats in organismen, die zich aan het einde van de voedselketen bevinden. Bij de Hollandsche IJssel gaat het hierbij met name om paling en visetende vogels.

Uitgaande van de in het voorgaande vastgestelde algemene kwaliteitsniveaus zijn zowel voor de in figuur 3.4 onderscheiden compartiment als per verspreidingsrelatie saneringsdoelstellingen bepaald. Bij de bepaling van de saneringsdoelstellingen voor de afzonderlijke compartimenten heeft centraal gestaan dat sprake moet zijn van een evenwichtige opbouw van de doelstellingen teneinde verzekerd te zijn van consistente saneringsscenario's bij een combinatie van de verschillende saneringsmaatregelen.

In het volgende worden de saneringsdoelstellingen per element en per compartiment nader beschreven. I

Saneringsdoelstelling met betrekking tot het gebruik dan wel de functie van de compartimenten of locaties.

Opgehoogde zjejiinggn Basisniveau: Het wegnemen van de bestaande risico's met als uitgangspunt, dat het huidige gebruik van de locaties in de toekomst mogelijk moet blijven. Dit wil zeggen dat geaccepteerd wordt dat er zekere belemmeringen in het gebruik zullen blijven bestaan. Deze belemmeringen in het gebruik mogen echter niet groter zijn dan in de huidige situatie.

Tussenniveau:

Maximumniveau:

Het wegnemen van de bestaande risico's zodanig, dat in de toekomst een vergelijkbaar gebruik van de locaties, afgezet tegen de huidige situatie, mogelijk blijft. Dit wil zeggen dat er nauwelijks sprake is van belemmeringen in geval van het uitvoeren van activiteiten die samenhangen met dit gebruik. Het wegnemen van alle (potentiële) risico's zodanig, dat in de toekomst in principe sprake zal zijn van multifunctionele gebruiksmogelijkheden van de locaties. Dit wil zeggen dat er geen enkele beperking wordt geaccepteerd ten aanzien van het gebruik.

Onder het huidige gebruik of de huidige situatie wordt in dit kader verstaan het gebruik of de situatie zoals recent aanwezig, voordat eventuele maatregelen, noodzakelijk in verband met de bodemverontreiniging, waren getroffen.

Waterbodems Basisniveau:

Tussenniveau: Maximumniveau:

De kwaliteit van de toplaag van de waterbodem moet ten minste voldoen aan de toetsingswaarden zoals genoemd in het Interimnormeringssysteem van DBW-RIZA (nota 88.034). Uitgangspunt hierbij is, dat geen direct gevaar voor mens, dier en milieu aanwezig is in de toekomst, uitgaande van het huidige gebruik. De waterbodem moet integraal voldoen aan de toetsingswaarden, zoals genoemd in het Interimnormeringssysteem van DBW-RIZA. De kwaliteit van de waterbodem moet integraal voldoen aan de basiskwaliteit, zoals genoemd in het Interimnormeringssysteem. Uitgangspunt hierbij is om te komen tot een multifunctionele waterbodem.

De getalswaarden van de toetsingswaarden komen overeen met de (afgeronde) bovengrens van de gehalten aan stoffen die worden aangetroffen in het IJsselmeer, dat als relatief schoon kan worden beschouwd.

De getalswaarden voor de basiskwaliteit voor de waterbodem voor zware metalen komen overeen met de referentiewaarden voor een goede bodemkwaliteit. Ten aanzien van de organische microverontreinigingen wordt daarbij uitgegaan van de bovengrens van de gehalten die in de referentiegebieden Markermeer, de randmeren van de zuidelijke IJsselmeerpolders en de Oosterschelde worden aangetroffen. De numerieke invulling van de toetsingswaarden is nog in discussie. Zoals gesteld in het Milieuprogramma - voortgangsrapportage 1989-1992 zullen ze worden afgestemd op de normstelling zoals deze in ontwikkeling is in het milieubeleid. De getalswaarden zijn derhalve voorlopig van karakter.

c

Oppervlaktewater Basisniveau:

Tussenniveau:

Bij de inlaatpunten moet sprake zijn van de basiskwaliteit van het oppervlaktewater. Mogelijke nadelige effecten bij het inlaten van rivierwater moeten worden uitgesloten. In de rivier moet tevens een voldoende nautische diepgang aanwezig zijn. In de gehele rivier dient sprake te zijn van water dat voldoet aan de normen voor de basiskwaliteit, terwijl tevens voldoende nautische diepgang aanwezig moet zijn in de rivier.

Maximumniveau!

Het water in de rivier moet integraal voldoen aan de algemene milieukwaliteit, zoals vastgesteld in de 3 e Nota Waterhuishouding, terwijl tevens voldoende nautische diepgang aanwezig moet zijn.

Ten aanzien van de gebruiksfuncties van het oppervlaktewater binnen het watersysteem van de Hollandsche IJssel kan onderscheid worden gemaakt in het gebruik van het water als recreatiewater, als zwemwater en als viswater. De mogelijkheden voor dit gebruik zijn afhankelijk van het kwaliteitsniveau dat bij de sanering wordt nagestreefd. Wanneer het rivierwater voldoet aan het basisniveau kan worden uitgegaan van bepaalde recreatievormen op de gehele rivier. Het gaat hierbij dan om recreatievormen als surfen en pleziervaart.

Naast het gebruik van de rivier als recreatiewater zouden bepaalde zones, waar de waterkwaliteit voldoet aan de basiskwaliteit, kunnen dienen als zwemwater. Aan deze zones kan in principe de functie "zwemwater" worden toegekend. Deze functietoekenning houdt in dat het oppervlaktewater ter plaatse aan strengere bacteriologische normen moet voldoen dan welke de basiskwaliteit vereist, namelijk slechts drie thermotolerante coli's per milimeter (mediaan, Most Probable Number (MPN) per ml) in plaats van twintig. Dat wil zeggen dat ter plaatse of in de nabijheid geen overstorten of lozingen mogen plaatsvinden. In het effluent van een goed werkende rioolwaterzuivering zijn namelijk altijd nog 100-1.000 maal zoveel faecale colibacteriën aanwezig dan toelaatbaar in oppervlaktewater dat als zwemwater wordt gebruikt (Koot, A.C.J, 1980; Behandeling van afvalwater, Waltman, Delft). Daarnaast worden door de Wet verontreiniging oppervlaktewater (Wvo) bij toekenning van de functie zwemwater onder meer eisen gesteld aan het doorzicht en de hoedanigheid van het water (geen vreemde kleur of geur). Ook buiten de sfeer van het waterkwaliteitsbeheer moeten de badzones aan een aantal randvoorwaarden voldoen. Er mag bijvoorbeeld geen overheersende invloed van de scheepvaart merkbaar zijn.

Mits voldaan wordt aan de aanvullende eisen die zijn gesteld in de eerder genoemde Wvo, kan zowel bij het tussenniveau als bij het maximumniveau de gehele rivier als zwemwater worden gebruikt. De kansen om van de Hollandsche IJssel een geschikt viswater te maken, zijn duidelijk aanwezig indien sanering plaatsvindt tot het maximumniveau. Onder een geschikt viswater wordt hier dan verstaan het gebruik ten behoeve van de hengelsport en de beroepsvisserij, waarbij gezonde vis wordt gevangen, die geschikt is voor consumptie. Een gezonde vispopulatie is niet alleen afhankelijk van de waterkwaliteit, maar ook van de kwaliteit van de waterbodem.

Wanneer de Hollandsche IJssel voldoet aan het basisniveau, dat wil zeggen dat de toplaag van de waterbodem voldoet aan de toetsingswaarde en dat het oppervlaktewater plaatselijk voldoet aan de basiskwaliteit, zullen in ieder geval op lokaal niveau de abiotische omstandigheden voor vissen significant verbeteren ten opzichte van de huidige situatie. Indien in de toekomst van de Hollandsche IJssel de functie "water voor karperachtigen" zou worden toegekend, zou dit betekenen dat het oppervlaktewater, naast de basiskwaliteit maar ook in geval van de algemene milieukwaliteit moet voldoen aan een aantal aanvullende normen zoals geformuleerd in de desbetreffende Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB). Deze aanvullende normen hebben onder meer betrekking op het zuurstofgehalte en het ammoniakgehalte. De doelstelling "water voor karperachtigen" beoogt de bescherming van vissoorten, onder meer blankvoorn en paling. Deze soorten komen in de Hollandsche IJssel voor.

Saneringsdoelstelling met betrekking tot de verspreiding van verontreinigingen via het grondwater A+B

Opgehoogde zellingen en waterbodems Basisniveau: De verspreiding van de verontreinigingen naar de omgeving mag niet zodanig zijn, dat er sprake is van een beïnvloeding van het milieu of van andere compartimenten, zodanig dat daardoor beperkingen ontstaan in het toekomstig functioneren of het gebruik ervan. Tussenniveau: De verspreiding van de verontreinigingen naar de omgeving mogen andere compartimenten niet bereiken dan wel aantoonbaar beïnvloeden. Maximumniveau: Verspreiding van verontreinigingen naar de omgeving mag op geen enkele wijze plaatsvinden.

-20-

III

Saneringsdoelstellingen met betrekking tot herverontreiniging van andere compartimenten Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld een aantasting van de oever door golfslag en het op deze wijze beïnvloeden van het oppervlaktewater en de waterbodem door verontreinigd materiaal van deze terreinen, het lozen van verontreinigende stoffen door bedrijven, scheepvaart e.d., het in suspensie geraken van verontreinigd sediment en het op deze wijze beïnvloeden van de oppervlaktewaterkwaliteit, etc. Voor dit element gelden in principe dezelfde kwaliteitsniveaus zoals in het bovenstaande beschreven voor de verspreiding van verontreinigingen via het grondwater.

Landlocatie met industrie (Kortenoord)

Bewoonde landlocatie (WerfM)

-21-

Opgehoogde voormalige zellingen Inventa,risatie_vêrfln£re_iniging£sitjiaiiÊ

In het Hoofdrapport I "Inventarisatie van de verontreinigingssituatie" is uitgebreid aandacht besteed aan de wijze waarop in het verleden de verschillende zellingen zijn opgehoogd en waarmee dit is gebeurd. Vervolgens is een beschrijving gegeven van de verontreinigingssituatie zoals deze uit de diverse in het verleden en in het kader van deze studie uitgevoerde onderzoeken kan worden afgeleid. Vanaf het begin van de jaren tachtig is meer dan de helft van de 41, in bijlage 1 aangegeven opgehoogde zellingen, in opdracht van de provincie Zuid-Holland en het toenmalige Openbaar Lichaam Rijnmond, oriënterend en soms nader onderzocht (25 terreinen). In een aantal gevallen zijn ook saneringsonderzoeken uitgevoerd. In het kader van deze studie zijn de overige, niet eerder onderzochte 16 terreinen oriënterend onderzocht, terwijl op 3 terreinen, die in het verleden slechts gedeeltelijk zijn onderzocht, aanvullende werkzaamheden zijn uitgevoerd ter completering van het verontreinigingsbeeld.

In bijlage 3 zijn de belangrijkste gegevens van de voormalige zellingen samengevat. Naast een aantal algemene gegevens met betrekking tot de aard en omvang van de verontreinigingssituatie per locatie, wordt tevens de status-quo van het uitgevoerde onderzoek aangegeven. Deze informatie vormt de basis voor de bepaling van zowel de noodzaak tot het treffen van saneringsmaatregelen als de aard en omvang van deze maatregelen uitgaande van de geformuleerde doelstellingen. De status van het uitgevoerde onderzoek is tevens een maat voor de hardheid van de aard en omvang van de saneringsmaatregelen.

In tabel 3.1 is tot een clustering van de verschillende locaties overgegaan op basis van zowel de algemene milieuhygiënische beoordeling van de terreinen in relatie met het uitgevoerde onderzoek als het huidige gebruik. Hierdoor wordt een werkstructuur gecreëerd voor de bepaling van de opslossingsrichtingen.

Tabel 3.1: Clustering opgehoogde terreinen op basis van verontreinigingssituatie en gebruik Clusters

Wijze van gebruik en aard ophoogmateriaal

Locati es

Cluster I

maatgevende locaties opgehoogd met chemisch afval

Zellingwijk (9), Geitenwei (11), Schanspolder (13), Avia (22), Kortenoord (14), Albatros (41) en EMC (sanering reeds uitgevoerd)

minimaal nader onderzoek uitgevoerd

Cluster II

terreinen opgehoogd met chemisch afval, bedrijfsafval eventueel in combinatie met baggerspecie

woonbestemming

Zuiderijsseldijk (1), Werf I I I (32)

i ndustri e/bed ri jven

Boele (19), Nijverheidsstraat (40), Koudasfaltfabriek ( 4 ) , Middelblok-groot (7), Heuvel man (20) Feenstra t e r r e i n (37), Werf I (28), Werf I I (31) Capelle Jachthaven (29)

saneri ngsmaatregelen in uitvoering; minimaal oriënterend onderzoek ui tgevoerd; nader onderzoek u i t gevoerd

agrari sch

Cluster I I I

Cluster IV

Cluster V

terreinen opgehoogd met b e d r i j f s afval en baggerspecie (grondwater in ernstige mate verontreinigd)

terreinen opgehoogd met baggerspecie en incidenteel/lokaal bedrijfsafval (grondwater licht verontreinigd)

Ouderkerk-centrum (24), IJsseldijk 109-111 (30), 234-335 (34) en 337-365 (36) i ndustri e/bed ri jven braak

Gouderaksedijk ( 5 ) , Blok ( 1 6 ) , Groot H i t l a n d (23) K l e i n H i t l a n d (18)

wonen bedrijven/industrie

IOssellaan (15) Loswal I I I (33), Watertoren (27), De Onderneming (17), Zellingstraat (38) Groot Hitland Strekdam (26)

braak

Onderzoeksstadium

minimaal oriënterend onderzoek ui tgevoerd idem oriënterend onderzoek ui tgevoerd

oriënterend onderzoek uitgevoerd oriënterend onderzoek uitgevoerd oriënterend onderzoek uitgevoerd

terreinen opgehoogd met baggerspecie dan wel zand; geen maatregelen verwacht

Goejanverwellendijk (2), Driehoek (3), Schielandse hoge zeedijk (6), Mi ddel blok klein (8), Moordrechtcentrum (10), Uiterwaard-voetbalveld (12); De Dikke Boom (21), Omon (25)

oriënterend onderzoek uitgevoerd

reeds gesaneerd

Dorpsstraat-Vuyk (35)

gesaneerd

(multifunctioneel)

-22-

Deze clustering vormt namelijk de basis van de nader uit te werken saneringsmaatregelen. In totaal worden vijf clusters onderscheiden. Cluster 1 betreft de maatgevende voormalige zellingen. In overleg met de Begeleidingscommissie Integrale studie Hollandsche IJssel zijn de zeven in tabel 3.1 aangegeven terreinen als maatgevend aangemerkt. Onder maatgevende locaties worden die locaties verstaan, waarvan de gezamenlijke hoeveelheid verontreinigd materiaal maatgevend wordt geacht voor de omvang van de totale saneringsproblematiek van de buitendijkse terreinen. Met uitzondering van de terreinen EMK en Albatros is er sprake van een verontreiniging ten gevolge van een ophoging van de zelling met zeer sterk verontreinigd afvalmateriaal waaronder chemisch afval. Ter plaatse van de terreinen Albatros en EMK is sprake van een verontreiniging ten gevolge van industriële activiteiten in het verleden. Bij de uitwerking van de saneringsmaatregelen zijn deze terreinen individueel in beschouwing genomen. Cluster II wordt gevormd door die terreinen waar in principe (op delen van het terrein) op vergelijkbare wijze chemisch afval kan zijn gestort als de genoemde terreinen uit cluster I, maar waarbij eveneens ander afval in de vorm van bijvoorbeeld bouw- en sloopafval en bedrijfsafval aanwezig is, al dan niet met onderhoudsbaggerspecie.

Cluster III wordt gevormd door die terreinen die zijn opgehoogd met bedrijfsafval en baggerspecie. Bij deze terreinen is nog duidelijk sprake van een (ernstige) verontreiniging van het grondwater ter plaatse van de waarnemingspunten, veroorzaakt door het ophoogmateriaal of bedrijfsactiviteiten.

Cluster IV wordt gevormd door die terreinen die zijn opgehoogd met baggerspecie en incidenteel met bedrijfsafval. Het grondwater ter plaatse van deze locaties is niet of slechts in geringe mate verontreinigd, zodat verspreiding van verontreinigingen niet of slechts in geringe mate plaatsvindt.

-23-

Bij de clusters II, III en IV wordt ten behoeve van de bepaling van de maatregelen onderscheid gemaakt in de volgende gebruiks- en/of bestemmingsfuncties : wonen; industrie/bedrijven; agrarisch gebruik; braakliggend.

Cluster V wordt gevormd door die terreinen die zijn opgehoogd met materiaal (baggerspecie, zand e.d.) dat niet zodanig is verontreinigd, dat saneringsmaatregelen noodzakelijk worden geacht en het terrein Dorpsstraat/Vuyk (35) waar de bodemverontreiniging in het verleden reeds is gesaneerd. Deze cluster blijft in het vervolg van deze studie verder buiten beschouwing.

2

Inseatsrisfitie.sanfiringsmeihCide.n

Op basis van in de onderhavige situatie toepasbare saneringstechnieken zijn saneringssystemen ontwikkeld. Deze systemen bestaan uit een geheel van één of meerdere technieken die in samenhang met elkaar tot een totaaloplossing leiden. In het onderhavige geval zijn drie hoofdsaneringssystemen in beschouwing genomen. A

totale verwijdering van alle verontreinigingen, leidend tot het herstel van de multifunctionaliteit van de bodem zonder verdere gebruiksbeperkingen;

B

totale civieltechnische en/of geohydrologische isolatie van de verontreinigde locatie zonder verwijdering van verontreinigde grond en/of grondwater;

C

gedeeltelijke verwijdering van de verontreinigingen, bijvoorbeeld op plaatsen waar directe contactrisico's aanwezig zijn (toplaag), in combinatie met civieltechnische en/of geohydrologische isolatie van de achterblijvende verontreinigingen.

-24-

Uitvoering van saneringssysteem A (Afgraven) betekent een totale verwijdering van de aanwezige verontreinigingen uit zowel het bron- als het verspreidingsgebied. Verwijdering van de verontreinigingen uit het brongebied van de maatgevende locaties is slechts mogelijk door middel van een volledige ontgraving. Niet reinigbare grond zal inclusief afvalmateriaal elders moeten worden opgestort in een speciaal ingerichte deponie. Ontgraving dient in den droge plaats te vinden. In den natte ontgraven is niet reëel gelet op de situering ten opzichte van open water, de hydrologische situatie en de daaraan verbonden negatieve milieuhygiënische consequenties.

Ten behoeve van de ontgraving dienen een aantal technische voorzieningen te worden getroffen, zoals: het aanbrengen van grond- en waterkerende constructies langs zowel de Hollandsche IJssel als de bestaande hoofdwaterkering; het treffen van voorzieningen ten aanzien van het huidige gebruik; het aanbrengen van een bemalingssysteem; het inrichten van een transportsysteem. Speciale aandacht zal tevens moeten worden besteed aan het definitief storten van het vrijkomende verontreinigde materiaal. Hierop zal nader worden ingegaan in paragraaf 3.7. Naast een verwijdering van verontreinigd bodemmateriaal uit het bronen verspreidingsgebied zal mogelijk eveneens een grondwatersanering ter plaatse van het verspreidingsgebied moeten plaatsvinden. Het betreft met name grondwater uit het holocene pakket met eventuele zandbanen en plaatselijk mogelijk het pleistocene watervoerend pakket (zie figuur 3.3). Ook dient lokaal het grondwater uit het dijklichaam en een binnendijks gelegen zone langs de teen van de dijk hierbij te worden betrokken. Dit verontreinigde water dient in een speciaal voor dit doel te ontwerpen zuiveringsinstallatie te worden gereinigd. Hierbij kan worden gedacht aan een gecombineerde zuiveringsinstallatie voor een aantal locaties gezamenlijk.

-25-

Saneringssysteem B (Bewaren) omvat een volledige isolatie van de aanwezige verontreinigingen in zowel bron- als verspreidingsgebied, zonder dat verwijdering van de verontreinigingen plaatsvindt. Hiervoor zijn een groot aantal zowel qua principe als qua technische uitvoering van elkaar verschillende technieken en combinaties van technieken beschikbaar. Op basis van een afweging, aan de hand van een nadere uitwerking, is gekozen voor de volgende twee systemen: een systeem met afdichtende constructies. Bij dit systeem wordt de bovenzijde van de locatie voorzien van een (semi-)vloeistofdichte laag die aansluit op een verticale afdichtingsconstructie langs de Hollandsche IJssel. Aan de dijkzijde en onder de holocene deklaag wordt tijdelijk een interceptiesysteem ingericht ten behoeve van het onttrekken/opvangen van verontreinigd grondwater uit het verspreidingsgebied; een systeem met een open constructie aan het maaiveld. Bij dit systeem wordt de freatische grondwaterstand door middel van een interceptiesysteem op een zodanig laag niveau gebracht, dat contactmogelijkheden met het verontreinigde grondwater worden uitgesloten dan wel tot een minimum beperkt. De interceptie aan de basis van het holocene pakket zal daarbij permanent zijn.

Saneringssysteem C (Combinatie) kan worden opgevat als een combinatiesysteem waarbij wordt uitgegaan van een gedeeltelijke verwijdering van het verontreinigde materiaal aan het maaiveld en het vervolgens aanbrengen van een gesloten dan wel een open deklaagsysteem in combinatie met een (verticaal) isolatiesysteem langs de omtrek en een interceptiesysteem aan de basis van het holocene pakket.

Het deklaagsysteem heeft tot doel om directe en indirecte contactmogelijkheden met de verontreinigingen als gevolg van het gebruik van de locatie in voldoende mate uit te sluiten.

De verschillende saneringssystemen staan in figuur 3.5 schematisch aangegeven.

saneringssysteem

A saneringssysteem

C

"dicht"

afhankelijk van verontreinigingssituatie

f

/~^$ / * j

\

saneringssysteem

B

O

o o o y

*

\

r'

saneringssysteem

"dicht"

0

C

"open"

VERKLARING fÊ^m I W W ^

saneringssysteem

B

civieltechnische isolatie ontgraving en aanvulling

1

interceptie systeem

I»)

tijdelijke maatregel

"open"

schema saneringssystemen

maatgevende lokaties on.

89-01,61-13/2052-89

Figuur 3.5

-26-

Met uitzondering van de maatgevende locaties (cluster I; tabel 3.1) zijn voor de overige locaties saneringsmaatregelen uitgewerkt per cluster, uitgaande van het huidige gebruik van de terreinen of het gebruik vóór de vaststellingen van de verontreinigingssituatie. Deze maatregelen zijn in tabel 3.2 voor de drie doelstellingenniveaus per cluster en per gebruiksfunctie samengevat. Voor een aantal locaties geldt daarbij, dat de betreffende maatregelen naar verwachting niet voor de gehele locatie van kracht zijn, maar voor een percentage van de oppervlakte zoals in de betreffende tabel staat vermeld.

Voor de zeven maatgevende locaties kunnen de maatregelen per doelstellingenniveau als volgt worden samengevat. ZELLINGWIJK Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het basisniveau dienen de maatregelen te bestaan uit! het verwijderen van de verontreinigingen tot een niveau van circa 2,0 m beneden het maaiveld en het aanbrengen van het deklaagsysteem bestaande uit een ruim gedimensioneerde leeflaag met daarin opgenomen een afdichtende constructie; het aanbrengen van een verticaal isolatiesysteem rond het gehele gebied, zodanig dat een horizontale verspreiding van de verontreinigingen tengevolge van grondwatertransport wordt voorkomen; het aanbrengen van een interceptiesysteem in het watervoerende pakket en een zodanige onttrekking van het grondwater dat een verspreiding van verontreinigende stoffen, die vanuit het brongebied in het watervoerende pakket komen, wordt voorkomen. Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het tussenniveau dienen de maatregelen te bestaan uit: het verwijderen van het totale afvalpakket tot een niveau van 0,50 a 1,00 m onder de huidige basis van het ophoog- en afvalmateriaal;

Tabel 3.2: Maatregelen per cluster Ophoogmateri aal

Cluster

II

Chemisch afval

Gebrui k

Locati e-aandui di ng

l e niveau

2 e niveau

woningen bedrijven

C dicht B dicht

A C dicht

agrari sch

C open + damwand C open + damwand

C dicht

C open C open

A C dicht* C dicht C dicht C dicht A

Ouderkerk-centrum (NW deel) (24) I J s s e l d i j k 109-111 ( 3 0 ) , 235-335 ( 3 4 ) , 337-365 (36) Gouderaksedijk ( 5 ) * , Blok (16) Groot Hit!and (23)

braak

Cluster III

woningen

Bedrijfsafval + baggerspeci e

bedrijven

Cluster IV**

Maatregelenpakket 3 e niveau

Z u i d e r i j s s e l d i j k ( 1 ) , Werf I I I (32) Boele ( 1 9 ) , N i j v e r h e i d s s t r a a t ( 4 0 ) , Koudasfaltf a b r i e k (4) 50%, Middelblok-groot (7) 20%, Heuvel man (20) Capelle Jachthaven (29), Ketensedijk/Feenstraterrein (37), Werf I (28), Werf II (31)

C dicht

agrarisch braak

B/C open C open C open

A C dicht* B dicht B/C dicht C dicht C dicht

woningen

C open

C dicht

C dicht

Ijssellaan (15)

C open B-open C open B open C open B open

C dicht B dicht C dicht

Loswal III (33) 30%, Watertoren (27) 20% De Onderneming (17), Zellingstraat (38) 25%

C dicht

Groot Hit!and strekdam (26) 30%

bedrijven baggerspecie agrari sch braak

Klein H i t ! a n d (18)

* zonder damwand ** bij de locaties uit deze cluster wordt een verticale isolatie en een zuivering van water niet noodzakelijk geacht

-27-

het aanbrengen van een intensief onttrekkingssysteem in het watervoerende pakket. Hierbij kan worden overwogen om aan de bovenstroomse zijde, langs de rand van het verontreinigde gebied een verticaal isolatiesysteem aan te brengen tot aan de basis van het watervoerend pakket. Hiermee kan worden bereikt, dat de hoeveelheden te onttrekken grondwater uit het watervoerende pakket sterk worden gereduceerd. Een dergelijk systeem dient daarbij zodanig te worden ontworpen dat het tijdens de uitvoering dienst kan doen als grondkerende constructie. Aangezien de keuze hoofdzakelijk afhangt van de financiële consequenties van het alternatief zal hier in dit stadium niet verder op in worden gegaan.

Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau dienen maatregelen te worden uitgevoerd overeenkomstig de maatregelen van het tweede niveau, terwijl tevens moet worden gestreefd naar een verwijdering van de reeds in het watervoerende pakket aanwezige verontreinigingen . Dit kan worden bewerkstelligd door aanbrengen van een intensief interceptiesysteem op twee verschillende diepten na de verwijdering van de verontreinigingen uit het brongebied. Het wordt niet uitgesloten, dat ondersteunende maatregelen onder andere in de vorm van diepere ontgravingen noodzakelijk zijn.

GEITENWEI Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het basisniveau en aan de geformuleerde randvoorwaarden en uitgangspunten, dienen de saneringsmaatregelen te bestaan uit: het verwijderen van de verontreinigingen tot een niveau van circa 1,30 a 1,50 m beneden het maaiveld en het aanbrengen van een deklaagsysteem uitsluitend bestaande uit een leeflaagconstructie. In dit deklaagsysteem dient een horizontaal drainagesysteem te worden opgenomen teneinde het freatisch (verontreinigde) grondwater op een voldoende laag peil te beheersen, zodanig dat geen negatieve effecten ontstaan (bijvoorbeeld door capillaire opstijging van grondwater) op de teelaardelaag. Ter plaatse van de woning dient de toplaag te worden verwijderd tot een niveau van 2,0 m beneden het maaiveld;

-28-

het aanbrengen van een verticaal isolatiesysteem langs de Hollandsche IJssel en een horizontaal interceptiesysteem langs de binnenteen van de dijk. Indien de aanleg van het laatstgenoemde systeem uitvoeringstechnisch niet mogelijk c.q. bezwaarlijk is (door bijvoorbeeld aanwezige bebouwing) kan eveneens een verticaal isolatiesysteem worden overwogen in de bestaande dijk; het aanbrengen van een verticaal onttrekkingssysteem in het eerste watervoerende pakket en een zodanige onttrekking van het grondwater dat een verspreiding van verontreinigende stoffen in het watervoerende pakket wordt voorkomen. Het is mogelijk dat in eerste instantie kan worden volstaan met een monitoring van de grondwaterkwaliteit in dit pakket.

De betreffende maatregelen behoren tot het saneringssysteem C met een open deklaagsysteem (uitsluitend leeflaagconstructie). Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het tussenniveau, dienen de maatregelen te bestaan uit: het verwijderen van de verontreinigingen tot een niveau van circa 1,80 a 2,00 m beneden het maaiveld en het aanbrengen van een gesloten deklaagsysteem bestaande uit een leeflaag met daarin opgenomen een afdichtende constructie; het aanbrengen van een verticaal isolatiesysteem langs de Hollandsche IJssel en een horizontaal interceptiesysteem langs de binnenteen van de dijk zoals beschreven bij het voorgaande systeem; het aanbrengen van een verticaal onttrekkingssysteem in het eerste watervoerende pakket overeenkomstig het voorgaande systeem.

De betreffende maatregelen behoren tot het saneringssysteem C met een gesloten deklaagsysteem (leeflaag inclusief afdichtingsconstructie). Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau dienen de maatregelen te bestaan uit: het verwijderen van alle verontreinigingen uit het brongebied, dit wil zeggen tot een niveau van 0,50 a 1,00 m onder de huidige basis van het afvalpakket;

-29-

het aanbrengen van een intensief onttrekkingssysteem in het watervoerende pakket. De betreffende maatregelen behoren tot het saneringssysteem A.

SCHANSPOLDER Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het basisniveau dienen maatregelen te worden genomen comform saneringssysteem C met een open deklaagsysteem en voor het tussenniveau maatregelen conform systeem C met een gesloten deklaagsysteem. Voor beide systemen geldt, dat het verticale isolatiesysteem aan beide zijden moet worden doorgezet tot aan de hoofdwaterkering.

Nader funderingsonderzoek zal moeten uitwijzen of handhaving van garage midden op de locatie mogelijk is. Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau dient de aanwezige bebouwing te worden afgebroken en zullen maatregelen conform saneringssysteem A moeten worden uitgevoerd. Gelet op de reeds aangetroffen verontreinigingen in het eerste watervoerende pakket dient een verwijdering van deze verontreinigingen, bij voorkeur door middel van een intensief onttrekkingssysteem, te worden nagestreefd.

£oitfinflOxd_eji Ayia Bij uitvoering van de maatregelen conform saneringssysteem B met afdichtende constructies kan worden voldaan aan de saneringsdoelstellingen van het basisniveau. Speciale voorzieningen zijn nodig voor de ondergrondse nutsleidingen en de aanwezige woonbebouwing. De aanwezige bedrijfsbebouwing dient eveneens te worden voorzien van lekdichte vloerconstructies. Een toekomstige verlaging van de grondwaterstand in het te isoleren gebied kan aanleiding zijn tot het treffen van extra funderingstechnische voorzieningen.

Bij uitvoering van maatregelen conform saneringssysteem C met een gesloten deklaagsysteem kan worden voldaan aan de saneringsdoelstellingen van het tussenniveau.

-30-

Funderingstechnisch onderzoek zal moeten uitwijzen in hoeverre de bedrijf sbebouwing kan worden gehandhaafd. Op staal gefundeerde bebouwing zal in elk geval moeten worden verwijderd.

Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau is uitplaatsing van de aanwezige bedrijven noodzakelijk en moet de aanwezige bebouwing worden afgebroken. Maatregelen zijn noodzakelijk conform saneringssysteem A.

EMK Op de locatie zijn reeds isolatiemaatregelen uitgevoerd nadat de aanwezige bebouwing was verwijderd. Rondom de locatie is een scherm aangebracht, bestaande uit damwanden (waterzijde) en diepwanden (alleen waterkerend). Tevens is een bovenafdichting aangebracht en wordt verontreinigd grondwater onttrokken. Deze isolatie heeft een definitief karakter. Vooralsnog wordt de locatie niet heringericht. Met de uitvoering van deze maatregelen kan na het treffen van de definitieve voorzieningen aan het maaiveld worden voldaan aan de saneringsdoelstellingen van het basis- en mogelijk (afhankelijk van de keuze van het deklaagsysteem) van het tussenniveau.

Aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau kan uitsluitend worden voldaan indien alsnog wordt uitgegaan van een totale verwijdering van het verontreinigde materiaal conform saneringssysteem A. ALBATROS Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het basisniveau dienen op het bedrijfsterrein maatregelen te worden uitgevoerd conform saneringssysteem B met een afdichtende constructie aan het maaiveld. Op het braakliggende terrein kan daarbij worden uitgegaan van de voor dit niveau beschreven maatregelen voor de Zellingwijk te Gouderak. In het verspreidingsgebied dient te worden uitgegaan van een geohydrologische isolatie door middel van een peilbeheerssysteem.

-31-

Om te voldoen aan de saneringsdoelstellingen van het tussenniveau dienen op het bedrijfsterrein maatregelen te worden uitgevoerd conform saneringssysteem C met een gesloten deklaagsysteem. Op het braakliggende terrein en in het verspreidingsgebied dient te worden uitgegaan van een totale verwijdering van de verontreinigingen door middel van een ontgraving van het verontreinigde materiaal.

Bij een totale verwijdering door ontgraving van alle verontreinigde grond en onttrekking van alle verontreinigde grondwater kan worden voldaan aan de saneringsdoelstellingen van het maximumniveau.

Voor alle systemen geldt ten aanzien van de slibverontreiniging in de blnnendijks gelegen teensloot dat een verwijdering van het verontreinigde slib dient plaats te vinden.

Hoe_vselhe_de_n_ve_rfin£re_in.ia;de_ grand, e_n_af_va.lm.a.ke.r_ia,al

Aan de hand van alle beschikbare basisgegevens zijn de hoeveelheden te verwijderen verontreinigde grond en (chemisch) afval berekend. Hierbij is onderscheid gemaakt in clusters zoals in tabel 3.1 en 3.2 staat aangegeven. De hoeveelheden zijn in tabel 3.3 samengevat.

-32-

Tabel 3.3: Hoeveelheden vrijkomend verontreinigd materiaal (mJ) Omschrijving

Hoeveelheden per saneringsdoelstellingenniveau basisniveau

tussenniveau

maximumniveau

Cluster I Maatgevende locaties

200.000 (65%)

550.000 (67%)

1.350.000 (63%)

Cluster II Terreinen met chemisch afval, bedrijfsafval en baggerspecie

55.000 (17%)

200.000 (25%)

630.000 (29%)

Cluster III Terreinen met bedrijfsafval en baggerspecie

45.000 (15%)

60.000 (7%)

130.000 (6%)

Cluster IV Terreinen hoofdzakelijk opgehoogd met baggerspecie

10.000 (3%)

10.000 (1%)

50.000 (2%)

Totale hoeveelheden

310.000 (100%) 820.000 (100%) 2.160.000 (100%)

Uit deze hoeveelheden blijkt dat de maatgevende terreinen op alle kwaliteitsniveaus circa 65% van de totale hoeveelheid te verwijderen verontreinigde materiaal beslaat. De hoeveelheid verontreinigd materiaal van de 14 terreinen uit de clusters III en IV bedraagt bij de maatregelen op het tweede en derde kwaliteitsniveau nog geen 10% van de totale hoeveelheid en bij maatregelen op het eerste niveau 18%. Bij de berekening van de hoeveelheden zijn de terreinen EMK (39) en Werf III (32) buiten beschouwing gebleven, aangezien voor deze terreinen geldt dat de sanering reeds is uitgevoerd of in uitvoering is.

JgeinigJiaarlieid_vfirfintre.iaig.de. grand, _n_afv_lma_e£ia.al Ten aanzien van de reinigbaarheid van het materiaal kan worden gesteld dat het materiaal afkomstig van de locaties Zellingwijk, Geitenwei, Schanspolder, Kortenoord, Avia en EMK alsmede van een aantal locaties behorende tot cluster II bij de huidige stand der techniek niet tot een multifunctioneel bruikbaar of beperkt bruikbaar produkt te reinigen is.

-33-

Bodemmateriaal afkomstig van het Albatros-terrein is deels wellicht reinigbaar (zware metalen, extractief), deels zeker reinigbaar (olie, thermische of microbiologisch) en deels niet reinigbaar (zware metalen, olie, PAK). Dit geldt ook voor een aantal terreinen die deel uitmaken van de overige clusters. Totaie_sa.ne.rings.koste_n_la.nd.lp_ca.ties

De totale kosten voor de uitvoering van de saneringsmaatregelen zijn samengevat in tabel 3.4. Hierbij zijn ook inbegrepen de exploitatiekosten voor de verschillende isolatie- c.q. beheerssystemen. Daarbij is uitgegaan van een contante waardeberekening over een periode van vijftig jaar. Kosten noodzakelijk voor bedrijfsverplaatsingen en bijzondere funderingstechnische voorzieningen zijn niet in de ramingen inbegrepen.

Tabel 3.4: Kostenramingen saneringssystemen (excl. BTW) Omschrijving

Kosten per saneringsdoelstellingenniveau basisniveau

tussenniveau

maximumniveau

Cluster I Maatgevende locaties

ƒ 186*106 (54%) ƒ 240*106 (47%) ƒ

405*106 (50%)

Cluster II Terreinen met chemisch afval, bedrijfsafval en baggerspecie

ƒ 127*106 (37%) ƒ 162*106 (31%) ƒ

230*106 (28%)

Cluster III Terreinen met bedrijfsafval en baggerspecie

ƒ

26*106 (8%)

ƒ

81*106 (16%) ƒ

118*106 (14%)

Cluster IV Terreinen hoofdzakelijk opgehoogd met baggerspecie ƒ 3*106 (1%)

ƒ

31*106 (6%)

62*106 (8%)

Totale kosten

ƒ

ƒ 342*10° (100%) ƒ 514*10° (100%) ƒ

816*10° (100%)

-34-

Bij de opstelling van de kostenramingen zijn de terreinen EMK (39) en Werf III (32) buiten beschouwing gebleven, aangezien voor deze terreinen geldt, dat de sanering reeds is uitgevoerd of in uitvoering is. Uit de gesommeerde kosten blijkt, dit in tegenstelling tot de verwachtingen bij aanvang van de studie, dat de maatgevende terreinen op het tussenniveau en maximumniveau niet meer dan 50% van de totale kosten vertegenwoordigen. Bij het basisniveau bedraagt dit aandeel circa 55%. Met name de terreinen uit cluster II dragen substantieel bij in de totale kosten. Dit wordt onder andere veroorzaakt door het grotere aantal locaties behorende tot deze laatstgenoemde cluster en de voorzieningen die nodig zijn in het kader van de sanering naast de ontgraving en afvoer van het verontreinigde materiaal. 3.4.3

lnyefltaris3tie_nazQ.rgma.a.tre_gÊle_n

Nazorg van de verontreinigde landlocaties heeft alleen betrekking op die locaties waar verontreinigingen na uitvoering van saneringsmaatregelen ter plaatse achterblijven (isolatie). Aan een geïsoleerde bodemverontreiniging zijn restrisico's voor de volksgezondheid en het milieu verbonden, omdat de mogelijkheid aanwezig blijft dat het aangebrachte isolatiesysteem faalt. De risico's zijn onder te verdelen in risico's van direct contact aan de oppervlakte en risico's voor verdere verspreiding van verontreinigingen met het grondwater naar de omgeving. De risico's van direct contact kunnen beheerst worden door een periodieke inspectie. Een monitoringsysteem inclusief periodieke analyses van genomen grondwatermonsters geeft informatie over de kwaliteit van het diepe grondwater en maakt het mogelijk om bij een eventueel falen van het systeem vroegtijdig in te grijpen. Een adequaat voorlichtingssysteem draagt bij aan de naleving van de opgelegde gebruiksbeperkingen.

De aanwezigheid van een relatief groot aantal locaties met nazorgsystemen in een relatief klein gebied, maakt het wenselijk de nazorgactiviteiten te bundelen. Hiertoe zou een samenwerkingsverband van de betrokken gemeenten, de Provincie of bijvoorbeeld de Stichting Nazorg Afvalverwijderingsinrichtingen kunnen dienen.

-35-

Tot het takenpakket van een dergelijke beheersorganisatie zou gerekend kunnen worden: het zorgdragen voor een periodieke inspectie van installaties en isolatiesystemen (schermwanden e.d.); het zorgdragen voor periodieke bemonstering van de meetpunten van de monitoringsystemen en voor de analysering van deze monsters; de periodieke evaluatie van de meetresultaten; het toezien op de naleving van de overeengekomen gebruiksbeperkingen.

Voordat een monitoringsysteem wordt ontworpen, dient bekend te zijn welke signaalwaarden worden gehanteerd op basis waarvan uitspraken over het al dan niet goed functioneren van het isolatiesysteem zullen worden gedaan.

De studie naar nazorgmaatregelen heeft ten aanzien van de monitoringsystemen het volgende opgeleverd: 1

De afstanden tussen monitoringputten worden bepaald door de mate waarin uitwaaiering van verontreiniging bij transport door de bodem kan plaatsvinden. Van belang zijn: de grondwatersnelheid in de poriën van de bodem; de uitwaaieringsmogelijkheden van de verontreinigingen in de betreffende bodem; de afgelegde afstand tussen bron en waarnemingspunt.

Bij een nadere uitwerking van het stromingsproces blijkt dat de benodigde afstand tussen monitoringputten door een aantal factoren wordt bepaald.

a

Verhouding tussen de gemiddelde bronconcentratie en de signaalwaarde Hoe hoger de bronconcentratie des te eerder de vastgestelde grenswaarden worden overschreden. Het aantal benodigde monitoringpunten bij een zeer sterk verontreinigde zelling (Gouderak) is bij dezelfde geohydrologische omstandigheden beduidend lager dan bij minder verontreinigde zellingen (Schanspolder).

-36-

Evenzo geldt dat, indien de C-waarde als grenswaarde wordt gehanteerd, de monitoringpunten dichter opeen geplaatst moeten zijn dan indien de B-waarde wordt gehanteerd. b

Responstijd die aan het monitoringsysteem wordt opgelegd De responstijd bepaalt hoe ver de verontreiniging zich van de verontreinigingsbron mag hebben verspreid. Hoe groter de responstijd des te groter de afstand tussen bron en waarnemingspunt zal zijn.

2

Het ontwerp van het monitoringsysteem is met name gevoelig voor de aannamen voor de transversale dispersielengten en de gekozen responstijd.

3

Het maakt weinig verschil in aard van de monitoringmaatregelen en berekende kosten welke isolatievariant wordt gekozen. Voor de maatgevende zellingen (exclusief E.M.K. terrein) is een monitoringsysteem ontworpen op basis waarvan de kosten voor nazorg berekend zijn. In onderstaande tabel is voor deze zes locaties het monitoringsysteem en globale kosten samengevat. Opgemerkt dient te worden dat voor de opzet van het monitoringnetwerk is uitgegaan van het falen van het isolatiesysteem op één punt (puntbron).

Tabel 3.5 Monitoringsysteem en globale kostenindicatie (x ƒ 1.000.000) zelling

oppervlak (m )

Zellingwijk 32.000 Geitenwei 22.000 Schanspolder 71.000 Avia 12.000 Kortenoord 46.000 Albatros 53.000

kritische parameter

aantal meetpunten signaalwaarde B C

benzeen benzeen benzeen benzeen benzeen arseen

44 79 232 136 414 389

56 129 417 357 1.987 524

totaal kosten bij signaalwaarde B C 0,3 0,4 1,4 0,7 2,2 2,1

0,4 0,6 2,4 1,8 10,4 2,8

Voor de volledigheid wordt opgemerkt, dat de in tabel 3.5 vermelde kosten uitsluitend betrekking hebben op het totale controlesysteem en dat daarbij niet de kosten voor herstel en onderhoud van systemen zijn inbegrepen.

Bemonstering waterbodem HoUandsche IJssel

L \

1^ ^r ^ ^

' L!2.

Vit* •

IA 1

^SfHMWH

-37-

3.5

De waterbodem

3.5.1

Xny.entfirAsa.tie_ve.ran£re_in,igin.g.£situ.a:tie_

In het verleden zijn oriënterende onderzoeken uitgevoerd naar de kwaliteit van de waterbodem in de rivier. Aanvullend zijn in de inventarisatiefase van deze studie 23 "vibrocore" boringen in de rivierbodem uitgevoerd alsmede 4 handboringen met een zuigerboor. Voorts zijn 234 zogenaamde "valbommen" bemonsterd, waarbij een monster wordt verkregen van de eerste 20 a 50 cm van het waterbodemmateriaal. De analyseresultaten van de totaal 66 boringen (oriënterend en aanvullend onderzoek) geven een indruk van de kwaliteit van de diepere lagen van de waterbodem (verticale verontreinigingssituatie). De valbommonsters en de toplaagmonsters van de boringen (totaal 556) worden representatief gesteld voor de kwaliteit van de toplaag van de waterbodem (horizontale verontreinigingssituatie). De analyseresultaten zijn getoetst aan het "Interimnormeringssysteem" van Rijkswaterstaat. Dit systeem onderscheidt vier kwaliteitsklassen, waarbij in klasse 1 niet tot licht verontreinigd waterbodemmateriaal wordt ingedeeld en in klasse 4 ernstig verontreinigd materiaal. Gesteld kan worden dat in klasse 2, 3 en 4 in toenemende mate sprake zal zijn van een beïnvloeding van het milieu en dat in klasse 3 (boven de toetsingswaarde) en zeker in klasse 4 (boven de signaleringswaarde) de noodzaak tot het treffen van saneringsmaatregelen moet worden overwogen.

Of saneringsmaatregelen ook daadwerkelijk moeten worden uitgevoerd, is echter sterk afhankelijk van de milieurisico's en de lokale omstandigheden.

Ten behoeve van de interpretatie van de verontreinigingssituatie is de Hollandsche IJssel in zes vakken verdeeld. De indeling van deze vakken is aangegeven in figuur 3.6. In tabel 3.6 is indicatief per vak aangegeven welk percentage van de toplaag van de waterbodem in klasse 3 en/of 4 valt en welk percentage in klasse 1 en/of 2. Niet altijd kon het oppervlak volledig worden ingeschat. Dit percentage is ook aangegeven. Tenslotte is in de tabel (eveneens indicatief) aangegeven op welke diepte de overgang van klasse 3- naar klasse 2-materiaal zich bevindt.

-38-

Uit de evaluatie van de verontreinigingssituatie is gebleken, dat de toplaag van de waterbodem in vergelijkbare mate of, met name in het bovenstroomse gebied, sterker is verontreinigd dan de direct daaronder liggende bodemlagen. Figuur 3.6: Gehanteerde vakindeling in de rivier

Tabel 3.6: Overzicht verontreinigingssituatie Vakaanduiding

Klasse 3+4

Klasse 1+2

(% opp.) 90% 80% 80% 70% 60% 70%

Vak 1 Vak 2 Vak 3 Vak 4 Vak 5A Vak 5B

(% opp.)

Klasse "onbekend" (% opp.)

Overgang klasse 3-2 diepte (m)

0% 10% 10% 10% 20% 10%

10% 10% 10% 20% 20% 20%

2,0 1,5 1,0 0,8 0,5 2,0

Aan de hand van deze schattingen is globaal berekend hoeveel verontreinigd materiaal (klasse 3+4+"onbekend") in de waterbodem van de Hollandsche IJssel aanwezig is. Het betreft ruim 3 miljoen m materiaal, dat sterk verontreinigd is met onder andere polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK), polychloorbifenylen (PCB's), pesticiden, zware metalen en olie.

-39-

3.5.2

lnïen.ta.risstie_sane.ringsme£ho_de_n

De sanering van de waterbodem bestaat uit een verwijdering van het verontreinigde materiaal tot een, afhankelijk van de geformuleerde kwaliteitsdoelstelling, bepaald niveau.

De maatregelen kunnen per kwaliteitsdoelstellingenniveau als volgt worden samengevat.

Maatregelen. c_o.n.fp_rm. d,e_dp_elstellingen. Yan, het b_a.s.is_n.ive_au.

De maatregelen bestaan in eerste instantie uit het verwijderen van materiaal zoals dat om milieuhygiënisch/nautische redenen noodzakelijk wordt geacht binnen de vaargeul van de rivier. Hierbij wordt uitgegaan van het uit nautisch oogpunt benodigde minimale profiel vermeerderd met 0,50 m (en eventueel 1,0 m) om het in suspensie geraken van sedimentatiemateriaal door de scheepvaartactiviteiten tot een minimum te beperken. Naast deze maatregel wordt integraal in het natte profiel van de rivier 0,50 m verontreinigd waterbodemmateriaal vervangen door materiaal minimaal behorende tot de kwaliteitsklasse 2. Ter plaatse van de bij laag water droogvallende platen wordt daarbij uitgegaan van een verwijdering tot 0,50 m onder de gemiddelde laagwaterlijn. Ter plaatse van zandbanen worden eveneens eisen gesteld aan de doorlatendheid van het aanvulmateriaal teneinde aan de eis ten aanzien van de beperking van de verspreidingsrisico's te kunnen voldoen. Aanvullingen met klasse 2 materiaal hoeven niet plaats te vinden in gebieden waar na de verwijdering van de verontreinigde toplaag van de waterbodem de overgang tussen klasse 3 en klasse 2 is gepasseerd. Dit is het geval in het riviervak 5A en in de vaargeul van de vakken 4 en 5A en naar verwachting in vak 3.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Krimpenerwaard&id=8f548c8a-3785-4e17-86e9-b35b8ce5bad0